13.2.1. TAM-omgevingsplan Kerkweg 8 Vorchten_Motivering
Tekst van het document
24
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering
Afbeelding 5.2
IJsselvallei en Oostflank Veluwe (plangebied aangeduid met rode ster) (Bron: Waterschap Vallei en Veluwe)
25
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering Thema’s Naast de gebiedspecifieke benadering heeft het waterschap ook een aantal hoofdthema’s. Hieronder staan hieruit een aantal aspecten die relevant zijn voor het plan. Veerkracht verdwijnt uit het (water)systeem De thema’s energietransitie, circulaire economie en klimaatverandering, aangevuld met de grote woningbouwen mobiliteitsopgave, leiden ertoe dat de veerkracht van het watersysteem eindig is. Genoemde thema’s vragen om veel ruimte en zijn in concurrentie met elkaar en met de functie water. Dit vraagt om fundamentele keuzes in de ruimtelijke ontwikkeling, om meervoudigheid van functies en om circulariteit in onze omgang met grondstoffen. Zo zullen we bij stedelijke in- en uitbreidingen niet alleen het woningaanbod moeten vergroten, maar tegelijkertijd dit woningaanbod klimaatadaptief, energieneutraal en waterinclusief ontwikkelen. Dit wordt ook wel multischalig en functioneel ontwikkelen genoemd. Meeliften met economische ontwikkeling In bebouwd gebied gaan wordt gebruik gemaakt van de veranderingen door economische groei. In- en uitbreiding worden alleen nog klimaatinclusief uitgevoerd. We zoeken ruimte in de openbare en de particuliere ruimte zodat bewoners ook letterlijk een steentje bijdragen. Klimaatadaptatie moet ‘landen’ op verschillende plekken.
We redden het niet alleen met maatregelen in het watersysteem, maar hebben ook het groen (parken, wadi’s, daken, tuinen) nodig. Klimaatadaptatie moet doorwerken in burgerinitiatieven, in het ontwerp van gebouwen en openbare ruimtes, in diverse sectoren (niet alleen water) en op diverse schaalniveaus. Hoewel hittestress nog niet gevoeld wordt als een urgent probleem, laten de klimaatvoorspellingen een duidelijke stijgende trend zien: de zomers worden warmer en steeds vaker zal sprake zijn van hittestress. Vooral kwetsbare groepen hebben daaronder te lijden, de arbeidsproductiviteit daalt en de problemen rond waterkwaliteit nemen toe. 5.2.5.5 Toetsing aan Blauwe Omgevingsvisie 2050 Zoals benadrukt wordt in de omgevingsvisie staat het waterschapsgebied voor een aantal belangrijke opgaven. Het klimaat verandert en het weer zal hierdoor extremer worden. De neerslagintensiteit zal toenemen evenals de perioden van droogte. Dit vraagt om een toekomstbestendige ruimtelijke ordening. Met voorliggend plan wordt het nodige veranderd aan zowel de fysieke omgeving als aan de activiteiten binnen het plangebied. Met de sloop van de bestaande schuren wordt het plangebied deels teruggegeven aan het landschap. Dit betekent dat het verharde oppervlakte af zal nemen en er meer ruimte ontstaat voor infiltratie van regenwater. Ook toe te voegen erfbeplanting zal dit effect versterken.
Bovendien neemt de kans op hittestress in warme perioden met de vergroening van het gebied af. Geconcludeerd wordt dat het waterschapsbeleid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
26
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering
HOOFDSTUK 6
ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet. De beschrijving wordt per aspect in een aparte paragraaf opgenomen en kan vervolgens in subparagrafen worden onderverdeeld. De volgende aspecten komen aan bod: 1. geluid door activiteiten; 2. bodemkwaliteit; 3. luchtkwaliteit; 4. externe veiligheid; 5. milieuzonering; 6. geur; 7. ecologie; 8. archeologie & cultuurhistorie; 9. trillingshinder; 10. water; 11. verkeer en parkeren; 12. gezondheid; 13. besluit milieueffectrapportage; 14. welstand; 15. ladder voor duurzame verstedelijking; 16. klimaatadaptatie.
6.1
Geluid door activiteiten
6.1.1 Algemeen Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit aan. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • • • • •
het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.
27
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Daarnaast voorziet afdeling 3.5 Bkl in het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In Bijlage XXII Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de hoogste van de volgende waarden: 1. 2.
De standaardwaarde, bedoeld in onderstaande tabel; of Het geluid bij volledige benutting van het geluidproductieplafond dat gold direct voorafgaand aan de vaststelling van het in de aanhef bedoelde geluidproductieplafond.
Tabel: Standardwaarde geluid voor een geluidsbron op een geluidsgevoelig gebouw per geluidsbronsoort (Bron: ministerie Iem.)
Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde kan de hoogste van de twee waarden, bedoeld in artikel 3.32 lid 1 worden overschreden als; 1. 2. 3.
Geen gelui beperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de twee waarden te voldoen; De overschrijding door het treffen van geluidsbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en Het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in onderstaande tabel.
Tabel: Grenswaarde voor geluid door een geluidsbron op een geluidsgevoelig gebouw per geluidsbronsoort (Bron: Ministerie van IenM)
28
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.1.2 Situatie plangebied Hoewel het plangebied binnen het wettelijke geluidaandachtsgebied van de Kerkweg is gesitueerd, wordt vanwege de geringe verkeersintensiteit over deze weg een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai niet noodzakelijk geacht. Afbeelding 6.1 geeft een beeld van het geluidsniveau door het wegverkeer op de Kerkweg. Hier is te zien dat het geluidsniveaus ruim onder de standaardwaarde blijft op de plekken waar de nieuwe woningen gebouwd worden.
Voor de bestaande woning hoeft geen toets uitgevoerd te worden. Ook bevinden zich geen bedrijven die geluid voortbrengen in de nabijheid van het plangebied.
Afbeelding 6.1 Geluid wegverkeer (Bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu)
6.1.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
29
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering
6.2
Bodemkwaliteit
6.2.1 Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen ervan. Dit omvat: •
de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
•
functies evenwichtig toe te delen aan locaties, rekening houdend met de bodemkwaliteiten;
•
historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet: Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn. • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde. • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn. • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. •
6.2.2 Situatie plangebied Dumea milieu heeft een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 en 5707/5897 uitgevoerd. Voor het volledige bodemonderzoek wordt verwezen naar bijlage 4. Hieruit kwamen de volgende resultaten: Verkennend bodemonderzoek NEN5740 Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn boringen en inspectiegaten uitgevoerd ten behoeve van een bodemonderzoek conform de NEN5740 en NEN5707. Gehele locatie In de bovengrondmengmonsters BM1 t/m BM3 zijn geen verhogingen aangetroffen. In de ondergrondmengmonsters OM1 en OM2 zijn eveneens geen verhogingen aangetroffen. In het grondwatermonster Pb4wm1 is een lichte verhoging barium aangetroffen. Dieseltank Ter plaatse van een dieseltank in het gebied zijn geen olie gerelateerde verhogingen aangetroffen. Nader onderzoek op dit gebied wordt niet nodig geacht.
30
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering Verkennend bodemonderzoek NEN5707 "asbest in bodem” & NEN5897 “asbest in puin" Er zijn geen asbestverdachte materialen op het maaiveld aangetroffen. Gehele locatie Het mengmonster MM3 is licht asbesthoudend; het gewogen asbestgehalte is ruim lager dan de toetsingswaarde voor nader asbestonderzoek. Bij overige monsters is geen asbest aangetroffen. Druppelzones De gewogen asbestgehalten in de mengmonsters van DZ1, DZ2 en DZ3 zijn hoger dan de interventiewaarde (100 mg/kg ds). Tevens zijn in de fractie <0,5mm asbestverdachte vezels aangetroffen. Dit geeft aanleiding tot een SEM-analyse. Echter wordt de interventiewaarde al overschreden. Gezien de bodem op korte termijn gesaneerd wordt is nader onderzoek ter plaatse van de druppelzones niet nodig. De verontreiniging kan in overleg met bevoegd gezag zonder nader onderzoek gesaneerd worden middels een BUS-melding. Uit het "Bijzonder inventariserend onderzoek, erosie van asbestdaken" van Geofox-Lexmond (20131980/JOOS, d.d. 29-9-2014) blijkt dat de verontreiniging in de bodem van de afwateringszone van dakgootloze asbestdaken zich voornamelijk beperkt tot een diepte van 10cm bij een horizontale spreiding van circa 1 meter. De sterk verontreinigde druppelzone mag voor sanering niet worden geroerd als gevolg van sloop- en grondwerkzaamheden.
De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt, na sanering van de druppelzones voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 6.2.3 Conclusie De asbestgerelateerde verontreiniging van de bodem verontreiniging kan in overleg met bevoegd gezag zonder nader onderzoek worden gesaneerd. De sanering ten behoeve van de nieuw te bouwen woningen leidt tot zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, als tot het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. De saneringstrategie wordt afgestemd met het bevoegd gezag. Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden. Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.3
Luchtkwaliteit
6.3.1 Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het plan leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het plan draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Tevens hanteert de omgevingswet bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit het begrip ‘aandachtsgebieden’. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Het Besluit kwaliteit leefomgeving, art. 5.51 (luchtkwaliteit in aandachtsgebieden), lid 2 bepaalt, welke aandachtsgebieden er in Nederland zijn voor zowel stikstofdioxide als fijnstof. Voor een ‘niet-milieubelastende activiteit’ gelegen buiten een aandachtsgebied, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Ditzelfde geldt voor een activiteit die ‘niet in
31
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een plan binnen de NIBM-grens blijft: 1.
2.
Motiveren dat het plan binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een plan de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een plan in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
6.3.2 Situatie plangebied Gemeenten die vallen onder het bevoegd gezag van de Omgevingsdienst Veluwe (waaronder de gemeente Heerde vallen met de huidige grenswaarden niet onder de gewezen aandachtgebieden die betrekking hebben op de luchtkwaliteit. Bovendien kan, gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl, kan worden gesteld dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. 6.3.3 Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.4
Externe veiligheid
6.4.1 Algemeen Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: •
• • • •
opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl); exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).
32
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het plan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. Voor een plan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het plan kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) 6.4.2 Situatie in en bij het plangebied Aan hand van de Landelijke signaleringskaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Landelijke signaleringskaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.
In afbeelding 6.2 is een uitsnede van de signaleringskaart opgenomen. Het plangebied is hierin indicatief aangegeven met de rode ster. Zoals te zien op de uitsnede van het plangebied op de landelijke signaleringskaart externe veiligheid, is er geen sprake van een onaanvaardbaar risico.
Afbeelding 6.2 Landelijke signaleringskaart Externe Veiligheid (Bron: IPO, bewerkt)
33
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering 6.4.3 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.5
Milieuzonering
6.5.1 Algemeen Onder de Omgevingswet worden aspecten als geluid- en geurhinder niet meer in het milieuspoor geregeld, zoals voorheen in het Activiteitenbesluit of een milieuvergunning, maar direct in het omgevingsplan. Dit is een van de redenen waarom de VNG heeft besloten dat de VNG-handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit 2009 met de richtafstanden per bedrijfsactiviteit niet meer goed past bij het integrale karakter van de Omgevingswet en het omgevingsplan. Milieuzonering nieuwe stijl (VNG handreiking mei 2019) anticipeert hierop en gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren, onder meer voor geluid. De werkelijke milieubelasting van een bedrijfsactiviteit is dan bepalend of een activiteit op een bepaalde locatie past, en niet meer een richtafstand. De systematiek uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ is opgenomen in veel bestemmingen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast. In voorliggend geval geldt voor het plangebied de systematiek uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst. 6.5.2
Situatie plangebied
Oude stijl (VNG handreiking ‘bedrijven en milieuzonering’) Gebiedstypen In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk (/rustig buitengebied)' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar voornamelijk woningen en agrarische bedrijven zijn, daarom kan de omgeving worden aangemerkt met het omgevingstype ‘rustige woonwijk(/rustig buitengebied)’. De richtafstanden behorende bij de te onderscheiden omgevingstypen worden in de navolgende tabel inzichtelijk gemaakt: Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
34
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering 3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Interne en externe werking Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de functie in de omgeving? (Externe werking); laat de omgeving de functie toe? (Interne werking).
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving of wanneer de nieuwe functie de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast. In dit geval wordt de woonfunctie binnen het plangebied aangemerkt als milieugevoelige functie. Opgemerkt wordt dat bij veehouderijen de grootste richtafstand geldt voor het aspect 'Geur'. Bij agrarische bedrijven zijn, in het geval van veehouderijen, echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 6.6 'geur' nader op ingegaan. De overige van toepassingen zijnde aspecten, stof, geluid en gevaar worden hierna getoetst.
In de omgeving bevinden zich milieubelastende functies. Het betreffen agrarische bedrijven (akkerbouw en (intensieve) veehouderijen). Deze bedrijven kunnen vanwege de milieuhinder die ze veroorzaken van invloed zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de compensatiewoningen en kunnen andersom ook door nieuwe milieugevoelige functies belemmerd worden. In dit geval wordt uitgegaan van maximale planologische mogelijkheden. Dat wil zeggen dat op de agrarische bedrijfspercelen sprake is van akkerbouw bedrijven of (gecombineerd met) het houden van vee, met milieucategorie 3.2. Voor deze categorie geldt - afgezien van het aspect 'geur' - een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect 'geluid'. Die afstand wordt in alle
35
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering gevallen gehaald. De dichtstbijzijnde veehouderij (Kerkweg 6) ligt op circa 50 meter afstand van het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich verder nog een aannemersbedrijf. Dit type bedrijf valt onder milieucategorie 3.1. Voor dit type bedrijf geldt een richtafstand van 50 meter (op basis van geluid). De plek waar de woningen worden gebouwen vallen net buiten deze milieucirkel. 6.5.3 Conclusie Vanuit het aspect ‘milieuzonering’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.6
Geur
6.6.1 Algemeen Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. De instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Op industrie- en bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met de geurnormen in het omgevingsplan. De gemeente stelt een geurnorm vast in het omgevingsplan, waarbij: •
•
• •
Een waarde moet worden opgenomen voor de toelaatbare geur op een gebouw. Het Rijk geeft daar een standaardwaarde bij aan die een gemeente zonder nadere motivering kan overnemen in het omgevingsplan. De opgenomen waarde in het omgevingsplan wordt ook wel de ‘geurnorm’ genoemd. De gemeente kan in haar omgevingsplan een afwijkende waarde opnemen die hoger of lager is dan de standaardwaarde, zolang deze niet hoger is dan de grenswaarde. In artikel 5.109 Bkl staat naast de standaardwaarde ook de grenswaarde aangegeven. De afwijkende waarde is dan de geldende geurnorm. Het omgevingsplan moet de zogenaamde 50%-regeling bevatten. Ook moeten in het omgevingsplan minimale afstanden opgenomen worden, waar een stal bij bouw aan moet voldoen.
6.6.2 Situatie plangebied Rondom de te realiseren woningen bevinden zich verschillende landbouwbedrijven. Ten opzichte van de te realiseren woningen is het bedrijf aan de Kerkweg 6 het dichtstbij gelegen. Hier is het planologisch gezien toegestaan om extensieve veeteelt te bedrijven. De afstand van het bedrijf tot het plangebied bedraagt iets meer dan 50 meter. Melkvee en kalfkoeien vallen onder de categorie vaste-afstand dieren en hebben geen
36
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering geuremissiefactor. Aan de vaste afstand van 50 meter wordt in voorliggend geval voor alle te realiseren woningen voldaan. Er bevinden zich geen intensieve veehouderijen in de directe omgeving van het plangebied. 6.6.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.7
Ecologie
6.7.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 6.7.2
Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van planen, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of planen, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2.
Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
37
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 6.7.3 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 6.7.4
Situatie plangebied
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Zoals te zien op afbeeldingen 6.3 en 6.4 is het plangebied gelegen tussen twee Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt op circa 3,9 km van de ‘Veluwe’ en op circa 1,5 km van ‘Rijntakken’. Verder toont 5.5 dat het plangebied buiten de voor NNN-gebied aangewezen gronden ligt.
Afbeelding 6.3 Ligging plangebied t.o.v. Natura2000-gebied 'Veluwe' (Bron: Atlasleefomgeving.nl)
38
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering
Afbeelding 6.4 Ligging plangebied t.o.v. Natura200-gebied 'Rijntakken' (Bron:Atlasleefomgeving.nl)
Afbeelding 6.5 Ligging plangebied t.o.v. NNN-gebieden (Bron: Atlasleefomgeving.nl)
39
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering 6.7.5
Beoordeling
6.7.5.1 Natura 2000 Storingseffecten Bij ingrepen in de ruimtelijke ontwikkeling nabij beschermde natuur geldt een (effect) afstand van 500 meter. Deze ontwikkeling valt buiten deze grens. De ligging van het plangebied, de tussenliggende bebouwing en het toekomstig gebruik geven geen aanleiding om te verwachten dat er storingseffecten (geluid- en lichthinder) optreden ten opzichte van N2000-doelstellingen. Daarom is een voortoets N2000 niet noodzakelijk. Stikstofonderzoek Om de mogelijke negatieve effecten van het planvoornemen op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie inzichtelijk te krijgen, heeft BJZ.nu een AERIUS-berekening gedaan (zie Bijlage 5). De resultaten en conclusies en staan hieronder uiteengezet. Aanlegfase Uit de AERIUS-berekening, met betrekking tot de aanlegfase blijkt dat in de aanlegfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De onderdelen en resultaten van de AERIUS-berekening zijn in bijlage 5 bijgevoegd. Gebruiksfase Uit de AERIUS-berekening met betrekking tot de gebruiksfase blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. De onderdelen en resultaten van de AERIUS-berekening zijn in bijlage 5 bijgevoegd. Conclusie stikstof Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor een plan de volgende conclusie hanteren: Het plan betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig. 6.7.5.2 GNN-gebieden Aangezien het plangebied is gelegen buiten het GNN van Gelderland en de Groene ontwikkelingszone hiervan en het GNN in Gelderland geen externe werking kent, is nadere toetsing niet aan de orde. 6.7.5.3 Soortenbescherming Toetsing aan gebiedsbescherming vindt uitsluitend plaats indien beschermde gebieden in het geding zijn, terwijl toetsing aan de soortbescherming altijd vereist is, zowel binnen als buiten beschermde gebieden. Het perceel en de te slopen opstallen zijn door Ecofect nauwkeurig onderzocht op inheemse en uitheemse beschermde vegetatie. Er zijn geen (groeiplaatsen van) beschermde soorten aangetroffen.
Ook de geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de planlocatie. Uit de ecologische quickscan (zie bijlage 6) komt het volgende beeld wat betreft de soortenbescherming: •
Flora o
Nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
40
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering • • •
•
Vleermuizen o Nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Zoogdieren o Nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Vogels o Nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Geadviseerd buiten het broedseizoen te slopen/verplaatsen of voorafgaande aan de werkzaamheden een broedvogelonderzoek uit te voeren. Overige soorten o Nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.
6.7.5 Conclusie Naar aanleiding van de ecologische Quickscan en de Aeriusberekening is er geen nader onderzoek nodig. Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.8
Archeologie & cultuurhistorie
6.8.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden ‘landschappen’ als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd.
Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over: • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • verplaatsing van beschermde monumenten; • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • aantasting van de omgeving van een beschermend monument; • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. Hierna worden nader ingegaan op de aspecten archeologie en cultuurhistorie.
41
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering 6.8.2 Archeologie Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij planen waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 6.8.3 Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed. 6.8.4
Situatie plangebied
Archeologie Het plangebied ligt binnen een gebied dat door de gemeente Heerde is bestemd als ‘Waarde - Hoge archeologische verwachting’. Op basis van het bestemmingsplan dient archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden om aan te tonen dat eventueel aanwezige archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad door de geplande bouwactiviteiten. Archeologisch onderzoeksbureau Laagland heeft dit onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). Tijdens het verkennende booronderzoek is in het zuidelijke deel van het plangebied een rivierduin geconstateerd onder een verstoorde laag van 55 cm. In het noordelijke deel zijn alleen oever-op komafzettingen aangetroffen. De bovenste 40-50 cm is verstoord. Er zijn in de onderzochte delen van het plangebied geen aanwijzingen voor een vindplaats. Voor wat betreft de geplande ingrepen wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. Indien in de toekomst in het zuidelijke bodemverstorende activiteiten zijn gepland wordt geadviseerd om de omvang, begrenzing en intactheid van het rivierduin in kaart te brengen. Cultuurhistorie Het plangebied is aangeduid als oeverwallandschap en is gelegen langs de rivier de IJssel (zie Afbeelding 6.6). Het landschap wordt van oorsprong gekenmerkt door haar weilanden en hoogstam fruitboomgaarden.
Bouwwerken dienen volgens artikel 22.3 uit bestemmingsplan ‘Buitengebied Oost’ gebouwd te worden met in achtneming van de per gebiedstype voorkomende landschaps- en natuurwaarden. Voor het Oeverlandschap zijn de volgende gebiedstyperingen opgenomen: Behoud en herstel van het halfopen landschap door erf- en wegbeplanting en hoogstamboomgaarden; • Onregelmatig verkavelingspatroon; • Aanwezigheid dijken en bijbehorende bijzondere landschapselementen, zoals kolken, gemalen, IJsselhoeven en landgoederen. Op basis van deze landschapskenmerken is het plan gemaakt voor de inpassing van het nieuwe erf. Met het plan om oude agrarische bebouwing te slopen wordt een deel van het erf teruggegeven aan het landschap. Verder worden de volgende investeringen gedaan om de nieuw te bouwen woningen landschappelijk in te passen: •
• • •
aanplant van struweelheggen; landschappelijke inpassing van trafohuis; aanplant van 5 stuks kavelgrensbomen op de zuidelijke perceelsgrens;
42
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering •
aanplant van 14 stuks hoogstam fruitbomen op drie posities van het erf.
Afbeelding 6.6: Positie plangebied op kaart "Culturele gebieden & historische landschapstypen” (Bron: gemeente Heerde & gemeente Hattem)
6.8.5 Conclusie Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.9
Trillingshinder
6.9.1 Algemeen Voor het aspect trillingen vallen alle activiteiten die trillingen veroorzaken onder de afdeling '2.3 Milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan'. De uitzonderingen hierop staan in artikel 22.41 bruidsschat van de bruidsschat. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.
43
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering 6.9.2 Situatie plangebied Afbeelding 6.7 illustreert de afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde spoorweg. De gemeten afstand is circa 2,7 km. Deze afstand is dusdanig groot dat er geen sprake is van hinder door trillingen in het plangebied.
Afbeelding 6.7 Afstand plangebied tot dichtstbijzijnde spoorweg (Bron: PDOK)
6.9.3 Conclusie Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.10
Wateraspecten
6.10.1 Algemeen Zoals in paragraaf 6.2.5 uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.10.2 Watertoetsprocedure Het waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het voornemen. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot de 'korte procedure'. De procedure in het kader van de watertoets is hiermee goed doorlopen. Het
44
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering waterschap Vallei en Veluwe geeft een positief wateradvies. Gezien er niet meer dan 1500m2 aan verhard oppervlak wordt toegevoegd en er geen aanpassingen aan c-watergangen worden gedaan, zijn er geen opmerkingen bij dit advies toegevoegd.
6.11
Verkeer en Parkeren
6.11.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)’ van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. De door het CROW gepubliceerde kencijfers met betrekking tot verkeer en parkeren vormen een leidraad voor het verkeer en parkeerbeleid bij veel Nederlandse gemeenten. Dit geldt ook voor de gemeente Heerde. In voorliggend geval is sprake van de volgende uitgangspunten: • •
Verstedelijkingsgraad: Weinig stedelijk/ gemeente Heerde (Bron: CBS Statline); Stedelijke zone: buitengebied.
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het gemiddelde uitgegaan. Tabel met uitgangspunten Functie/activiteit
Parkeernorm per woning
Verkeersgeneratie per woning
Wonen, koop, vrijstaand
2,5
8,2
Wonen, twee-onder-een-kap
2,2
7,8
6.11.2 Parkeren Het parkeren vindt plaats op eigen erf. Voor de compensatiewoningen geldt op basis van de publicatie van het CROW een parkeernorm van de parkeerbehoefte van gezamenlijk 7 (6,9 parkeerplaatsen. In de nieuwe situatie is voldoende ruimte aanwezig om hierin te voorzien. In afbeelding 3.1 is dit weergegeven. Voor wat betreft de parkeerbehoefte zijn dan ook geen bezwaren tegen de in deze ruimtelijke motivering besloten ontwikkeling. 6.11.3 Verkeer Als gevolg van de realisatie van de compensatiewoningen geldt op basis van de publicatie van het CROW een toename van de verkeersgeneratie van afgerond 24 (23,8) verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De Kerkweg en het omliggende wegenetwerk kan deze beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen verkeersveilig afwikkelen. Ontsluiting vindt plaats via de nieuw aan te leggen uitrit op de Kerkweg. Voor wat betreft de verkeersgeneratie zijn dan ook eveneens geen bezwaren tegen de in deze ruimtelijke motivering besloten ontwikkeling.
45
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering 6.11.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in deze ruimtelijke motivering besloten ontwikkeling.
6.12
Gezondheid
6.12.1 Algemeen In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. •
Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het plan gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt. 6.12.2 Spuitzonering Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen.
In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:BY8000). De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek. Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de modellen van het EFSA, aangezien deze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn.
46
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering 6.12.3 Situatie plangebied Het plan om bestaande agrarische bebouwing te slopen ten behoeve van de bouw van drie wooneenheden, draagt op verschillende manieren bij aan een verhoogde omgevingskwaliteit en een gezonde leefomgeving, en is daarmee in lijn met paragraaf 1.3 uit de Omgevingswet. Allereerst worden bestaande agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt. Deze gebouwen verliezen hun functie en zijn ongeschikt voor andere functies. Met de sloop wordt verval voorkomen. Bovendien bevatten de gebouwen asbest, waardoor de bodem vervuild is geraakt (zie paragraaf 6.2). Door de vervuilde bodem te saneren worden de gezondheidsrisico’s beperkt. Gezien de bestaande gebouwen uit een groter oppervlak bestaan dan de nieuw te bouwen woningen, is er tevens sprake van een verbeterde waterhuishouding en een afname van mogelijke risico’s op hittestress. Er wordt in feite een stuk grond teruggegeven aan het landschap, waarmee de landschapsbeleving wordt versterkt. Spuitzonering Ten aanzien van spuitzonering geldt dat het woonerf grenst aan een agrarische bestemming waar bespuiting van gewassen planologisch is toegestaan (zie afbeelding 6.8). In dit geval gaat het om gronden aan alle zijden van het plangebied. Een gedeelte van de gronden maakt onderdeel uit van het plangebied.
Hiervoor is in de verbeelding van voorliggend TAM-Omgevingsplan een spuitzone opgenomen, waaraan de volgende regel is gekoppeld: Artikel 4.3.1
Strijdig gebruik
Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend: a.
b.
het gebruik van gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag binnen het bouwblok die geschiedt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering; het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten, op de met gebiedsaanduiding ‘spuitzone’ aangewezen gronden.
Voor de overige gronden ten noorden en zuiden van het plangebied geldt dat hier gewassen worden verbouwd met een laag driftrisico. Bij het verbouwen van gras (ten noorden) is immers sprake van weinig driftrisico, omdat hier niet, of zeer beperkt en laag bij de grond wordt gespoten. Dit geldt ook voor maïs, omdat alleen bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt in de periode (circa 8 weken) tussen zaaien en volledige grondbedekking. Hierbij is dus ook weinig driftrisico. Driftrisico betreft de kans dat spuitdruppels met gewasbeschermingsmiddelen bij het spuiten van gewassen buiten het beoogde perceel terechtkomen, bijvoorbeeld op aangrenzende natuur, waterlopen of bebouwing. Verder wordt opgemerkt dat ook niet chemische bestrijdingsmiddelen beschikbaar zijn en dat ook kan worden gewerkt met mechanische onkruidbestrijding. Bovendien liggen er in de directe omgeving van het plangebied meerdere woonpercelen waar agrariërs rekening mee dienen te houden. In het landschapsplan zijn enkele groenstroken toegevoegd die als bufferzone fungeren tegen gewasbeschermingsmiddelen. Geconcludeerd wordt dat op deze wijze voldoende rekening wordt gehouden met potentiele gezondheidsrisico’s voor wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
47
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering
Afbeelding 6.8
Spuitzone voorliggend planvoornemen (Bron: initiatiefnemer)
6.12.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect gezondheid sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.
6.13
M.e.r.-beoordeling
6.13.1 Algemeen Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag voor een wijzigingsplan volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een plan-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Deze lijst is niet limitatief, zodat ook voor andere dan de hierin genoemde planen moet worden bezien of sprake is van mogelijk aanzienlijke milieueffecten.
48
TAM-Omgevingsplan Woningbouw Kerkweg 8, Vorchten Ruimtelijke motivering Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het plan van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het plan wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het plan voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is nog maar één mer-beoordelingsprocedure. 6.13.2 Plan-mer-beoordeling • Artikel Omgevingswet: 16.43 en 16.88 (eerste lid, onder h). • Artikel Omgevingsbesluit: 11.11. Nadere regels plan--mer-beoordeling.
Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit) In de motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) wordt in ieder geval verwezen naar: 1. 2.
de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: a. 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het plan uit te voeren deze heeft voorgesteld; en b. 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
Kenmerken en maatregelen als bedoeld in artikel 11.10, lid 3 Ob. Bij een mededeling als bedoeld in artikel 16.45, eerste lid, van de wet, verstrekt degene die voornemens is het plan uit te voeren in ieder geval een beschrijving van: 1.
2. 3.
het plan, met in ieder geval een beschrijving van: a. de fysieke kenmerken van het gehele plan en, als dat van toepassing is, van sloopactiviteiten; b. de locatie van het plan, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het plan van invloed kan zijn; de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het plan; en voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het plan ten gevolge van: a. de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen; en b. het gebruik van natuurlijke bronnen, waaronder bodem, land, water en biodiversiteit.