CConstaterende datHeemstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Eco rapport Natuurversterkingsplan biodiversiteit Manpadslaangebied.pdf

Gemeenteraad 17 december 2025, gemeente HeemstedeBij agendapunt: 6: Ontwerp-Ontwikkelvisie gebied Manpad + ontwerp-Beeldkwaliteitsplan gebied Manpad11.372 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Heemstede Manpadslaangebied Versterkingsplan biodiversiteit

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

2025-046

Heemstede Manpadslaangebied Versterkingsplan biodiversiteit

E.M. Grootscholten

2025

Opdrachtgever Timpaan

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

G&G-rapport 2025-046

Versie V1 V2 V3

Datum

Gecontroleerd door

7 mei 2025 18 juni 2025 27 oktober 2025

R. de Beer R. de Beer R. de Beer

Titel: Projectcode bureau Projectleiding: Veldwerk en uitwerking: Opdracht: Contactpersonen: Akkoord voor uitgave: Paraaf:

Heemstede Manpadslaangebied 2025-046 R. de Beer E.M. Grootscholten Timpaan (begeleid door VE-R) B. van Elderen (VE-R) en Koen Bosman (Timpaan) Teamleider Van der Goes en Groot

De onderstaande toetsing is gebaseerd op de plannen zoals aangegeven door de opdrachtgever. Bij wijziging van plannen, werkperioden, of werkwijzen kunnen andere conclusies en aanbevelingen met betrekking tot de effecten op beschermde soorten van toepassing zijn. De bevindingen die zijn beschreven in onderliggende ecologische beoordeling worden over het algemeen gedurende een periode van drie jaar na de verschijningsdatum van dit rapport als geldend gezien, mits omstandigheden in het beschreven gebied niet te sterk zijn gewijzigd. Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot; opdrachtgever vrijwaart Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Dit rapport is vervaardigd op verzoek van opdrachtgever hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v.

druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het Ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Van der Goes en Groot is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).

Van der Goes en Groot ecologisch onderzoeks- en adviesbureau

Heulweg 28

Hazenkoog 35-A

2288 GN Rijswijk

1822 BS Alkmaar

www.vandergoesengroot.nl

Inhoud 1

2

3

Inleiding

7

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

7 8 8 8 9

Methode

10

2.1

Bronnenstudie en verwerking

10

2.1.1 Bronnenstudie 2.1.2 Potentiebeoordeling 2.1.3 Verwerking

10 10 10

Uitgangssituatie

11

3.1

Huidige situatie

11

3.1.1 Bebouwing 3.1.2 Groenstructuren 3.1.3 Wateren en oevers 3.1.4 Overig

11 11 11 12

Huidige ecologische betekenis Manpadslaangebied Uitgangspunten herinrichting

17 17

3.3.1 Woongedeelte 3.3.2 Natuurpark 3.3.3 Verbindingszones

18 18 19

3.2 3.3

4

5

Aanleiding voor het plan Gebruik van het document Ligging van het plangebied Ecologisch onderzoek Leeswijzer

Doelsoorten

21

4.1 4.2

Waarnemingen uit het verleden Doelsoorten

21 22

4.2.1 Vogels 4.2.2 Grondgebonden zoogdieren 4.2.3 Dagvlinders 4.2.4 Libellen 4.2.5 Bijen en hommels 4.2.6 Amfibieën 4.2.7 Vissen 4.2.8 Vleermuizen

23 28 31 32 33 36 37 37

Doelbiotopen

39

5.1

39

Woongedeelte

5.2

5.1.1 Nestlocaties vogels en vleermuizen 5.1.2 Groene gevels 5.1.3 Groene daken

39 39 39

Natuurpark

40

5.2.1 Struweelbos Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 5.2.2 Ontwikkelen van kruidenrijk grasland en vochtig hooiland 41 5.2.3 Marterhopen, takkenrillen en rommelige overhoekjes 44 5.2.4 Poelen en natuurvriendelijke oevers 45 5.2.5 Nestlocaties 47

6

Overige maatregelen

49

6.1

Halfverharding

49

6.1.1 Beheer halfverharding

49

Verlichting Invasieve exoten

50 50

6.3.1 Amerikaanse rivierkreeft 6.3.2 Gele maskerbloem 6.3.3 Reuzenberenklauw

50 51 51

6.2 6.3

7 8

Ontwerpschets Aanbevolen en geraadpleegde literatuur

52 54

1

Inleiding

1.1

Aanleiding voor het plan Timpaan is initiatiefnemer voor het ontwikkelen van het Gebied Manpad in Heemstede in de provincie Noord-Holland. De ontwikkeling betreft de realisatie van nieuwbouwwoningen en herontwikkeling van het omliggende gebied. Ecologisch adviesbureau Van der Goes en Groot is gevraagd om een natuurversterkingsadvies aan te leveren om de toekomstige bebouwing te omgeven met groene ruimte waar ruimte is voor natuur en natuurlijke processen. Van belang bij de realisatie van het plan is om een aaneengesloten natuurpark van minimaal 5,5 ha. te realiseren. In het natuurversterkingsadvies staat omschreven aan welke soorten het plangebied door gerichte herinrichting mogelijk leefgebied kan bieden of hoe bestaande natuurwaarden kunnen worden behouden of ondersteund en met welke maatregelen dit bereikt kan worden. Tevens wordt aangegeven hoe maatregelen en voorzieningen voor soorten uit de omgeving geïmplementeerd kunnen worden, welk beheer hierbij past en welke overige maatregelen in algemene zin aangeraden worden ter bevordering van de biodiversiteit.

Figuur 1-1 Ligging van het plangebied (rood omlijnd).

1.2

Gebruik van het document Het versterkingsadvies beschrijft maatregelen waarmee plaatselijk aanwezige flora en fauna ondersteund of gefaciliteerd kan worden. Ook wordt beschreven hoe leefgebied gecreëerd kan worden voor (nog) niet voorkomende soorten. Op grond van mogelijkheden en wensen kunnen maatregelen en voorzieningen uit het document worden gekozen. Het implementeren van maatregelen uit dit document is geen verplichting. Op grond van keuze kunnen maatregelen en voorzieningen nader worden uitgewerkt in het ontwerp.

1.3

Ligging van het plangebied In Figuur 1-1 is de ligging van het plangebied aangegeven. Het plangebied heeft een grootte van bijna 13 ha en betreft een gebied met oude verlaten kassen, een bedrijfsgebouw, een oude bollenschuur, een houten schuur, braakliggend terrein en landbouwgrond. Het bevindt zich ten zuidwesten van de stedelijke omgeving van Heemstede, net buiten bebouwd gebied. Het plangebied wordt omsloten door woonwijken, landgoedbos en natuur-recreatiegebieden. Direct ten oosten van het plangebied loopt de N208, de Herenweg, een drukke verkeersader en direct ten westen van het plangebied loopt de Leidsevaart. Ten oosten van de Herenweg ligt het Groenendaal, een wandelbos met grote, opgaand bos, zuidelijk ligt de buitenplaats Huis te Manpad met oud bos en karakteristieke stinzenbegroeiing. Direct ten zuiden en ten westen van het plangebied ligt Natura 2000-gebied KennemerlandZuid.

1.4

Ecologisch onderzoek Het gebied van de Manpadslaan is in 2016 beoordeeld in een ecologisch vooronderzoek ( DE BEER, 2016) waarin onderzocht is in hoeverre het terrein geschikt zou kunnen zijn voor beschermde soorten en waarin een uitgebreide beschrijving is gemaakt van aanwezige biotopen. Er werd toen potentie gezien voor Rugstreeppad en diverse vleermuizen, beschermd onder de toenmalig geldende Flora- en faunawet. In 2024 is een dergelijke beoordeling opnieuw gemaakt (GROOTSCHOLTEN, 2024) en werd op grond van de huidige wetgeving (de Omgevingswet) potentie gezien voor opnieuw Rugstreeppad en diverse soorten vleermuizen maar ook voor enkele grondgebonden zoogdiersoorten (kleine marterachtigen) en mogelijk roofvogels met jaarrond beschermde verblijfplaatsen. In 2024 is tevens een potentie inschatting gemaakt door bureau Copijn (GRIM, 2024) over mogelijke ecologische ontwikkeling van het gebied, ontwikkelstrategieën en te gebruiken doelsoorten daarbij. Deze rapportage is gedeeltelijk gebruikt als uitgangspunt voor deze rapportage. In 2025 zullen de mogelijk aanwezige beschermde soorten nader worden onderzocht. Het is mogelijk dat mitigatie en compensatiemaatregelen noodzakelijk zijn voor aan te treffen beschermde waarden en dat onderdelen van dit plan aangepast moeten worden of niet mogelijk/wenselijk zijn omdat beschermde soorten behouden moeten worden.

1.5

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de methode van het onderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 beschrijft de uitgangssituatie voor het natuurversterkingsadvies. In hoofdstuk 4 komen de waarnemingen uit het verleden en de gekozen doelsoorten aan bod. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de doelbiotopen die benodigd zijn om het leefgebied van de doelsoorten te bevorderen. In hoofdstuk 6 worden overige maatregelen besproken. Tot slot worden in hoofdstuk 7 de ontwerpschetsen van het plangebied met de natuurversterkende maatregelen weergegeven.

2

Methode Hieronder wordt aangegeven hoe is onderzocht welke soorten te verwachten zijn in de omgeving van het plangebied.

2.1

Bronnenstudie en verwerking 2.1.1

Bronnenstudie

Op basis van literatuurgegevens en informatie, samengebracht in bijvoorbeeld de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF) is onderzocht in hoeverre (beschermde) soorten in het verleden zijn aangetroffen in en rond het plangebied. Voor het onderzoek van de NDFF zijn de soorten in een straal van circa 400 meter om het plangebied onderzocht. Dit onderzoek betreft een uitbreiding en actualisatie van vergelijkbaar onderzoek dat ook is uitgevoerd voor de beide vooronderzoeken in 2016 en 2024 (zie §1.4). Naast het onderzoek van de NDFF zijn relevante verspreidingsatlassen, de Natuurwaardenkaart Heemstede (DE BEER & SPAARGAREN, 2008), ecologische expert kennis en andere literatuur en websites geraadpleegd om de ecologische vereisten van soorten in samenhang met de verspreiding te bekijken.

2.1.2

Potentiebeoordeling

Het plangebied is op 4 september 2024 en op 1 mei 2025 bezocht om de aanwezige biotopen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan te beschrijven en mogelijke eventuele incidentele waarnemingen te doen van beschermde flora en fauna (voor zover waarneembaar).

2.1.3

Verwerking

Met behulp van analyses en expertkennis is op basis van de verzamelde gegevens, de aangetroffen biotopen en de toekomstige situatie een inschatting gemaakt van het mogelijk voorkomen van (beschermde) soorten in en nabij het plangebied. Op grond van de plannen is een doelsoortenlijst samengesteld en worden maatregelen beschreven om het leefgebied van deze doelsoorten te verbeteren. Voor het opstellen van dit plan is de potentie inschatting gemaakt door bureau Copijn (GRIM, 2024) over mogelijke ecologische ontwikkeling van het gebied, ontwikkelstrategieën en doelsoorten beoordeeld en geïntegreerd waar toepasselijk.

3

Uitgangssituatie In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie in het plangebied omschreven en worden de aanwezige biotopen beschreven. Vervolgens wordt een selectie van in het verleden in de omgeving waargenomen soorten beschreven en worden op grond daarvan potentiële soorten genoemd waarvoor ecologische toepassingen kunnen worden aangebracht in de plannen om de toekomstige natuurwaarden te versterken.

3.1

Huidige situatie In dit hoofdstuk worden de aanwezige biotopen beschreven zoals deze in het veld zijn getypeerd: bebouwing, groenstructuren en wateren en oevers.

3.1.1

Bebouwing

De bebouwing binnen het plangebied betreft een bedrijfsgebouw (bouwjaar 1955), een oude bollenschuur (bouwjaar 1910), de houten schuur (bouwjaar 1988) en twee vervallen kassen (bouwjaar 1976 en 1999).

3.1.2

Groenstructuren

Een groot gedeelte van het plangebied bestaat uit een overwegend voedselrijk en ruig begroeid terrein met stukken verwaarloosd grasland en ruigte, (maïs)akkers, beheerd grasland en jong vochtig bos. Aan de noordkant van het plangebied is een grote (maïs)akker aanwezig. De oostkant van het plangebied bestaat uit twee velden waarvan het zuidelijke veld eveneens een maïsakker betreft en het noordelijke veld een grasveld. Ten noorden van de kassen ligt een deel dat ruig en ruderaal is begroeid en een deel met kort gegraasd gras met enkele bomen. Het ruderale terrein loopt ten noorden van de middelste kas en ten noorden van de oostelijke kas. Op dit terrein zijn tevens veel opgeslagen materialen aanwezig in de vorm van houten kisten, metalen structuren, containers en grondhopen. Ook is een schuur (bouwjaar 1988) met opgeslagen materialen aanwezig in dit deel van het plangebied. Op veel plaatsen groeit braamstruweel. In het westen van het plangebied bevinden zich grasvelden afgewisseld met bomenrijen met jonge bomen, voornamelijk Zwarte els. Het grasland wordt gebruikt als paardenwei. Ten zuiden van de kassen bevindt zich een natuurlijker, niet intensief beheerd vochtig grasland met Riet en soorten als Grote brandnetel, Witte klaver, Koninginnenkruid en Grote weegbree. Langs de rand van het plangebied (oost) zijn bomen aanwezig met vooral Zwarte els en populieren.

3.1.3

Wateren en oevers

Door het plangebied loopt een watergang met vertakkingen welke uitkomt in de Leidsevaart. Het plangebied grenst in het westen ook aan de Leidsevaart. De oevers langs de Leidsevaart zijn hoog bekaad met een betonnen kade. Er zijn plaatselijk soorten aanwezig als Grote egelskop, Riet en Witte waterlelie maar de oeverontwikkeling is beperkt.

De overige oevers langs de watergangen binnen het plangebied zijn onbeschoeid. Langs de oevers en in de watergangen zijn soorten aanwezig als Riet, Harig wilgenroosje, Gele maskerbloem, kroos en in delen van de watergang is submerse vegetatie zichtbaar.

3.1.4

Overig

Binnen het plangebied loopt een grindpad en op enkele plaatsen langs de bebouwing is verharding is aanwezig.

De onderhoudsstaat van de kassen is zeer slecht en allerhande begroeiing is inmiddels aanwezig in de kassen.

Een impressie van het bedrijfsgebouw (boven), de oude bollenschuur (bouwjaar 1910, midden) en de houten schuur (bouwjaar 1988, onder) binnen het plangebied.

Een impressie van de kassen (boven) en bijbehorende schuur (midden) en Maïsakker (onder) binnen het plangebied.

Grasvelden zijn afwisselend intensiever en extensiever beheerd. Bovenste en onderste foto geven voorbeelden van beheerd agrarisch grasland, de middelste foto laat verwaarloosd en verruigd natuurlijk grasland aan.

Verwaarloosd grasland en ruigte binnen het plangebied (boven en midden) en wateren en oevers binnen het plangebied (onder).

3.2

Huidige ecologische betekenis Manpadslaangebied De huidig aanwezige kassen en akkers binnen het plangebied zijn van lage ecologische waarde. Alhoewel de akkers in het voorjaar gebruikt kunnen worden als broedbiotoop voor weidevogels als de Kievit. Er zijn waarnemingen bekend van de Ree binnen het plangebied. De relatief rustige en open ruimte kan gebruikt worden als foerageergebied voor de soort. Het gebruik van akkers voor intensieve vormen van landbouw en het (voormalige) gebruik van de kassen en de daarbij behorende bemesting en eventueel gifstoffen is negatief voor de water- en bodemkwaliteit. Door de verrijking van de bodem krijgen zeldzamere schraalgraslandsoorten geen kans zicht te ontwikkelen, ondanks dat de onderliggende zandige bodem geschikt kan zijn voor soorten welke voedselarme bodems prefereren. Tijdens onderzoeken naar beschermde soorten binnen het gebied (RUITER & VAN DER KNAAP, 2025) blijkt een kraamverblijf van Gewone dwergvleermuis aanwezig te zijn. Verblijfplaatsen van Gewone dwergvleermuis zijn beschermd onder de Omgevingswet. Er dient voor deze verblijfplaats een vergunning te worden aangevraagd waarbij in een op te stellen ‘activiteitenplan’ mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgewerkt.

De ruigtes en begroeiing binnen het plangebied kunnen als leefgebied dienen voor kleine marterachtigen (Bunzing, Hermelijn en Wezel), Vos, Haas, Ree, Konijn en verschillende (spits)muizen. Onderzoek naar kleine marterachtigen dat nog wordt uitgevoerd, moet uitsluiten of deze beschermde soorten daadwerkelijk aanwezig zijn in het plangebied. Struweelvogels zoals bijvoorbeeld Merel, Heggenmus en Winterkoning kunnen de ruigtes, struweelbos en overige aanwezige bomen binnen het plangebied gebruiken als broedbiotoop en leefgebied. In het water en de oevers langs het plangebied kunnen wateren moerasvogels broeden als Wilde eend en Meerkoet. In de rietkragen kunnen soorten als Waterhoen en Rietzanger broeden. Amfibieën zoals bijvoorbeeld Kleine watersalamander en Groene kikker (Bastaardkikker en/of Meerkikker) kunnen de huidige watergangen gebruiken als voortplantingslocatie, alhoewel de oevers verbeterd kunnen worden voor deze soorten. Hetzelfde geldt voor aanwezige vissen in de watergangen.

3.3

Uitgangspunten herinrichting Bij de realisatie van de bebouwing en herinrichting van het omliggende gebied wordt gekeken naar een goede landschappelijke integratie, het creëren van een aantrekkelijke omgeving voor bewoners en het bevorderen van natuurwaarden binnen het gebied. Het totale oppervlak van het plangebied is bijna 13 hectare. Ongeveer 2 hectare hiervan wordt ingericht voor bebouwing. De overige 11 hectare bestaan uit verharde toegangswegen, groenstructuren en wateren en oevers. Van belang bij de realisatie van het plan is om een aaneengesloten natuurpark van minimaal 5,5 ha. te realiseren (GRIM, 2024). In Figuur 3-1 is een schets te zien van het Landschaps- en Stedenbouwkundig Plan (LSP) dat tot stand is gekomen na uitgebreide inspraak van bewoners en andere stakeholders. Hierbij wordt vooral de locatie en opzet van de bebouwing en (nieuw te ontwikkelen) wateren gegeven als uitgangspunt. De aan te leggen wateren zorgen voor een verbetering van de dooradering van water in het plangebied, verbinding van de Leidsevaart met diverse plekken in het plangebied en het voorkómen van doodlopende watergangen.

De aangeleverde schets zal als uitgangspunt dienen, er zijn in de schets met name in het centrale deel van het gebied open ruimtes gelaten, dit heeft te maken met de harde restrictie dat hier belangrijke leidingentracés t.bv. drinkwater zijn ingegraven en dat er een zichtlijn behouden moet blijven vanaf de Herenweg naar Leyduin.

3.3.1

Woongedeelte

3.3.1.1

Bebouwing en verharding

Op de huidige locatie worden woningen met bijbehorende parkeerplaatsen gerealiseerd (zie Figuur 3-1). Aan de zuidwestkant en de noordzijde van het plangebied worden eilanden gemaakt waar een groot deel van de woningen gebouwd zal worden. Deze eilanden zijn bereikbaar via toegangswegen. De wegen worden verhard met de toegangsweg naar het gebied vanaf de Herenweg. Langs de randen van de verharding en wandelpaden wordt mogelijk straatverlichting geplaatst.

3.3.2

Natuurpark

Van belang is dat het natuurpark minimaal 5,5 ha groot is (GRIM, 2024). De omgrenzingen van het natuurpark worden weergegeven in Figuur 3-2. 3.3.2.1

Groenstructuren

Rondom de bebouwing is het plan om bomen en groenstructuren aan te planten. Dit maakt wonen aantrekkelijk en onttrekt de bebouwing deels uit zicht. Aan de oostkant van het plangebied wordt mogelijkerwijs een fruitboomgaard aangeplant. Te midden van het plangebied is het noodzakelijke om een open landschapszichtlijn van oost naar west te behouden omdat dit de enige positie is langs de Herenweg waar uitzicht mogelijk is richting buitenplaats Leyduin en de duinen. Op de locatie van deze open landschapszichtlijn kunnen glooiende hoogteverschillen gerealiseerd worden om zo een gradiënt van verschillende trofie- en de vochtigheidniveaus te ontwikkelen. Ook door verschillend (maai-)beheer, beplanting of accent door hout- of struweelwallen kan natuurversterking worden gerealiseerd mits zichtlijnen behouden blijven. Door aanwezige grote waterleidingen in de bodem van het plangebied kan er lokaal beperkt worden gegraven en is opgaande beplanting in dit deel niet toegestaan. In de plannen zijn enkele onbereikbare eilanden met groenstructuren ingetekend. Het is mogelijk die ten behoeve van natuurlijke ontwikkeling in te richten als dit past in het ontwerp. De soorten beplanting en precieze indeling van de groenstructuren worden nader bepaald.

3.3.2.2

Wateren en oevers

Het plangebied krijgt een waterrijke inrichting. De oevers worden deels onbeschoeid, deels beschoeid en deels natuurvriendelijk ingericht (zie Figuur 3-3). De ligging van de (nieuwe) wateren ligt vast maar concrete oeverinrichting en beplanting daarvan kan worden gebruikt om natuur te versterken. De hoge betonranden aan de westkant langs de Leidsevaart blijven bestaan. Echter worden delen van deze betonranden doorbroken zodat er waterverbindingen ontstaan van de Leidsevaart naar het Manpadslaandgebied.

3.3.3

Verbindingszones

In de rapportage van bureau Copijn (GRIM, 2024), zijn verschillende verbindingszones beschreven. Verbindingszones zijn van belang voor de migratie en toegankelijkheid van verschillende soorten in het plangebied. Er kunnen maatregelen worden genomen voor de bevordering van de waterrijke verbinding langs de leidsevaart, voor de verbinding van het Wandelbos Groenendaal naar het westelijk gelegen gebied Leyduin en het zuidelijk gelegen gebied Huis te Manpad. De woonwijken ten noorden van het plangebied hebben geen expliciete natuurfunctie en vervullen geen belangrijke verbindingszone. Te nemen maatregelen om de verbinding tussen gebieden rondom het manpadslaangebied te bevorderen worden genoemd in §4.2.

Figuur 3-1 voorlopige schets van de te realiseren bebouwing, de wateren en overige inrichting van het Manpadslaangebied.

Figuur 3-2 Aaneengesloten natuurpark van minimaal 5,5 ha.

Figuur 3-3 Voorlopige indeling van de typen oevers binnen het plangebied

4

Doelsoorten

4.1

Waarnemingen uit het verleden In Tabel 4-1 staat een overzicht van alle grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, dagvlinders, libellen, sprinkhanen en krekels vogels en vleermuizen die volgens geraadpleegde databases van de NDFF en literatuur voorkomen in een straal van circa 400 meter om het plangebied.

Tabel 4-1 Selectie van waargenomen soorten grondgebonden zoogdieren, amfibieën, insecten, vogels en vleermuizen met vermoede binding aan omliggend gebied en het plangebied in de laatste 5 jaar rond het plangebied.

Bekende soorten Grondgebonden zoogdieren Amfibieën Reptielen Dagvlinders

Libellen

Sprinkhanen en krekels Overige insecten Vogels

Vleermuizen

Bosmuis, Eekhoorn, Egel, Haas, Huismuis, Konijn, Mol, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Wezel Boomkikker, Bruine kikker, Gewone pad, Groene kikker, Kleine watersalamander Zandhagedis Aardbeivlinder, Argusvlinder, Atalanta, Bont zandoogje, Boomblauwtje, Bruin blauwtje, Bruin zandoogje, Citroenvlinder, Dagpauwoog, Distelvlinder, Duinparelmoervlinder, Eikenpage, Gehakkelde aurelia, Groot dikkopje, Groot koolwitje, Grote vos, Hooibeestje, Icarusblauwtje, Keizersmantel, Klein geaderd witje, Klein koolwitje, Kleine parelmoervlinder, Kleine vos, Kleine vuurvlinder, Koevinkje, Koninginnenpage, landkaartje, Oranje luzernevlinder, Oranje zandoogje, Oranjetipje, Scheefbloemwitje, Zwartsprietdikkopje Azuurwaterjuffer, Blauwe glazenmaker, Bloedrode heidelibel, Bruine winterjuffer, Bruinrode heidelibel, Gewone oeverlibel, Glassnijder, Grote keizerlibel, Houtpanserjuffer, Lantaarntje, Paardenbijter, Platbuik, Steenrode heidelibel, Variabele waterjuffer, Viervlek, Vroege glazenmaker, Vuurjuffer, Vuurlibel, Watersnuffel, Zuidelijke keizerlibel Boomsprinkhaan, Bruine sprinkhaan, Gewoon doorntje, Grote groene sabelsprinkhaan, Kustsprinkhaan, Struiksprinkhaan, Veenmol, Wekkertje, Zanddoorntje, Zeggedoorntje, Zuidelijk spitskopje, Zuidelijke boomsprinkhaan Waarnemingen van meer dan 200 verschillende soorten nachtvlinders en overige insecten Aalscholver, Appelvink, Blauwborst, Blauwe kiekendief,

Blauwe reiger, Boerenzwaluw, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Boompieper, Boomvalk, Bosrietzanger, Bosuil, Braamsluiper, Brandgans, Bruine kiekendief, Buizerd, Ekster, Fitis, Fuut, Gaai, Gierzwaluw, Glanskop, Goudhaan. Grasmus, Graspieper, Grauwe gans, Grauwe vliegenvanger, Groene specht, Groenling, Grote barmsijs, Grote bonte specht, Grote Canadese gans, Grote gele kwikstaart, Grote lijster, Grote zaagbek, Grote zilverreiger, Halsbandparkiet, Havik, Heggenmus, Holenduif, Houtduif, Houtsnip, Huismus, Huiszwaluw, IJsvogel, Kauw, Keep, Kievit, Kleine karekiet, Kleine plevier, Kleine rietgans, Kneu, Knobbelzwaan, Koekoek, Kokmeeuw, Kolgans, Koolmees, Koperwiek, Krakeend, Kramsvogel, Kruisbek, Kuifeend, Kuifmees, Lepelaar, Meerkoet, Merel, Nijlgans, Oeverloper, Ooievaar, Paapje, Pimpelmees, Putter, Raaf, Rietgors, Rietzanger, Roodborst, Roodborsttapuit, Scholekster, Sijs, Soepeend, Soepgans, Sperwer, Spotvogel, Spreeuw, Staartmees, Stadsduif, Stormmeeuw, Tjiftjaf, Toendrarietgans, Torenvalk, Tuinfluiter, Turkse tortel, Veldleeuwerik, Vink, Vuurgoudhaan, Waterhoen, Waterral, Watersnip, Wespendief, Wielewaal, Wilde eend, Winterkoning, Witte kwikstaart, Zanglijster, Zilvermeeuw, Zwarte kraai, Zwarte mees, Zwarte roodstaart, Zwartkop Gewone dwergvleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis

Het bekeken gebied geeft een indicatie van de soorten die voorkomen in en rond het plangebied, maar sluit niet het voorkomen van moeilijker waar te nemen soorten uit. Tevens zijn de genoemde soorten op verschillende manieren verbonden aan het plangebied en de omgeving. Sommige trekken door of langs, sommige gebruiken dit als foerageergebied of incidenteel als gebied met dekking en schuilmogelijkheden en andere verblijven permanent of tijdelijk in het gebied.

4.2

Doelsoorten Aan de hand van de eerdere beoordeling van Copijn (GRIM, 2024), de in de omgeving waargenomen soorten (Tabel 4-1), de huidige situatie met het huidige vocht- en trofieniveau en ecologische expertkennis, is een tabel opgesteld met doelsoorten (zie Tabel 4-2). Door leefgebied te creëren of aan te passen voor deze soorten kunnen omstandigheden bevorderd worden. Verbeteringen kunnen betreffen:  Verbeteringen ten aanzien van verblijfplaats en voortplanting  Verbeterd foerageergebied  Schuilplaatsen met veiligheid en dekking  Verbinding via natuurlijk biotoop Er is gedeeltelijk afgeweken van de doelsoortenlijst van Copijn, omdat niet voor al de soorten die in dat rapport worden genoemd, realistisch gezien verwacht wordt dat ze in de nabije toekomst in het manpadslaangebied kunnen vestigen.

Tabel 4-2 Geselecteerde doelsoorten voor het Manpadslaangebied op grond van huidige situatie, abiotische factoren en waargenomen soorten in de omgeving.

Doelsoorten Manpadslaangebied

Vogels

Huismus, Gierzwaluw, Pimpelmees, Koolmees, IJsvogel, Oeverzwaluw, Huiszwaluw, Rietzanger, Rietgors, Blauwborst, Boomkruiper, Spreeuw, Spotvogel, Ransuil, Sperwer, Kerkuil, Torenvalk

Grondgebonden zoogdieren

Boommarter, Bosmuis, Dwergmuis, Eekhoorn, Egel, Veldmuis, Vos, Wezel, Bunzing, Hermelijn, Dwergmuis

Dagvlinders

Icarusblauwtje, Hooibeestje, Gehakkelde aurelia, Grote vos, Kleine vos, Bruin blauwtje, Kleine vuurvlinder, Bruin zandoogje, Argusvlinder

Bijen en hommels

Andoornbij, Ereprijszandbij, Fluitenkruidbij, Gehoornde metselbij, Rosse metselbij, Slobkousbij, Tronkenbij, Tuinbladsnijder, Tweekleurige zandbij, Vosje, Akkerhommel, Weidehommel, Steenhommel, Tuinhommel

Libellen

Grote keizerlibel, Glassnijder, Vroege glazenmaker, Vuurlibel

Amfibieën

Bruine kikker, Gewone pad, Groene kikker (Bastaard- of Meerkikker), Kleine watersalamander, Rugstreeppad

Vissen

Kleine modderkruiper, Bittervoorn, Vetje, Snoek

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Watervleermuis

Het verspreidingsgebied van verschillende genoemde soorten ligt niet in de nabijheid van het plangebied, de soorten zijn zeer zeldzaam of er zijn geen geschikte verbindingszones met geschikt biotoop waardoor deze soorten mogelijkerwijs het plangebied kunnen bereiken. De geselecteerde soorten uit Tabel 4-2 zijn soorten waarvoor een reëel perspectief aanwezig is voor vestiging of het betreft soorten die reeds (kunnen) voorkomen en waarvoor permanent vestigingsmogelijkheden of leefgebied kunnen blijven bestaan. Het is niet de bedoeling alleen deze soorten te helpen vestigen maar het zijn soorten die een indicatie geven van een gezond ecosysteem en het zijn aansprekende soorten die soms bedreigd of beschermd worden in Nederland of die maar beperkte mogelijkheid hebben om leefgebied te vinden. Naast de benoemde doelsoorten, zal de voorgestelde inrichting ook bijdragen aan de bevordering van leefgebied voor andere soorten en in algemene zin bijdragen aan biodiversiteit en een prettige leefomgeving. Het is namelijk van belang voor de doelsoorten specifieke biotopen en vestigingsmogelijkheden te creëren die door een geheel ecosysteem wordt benut. De geselecteerde soorten zijn daarin de ‘trekkers’ die kwaliteit van de te realiseren leefgebieden indiceren.

Hieronder wordt per soortgroep geschikte biotopen en leefomstandigheden benoemd in algemene zin, In Hoofdstuk 5 worden de benodigdheden van de soorten geïntegreerd in het Manpadslaangebied tot een inrichtingsplan.

4.2.1

Vogels

Vogels worden hier onderverdeeld in holenbroeders, wandbroeders, bos- en struweelvogels en rietvogels. Op basis van deze onderverdeling worden aanbevelingen gedaan. Vogelsoorten Holenbroeders

Huismus, Pimpelmees, Koolmees, Gierzwaluw, Huiszwaluw, Boomkruiper, Spreeuw, Kerkuil, Torenvalk

(Oever)wandbroeders IJsvogels, Oeverzwaluw Bos- en struweelvogels Rietvogels

Merel, Roodborst, Winterkoning, Spotvogel, Heggenmus, Tjiftjaf, Ransuil, Sperwer Rietzanger, Rietgors, Blauwborst, Kleine karekiet, Blauwborst

Verblijfplaatsen en voortplanting Holenbroeders Om deze soorten nestgelegenheid te bieden kunnen nestkasten geplaatst worden of kan bosbeheer zodanig worden ingezet dat dood hout ontstaat en blijft liggen. Voor Pimpelmees wordt aangeraden nestkasten op te hangen met een opening met een diameter van 28 mm. Voor Boomkruiper bestaan speciale nestkasten die opgehangen kunnen worden aan bomen. De Huiszwaluw heeft in het ontwerp van de bouw dakoverstekken en witte lijsten nodig om te vestigen. De soort houdt van waterrijk foerageergebied van grasland en moeras.

Voor Huismus kunnen kasten in de gevels gemetseld worden. Deze nestkasten kunnen ook gebruikt worden door Spreeuw en Koolmees. Voor huismuskasten geldt:  Clusteren maar zorg dat de nestgangopeningen minimaal 50 centimeter uit elkaar liggen.  Bij voorkeur plaatsen onder een gevel of goot. Voor Gierzwaluw kunnen ook kasten in gevels gemetseld worden.

Huiszwaluwen in nieuwbouw onder witte dakoverstek in nieuwbouw.

 Clusteren maar zorg dat maximaal 6 kasten bij elkaar geplaatst worden  Maximaal 3 kasten als ze direct naast elkaar geplaatst worden. Voor huismuskasten, gierzwaluwkasten, pimpelmeeskasten en boomkruiperkasten geldt:  Bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte plaatsen (gerekend vanaf maaiveld of daktuin).  Expositie bij voorkeur op het noorden, het oosten of een ligging in de schaduw.  Nestkast in de buurt van opgaand groen voor voldoende dekking. Voor Kerkuil kan een kerkuilentil geplaatst worden. De soort prefereert rustig foerageergebied in de vorm van open velden. De kerkuilentil moet nabij een dergelijke plek geplaatst worden. Voor Torenvalk bestaan Torenvalkkasten. Net als Kerkuil prefereert Torenvalk rustige foerageergebieden met open muizenrijke velden in de directe omgeving van de nestkast.

Voorbeelden van permanente inbouwkasten voor Huismussen..

Voorbeelden van wanden die in gebruik worden genomen door IJsvogels en Oeverzwaluwen.

Oeverwandbroeders Door de waterrijke inrichting van het plangebied liggen er mogelijkheden voor oeverbroeders. Aan de westkant van het plangebied, langs de Leidsevaart, is een betonnen oeverbeschoeiing aanwezig welke kan dienen als IJsvogel- en Oeverzwaluwwand. Door gaten met diameter tussen 100 mm en 110 mm te boren (hoog) in de betonnen wand, komen nestgelegenheden beschikbaar voor deze soorten. Boven de gaten kan een raster worden aangebracht om predatoren (katten) geen toegang te geven tot de gaten. Naast de ontwikkeling van de betonnen wand kunnen enkele oevers steil afgegraven worden voor IJsvogels. Er kunnen gaten met een doorsnede van 6 cm voorgeboord worden op minimaal 30 cm boven het waterniveau. Bij voorkeur worden de wanden op rustige plaatsen aangelegd of worden er takkenrillen of Rozenstruiken gebruikt om rust te waarborgen. Bos- en Struweelvogels Struweelvogels broeden in bomen en struiken. Door het aanplanten van voldoende (inheems) groen, kan het plangebied geschikt worden voor struweelvogels als Merel, Roodborst, Winterkoning, Heggenmus en Tjiftjaf. Maar ook zomervogels als Zwartkop, Tuinfluiter, Grasmus en Spotvogel kunnen profiteren. Na verloop van tijd, als de bomen van enig formaat zijn, kan het plangebied ook geschikt worden voor soorten als Ransuil en Sperwer.

Ransuilmanden kunnen in de bomen en dicht hoog struweel geplaatst worden om broedgelegenheid te bevorderen. De manden moeten voor het plaatsen bekleed worden met nestmateriaal zoals conifeertakken. Ransuil en Sperwer hebben halfopen gebieden nodig met voldoende muizen (Ransuil) en vogels (Sperwer). Rietvogels Rietvogels broeden in rietkragen. Aangezien er veel oevers zijn en ontwikkeling van oevervegetaties door glooiend profiel gestimuleerd kan worden en Riet spontaan opkomt, zijn er mogelijkheden voor riet- en oevervogels als Rietzanger, Rietgors, Kleine karekiet en

Blauwborst. Het is van essentieel belang voor sommige soorten dat niet alle rietvegetaties volledig worden gemaaid maar dat er overjarig Riet aanwezig blijft. Voedsel Oeverzwaluwen hebben waterrijk gebied nodig met goed ontwikkelde oevers waar insectenconcentraties kunnen ontstaan. IJsvogels jagen op kleine visjes. bijvoorbeeld vanuit oevervegetatie of vanaf overhangende takken boven water. Deze soort is te helpen door verspreid in visrijk water stokken met leggers of palen aan te brengen welke gebruikt kunnen worden als zitpost en jaagplek. Hier kunnen ook soorten als Aalscholver, meeuwen, Blauwe reiger en Visdief profiteren. Voedselaanbod voor struweelvogels zoals zaden, bessen en insecten kan bevorderd worden door het aanleggen van een kruidenrijk grasland en goed ontwikkelde oevervegetaties en het(aansluitend) aanplanten van inheemse bessenstruiken zoals Eenstijlige meidoorn, Rode kornoelje, Kardinaalsmuts of Sleedoorn dat tevens dicht struweel kan vormen als nestplaats en veiligheid. Door het ontwikkelen van een kruidenrijk grasland komen zaden beschikbaar en worden insecten aangetrokken welke als voedsel dienen voor zaden- bessen en/of insectenetende soorten. Voor rietvogels is een goed ontwikkelde oevervegetatie met (overjarig) Riet van groot belang. Tussen de overplanten en Riet zoeken de vogels voedsel (vooral insecten).

Voorbeelden van een ransuilmand (boven), torenvalkkast (links) en kerkuilentil (rechts).

Voedsel vogelsoorten Zaden, bessen en/of insecten* Blauwborst, Huismus, Pimpelmees, Kleine karekiet, Koolmees, Gierzwaluw, Huiszwaluw, Boomkruiper, Spreeuw, Merel, Oeverzwaluw, Rietgors, Rietzanger, Roodborst, Winterkoning, Heggenmus, Tjiftjaf

*in zomerperiode eten de soorten veelal meer insecten als eiwitbron voor opgroeiende jongen, in de winter zijn zaden en bessen belangrijk om de oude dieren in leven te houden met suikers.

IJsvogel

Vissen en waterinsecten

Kerkuil, Torenvalk, Ransuil, Sperwer

Kleine zoogdieren en kleine vogels

Veiligheid Er moeten voldoende schuilmogelijkheden zoals dekking door groenvoorziening, nestkasten of inbouwoplossingen aanwezig zijn in het plangebied of de directe omgeving daarvan. Bij gevaar kunnen vogelsoorten schuilen of kunnen ze deze locaties gebruiken als slaapplek. Door de realisatie van enkele eilanden welke niet toegankelijk zijn voor mensen en huisdieren (katten en honden), wordt veiligheid en rust geboden aan verschillende vogelsoorten. Aangeraden wordt deze eilanden niet toegankelijk te maken. De verbindende brug naar de noordelijk gelegen woonwijken aan de noordwestkant van het plangebied, is vanuit ecologisch oogpunt niet wenselijk. De groenstructuren zoals struweel en bomen in dit ‘rustige’ deel van het plangebied kunnen door de afwezigheid van mensen en huisdieren rust en veiligheid bieden voor vogels als Kerkuil en struweelvogels, maar ook voor overige soortgroepen zoals grondgebonden zoogdieren. Door het aanleggen van kruidenrijk grasland, heggen en hagen met stekels, brede oeverranden, het (deels) laten staan van Riet en het aanplanten van bomen worden schuilmogelijkheden voor de verschillende doelsoorten gerealiseerd. Wat ook bij kan dragen aan schuilmogelijkheden is het realiseren van groene gevels nabij de nestkasten (zie §5.1.2).

Verbinding Populaties in de nabijgelegen natuurgebieden en woonwijken kunnen het plangebied gemakkelijk bereiken door gebruik te maken van de groenstructuren in de directe omgeving van het plangebied. Door rietkragen te realiseren langs de Leidsevaart ontstaat er een verbindingszone voor rietvogels (zie §3.3.3)

4.2.2

Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren

Bossoorten

Boommarter, Eekhoorn

Overige grondgebonden zoogdieren

Bosmuis, Bunzing, Dwergmuis, Egel, Hermelijn, Veldmuis, Vos, Wezel

Verblijfplaats en voortplanting Bossoorten Het plangebied kan in de toekomst geschikt worden voor Boommarter en Eekhoorn. Deze soorten hebben omvangrijke en hoogopgaand bos met voldoende struweeldekking nodig. De directe omgeving van het plangebied (het Groenendaal en Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid) zijn deze soorten reeds aanwezig. Door nu bomen aan te planten voor Boommarter en Eekhoorn, kan het plangebied in de toekomst verblijfplaatsen en voortplantingsplekken bieden. Echter zal het tientallen jaren duren voordat de bomen een geschikte hoogte en diameter hebben. Overige grondgebonden zoogdieren Bunzing, Hermelijn en Wezel (kleine marterachtigen) en Vos prefereren rustige afgelegen gebieden als verblijfplaats en voor de voortplanting. Vossen graven holen voor de voortplanting of om te schuilen. Om verblijfplaatsen te bieden voor kleine marterachtigen kunnen marterhopen worden aangelegd. Van belang is dat rondom deze marterhopen verruigde vegetatie aanwezig is. Voor de overwintering en als nestgelegenheid hebben Egels een droge en beschutte plek nodig. Aangeraden wordt egelhuizen van de Egelbescherming neer te zetten op een beschutte en rustige plek binnen het plangebied. Bosmuizen, Dwergmuizen en Veldmuizen komen voor in verruigde velden of oevers met kruiden.

Bosmuizen en Veldmuizen maken hun nest onder de grond en Dwergmuizen maken een grasnest of een nest in overjarig riet boven de grond.

Wezel (links) en nest van een Dwergmuis (rechts).

Voor het realiseren van verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen voor Dwergmuizen is het van belang dat in delen van het plangebied het gehele jaar hoge grasachtige begroeiing aanwezig is. Gefaseerd maaibeheer is daarom belangrijk. Voedselvoorzieningen Bunzings en Vossen zijn alleseters en eten onder andere kleine knaagdieren, jonge Hazen, Konijnen, vogels, eieren, amfibieën, insecten, bessen en afgevallen fruit. Hermelijnen eten voornamelijk kleine zoogdieren zoals woelmuizen, ratten en konijnen, maar soms ook vogels en vogeleieren. Wezels eten voornamelijk woelmuizen maar kunnen ook overige muizen, ratten, amfibieën, insecten, eieren, jonge vogels, jonge konijnen en jonge Hazen eten. Egels zijn alleseters, maar eten voornamelijk slakken en insecten. Soms, en indien beschikbaar eten ze ook vruchten, paddenstoelen, amfibieën en muizen. Door het ontwikkelen van een kruidenrijk grasland en door het aanleggen van houtstapels, takkenrillen en rommelhoekjes en het aanplanten van inheemse (bessen)struiken zoals Eenstijlige meidoorn, Rode kornoelje, Kardinaalsmuts of Sleedoorn en door het aanplanten van fruitbomen worden kleine knaagdieren en insecten aangetrokken en wordt het plangebied voorzien van bessen en afgevallen fruit.

Veiligheid Het aanleggen van aaneengesloten heggen en hagen, van takkenrillen, marterhopen en rommelige overhoekjes dragen bij aan schuilmogelijkheden voor alle bovengenoemde grondgebonden zoogdieren. Takkenrillen kunnen ook worden gebruikt om leefgebied van grondgebonden zoogdieren af te schermen en minder toegankelijk te maken voor huisdieren zoals honden en katten. Naast takkenrillen kunnen ook Hondsroosstruiken aangeplant worden voor de afscherming van leefgebied. Dit draagt bij aan de veiligheid van grondgebonden zoogdieren. Voor overwinterende muizen is het van belang dat het kruidenrijk grasland niet compleet gemaaid wordt, maar dat een verruigd deel overblijft. Verbinding Door de omliggende wegen en watergangen is het plangebied minder toegankelijk voor grondgebonden zoogdieren. Dit zou sterk verbeterd kunnen worden door het aanleggen van een faunatunnel of oversteek met kabels onder en boven de Herenweg naar Groenendaal. Aan de zuidkant van het plangebied kan de verbinding naar Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid verbeterd worden door het aanleggen van een brug over de watergang ten zuiden van de Manpadslaan. De verbinding kan binnen het plangebied verbeterd worden door het aanplanten van struweel en het aanleggen van takkenrillen.

Daarnaast kan de verbinding voor grondgebonden zoogdieren bevorderd worden door smalle watergangen te overbruggen door middel van het plaatsen van enkele loopplanken. De grondgebonden zoogdieren kunnen zich dan gemakkelijker verplaatsen binnen het plangebied, zonder gebruik te hoeven maken van de wegen.

Voorbeeld van een faunatunnel (links) en loopplank over een sloot (rechts).

HedgyHome 1.0 egelhuis van de Egelbescherming (https://www.egelbescherming.nl/de-egel/egels-in-uw-tuin/).

4.2.3

Dagvlinders

Vlinders Icarusblauwtje, Hooibeestje, Gehakkelde aurelia, Grote vos, Kleine vos, Bruin blauwtje, Kleine vuurvlinder, Bruin zandoogje, Argusvlinder

Vlinders

Verblijfplaats en voortplanting De mogelijkheid voor vlinders om zich voort te planten is afhankelijk van de aanwezigheid van waardplanten. Vlinders zetten hun eitjes af op deze waardplanten die worden gegeten door de rupsen. In onderstaande tabel staan de doelsoorten met bijbehorende waardplanten. Veel van deze waardplanten komen vanzelf op, zie tabel onder met enkele voorbeelden. Met de beschreven maatregelen worden ook tal van nachtvlinders geholpen. Bomen en struiken, zoals populieren, wilgen, iepen, Vuilboom, Klimop en Sleedoorn kunnen worden aangeplant om als waardplant. Deze kunnen tegelijkertijd ook als verblijfplaats dienen voor verschillende vlinders. Ook bieden takkenrillen een geschikte verblijf- en/of overwinteringsplek voor enkele vlindersoorten. De rupsen van de sommige vlinders brengen de winter vlak bij de bodem door in de strooisellaag of op uitgebloeide planten. Van belang is dat niet alle waardplanten van de soort gemaaid worden en dat er delen zijn met struiken en verdorde planten die in de winterperiode met rust gelaten worden zodat de rupsen zich daar in kunnen verschuilen of verpoppen.

Waardplanten vlinders Icarusblauwtje

diverse klavers, rupsklaver, rolklaver

Boomblauwtje

Klimop

Citroenvlinder

Vuilboom

Kleine vuurvlinder

zuring

Hooibeestje

Reukgras, zwenkgras, Buntgras, raaigras, Pijpenstrootje

Gehakkelde aurelia

Grote brandnetel

Grote vos

Sleedoorn, wilg, iep, populier

Kleine vos

Grote brandnetel

Bruin blauwtje

Reigersbek, Ooievaarsbek, Zonneroosje

Kleine vuurvlinder

Zuring, Klimop

Bruin zandoogje

Kropaar, Kweek, struisgras, smele, zwenkgras, raaigras, timoteegras, kortsteel

Argusvlinder

beemdgras, Kropaar, struisgras, Zwenkdravik, Glanshaver, smele, zwenkgras

Voedselvoorzieningen Door het ontwikkelen van een kruidenrijk grasland komt nectar beschikbaar voor vlinders. Bovengenoemde vlindersoorten halen hun voedsel van verschillende soorten planten en bomen. Veiligheid Door de realisatie van kruidenrijk grasland en door heggen aan te planten en takkenrillen aan te leggen in het plangebied worden zonnige plekken gecreëerd die (deels) uit de wind liggen die veiligheid bieden voor vlindersoorten. Verbinding Door een aaneengesloten kruidenrijk grasland en vegetatiestroken met luwte en dekking te realiseren wordt verbinding van vlindersoorten binnen het plangebied bevorderd.

4.2.4

Libellen

Libellen Libellen

Grote keizerlibel, Glassnijder, Vroege glazenmaker, Vuurlibel

Verblijfplaats en voortplanting Libellen leven voor het grootste deel van hun leven als larve onder water. De wateren en oevers binnen het plangebied kunnen geschikt gemaakt en gehouden worden als leefgebied en voortplantingslocatie voor libellen. De Glassnijder komt voor bij stilstaande of zwak stromende wateren. De Vroege glazenmaker komt voor bij schone stilstaande wateren met een goed ontwikkelde verlandingsvegetatie. De Vuurlibel komt voor bij ondiepe stilstaande wateren. De Grote keizerlibel komt voor in stilstaande wateren die voldoende opwarmen. Van belang voor de bovengenoemde soorten is een rijke water- en oevervegetatie met verschillende dieptes. De oevervegetatie kan bestaan uit soorten zoals Riet, zeggen of biezen. De onderwatervegetatie ontstaat vaak vanzelf, het is wel belangrijk te volgen in hoeverre invasieve soorten kreeften invloed hebben op ontwikkeling van de submerse vegetaties. Om de voortplanting van deze soorten te bevorderen kunnen natuurvriendelijke oevers en verlandingszones gerealiseerd worden. Door de afwezigheid van steile oeverwanden krijgen libellen de kans zich te ontwikkelen. Ook kan er een poel aangelegd worden, isolatie van wateren zodat geen vis vestigt, kan belangrijke impuls zijn voor libellen. Dit doelbiotoop met geïsoleerd water waar vis uit geweerd kan worden, wordt beschreven in §5.2.4.

Voedselvoorzieningen Libellenlarven eten verschillende onderwaterprooidieren zoals dierlijk plankton, insectenlarven en wormpjes. Volwassen libellen eten insecten. Door de aanleg van natuurvriendelijke oevers, verlandingszones en poelen wordt de voedselvoorziening bevorderd.

Vuurlibel (linksboven), Vroege glazenmaker (rechts) en Glassnijder (linksonder).

Veiligheid Door het realiseren van natuurvriendelijke oevers en verlandingszones met water- en oevervegetatie wordt de veiligheid van libellen gewaarborgd. Verbinding In het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig en in de plannen worden er enkele watergangen gerealiseerd. Deze watergangen staan met elkaar in verbinding. Libellen kunnen zich gemakkelijk verspreiden via deze watergangen en met de watergangen in de directe omgeving van het plangebied.

4.2.5

Bijen en hommels Bijen en hommels

Bijen

Andoornbij, Ereprijszandbij, Fluitenkruidbij, Gehoornde metselbij, Rosse metselbij, Slobkousbij, Tronkenbij, Tuinbladsnijder, Tweekleurige zandbij, Vosje

Hommels

Akkerhommel, Weidehommel, Steenhommel, Tuinhommel

Verblijfplaats en voortplanting Insectenhotels kunnen worden geplaatst ter bevordering van de Andoornbij, Rosse metselbij, Gehoornde metselbij, Tuinbladsnijder en Tronkenbij. Elke soort heeft verschillende diameter nestgangen nodig om zich voort te planten (zie Tabel 4-3). Bij voorkeur wordt er op één of twee locaties nabij een kruidenrijk grasland een groot insectenhotel geplaatst. Belangrijk bij het plaatsen van insectenhotels is te letten op de onderstaande zaken (VAN BREUGEL, 2017).  Nestblokken van hout, bamboe en Riet zijn de meest effectieve materiaalkeuzes.

 De boorgaten moeten zo glad mogelijk zijn, en het hout moet geen scheuren vertonen.  Maak gebruik van hardhoutsoorten zoal eiken, esdoorn, es en beuk.  De diameters van de gaten variëren van 1,5 mm tot 12 mm met een nadruk op gaten van 2 mm tot 8 mm.  Maak de nestgangen ten minste 8 cm diep.  De gangen moet gesloten zijn aan de achterzijde.  Expositie van de insectenhotels op het zuidoosten of zuidwesten en op een zonnige plek.  Het insectenhotel moet goed vastzitten- of staan. Rosse metselbijen zijn pionierssoorten. Bij het plaatsen van insectenhotels is er een grote kans dat Rosse metselbijen zich snel zullen vestigen. Ereprijszandbij, Fluitenkruidbij, Slobkousbij, Tweekleurige zandbij en Vosje maken hun nesten in de bodem. Voor deze soorten kan een zandhoop aangelegd worden (zie §5.2.5). Hommels maken hun nesten in gras- of rietnesten op de grond, in gebruikte vogelhuisjes, in hommelkasten en soms onder de grond. Van belang is dat er open, ongestoorde plekken zijn waar hommels gebruik van kunnen maken voor hun nest. Voedselvoorzieningen Voedselvoorzieningen voor bijen en hommels kunnen worden aangeboden door het realiseren van een kruidenrijk grasland. Verschillende inheemse zaadmengsels kunnen ingezaaid worden (zie §5.2.2). Sommige bijensoorten hebben specifieke nectarplanten nodig welke dienen als voedsel.

Hommels zijn over het algemeen minder afhankelijk van specifieke nectarplanten. Bij de keuze van zaaimengsels kan hier rekening mee gehouden worden. Tabel 4-3 Nectarplanten en diameter nestlocaties voor bijen.

Nectarplanten bijen Andoornbij

Ereprijszandbij

O.a. lipbloemen, Slangenkruid, Grote kattenstaart Gewone ereprijs, Heggenereprijs, Akkerereprijs

Diameter nestlocatie Knaagt nest in hout

Bodem

Fluitenkruidbij

Schermbloemen

Bodem

Gehoornde metselbij

Veel verschillende plantenfamilies Veel verschillende plantenfamilies

6-10 mm

Slobkousbij

Grote wederik

Bodem

Tronkenbij

Composieten

2-4 mm

Tuinbladsnijder

Verschillende plantenfamilies Composieten, kruisbloemen, klokjesfamilie, rozenfamilie O.a. Kruisbes, Rode bes, Bosbessen

5-6 mm

Rosse metselbij

Tweekleurige zandbij

Vosje

4-8 mm

Bodem

Bodem

Veiligheid Door de realisatie van kruidenrijk grasland en door heggen aan te planten en takkenrillen aan te leggen in het plangebied worden zonnige plekken gecreëerd die (deels) uit de wind liggen die veiligheid bieden voor bijen en hommels. Verbinding Door een aaneengesloten kruidenrijk grasland te realiseren wordt verbinding van vlindersoorten binnen het plangebied bevorderd. Overige insecten In het verleden zijn verschillende soorten dagvlinders, nachtvlinders en overige insecten waargenomen in de directe omgeving van het plangebied (NDFF 2021-2025). De beschreven doelsoorten in Tabel 4-2 vormen naar verwachting slechts een klein deel van wat op dit moment aan soorten insecten aanwezig is binnen en rond het plangebied. Naast dat de aanwezigheid van een verscheidenheid aan insecten bijdraagt aan de biodiversiteit, spelen deze soorten ook een belangrijke rol in de voedselketen voor overige soortgroepen. Door het voedselaanbod te verhogen, trekt dat op zijn beurt vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, vissen en amfibieën aan. Het realiseren van nestlocaties en voedselvoorzieningen (nectar) voor insecten is daarom van belang.

Voorbeelden van insectenhotels met een grote variatie aan formaat nestgangen, het gebruik van zowel hout als bamboe, en de zichtbare bezetting van insecten rechts (gevulde gaten).

4.2.6

Amfibieën Amfibieën

Amfibieën

Bruine kikker, Gewone pad, Groene kikker (Bastaard- of Meerkikker), Kleine watersalamander, Rugstreeppad

Verblijfplaats en voortplanting Bruine kikker, Gewone pad, Groene kikker (Bastaard- of Meerkikker), Kleine watersalamander en Rugstreeppad planten zich voort in ondiepe, snel opwarmende wateren. Bij voorkeur zijn dit ondiepe poelen met natuurvriendelijke oevers zodat de dieren gemakkelijk het land op kunnen. Om de voortplanting van deze soorten te bevorderen kunnen natuurvriendelijke oevers en verlandingszones gerealiseerd worden. Door de afwezigheid van steile oeverwanden krijgen amfibieën de kans zich te ontwikkelen. Ook kan er een poel met geïsoleerd water en glooiende oeverprofielen aangelegd worden. Dit doelbiotoop wordt beschreven in §5.2.4. Voor Rugstreeppad kan in de omgeving van een poel een zand/puinbult worden gelegd om overwintering te faciliteren. Of deze dieren uiteindelijk het plangebied in zullen trekken is nog wel de vraag aangezien de verbinding naar bestaand voortplantingsbiotoop niet optimaal is. Voedselvoorzieningen Gewone pad en Bruine kikker eten voornamelijk slakken, wormen, kevers, insecten en spinnen. Groene kikkers zijn meer watergebonden en eten voornamelijk slakken, kevers, insecten en soms ook kleine gewervelde dieren zoals vissen en salamanders. De Rugstreeppad eet verschillende bewegende prooien zoals mieren en overige insecten. De Kleine watersalamander eet voornamelijk watervlooien, kleine regenwormen en slakken.

Door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers, een kruidenrijk grasland en rommelige overhoekjes wordt voedsel voor amfibieën aangetrokken. Veiligheid Natuurvriendelijke oevers bieden een veilige rustplaats voor amfibieën. Het is van belang dat er oevervegetatie aanwezig is in de natuurvriendelijke oevers. Daarnaast zijn natuurvriendelijke oevers minders geschikt voor de voor amfibieën nadelige invasieve exoot, de Amerikaanse rivierkreeft. Verbinding Door de aanwezigheid en realisatie van verschillende watergangen en door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers kunnen amfibieën zich gemakkelijk verplaatsen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan. Na het afgraven van de oevers kunnen amfibieën gemakkelijk de oevers betreden en toegang krijgen tot de amfibieënpoel (die mogelijk gerealiseerd wordt) binnen het plangebied. Echter is de verbinding voor Rugstreeppadden aanwezig ten oosten van het plangebied niet optimaal door de afscheiding van de Leidsevaart. Rugstreeppadden zullen gebruik moeten maken van de brug aan de zuidwestkant van het plangebied.

4.2.7

Vissen Vissen

Vissen

Kleine modderkruiper, Bittervoorn, Vetje, Snoek

Verblijfplaats en voortplanting De Kleine modderkruiper, Vetje en Snoek zetten hun eieren af tussen oevervegetatie in ondiepe begroeide oevers. Bittervoorn zet de eitjes af in zoetwatermossels. De vissen hebben een voorkeur voor langzaam stromende of stilstaande wateren met oevervegetatie. Het is belangrijk dat submerse vegetatie zich in enige mate ontwikkelt. De onderwatervegetatie ontstaat vaak vanzelf, het is wel belangrijk te volgen in hoeverre invasieve soorten kreeften invloed hebben op ontwikkeling van de submerse vegetaties. Voedselvoorzieningen Snoek: Vis, amfibieën, jonge vogels, kleine zoogdieren, andere vissen eten algen, waterinsecten, plankton etc. Veiligheid Natuurvriendelijke oevers bieden een veilige rustplaats voor vissen. Het is van belang dat er oevervegetatie aanwezig is in de natuurvriendelijke oevers. Verbinding Door de aanwezigheid en realisatie van verschillende watergangen kunnen vissen het plangebied gemakkelijk bereiken en kunnen zich verplaatsen binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan.

4.2.8

Vleermuizen Vleermuizen

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Watervleermuis

Verblijfplaats en voortplanting Vleermuizen kunnen worden onderverdeeld in gebouw bewonend en boombewonend. Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger zijn gebouwbewonend, Watervleermuis is boombewonend en Ruige dwergvleermuis is gebouwbewonend en boombewonend. Om verblijfplaatsen voor dwergvleermuizen en Laatvliegers te creëren is de meeste effectieve manier om de (lucht)spouw open te laten. De spouwgaten die entree verschaffen moeten daarbij rond de 3 centimeter breed zijn om ook Laatvlieger toegang te geven. Elk afzonderlijk spouwdeel moet minimaal met enkele van dergelijke spouwgaten of een ‘entreesteen’ beschikbaar worden gemaakt. Hierdoor kunnen vleermuizen gebruik maken van de spouwmuur, en binnen de spouwmuur het ideale microklimaat opzoeken. Het is aan te raden op de (meestal aanwezige) isolatieplaten op het gemetselde binnenblad zogenaamd ‘gripgaas’ aan te brengen. Vleermuizen kunnen hier aan hangen en het beschermt de isolatie tegen vraat en beschadiging.

Open gelaten luchtspouw met verwerking van gripgaas.

Indien het niet mogelijk is de luchtspouw open te houden, of in combinatie met het openhouden van de luchtspouw, kunnen ook speciale nestkasten worden ingebouwd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen kasten voor zomerverblijven en grotere verblijven (kraam- en winterverblijven). Het wordt afgeraden deze kasten boven ramen te plaatsen in verband met uitwerpselen en de mogelijke belemmerende werking van zonneschermen. De kasten dienen zo hoog mogelijk te worden ingebouwd op minimaal 4 meter hoogte buiten bereik van predatoren en belemmeringen zoals takken met een vrije aanvliegroute van minimaal 3 meter. De kasten kunnen verspreid worden over de bebouwing op verschillende exposities. Naast het creëren van verblijfplaatsen is het belangrijk dat een overmaat aan lichtbronnen wordt voorkomen. Artificieel omgevingslicht moet zo veel mogelijk schijnen op de plek die verlicht moet worden. Voorkom lampen die naar boven schijnen of de hele omgeving verlichten. Amberkleurig licht heeft de minst verstorende werking op vleermuizen. Voedselvoorzieningen Vleermuizen eten insecten. Door het aanplanten van (inheems) groen binnen het plangebied en nabij de geschikt te maken bebouwing worden insecten aangetrokken. Dit kan in de vorm van bomen, struiken, natuurvriendelijke oevers en kruidenrijk grasland.

Veiligheid Door de aanwezigheid van open spouwmuren en/of nestkasten worden er schuilmogelijkheden voor vleermuizen gecreëerd. Verbinding Vliegroutes zijn belangrijke verbindingszones voor vleermuizen van en naar verblijfplaats en foerageergebied. Vleermuizen maken gebruik van brede watergangen en bomenrijen.

5

Doelbiotopen In het vorige hoofdstuk worden allerlei vereisten en wenselijke ontwikkelingen besproken die doelsoorten kunnen helpen. Deze vereisten en wensen moeten worden vertaald naar doelbiotopen als leefgebied en te plaatsen voorzieningen daarbinnen. Deze verschillende biotopen kunnen worden onderverdeeld in het woongedeelte en het natuurpark (zie Figuur 3-2) en worden hieronder beschreven.

5.1

Woongedeelte 5.1.1

Nestlocaties vogels en vleermuizen

De te realiseren bebouwing binnen het plangebied kan door het implementeren van inmetselstenen dienen als geschikt biotoop voor verschillende vogel- en vleermuissoorten genoemd in 4.2.1 en 4.2.8

5.1.2

Groene gevels

Langs verschillende zijden van de woningen kunnen groene gevels worden gerealiseerd. Aangeraden wordt om een klimhulp te installeren. Voorbeelden hiervan zijn klimsystemen van staaldraden, klimrekken, klimzuilen of het opbinden van planten. De keuze hierin is afhankelijk van de plantensoort die bepaald hoe sterk de constructie moet zijn omdat sommige soorten erg zwaar kunnen worden. Op deze manier wordt de bebouwing niet beschadigd en wordt er door de ontstane tussenruimte schuil- en nestmogelijkheden gerealiseerd voor verschillende vogelsoorten. Klimop (Hedera helix) of Wilde kamperfoelie zijn laatbloeiers. Naast het voorzien van nectar laat in het jaar, zorgt Klimop voor een hoog opklimmende altijdgroene plantenstructuur waar door soorten als de Merel en mussen dekking in kunnen vinden. Een expositie op een warmere (zuid) kant verdient voorkeur maar is geen vereiste.

5.1.3

Groene daken

Een optie voor platte daken is het aanleggen van een kruidendak. Een kruidendak bestaat uit een beschermlaag, een drainagelaag, een substraatlaag en vegetatielaag. Deze groene daken kunnen leefgebied voor insecten bevorderen en kunnen hittebuffering en waterbuffering faciliteren. Beheer groene daken Voor groene daken is onderhoud essentieel. Aangeraden wordt om minimaal 2 keer per jaar onderhoud uit te voeren. Een belangrijke factor op het groene dak is de drainagelaag. Deze is verantwoordelijk voor de afvoer van regenwater. Minimaal 1 keer per jaar moet de afvoer van regenwater op het dak gecheckt worden. Tijdens lange droge perioden moet het groene dak van water worden voorzien. Aangeraden wordt om 1 keer per jaar in september het kruidendak te maaien en te bemesten.

Beheersmaatregelen Afvoer water controleren Bewateren Bemesten en maaien

5.2

Wanneer Droge perioden September

Aantal keer per jaar 1-2 1

Natuurpark 5.2.1

Bos met ondergroei

Het is bij de keuze voor aan te planten plant- en boomsoorten van belang dat dit inheemse soorten en regionale rassen zijn omdat deze de meeste inheemse diersoorten aantrekken bijvoorbeeld als waardplant of voedselplant. Er hoeft niet altijd aangeplant te worden! Natuurlijke vestiging van struiken en bomen kan een zelfde of beter resultaat geven. Bij de aanplant van heggen en struiken rondom het plangebied is het essentieel dat gebruik wordt gemaakt van inheemse soorten als Eenstijlige meidoorn, Vuilboom, Gelderse roos of Sleedoorn. Belangrijk is dat het strooisel niet afgevoerd wordt zodat grondgebonden zoogdieren, amfibieën, nachtvlinders en overige insecten zich hier kunnen verschuilen. Voor de aanplant van bomen op het terrein wordt eveneens geadviseerd inheemse soorten aan te planten. Gedacht kan worden aan soorten als Zwarte els, Gladde iep, Zomereik, Ratelpopulier, Zwarte populier, Schietwilg of Zoete kers. Vroeg- en laatbloeiende soorten zorgen voor nectarvoorziening gedurende perioden in het jaar wanneer er weinig voedsel te vinden is. Soorten die vroeg bloeien, zoals Sleedoorn en wilgensoorten, zijn een belangrijke voedselbron voor insecten in het vroege voorjaar. Daarbij is Sleedoorn een struiksoort, die voor schuilplaatsen en bessen kan zorgen voor verschillende vogelsoorten. Aangeraden wordt om enkele (knot)wilgen langs de oevers aan te planten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.heemstede.nl/api/v1/meetings/2765/documents/43966