CConstaterende datHeemstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Eco rapport Natuurversterkingsplan biodiversiteit Manpadslaangebied.pdf

Gemeenteraad 17 december 2025, gemeente HeemstedeBij agendapunt: 6: Ontwerp-Ontwikkelvisie gebied Manpad + ontwerp-Beeldkwaliteitsplan gebied Manpad11.372 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor laatbloeiende soorten zie §5.1.2). Hierbij is het van het grootste belang dat sterke schaduwwerking en bladval bij natuurvriendelijke oevers voorkomen moet worden! Idealiter is er bij struweel sprake is van een zoomvegetatie rondom bomen. Dit houdt in dat de overgang van lage vegetatie (kruidlaag of open grasland) geleidelijk overgaat naar hogere vegetatie. Dit kan men bereiken door het aanplanten van inheemse struiken rondom bomen en beheer waarbij alleen de (jonge) bomen (uit natuurlijke verjonging) worden verwijderd uit de zoom maar struiken van laag naar hoog kunnen opgroeien. Beheer bos Voor groenstructuren geldt dat deze buiten het broedseizoen (grofweg 1 maart tot 1 september) gesnoeid moeten worden, indien nodig. In een zoomvegetatie worden struiken aan de rand van grasland sterker gesnoeid dan struiken dichter bij bos zodat een oplopende vegetatie (zoom) ontstaat. Wilgen kunnen maximaal éénmaal per 2-4 jaar, in de wintermaanden, geknot worden zodat deze niet uitgroeien tot hoge bomen. Een zoom van struweel kan bij nabeheer worden behouden met verwijderen van alleen de jonge bomen tussen struikvegetaties.

Beplantingsschema en bloeitijden bomen en struiken.

5.2.2

Ontwikkelen van kruidenrijk grasland en vochtig hooiland

Kruidenrijke graslanden en vochtige hooilanden hebben een belangrijke ecologische waarde. Zo bieden diverse inheemse grassen en kruiden voedsel en leefgebied voor veel soorten insecten. De graslandkwaliteit neemt sterk toe als minder voedselrijke bodems worden afgewisseld met rijkere bodems. Gezien de ligging van Manpadslaan op oude zandruggen zal het mogelijk zijn om bij het afgraven van terreindelen tot de minerale zandlaag te komen en hier een makkelijker te verschralen graslandtype te krijgen. Het afgraven van bodems moet afgestemd worden met uitgraven van natuurvriendelijke oevers en eventuele restricties t.a.v. waterleidingen in de bodem. Bij het ontwikkelen van een kruidenrijk grasland en/of vochtig hooiland wordt eenmaal ingezaaid met inheemse en lokale kruidenmengsels geschikt voor het bodemtype. Ook deze inzaai en beplanting kan worden afgestemd met vergravingen, ook van natuurvriendelijke oevers (NVO). Er zijn drie inzaailijsten samengesteld:  Inheemse water en oeverplanten (NVO), zie Tabel 5-1.  Zandgraslandmengsel (afgegraven delen), zie Tabel 5-2.  Kleigraslandmengsel (niet afgegraven delen), zie Tabel 5-3. Vervolgens wordt vooral door het juiste maaibeheer de groei van inheemse planten bevorderd en zal door natuurlijke selectie een groot deel van de soorten verdwijnen.

Indien kruiden worden gezaaid is het van belang dat plantensoorten die ingezaaid of gepland worden geen sierbloemen of veredelde variëteiten van wilde bloemen zijn. Deze zijn vaak esthetisch van hogere waarde, maar produceren minder nectar of stuifmeel en worden door de kleuren, vormen en afkomst niet altijd herkend door de inheemse bestuivers. Als er besloten wordt (deels) in te zaaien is het van belang zaden via een leverancier te verkrijgen die hier mee bekend is, en enkel de wilde variëteiten kweekt. Voor meer informatie kan www.cruydthoeck.nl of www.wildetuinplanten.com geraadpleegd worden.

Een andere optie om in de omgeving voorkomende plantzaden te verspreiden is door maaisel van graslanden uit de omgeving van het plangebied te verzamelen en deze uit te strooien.

Tabel 5-1 Lijst met voorbeelden van voor insecten nuttige inheemse water- en oeverplanten. Nederlandse naam Gewone dotterbloem Grote kattenstaart Echte koekoeksbloem Koninginnenkruid Watermunt Pinksterbloem Moerasspirea Moerasandoorn Gele lis Gewone engelwortel Kruipend zenegroen Zwanenbloem Wateraardbei Grote waterweegbree Krabbescheer waterplant van sloten/vijver Harig wilgenroosje Kleine valeriaan Rietorchis Zeegroene zegge Drienervige zegge Dwergzegge Holpijp Stijve ogentroost Waterpunge Kamgras Paddenrus Sierlijke vetmuur Geelhartje Duinrus Lidsteng Waterdrieblad Parnassia Kleine ratelaar

Wetenschappelijke naam Caltha palustris s. palustris Lythrum salicaria Silene flos-cuculi Eupatorium cannabinum Mentha aquatica Cardamine pratensis Filipendula ulmaria Stachys palustris Iris pseudacorus Angelica sylvestris Ajuga reptans Butomus umbellatus Comarum palustre Alisma plantago-aquatica Stratiotes aloides Epilobium hirsutum Valeriana dioica Dactylorhiza praetermissa Carex flacca Carex trinervis Carex oederi s. oederi Equisetum fluviatile Euphrasia stricta Samolus valerandi Cynosurus cristatus Juncus subnodulosus Sagina nodosa Linum catharticum Juncus anceps Hippuris vulgaris Menyanthes trifoliata Parnassia palustris Rhinanthus minor

Tabel 5-2 Lijst met voorbeelden van voor insecten nuttige inheemse planten voor zandgraslanden.

Nederlandse naam Slangenkruid Beemdkroon Zwarte toorts Boerenwormkruid Hazenpootje Zeepkruid Geel walstro Schapenzuring Muizenoor Akkerhoornbloem Gewone ossentong Zandraket Echt bitterkruid Vroegeling Vingerhoedskruid (v) Gewone agrimonie Glad parelzaad Valse salie Grote tijm

Wetenschappelijke naam Echium vulgare Knautia arvensis Verbascum nigrum Tanacetum vulgare Trifolium arvense Saponaria Galium verum Rumex acetosella Pilosella officinarum Cerastium arvense Anchusa officinalis Arabidopsis thaliana Picris hieracioides Draba verna Digitalis purpurea Agrimonia eupatoria Lithospermum officinale Treucrium scorodonia Thymus pulegioides

Tabel 5-3 Lijst met voorbeelden van voor insecten nuttige inheemse planten voor kleigraslanden

Nederlandse naam Gewone agrimonie Beemdooievaarsbek Duizendblad Echt (geel) walstro Gele morgenster Glad walstro Grasklokje Hopklaver Grote kaardenbol Knoopkruid Margriet Muskuskaasjeskruid Pastinaak Rolklaver Scherpe boterbloem Smalle weegbree Veldlathyrus Wilde peen Witte klaver Echte kamille Marjolein Gewone ereprijs

Wetenschappelijke naam Agrimonia eupotaria Geranium pratense Achillea mollefolium Galium verum Tragopogon pratensis Gallium mollugo Campanula rotundifolia Medicago lupulina Ononis spinoza Centaurea jacea Leucanthemum vulgare Malva moschata Pastinaca sativa Lotus corniculatus Ranunculus acris Plantago lanceolata Lathyrus pratensis Daucus carota Trifolium repens Matricaria recutita Origanum vulgare Veronica chamaedrys

Beheer graslanden Aangeraden wordt het kruidenrijk grasland 2 keer per jaar een gedeelte van het grasland te maaien. Zomermaaien kan van belang zijn om voedselstoffen af te voeren en verruiging tegen te gaan. Goe ontwikklede kruidenrijke graslanden graslanden kunnen ook jaarlijks eenmaal worden gemaaid, dit najaarEen belangrijke maatregel is dat er niet of zeer licht bemest wordt, er gesneden wordt (niet geklepeld) wordt en dat het maaisel volledig afgevoerd wordt. Aangeraden wordt om sinusbeheer toe te passen en zeer slordig en ‘random’ te werken. Er moeten altijd graslanddelen (indicatief 40%) ongemaaid blijven! Maaisel op mooi ontwikkelde graslanddelen kan eventueel tijdelijk elders worden uitgelegd om de zaadbank te verbeteren op minder goed ontwikkelde delen. Sinusbeheer Sinusbeheer is een vorm van gefaseerd maaien zodat niet alle vegetatie in een keer verwijderd wordt, maar er lagen ontstaan met verschillend ontwikkelings- en hoogteniveau. Door deze manier van maaien krijgen insecten de tijd om zich te verplaatsen en kan een deel van de vegetatie tot zaadzetting komen. Door niet alle vegetatie in één keer te maaien is er ten alle tijden voedselaanbod (zowel nectar als waardplanten) en dekking voor insecten (en larven, poppen en eitjes) aanwezig. Ook ontstaat er schaduwwerking en verschillende temperaturen en microklimaten.

Insecten kunnen de optimale leefomstandigheden opzoeken. Na een jaar zullen verschillende delen van het kruidenrijk grasland twee keer gemaaid zijn, Tabel 5-4 Beheer voor de ontwikkeling van een kruidenrijk grasland.

andere één keer en andere delen niet gemaaid zijn. De niet gemaaide delen kunnen gebruikt worden door overwinterende rupsen en kleine zoogdieren zoals muizen en kleine marterachtigen. Wanneer Juni September

5.2.3

Wat Maaien en maaisel afvoeren Maaien en maaisel afvoeren

Marterhopen, takkenrillen en rommelige overhoekjes

Aangeraden wordt enkele marterhopen en takkenrillen aan te leggen. Nabij de marterhopen moet beschutting voor de dieren aanwezig zijn. Dit kan in de vorm van (verbindende) takkenrillen en verruigde vegetatie of struweelbos. Bij voorkeur moeten deze marterhopen zich in rustige ontoegankelijke delen van het plangebied bevinden. Het creëren van rommelige hoekjes met stengels, doodhout, stenen en zand trekt insecten aan. Ook houtstapels en takkenrillen vormen een belangrijk element voor het vóórkomen van verschillende insecten. Ook grondgebonden zoogdieren en amfibieën kunnen gebruik maken van de beschutting. Verschillende dag- en nachtvlinders kunnen de rommelige overhoekjes gebruiken om te overwinteren. Laat bladafval waar mogelijk liggen. Tussen het bladafval kunnen verschillende soorten wormen, rupsen en amfibieën zich verschuilen.

Voorbeeld van een takkenril (linksboven), Opzet van marterhopen: linksonder een takkenhoop, rechtsonder een steenhoop.

5.2.4

Poelen en natuurvriendelijke oevers

Alle geschikte oevers zullen in een profiel van 1:10 tot maximaal 1:20 af worden gegraven. Het watervoerende deel van de watergangen is idealiter ongeveer 3 meter breed. Door de oevers geleidelijk af te laten lopen krijgen oeverplanten de kans zich te vestigen waarbij verder van het water de condities steeds droger worden en een nat-droog gradiënt ontstaat waar veel (planten) soorten hun plek kunnen vinden.

Voorbeeld van een net aangelegde natuurvriendelijke oever met een profiel van ongeveer 1:10.

Er wordt met de gradiënten en met gevarieerde plantengroei leefgebied voor libellen, vlinders, amfibieën en zoogdieren gecreëerd. Vissen kunnen de ondiepe delen gebruiken voor het afzetten van eieren. Geschikte oevers zijn oevers met naast de waterkolom ruimte om het profiel glooiend af te graven. Zon beschenen zuidexposities zijn meest geschikt. Bij oevers waar geen ruimte is voor een profiel van 1:10 tot 1:20 wordt een profiel van minimaal 1:3 aangehouden om te kunnen voldoen als natuurvriendelijke oever. Aanplant en inzaai op de natuurvriendelijke oevers wordt eenmalig voorgesteld met mengsels uit §5.2.2. Op één of twee locaties kan een amfibieënpoel aangelegd worden. Er kan gekozen worden voor uitgraven lager dan maaiveld ofwel een plaatsing boven maaiveld met een onderlaag met beton of anders. Zorg dat de amfibieënpoel aangelegd wordt in een onbeschaduwd deel van het plangebied zodat het water kan opwarmen. Dit bevordert de voortplanting van amfibieën en libellen. Zorg eveneens voor schuin aflopende oevers. Er mogen geen vissen aanwezig zijn of vestigen in de poel. Eventueel droogvallen van de poel kan in dit verband gunstig zijn.

Voorbeeld van een uitgegraven amfibieënpoel (boven) en betonnen amfibieënpoel (onder).

Beheer poelen Het onderhoud van amfibieënpoel moet buiten voortplantings- en overwinteringsperiode amfibieën worden uitgevoerd (liefst in de periode 15 augustus - 15 oktober). Bij het onderhoud kan uitgegaan worden van bij meer dan 50% bedekking van de poel met planten dat deze opgeschoond moet worden. Houtige opslag en opkomende struiken moeten verwijderd worden. Daarnaast moeten de natuurvriendelijke oevers en oevers van de amfibieënpoel éénmaal per jaar grotendeels gemaaid worden, zeker aan de zuidkanten. Het ene jaar kan bijvoorbeeld 60-70% van de oevers gemaaid worden en het daaropvolgende jaar een andere 60-70% van de oevers. Ook voor het maaien geldt dat dit uitgevoerd met worden tussen 15 augustus - 15 oktober.

5.2.5

Nestlocaties

Om verblijfplaatsen voor bijen te creëren kan een zandhoop geplaatst worden. Van belang is dat de zandhoop een natuurlijke uitstraling heeft. Als wordt vermoed dat Rugstreeppadden het gebied in trekken kan het oppervlakte van de zandhoop uitgebreid worden zodat er een overwinteringsbiotoop ontstaat voor de soort Voor het creëren van overige nestlocaties voor doelsoorten kunnen de aanbevelingen uit hoofdstuk 4 opgevolgd worden.

Voorbeeld van een zandhoop voor bijen.

Beheer nestlocaties De nestgangen in insectenhotels worden niet eindeloos gebruikt; uiteindelijk zullen de gebruikers deze vermijden vanwege scheuren, schimmels en infecties. Het wordt hierom aangeraden om de insectenhotels na 2 a 3 jaar te controleren op scheuren, gaten en mate van bezetting. Eventueel kan er dan gekozen worden om het vulmateriaal te vervangen. Hierbij kan het oude materiaal in het najaar of de winter eruit gehaald worden, en in de schaduw gelegd worden om de eventuele overgebleven dieren eruit te laten. Ook egelhuizen worden niet eindeloos gebruikt. Net als insectenhotels kunnen deze na 2 a 3 jaar gecontroleerd worden en deze kunnen vervangen worden indien nodig.

6

Overige maatregelen

6.1

Halfverharding Voor de parkeerplaatsen wordt aangeraden halfbestrating toe te passen met in de gaten en onderlaag voedselarm zand of grind. Hier krijgen tredvegetaties de kans zich te ontwikkelen. De halfbestrating met tredvegetatie draagt bij aan het afvoeren van overtollig water na een hevige regenbui.

Voorbeelden van halfverharding welke toegepast kunnen worden in het plangebied

6.1.1

Beheer halfverharding

Om overbegroeiing te voorkomen (indien de bestrating te weinig gebruikt wordt) kan opnieuw vullen van schraal zand tussen de stenen helpen, of het periodiek borstelen van het oppervlak (CHECKLIST GROEN BOUWEN, N.D.).

6.2

Verlichting Vleermuizen kunnen verstoord worden door het gebruik van fel artificieel licht. Het wordt hierom aangeraden om rekening te houden met de volgende aanbevelingen (GUNNEL, GRANT & WILLIAMS, 2012; ZOOGDIERENVERENIGING, N.D.):  Voorkom het gebruik van een overmaat van lichtbronnen in de omgeving van het gebouw, wegen en wandelpaden binnen het plangebied.  Artificieel omgevingslicht moet zo veel mogelijk schijnen op de plek die verlicht moet worden. Voorkom lampen die naar boven schijnen of de hele omgeving verlichten.  Er is een voorkeur voor amberkleurig licht, welke de minste verstorende werking heeft op vleermuizen.  Minimaliseer de hoeveelheid tijd die (straat)verlichting aan staat. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van sensors die het licht alleen aan te laten gaan wanneer nodig, of door de verlichting op gezette tijden uit te laten gaan.

6.3

Invasieve exoten Door invasieve exoten te bestrijden krijgt de inheemse flora en fauna meer kans zich te ontwikkelen. Hieronder worden invasieve exoten binnen het plangebied omschreven en worden maatregelen genoemd.

6.3.1

Amerikaanse rivierkreeft

Door de aanwezigheid van de invasieve Amerikaanse rivierkreeft verdwijnt veel van de onderwatervegetatie.

Een schematische weergave van de Craybar (bron: Zuiderzeeland.nl).

Aangeraden wordt om enkele Craybars in het water te plaatsen wanneer deze beschikbaar komen op de markt. De Craybar is een vangmethode voor Amerikaanse rivierkreeften. De kreeften kruipen in een metalen bak welke op de bodem staat. De dieren kruipen de buis in. Eenmaal in de buis kunnen de kreeften niet meer terug en komen terecht in een open bak waar ze niet uit kunnen. De kreeften zijn zo toegankelijk voor reigers en Meerkoeten.

6.3.2

Gele maskerbloem

Tijdens de Ecologische Quickscan (GROOTSCHOLTEN, 2024) is Gele maskerbloem aangetroffen langs de oevers aan de oostkant van het plangebied. Gele maskerbloem is een invasieve oeverplant. De beste methode om deze te verwijderen is door het handmatig met wortel en al uit de bodem te trekken. Bij voorkeur wordt dit gedaan voor de bloeiperiode (juni), zodat de verspreiding van zaden tegengehouden wordt. Belangrijk bij het verwijderen van de planten is dat er geen plantfragmenten achterblijven of in het water komen te drijven. Eén maand na het verwijderen moet gecontroleerd worden of hergroei heeft plaatsgevonden. De opvolgende jaren moet opnieuw de aanwezigheid van deze planten gecontroleerd worden en indien aanwezig verwijderd worden. Dit wordt gedaan totdat er geen exemplaren meer aanwezig zijn.

6.3.3

Reuzenberenklauw

Tijdens het veldbezoek op 1 mei 2025 werd Reuzenberenklauw waargenomen. Om de verspreiding van zaad te voorkomen wordt aangeraden de locaties met Reuzenberenklauw in kaart te brengen en deze locaties meerdere keren per seizoen te maaien. Dit proces moet meerdere jaren herhaald worden totdat de zaadvoorraad in de bodem uitgeput is. Een andere manier is door de planten met wortel en al te verwijderen.

De invasieve exoten Gele maskerbloem (links) en Reuzenberenklauw (rechts) binnen het plangebied.

7

Ontwerpschets

Schematische indeling van de toekomstige biotopen in het ontwikkelingsplan..

Figuurbeschrijving.

Een voorbeeldschets van te nemen maatregelen binnen het plangebied. Niet alle maatregelen uit Hoofdstuk 4 en 5 konden worden weergegeven in deze afbeelding. Er kunnen mogelijkerwijs wijzigingen worden aangebracht tijdens de definitieve inrichting.

8

Aanbevolen en geraadpleegde literatuur BEER, R. DE, SPAARGAREN, J.J., ’T VEER, R. VAN, Natuurwaardenkaart van Heemstede, Waardering van natuur in groengebieden van Heemstede, Van der Goes en Groot en Landschap Noord-Holland, 2008 BOS, F., BOSVELD, M., GROENENDIJK, D., SWAAY C. VAN, WYNHOFF, I. & DE VLINDERSTICHTING, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. BRUGMAN, A., 2021. Scholekster heeft een voorkeur voor een grinddak. Wageningen University & Research. COUCKUYT, J., 2016. Sinusbeheer: maaibeheer op maat. Vakblad natuur bos landschap. CHECKLIST GROEN BOUWEN, n.d. Halbestrating als bron van voedsel. Verkregen op 22 november 2023 van https://www.checklistgroenbouwen.nl/maatregelen/maatrdetails/halfbestrating. CRUYDTHOECK, n.d. Beheer van een bloemenweide. Verkregen op 13-11-2023 van https://www.cruydthoeck.nl/openbare-ruimte/aanleg-en-beheer/beheerbloemenweide/. CREEMERS, R., & VERMEULEN, R., 2023. Nieuwe uitklimvoorzieningen voor straat- en trottoirkolken. RAVON. CHECKLIST GROEN BOUWEN, n.d. Spreeuw. Verkregen op 22 november 2023 van https://www.checklistgroenbouwen.nl/soorten/soort-details/spreeuw CREEMERS, R.C.M., & DELFT, J.C.W. VAN, (RAVON, RED), 2009.

De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. KNNV Uitgeverij, Utrecht. DE EGELBESCHERMING, Egels in uw tuin. Verkregen op 17 maart 2025 van https://www.egelbescherming.nl/de-egel/egels-in-uw-tuin/ DE HAAN, M., 2023. Gierzwaluwen. Verkregen op 22 november 2023 van https://www.vogelbescherming.nl/beleefdelente/blog/lezen/gierzwaluwen-innederland DE VLINDERSTICHTING, Argusvlinder. Verkregen op 17 maart 2025 van https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/argusvlinder EASYSEDUM, Kruidendak, Verkregen op 6 mei 2025 van https://easysedum.nl/kruidendak/ GRIM, A., Ecologische potentie gebied Manpadslaan te Heemstede. Utrecht GROOTSCHOLTEN, E.M., 2024. Manpadslaan te Heemstede. Toetsing in het kader van de natuurwetgeving. G&G-rapport QS2024-292. Van der Goes en Groot, Kwintsheul. GUNNEL, K., GRANT, G. & WILLIAMS, C. 2012. Landscape and urban design for bats and biodiversity. Bat Conservation Trust.

HIEMSTRA, J. A., VAN KUIK, A. K. & COOLEN, S., 2018. Groen in de stad: Biodiversiteit. Wageningen University & Research. HUSTINGS, F. & DIJK, A. VAN, 2004. HANDLEIDING BROEDVOGEL MONITORING PROJECT. SOVON, Beek— Ubberbergen. RAVON, Poel aanleggen, Verkregen op 18 maart 2025 van https://www.ravon.nl/Helpdesk/poel-aanleggen SCHIPPERS, W., BAX, I & GARDENIER, M., 2012. Ontwikkelen van kruidenrijk grasland. Aardewerkadvies. RUITER & VAN DER KNAAP, Manpadslaangebied te Heemstede. Inventarisatie beschermde soorten in het kader van de natuurwetgeving. G&G-rapport 2025-232. Van der Goes en Groot, Alkmaar/Rijswijk SPAARGAREN, J.J., Ecologische kansen van het Manpadslaangebied te Heemstede, Van der Goes en Groot, Alkmaar, 2008. TWISK, P., DIEPENBEEK, W. VAN & BEKKER, J.P., 2009. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist. VAN BREUGEL, P., 2017. Gasten van Bijenhotels. Leiden. VINK, J., VOLLAARD, P. & DE ZWARTE, N., 2024. Stadsnatuur bouwen – naar een natuurinclusieve architectuur. Rotterdam. VOGELBESCHERMING NEDERLAND, 2020. Stadsvogelfactsheets. Verkregen op 22 november 2023 van https://www.vogelbescherming.nl/bescherming/wat-wij-doen/onzestadsvogels/factsheets-stadsvogels. ZUID-HOLLANDS LANDSCHAP, Weidehommel. Verkregen op 17 maart 2025 van https://www.zuidhollandslandschap.nl/over-ons/flora-en-fauna/weidehommel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.heemstede.nl/api/v1/meetings/2765/documents/43966