CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

15.3.2. WPVKWG24B_Motivering

Raad 30 juni 2025, gemeente HeerdeBij agendapunt: A Vaststelling TAM-omgevingsplan Wapenvelder Kerkweg 24B20.259 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aanvullend daarop geldt vanuit de gemeente de minimale bergingseis van 10 mm op eigen perceel. Dit maakt onderdeel uit van de totale bergingseis van 60 mm.

Figuur 16: Beleid compensatie waterberging

3.5.6.2

Locatiespecifieke uitgangspunten (toets)

In casu is sprake van projectmatige nieuwbouw. Er geldt derhalve een bergingseis van 60 mm waterberging per vierkante meter verharding.

3.5.6.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

In paragraaf 4.14 Water is toegelicht op welke wijze rekening is gehouden met het waterbelang. Hierbij is invulling gegeven aan de uitgangspunten van het waterschapsbeleid.

3.5.6.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief in overeenstemming is met het beleid.

31

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

3.5.7

Parkeerbeleidsplan

3.5.7.1

Algemeen

De gemeente Heerde beschikt over parkeerbeleid in de vorm van de parkeernormennota 'Parkeerbeleidsplan - naar integraal parkeerbeleid - Gemeente Heerde'. Hieraan is een separate parkeernormennota gekoppeld. Op basis van de opgenomen parkeernormen dient de parkeerbehoefte van een ontwikkeling te worden bepaald.

3.5.7.2

Locatiespecifieke uitgangspunten (toets)

Onderhavig initiatief voorziet in de toevoeging van zes woningen. Op basis van de parkeernormennota betreffen dit woningen in de categorie 'woning duur' in de stedelijke zone 'rest bebouwde kom'. Voor dergelijke woningen geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per woning. Ten behoeve van de nieuwe woningen moeten derhalve 12,6, afgerond 13, parkeerplaatsen worden gerealiseerd.

3.5.7.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

In paragraaf 4.11 Mobiliteit, Verkeer en Parkeren is toegelicht op welke wijze wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Hierbij is invulling gegeven aan de uitgangspunten van het parkeerbeleidsplan.

3.5.7.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief in overeenstemming is met het beleid.

32

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

Hoofdstuk 4 4.1

Archeologie

4.1.1

Wettelijk kader

Omgevingsaspecten

De essentie van het Europees beleid, conform het verdrag van Malta 1992, is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden zodat daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, vooruitlopend op de Omgevingswet, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Middels deze kaarten kan worden afgeleid wat de archeologische en/of cultuurhistorische verwachting en het bijbehorende beleidsadvies is voor een specifieke locatie.

Dit beleidsadvies schrijft per verwachting zowel drempelwaarden voor waarboven onderzoek benodigd wordt geacht, als welke onderzoeken dit betreft. De archeologische waarden en verwachtingen, alsook de cultuurhistorische waarden, zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, welke zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege. De dubbelbestemming is vaak gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart in combinatie met aanvullende informatie uit onderzoeken. Normaliter is de geldende dubbelbestemming bepalend ten opzichte van de beleidskaart. Voor de exacte ligging van de archeologische en verwachtingen en cultuurhistorische waarden met betrekking tot de zoekgebieden, wordt verwezen naar beleidskaarten welke onderdeel uitmaken van de kaartenboeken in de bijlagen.

4.1.2

Onderzoek

Hamaland Advies heeft in opdracht van Craeft Advies een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd voor de (her)ontwikkeling van het erf aan de Wapenvelder Kerkweg 24b/c te Wapenveld, gemeente Heerde. De bijbehorende rapportage is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 3 Archeologisch onderzoek. Het plangebied ligt volgens de beleidskaart van de gemeente Heerde (2011) grotendeels in een zone met een hoge archeologische verwachting. Een strook langs de zuidoostelijke grens van het plangebied ligt in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. Bij een ligging van het plangebied in verschillende beleidszones is de meest strenge zonering leidend voor het bepalen van de onderzoeksplicht. Het beleid bij zones met een hoge archeologische verwachting is dat archeologisch (voor)onderzoek verplicht is bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 én een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm-mv. Het gemeentelijke archeologiebeleid is tevens opgenomen in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied West" van gemeente Heerde (vastgesteld 2012). De ontwikkelingen overschrijden de vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek. Daarom is een KNA conform bureauonderzoek (protocol 4002) en een verkennend booronderzoek (protocol 4003) uitgevoerd door Hamaland Advies.

Het rapport en het selectieadvies zullen worden getoetst door de Gemeente Heerde. Op basis van de resultaten van het booronderzoek en het bouwdossieronderzoek wordt de kans dat bij de beoogde bodemingrepen archeologische resten verstoord worden laag ingeschat. Hamaland Advies adviseert het plangebied vrij te geven voor de beoogde bodemingrepen.

4.1.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Op basis van het onderzoek heeft de gemeente Heerde een selectieadvies genomen. Middels dit selectieadvies is het plangebied vrijgegeven voor wat betreft archeologie. Er hoeven geen (verdere) eisen te worden gesteld voor wat betreft archeologie. De voorheen aanwezige planologische dubbelbestemming voor archeologische waarden is derhalve niet opnieuw in de regels opgenomen.

33

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.1.4

Conclusie

Met betrekking tot archeologie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2

Activiteiten en Milieuzonering

4.2.1

Wettelijk kader

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gaf al in 2017 aan dat de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering 2009' (ook bekend als het 'paarse boekje' en in de jaren voor 2009 het 'groene boekje') niet meer geschikt was voor toepassing onder de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat immers meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. Hiervoor publiceerde de VNG in 2019 een regel-systematiek onder de naam 'Milieuzonering nieuwe stijl', voor toepassing onder de Crisis- en herstelwet. Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBI-code en de daarbij behorende richtafstanden. De nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is gebaseerd op de Omgevingswet en vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019. Onderzocht moet worden of de woningbouw ter plaatse van de locatie mogelijk is met het oog op de garantie van een goed woon- en leefklimaat. Hiertoe wordt mogelijke hinder van in de omgeving gesitueerde activiteiten beoordeeld. Tevens moet beoordeeld worden of de nieuwe gevoelige functie leidt tot een belemmering van bestaande activiteiten.

Er dienen kortgezegd twee vragen beantwoord te worden:  Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? (belang toekomstige bewoners woningen / gevoelige objecten)  Wordt niemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belang omliggende activiteiten / bedrijven) Deze vragen worden op basis van de planologische situatie geanalyseerd. In een grotere straal rondom de planlocatie liggen ook andere bedrijven. Deze worden niet beoordeeld. Dit is passend met het feit dat al veel andere, reeds belemmerende functies, voornamelijk andere woningen, dichterbij die bedrijven liggen, waardoor deze niet belemmerd worden door de onderhavige ontwikkeling. Daarnaast zijn de afstanden tot die bedrijven dermate groot dat deze geen invloed hebben op het woon- en leefklimaat. De regels voor milieuzonering onder de Omgevingswet zijn veranderd, er is geen sprake van een beleidsneutrale overgang. Het beleid ten aanzien van 'geur' en 'geluid' is onder het regime van de Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf 5.1.4.6 Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van de 'staalkaart' kan er aan individuele bedrijven een milieucontour worden toegekend in het omgevingsplan en wordt er alsdan niet meer gewerkt met vaste richtafstanden.

In de huidige transitiefase is dit nog niet uitwerkt in het omgevingsplan van de gemeente. De VNG heeft voor milieuzonering onder het regime van de Omgevingswet een brochure opgesteld, te weten het servicedocument 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet', welke bruikbaar is in de vertaling van het voorheen geldende bestemmingsplanregime. Daarbij hoort tevens een tabel met een nieuwe indeling van afstanden, deze is onderstaand opgenomen als Tabel 1. Tabel 1: Richtafstanden en categorieën Afstand in meters Geur 10 FM 30 1 50 2 100 3 200 3 300 IT

Geluid FM 1 2 3 4 IT

De letters 'FM' staan voor functiemenging. De letters 'IT' staan voor industrieterrein. Uit de tabel volgt dat niet simpelweg gesteld kan worden dat de huidige milieucategorieën cijfermatig hetzelfde blijven als de toekomstige afstandscategorieën. Ook onder het Omgevingswet-regime kunnen afstanden naar beneden worden bijgesteld, mits onderzoek is gedaan naar de

34

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

aspecten geur en geluid.

4.2.2

Onderzoek

Er vindt op een deel van het plangebied een verandering van functie plaats van agrarisch naar wonen. Rondom het plangebied liggen uitsluitend andere woningen waardoor er vanuit externe functies geen negatief effect is op het woon- en leefklimaat. Andere functies liggen op een dermate grote afstand dat deze niet belemmerend werken. De overgebleven agrarische functie ten behoeve van graslandbeheer en voederwinning (akkerbouw) betreft een functie binnen de milieucategorie 2. Omdat geen dieren en mest meer gehouden mogen worden, kan worden volstaan met de richtafstand die op grond van voornoemde VNG-publicatie moet worden aangehouden, zijnde 30 m. Het woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen verbeterd hiermee; er wordt immers een geuremitterend bedrijf verwijderd. De kwaliteit van het woon- en leefklimaat met betrekking tot geluid is bevestigd door de uitgevoerde geluidonderzoeken zoals opgenomen als Bijlage 5 Geluidonderzoek activiteiten en Bijlage 6 Geluidonderzoek wegverkeer.

4.2.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Ten behoeve van het woon- en leefklimaat is een afstand van 30 meter van het agrarische bedrijf tot de nieuwe woonbestemming geborgd in de regels en verbeelding. In de verbeelding is een agrarische zonering opgenomen voor de toepassing van bestrijdingsmiddelen. Dit is een zone van 50 meter rondom de functie wonen. Op die wijze is geborgd dat ter plaatse van de functie wonen sprake is van een goed (gezond) woon- en leefklimaat. Het plaatselijke woon- en leefklimaat zal goed zijn. Bedrijven worden niet in de bedrijfsvoering beperkt.

4.2.4

Conclusie

Met betrekking tot activiteiten en milieuzonering is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3

Bodem

Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:  het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);  het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies);  het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).

4.3.1

Wettelijk kader

Om het omgevingsplan te wijzigingen waarmee een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie wordt toegestaan, dient op grond van artikel 5.89ka en 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

35

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

4.3.2

Onderzoek

In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft Milieu Adviesbureau De Klinker een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) en asbestonderzoek (NEN5707 en NEN5897) uitgevoerd ter plaatse van het plangebied, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4 Bodemonderzoek. Voor de volledige bevindingen en conclusies van het onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. In het onderzoek is het volgende geconcludeerd:  tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen zintuiglijke afwijkingen in de bodem waargenomen;  in de bovengrond zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen;  in de ondergrond zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen;  in het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen;  de grond in de druppelzone is licht asbesthoudend, de aangetroffen concentratie ligt ruim onder de waarde voor nader onderzoek of de interventiewaarde.  de hypotheses kunnen aangenomen worden, de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. Daarmee wordt gesteld dat, naar de beoordeling van Milieu Adviesbureau De Klinker, het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal).

4.3.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Op basis van de onderzoeksresultaten zijn geen maatregelen noodzakelijk.

4.3.4

Conclusie

Met betrekking tot bodem is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4

Cultuurhistorie

4.4.1

Wettelijk kader

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Bkl staan hiervoor instructieregels. Deze gaan over:  ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten  verplaatsing van beschermde monumenten  gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand  aantasting van de omgeving van een beschermd monument  aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen  conserveren en in stand houden van archeologische monumenten Om het aspect cultuurhistorie een volwaardige plaats te geven in ruimtelijke ontwikkeling heeft de gemeente Heerde een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart maakt het doen van cultuurhistorisch onderzoek bij ruimtelijke procedures in veel gevallen makkelijker en goedkoper of zelfs overbodig. De cultuurhistorische waardenkaart kan daarnaast dienen als inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het kenmerkende cultuurhistorische verleden van een gebied kan daardoor worden voortgezet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

4.4.2

Onderzoek

In de cultuurhistorische waardenkaart is vastgesteld dat het plangebied is gesitueerd in het landschapstype "kampenlandschap".

36

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

4.4.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Het plangebied kent geen specifieke cultuurhistorische elementen of monumenten. Het plangebied is gesitueerd in het kampenlandschap, dit landschapstype wordt als "gemiddeld" gewaardeerd. Geconstateerd wordt dat in het plangebied geen sprake is van cultuurhistorische waarde. De sloop van de landschapontsierende bebouwing en realisatie van een nieuw woonerf draagt in positieve zin bij aan de cultuurhistorische waarde van het kampenlandschap, mede vanwege de landschappelijke inpassing.

4.4.4

Conclusie

Met betrekking tot cultuurhistorie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Duurzaamheid

Duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkeling betekent onder andere dat voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen, op het gebied van bijvoorbeeld bodem, lucht en geluid. Daarnaast betekent duurzaamheid aandacht voor water (o.a. waterberging, met het oog op de voortgaande klimaatverandering) en voor inrichting van de openbare ruimte (materiaalgebruik, verharding, groen, verlichting). Tot slot zijn circulariteit en energie speerpunten als het gaat om duurzaamheid.

4.5.1

Wettelijk kader

De gemeente Heerde beschikt niet over duurzaamheidsbeleid dat relevant is voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling.

4.5.2

Onderzoek

In casu wordt in het onderhavige initiatief voldaan aan de wettelijke milieueisen op het gebied van bodem, lucht en geluid. Dit volgt uit dit hoofdstuk en de behandelde omgevingsaspecten. Tevens wordt op een duurzame wijze omgegaan met water en klimaatadaptatie. Bij de nadere uitwerking van de stukken omtrent de bouwaanvraag wordt nader invulling gegeven aan duurzaamheidsaspecten van de bebouwing.

4.5.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Het is van essentieel belang dat in het onderhavige initiatief sprake is van duurzaam en zorgvuldig ruimtegebruik. Landschapontsierende agrarische bebouwing wordt gesloopt. Op de vrijgekomen bouwlocatie worden zes woningen mogelijk gemaakt. De algehele ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast. Hiermee voorziet het initiatief in maatschappelijke meerwaarde. Stedelijke uitbreiding ten koste van agrarisch gebied of natuur wordt zodoende voorkomen. Geconstateerd wordt dat daarmee sprake is van een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving.

4.5.4

Conclusie

Met betrekking tot duurzaamheid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6

Geluid

Op grond van de Omgevingswet is het noodzakelijk om bij een ruimtelijke procedure te onderzoeken welke geluidbelasting een plan ondervindt door activiteiten in de omgeving. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

37

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

4.6.1

Wettelijk kader

Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de instructieregels in paragraaf 5.1.4.2 Bkl waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Per geluidbronsoort moet de geluidbelasting worden bepaald en worden getoetst aan onderstaande standaardwaarden en grenswaarden uit het Bkl (art. 3.34). Allereerst moet worden vastgesteld of een plan in een aandachtsgebied is gelegen. Indien dit het geval is, dan gelden er standaardwaarden waar het geluid op geluidgevoelige objecten niet boven uit mag komen. Tabel 2: Standaardwaarde geluid en grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Grenswaarde Provinciale wegen 50 Lden 65 Lden Rijkswegen Gemeentewegen 53 Lden 70 Lden Waterschapswegen Lokale spoorwegen 55 Lden 70 Lden Hoofdspoorwegen Industrieterreinen 50 Lden 60 Lden 40 Lnight 50 Lnight Indien de geluidbelasting op een plan voor een bepaalde geluidbronsoort hoger is dan de standaardwaarde, dan moet een afweging worden gemaakt waarbij maatregelen en beleid wordt betrokken. Na dit aanvullend onderzoek is het mogelijk dat een gemeente afwijkt van de standaardwaarden en bij de besluitvorming een hogere grenswaarde vaststelt.

Indien er voor meerdere bronsoorten de standaardwaarde wordt overschreden zal ook de cumulatieve geluidbelasting moeten worden bepaald en worden afgewogen. Uiteindelijk is de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet vooral een decentrale afweging, hierdoor is maatwerk mogelijk. Geluidaandachtsgebieden Onder de Omgevingswet wordt, conform artikel 3.20 Bkl, gewerkt met geluidaandachtsgebieden. Dit zijn gebieden/zones langs een (spoorweg) of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Binnen de geluidaandachtsgebieden moet de geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouwen worden getoetst aan de in de wet opgenomen geluidnormen. Deze geluidaandachtsgebieden worden door gemeente vastgelegd in het Omgevingsplan. De breedte van het geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de geluidemissie van de bron en staat in directe verbinding met de volgende twee begrippen: ‘geluidproductieplafond’ en ‘basisgeluidemissie’. Het geluidproductieplafond (Gpp) betreft referentiepunten waarop de toegestane geluidproductie voor de bron is aangegeven. De hoogte van de Gpp bepaald de omvang van het aandachtsgebied. Het aandachtsgebied wordt in een Omgevingsplan vastgelegd voor rijkswegen en provinciale wegen. Voor gemeentelijke wegen met een verkeersintensiteit vanaf 1.000 motorvoertuigen per etmaal is de Basisgeluidemissie (Bge) ingevoerd.

De gemeente legt de bge vast in het geluidregister en monitort vijfjaarlijks de ontwikkelingen van het geluid. Het aandachtsgebied wordt vastgelegd in dit geluidregister. Zolang er geen Gpp of Bge is vastgesteld gelden, voor het bepalen van de omvang van het geluidaandachtsgebied, de regels uit bijlage IVc van de Omgevingsregeling. Ook bevat het Bkl geluidsregels die via het omgevingsplan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. Daarnaast zijn regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Voor de periode waarin nog geen aandachtsgebieden zijn opgenomen in het Omgevingsplan, is er een overgangssituatie. In deze gevallen worden in de basis de onderzoekszones onder de voormalige Wet geluidhinder aangehouden als zijnde aandachtsgebied.

Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg:  voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m;  voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m;  voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m. Geluidgevoelige gebouwen & ruimten De geldende geluidsnormen onder de Omgevingswet hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze geluidsnormen hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond gebouwen waar mensen langdurig verblijven en slapen.

38

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

De geluidgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Aansluitend hierop betreft een geluidgevoelige ruimte, conform artikel 3.22 Bkl, een verblijfsruimte of verblijfsgebied van bovenstaande geluidgevoelige gebouwen. Het gewenste binnenniveau voor geluid betreft 33dB (onder voorwaarden is een maximaal binnenniveau van 38dB mogelijk). Indien een hogere grenswaarde wordt toegestaan, moet door middel van een gevelisolatieberekening worden aangetoond dat de geluidsbelasting binnen de woning de maximaal toelaatbare waarde van 33 dB niet overschrijdt. Bij een nieuwe woning maakt de gevelisolatieberekening onderdeel uit van de bouwaanvraag. Onder de Omgevingswet is het gezamenlijk geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel het uitgangspunt. Om het gezamenlijk geluid te bepalen van wegverkeerslawaai worden de wegen met Gpp’s en zonder Gpp’s bij elkaar opgeteld.

4.6.2

Onderzoek

In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft Buro Tideman geluidsonderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van activiteiten en de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer. De bijbehorende rapportages zijn bijgevoegd als Bijlage 5 Geluidonderzoek activiteiten en Bijlage 6 Geluidonderzoek wegverkeer.

4.6.2.1

Geluidonderzoek wegverkeer

Op grond van de Omgevingswet en het Bkl is het noodzakelijk om bij een ruimtelijke procedure te onderzoeken welke geluidbelasting een plan ondervindt door activiteiten in de omgeving. Per geluidbronsoort moet de geluidbelasting worden bepaald en worden getoetst aan de standaardwaarden van het Bkl (art. 3.20). Om de planologische wijziging mogelijk te maken, moet er inzicht worden verkregen in de geluidbelasting op het plan door het wegverkeerslawaai vanaf de Kanaaldijk en de Wapenvelder Kerkweg. De geluidbelasting op het plan is bepaald op twintig punten verspreid over de zes woningen. De ligging van de waarneempunten is weergegeven in figuur 4. De hoogte van de waarneempunten is gekozen op 1.5 en 5 meter. De gezamenlijke geluidbelasting bedraagt maximaal 53 dB. De geluidbelasting op het plan is lager dan de standaardwaarden van het Bkl (art. 3.20). De minimaal vereiste geluidwering aangegeven in het Bbl bedraagt 20 dB. Er wordt zonder nadere voorzieningen voldaan aan de binnenwaarde van 33 dB. Het aspect geluid is geen beletsel voor wijzigen van het omgevingsplan. Wat betreft het geluidonderzoek onderzoek is sprake van een evenwichtige toedeling van de gewenste functie wonen aan deze locatie.

4.6.2.2

Geluidonderzoek activiteiten

Op het erf wordt het agrarische bedrijf in afgeslankte vorm voortgezet, hierbij zal sprake zijn van agrarische activiteiten met enige geluidsemissie. Het toekomst bedrijf betreft een MBA (milieu belastende activiteit) waarvoor in het Omgevingsplan Heerde geluidvoorschriften zijn gesteld. In artikel 22.63 en 22.65 worden de algemeen geldende regels benoemd. Artikel 22.65 betreft een overgangsrecht. Zodra de regels in de bruidsschat worden vervangen door eigen gemeentelijke regels dan zullen de algemene regel gaan gelden onder 22.63. Dit volgt uit de instructieregels in het Bkl. Om deze reden wordt bij de toets van deze ruimtelijke ontwikkeling aangesloten bij bruidsschat tabel 22.3.1, deze is onderstaand opgenomen.

Figuur 17: Uitsnede akoestisch onderzoek De piekgeluiden in de dagperiode als gevolg van het laden en lossen worden uitgesloten van toetsing.

39

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

De bedrijfssituatie die mogelijk is op deze locatie is ingeschat aan de hand van onderzoeken bij vergelijkbare agrarische bedrijven. Op een vergelijkbare locatie zijn geluidmetingen verricht aan de geluidbronnen en activiteiten zoals het lossen van voer en het rijden met diverse zware voertuigen. Voor de planologische afweging moet inzicht worden gegeven in de geluidbelasting die optreedt bij een representatieve invulling van de planologische mogelijkheden. Op dit moment vinden er geen agrarische activiteiten plaats zoals gepland. Er is een inschatting gemaakt van de activiteiten die dagelijks plaats zouden kunnen vinden. De activiteiten die overblijven naar het opdelen van het terrein zijn kleinschalig. Er zullen alleen activiteiten in de dagperiode plaatsvinden. Per dag zijn 4 rijbewegingen van dieselvoertuigen aangenomen. Deze voertuigen zijn bijvoorbeeld een vrachtwagen die wordt gestald, een tractor die terugkomt of bijvoorbeeld een oogstwagen die wordt gestald. Op het terrein kan in de dagperiode ook een tractor worden ingezet voor bijvoorbeeld het pakken van een baal hooi of het stallen van een voertuig. Er is in het totaal gedurende 1 uur uitgegaan van het gebruik van een dieselvoertuig op het terrein. Gedurende 15 minuten staat een vrachtwagen met een motor hoog stationair te draaien.

De etmaalwaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr; LT tijdens de bedoelde bedrijfssituatie bedraagt 47 dB(A) op een hoogte van 1.5 meter in de dagperiode en wordt bepaald het lossen van voer of rijden met een zwaar voertuig. De geluidbelasting voldoet aan de standaardwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Ter plaatse van de toekomstige woonfuncties wordt tevens voldaan aan de standaardregels voor de maximale A-gewogen geluidniveaus.

4.6.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Op basis van de onderzoeksresultaten zijn geen maatregelen noodzakelijk.

4.6.4

Conclusie

Met betrekking tot geluid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7

Klimaatadaptatie

De verandering van het klimaat vraagt om klimaatadaptatie. De impact van klimaatverandering kan groot zijn en verschilt per sector. Zonder zorgvuldige voorbereiding op de veranderingen levert dat risico’s op voor de samenleving en de fysieke leefomgeving. Als gevolg van klimaatverandering is er in de fysieke leefomgeving een toegenomen kans op hittestress, droogte, wateroverlast en overstromingen. Deze negatieve gevolgen zijn als thema’s geformuleerd in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Bij ruimtelijke ontwikkelingen spelen deze thema’s een belangrijke rol. Klimaatadaptatie van de fysieke leefomgeving is hierbij een van de belangrijkste opgaven. Klimaatadaptief ontwikkelen, bouwen en inrichten van de fysieke leefomgeving voorkomt problemen en beperkt financiële en maatschappelijke schade als gevolg van klimaatverandering en de gevolgen daarvan.

4.7.1

Wettelijk kader

Provinciaal beleid In artikel 5.85 van de Omgevingsverordening Gelderland staat dat voor zover een omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen bevat die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogt en hitte. Gemeentelijk beleid De gemeente Heerde beschikt niet over klimaatadaptatiebeleid.

4.7.2

Onderzoek

In casu worden nieuwe activiteiten toegestaan, namelijk de woningen. Een toelichting op de wijze waarop invulling is gegeven aan klimaatadaptatie is daarom noodzakelijk.

40

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

Het plangebied is gesitueerd in het buitengebied van Heerde. Op basis van figuur 18 zal het plangebied bij een overstroming die eens in de 1000 jaar zal plaatsvinden gedeeltelijk overstromen. In dat scenario is sprake van een overstroming van de IJssel. Vanwege de ligging aan de Veluwe zijn in de nabijheid van het plangebied hoge gronden beschikbaar waar men heen kan vluchten in geval van nood. Hiermee is in voldoende mate sprake van waterveiligheid.

Figuur 18: Uitsnede overstromingskanskaart Ter voorkoming van wateroverlast worden waterbergende maatregelen getroffen in de vorm van wateropvangend grasland. Bij het optreden van droogte kan op diverse manieren (financiële) schade ontstaan. Met onderhavig initiatief worden geen 'waterafhankelijke' activiteiten toegestaan. Wel kan het optreden van droogte schadevol zijn voor een fundering en dus bouwwerken. Bij de funderingswijze dient rekening te worden gehouden met de (fluctuerende) grondwaterstand. Gedurende (langdurige) hitte(stress) ontstaan aanzienlijke gezondheidsrisico’s voor personen. In dergelijke situaties is het belangrijk dat men zich aan de hitte kan onttrekken. Dat kan bijvoorbeeld in een gekoelde binnenruimte als een woning. Het creëren van schaduw(plekken) is van belang om hitte tegen te gaan. Bovendien helpt het om de toepassing van verharding te minimaliseren. In onderhavig initiatief vindt landschappelijke inpassing plaats op basis van het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan). In dit plan is een aanzienlijk toevoeging van groen voorzien. Zodoende wordt het optreden van hitte(stress) in het plangebied voorkomen.

4.7.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Middels realisatie van waterberging en landschappelijke inpassing wordt klimaatadaptief ontwikkelt.

4.7.4

Conclusie

Met betrekking tot klimaatadaptatie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel van het Rijk ten behoeve van een zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling ook binnen het stedelijk gebied mogelijk is.

41

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

4.8.1

Wettelijk kader

In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

4.8.2

Onderzoek

In casu is sprake van de netto toevoeging van zes wooneenheden. Hiermee is sprake van minder dan 11 woningen zoals bedoeld in de uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 waardoor geen sprake is van stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft derhalve niet te worden doorlopen.

4.8.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Onderhavig initiatief voorziet in de functieverandering en ontwikkeling van een bestaande intensieve veehouderij in het buitengebied van Heerde. In het kader van de ontwikkeling wordt landschapontsierende bebouwing gesloopt. Het algehele initiatief wordt landschappelijk ingepast. Daarmee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

4.8.4

Conclusie

Met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9

Luchtkwaliteit

Als een gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dan moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.

4.9.1

Wettelijk kader

Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstof- dioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden.

Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden:  bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal);  bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt;  bij de aanleg van een auto(snel)weg. Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien:  aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde (vanaf ingangsdatum) danwel

42

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde; aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering); aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.

Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

4.9.2

Onderzoek

Figuur 19 toont het resultaat van de NIBM-tool, hieruit volgt dat het plan in 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van figuur 20 en figuur 21 is ter plaatse van het plangebied sprake van een NO2 concentratie van 8 - 10 µg /m3 en een PM10 concentratie van 15 - 16 µg PM10/m3.

Figuur 19: NIBM-tool

Figuur 20: Uitsnede luchtkwaliteitskaart stikstofdioxide (NO2)

43

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

Figuur 21: Uitsnede luchtkwaliteitskaart fijnstof (PM10)

4.9.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Wegens de sanering van de intensieve veehouderij zal de plaatselijke luchtkwaliteit verbeteren. Hoewel niet wordt voldaan aan de WHO-advieswaarde voor PM10 wordt wel voldaan aan de wettelijke norm. Maatregelen zijn niet noodzakelijk.

4.9.4

Conclusie

Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Milieueffectrapportage

Het doel van milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma's en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben.

4.10.1

Wettelijk kader

Bij de voorbereiding van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient op grond van verschillende kaders nagegaan te worden of voor de activiteiten die met het betreffende besluit worden mogelijk gemaakt, een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld of niet. Milieueffectrapportage (mer) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld voordat het bevoegd gezag daar een besluit over neemt. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. De wetgeving over de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende procedures:  plan-m.e.r.-beoordelingsplicht  plan-m.e.r.  project-m.e.r.-beoordelingsplicht  project-m.e.r. Of het besluit over een ontwikkeling mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Kolom 1 van Bijlage V beschrijft categorieën waarvoor mogelijk een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt. Getoetst moet worden of het initiatief in kolom 1 voorkomt. Indien voor het mogelijk maken van het initiatief een besluit zoals beschreven in kolom 4 noodzakelijk is, dan dient aan kolommen 2 en 3 te worden getoetst.

Als het initiatief voldoet aan de beschrijving in kolom 2 geldt een mer-plicht, er moet dan milieueffectrapportage worden gedaan en een milieueffectrapport worden opgesteld. Als

44

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

het initiatief niet voldoet aan kolom 2 wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de beschrijving in kolom 3. In bijna alle gevallen is dit het geval, er is dan sprake van een mer-beoordelingsplicht. Aan de hand van de mer-beoordeling wordt bepaald of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieueffecten (zowel positief als negatief) en of dit aanleiding geeft tot een mer-plicht.

4.10.2

Onderzoek

De milieubelangen zijn gebaat bij dit plan doordat een intensieve veehouderij wordt geamoveerd. De overige milieubelangen zijn onderzocht in de onderzoeken naar omgevingsfactoren, zijnde geluid, water, fijnstof, archeologie en natuur. Uit al deze onderzoeken blijkt dat er geen sprake is van belasting op c.q. van het milieu. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-merbeoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. Het onderhavige project is niet opgenomen in de lijst, waardoor geen sprake van plan- of project-mer plicht. Wel kan gesteld wordt dat een m.e.r. beoordeling uitgevoerd moet worden om te beoordelen of de verschillende milieubelangen cumulatief bezien niet geraakt worden. Volgens vaste jurisprudentie mag deze beoordeling plaatsvinden in een bestemmingsplan, of in dit geval in het omgevingsplan. Nu met dit plan geen milieubelangen in negatieve zin geraakt worden kan op grond van deze beoordeling geconcludeerd worden dat geen noodzaak bestaat tot een nadere m.e.r. procedure.

4.10.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Op basis van voorgaande mer-beoordeling is geen mer noodzakelijk.

4.10.4

Conclusie

Met betrekking tot milieueffectrapportage is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11

Mobiliteit, Verkeer en Parkeren

In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow).

4.11.1

Wettelijk kader

Om in het omgevingsplan tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) te komen is van belang dat verkeer- en parkeerhinder worden voorkomen vanwege de impact op de fysieke leefomgeving. De verwerking van verkeersstromen heeft daarbij invloed op verkeersveiligheid, zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Daarnaast moet een ontwikkeling, afhankelijk van de parkeerbehoefte die ontstaat, voorzien in voldoende parkeerplaatsen om te voorkomen dat de parkeerdruk toeneemt en parkeeroverlast ontstaat.

4.11.2

Onderzoek

Verkeer Ter beoordeling van de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie is gebruikgemaakt van de kencijfers van het CROW (CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen). Onder verkeersgeneratie wordt hierbij de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) verstaan die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Als kengetal is het gemiddelde van de minimale en maximale bandbreedte aangehouden. Huidige situatie

45

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

In de huidige situatie is in het plangebied sprake van een gebruik voor wonen (agrarische bedrijfswoning) en een agrarisch bedrijf (intensieve veehouderij). Het plangebied wordt gecategoriseerd als 'weinig stedelijk, buitengebied'. De woning wordt gecategoriseerd als 'koop, huis, vrijstaand'. De CROW-publicatie kent geen categorie voor agrarische bedrijven. Gesteld wordt dat het agrarische bedrijf naar aard en omvang kan worden vergeleken met de categorie 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)'. Tabel 3: Verkeersgeneratie huidige situatie Eenheid Verkeersgeneratie per eenheid Agrarische bedrijfswoning 8,2 per woning Intensieve veehouderij 10 per 100 m2 (agrarisch bedrijf) Totaal

Aantal eenheden 1 2080

Verkeersgeneratie 8,2 208 216,2

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is in het plangebied sprake van een gebruik door een agrarisch akkerbouwbedrijf met een bedrijfswoning en zes reguliere wooneenheden. Het plangebied wordt gecategoriseerd als 'weinig stedelijk, buitengebied'. De vrijstaande woningen worden gecategoriseerd als 'koop, huis, vrijstaand'. De vier twee-onder-een-kap woningen worden gecategoriseerd als 'Koop, huis, twee-onder-een-kap'. Tabel 4: Verkeersgeneratie huidige situatie Eenheid Verkeersgeneratie per eenheid Agrarische bedrijfswoning 8,2 per woning Agrarisch akkerbouwbedrijf 10 per 100 m2 Twee-onder-een-kap woning 7,8 per woning Vrijstaande woning 8,2 per woning Totaal

Aantal eenheden

Verkeersgeneratie

1 485 4 2

8,2 48,5 31,2 16,4 104,3

Op basis van tabel 2 en tabel 3 is sprake van een afname in verkeersgeneratie van 111,9 verkeersbewegingen per etmaal. In werkelijkheid is de afname in verkeersgeneratie waarschijnlijk lager, omdat de inschatting van de huidige situatie een ruime schatting betreft. Desalniettemin zal sprake zijn van een afname in verkeersgeneratie, met name met betrekking tot zwaar (vee)vervoer. Daarmee heeft de ontwikkeling een positieve uitwerking op de lokale verkeerssituatie en zal ook de verkeersveiligheid verbeteren. Geconstateerd wordt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Parkeren Onderhavig initiatief voorziet in de toevoeging van zes woningen. Op basis van de parkeernormennota betreffen dit woningen in de categorie 'woning duur' in de stedelijke zone 'rest bebouwde kom'. Voor dergelijke woningen geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaatsen per woning. Voor de nieuwe woningen moeten derhalve 12,6, afgerond 13, parkeerplaatsen worden gerealiseerd.

4.11.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Ten behoeve van de nieuwe woningen worden 14 parkeerplaatsen gerealiseerd. De bestaande woning aan de Wapenvelder Kerkweg 24b kent reeds voldoende parkeergelegenheid. Geconstateerd wordt dat het initiatief voorziet in de parkeerbehoefte en dus sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

46

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

Figuur 22: Parkeergelegenheid in de toekomstige situatie

4.11.4

Conclusie

Met betrekking tot verkeer en parkeren is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12

Natuur

De wetgever heeft besloten dat een deel van de natuurbeschermingsregels, die eerder grotendeels te vinden waren in de Wet natuurbescherming, over te laten gaan in het stelsel van de Omgevingswet. Het grootste gedeelte van de inhoudelijke regels voor de bescherming van de natuur hebben via het Aanvullingsbesluit natuur een plek gekregen in de algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) behorende bij de Omgevingswet.

4.12.1

Wettelijk kader

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden, regels voor soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Bescherming van Natura 2000-gebieden, nationaal landschap en provinciaal beschermde gebieden kennen een interne alsook een externe werking. Zowel ingrepen die binnen, als ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en negatieve effecten kunnen veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Conform Ow bijlage A is een Natura 2000-activiteit een: Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

47

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

Stikstofdepositie Stikstofdepositie is geregeld in de Ow en Amvb’s. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. In de Omgevingswet zal uiteindelijk een omgevingswaarde ten aanzien van stikstof worden ingevoerd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn alle inheemse flora en fauna beschermt. De bescherming richt zich zowel op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als op bepaalde soorten van nationaal belang. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub g van de Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover beleid voeren. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma van soortenbescherming. Soortenbescherming in de Omgevingswet is vooral gericht op het reguleren van flora- en fauna-activiteiten, dit zijn activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild. Er kan dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd zijn.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden onderzocht:  of er soorten aanwezig zijn;  welke soorten dat zijn;  of deze negatief worden aangetast door de geplande werkzaamheden. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

4.12.2

Onderzoek

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd door Lycens B.V., het bijbehorende rapport is bijgevoegd bij als Bijlage 7 Quickscan flora en fauna. Gebiedsbescherming Het onderzoeksgebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk, de Groene ontwikkelingszone, natte landnatuur, Ganzenrustgebied, Weidevogelgebied of Natura 2000-gebied, maar overlapt wel met het Nationaal landschap Veluwe. De bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone kent geen externe werking. Daarnaast hebben voorgenomen activiteiten een lokale invloedsfeer en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natte landnatuur, Weidevogelgebied en Ganzenrustgebied hebben. Op basis van de kernkwaliteiten die zijn toegewezen aan het deelgebied Gradiënt Oost-Veluwe waartoe het onderzoeksgebied behoort kan worden uitgesloten dat beschermd gebied Nationaal landschap wordt aangetast. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Stikstofdepositie In het kader van de beoogde ontwikkeling is een Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd door Craeft Advies B.V., het bijbehorende rapport is bijgevoegd bij als Bijlage 8 Voortoets Natuur - gebiedsbescherming (stikstof).

Op grond van de uitgevoerde Aerius-berekeningen blijkt dat zowel in de aanlegfase als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden. Er is dan ook per definitie geen sprake van significant negatieve effecten. Het bevoegd gezag kan derhalve medewerking verlenen aan de afgifte van een Omgevingsvergunning, er is geen sprake van een vergunningplicht voor een Natura 2000 activiteit. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen en beschermde ongewervelden bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats.

48

Hoofdstuk 22B Wapenvelder Kerkweg 24-B/C, Wapenveld

Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen of worden niet negatief aangetast door de geplande werkzaamheden. Er hoeft dan ook geen ontheffing voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten.

In het kader van de specifieke zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

4.12.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Geen maatregelen noodzakelijk.

4.12.4

Conclusie

Met betrekking tot natuur is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

4.13.1

Wettelijk kader

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:  Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven.  Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).  Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.  Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. Onder de Omgevingswet is het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s een manier van omgaan met het groepsrisico (GR) (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en zijn digitaal raadpleegbaar. De data uit het REV wordt ontsloten via de Atlas leefomgeving. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen.

Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing). Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn, bijvoorbeeld gebouwen met een kantoorfunctie. Daarnaast bestaan er ook zeer kwetsbare gebouwen. Een gebouw is ‘zeer kwetsbaar’ als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals een kinderopvang, basisschool, school/verblijf voor personen met een lichamelijke of geestelijke beperking, een woonfunctie voor 24-uurszorg en gevangenissen. Onder de Omgevingswet werken gemeenten in het kader van externe veiligheid met aandachtsgebieden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan regels opnemen omtrent externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=fb4cc219-a07c-43ec-a112-ea376725355f