CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

14.2. TAM-omgevingsplan - Motivering

Raad 30 juni 2025, gemeente HeerdeBij agendapunt: A Vaststelling TAM-omgevingsplan Bovenkamp III19.480 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.6 Conclusie ruimtelijk beleid Het relevante ruimtelijke beleid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAMomgevingsplan.

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

25

5 Fysieke leefomgeving 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten bodem, verkeer, wegverkeerslawaai, water, ecologie en archeologie zijn afzonderlijk onderzocht. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze toelichting toegevoegd.

5.2 Bodem 5.2.1 Beoordelingskader Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Dit kan worden aangetoond met een actueel bodemonderzoek. De geschiktheid is ook voldoende aangetoond als uit het vooronderzoek op basisniveau conform NEN 5725 blijkt dat de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en er geen risico’s voor het toekomstige gebruik te verwachten zijn. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het TAM-omgevingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. 5.2.2 Onderzoek Met als doel de milieuhygiënische bodemkwaliteit van zowel de grond als van het freatisch grondwater te onderzoeken zijn twee verkennende bodemonderzoeken (NEN5740) uitgevoerd. Het eerste onderzoek ziet op het deel van het plangebied waar de woningen worden gebouwd.

Het tweede onderzoek heeft betrekking op het deel van het plangebied waar de langzaamverkeersroute tussen de beoogde woonwijk en de Elburgerweg wordt aangelegd. Aan de hand van de onderzoeksresultaten is beoordeeld of de onderzoekslocatie in milieuhygiënisch opzicht gebruiksbeperkingen kent voor het beoogde gebruik. De rapportage van de onderzoeken zijn respectievelijk opgenomen als bijlage 1 en 2 van de bijlagen bij de toelichting. Onderzoek 1: woongebied Vooronderzoek Uit het historisch onderzoek zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen. In aansluiting op dit resultaat is gekozen voor de onderzoeksstrategie grootschalig onverdacht. Veldonderzoek Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat de bodem tot circa 1,0 m-mv bestaat uit matig fijn, zwak siltig en zwak humeus zand. Van 0,5 – 1,0 m-mv is het matig fijne zand matig tot sterk siltig. Van 1,0 – 3,0 mmv is het zand veelal zeer grof en grindig. Zintuigelijk is alleen ter plaatse van boring PB05 sporen baksteen waargenomen. Chemisch onderzoek Uit de analyseresultaten wordt het volgende geconcludeerd: •

In zowel de boven- als ondergrond zijn geen van de onderzochte parameters aangetroffen in gehalten boven de achtergrondwaarde.

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

26

• •

De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie is indicatief getoetst en beoordeeld als kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. Het grondwater van peilbuis PB01 en PB02 is niet verontreinigd. Het grondwater van peilbuizen PB03, PB04 en PB05 zijn verontreinigd met barium en/of zink.

Op basis van het aantreffen van de lichte verontreinigingen in het grondwater dient de hypothese ‘locatie is grootschalig onverdacht’ formeel verworpen te worden. Doorlatendheidsonderzoek Uit de resultaten wordt geconcludeerd dat de bodem op de onderzoekslocatie matig doorlatend is. Onderzoek 2: Langzaamverkeersroute Vooronderzoek Uit het historisch onderzoek zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen. In aansluiting op dit resultaat is gekozen voor de onderzoeksstrategie Onverdacht niet-lijnvormig. Veldonderzoek Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat de bodem bestaat uit zand. De bovengrond is humeus, de ondergrond is grindig. Zintuiglijk zijn geen bodemvreemde stoffen waargenomen. Chemisch onderzoek Uit de analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: •

•

De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie is indicatief getoetst en indicatief beoordeeld als bodemkwaliteitsklasse Wonen op basis van PAK (bovengrond noordelijk deel onderzoekslocatie) en Landbouw/natuur (bovengrond zuidelijk deel onderzoekslocatie en ondergrond). Het grondwatermonster uit peilbuis B08 (1,7-2,7 m-mv) voldoet aan de signaleringsparameters zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Er is eveneens geen sprake van een overschrijding van de index-waarde ≥ 0,5.

Op basis van het aantreffen van de licht verhoogde gehalten in de bovengrond bij MM1 dient de hypothese Onverdacht formeel verworpen te worden. 5.2.3 Conclusie Naar aanleiding van de analyseresultaten uit de verkennend bodemonderzoeken is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.

5.3 Bedrijven en milieuzonering 5.3.1 Beoordelingskader Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid gebruik te maken van de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom is deze publicatie te gebruiken voor het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in een woon- of werkomgeving. De publicatie geeft informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op elkaar af te stemmen. Uitgangspunt is dat de in de bedrijvenlijst genoemde afstanden gelden tussen enerzijds de perceelsgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Dit kan zowel een rustige woonwijk als een rustig buitengebied

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

27

zijn. Daarnaast worden gemengde gebieden onderscheiden. In de gebieden komen diverse functies naast elkaar voor, zoals 'wonen', 'bedrijven' en/of centrumfuncties als 'detailhandel' en 'horeca'. Vanwege deze menging van functies wordt enige mate van hinder acceptabel geacht. Indien sprake is van een gemengd gebied, dan kunnen de richtafstanden die gelden voor een rustige woonwijk of rustig buitengebied met één stap verkleind worden. Een richtafstand van bijvoorbeeld 30 meter wordt dan verkleind tot 10 meter. Het kan zo zijn dat specifieke wet- en regelgeving andere afstanden voorschrijft. Deze gaan dan voor de afstanden uit de VNG-publicatie. Te denken valt aan de Wet geurhinder en veehouderij, het Activiteitenbesluit of het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 5.3.2 Onderzoek Met als doel de voorgenomen ontwikkeling van de Bovenkamp III in te passen in de omgeving is een quickscan Bedrijven en milieuzonering opgesteld. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage 3 van de bijlagen bij de toelichting. Gebiedstype Op het plangebied zijn de bestemmingsplan ‘Ontwikkelingsgebieden’ (2009) en 'Heerde-Dorp' (2009) van toepassing. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom aan de rand van Heerde. De omgeving van het plangebied wordt voornamelijk gekenmerkt door woonbestemmingen. Derhalve wordt het gebied getypeerd als een 'rustige woonwijk'.

Voorkomende (bedrijfs)activiteiten Op circa 70 meter ten noordoosten van het plangebied is een perceel dat is bestemd als 'Sport'. De voor ‘Sport’ aangewezen gronden zijn bestemd voor sportvoorzieningen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van gemotoriseerde en gemechaniseerde sporten en sporten met dieren. Voor ‘sportvoorzieningen’ geldt derhalve maximaal milieucategorie 3.1 (veldsportcomplex/tennisbanen met verlichting) met een richtafstand van 50 meter in een rustig gebied. Aan de richtafstand kan worden voldaan. Derhalve zal deze functie niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan. Veehouderijen Op circa 70 meter afstand van het plangebied ligt aan de Wezeweg 10 een veehouderij. Deze veehouderij is (nog) opgenomen in het systeem van de gemeente. Echter, de gemeente geeft aan dat de bewoners van Wezeweg 10 al jaren gestopt zijn met het houden van vee en er dus feitelijk geen sprake meer is van een veehouderij. Derhalve zullen eventuele activiteiten die plaatsvinden op het perceel van Wezeweg 10 niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan. Op circa 350 meter afstand van het plangebied ligt aan de Wezeweg 9a een veehouderij. Volgens het archief van de gemeente is ter plaatse sprake van een stalhouderij/paardenpension. Voor paarden zijn per ministeriële regeling geen geuremissiefactoren vastgesteld.

Derhalve geldt voor deze veehouderij een beoordeling op basis van de richtafstanden. De minimale richtafstand betreft 100 meter binnen de bebouwde kom. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Derhalve zal het plan ten gevolge van de veehouderij aan de Wezeweg 9a geen belemmeringen ondervinden. Gezien het ontbreken van veehouderijen met hoge geuremissies op relatief korte afstand tot het plangebied, zullen de geurnormen ter plaatse van het plangebied op voorhand niet overschreden worden en wordt nader onderzoek naar de geurhinder ten gevolge van veehouderijen niet noodzakelijk geacht. 5.3.3 Conclusie Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

28

5.4 Geurhinder 5.4.1 Beoordelingskader De voorgenomen ontwikkeling voorziet in maximaal 100 nieuwe woningen. Voor de realisatie hiervan is een wijziging van het omgevingsplan ter plaatse van het plangebied noodzakelijk. In het kader van een wijziging van het omgevingsplan moet worden bepaald of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiertoe moeten de gevolgen van een project voor zowel het recht van de bestaande veehouderijen als de milieukwaliteit van de toekomstige woningen met een geuronderzoek inzichtelijk worden gemaakt. Het toetsingskader voor het geuronderzoek wordt gevormd door de Omgevingswet. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente een omgevingsplan met regels die eerst in de rijksregels stonden (bruidsschat). Hierin staan ook de geurregels voor veehouderijen vanuit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit. Als een gemeente een geurverordening had opgesteld onder de Wgv is deze automatisch opgenomen in het omgevingsplan. Het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerde, heeft een geurverordening opgesteld. Het TAM-omgevingsplan Bovenkamp III ligt deels binnen het aangewezen gebied waarvoor afwijkende afstandseisen zijn vastgesteld in de geurverordening.

5.4.2 Onderzoek Met als doel de mogelijke geurhinder als gevolg van bestaande veehouderijen in de omgeving en de milieukwaliteit van de toekomstige woningen te onderzoeken is een geurhinderonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek richt zich op de geurgevoelige objecten binnen het plangebied. De locatie waar de langzaamverkeersroute is beoogd, is geen geurgevoelig object en is om deze reden niet beschouwd. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage 4 van de bijlagen bij de toelichting. Om inzicht te krijgen in de mate van geurhinder ter plaatse van de toekomstige woningen is zowel de voorgrond- als de achtergrondbelasting berekend met respectievelijk V-Stacks vergunning en gebied (versie 2020). Op basis van de berekende voorgrondbelastingen wordt geconcludeerd dat er geen overschrijdingen van de geurnorm van 3,0 ouE/m³ plaatsvinden ten gevolge van de veehouderijen. De maximale voor- en achtergrondbelasting bedraagt respectievelijk 0,0 en 0,01 ouE/m³ voor het plangebied. Het percentage geurgehinderden blijft beperkt tot 0,0% en 0,05%. Op basis van het percentage geurgehinderden en de GGD-richtlijn kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de veehouderijen zeer goed zal zijn. Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden.

Ter plaatse van de geurgevoelige locaties wordt ruimschoots voldaan aan de eisen uit de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke verordening. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet beperkt. 5.4.3 Conclusie Het aspect 'geurhinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAMomgevingsplan.

5.5 Verkeer en parkeren 5.5.1 Verkeer Om te kunnen bepalen wat de verkeersgeneratie van de Bovenkamp III is een verkeersgeneratieonderzoek uitgevoerd. Hiervoor zijn de kencijfers gebruikt van het CROW, publicatie 381 'Toekomstig bestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Het onderzoek richt zich op de woongebieden en ontsluiting daarvan voor het autoverkeer binnen het

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

29

plangebied. Ter plaatse van de locatie waar de langzaamverkeersroute is beoogd, wordt geen ontsluiting voor het autoverkeer mogelijk gemaakt en is om deze reden niet beschouwd. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage 5 van de bijlagen bij de toelichting. Het uitbreidingsplan bevindt zich in het gebiedstype 'rest bebouwde kom' en heeft, conform de gehele gemeente Heerde, een stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk'. De verkeersgeneratiecijfers zijn gekoppeld aan het type woning in combinatie met het prijssegment. De verkeersgeneratie bedraagt maximaal 776,2 verkeersbewegingen per werkdag. Een gemiddelde spitsperiode (ochtend of avond) bevat tot slot 10% van deze etmaalbewegingen, in dit geval dus 67 of met maximaal ingevuld plan 78 motorvoertuigen. Het verkeer van Bovenkamp III ontsluit straks in praktijk via de Ten Veldhuize, richting de kruising met het doorgaande, vrijliggende fietspad op de voormalige spoorbaan. Het bestaande plan Bovenkamp II (werkelijk gemeten) en het nieuwe uitbreidingsplan Bovenkamp III genereren samen een intensiteit van respectievelijk 1371 of 1479 mvt/etmaal/werkdag tot aan de kruising Ten Veldhuize met het doorgaande fietspad. De I/C-verhouding (verhouding intensiteit vs capaciteit) is de indicator voor de kwaliteit van de verkeersafwikkeling van een weggedeelte.

Bij een I/C-verhouding van 0,7 of hoger wordt een wegvak congestie- of filegevoelig en kan er hinder door drukte ontstaan. In deze berekening zijn de I/C-verhoudingen 0,39 of 0,42 en daarmee acceptabel. 5.5.2 Parkeren In het kader van dit TAM-omgevingsplan is een ontwerp voor de stedenbouwkundige opzet gemaakt. Deze opzet is nog niet uitgewerkt in een concreet inrichtingsplan op basis waarvan een berekening kan worden opgesteld om de parkeerbehoefte inzichtelijk te maken. De gemeente Heerde heeft parkeerbeleid (vastgelegd in de Parkeernormennota 2012) waarin is vastgelegd hoeveel parkeerplaatsen per woningtype moeten worden gerealiseerd. In de Nota van Uitgangspunten is opgenomen op welke wijze moet worden omgegaan met het parkeren.

Aantal te realiseren parkeerplaatsen in de openbare ruimte in het noordelijke deel van het plangebied.

Aantal te realiseren parkeerplaatsen in de openbare ruimte in het zuidelijke deel van het plangebied.

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

30

In totaal dient bij het in hoofdstuk 3 toegelichte stedenbouwkundig plan 114 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd te worden. Om te kunnen borgen dat wordt voorzien in de parkeerbehoefte op basis van het uiteindelijke woningbouwprogramma (aantallen en woningtypen) is in de regels opgenomen dat moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. 5.5.3 Conclusie verkeer en parkeren Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan. Voor het parkeren geldt dat op basis van het in hoofdstuk 3 toegelichte stedenbouwkundig plan en de Parkeernormennota van de gemeente Heerde 114 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Het plangebied biedt voldoende ruimte om deze parkeerplaatsen te realiseren.

5.6 Geluid 5.6.1 Wegverkeerslawaai 5.6.1.1 Beoordelingskader Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet). De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het vaststellen van het omgevingsplan die deze toelaten, moet aan twee eisen voldoen: • •

houd rekening met geluid; voorzie in aanvaardbaar geluid.

5.6.1.2 Onderzoek Met als doel de optredende geluidbelastingen als gevolg van het wegverkeer op omliggende wegen te bepalen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het plangebied ligt in de directe nabijheid van zoneplichtige wegen, waarvan de geluidszones geheel of gedeeltelijk over het plangebied liggen. Voor een goede ruimtelijke inpassing van de voorgenomen ontwikkeling is de cumulatie van alle in de directe omgeving van het plangebied gelegen geluidbronnen, in het akoestisch onderzoek betrokken. De rapportage van het onderzoek is opgenomen als bijlage 6 van de bijlagen bij de toelichting. Het onderzoek richt zich expliciet op de geluidsgevoelige onderdelen van het omgevingsplan. Geluidbelastingen afkomstig van gemeentelijke wegen Van de gezamenlijke gemeentelijke wegen afkomstige geluidsbelasting, bedraagt maximaal 45 dB. Hierbij kan worden geconcludeerd dat deze maximale geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer op de gemeentelijke wegen in de directe omgeving van het plangebied, de toelaatbare grenswaarde van 53 dB [Lden] op geen enkel punt overschrijdt. Geluidbelastingen afkomstig van de Rijksweg A50 Van de Rijksweg A50 afkomstige geluidsbelasting, bedraagt maximaal 53 dB [Lden]. Hierbij kan worden geconcludeerd dat deze maximale geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer op deze

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

31

weg in de directe omgeving van het plangebied, de toelaatbare grenswaarde van 50 dB [Lden] met maximaal 3 dB [Lden] overschrijdt. Mogelijk te treffen maatregelen Primair dient als aanvaardbaar geluid afkomstig van een weg op een geluidgevoelige functie, te worden voldaan aan de in de per geluidbronsoort vastgestelde standaardwaarde. Indien hieraan voor alle geluidbronsoorten aan wordt voldaan, dan kan worden gesteld dat in de directe omgeving van het geprojecteerde bouwplan sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Hierbij is de kans op gezondheidsschade zo gering mogelijk. Aanvullend te treffen voorzieningen zijn in dat geval niet noodzakelijk. Indien er sprake is van een overschrijding van de standaardwaarde als gevolg van een of meerdere geluidbronsoorten, waarvan in dit geval sprake is, dan dient aanvullen onderzoek uit te wijzen in hoeverre er middels het treffen van aanvullende voorzieningen alsnog kan worden voldaan aan de hieraan te stellen eisen. Om na te gaan in hoeverre er aanvullende voorzieningen aan de bron of in de overdracht noodzakelijk zijn als gevolg van de optredende geluidbelastingen afkomstig van het wegverkeer over de A50, is overeenkomstig de hiervoor vastgestelde regelgeving een financiële doelmatigheidstoets uitgevoerd. Uit deze doelmatigheidstoets blijkt dat er sprake is van financiële ondoelmatigheid.

Dit heeft tot gevolg dat aan te brengen bronmaatregelen dan wel overdrachtsmaatregelen ter plaatse van de A50 ondoelmatig zijn en enkel middels het treffen van aanvullende geluidwerende voorzieningen aan de maatgevende geveldelen (ter plaatse van de ontvanger), realisatie van de geprojecteerde bebouwing mogelijk maakt. Vastlegging gezamenlijk geluid Bij het toelaten van een geluidgevoelige functie legt het bevoegd gezag, overeenkomstig het gestelde in artikel 5.78ad Bkl, de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel in het omgevingsplan vast. In het bijgaande onderzoek is het gezamenlijke geluid voor de geprojecteerde woonfunctie uitgewerkt. Het gezamenlijk geluid bedraagt maximaal 53 dB. In tabel 8-1 van het onderzoek is het gezamenlijk geluid per ontvangerpunt nader gespecificeerd. Ruimtelijke inpassing Wanneer er bij het aanpassen van het omgevingsplan, sprake is van een overschrijding van een van de standaardwaarden op een van de te toetsen geluidbronsoorten, dan dient om de realisatie van het geprojecteerde bouwplan alsnog mogelijk te maken, eveneens te worden nagegaan in hoeverre dit plan ruimtelijk is in te passen in haar directe omgeving. Dit houdt in dat dient te worden nagegaan in hoeverre er ook na de realisatie van de geprojecteerde bouwplannen nog sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Gebaseerd op een geaccepteerde beoordelingsmethode is een kwalificatie van de totale akoestische omgeving bepaald. De hierbij toegepaste classificering is weergegeven in de bijgaande tabel. De omgevingskwaliteit ter plaatse van de maatgevende gevels worden gebaseerd op de optredende gecumuleerde geluidbelastingen, getypeerd als ‘Redelijk’.

Beoordelingsmethode Milieu Kwaliteit Maat (MKM) Miedema Bij een geluidbelasting hoger dan 65 dB, dient de aanvaardbaarheid van de kwalificatie aanvullend gemotiveerd te worden. Bij een gecumuleerde geluidbelasting welke lager is gelegen, kan dit achterwege worden gelaten. Middels het aanbrengen van in de regel te hanteren geluidwerende

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

32

voorzieningen aan de voor geluidgevoelige bebouwingen, kan op basis van een maximaal optredende gezamenlijke geluidbelasting van 53 dB in ieder geval aan de overeenkomstig de bouwwetgeving gestelde minimale binnenwaarde worden voldaan. Realisatie van de geprojecteerde plannen is in deze derhalve mogelijk. Geluidluwe zijde Vanuit de bescherming van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het voorkomen van saneringssituaties, gelden er aanvullende voorwaarden aan het oprichten van geluidgevoelige gebouwen langs wegen. Bij geprojecteerde geluidgevoelige functies dient, wanneer de geluidbelasting tussen de standaardwaarde en de grenswaarde ligt, te beschikken over een geluidluwe zijde. Onder een geluidluwe zijde wordt verstaan een zijde waar ten aanzien van alle geluidbronnen de standaardwaarde niet mag worden overschreden. Doel van een geluidluwe zijde is dat aan deze zijde minimaal één verblijfsruimte een raam/deur opengezet kan worden, zonder dat daarbij sprake is van een hinderlijke situatie in de betreffende verblijfsruimte. Wanneer per geluidgevoelige functie ten minste één geluidgevoelige ruimte beschikt over een te openen deel waar de geluidbelasting voldoet aan bovenstaande eis en dit raam over zodanige spuiventilatie beschikt dat voldaan wordt aan de desbetreffende eisen van het Bbl, dan wordt in minimale zin aan de eis van een geluidluwe zijde voldaan.

Geluidluwe buitenruimte Buitenruimten dienen bij voorkeur aan de geluidluwe zijde gesitueerd te worden en mogen niet zijn gelegen aan de gevel met de hoogste geluidbelasting. Deze eis geldt voor maximaal één buitenruimte per woning. Denk hierbij wel aan de vereisten van daglichttoetreding, luchtverversing en spuiventilatie. Deze voorzieningen mogen geen afbreuk doen aan de geluidwering van de constructie. Onderzoek ‘Geluidwering gevels’ Alvorens de definitieve plannen ten behoeve van de omgevingsvergunning kunnen worden ingediend bij de gemeente Heerde, dient te worden bepaald welke akoestische voorzieningen (geluidwerende maatregelen) er noodzakelijk zijn om een binnenniveau in de voor bewoning bestemde verblijfsruimten van 33 dB veilig te stellen. Hiervoor dient een akoestisch onderzoek ‘Geluidwering gevels’ te worden uitgewerkt. Hierin dient middels berekeningen te worden aangetoond dat door het aanbrengen van aangepaste beglazing en geïsoleerde ventilatievoorzieningen (suskasten), dan wel een mechanisch ventilatiesysteem, aan het vereiste binnenniveau per geluidgevoelige ruimte kan worden voldaan. Een akoestisch onderzoek met hierin de uitgewerkte akoestische voorzieningen welke noodzakelijk zijn om een binnenniveau van 33 dB te kunnen borgen, dient dit te worden toegevoegd voor de aanvraag van de omgevingsvergunning.

De uit te werken akoestische voorzieningen aan de voor geluidgevoelige bebouwing, dienen te worden gebaseerd op de optredende geluidbelasting afkomstig van alle voor het betreffende geluidgevoelige verblijfsruimte relevante gezamenlijke geluidbronnen (alle geluidbronnen opgeteld, zonder weging coëfficiënten). In dit geval van alle gezamenlijke wegen. 5.6.1.3 Conclusie Als gevolg van het wegverkeer over de rijksweg A50 treden er op diverse ontvangerpunten een geluidbelasting op die groter is dan de standaardwaarde van 50 dB. Hoewel er sprake is van een overschrijding is er sprake van een omgevingskwaliteit voor geluid die wordt geclassificeerd als 'redelijk'. Geadviseerd wordt om in het van de aanvraag omgevingsvergunning bouwactiviteit een onderzoek 'geluidwering gevels' uit te laten voeren. Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan. 5.6.2 Ruimtelijke inpassing 5.6.2.1 Beoordelingskader Bij uitwaarts zoneren worden beschermende bufferzones gecreëerd rondom de bedrijfsbestemmingen in de directe omgeving van het geprojecteerde plangebied. Deze hebben tot doel om de aanwezige bestaande inrichtingen, ook na het doorvoeren van de voorgenomen

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

33

functiewijziging, voldoende zekerheid te bieden om hun activiteiten op een duurzame wijze binnen aanvaardbare voorwaarden uit te kunnen blijven voeren. Hoewel er inmiddels een nieuwe VNG-publicatie ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ van kracht is voor de nadere uitwerking van de ruimtelijke inpassing, wordt momenteel in de regel de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ hiervoor nog als basisdocument toegepast. 5.6.2.2 Onderzoek Het doel van dit ingestelde akoestische onderzoek is om enerzijds een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te creëren ter plaatse van de in de directe omgeving van de bedrijfsfuncties geprojecteerde voor geluidgevoelige functies en anderzijds ruimte voor inrichtingen te creëren om op een representatieve wijze hun bedrijfsactiviteiten uit te kunnen blijven oefenen. Een en ander gebaseerd op de criteria uit de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (Ruimtelijk spoor). Verder dient er te worden beoordeeld in hoeverre er als gevolg van de voorgenomen realisatie van de geprojecteerde woonfunctie ter plaatse, door de in de directe omgeving aanwezige dan wel te realiseren inrichtingen, nog kan worden voldaan aan het gestelde in het kader van het Activiteitenbesluit (Milieu spoor). Het akoestisch onderzoek ruimtelijke inpassing is opgenomen als bijlage 7 van de bijlagen bij de toelichting.

Het onderzoek richt zich expliciet op de geluidsgevoelige onderdelen van het omgevingsplan. Milieutechnische inpassing Geconcludeerd kan worden dat er op geen van de opgenomen beoordelingspunten een overschrijding van de standaardwaarde plaats vindt. Ook niet wanneer voor Lmax een toeslag van 5 dB(A) ten behoeve van impulsachtig geluid zou moeten worden opgenomen. Er is ook vanuit milieutechnisch oogpunt geen sprake van een overschrijding van de gestelde maximale standaardwaarden gedurende de dag-, avond- en nachtperiode. Gesteld kan daarom worden dat er geen sprake is van eerbiedigende werking waarmee rekening dient te worden gehouden bij de nadere uitwerking van de voorliggende ontwikkeling. Verkeersaantrekkende werking Wanneer getoetst wordt aan de grenswaarden overeenkomstig de circulaire van VROM uit 1996, dan kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de geprojecteerde woonwijk, geen sprake is van een overschrijding van de gestelde grenswaarde van 50 dB(A) ter plaatse van de langs de toegangswegen naar deze wijk gelegen woningen.

5.6.2.3 Conclusie Het doel van het ingestelde onderzoek is om enerzijds een veilige en gezonde fysieke leefomgeving na te streven ter plaatse van de geprojecteerde woonfuncties en anderzijds geluidruimte voor bedrijven te kunnen blijven borgen op grond waarvan zij hun activiteiten op een representatieve wijze uit kunnen blijven oefenen. Uit de rekenresultaten van de hierbij uitgevoerde onderzoeken blijkt, dat zonder het treffen van aanvullende voorzieningen, zowel ten aanzien van de ruimtelijke als de milieutechnische inpassing aan deze doelstelling wordt voldaan. Het aspect 'ruimtelijke inpassing' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan. 5.6.3 Conclusie Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.

5.7 Externe veiligheid 5.7.1 Beoordelingskader Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

34

Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van externe veiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden, risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risicoen explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten: • • • •

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Aandachtsgebieden Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachtsgebieden voor het aspect externe veiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. 5.7.2 Onderzoek Met doel de externe veiligheidsrisico's in en rondom het plangebied in kaart te brengen en mogelijke scenario's inzichtelijk te maken is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd. Het onderzoek richt zich op de (beperkt) kwetsbare gebouwen, zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties binnen het plangebied. De locatie waar de langzaamverkeersroute is beoogd, valt niet binnen één van deze categorieën en is om deze reden niet beschouwd. Met behulp van de risicokaart is een inventarisatie van de risicobronnen in de omgeving van het plangebied gemaakt. De onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage 8 van de bijlagen bij de toelichting. Transport Op circa 455 meter ten westen van het plangebied ligt de A50. Het plangebied ligt niet binnen de risicocontour van de snelweg, maar wel binnen het invloedsgebied van de snelweg. Om die reden is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.

Inrichtingen Op circa 865 meter ten noordwesten van het plangebied ligt een LPG-tankstation . Voor LPGtankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Er is geen sprake van invloed op het plangebied. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. Buisleidingen Binnen een straal van 580 meter tot de grens van het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk. 5.7.3 Beperkte verantwoording van het groepsrisico Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de A50 is een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. De verantwoording bestaat uit de volgende onderdelen: • •

zelfredzaamheid; bestrijdbaarheid en bereikbaarheid.

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

35

Zelfredzaamheid Door een ongeval met een tankwagen op de A50 kunnen giftige gassen vrijkomen, die zich als wolk snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Bij een calamiteit met giftige gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. Op de A50 zijn er voldoende mogelijkheden om de calamiteit te bestrijden. Ten noorden en zuiden van het plangebied zijn op- en afritten naar de A50 aanwezig, waardoor de bereikbaarheid van de calamiteit voldoende is. 5.7.4 Conclusie Bij een calamiteit op de A50 zijn er binnen het plangebied voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid van bewoners en zijn er voor de brandweer voldoende mogelijkheden de locatie van de calamiteit te bereiken en deze te bestrijden.

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAMomgevingsplan.

5.8 Luchtkwaliteit 5.8.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: • •

Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.

In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

36

5.8.2 Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het realiseren van maximaal 100 woningen met één ontsluitingsweg buiten de onderzoekszones rondom rijkswegen. De ontwikkeling komt voor op de lijst met ontwikkelingen uit de Regeling NIBM (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Om die reden draagt de voorgenomen ontwikkelingen niet bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.8.3 Conclusie Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAMomgevingsplan.

5.9 Water 5.9.1 Beoordelingskader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. 5.9.2 Watertoets De voorgenomen ontwikkeling is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Waterschap Vallei en Veluwe. De uitkomst van deze toets is dat de normale procedure moet worden gevolgd. Dit betekent dat de ontwikkeling invloed heeft op het watersysteem. In overleg met het waterschap worden afspraken gemaakt over het borgen van de waterbelangen in het TAM-omgevingsplan. De resultaten van de watertoets zijn opgenomen in bijlage 9 van de bijlagen bij de toelichting. Voor de aanleg van het fietspad is een afzonderlijke watertoets uitgevoerd. De uitkomst van deze toets is dat de korte procedure moet worden gevolgd. Dit betekent dat de ontwikkeling invloed heeft op het watersysteem.

De resultaten van de watertoets zijn meegenomen in de weging van de waterbelangen in de waterparagraaf en opgenomen in bijlage 9a van de bijlagen bij de toelichting. 5.9.3 Waterparagraaf Op basis van de resultaten van de watertoets gelden een aantal algemene aandachtspunten voor de verdere uitwerking van het stedenbouwkundig plan. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen wordt geadviseerd om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen.

Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen/randvoorwaarden te

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

37

stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen. Toename verharding Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een toename van verharding. Door deze toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater, al dan niet via het rioolstelsel. Dit leidt tijdens extreme situaties tot pieken in de waterstand met kans op wateroverlast als gevolg. Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename zullen er compenserende maatregelen getroffen moeten worden. Het waterschap stelt eisen voor waterberging wanneer er sprake is van een toename verharding van 1.500 m² of meer. Bij nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak op oppervlaktewater geldt dat de hoeveelheid te lozen water geen nadelig effect mag hebben op het ontvangende watersysteem. Nadelige effecten worden uitgesloten indien er een waterberging wordt gerealiseerd voor het bergen van 60 mm. Grondwaterfluctuatiezone Het plangebied ligt in de grondwaterfluctuatiezone, zoals die door de Provincie Gelderland is bepaald. Dit is een zone langs de flanken van het Veluwemassief, waar de grondwaterstanden naar verwachting op termijn zullen stijgen.

5.9.4 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit een woonwijk van circa 80 tot maximaal 100 woningen. Hiervoor is een ontwerp voor het stedenbouwkundig plan opgesteld, waarin de hoofdopzet van de woonwijk is vastgelegd. Het ontwerp is nog niet uitgewerkt in een concreet inrichtingsplan. In de stedenbouwkundige opzet is de loop van de Wendhorstbeek gehandhaafd. Aan weerszijden van de beek zijn groenzones opgenomen. In de groenzones worden wadi's aangelegd waar het overtollige hemelwater wordt vastgehouden. Via een overstort staan de wadi's in verbinding met de Wendhorstbeek, zodat in situaties waarbij het hemelwater niet verwerkt kan worden in de wadi's overtollig hemelwater wordt geloosd op de beek. Dit principe wordt uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan en is geborgd in de regels en op de verbeelding van het TAMomgevingsplan.

5.10 Ecologie 5.10.1 Beoordelingskader De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld. Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: ‘Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: • •

er soorten aanwezig zijn; welke soorten dat zijn.

Gebiedsbescherming

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

38

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. De instandhoudingsdoelstellingen van de Nature 2000-gebieden zijn vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Nederland kent ruim 160 Natura 2000-gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is hiervoor vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee.

Zorgplicht In artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Lid 1 van het artikel luidt als volgt: 1. “Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. “alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.” 5.10.2 Onderzoek Om de eventuele aanwezigheid van wettelijk beschermde plant- en diersoorten in en direct rondom het plangebied en de gevolgen van de voorgenomen ontwikkelingen ten aanzien van beschermde natuurgebieden inzichtelijk te maken is een verkennend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van deze soorten- en gebiedsinformatie worden uitspraken gedaan over eventuele noodzakelijke vervolgonderzoeken.

Er zijn twee onderzoeken verricht, één onderzoek ter plaatse van de woonwijk en één onderzoek ter plaatse van de beoogde fietsverbinding tussen de woonwijk en de Elburgerweg. De ecologische onderzoeken zijn als bijlage 10 en 11 opgenomen in de bijlagen bij de toelichting. Beschermde gebieden Natura 2000

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

39

Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwe op circa 870 m afstand van het projectgebied. Het wordt hiervan gescheiden door bebouwing, wegen als de rijksweg A50 en agrarische percelen. Omdat het projectgebied zich buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden bevindt, gecombineerd met de afstand tot het projectgebied kan verstoring door licht, trillingen en geluid van Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten.

AERIUS-berekening Om de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen is voor de aanlegfase en de gebruiksfase een AERIUS-berekening uitgevoerd. De rapportage van de AERIUSberekening is als bijlage 12 opgenomen in de bijlagen bij de toelichting. De aanlegfase wordt in AERIUS per 12 aaneengesloten maanden met de hoogste depositie berekent. Als rekenjaar wordt het jaar genomen waarin de meeste bouw maanden vallen, in dit geval 2024. Voor de werkzaamheden is uitgegaan dat alle werkzaamheden over twee jaar evenredig plaatsvinden. De aanlegfase genereert geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000-gebieden. Voor de aanlegfase is tevens een verschilberekening uitgevoerd. Hieruit komt naar voren dat er sprake is van een afname van 0,04 mol N/ha/jr in Natura 2000-gebieden. Het toekomstig gebruik genereert geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000gebieden. Voor de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot stikstofdepositie is geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd. Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op circa 600 m afstand. Het projectgebied wordt van dit NNN-gebied gescheiden door de bebouwde kom en wegen.

Omdat het projectgebied zich buiten de begrenzing van het NNN bevindt, gecombineerd met de beperkte ingreep en afstand tot het projectgebied kan verstoring van het NNN-gebied op voorhand worden uitgesloten. Beschermde soorten Flora Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde plantensoorten in het projectgebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde vegetatie en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Zoogdieren Omdat de Wendhorstbeek behouden blijft, is er geen negatief effect op eventueel aanwezige kleine marterachtigen in het gebied. Een nader onderzoek naar beschermde zoogdieren en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Er is geen sprake van een essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute voor vleermuizen binnen het projectgebied. Ook zijn er geen geschikte openingen in bomen langs de westgrens van het zuidelijke deel van het projectgebied waardoor de aanwezigheid van een verblijfplaats binnen het projectgebied op voorhand kan worden uitgesloten. Indien er tijdens de bouw en na realisatie van de toekomstige ontwikkeling geen nachtelijke verlichting op de bomenrij in het westelijke deel van het projectgebied gericht wordt, is er van een negatief effect op vleermuizen geen sprake. Een nader onderzoek naar beschermde vleermuizen en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig.

Vogels Er zijn geen beschermde vogelsoorten, jaarrond beschermde nesten of geschikte broedlocaties voor vogels waargenomen binnen het projectgebied. Het projectgebied is (onderdeel van) het leefgebied voor onder andere zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bomen en bosschages in het projectgebied als broedlocatie gebruiken. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

40

de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen, globaal tussen 15 maart en 15 juli, uit te voeren. Een nader onderzoek naar vogels en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig, mits werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. Wanneer werkzaamheden toch binnen het broedseizoen vallen dienen de aanwezige bosschages niet verstoort te worden. De aanwezigheid van broedvogels ter plaatse van het beoogde fietspad zijn aannemelijk. Aanvullend soortenonderzoek en een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig mits verstorende werkzaamheden plaatsvinden buiten het broedseizoen, nesten van broedende vogels en hun omgeving worden niet verstoord. Mocht dit niet mogelijk zijn, dan kan een broedvogelinspectie uitgevoerd worden door een deskundige ecoloog voor aanvang van beoogde werkzaamheden. Reptielen, vissen, amfibieën, ongewervelden Er zijn geen beschermde reptielen, of daarvoor geschikte habitats, waargenomen binnen het projectgebied. Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde reptielen binnen het projectgebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde reptielen en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. De Wendhorstbeek blijft behouden. Er is geen negatief effect op eventueel beschermde vissoorten. Een nader onderzoek/ontheffingsaanvraag voor beschermde vissen is niet nodig.

De Wendhorstbeek is niet geschikt als voortplantingslocatie voor beschermde amfibiesoorten. Deze beek blijft ook behouden na de beoogde ontwikkeling. Een nader onderzoek/ontheffingsaanvraag voor beschermde amfibieën is niet nodig. Er zijn geen beschermde ongewervelden, of daarvoor geschikte habitats, waargenomen binnen het projectgebied. Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde insecten in het projectgebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde ongewervelden en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. 5.10.3 Conclusie Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.

5.11 Cultureel erfgoed 5.11.1 Beoordelingskader Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Dit volgt uit artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze instructie geldt nadrukkelijk ook voor bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Om hieraan gevolg te kunnen geven, maakt de gemeente een inventarisatie en analyse van het binnen de gemeente aanwezige en te verwachten cultureel erfgoed. Voor het te behouden cultureel erfgoed moet de gemeente een toereikend beschermingsregime instellen. Bij cultureel erfgoed kan het gaan om: • • • •

monumenten zoals (bouw)werken; tuinen en parken; bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten; stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen.

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

41

De gemeente legt de te beschermen gemeentelijke en provinciale monumenten vast in het omgevingsplan. Archeologie Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m² in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m² vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is. Cultuurhistorie Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels, deze zijn opgenomen in artikel 5.130 lid 2 van het Bkl. De instructieregels geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is.

In de instructieregels worden onder meer ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en aantasting van de omgeving of karakteristieke stadsgezichten, dorpsgezichten en cultuurlandschappen genoemd. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in de ontwikkelingslocatie en moeten aangeven welke conclusies ze daar aan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het TAM-omgevingsplan. 5.11.2 Archeologie 5.11.2.1 Onderzoek Met als doel te onderzoeken of er in het plangebied archeologische resten aanwezig zijn is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. Bij toekomstige bodemingrepen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord of vernietigd. Conform het beleid van de gemeente Heerde dient hier archeologisch onderzoek plaats te vinden. Het archeologisch onderzoek is als bijlage 13 opgenomen in de bijlagen bij de toelichting. Op basis van het bureauonderzoek kan worden gesteld dat voor het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt voor alle perioden. In de omgeving zijn diverse archeologische vindplaatsen bekend zoals losse vondsten uit de Steentijd tot nederzettingsterreinen uit de Bronstijd en IJzertijd.

Er wordt binnen het noordelijk deel van het plangebied een esdek verwacht. Indien aanwezig kan deze een conserverende werking hebben gehad voor een eventueel daaronder gelegen archeologisch sporenniveau. Binnen het noordelijk deel van het plangebied heeft in de afgelopen twee eeuwen bebouwing gestaan (erven). Tijdens het verkennende booronderzoek werd de verwachte bodemopbouw uit het bureauonderzoek in grote lijnen aangetroffen. In het noordelijk deelgebied ligt een esdek op een ondergrond van dekzand (van matig fijn zand) en stuwwalafzettingen (van matig grof zand, grind en leem). Ter hoogte van de beek werden beekafzettingen aangetroffen. In het zuidelijk deel komen gronden voor die overeenkomen met de verwachte gooreerdgronden. De relatief dunne bouwvoor of geroerde toplaag, niet zijnde een esdek, ligt hier veelal op de C-horizont. In hoeverre de ondergrond tot in de onderliggende C-horizont verstoord is en of hierbij een eventueel voorheen) aanwezig sporenniveau ook (geheel) verstoord is, blijft op basis van het uitgevoerde verkennende booronderzoek onduidelijk. Onder het esdek in het noordelijk deel komt in ieder geval geen podzolprofiel (oude intacte bodem) meer voor. Wel enige inspoel of neerslag van roest als gevolg van grondwaterfluctuaties.

De gronden in het noordelijk deel lijken door de aanwezigheid van een esdek in principe nog archeologisch kansrijk te zijn of wel bestaat de kans dat tijdens toekomstige bodemingrepen tot onder het esdek (of tot in het ‘gele zand’) archeologische waarden

18 september 2024 | Omgevingsplan ‘TAM-omgevingsplan Bovenkamp III’ | Buro Stedenbouw – Onderdeel van DAGnl

42

worden verstoord of kunnen worden aangetroffen. In het zuidelijk deel met meer AC-profielen zonder esdek en met een relatief dunne toplaag, lijkt deze kans lager te zijn. 5.11.2.2 Advies Op basis van de resultaten van het uitgevoerde archeologische onderzoek wordt geadviseerd aan het gehele plangebied een Waarde – Archeologie (middelhoog) toe te kennen. Indien toekomstige bodemingrepen hier tot in de zogenoemde BC of C-horizont (‘de gele zandondergrond’) reiken, wordt geadviseerd hieraan voorafgaand eerst een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk te achten. Een vervolgonderzoek bestaat ten minste uit een archeologisch karterend veldonderzoek. Deze kan bestaan uit een (zeer) intensief booronderzoek of een proefputten/proefsleuvenonderzoek en dient in ieder geval ter opsporing van eventueel aanwezige archeologische indicatoren en ter afbakening van eventuele vindplaatsen. Voor het vervolgonderzoek is een Programma van Eisen opgesteld, dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag. Het Programma van Eisen is als bijlage 14 en 15 opgenomen in bijlagen bij de toelichting. 5.11.2.3 Conclusie Op basis van het inventariserend onderzoek is archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk. Het proefsleuven onderzoek wordt uitgevoerd voordat de gronden binnen het plangebied bouwrijp gemaakt worden.

5.11.3 Cultuurhistorie 5.11.3.1 Onderzoek Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd dorps- of stadsgezicht. In het plangebied komt geen bebouwing voor en in de directe omgeving van het plangebied komen geen aangewezen rijks- of gemeentelijke monumenten voor. De in de omgeving aanwezige bebouwing heeft geen bijzondere cultuurhistorische of architectonische waarde. Het plangebied en de directe omgeving zijn geen onderdeel van gebieden met een bijzondere cultuurhistorische waarde. Voor het plangebied is een stedenbouwkundig plan opgesteld dat past binnen de bestaande stedenbouwkundige en landschappelijke structuur. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen zijn geen cultuurhistorische waarden in het geding. 5.11.3.2 Conclusie Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAMomgevingsplan. 5.11.4 Conclusie cultureel erfgoed Archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven is noodzakelijk om aan te tonen dat het aspect cultureel erfgoed de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan niet belemmerd. Hiervoor is een Programma van Eisen opgesteld dat is goedgekeurd door het bevoegd gezag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=d23dd4e1-e600-4cb1-ba90-72578e545b02