CConstaterende datHeerde
Koppel je AI →
Document · PDF

14.2.15 Bijlage motivering - Addendum Programma van Eisen archeologisch vervolgonderzoek

Raad 30 juni 2025, gemeente HeerdeBij agendapunt: A Vaststelling TAM-omgevingsplan Bovenkamp III11.519 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Addendum - Programma van Eisen ten behoeve van een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Addendum - Programma van Eisen ten behoeve van een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

Colofon Titel

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Addendum - Programma van Eisen ten behoeve van een Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P)

Projectcode Versie Datum Auteur

P04738 C1 15-04-2024 J. Bex (senior KNA Archeoloog)

Opdrachtgever

Buro Stedenbouw BV Kerkplein 5 te Olst

Uitvoerder

Telefoon Email Website

Greenhouse Advies bv Huismanstraat 6 6851 GT Huissen 026 2020606 archeologie@greenhouse-advies.nl www.greenhouse-advies.nl

Projectgegevens Zaak-ID Bevoegde overheid

n.t.b. Gemeente Heerde

Adviseur archeologie bevoegde overheid:

0578 - 69 94 94 gemeente@heerde.nl

Harry Pape-Luijten (regio-archeoloog) h.pape@apeldoorn.nl

Beheer en plaats documentatie (gedurende onderzoek)

Greenhouse Advies bv Huismanstraat 6 6851 GT Huissen

Transito-depot

Zuiderinslag 18 3871 MR Hoevelaken

Onderzoekslocatie Toponiem Plaats Gemeente Kadastrale aanduiding Centrumcoördinaten Oppervlakte Controle Paraaf goedkeuring

Bovenkamp III, fietspad Heerde Heerde HDE00H3634 X = 198.645 / Y = 488.895 2.235 m2

Bij akkoord namens de bevoegde overheid: naam: H.G. Pape-Luijten datum: 22-04-2024

J. Bex (Senior KNA Prospector) BRL-protocol ☒ 4003 Verkennend booronderzoek (IVO-O) Projectcode: P04738 Versie: C1

Pagina 2 van 8

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Addendum - Programma van Eisen ten behoeve van een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

Inhoudsopgave 1

Inleiding ............................................................................................................................................ 4

1.1

Aanleiding ......................................................................................................................................... 4

2

Archeologische verwachting............................................................................................................. 5

3

Procedures, onderzoekseisen en aanpak ........................................................................................ 6

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................... 6

4

Methoden en technieken .................................................................................................................. 7

4.1

Werkwijze en puttenplan .................................................................................................................. 7

4.2

Procedure ......................................................................................................................................... 7

Literatuur en bronnen ........................................................................................................................................ 8

Bijlagen Bijlage 1: Programma van Eisen (PvE 2023/10_D)

Projectcode: P04738 Versie: C1

Pagina 3 van 8

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Addendum - Programma van Eisen ten behoeve van een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

1 Inleiding 1.1

Aanleiding

In opdracht van Buro Stedenbouw bv is door Greenhouse Advies bv voorliggend Addendum opgesteld voor het archeologisch onderzoek binnen het plangebied Bovenkamp III te Heerde. Het betreft een aanvulling op het eerder opgestelde en al geaccordeerde Programma van Eisen (Geertsema en Bex 2023 1) voor het nog uit te voeren inventariserende veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) ter voorbereiding op de realisatie van de toekomstige woonwijk (in rood afbeelding 1.1) op deze locatie in Heerde. Het aanvullende deelgebied/plangebied is in groen weergegeven op onderstaande afbeelding 1.1.

Afbeelding 1.1: Luchtfoto van het plan- en onderzoeksgebied te Heerde.

Directe aanleiding voor het benodigde Addendum is de recente toevoeging van een beoogd fietspad aan de noordzijde van het ruimtelijke plan Bovenkamp III. Vanaf de doorgaande Elburgerweg zal de woonwijk straks via een fietspad bereikbaar worden. De met de realisatie gepaard gaande bodemingrepen kunnen de eventueel aanwezige archeologische waarden verstoren of vernietigen. Daartoe is hier (ook) een archeologisch onderzoek benodigd. In afstemming met de bevoegde overheid, middels diens regio-archeoloog, is besloten dat hier een aantal archeologische proefsleuven (extra) zullen worden aangelegd. Met andere woorden; dat dit deelgebied wordt opgenomen in het aanstaande proefsleuvenonderzoek wat betreft Programma van Eisen, veldwerk en uitwerking (rapportage en deponering). In dat kader is dit Addendum opgesteld.

Afbeelding 1.2: Locatie fietspad (VO).

1 Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde, Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek. PvE 2023/10_D, d.d., 15-11-2023. Greenhouse Advies, Huissen.

Projectcode: P04738 Versie: C1

Pagina 4 van 8

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Addendum - Programma van Eisen ten behoeve van een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

2 Archeologische verwachting Op basis van het vooronderzoek (BO + IVO-B) kan worden gesteld dat voor het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt voor alle perioden. In de omgeving zijn diverse archeologische vindplaatsen bekend zoals losse vondsten uit de Steentijd tot nederzettingsterreinen uit de Bronstijd en IJzertijd. Specifiek wordt binnen dit noordelijk deel van het aanvullende plangebied een esdek verwacht. Indien aanwezig kan deze laag een conserverende werking hebben gehad voor een eventueel daaronder gelegen archeologisch sporenniveau. Aan het noordelijk uiteinde van het onderhavige deelgebied heeft vermoedelijk in de tweede helft van de negentiende eeuw een huis of boerderij gestaan. Vanaf de topografische kaart van 1872 tot 1890 staat hier namelijk steenbouw (rood) aangegeven.

Afbeelding 2.1: Topografische kaart uit 1872. Plangebied in groen, bij benadering. Bron: topotijdreis.nl

Tijdens het voorgaande verkennende booronderzoek werd in het noordelijk deelgebied een esdek op een ondergrond van dekzand (van matig fijn zand) en stuwwalafzettingen (van matig grof zand, grind en leem) aangetroffen. Ter hoogte van de beek in het midden van de toekomstige woonwijk werden beekafzettingen aangetroffen. In het zuidelijk deel komen gronden voor die overeenkomen met de verwachte gooreerdgronden. De relatief dunne bouwvoor of geroerde toplaag, niet zijnde een esdek, ligt hier veelal op de C-horizont. In hoeverre de ondergrond tot in de onderliggende C-horizont verstoord is en of hierbij een eventueel (voorheen) aanwezig sporenniveau ook (geheel) verstoord is, blijft op basis van het uitgevoerde verkennende booronderzoek onduidelijk. Onder het esdek in het noordelijk deel komt in ieder geval geen podzolprofiel (oude intacte bodem) meer voor. Wel enige inspoel of neerslag van roest als gevolg van grondwaterfluctuaties. De gronden in het noordelijk deel lijken door de aanwezigheid van een esdek in principe nog archeologisch kansrijk te zijn of wel bestaat de kans dat tijdens toekomstige bodemingrepen tot onder het esdek (of tot in het ‘gele zand’) archeologische waarden worden verstoord of kunnen worden aangetroffen. Dit beeld wordt ook verwacht in het onderhavige aanvullende deelgebied (van het fietspad).

Er kunnen archeologische resten en sporen worden verwacht van (periodieke) bewoning en vormen van landgebruik; van greppel tot graf uit alle archeologische perioden. Archeologische resten kunnen bestaan uit nederzettingsresten en voor de betreffende periode kenmerkend vondstmateriaal, zoals vuursteen of aardewerk. Uit de Steentijden zullen met name losse vondsten (mobilia) en eventuele haardplaatsen of een spreiding van vuursteen verwacht kunnen worden. Uit de periodes van de sedentaire samenlevingen (vanaf de late Nieuwe Steentijd / Bronstijd) kunnen sporen en structuren van huisplaatsen, erven en grafheuvels, graf- of urnenvelden aanwezig zijn. Uit de latere perioden tot aan de Late middeleeuwen kunnen ook bewoningssporen verwacht worden en een spreiding van materiaal uit de materiele cultuur die van elders is aangevoerd middels opgebrachte grond op de akkers. Ter hoogte van het historische erf (noordelijk deel) kunnen restanten daarvan verwacht worden. Projectcode: P04738 Versie: C1

Pagina 5 van 8

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Addendum - Programma van Eisen ten behoeve van een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

3 Procedures, onderzoekseisen en aanpak NB: Voor dit aanvullende deelgebied (onderhavig plangebied Addendum) zijn dezelfde eisen en onderzoeksvragen van toepassing als voor het overige deel van het archeologisch onderzoek Bovenkamp III. Deze eisen en onderzoeksvragen zijn vastgelegd in het door de bevoegde overheid ondertekende Programma van Eisen (Geertsema en Bex 2023). Dat Programma van Eisen is ook van toepassing en leidend voor het onderhavige aanvullende deelgebied.

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Algemene doelstelling van een archeologisch onderzoek is het veiligstellen van de eventuele aanwezige archeologie en wetenschappelijke informatiewaarde. Bij een proefsleuvenonderzoek betreft het meer specifiek de opsporing, afbakening en waardering van eventuele archeologische vindplaatsen. En het toetsen van de eerder geformuleerde verwachtingen. Indien vindplaatsen worden aangetroffen, is het van belang daarvan zoveel mogelijk de inhoudelijke en fysieke kwaliteit (aard, ouderdom, omvang, gaafheid, conservering) vast te stellen en deze te documenteren. Voor het plangebied dient het onderzoek zich te richten op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en vindplaatsen. Van eventuele vindplaatsen dienen in eerste instantie de aard en omvang te worden vastgesteld. Verder dient gekeken te worden in hoeverre deze aansluiten bij reeds bekende vindplaatsen in de directe omgeving van het plangebied. De hoofdvraag van het onderzoek is tweeledig en luidt als volgt: ● Zijn er archeologisch waarden (grondsporen en resten) aanwezig ter plaatse van het plangebied? ● Wat is de aard, informatiewaarde en behoudenswaardigheid van de eventuele archeologische waarden? De onderzoeksvragen dienen in het rapport beargumenteerd beantwoord te worden. Indien geen antwoord mogelijk is, dient dat beargumenteerd toegelicht te worden.

Landschapsgenese 1 Hoe ziet de bodemopbouw eruit in het plangebied, en komt dit beeld overeen met de bodemkundige informatie die het vooronderzoek heeft opgeleverd? 2 Is sprake van erosie en andere post-depositionele processen die het archeologisch niveau (kunnen) hebben aangetast en zo ja, in welke mate? 3 Waar komt het esdek voor en hoe manifesteert deze zich? Sporen, structuren en vondstmateriaal 4 Zijn er grondsporen en/of (resten van) structuren aanwezig? Kunnen clusters van grondsporen worden herkend en zo ja, kan er iets gezegd worden over het type structuur waar zij mogelijk toe behoorden? 5 Wat is de aard, mogelijke omvang, datering en conserveringstoestand van de aangetroffen archeologische vondsten? Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig, en zijn deze in verband te brengen met specifieke grondsporen en/of structuren? 6 Zijn de aangetroffen vondsten te verbinden aan specifieke activiteiten en zo ja, welke? 7 Is er sprake van vondstmateriaal en sporen/structuren uit verschillende perioden en zo ja, hoe verhouden deze zich tot elkaar? 8 Wat is de ruimtelijke verspreiding van de archeologische resten per periode, zowel in horizontale zin als verticaal/stratigrafisch? Synthese 9 Wat kan er op basis van de aangetroffen sporen en vondsten gezegd worden over het ontstaan of het gebruik en de bewoningsgeschiedenis van dit deel van Heerde? 10 Welke relatie kan gelegd worden

tussen deze vindplaats en bekende vindplaatsen in de omgeving? 11 Welke (wetenschappelijke of lokale) waarde kan aan de vindplaats worden toegekend? 12 Indien de beoogde ruimtelijke plannen en daarmee gepaard gaande bodemingrepen worden uitgevoerd; komen deze in conflict met of vormen deze een bedreiging voor de (aanwezige) archeologische waarden? 13 Welke vervolgstappen kunnen of dienen genomen te worden in het kader van het behoud van het aanwezige culturele erfgoed?

Projectcode: P04738 Versie: C1

Pagina 6 van 8

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Addendum - Programma van Eisen ten behoeve van een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

4 Methoden en technieken 4.1

Werkwijze en puttenplan

De werkwijzen zoals beschreven in het aan dit Addendum gerelateerde en leidende Programma van Eisen (Geertsema en Bex 2023) zijn ook van toepassing op het onderhavige aanvullende deelgebied. De aanvullende proefsleuven zijn ook 4 x 25 m (100m2) groot. Uitgaande van een (gelijke) dekkingsgraad van ongeveer 10% komt dat binnen dit aanvullende deelgebied van 2.235 m2 neer op 2 extra proefsleuven, zoals onder weergegeven (afbeelding 4.1). 2

Afbeelding 4.1: Puttenplan (noordelijk deelgebied / uitbreiding fietspad). Bron: Burostedenbouw bv.

4.2

Procedure

Dit Addendum dient ter instemming te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid. Pas na accordering mag worden gestart met het gravend onderzoek op deze onderhavige locatie.

2 Op basis van het eerdere plangebied van 19.720 m2 waar 20 proefsleuven (100 m2) zijn gepland, hetgeen ~10% is: komt dat neer op 19.720 m2 + 2.235 m2 = 21.955 m2 waarvan 10% ongeveer 22 proefsleuven (van 100 m2) zijn en in dit geval: 2 extra (22-20).

Projectcode: P04738 Versie: C1

Pagina 7 van 8

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Addendum - Programma van Eisen ten behoeve van een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

Literatuur en bronnen Borsboom, A.J., J.W.H.P. Verhagen, 2009. KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek; Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Versie 1.02, 4 december 2012. ACVU-HBS/Hazenberg Archeologie, Amsterdam. Bosch, J..H.A., 2008. Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode versie 1.1; Op basis van de Standaard Boor Beschrijvingsmethode versie 5.2. Deltares-rapport 2008-U-R0881/A. Deltares, Utrecht. Carmiggelt, A., P.J.W.M. Schulten, 2002. Veldhandleiding Archeologie; Archeologie Leidraad 1. College voor de Archeologische Kwaliteit, Zoetermeer 2002 Centraal College van Deskundigen, 2018. BRL SIKB 4000 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. SIKB, Gouda. Geertsema, D.E. & J. Bex, 2023. Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde. Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (IVO-B). GRA-rapport 2023.07. Greenhouse Advies bv, Huissen. Geertsema, D.E. & J. Bex, 2023. Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde, Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek. PvE 2023/10_D, d.d., 15-11-2023. Greenhouse Advies, Huissen Kooistra, L.I., O. Brinkkemper, 2016. Archeologie en resten van planten; KNA leidraad Archeobotanie, Versie: definitief 1.01. SIKB, Gouda. Lauwerier, R.C.G.M., 2011. KNA Leidraad Archeozoölogie, Versie: definitief 1.01. SIKB, Gouda. Pape-Luijten, H., 2019. Handreiking archeologisch bureau- en verkennend onderzoek.

Gemeente Heerde. Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen, M. Verbruggen, 2012. Leidraad inventariserend veldonderzoek; Deel: karterend booronderzoek, versie 2.0. SIKB, Gouda.

Projectcode: P04738 Versie: C1

Pagina 8 van 8

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Addendum - Programma van Eisen ten behoeve van een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

Bijlage 1: Programma van Eisen (PvE 2023/10_D) Geertsema & Bex 2023. Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde, Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek. PvE 2023/10_D, d.d., 15-11-2023. Greenhouse Advies, Huissen.

Projectcode: P04738 Versie: C1

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

2023/10

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

Programma van Eisen Format conform KNA versie 4.1 specificatie PS05 Projectcode P04738 Status D Locatie Heerde Projectnaam Bovenkamp III Plaats binnen archeologisch proces ☒ IVO – Proefsleuven (IVO-P)

Opsteller

Naam, adres, telefoon, e-mail D.E. Geertsema en J. Bex Greenhouse Advies BV Huismanstraat 6 6851 GT Huissen archeologie@greenhouse-advies.nl

Controle/goedkeuring Senior KNA Archeoloog

J. Bex Greenhouse Advies BV Huismanstraat 6 6851 GT Huissen 06 15269196 jeffrey.bex@greenhouse-advies.nl

Auteurs (Senior KNA Archeoloog)

datum

paraaf

15-11-2023

Opdrachtgever

Naam, adres, telefoon, e-mail J. Wierda Buro Stedenbouw bv Kerkplein 5 8121 BM Olst

datum

paraaf

Goedkeuring bevoegd gezag

Naam, adres, telefoon, e-mail Gemeente Heerde Eperweg 5 8181 ET Heerde

datum

paraaf

datum

paraaf

☒ Gemeente ☐ Provincie ☐ Rijk ☐ Overig

Namens deze: H.G. Pape-Luijten Regio-archeoloog Stedendriehoek 06 11707200 h.pape@apeldoorn.nl

Kennisgeving Depothouder/eigenaar

Naam, adres, telefoon, email Archeologisch Depot Gelderland Museum Valkhof Postbus 1474 6501 BL Nijmegen adg@museumhetvalkhof.nl 024 360 88 05

Opdrachtnemer moet alle werkzaamheden verrichten overeenkomstig de vigerende versie van de KNA en zoals gesteld in dit Programma van Eisen. Onder de werkzaamheden vallen het voorbereiden van veldwerk, het uitvoeren van veldwerk, de evaluatiefase en het uitwerken van veldwerk waaronder de rapportage en de deponering.

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 2 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

Inhoudsopgave 1

Administratieve gegevens onderzoeksgebied ................................................................................... 5

2

Aanleiding en motivering van het onderzoek ..................................................................................... 6

3

Eerder uitgevoerd onderzoek ............................................................................................................ 6

4

Archeologische verwachting .............................................................................................................. 7

4.1

Situering en inrichting van het plangebied en onderzoeksgebied ..................................................... 7

4.2

Archeologische en cultuurlandschappelijke context .......................................................................... 7

4.3

Aard en ouderdom van de vindplaats(en) ......................................................................................... 8

4.4

Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) ............................................................................ 8

4.5

Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen ..................................................................... 9

4.6

Structuren en sporen ......................................................................................................................... 9

4.7

Anorganische artefacten .................................................................................................................... 9

4.8

Organische artefacten ..................................................................................................................... 10

4.9

Archeozoölogische en botanische resten ........................................................................................ 10

4.10

Menselijke resten ............................................................................................................................. 10

4.11

Gaafheid en conservering................................................................................................................ 10

4.12

Resten Tweede Wereldoorlog ......................................................................................................... 10

5

Doelstelling en vraagstelling ............................................................................................................ 11

5.1

Doelstelling ...................................................................................................................................... 11

5.2

Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders ........................................................................ 11

5.3

Vraagstelling .................................................................................................................................... 11

5.4

Onderzoeksvragen .......................................................................................................................... 11

6

Methoden en technieken ................................................................................................................. 13

6.1

Methoden en technieken ................................................................................................................. 13

6.2

Strategie........................................................................................................................................... 13

6.3

Omgang kwetsbare vondsten en monsters ..................................................................................... 15

6.4

Structuren en grondsporen .............................................................................................................. 15

6.5

Aardwetenschappelijk onderzoek .................................................................................................... 15

6.6

Anorganische artefacten .................................................................................................................. 16

6.7

Organische artefacten ..................................................................................................................... 16

6.8

Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten ..................................... 16

6.9

Overige resten ................................................................................................................................. 16

6.10

Dateringstechnieken ........................................................................................................................ 16

6.11

Beperkingen ..................................................................................................................................... 16

7

Uitwerking en conservering ............................................................................................................. 17

7.1

Evaluatierapport ............................................................................................................................... 17

7.2

Technische uitwerking ..................................................................................................................... 17

7.3

Wetenschappelijke uitwerking ......................................................................................................... 17

7.4

Structuren, grondsporen, vondstspreidingen................................................................................... 17

7.5

Analyse aardewetenschappelijke gegevens.................................................................................... 17

7.6

Anorganische artefacten .................................................................................................................. 18

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 3 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

7.7

Organische artefacten ..................................................................................................................... 18

7.8

Archeozoölogische en -botanische resten....................................................................................... 18

7.9

Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) ................................................................ 18

8

(De)selectie en conservering ........................................................................................................... 19

8.1

Selectie materiaal voor uitwerking ................................................................................................... 19

8.2

Selectie materiaal voor deponering en verwijdering ........................................................................ 19

8.3

Selectie materiaal voor conservering .............................................................................................. 19

9

Deponering ...................................................................................................................................... 20

9.1

Eisen betreffende depot................................................................................................................... 20

9.2

Te leveren product ........................................................................................................................... 20

9.3

Structuur en inhoud ......................................................................................................................... 20

9.4

Waardering en aanbevelingen ......................................................................................................... 20

9.5

Integriteit .......................................................................................................................................... 20

10

Randvoorwaarden en aanvullende eisen ........................................................................................ 22

10.1

Personele randvoorwaarden............................................................................................................ 22

10.2

Overlegmomenten ........................................................................................................................... 22

10.2.1

Externe communicatie ..................................................................................................................... 22

10.3

Kwaliteitsbewaking, toezicht en evaluatie ....................................................................................... 22

10.4

Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ............................................................................ 22

11

Wijzigingen ten opzichte van het vastgestelde PvE ........................................................................ 23

11.1

Wijzigingen tijdens het veldwerk ...................................................................................................... 23

11.2

Belangrijke wijzigingen .................................................................................................................... 23

11.3

Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk ...................................................... 23

11.4

Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering ........................................................... 23

Literatuur .......................................................................................................................................................... 24

Bijlagen Bijlage 1: Lijst met te verwachten aantallen Bijlage 2: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen Bijlage 3: Puttenplan

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 4 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

1 Administratieve gegevens onderzoeksgebied Administratieve gegevens onderzoeksgebied Projectnaam Bovenkamp III Provincie Gelderland Gemeente Heerde Plaats Heerde Toponiem Bovenkamp III Kadastrale aanduiding HDE00H3212, HDE00H3236, HDE00H2290, HDE00H2291 x,y–coördinaten X = 198.513 / Y = 488.703 CMA/AMK-status Niet van toepassing Archis-monumentnummer Niet van toepassing Status gemeentelijke Middelhoge tot hoge archeologische waarde archeologische beleidskaart Archis zaakindentificatienummer Nog niet toegewezen Oppervlakte plangebied circa 3,17 ha (vier kadastrale percelen) Oppervlakte onderzoeksgebied fase 1: 2.000 m2 (fase 2: 1.200 m2) Dekkingspercentage ontgraving 10% Huidig grondgebruik Agrarisch Aard vergunningplichtige activiteit

Projectcode: P04738 Versie: D

Woningbouw

Pagina 5 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

2 Aanleiding en motivering van het onderzoek De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de beoogde woningbouw (woonwijk) binnen dit plangebied. Bij de hiermee gepaard gaande bodemingrepen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord of vernietigd. Conform het geldende archeologiebeleid dient hieraan voorafgaand een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden om de archeologische (verwachtings)waarde van het plangebied te bepalen. Daartoe is eerst een bureauonderzoek met een verkennend booronderzoek uitgevoerd ter ruimtelijke onderbouwing voor de functiewijziging (agrarisch→wonen) in het nieuwe bestemmingsplan. Het plangebied heeft op basis van het bureauonderzoek en het aansluitende verkennende booronderzoek (zie verder) een middelhoge archeologische verwachting toebedeeld gekregen. De bevoegde overheid, in deze de gemeente Heerde, heeft besloten dat hier een archeologisch proefsleuvenonderzoek moet worden uitgevoerd op basis waarvan de vervolgstappen (= vrijgave, opgraving of planaanpassing) bepaald kunnen worden ten behoeve van de realisatie van dit ruimtelijke plan. 1 Daarbij zal het proefsleuvenonderzoek in twee fasen worden uitgevoerd. Het noordelijk deel van het plangebied lijkt op basis van de getoetste bodemopbouw archeologisch kansrijker te zijn dan het zuidelijk deel.

Op basis van de veldbevindingen uit fase 1 in het noordelijk deel, zal bepaald worden of fase 2; proefsleuven aanleggen in het zuidelijk deel, ook uitgevoerd dient te worden.

3 Eerder uitgevoerd onderzoek Eerder uitgevoerd onderzoek Bureauonderzoek en Veldonderzoek (IVO-O) Uitvoerder Greenhouse Advies bv – onderdeel DAGnl Uitvoeringsperiode 2023 Rapportage Geertsema, D.E. & J. Bex 2023. Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde. Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (IVO-B). GRA-rapport 2023.07. Greenhouse Advies bv, Huissen.

1 HEE Bovenkamp III selectiebesluit na BO en IVO-O d.d., 02-10-2023 door H.G. Pape-Luijten o.b.v. GRA Rapport 2023.07_C2.

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 6 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

4 Archeologische verwachting 4.1

Situering en inrichting van het plangebied en onderzoeksgebied

Met plangebied wordt bedoeld het in hoofdstuk 1 genoemde gebied, zoals weergegeven op Afbeelding 4.1. Het betreft de woningbouwlocatie of het gehele ruimtelijke plan. Met ‘onderzoeksgebied’ of ‘onderzoeksterrein’ wordt het middels proefsleuven te onderzoeken deel van het plangebied bedoeld.

Afbeelding 4.1: Het plangebied (in blauw) weergegeven op de luchtfoto.

4.2

Archeologische en cultuurlandschappelijke context

Voor het grotere kader wordt verwezen naar bijvoorbeeld het rapport en de toelichting op het gemeentelijk archeologiebeleid. Hier wordt ingegaan op de directe omgeving van het plangebied.

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 7 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

Op basis van het bureauonderzoek kan worden gesteld dat voor het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt voor alle perioden. In de omgeving zijn diverse archeologische vindplaatsen bekend zoals losse vondsten uit de Steentijd tot nederzettingsterreinen uit de Bronstijd en IJzertijd. Er wordt binnen het noordelijk deel van het plangebied een esdek verwacht. Indien aanwezig kan deze een conserverende werking hebben gehad voor een eventueel daaronder gelegen archeologisch sporenniveau. Binnen het noordelijk deel van het plangebied heeft in de afgelopen twee eeuwen bebouwing gestaan (erven). Tijdens het verkennende booronderzoek werd de verwachte bodemopbouw uit het bureauonderzoek in grote lijnen aangetroffen. In het noordelijk deelgebied ligt een esdek op een ondergrond van dekzand (van matig fijn zand) en stuwwalafzettingen (van matig grof zand, grind en leem). Ter hoogte van de beek werden beekafzettingen aangetroffen. In het zuidelijk deel komen gronden voor die overeenkomen met de verwachte gooreerdgronden. De relatief dunne bouwvoor of geroerde toplaag, niet zijnde een esdek, ligt hier veelal op de C-horizont. In hoeverre de ondergrond tot in de onderliggende C-horizont verstoord is en of hierbij een eventueel (voorheen) aanwezig sporenniveau ook (geheel) verstoord is, blijft op basis van het uitgevoerde verkennende booronderzoek onduidelijk.

Onder het esdek in het noordelijk deel komt in ieder geval geen podzolprofiel (oude intacte bodem) meer voor. Wel enige inspoel of neerslag van roest als gevolg van grondwaterfluctuaties. De gronden in het noordelijk deel lijken door de aanwezigheid van een esdek in principe nog archeologisch kansrijk te zijn of wel bestaat de kans dat tijdens toekomstige bodemingrepen tot onder het esdek (of tot in het ‘gele zand’) archeologische waarden worden verstoord of kunnen worden aangetroffen. In het zuidelijk deel met meer AC-profielen zonder esdek en met een relatief dunne toplaag, lijkt deze kans lager te zijn. Historische context De oudste kaart waarop het plangebied gedetailleerd staat aangegeven, is het Kadastraal Minuutplan uit de periode 1811-1832. In combinatie met de oorspronkelijke aanwijzende tafels, is te zien en te lezen dat de percelen waar het plangebied deel van uit maakte in gebruik waren als hakhoutgebied en weiland. Tussen (de kaart van) 1860 en 1944 lijkt de noordelijke helft van het plangebied bebost te zijn geweest. In het uiterste noorden van het plangebied is een, thans verdwenen, boerenerf te zien op de kadastrale kaart. Vanaf de kaarten van 1860 is een erf te zien aan de noordoostzijde van het plangebied. Het betreft een boerderij genaamd de Plakmeijerij; vernoemd naar de familie Plakmeijer.

De naam Plakmeijer betreft een mogelijke lokaal historische verwijzing aangezien dit duidt op een opzichter/beheerder van het afplaggen van de heide. Daarbij is het noordelijke deel van het plangebied opgehoogd (met heideplaggen) volgens de bodemkaart. Op de kaart van 1999 is een fruitboomgaard te zien in bijna de volledige noordelijke helft van het plangebied. Dit zal vermoedelijk geen ingrijpende bodemverstoringen hebben veroorzaakt gezien de dikke enkeerdgronden die zich daar bevinden. In het zuidelijk deel van het plangebied lijkt vanaf de jaren 1950 een deel van het weiland als akker gebruikt te zijn geweest. Gezien de aanwezigheid van gooreerdgronden, die doorgaans een dunnere laag vormen dan de hoge zwarte enkeerdgronden, is er een kans dat de ondergrond en een eventueel sporenniveau hierbij verstoord is door landbouwactiviteit.

4.3

Aard en ouderdom van de vindplaats(en)

Op het moment zijn er binnen het plangebied nog geen vindplaatsen bekend. De verwachting (en zoekdoel) is echter als volgt; Er kunnen archeologische resten en sporen verwacht worden van (periodieke) bewoning en vormen van landgebruik; van greppel tot graf uit alle archeologische perioden. Archeologische resten kunnen bestaan uit nederzettingsresten en voor de betreffende periode kenmerkend vondstmateriaal, zoals vuursteen of aardewerk. Uit de Steentijden zullen met name losse vondsten (mobilia) en eventuele haardplaatsen of een spreiding van vuursteen verwacht kunnen worden. Uit de periodes van de sedentaire samenlevingen (vanaf de late Nieuwe Steentijd / Bronstijd) kunnen sporen en structuren van huisplaatsen, erven en grafheuvels, graf- of urnenvelden aanwezig zijn. Uit de latere perioden tot aan de Late middeleeuwen kunnen ook bewoningssporen verwacht worden en een spreiding van materiaal uit de materiele cultuur die van elders is aangevoerd middels opgebrachte grond op de akkers. Ter hoogte van het historische erf (noordelijk deel) kunnen restanten daarvan verwacht worden.

4.4

Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)

Op het moment zijn er binnen het plangebied nog geen archeologische vindplaatsen bekend. Aangezien hier een brede verwachting ligt, kunnen eventuele vindplaatsen bestaan uit zeer klein sites van een eertijdse haardplaats met bijvoorbeeld een spreiding van (bewerkt) vuursteen maar ook een enkel graf tot grotere Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 8 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

nederzettingsterreinen die buiten de plangrenzen doorlopen. Het proefsleuvenonderzoek dient onder meer ter opsporing en zo mogelijk afbakening van dit brede spectrum.

4.5

Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen

Binnen het plangebied komt zoals verwacht overal een geroerde toplaag voor. Dit als gevolg van de landbouwactiviteiten in dit gebied. Binnen het zuidelijk deel ligt een geroerde toplaag van overwegend 30-40 cm dikte met een enkele uitschieter tot 75 cm -mv maar vermoedelijk is deze laatste ter hoogte van een voormalige sloot gezet. De geroerde toplagen liggen hier veelal op de C-horizont. Nabij de beek werden beekafzettingen aangetroffen; een sterk gelaagd pakket van grind, grofzand en humeuze leem. Hier werden in de geroerde toplagen ook verweerde stukjes baksteen aangetroffen. Dat deze gronden binnen de stuwwalafzettingen liggen, is verder te zien aan het voorkomen van grind, zandige leem, lemige grindlagen of keileemafzettingen in de boorprofielen. In het noordelijk deel van het plangebied werd, zoals uit het bureauonderzoek verwacht, in de meeste boringen een esdek aangetroffen bestaande uit een 50 tot 80 cm dikke matig humeuze toplaag van matig fijn donkerbruin tot zwartbruin zand. Daarin komt weinig bodemvreemd materiaal voor op soms wat minuscule resten baksteen na. Onder het esdek werden meer of minder roestige zandlagen aangeboord. Dit roest lijkt neergeslagen door een sterke grondwaterfluctuatie. Nergens werd een duidelijke inspoellaag (B-horizont) of anderszins een podzolprofiel waargenomen.

Mogelijk kwamen deze eertijds wel voor maar zijn deze lagen opgenomen in de akkerlaag (van het esdek). Tot hoe diep de C-horizont of in hoeverre een eventueel sporenniveau al dan niet is verstoord of vernietigd is niet geheel duidelijk geworden bij het verkennende booronderzoek. Dat de ondergrond verstoord is tot in de C-horizont lijkt duidelijk maar of de oorspronkelijke C-horizont daarbij slechts een centimeter of tien geroerd is, waarbij de roestlaag nog een restant of schim is van een voormalig podzolprofiel (BC-horizont) of dat de bodemroering toch bijvoorbeeld meer dan een halve meter bedraagt waardoor de waargenomen C-horizont thans ‘schoon’ is, blijft ongewis op basis van het verkennende booronderzoek. Binnen dit noordelijke deelgebied werd in de noordelijke rand en langs de beek onderin de boorprofielen grind en soms zelfs grote kiezels waargenomen, hetgeen gerelateerd is aan de stuwwalafzettingen. Het fijne zand in het middendeel van het plangebied en in de boorprofielen (onder het esdek en boven het dikwijls voorkomende matig grove zand met grind onderin) zal gerekend kunnen worden tot dekzandafzettingen, hoewel binnen stuwwalafzettingen ook fijner zand kan voorkomen. In het uiterste noorden van het plangebied heeft een bebouwd erf gestaan. Daar zijn resten van baksteen, modern afval en een draadnagel aangetroffen, waarschijnlijk van dit erf.

In een andere boring (22) is sprake van een vermoedelijk diepe bodemverstoring of wellicht ophoging. Onder de humeuze toplaag werd tot een diepte van 155 cm -mv een rommelig ogend geroerd humeus bruin pakket waargenomen gelijkend op een akkerlaag. Mogelijk is dit te relateren aan de voorgaande nabije bebouwing.

4.6

Structuren en sporen

Sporen zijn te verwachten in de vorm van restanten van paalkuilen of -sporen, haardplaatsen, staaksporen, ingravingen of kuilen, accumulaties van objecten of neerslag van materiaal, greppels, ploegsporen en ter hoogte van het voormalige erf ook muurresten, vloertjes, putten, enz, enz. Ook dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid op het voorkomen van graven, urnenvelden of grafheuvels met inhumaties of crematies. Aan te treffen structuren kunnen bestaan uit huisplattegronden, muren, putten, houtbouw, steenbouw en zaken aangaande erven/erfinrichting.

4.7

Anorganische artefacten

Op basis van onderzoeken en archeologische resten uit de omgeving van het plangebied kan men ervan uitgaan dat de volgende anorganische resten aangetroffen kunnen worden: voor de perioden kenmerkend aardewerk, bewerkt en/of verbrand vuursteen, natuursteen, bouwkeramiek, glas en metalen voorwerpen.

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 9 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

4.8

Organische artefacten

De kans dat eventuele gebruiksvoorwerpen van hout, been, leer, textiel en dergelijke bewaard zijn gebleven in onverbrande toestand, is gezien de zandondergrond klein. Naarmate de ouderdom van de vindplaats toeneemt wordt de kans hierop kleiner. Ter hoogte van de beek en beekeerdgronden wordt de kans hierop weer groter.

4.9

Archeozoölogische en botanische resten

Met name in diepere archeologische lagen of sporen die tot in het grondwater reiken kunnen resten verwacht worden in de vorm van zaden, pollen, verbrand hout en bot (w.o. slachtafval). In de zandlagen boven de grondwaterspiegel worden alleen verbrande/verkoolde/gecalcineerde botanische resten en botmateriaal verwacht.

4.10 Menselijke resten Gelet op de verwachte archeologische context en conserveringsomstandigheden wordt de aanwezigheid van onverbrande menselijke resten (graven) klein geacht.

4.11 Gaafheid en conservering De conserveringsgraad en gaafheid van eventuele aanwezige archeologische sporen zijn op voorhand moeilijk te bepalen. Op basis van het booronderzoek wordt verwacht dat een eventueel voorheen aanwezige vroeg prehistorische vondstlaag grotendeels verdwenen is. Er werden immers geen (omvangrijke) intacte podzolgronden (zeer oude bodems) waargenomen. Voor de latere sedentaire perioden in de prehistorie en voor de historische tijden lijkt de mogelijke gaafheid en conservering groter te zijn. In het algemeen zullen voornamelijk de dieper ingegraven grondsporen (tot in de C-horizont) nog aanwezig te kunnen zijn.

4.12 Resten Tweede Wereldoorlog Resten (structuren) uit de Tweede Wereldoorlog worden hier vooralsnog niet verwacht maar dienen in principe op dezelfde wijze te worden behandeld als archeologische sporen en vondsten uit oudere perioden. Uitgezonderd hiervan zijn explosieven en menselijke resten uit deze periode. Indien explosieven of menselijke resten uit de Tweede Wereldoorlog worden aangetroffen dient de politie te worden ingelicht en dienen de werkzaamheden gestaakt of verplaatst te worden. Explosieven en wapentuig uit de Tweede Wereldoorlog moeten wel worden meegenomen in de rapportage. Hiervoor dient een determinatielijst bij het bedrijf dat de explosieven opruimt en/of de EODD, opgevraagd te worden.

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 10 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

5 Doelstelling en vraagstelling 5.1

Doelstelling

Algemene doelstelling van een archeologisch onderzoek is het veiligstellen van de eventuele aanwezige archeologie en wetenschappelijke informatiewaarde. Bij een proefsleuvenonderzoek betreft het meer specifiek de opsporing, afbakening en waardering van eventuele archeologische vindplaatsen. En het toetsen van de eerder geformuleerde verwachtingen. Indien vindplaatsen worden aangetroffen, is het van belang daarvan zoveel mogelijk de inhoudelijke en fysieke kwaliteit (aard, ouderdom, omvang, gaafheid, conservering) vast te stellen en deze te documenteren.

5.2

Relatie met NOaA en/of andere onderzoekskaders

De Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 2.0 (NOaA 2.0) 2 geeft de belangrijkste bovenregionale onderzoeksvragen op het gebied van archeologie. De aanwezige archeologische resten kunnen waardevolle informatie opleveren die aansluit op de vragen gesteld in de NOaA 2.0. Het plangebied ligt in archeoregio 2; het Utrechts-Gelders zandgebied. Welke onderzoeksvragen daarbij relevant zijn is afhankelijk van de resultaten van het archeologisch onderzoek en zal tijdens de evaluatiefase na afloop van het veldwerk aan de orde worden gesteld. Het archeologische onderzoek kan wellicht ook een bijdrage leveren aan de regionale kennisagenda Rivierengebied, Veluwe en Oost-Gelderland.

5.3

Vraagstelling

Voor het plangebied dient het onderzoek zich te richten op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden en vindplaatsen. Van eventuele vindplaatsen dienen in eerste instantie de aard en omvang te worden vastgesteld. Verder dient gekeken te worden in hoeverre deze aansluiten bij reeds bekende vindplaatsen in de directe omgeving van het plangebied. De hoofdvraag van het onderzoek is tweeledig en luidt als volgt: ● Zijn er archeologisch waarden (grondsporen en resten) aanwezig ter plaatse van het plangebied? ● Wat is de aard, informatiewaarde en behoudenswaardigheid van de eventuele archeologische waarden?

5.4

Onderzoeksvragen

De onderzoeksvragen dienen in het rapport beargumenteerd beantwoord te worden. Indien geen antwoord mogelijk is, dient dat beargumenteerd toegelicht te worden. Landschapsgenese 1 Hoe ziet de bodemopbouw eruit in het plangebied, en komt dit beeld overeen met de bodemkundige informatie die het vooronderzoek heeft opgeleverd? 2 Is sprake van erosie en andere post-depositionele processen die het archeologisch niveau (kunnen) hebben aangetast en zo ja, in welke mate? 3 Waar komt het esdek voor en hoe manifesteert deze zich? Sporen, structuren en vondstmateriaal 4 Zijn er grondsporen en/of (resten van) structuren aanwezig? Kunnen clusters van grondsporen worden herkend en zo ja, kan er iets gezegd worden over het type structuur waar zij mogelijk toe behoorden? 5 Wat is de aard, mogelijke omvang, datering en conserveringstoestand van de aangetroffen archeologische vondsten? Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig, en zijn deze in verband te brengen met specifieke grondsporen en/of structuren? 6 Zijn de aangetroffen vondsten te verbinden aan specifieke activiteiten en zo ja, welke? 7 Is er sprake van vondstmateriaal en sporen/structuren uit verschillende perioden en zo ja, hoe verhouden deze zich tot elkaar? 2 geraadpleegd via https://noaa.cultureelerfgoed.nl/#/search

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 11 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

8

Wat is de ruimtelijke verspreiding van de archeologische resten per periode, zowel in horizontale zin als verticaal/stratigrafisch?

Synthese 9 Wat kan er op basis van de aangetroffen sporen en vondsten gezegd worden over het ontstaan of het gebruik en de bewoningsgeschiedenis van dit deel van Heerde? 10 Welke relatie kan gelegd worden tussen deze vindplaats en bekende vindplaatsen in de omgeving? 11 Welke (wetenschappelijke of lokale) waarde kan aan de vindplaats worden toegekend? 12 Indien de beoogde ruimtelijke plannen en daarmee gepaard gaande bodemingrepen worden uitgevoerd; komen deze in conflict met of vormen deze een bedreiging voor de (aanwezige) archeologische waarden? 13 Welke vervolgstappen kunnen of dienen genomen te worden in het kader van het behoud van het aanwezige culturele erfgoed?

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 12 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

6 Methoden en technieken 6.1

Methoden en technieken

Op alle hieronder beschreven werkzaamheden zijn alle relevante protocollen en processen uit de KNA 4.1 van toepassing. Ten einde de onderzoeksvragen afdoende te beantwoorden dienen de in de KNA beschreven kwaliteitseisen en bijbehorende specificaties te worden gehanteerd. Deze worden als bekend verondersteld en dienen naar goed archeologisch ondernemerschap te worden uitgevoerd. Het onderzoek wordt daarnaast uitgevoerd conform de KNA-Leidraad Proefsleuvenonderzoek 3 en de KNA Veldhandleiding Archeologie (Archeologie Leidraad 1) 4. Sporen en vondstmateriaal uit de Tweede Wereldoorlog behoren evenzeer tot ons archeologisch erfgoed als oudere resten. Ook zij dienen onderzocht te worden conform de methoden en technieken zoals aangeduid in dit hoofdstuk.

6.2

Strategie

Fase 1: Het veldwerk zal aanvangen in het noordelijk deelgebied (ten noorden van de beek). De werkputten hebben (in principe) een breedte van 4 m en zijn 25 m lang (100 m2). De werkputten worden verspreid over het terrein aangelegd in een verspringend grid (Bijlage 3). In totaal zullen in deze eerste fase 20 werkputten worden aangelegd met een totale oppervlakte van circa 2.000 m². Dit betref een 10% dekkingsgraad van dit noordelijk deel van het plangebied van 19.720 m2. Geringe verplaatsing van alle voorgestelde putten naar aanleiding van bijvoorbeeld de lokale situatie kan plaatsvinden naar beoordeling van de archeologisch leidinggevende in het veld. Op basis van voortschrijdend inzicht kan na overleg met opdrachtgever en bevoegd gezag op grotere schaal van het puttenplan worden afgeweken. Dit dient vastgelegd te worden in het dagrapport. Tussentijds overleg en besluit over een eventueel vervolg (fase 1 → fase 2): Het al dan niet aanleggen van proefsleuven in het zuidelijk deel van het plangebied is afhankelijk van de (archeologische) resultaten in fase 1.

Indien in fase 1 van dit proefsleuvenonderzoek archeologische waarden zijn aangetroffen die duiden op een (vermoedelijk) aanwezige zogenoemde behoudenswaardig geachte archeologische vindplaats zoals een nederzettingsterrein, een grafveld of een ander van erfgoedbelang geacht antropogeen grondgebruik anders dan landbouwsporen (bijvoorbeeld ploegsporen, akkerlagen, spitsporen, enz.) dan wordt gedurende de looptijd van het veldwerk van fase 1 het eventuele vervolg afgestemd met de archeologisch deskundige namens de bevoegde overheid, bij voorkeur tijdens een veldbezoek van deze. De bevoegde overheid neemt het uiteindelijke besluit over het vervolg. Het besluit wordt schriftelijk vastgelegd en door de gemeente gecommuniceerd met de betrokkenen. Pas daarop worden de vervolgstappen genomen. Indien er geen behoudenswaardige archeologie of andere eenduidige aanwijzingen die een vindplaats doen vermoeden in het zuidelijk deel, worden aangetroffen in fase 1 (noordelijk deelgebied) dan worden in principe geen archeologische proefsleuven in het zuidelijk deel aangelegd en is geen sprake van een fase 2. Fase 2: Indien het veldwerk van fase 2 (zuidelijk deelgebied) moet worden uitgevoerd, zie boven, dan wordt als uitgangspunt uitgegaan van een dekkinggraad van 10% van dit deel van het plangebied van 11.995 m2. Dit komt neer op 12 proefsleuven van 100m2 (= 1.200 m2), zie Bijlage 3.

Op basis van de bevindingen in fase 1 kan van deze strategie worden afgeweken in afstemming met de bevoegde overheid, doch zal deze dekkingsgraad (10%) niet overschreden worden. Spreiding proefsleuven en attentiezone beekloop De sleuven worden gelijkmatig over het terrein gezet om de brede zoekoptie en opsporingskans of trefkans zo groot mogelijk te maken. Er worden minimaal twee sleuven dwars op de beekloop gezet om wellicht meer over de bodemopbouw daarvan te kunnen achterhalen. Hierbij is het van belang om nimmer de beek(loop) te ontgraven of (ecologisch) te verstoren. Dit geldt ook voor de plaatsing van de stort.

3 Borsboom & Verhagen 2009 4 Carmiggelt & Schulten 2002

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 13 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

Plan van Aanpak conform VS01 Voor aanvang van het archeologisch onderzoek wordt een Plan van Aanpak opgesteld conform VS01. Het PvA bevat geen onderdelen die in dit PvE voldoende besproken zijn. PvE en PvA vullen elkaar aan. Aanleg meetsysteem conform OS02 Bij digitale inmeting is de aanleg van een meetsysteem niet vereist. Indien geen digitale inmeting plaatsvindt, wordt de aanleg van een meetsysteem uitgevoerd conform OS02. Vlakaanleg conform OS03 ● Machinaal graafwerk wordt verricht door een graafmachine voorzien van een gladde bak (en indien noodzakelijk een schaafbak). ● De grondlagen worden zoveel mogelijk laagsgewijs/schavenderwijs weggegraven. ● Er wordt tenminste altijd één leesbaar vlak aangelegd en gedocumenteerd, ook als dat ‘leeg’ of verstoord is. Dat vlak wordt in dat geval aangelegd op het niveau waar men sporen had kunnen verwachten (direct onder een vondstlaag of op leesbaar niveau). Dit betreft de top van de C-horizont (‘het gele zand’). Verzamelen van vondsten en monsters conform OS04, OS10 en OS11 ● Per haal van de graafmachine wordt in principe met behulp van een metaaldetector door een daarin kundig archeologisch medewerker het vlak afgezocht. Metaalvondsten en andere bijzondere aanlegvondsten, zoals compleet vaatwerk, worden per stuk driedimensionaal ingemeten, verzameld en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd.

● Indien bijzondere en kwetsbare vondsten worden aangetroffen dienen deze dezelfde dag nog opgegraven te worden of te worden veiliggesteld door middel van afdekking. ● Overige aanleg- en vlakvondsten worden in vlaksegmenten van maximaal 4 meter breedte x 5 meter lengte verzameld. Dit geldt ook voor aanlegvondsten uit de bouwvoor. ● Vondsten worden per spoor(vulling) en/of per stratigrafische eenheid/laag verzameld (contextgericht). ● Vondstconcentraties zonder context worden individueel ingemeten en geregistreerd. ● Wanneer vuurstenen artefacten worden aangetroffen met een dichtheid hoger dan 2 artefact per 4 m2, kan een vuursteenconcentratie aanwezig zijn. De te volgen strategie dient te worden bepaald door de verantwoordelijke senior archeoloog in goed overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag. ● Natuursteen wat wordt aangetroffen buiten de natuurlijke context wordt uit vlakken en profielen verzameld. In ieder geval wordt een representatieve steekproef genomen. Bij los liggende natuurstenen wordt goed gelet op de mogelijkheid dat het om resten van structuren gaat (resten van fundamenten, vloeren, poeren e.d.). Mogelijk bij een structuur horende stenen worden individueel ingemeten. ● Van (sub)recente vondsten wordt een representatief deel verzameld indien dit voor de interpretatie van sporen, vlakken of profielen (verstoringen) nodig is.

Registreren vlakken, grondsporen, profielen conform OS05 ● Alle vlakken worden getekend, hetzij digitaal, hetzij analoog in schaal 1:50. ● Alle structuren/grondsporen worden in het vlak getekend en driedimensionaal ingemeten. ● Per werkput wordt één profielwand gedocumenteerd (inmeten, fotograferen, ingetekend en beschrijven), hetzij digitaal, hetzij analoog. Indien sprake is van een eenduidige laagopbouw (sedimentstratigrafisch/bodemkundig), kan worden volstaan met het documenteren van één profielkolom per 10 m werkput van minimaal 1 m breed en tot minimaal 25 cm onder het diepste ingravingsniveau (uitgezonderd zeer diepe ingravingen als waterkuilen/-putten e.d.). ● De profielbeschrijving voldoet aan de Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters (Nederlands Normalisatie-instituut, 1989). ● Van structuren en bijzondere sporen worden detailtekeningen en foto’s vervaardigd. ● Alle sporen worden beschreven op daartoe geëigende formulieren. Hoogtemetingen conform OS06 NAP-waarden worden gemeten in één raai in het midden van elke werkput en op de putrand met intervallen van maximaal 5 m. Couperen en registreren van grondsporen conform OS07 ● Aangezien het onderzoek een inventariserend karakter heeft, dienen sporen spaarzaam gecoupeerd te worden en worden sporen in principe niet afgewerkt.

Uitgangspunt voor het couperen van de grondsporen zijn de onderzoeksvragen i.c. de waardestelling. Coupes worden getekend, hetzij digitaal, hetzij analoog op schaal 1:20. Bij ondiepe sporen kan worden volstaan met de notatie van de diepte in de sporenlijst.

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 14 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

● ●

●

Indien er sporen gecoupeerd worden, dient in eerste instantie te worden gekozen voor sporen waarover twijfel bestaat of deze een antropogene dan wel natuurlijke oorsprong hebben. Als duidelijk is dat de sporen onderdeel uitmaken van een structuur of van een sporencluster, dan worden deze niet gecoupeerd. Uitzondering geldt voor het geval er een dieper vlak wordt aangelegd (bij uitzondering). In dat geval worden alle sporen behorende bij het hoger gelegen niveau eerst gecoupeerd en volledig afgewerkt. Indien er sprake is van een vermoedelijk behoudenswaardige vindplaats dient er, na goed en tijdig overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag, voor worden gekozen om geen diepere vlakken aan te leggen en worden de sporen ook niet gecoupeerd. De archeologisch veldwerkleider mag er voor kiezen om meer sporen te couperen en af te werken indien er gestreefd wordt naar nadere duiding van de vindplaats, bijvoorbeeld bij twijfel of ter opsporing van dateerbaar materiaal. Dit wordt vastgelegd in het dagrapport. Nimmer mag hierbij het inventariserend karakter van het onderzoek uit het oog worden verloren.

Beeldregistratie conform OS08 ● Alle vlakken worden in overzichten en waar nodig in detail gefotografeerd. ● Profielen worden in overzichten en waar nodig in detail gefotografeerd. ● Relevante en kenmerkende sporen worden in het vlak gefotografeerd. ● Coupes worden gefotografeerd. Daar waar het bordje storend is (met het oog op publicaties) wordt tevens een identieke foto zonder bordje gemaakt. ● Van complete objecten en andere belangrijke vondsten wordt direct voorafgaand, tijdens en terstond na berging een foto gemaakt met daarop naast het object een goed leesbaar vondstkaartje. ● (Delen van) structuren in het vlak, worden voor couperen in zijn geheel gefotografeerd. Dag- en weekrapporten conform OS09 Dagrapporten worden opgesteld conform de vereisten in OS09 met een voldoende inhoudelijke kwaliteit. Bijzondere vondsten en afwijkende vondsten t.o.v. de gebruikelijke hoeveelheid en/of aard moeten altijd apart worden vermeld in dagrapporten. Weekrapporten worden uitsluitend opgesteld indien daar aanleiding toe is.

6.3

Omgang kwetsbare vondsten en monsters

Kwetsbare vondsten en monsters worden behandeld conform de geldende specificatie OS11. Handreikingen uit de waaier "Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal" worden daarbij toegepast. Gezien de vaak lange doorlooptijd van projecten dient het geselecteerde materiaal stabiel geconserveerd en vrij van contaminatiebronnen bewaard te worden. Dit is met name voor monsters voor 14C-analyse cruciaal (e.g. Wohlfart e.a. 1998). Voor het bewaren van contaminatiegevoelig materiaal dient een specialist geraadpleegd te worden.

6.4 ● ●

●

6.5 ●

Structuren en grondsporen Omdat het om inventariserend onderzoek gaat worden sporen alleen gecoupeerd indien noodzakelijk voor de beantwoording van de primaire onderzoeksvragen i.c. de waardestelling. Als naar de beoordeling van de verantwoordelijke senior KNA-archeoloog omvangrijke of zeldzame archeologische structuren of bijzondere vondsten worden gedaan (bijzondere deposities, inhumatiegraven, zeer kwetsbare vondsten e.d.), waarin niet was voorzien in het PvE, wordt overlegd met de gemeente (bevoegd gezag) en met de provincie – vanwege provinciaal belang en eigendom van de vondsten – over de meest geschikte vervolgstrategie. Dit kan zowel leiden tot het (gedeeltelijk) stopzetten van het onderzoek als tot het bepalen van een geschikte onderzoeks- en bergingsmethode en aanvullende onderzoeksvragen.

Aardwetenschappelijk onderzoek Gezien de aard van het onderzoek en de eenduidige fysisch-geografische ligging, wordt vooralsnog geen specialistisch aardwetenschappelijk onderzoek vereist.

Projectcode: P04738 Versie: D

Pagina 15 van 24

Archeologisch onderzoek Bovenkamp III te Heerde Programma van Eisen ten behoeve van een Proefsleuvenonderzoek

6.6 ● ● ●

6.7

Anorganische artefacten In principe worden alle anorganische artefacten uit een aanwijsbare archeologische context verzameld. Wanneer men het vermoeden heeft dat kuilen met ambachtelijk afval aanwezig zijn, dan dienen monsters van minimaal 30 liter uit dergelijke kuilen te worden genomen. Deze monsters dienen te worden gezeefd over een 2 mm zeef. Metalen voorwerpen en overige kwetsbare vondsten worden dusdanig geconserveerd en verpakt dat de toestand stabiel blijft. De keuze van de te conserveren vondsten wordt door de projectleider in overleg met een materiaalspecialist bepaald conform de Veldhandleiding Archeologie 2002.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heerde&id=effe7ea9-911f-41b7-9489-038e4eb9a033