14.2. Ontwerp omgevingsvergunning solarcarport Heerderstrand + bijlagen.pdf
Tekst van het document
Bescherming van Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhouding)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag.
Het zijn ook Natura 2000-gebieden en daardoor beschermd door de Wnb.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
13
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027 in totaal 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten Pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen.
Uitsnede van Natura 2000 gebieden Gelderland. Het plangebied is aangegeven met de rode cirkel. Op deze afbeelding is te zien dat het plangebied niet is aangewezen als Natura 2000 gebied.
Op voorgaande afbeelding is te zien dat het plangebied niet behoort tot Natura 2000 of Natuur-Netwerk gebied. Het plangebied is wel volledig omringd met Natura 2000 gebied. Echter heeft dit planvoornemen geen negatieve effecten op deze gebieden. 5.1.2 Beschermde diersoorten Er zal een ecologische toets Wet natuurbescherming worden uitgevoerd. De toets betreft een Quickscan soortenbescherming Wet natuurbescherming, voortoets gebiedsbescherming (Natura 2000) Wet natuurbescherming en toets Gelders NatuurNetwerk (GNN) en Gelders Ontwikkelingzone.
5.2 Archeologie en cultuurhistorie Wet op de archeologische monumentenzorg/Verdrag van Malta In Europees verband is het zogenaamde “Verdrag van Malta” tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is om het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de bestaande regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het plangebied worden meegewogen bij een afwijkingsbesluit in het kader van de Wro.
14
In het bestemmingsplan ‘Buitengebied West’ (2012) is een archeologische dubbelbestemming aan het plangebied toegekend (Waarde – Middelhoge archeologische verwachting). In het bestemmingsplan wordt gesteld dat ontwikkelingen omgevingsvergunningsplichtig (onderzoek noodzakelijk) zijn als werken en werkzaamheden dieper reiken dan 0,4 meter onder het bestaande maaiveld en een oppervlakte (ondergronds) hebben van meer dan 1.000 m2. Er is in 2017-2018 een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor Leisurelands voorafgaand aan de herinrichting van het parkeerterrein Heerderstrand. Dit onderzoek is toegevoegd als bijlage 2 bij deze onderbouwing. Uit dit onderzoek is gebleken dat de mogelijkheid bestaat dat er archeologische vondsten dicht aan het oppervlak te vinden zijn. De regio-archeoloog die toetst op verzoek van de gemeente heeft op basis van dit onderzoek aangegeven weinig reden te zien voor verder onderzoek omdat het terrein in de afgelopen decennia regelmatig bebost en weer ontbost is. Dit heeft de bodem behoorlijk geroerd. Het terrein is destijds dus vrijgegeven voor de werkzaamheden (herinrichting parkeerterrein). Omdat recent weer bomen zijn gerooid en verharding is aangelegd is het niet nodig om nogmaals archeologisch onderzoek uit te voeren.
Wel zal in de vergunning worden opgenomen dat er tijdens de werkzaamheden een erfgoedvrijwilliger de gelegenheid krijgt om mee kijken bij de installatie. Het aspect archeologie vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
5.3
Bodem
Art. 3.1.6 van het Bro verplicht gemeenten om in de toelichting van een bestemmingsplan een paragraaf op te nemen over de bodemkwaliteit. In deze paragraaf dient de gemeente te motiveren of het beoogde gebruik van de gronden past bij de huidige bodemkwaliteit. Uitgangspunt hierbij is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem, pas dan is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. Er is een check gedaan op www.bodemloket.nl hieruit blijkt dat er geen gegeven bekend zijn van het plangebied. De kwaliteit / staat van de bestaande bodem, met bijbehorend bodemleven, zal behouden blijven, waar mogelijk worden versterkt en uiteraard in originele staat (parkeerterrein) wordt teruggebracht indien het project na 25 jaar niet zal worden voortgezet. Dit wordt in overleg met de gemeente te zijner tijd besproken. Ook zal er te zijner tijd een schone grond verklaring worden afgegeven. De solarcarports zijn bouwwerken en zijn geen gevoelige functie. Het aantal bezoekers blijft gelijk ten aanzien van het huidige gebruik. Bovendien worden, gelet op het huidige gebruik als parkeervoorziening, ernstige verontreinigingen niet verwacht. De kwaliteit van de bodem staat daardoor de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning niet in de weg. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.4 Geluid Activiteitenbesluit Voor geluidhinder van de meeste inrichtingen zijn de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing.
Wet geluidhinder Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die ‘‘in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken’’, een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Een zonne-energiecentrale vormt een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. De zonne-energiecentrale is een type A-inrichting. De inrichting valt daarmee onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit maar er is geen melding of omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu nodig. Op voorhand kan worden geconstateerd dat deze inrichting geen relevante geluidbelasting veroorzaakt. Specifiek geluidsonderzoek is dan ook niet aan de orde. De zonne-energiecentrale is geen geluidgevoelig 15
object, waardoor onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder achterwege blijft. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden, waarmee de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. De Wet luchtkwaliteit is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Hoofdstuk 5 van de Wm maakt onderscheid tussen projecten die 'Niet in betekenende mate' (NIBM) en 'In betekenende mate' (IBM) bijdragen aan de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die NIBM zijn. Deze NIBM-projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie fijn stof of CO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project in betekenende mate bij aan luchtvervuiling en dient er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden.
Deze regel komt voort uit het NSL. Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: • •
woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
Een zonne-energiecentrale gaat in de gebruiksfase niet gepaard met verbranding van (fossiele) brandstoffen. Ook is er geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking ten opzichte van het huidige gebruik als parkeervoorziening. Er vinden daarnaast enkel verkeersbewegingen plaats in de aanlegfase. In de gebruiksfase vindt verkeer plaats op hetzelfde niveau als voorheen. Alleen extra verkeer hangt samen met het beheer en onderhoud van de zonne-energiecentrale. Luchtverontreinigende stoffen zijn daardoor niet aan de orde. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
Stikstof De uitstoot van stikstof kan negatieve effecten veroorzaken op omliggende natuurgebieden. Bij het bepalen van de stikstof uitstoot wordt onderscheid gemaakt tussen de aanlegfase en de gebruiksfase. In het geval van een zonnepanelenpark is in de gebruiksfase geen sprake van stikstof uitstoot. De panelen zelf en de daarbij behorende elektrische installaties veroorzaken namelijk geen stikstofuitstoot. De enige mogelijke uitstoot zijn mogelijk de vervoersbewegingen van onderhoudsmonteurs die de installatie jaarlijks komen controleren. De kans is echter groot, dit is op dit moment nog niet bekend, dat men dit in elektrische voertuigen komt doen. Daarnaast wordt er gekeken naar stikstofuitstoot in de aanlegfase. In deze fase zullen er verkeersbewegingen zijn van installateurs. Het kan zijn dat deze monteurs gebruik maken van elektrische vervoersen hulpmiddelen (elektrische auto’s, heftrucks en gereedschap). Op dit moment is dit nog niet bekend. Zodra bekend is hoe de uitvoer en installatie precies plaats zal vinden zal er voorafgaand een Aeriusberekening worden uitgevoerd om exact te bepalen hoeveel stikstofuitstoot er veroorzaakt wordt. Ook is het in het kader van stikstof belangrijk om rekening te houden met de al bestaande uitstoot van stikstof door het verkeer op de A50. Deze uitstoot is aanzienlijk en heeft al effecten op de omgeving.
De verkeersbewegingen tijdens de aanlegfase vallen in het niet bij de ongeveer 65.000 verkeersbewegingen per dag over de A50 bij Heerde. De verwachting is dan ook dat de eventueel geringe toename 16
van verkeer (als men niet elektrisch gaat werken) nauwelijks tot geen negatieve effecten zal hebben op de omliggende natuur.
5.6
Externe veiligheid
Het Rijksbeleid betreft externe veiligheid is verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en de Wet basisnet. Het doel van het Bevi is om individuen en groepen personen te beschermen tegen bedrijven met gevaarlijke stoffen in de buurt. Dit besluit verplicht bevoegd gezag afstand te houden tussen kwetsbare objecten en risicovolle bedrijven. In de bijbehorende Revi zijn deze afstanden en overige veiligheidsnormen verder uitgewerkt. Er bestaan vervolgens meerdere wetten en regelingen op Rijksniveau die eisen stellen waaraan transportroutes van gevaarlijke stoffen alsmede de directe omgeving van deze routes moeten voldoen. Gemakshalve wordt deze wetgeving de Wet Basisnet genoemd. In het externe veiligheidsbeleid staat het beperken van zowel het plaatsgebonden risico (PR) als het groepsrisico (GR) centraal. Het PR betreft de kans per jaar dat één persoon die zich afgebroken en onbeschermd op een plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het GR is de kans per jaar dat in één keer een groep personen (van tenminste 10, 100 of 1.000 mensen) komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen een bepaald invloedsgebied.
Hoewel de norm voor het GR een oriëntatiewaarde is, geldt bij een toename van het GR een verantwoordingsplicht voor het bevoegde gezag. Een zonne-energiecentrale is geen kwetsbaar of bekend kwetsbaar object in de zin van het Bevi (er zijn niet continue personen aanwezig). Uit het oogpunt van externe veiligheid zijn dan ook geen belemmeringen aan de orde. Wel is er voor de volledigheid gekeken naar risicobronnen in de directe omgeving van het plangebied. Ook is er gekeken naar overige risico’s omtrent het zonnepanelenveld.
Brand Het parkeerterrein met de beoogde solarcarport opstelling wordt omsloten door bosachtig terrein met voldoende onderlinge afstand van circa 15-20 meter. De afstand tussen de solarcarport en de snelweg A50 is circa 50 meter. Daarmee is er geen direct gevaar voor een overslaande brand als gevolg van een bosbrand of een ontstane brand op de snelweg.
Voorzorgsmaatregelen De carport installatie staat op voldoende veilige afstand van de naaldbomen dat bij mogelijke brand er voldoende afstand is tussen de carport installatie en de bomen waarbij wordt voorkomen dat de brand weerskanten kan overslaan. De omvormers worden op een centrale locatie geplaatst in een afgesloten omgeving om vandalisme te voorkomen. De trafo en meetapparatuur zijn niet voor publiek toegankelijk en bevinden zich in een beveiligde afgesloten betonnen ruimte.
Paniek Op Heerdestrand worden geen grootschalige evenementen met 5.000 of meer personen in een beperkt gebied zoals festivals en evenementen georganiseerd. Paniek kan ontstaan als er iets onverwachts gebeurt waar veel mensen in een klein gebied bij elkaar zijn met daaromheen hekken; mensen kunnen in de verdrukking komen, onder de voet worden gelopen. Aangezien het Heerderstrand een aanzienlijk open terrein betreft is de kans zeer gering dat het publiek bij paniek in de verdrukking komt of onder de voet kan worden gelopen. Het verhoogde solarcarport systeem heeft bovendien geen negatieve impact bij paniek.
5.7
Bedrijven & milieuzonering
In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De bedrijfsactiviteiten worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale (indicatieve) hinderafstand. Deze afstand (zonering) wordt bepaald door 17
enerzijds de aard van het bedrijf en anderzijds door het karakter van zijn omgeving. De richtafstanden zijn niet wettelijk voorgeschreven en gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven en zijn geschreven voor nieuwe situaties. Indien bekend is welke activiteiten concreet beoogd worden kan gemotiveerd worden afgeweken van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van richtafstanden). Voor bestaande bedrijven geldt allereerst de geldende omgevingsvergunning of de richtlijnen uit de geldende Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Het planvoornemen voorziet niet in de realisatie van een gevoelig object. Daarnaast is een zonneenergiecentrale geen milieubelastende bedrijfsactiviteit voor de omgeving, er is namelijk geen sprake van geluid, stof of geurhinder. Ook zijn er geen gevoelige objecten zoals huizen in de omgeving aanwezig, de dichtstbijzijnde woning staat op ruim 350 meter afstand langs de Kamperweg aan de andere kant van de A50.
Elektromagnetisch straling Een zonnepanelenveld heeft wel een elektromagnetisch veld maar dit is erg zwak. Frequenties tot maximaal 10.000 Hz (10 kilohertz) zijn Extreem Laag Frequente velden (ELF). Hier vallen zonnepanelen onder, net als het elektriciteitsnet in huis. Bij ELF-velden zijn het magnetisch en elektrisch veld niet aan elkaar gekoppeld en kan het elektrische veld niet door muren of stroomkabels heen. Duidelijk mag zijn dat de ‘straling’ van zonnepanelen niet hoger is dan veel apparaten in huis. Er zit dan ook geen verschil tussen een paar panelen op een particulier dak of een groot zonnepark in de buurt. Want alle elektromagnetisch velden die ontstaan, blijven een zeer lage frequentie houden. Dat komt omdat dat zonnepanelen op gelijkstroom werken en zulke apparaten stralen niet of nauwelijks. Wel zijn er omvormers nodig om die laagspanning van zonnepanelen geschikt te maken voor het stopcontact. Van bepaalde type omvormers weten we dat sommige mensen en dieren gevoelig zijn voor het elektromagnetisch veld. Het gaat hierbij overigens altijd om omvormers van slechte kwaliteit. Om dat probleem volledig uit te sluiten, gebruikt Solar Green Point daarom altijd omvormers van hoge kwaliteit. Gezien het voorgaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
m.e.r.-beoordeling
In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: • de kenmerken van de projecten; • de plaats van de projecten; • de kenmerken van de potentiële effecten. Realisatie van projecten met zonne-energie worden niet in het Besluit milieueffectrapportage genoemd. Wel leidt het planvoornemen tot de herinrichting van een stuk natuurgebied. Het planvoornemen blijft echter ruimschoots onder de drempelwaarde voor landinrichtingsprojecten uit het Besluit m.e.r. (125 hectare). Gelet op de omvang van het planvoornemen (maximaal 3,5 ha), de kenmerken van het planvoornemen (zonnepark) en de aard van de effecten (zeer beperkt), wordt geconcludeerd dat het uitvoeren van een mer-beoordeling of het doorlopen van een m.e.r.-procedure niet aan de orde is.
18
5.9
Water
Water vormt een steeds belangrijker aspect bij ontwikkelingen op onder meer het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Belangrijke thema's zijn het vasthouden in plaats van direct afvoeren van hemelwater, het hergebruik van water, het zuinig omgaan met drinkwater en het beperken van de onttrekking van grondwater. Het is dan ook verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan te verantwoorden op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is bepaald in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze verantwoording wordt ook wel de waterparagraaf genoemd. Deze paragraaf kan als zodanig worden beschouwd. 5.9.1 Invloed van het planvoornemen
Infiltratie Bij dit type zonnepanelen in de vorm van solar carports wordt het ondergelegen oppervlak nauwelijks extra verhard (enkel funderingspalen), er is dus nauwelijks sprake van een toename van het verhard oppervlak. De gronden onder de panelen zullen uit bestaande (half)verharding en gras blijven bestaan met daarnaast stroken van groen. Hemelwater dat op de zonnepanelen terecht komt, kan rechtstreeks naast de panelen infiltreren in de bodem omdat er geen verharding wordt toegevoegd. Er is dus geen negatieve invloed op de infiltratie van hemelwater.
Watergangen In het plangebied bevinden zich geen watergangen of afwateringssloten. Daarnaast bevindt de waterplas van het Heerderstrand zich op 150 meter. Het planvoornemen heeft hier geen negatieve invloed op.
Materiaalgebruik Bij dit type zonnepanelen wordt het ondergelegen oppervlak niet extra verhard. De panelen worden op niet-uitlogend materiaal bevestigd. Door aan de milieu hygiënische voorwaarden te voldaan, zal door de aanvoer van het hemelwater de kwaliteit van het ontvangend grond- en oppervlaktewater niet verslechteren. Het hemelwater kan zoals in de huidige situatie afstromen naar de bodem.
Grondwater In de huidige situatie is ter plaatse geen grondwateroverlast aanwezig. Bij de aanleg van de zonnepanelen zal geen ophoging of verlaging gerealiseerd worden waardoor grondwater geen belemmering vormt. 5.9.2 Conclusie Doordat het verhard oppervlak nauwelijks toeneemt en er geen watergang in of rond het plangebied aanwezig is, is door het planvoornemen geen (grond)wateroverlast te verwachten. Voor het plan is geen watervergunning benodigd. Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
19
6.
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan waarop het betrekking heeft. In welke gevallen kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan is eveneens vastgelegd in de Wro c.q. het Bro. Van het vaststellen van een exploitatieplan kan worden afgezien indien het verplichte kostenverhaal anderszins is verzekerd. Daaraan wordt voldaan wanneer met de initiatiefnemer een zogenoemde anterieure overeenkomst wordt gesloten waarin het in kostenverhaal wordt voorzien. Het gaat bij dit planvoornemen om een private ontwikkeling waarbij het risico geheel wordt gedragen door de initiatiefnemer. Met initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van het plan verzekerd. De aanleg en de exploitatie ervan zullen voor de gemeente Heerde geen negatieve financiële gevolgen hebben. In het eerder aangeleverde projectvoorstel heeft Solar Green Point het financiële aspect en de financiële participatie mogelijkheden reeds uitgewerkt. Voor de volledigheid is deze uitwerking onderstaand opgenomen.
Financiële doelstellingen Het zonnepark in Heerde zal gebruik maken van de RVO regeling SDE++ 2021. Hiervoor wordt in het najaar van 2021 een aanvraag ingediend worden waarvan de aanwijzing 3 maanden later zal worden verstrekt. De aanvraag betreft een vergoeding van circa 0.68 Euro/kWh. Bij de aanvraag zal een omgevingsvergunning, pachtcontract, een businessplan met exploitatiebegroting en een verklaring worden verstrekt aangaande het eigen vermogen. Deze documenten zullen uiterlijk medio juli 2021 gereed zijn en opgenomen in de algemene projectplanning. Hierbij zal het projectmanagement een beroep doen op de gemeentelijk instanties om een invulling te geven aan de gewenste milestones. Heerde Energiek zal voor (een deel van) haar aandeel naar verwachting gebruik maken van de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking, de opvolger van de (fiscale) Regeling Verlaagd Tarief die per 1 april in werking trad. Ook hiervoor geldt dat bij de aanvraag een haalbaarheidsstudie met een exploitatiebegroting gevoegd moet worden.
Investeringskosten De investeringskosten van de 2.5MW installatie bestaan uit 3 hoofdcomponenten: Installatiekosten; ontwikkelingskosten, grondkosten, materialen en arbeid. Kosten projectontwikkeling; RO kosten, leges en arbeid. Netaansluiting; aansluitingskosten op het MS elektranet en trafostation. De projectkosten zijn gebaseerd op de informatie beschikbaar bij het samenstellen van dit document en kunnen mogelijk in werkelijkheid afwijken bij de uitvoering van het planvoornemen.
Projectrealisatie Het planvoornemen zal in alle situaties worden gerealiseerd daar we de slaagkans van het planvoornemen niet laten afhangen van het succes van de deelname door bewoners, maar tevens de deelname van burgers willen maximaliseren. Waarbij we uitgaan van een minimale participatie van 20% van het totale eigenvermogen door burgers en bedrijven. Deze bijdrage kan worden gerealiseerd met behulp van energiecoöperatie Heerde Energiek, waarbij de energiecoöperatie tevens risicodragend aan de ontwikkeling en in de exploitatie van het project deelneemt. Er is derhalve maximale flexibiliteit in de
20
financiering voorzien. De financiering kent drie bronnen: Bankfinanciering, Solar Green Point/ Sun Projects en door middel van inleg van de energiecoöperatie Heerde Energiek.
Projectduur De projectperiode zal 25 jaar bedragen en staat gelijk aan de technische economische levensduur van de zonnepanelen. Bij aanvang zal men deelnemen voor de economische periode van 15 jaar gelijk aan de gesubsidieerde periode door RVO.
Inkomsten De zonnestroom zal maandelijks worden aangeboden aan het geselecteerde energiebedrijf voor een marktconform tarief. De productie zal jaarlijks worden opgenomen en te goede komen aan het planvoornemen.
Operationele kosten De jaarlijks terugkerende operationele kosten bestaan uit de administratie-, beheer- en onderhoudskosten.
Resultaten deelnemer Bij een deelname aan het project kan men een rentevergoeding van bruto 4.0% realiseren. Men kan deelnemen vanaf 1 obligatiedeel en is niet gelimiteerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende afgedekt. Heerde Energiek beraadt zich nog op de deelnamemogelijkheden en vergoedingen voor haar deel van het project.
Continuïteit en economische levenswaarde Gedurende de eerste 15 jaar van het planvoornemen zal de Bank het project financieren. Daarnaast zal de Bank gedurende deze periode een aanvullende directe huurovereenkomst met RVB willen aangaan om het planvoornemen en betaling van de huurpenningen voort te kunnen zetten voor het (theoretische) geval dat de projectvennootschap in surseance van betaling of faillissement terecht zou komen. De zonnepanelen zullen op grond van hun garanties na 25 jaar nog op 80% van het oorspronkelijke productieniveau zitten en genereert het planvoornemen zelfs na afloop van de 25 jaar nog voldoende inkomsten om de huurpenningen en opbouw van het afbraakdepot te kunnen voldoen (uitgaande van 0.6% degradatie is dit zelfs na 35 jaar nog het geval). Een opbouw van afbraakdepots zal vanaf jaar 15 plaatsvinden, maar vanuit prudentie zal er vanaf jaar 10 worden begonnen met een opbouw van EUR 8K per jaar voor een totaal van EUR 80K.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Participatie Er zal door de projectpartners een communicatie- en participatieplan worden opgesteld waarin onder anderen de volgende thema’s aan bod komen (zie ook de 3.3.7 en 3.3.8); 1. Een analyse van de belanghebbenden 2. Een analyse van de thema’s en belangen die in de omgeving spelen; 3. De wijze van participatie per fase in het project; 4. Hoe de projectcommunicatie richting belanghebbenden wordt vormgegeven; 5. Op welke wijze de afspraken met belanghebbenden worden vastgelegd en gemonitord; 6. Hoe de afspraken met belanghebbenden invloed hebben op de vormgeving, ontwikkeling en exploitatie van het project. 6.2.2 Vooroverleg Het bevoegd gezag is op grond van artikel 6.18 Bor verplicht tijdens de voorbereiding van een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo, overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Op grond van artikel 3.1.1 Bro jo artikel 3.19 Wabo treedt de gemeente in vooroverleg.
21
6.2.3 Zienswijzen Via publicaties in de Staatscourant en de Stadskrant zal de termijn van ter inzage legging van de ontwerp omgevingsvergunning worden aangekondigd. Eenieder wordt tijdens deze periode van zes weken in de gelegenheid gesteld om een zienswijze tegen het voorgenomen plan kenbaar te maken. Bij het opstellen van deze ontwerp omgevingsvergunning hoort een belangenafweging. In zo’n belangenafweging worden alle belangen tegen elkaar afgewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen. Gedurende een zienswijzetermijn kan eenieder zijn of haar belang bij het college kenbaar maken alvorens er een besluit wordt genomen over verlening van de omgevingsvergunning.
22
3074,4
3658,7
11337,5
150
Houtportaal Lariks
700
5313
Zijaanzicht 15309
5103 HOH Portalen
2187 stramien panelen
5313
2176 breedte panelen
Parkeerstramien
Parkeerstramien
Bovenaanzicht (panelen 2176x1098, 505 Wp)
Dragers- staal verzinkt
Dwarsbalk-staal
Houtportaal Lariks
Vooraanzicht
Behoort bij het ontwerpbesluit omgevingsvergunning, voor het (tijdelijk) realiseren van een zonnepark op de parkeerplaats gelegen nabij de recreatieplas ‘Heerderstrand’, zoals geregistreerd onder nummer 518652
Carports Heerderstrand Maatschets Versie Duo-hout Panelen 2176x1098 landscape 505Wp 20210429 Maatschets Heerderstrand
1
2
3
4
5
6
7
8
N
52°24'15.60"N, 6° 0'45.90"E A
A
Carport 13 8 parking places 60 modules 20,40 kWp
B
Carport 14 36 parking places 270 modules 91,80 kWp
Carport 14 20 parking places 150 modules 51 kWp
Carport 16 68 parking places 510 modules 173,40 kWp
Carport 15 52 parking places 390 modules 132,60 kWp
Carport 17 96 parking places 720 modules 244,80 kWp
Carport 16 84 parking places 630 modules 214,20 kWp
PROJECT:
Leisurelands Heerderstrand Carport 18 84 parking places 630 modules 214,20 kWp
SITE: Ossenbergweg, Heerde, Gelderland
PROJECT Nº:
DRAWING TYPE:
-
DRAWN BY:
CONCEPT
Carport 18 44 parking places 330 modules 112,20 kWp
Carport 5 44 parking places 330 modules 112,20 kWp
C
QUANTITY
POWER 340W
7 506
TYPE
POWER
QUANTITY
Huawei SUN2000-100KTL-M1
100 kW
18
-
-
12
GEOMETRIC DATA
A3
01
TYPE
m
INVERTERS
B
1:1200
FORMAT:
Trina TSM-340
PV MODULES Carport 3 44 parking places 330 modules 112,20 kWp
09.12.2020
RELEASE STATUS: REVISION:
Ana Martins
Carport 1 36 parking places 270 modules 91,80 kWp
SCALE:
DATE:
PV Plant Layout
-
AZIMUTH
PITCH
TILT
121º; -59º
-
6,5º C
Carport 19 20 parking places 150 modules 51 kWp
Carport 7 40 parking places 300 modules 102 kWp
Carport 2 40 parking places 300 modules 102 kWp
TOTAL PEAK POWER INSTALLED:
2 552
kWp
TOTAL NOMINAL POWER INSTALLED:
1 800
kVA
LEGEND: Carport 9 38 parking places 288 modules 97,90 kWp Carport 11 40 parking places 300 modules 102 kWp
10m
Carport 6 40 parking places 300 modules 102 kWp
D
PV Module
Tree
Parking Places
Entrance
Road
Water
D
Shadow
Carport 8 40 parking places 300 modules 102 kWp
STRUCTURE TYPE: Carport Dual
Carport 10 38 parking places 288 modules 97,90 kWp
1004 mm
10874
1698 mm
5070
This drawing is property of Sunprojects B.V. and may not be reproduced,disclosed or copied in whole or in part without permission. All rights reserved by law.
Carport 4 44 parking places 330 modules 112,20 kWp
Carport 12 44 parking places 330 modules 112,20 kWp
E
E
Sunprojects B.V. Uilenstede 475 1183AG Amstelveen
F
The Netherlands engineering@sun-projects.nl
1
2
3
4
5
6
7
8
F
QuickScan en voortoets voor de aanleg van een zonnepark op de parkeerplaats Heerderstrand, Heerde Behoort bij het ontwerpbesluit omgevingsvergunning, voor het (tijdelijk) realiseren van een zonnepark op de parkeerplaats gelegen nabij de recreatieplas ‘Heerderstrand’, zoals geregistreerd onder nummer 518652
Rapport: 2021-489 Datum: 25 mei 2021 Versie: 1.0
QuickScan en voortoets voor de aanleg van een zonnepark op de parkeerplaats Heerderstrand, Heerde
Colofon © 2021
Tekst, samenstelling:
Fopma NatuurAdvies
Opdrachtgever:
Wijze van citeren:
Fopma NatuurAdvies, A, 2021. QuickScan en voortoets voor de aanleg van een zonnepark op de parkeerplaats Heerderstrand, Heerde; Fopma NatuurAdvies, Rapport 2021-489 Wapse.
Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Fopma NatuurAdvies. Ook mag het zonder een dergelijke toestemming niet worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Fopma NatuurAdvies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Fopma NatuurAdvies. De opdrachtgever vrijwaart Fopma NatuurAdvies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. De informatie in dit rapport is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
2
Inhoudsopgave 1 INLEIDING 1.1 ACHTERGROND 1.2 AANLEIDING 1.2.1 Soortbescherming 1.2.2 Gelders NatuurNetwerk 1.2.3 Gebiedsbescherming 1.3 PROBLEEMSTELLING / DOELSTELLING 2
SOORTBESCHERMING – WET NATUURBESCHERMING 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
3
8 8 8 8 8 8
LIGGING ONDERZOEKSGEBIED EN ONDERZOEKSOPZET
10
INVENTARISATIE NATUURWAARDEN 4.1 VOGELS (WNB § 3.1) 4.1.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen 4.1.2 Gegevens uit veldbezoek (vogels) 4.2 VLEERMUIZEN 4.2.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen 4.2.2 Gegevens uit veldbezoek (vleermuizen) 4.3 OVERIGE GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN 4.3.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen 4.3.2 Gegevens uit veldbezoeken (overige zoogdieren) 4.4 AMFIBIEËN, VISSEN EN REPTIELEN 4.4.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen 4.4.2 Gegevens uit veldbezoek (amfibieën, vissen en reptielen) 4.5 VLINDERS, LIBELLEN, JUFFERS EN INSECTEN 4.5.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen 4.5.2 Gegevens uit veldbezoek (vlinders, libellen, juffers en insecten) 4.6 VAATPLANTEN 4.6.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen 4.6.2 Gegevens uit veldbezoek (vaatplanten) 4.7 OVERIGE BESCHERMDE SOORTEN 4.7.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen 4.7.2 Gegevens uit veldbezoek
5
5 7 7 7 7 7
BESCHERMINGSREGIME SOORTEN VOGELRICHTLIJN BESCHERMINGSREGIME SOORTEN HABITATRICHTLIJN BESCHERMINGSREGIME ANDERE SOORTEN ZORGPLICHT PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING GELDERLAND (POV)
3.1 LIGGING ONDERZOEKSGEBIED 3.2 ONDERZOEKSMETHODE 3.2.1 Bronnenonderzoek 3.2.2 Veldbezoek 4
5
BEOORDELING WET NATUURBESCHERMING (SOORTEN) 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
VOGELS VLEERMUIZEN OVERIGE GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN REPTIELEN, AMFIBIEËN EN VISSEN VLINDERS, LIBELLEN EN JUFFERS VAATPLANTEN OVERIGE DOORSOORTEN AANBEVELINGEN VOOR NATUURINCLUSIEF BOUWEN
10 10 10 11 12 12 12 13 13 13 14 14 14 15 15 15 15 16 16 16 16 16 16 16 16 16 17 17 17 17 17 18 18 18 18
6
GELDERS NATUURNETWERK / GROENE ONTWIKKELINGSZONE
19
7
VOORTOETS WET NATUURBESCHERMING (GEBIEDEN)
20
7.1 DOELEN VELUWE 7.2 Mogelijke effecten aanleg op habitattypen 3
20 21
7.2.1 H4030 Droge heiden 7.2.2 Overige habitattypen 7.2.3 Effecten van stikstof 7.3 MOGELIJKE EFFECTEN AANLEG OP HABITATRICHTLIJNSOORTEN 7.3.1 Gevlekte witsnuitlibel 7.3.2 Vliegend hert 7.3.3 Beekprik 7.3.4 Rivierdonderpad 7.3.5 Kamsalamander 7.3.6 Meervleermuis 7.3.7 Drijvende waterweegbree 7.4 MOGELIJKE EFFECTEN VOGELRICHTLIJNSOORTEN 7.4.1 Zwarte specht 7.4.2 Wespendief 8
CONCLUSIES 8.1 8.2 8.3
9
CONCLUSIE WET NATUURBESCHERMING (SOORTENBESCHERMING) CONCLUSIE GELDERS NATUURNETWERK CONCLUSIE WET NATUURBESCHERMING (GEBIEDSBESCHERMING)
BRONNEN 9.1 9.2
LITERATUUR GERAADPLEEGDE WEBSITES
21 22 23 24 24 24 24 25 25 25 25 25 25 25 27 27 27 27 28 28 28
BIJLAGE 1
ALGEMENE VERBODSBEPALINGEN WNB.
29
BIJLAGE 2
PROCES BEOORDELING ONTHEFFING WNB
31
BIJLAGE 3
JAARROND BESCHERMDE VOGELS
32
BIJLAGE 4
SAMENVATTING NDFF (1-1-2016 TOT 7-5-2021)
34
BIJLAGE 5
POV GELDERLAND
35
BIJLAGE 6
ADVIEZEN NATUURINCLUSIEF BOUWEN
36
BIJLAGE 7
AERIUS-BEREKENING AANLEGFASE
38
BIJLAGE 8
TIJDELIJKE EFFECTEN MOBIELE WERKTUIGEN
45
4
1 Inleiding 1.1
Achtergrond
De opdrachtgever wil op de parkeerplaats van het Heerderstrand een zonnepark aanleggen (zie figuur 2). Het is de bedoeling dat de parkeerfunctie gehandhaafd blijft (zie figuur 3) en er de mogelijkheid te creëren om geparkeerde elektrische auto’s op te laten opladen met duurzame energie. In deze QuickScan wordt gekeken of er voor de realisering van de plannen nog een ontheffing (soorten) op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Ook kan uitsluitsel gegeven worden of de gemeente bij een Omgevingsvergunning een verklaring van geen bedenkingen moet aanvragen. Het rapport kan tevens gebruikt worden bij een bestemmingsplanprocedure. In hoofdstuk 8 staan de conclusies van de QuickScan. De te toetsen activiteit betreft: • Verwijderen van beplanting. De eventuele herplantplicht in het kader van de Wet natuurbescherming (onderdeel houtopstanden) valt buiten de scoop van deze natuurtoets.
Figuur 1.
5
Luchtfoto met ligging onderzoeksgebied zwarte kader en plangebied rode driehoek (Bron: NDFF).
Figuur 2.
Foto’s huidige situatie van de te huidige situatie (lb, rb overloopterrein; lo, ro reguliere parkeerplaats).
Figuur 3.
Voorbeeld zonnecarport (Bron: Datasheet: Larikshout zonnecarport, www.sunprojects.nl).
6
1.2
Aanleiding
De aanleiding voor het maken van een QuickScan is de noodzaak en de wens om vooraf uit te sluiten dat door het project natuurwaarden aangetast kunnen worden.
1.2.1 Soortbescherming Realisatie van de voorgenomen plannen kan invloed hebben op de bepalingen in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van planten- en diersoorten in Nederland. Overtreding van de verbodsbepalingen (bijlage 1) ten aanzien van streng beschermde soorten vereist mogelijk een ontheffing (zie hoofdstukken 2 t/m 5 en 8).
1.2.2 Gelders NatuurNetwerk In hoofdstuk 6 en 8 van deze QuickScan wordt gekeken of er door de activiteit negatieve effecten zijn op de realisering van het Gelders NatuurNetwerk (GNN).
1.2.3 Gebiedsbescherming In deze QuickScan is tevens gekeken of er door de uitvoering van het voorgenomen plan sprake kan zijn van externe werking op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden vallen eveneens onder de Wet natuurbescherming. Bij effecten op Natura 2000-instandhoudingsdoelen is mogelijk een vergunning vereist (zie hoofdstuk 7 en 8).
1.3
Probleemstelling / doelstelling
De QuickScan geeft antwoord op onderstaande vragen: 1. Komen er natuurwaarden voor, waarvoor het noodzakelijk is om een soort specifiek onderzoek eventueel met mitigatieplan te laten uitvoeren om te beoordelen in hoeverre het project handelingen bevat die in strijd zijn met de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (soortbescherming)? 2. Zijn er effecten op het GNN? 3. Zijn er mogelijke effecten op de Natura 2000-instandhoudingsdoelen waardoor er een passende beoordeling gemaakt moet worden (gebiedsbescherming/ Wet natuurbescherming)?
7
2
Soortbescherming – Wet natuurbescherming
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Voor het soortenbeleid deelt de Wet natuurbescherming de soorten in drie beschermingsregimes, namelijk vogels (EU-Vogelrichtlijn), soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten.
2.1
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn
Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). De lijst met jaarrond beschermde vogels staat in bijlage 3.
2.2
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn
Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. Het Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn is ten aanzien van verstoren strikter dan het Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn.
2.3
Beschermingsregime andere soorten
Dit zijn de in de bijlage van Wet natuurbescherming genoemde soorten. Het gaat hier om de bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 – 3.11 Wet natuurbescherming). Voor de soorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te beschermen. Omdat er ook veel algemene soorten in staan genoemd is de verwachting dat er weer een verdeling komt van meer en minder strikt beschermde soorten. Deze kan echter per provincie verschillen (zie bijlage 5).
2.4
Zorgplicht
Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.
2.5
Provinciale Omgevingsverordening Gelderland (POV)
Op grond van de Flora- en faunawet en bijbehorende Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten en Regeling vrijstelling dier- en plantensoorten was een aantal soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen zoals opgenomen in artikel 10 tot en met 12 van de Flora- en faunawet. Het betreft algemeen voorkomende soorten die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd. Bij ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud, kan het zijn dat ondanks het naleven van de zorgplicht het onvermijdelijk is dat soorten worden verstoord, de verblijf- en rustplaatsen worden vernietigd en de eieren worden beschadigd of vernietigd. De zorgplicht genoemd in artikel 1.11 van de wet dient te allen tijde in acht te worden genomen. Het is mogelijk dat voor het voldoen aan de zorgplicht, specifiek het tweede lid, onderdeel b van artikel 1.11, dieren gevangen moeten worden om te voorkomen dat ze tijdens het uitvoeren van werkzaamheden worden gedood. Voor die situatie is tevens ontheffing verleend voor het vangen. Na het vangen dienen de dieren zo snel mogelijk in de directe omgeving te worden losgelaten zodanig dat het doden dan wel verwonden tijdens uitvoering van de werkzaamheden waarvoor de vrijstelling geldt wordt voorkomen. Een aantal van deze soorten wordt ook door de Wet natuurbescherming beschermd.
Het betreft hier uitsluitend soorten die zijn beschermd op grond van artikel 3.10, eerste lid van de Wet natuurbescherming, de zogenaamde nationaal beschermde soorten. Deze soorten zijn niet beschermd op grond van internationale verdragen zoals de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn. Daarom is op grond van art.3.10, lid 2 van de wet een vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen, bestendig beheer of onderhoud mogelijk. Voor deze soorten handhaaft de provincie Gelderland de vrijstellingen die onder de Flora- en faunawet golden. De populaties van deze soorten verkeren in een gunstige staat van instandhouding. Tevens is het, juist bij deze soorten die zeer algemeen voorkomen, niet gewenst dat voor elke ruimtelijke ontwikkeling of ingreep in het kader van bestendig beheer of onderhoud een ontheffing aangevraagd moet worden.
8
In 2019 heeft de provincie er wel voor gekozen om vanwege de ongunstige staat van instandhouding de kleine marterachtigen van deze lijst te verwijderen. Artikel 3.7.2.3 Vrijstelling ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud. 1) In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de wet is het toegestaan de soorten genoemd in bijlage 28 (noot: bijlage 5 in dit rapport) te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen in verband met handelingen genoemd in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f en g van de wet. 2) De in het eerste lid genoemde vrijstelling geldt voor het in bijlage 28 (zie bijlage 5 in dit rapport) genoemde gebied. 3) De in het eerste lid genoemde vrijstelling voor het vangen geldt alleen onder gebruik van de in bijlage 28 (zie bijlage 5 in dit rapport) genoemde middelen. 4) De met toepassing van het eerste lid gevangen dieren dienen zo snel mogelijk in de directe omgeving op een voor de betreffende soort geschikte plek te worden losgelaten.
9
3
Ligging onderzoeksgebied en onderzoeksopzet
3.1
Ligging onderzoeksgebied
Het onderzoeksgebied voor de Wet natuurbescherming beperkt zich tot de percelen waarop de ingreep plaatsvindt en de directe omgeving (zie figuur 1). Voor de effecten op Natura 2000-gebieden is in hoofdstuk 7 ook gekeken naar het aspect externe werking.
3.2
Onderzoeksmethode
Deze QuickScan is gebaseerd op bronnenonderzoek en een bureauanalyse. Aan de hand van expert judgement door een ecoloog (Ir. A. Fopma van Fopma NatuurAdvies) is ingeschat wat de beschermde natuurwaarden zijn en de te verwachten effecten.
3.2.1 Bronnenonderzoek Gekeken is naar de volgende bronnen: • Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, zie ook bijlage 4). • Literatuur (zie hoofdstuk 8). Wat zit er in het NDFF? Er is gebruik gemaakt van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Hiervoor hebben we de gevalideerde data gebruikt (laatste 5 jaar). De omvang van het onderzoeksgebied is weergegeven in figuur 1. In de NDFF zit gevalideerde data van verschillende soortbeschermingsorganisaties en partners. Ook de data van Telmee.nl en waarneming.nl zit in de NDFF. Zo ook de eigen data van Fopma NatuurAdvies. Soortenorganisaties De soortenorganisaties zijn elk gespecialiseerd in een groep dieren of planten. Zij beheren databanken met verspreidings- en ecologische gegevens die door duizenden vrijwilligers verzameld zijn. Deze gegevens zijn ook beschikbaar in de Nationale Databank Flora en Fauna. De soortenorganisaties hebben in de loop der jaren een grote expertise opgebouwd met betrekking tot veldbiologisch onderzoek, de ecologie van de Nederlandse flora en fauna en het beheren en interpreteren van monitorings- en verspreidingsgegevens. • • • • • • • • • •
ANEMOON (Flora en fauna van de zee) Bryologische en Lichenologische Werkgroep (BLWG) (Mossen en korstmossen) De Vlinderstichting (Vlinders en libellen) EIS-Nederland (Ongewervelde dieren) FLORON (Planten) Nederlandse Mycologische Vereniging (NMV) (Paddenstoelen) RAVON (Reptielen, amfibieën en vissen) Sovon Vogelonderzoek Nederland (Vogels) TINEA (Micronachtvlinders) Zoogdiervereniging (Zoogdieren)
Partners Verschillende organisaties werken samen met de NDFF. Bijvoorbeeld door gegevens beschikbaar te stellen of andere kennis te delen. • • • • • • • • • •
10
Alterra (landelijke vegetatiedatabank) Instituut voor Biodiversiteit en Ecosystem Dynamica (IBED) Naturalis Biodiversity Center Natuurhistorisch Genootschap in Limburg Natuurbank Limburg NatuurNetwerk Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) Regelink Ecologie & Landschap Stichting Natuurinformatie (waarneming.nl) Stichting Staring Advies
3.2.2 Veldbezoek Er is een veldbezoek op de planlocatie en de naaste omgeving geweest. Datum: Tijdstip: Weersbeeld: Temperatuur:
12 mei 2021 Ochtend Licht bewolkt droog. 16o Celsius
Adrie Hottinga van de KNNV afd. Heerde was bij het veldbezoek aanwezig. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de potenties van het plangebied voor beschermde diersoorten en de mogelijke functies. Op basis van expert judgement is een inschatting gemaakt wat de mogelijke effecten zijn van de ingreep op beschermde soorten.
11
4
Inventarisatie natuurwaarden
4.1
Vogels (Wnb § 3.1)
4.1.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) In het onderzoeksgebied (figuur 1) zijn 1.412 waarnemingen van vogels geregistreerd, verdeeld over 96 soorten. Hierbij zijn 6 ‘jaarrond’ beschermde vogelsoorten. Tabel 1.
Waargenomen vogelsoorten in onderzoeksgebied in de periode 1-1-2016 tot 7-5-2021. Vet en cursief zijn de jaarrond beschermde soorten (zie bijlage 3) (Bron: NDFF) Vogelsoorten Aalscholver Heggenmus Roodborst Appelvink Holenduif Roodborsttapuit Blauwe Reiger Houtduif Scholekster Boerenzwaluw Huiszwaluw Sijs Bonte Vliegenvanger IJsvogel Slobeend Boomklever Kauw Smient Boomkruiper Keep Sperwer Boomleeuwerik Kerkuil Spotvogel Boompieper Kievit Spreeuw Bosuil Kleine Barmsijs Staartmees Brilduiker Kleine Bonte Specht Tafeleend Buizerd Kleine Plevier Tjiftjaf Dodaars Knobbelzwaan Topper Fitis Kokmeeuw Tuinfluiter Fluiter Kolgans Veldleeuwerik Fuut Koolmees Vink Gaai Koperwiek Vuurgoudhaan Gekraagde Roodstaart Krakeend Waterhoen Gele Kwikstaart Kruisbek Wilde Eend Gierzwaluw Kuifeend Wilde Zwaan Glanskop Kuifmees Winterkoning Goudhaan Matkop Wintertaling Goudvink Meerkoet Witte Kwikstaart Graspieper Merel Zanglijster Grauwe Gans Middelste Bonte Specht Zeearend Grauwe Vliegenvanger Nijlgans Zwarte Kraai Groene Specht Nonnetje Zwarte Mees Groenling Oeverloper Zwarte Specht Grote Bonte Specht Oeverzwaluw Zwarte Stern Grote Gele Kwikstaart Pimpelmees Zwartkop Grote Lijster Putter Havik Rode Kardinaal 96 soorten De data in de NDFF is redelijk volledig voor deze soortgroep.
12
Tabel 2.
Waarnemingen jaarrond beschermde vogelsoorten t.o.v. het plangebied. (Wrn = aantal waarnemingen, Jaren = alleen met broedindicatie) Soort #Wrn Jaren Locatie t.o.v. plangebied Buizerd 29 n.v.t. Geen waarnemingen met broedindicatie. Gierzwaluw 6 n.v.t. Geen waarnemingen met broedindicatie. Grote Gele Kwikstaart 2 n.v.t. Geen waarnemingen met broedindicatie. Havik 4 n.v.t. Geen waarnemingen met broedindicatie. Kerkuil 1 n.v.t. Geen waarnemingen met broedindicatie. Sperwer 5 n.v.t. Geen waarnemingen met broedindicatie.
4.1.2 Gegevens uit veldbezoek (vogels) Op de parkeerplaats staan met name jonge Beuken en aan het einde van de rijen enkele Christusdoorns. Deze bomen zijn in principe geschikt om in te broeden voor kleine zangvogels. Nesten van jaarrond beschermde soorten zijn in deze jonge bomen niet te verwachten. De grond is voor vogels niet geschikt. Deze is verhard of half verhard. Tijdens de zomermaanden staat de parkeerplaats regelmatig vol met auto’s van badgasten van het Heerderstrand. Het direct aangrenzende bosgebied is geschikt voor bosvogels zoals Appelvink, Boomkruiper, Boomkruiper, Gekraagde roodstaart, Bonte vliegenvanger, Vink en dergelijke. De parkeerplaats is voor deze soorten van ondergeschikt belang.
4.2
Vleermuizen
4.2.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Op basis van landelijke verspreiding (Bron: Zoogdiervereniging), zijn de volgende soorten mogelijk: • Gewone dwergvleermuis • Ruige dwergvleermuis • Kleine dwergvleermuis • Rosse vleermuis • Laatvlieger • Gewone grootoorvleermuis • Watervleermuis • Meervleermuis • Franjestaart • Baardvleermuis • Bechstein’s vleermuis • Brand’s vleermuis Tabel 3.
Data NDFF (periode 1-1-2016 tot 7-5-2021).
Soort
Wet natuurbescherming
Baard- of Brandts vleermuis
Wnb § 3.2
Franjestaart
Wnb § 3.2
Gewone dwergvleermuis
Wnb § 3.2
Gewone grootoorvleermuis
Wnb § 3.2
Rosse vleermuis
Wnb § 3.2
Watervleermuis
Wnb § 3.2
13
Tabel 4.
Waarnemingen beschermde soorten t.o.v. het plangebied. (Wrn = aantal waarnemingen, Max_ind = maximaal aantal waargenomen individuen tijdens een waarneming) Soort Wrn Max_ind Jaren Locatie t.o.v. plangebied Baardof Brandt’s 2 1 2017 Winterverblijfplaats op ca. 750 meter vleermuis ten Z van het plangebied. Franjestaart 7 26 2016 t/m Winterverblijfplaats op ca. 750 meter 2020 ten Z van het plangebied. Gewone 1 1 2020 Waarneming foeragerend exemplaar dwergvleermuis op ca. 700 meter ten ZW van het plangebied. Gewone 7 17 2016 t/m Winterverblijfplaats op ca. 750 meter grootoorvleermuis 2020 ten Z van het plangebied. Rosse vleermuis 1 1 2020 Waarneming foeragerend exemplaar op ca. 700 meter ten ZW van het plangebied. Watervleermuis 7 6 2016 t/m Winterverblijfplaats op ca. 750 meter 2020 ten Z van het plangebied.
4.2.2 Gegevens uit veldbezoek (vleermuizen) Tijdens het veldbezoek is gekeken naar potentiële verblijfplaatsen en vliegroutes op basis van expert judgement. De onderzoeksperiode is niet geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. De beoordeling vindt plaats op basis van expert judgement. Verblijfplaatsen De bomen op de parkeerplaats zijn te jong om geschikte verblijfplaatsen van vleermuizen in te kunnen herbergen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen kan op voorbaat worden uitgesloten. Vliegroutes Vliegroutes zullen door het verdwijnen van de bomen niet direct verdwijnen, wel wordt het gebied minder geschikt voor vleermuizen om te kunnen foerageren. Het foerageergebied is voor vleermuizen echter niet optimaal. Ook blijft er in de directe omgeving voldoende foerageergebied over, met hogere potenties voor vleermuizen (recreatieplan met bosrand). Negatieve effecten op vleermuizen kunnen worden uitgesloten.
4.3
Overige grondgebonden zoogdieren
4.3.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) In onderstaande tabel staat een overzicht van de in het onderzoeksgebied waargenomen soorten. Tabel 5.
Data NDFF (periode 1-1-2016 tot 7-5-2021).
Soort Boommarter
Wet natuurbescherming
Eekhoorn
Wnb § 3.3 Wnb § 3.3
Haas
Wnb § 3.31
Ree
Wnb § 3.31
Vos
Wnb § 3.31
Wild zwijn
Wnb § 3.3
1 Vrijgestelde soort op grond van de POV Gelderland (Kleine marterachtigen zijn niet meer vrijgesteld) (zie bijlage 5).
14
Tabel 6.
Waarnemingen beschermde soorten t.o.v. het plangebied. (Wrn = aantal waarnemingen, Max_ind = maximaal aantal waargenomen individuen tijdens een waarneming) Soort Wrn Max_ind Jaren Locatie t.o.v. plangebied Boommarter 5 1 2016, 2020 Vier verkeersslachtoffers A50 (o.a. ter hoogte viaduct Ossenbergweg) en een levend individu op 500 meter ten W van het plangebied. Eekhoorn 2 1 2017, 2019 Op 2 locaties ten O van de A50 op > 500 meter van het plangebied. Wild zwijn 2 6 2018, 2020 Op 2 locaties ten O van de A50 op > 250 meter van het plangebied.
4.3.2 Gegevens uit veldbezoeken (overige zoogdieren) Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen grondgebonden zoogdieren waargenomen. Er is ook geen geschikt leefgebied aanwezig voor beschermde soorten. Het terrein is volledig in gebruik als parkeerplaats of overloopterrein.
4.4
Amfibieën, vissen en reptielen
4.4.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Er zijn in het onderzoeksgebied (figuur 1) waarnemingen van amfibieën, reptielen en vissen geregistreerd in het NDFF in de laatste 5 jaar. Tabel 7.
Data NDFF (periode 1-1-2016 tot 7-5-2021).
Soorten
Wnb
Hazelworm
Wnb § 3.3
Levendbarende hagedis
Wnb § 3.3
Zandhagedis
Wnb § 3.2
Gewone pad
Wnb § 3.32
Tabel 8.
Waarnemingen beschermde soorten t.o.v. het plangebied. (Wrn = aantal waarnemingen, Max_ind = maximaal aantal waargenomen individuen tijdens een waarneming) Soort Wrn Max_ind Jaren Locatie t.o.v. plangebied Hazelworm 4 1 2016, 2017, Twee waarnemingen op heideterrein 2019 ‘Ossenberg’ op > 150 meter van het plangebied en twee waarnemingen aan westoever recreatieplas. Levendbarende hagedis 1 1 2020 Berm afrit Heerde A50 op 500 meter ten N van plangebied. Zandhagedis 28 3 2016, 2017, Alle waarnemingen op heideterrein 2019, 2020 ‘Ossenberg’.
Er zijn geen waarnemingen van vissen geregistreerd in de NDFF in het onderzoeksgebied in de laatste 5 jaar.
4.4.2 Gegevens uit veldbezoek (amfibieën, vissen en reptielen) Er zijn geen soorten amfibieën, vissen of reptielen aangetroffen in het plangebied. Het betreft deels verhard gebied. Er is ook geen geschikt leefgebied aanwezig.
2 Vrijgestelde soort op grond van de POV Gelderland (zie bijlage 5).
15
4.5
Vlinders, libellen, juffers en insecten
4.5.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) In onderstaande tabel staat een overzicht van de in het onderzoeksgebied waargenomen soorten. Tabel 9.
Data NDFF (periode 1-1-2016 tot 7-5-2021).
Dagvlinders Atalanta Bont zandoogje Boomblauwtje Citroenvlinder Dagpauwoog Distelvlinder Eikenpage Groentje Hooibeestje Kleine vuurvlinder Koevinkje Koninginnenpage
Status
Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd
Libellen Azuurwaterjuffer Beekoeverlibel Gewone oeverlibel Grote roodoogjuffer Houtpantserjuffer Lantaarntje Paardenbijter Steenrode heidelibel Tengere grasjuffer Viervlek Vroege glazenmaker Vuurjuffer Vuurlibel Watersnuffel
Status
Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd Onbeschermd
4.5.2 Gegevens uit veldbezoek (vlinders, libellen, juffers en insecten) Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde vlinders, libellen, of juffers waargenomen. De parkeerplaats is ook niet geschikt habitat voor beschermde soorten. Effecten op beschermde dagvlinders en libellen zijn vanwege het ontbreken van geschikt habitat uitgesloten.
4.6
Vaatplanten
4.6.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde soort op grond van de Wnb geregistreerd. Er zijn wel 917 waarnemingen van 128 onbeschermde soorten geregistreerd.
4.6.2 Gegevens uit veldbezoek (vaatplanten) Het plangebied is volledig aangelegd en in beheer als parkeerterrein. Er zijn geen beschermde soorten aangetroffen.
4.7
Overige beschermde soorten
(Sprinkhanen, krekels, geleedpotigen, nachtvlinders, mossen, korstmossen, algen, wieren etc.)
4.7.1 Gegevens uit geraadpleegde bronnen Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) In het onderzoeksgebied zijn geen andere beschermde soorten op grond van de Wnb geregistreerd.
4.7.2 Gegevens uit veldbezoek Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen.
16
5
Beoordeling Wet natuurbescherming (soorten)
5.1
Vogels
Effectenbeoordeling Er zijn geen effecten op jaarrond beschermde vogelsoorten te verwachten. Effecten op jaarrond beschermde soorten (Cat. 1 t/m 4) zijn uitgesloten. Nesten van kleine zangvogels kunnen niet worden uitgesloten in de te kappen bomen. Periode werkzaamheden Omdat geen ontheffingen worden verleend voor het verstoren van vogels en/of het vernielen van nesten wordt geadviseerd om de bomen te verwijderen ruim voor het broedseizoen (globale richtlijn3 15 maart 15 juli) en bij voorkeur in de winterperiode (1 oktober – 15 februari). Op deze wijze zijn effecten op vogels uitgesloten.
5.2
Vleermuizen
Effectenbeoordeling Er zijn geen verblijfplaatsen in het plangebied en er wordt door de sloop en bouw ook geen vliegroute aangetast. Effecten op vleermuizen zijn uitgesloten. In bijlage 6 zit een vrijblijvend advies om op de kopse kanten van de rijen met panelen enkele vleermuiskasten op te hangen.
5.3
Overige grondgebonden zoogdieren
Effectenbeoordeling Er zijn geen waarnemingen van grondgebonden zoogdieren. Effecten op zoogdieren door het rooien van de bomen worden dan ook niet verwacht. Negatieve effecten op zoogdieren zijn uitgesloten. In bijlage 6 zit een vrijblijvend advies om de rand van het parkeerterrein martervriendelijk in te richten.