CConstaterende datHeemstede
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Uitvoeringsregels maatschappelijke ondersteuning Heemstede 2025.pdf

Gemeenteraad 17 december 2025, gemeente HeemstedeBij agendapunt: 1a: Verzoek tot houden van interpellatie door HBB20.102 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit geldt niet als de kosten van de te treffen woonvoorzieningen (nu en voorzienbaar) het bedrag, genoemd in het Besluit, naar verwachting redelijkerwijs niet zullen overschrijden. Er zijn grenzen aan het hanteren van het primaat van verhuizing, met name op het gebied van de woonlasten, het tijdsbestek waarbinnen een oplossing kan, dan wel moet worden gevonden en de verhouding tussen de besparing van het college bij toepassing van het primaat en de negatieve gevolgen voor de aanvrager. In de individuele situatie zullen alle relevante factoren worden gewogen.

22

Termijn Uit het onderzoek blijkt binnen welke aanvaardbare termijn een oplossing voor het woonprobleem moet zijn gevonden. Aan de hand daarvan wordt beoordeeld of verhuizen een adequate oplossing is. Sociale en emotionele omstandigheden Sociale en emotionele omstandigheden waarmee het college rekening houdt zijn onder meer de binding van de aanvrager met de huidige woonomgeving, het sociale netwerk en de nabijheid van voor de aanvrager belangrijke voorzieningen. De sociale omstandigheden moeten zoveel mogelijk worden geobjectiveerd. In geval de aanvrager zijn werk ‘aan huis’ heeft (eigen bedrijf), dienen de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant te worden meegewogen. Woonlasten en financiële draagkracht Het college maakt een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de eventuele nieuwe woning. Alle relevante woonlasten worden daarbij in aanmerking genomen, rekening houdend met de actuele situatie op de woningmarkt. Een toename van de woonlasten is acceptabel als die past bij het (gezins)inkomen. Aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte Het college maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds.

In de overwegingen kunnen de volgende kosten worden meegenomen: • huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de al bewoonde woonruimte; • de kosten van een financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten; • de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; • een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. De mogelijke gebruiksduur van de aanpassing Aangepaste sociale huurwoningen kunnen opnieuw worden verhuurd aan personen met een beperking, waardoor de gebruiksduur van de aanpassing wordt verlengd. Dit speelt in de afweging een rol. Na afweging van deze factoren wordt een beslissing genomen over het al dan niet hanteren van het primaat van de verhuizing. Als het primaat van verhuizing wordt toegekend, maar de aanvrager wil niet verhuizen, kan de aanvrager niet in aanmerking komen voor een woningaanpassing. 4.1.13 Verhuis- en herinrichtingskosten Wanneer er sprake is van een onvoorzienbare verhuizing als het gevolg van beperkingen, kan voor de kosten van verhuis- en herinrichting een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Zie hoofdstuk 6. De hoogte van de tegemoetkoming staat vermeld in het Besluit. 4.1.14 Verhuisverklaring Een verhuisverklaring kan worden afgegeven wanneer vastgesteld is dat cliënt als gevolg van zijn beperkingen belemmeringen ondervindt in het normaal gebruik van de woning.

Gezien de aard van de aandoening is de cliënt in de (nabije) toekomst aangewezen op een gelijkvloerse woning die tenminste moet voldoen aan de volgende voorwaarden: • gelegen op de begane grond of bereikbaar met lift; • douchegelegenheid op afschot. De verklaring geeft de cliënt gelegenheid in te schrijven op Wmo gelabelde woning bij de woningbouwvereniging. Het geeft de cliënt voorrang op een sociale huurwoning. Wanneer een 23

sociale huurwoning is gevonden moet, voor het tekenen van de huurovereenkomst, contact met het college worden opgenomen om te beoordelen of de woning voldoet aan de voorwaarden. De cliënt krijgt de mogelijkheid bij het zoeken naar een voor hen passende woning om in plaats van de maatwerkvoorziening verhuisverklaring te kiezen voor de voordelen van de regeling ‘Ouder worden prettig wonen’. Verhuis- en inrichtingskosten kunnen ook (op aanvraag) worden verstrekt wanneer gebruik wordt gemaakt van de regeling Ouder worden prettig wonen. 4.1.15 Woningsanering in verband met luchtwegaandoeningen Men kan in aanmerking komen voor een voorziening voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (COPD) noodzakelijk is. Sanering is alleen mogelijk als er een duidelijke medische noodzaak is. De noodzaak voor het verstrekken van een vergoeding wordt mede bepaald in relatie tot het leefpatroon, de woninginrichting en de ventilatiemogelijkheden. Hierbij valt te denken aan maatregelen met betrekking tot: • Het schoonhouden van de woning; • Het houden van huisdieren; • Het roken in de woning. Verwacht wordt dat de betrokkene zich in het vervolg bij de aanschaf van nieuwe materialen aan het programma van eisen voor de woninginrichting zal houden. Bij een verhuizing geldt dit ook.

Ook mag worden verwacht dat betrokkenen zelf maatregelen treffen ter voorkoming van aandoeningen aan de luchtwegen. In de regel kan een voorziening worden verstrekt als: • De cliënt voorafgaand aan de aanschaf niet had kunnen weten dat aandoeningen aan de luchtwegen zou ontstaan, dan wel verergeren; • Vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is en de afschrijvingstermijn nog niet is verlopen. Geen voorziening wordt verstrekt als: • Het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; • De cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert. • De aanpassing als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. De woningsanering betreft in de regel het vervangen van tapijt in het slaapvertrek (als dit niet algemeen gebruikelijk beschouwd kan worden). De woonkamer kan ook worden gesaneerd in het geval de aanvrager jonger is dan vier jaar. 4.2 Vervoersvoorzieningen 4.2.1 Inleiding Ondersteuning bij het lokaal verplaatsen kan noodzakelijk zijn om in de eigen woon- en leefomgeving te kunnen participeren. Het collectieve vervoersysteem heeft het primaat mits hierbij voldoende rekening kan worden gehouden met de persoonskenmerken en de behoeften van de gebruiker.

Aanvullend kan zo nodig gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verzorgt. De vervoersvoorziening is in beginsel gericht op het sociaal vervoer, ook wel “vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving” genoemd. Het gaat in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals

24

vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken, vervoer naar clubs en sociaalculturele instellingen (recreatieve verplaatsingen kunnen hier ook deel van uitmaken). 4.2.2 Afwegingskader De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing. Ziekenvervoer kan bijvoorbeeld een voorliggende voorziening zijn. • Om tot een juiste probleemstelling te komen en te beoordelen welke ondersteuning er passend en goedkoopst adequaat is, wordt er informatie verzameld over het verplaatsingsgedrag van de aanvrager. Hieronder wordt verstaan: het verplaatsingsmotief (waarom), de verplaatsingsbestemming (waarheen), de verplaatsingsfrequentie (hoe vaak) en de wijze van verplaatsen (hoe en waarmee). • Komt men voor een vervoersvoorziening in aanmerking, dan onderscheiden we vervoer voor de korte en langere afstand. Het vervoer op de korte afstand is het zogenoemde “loop-“ en “fietsvervoer”. Het vervoer op de langere afstand is het vervoer waarvoor personen zonder beperking het openbaar vervoer zouden kunnen nemen. In ieder geval bij personen met een zeer beperkte loopafstand (tot maximaal 100 meter) kan op beide terreinen een oplossing worden aangeboden.

• Voorzieningen om zich buiten de directe leefomgeving te kunnen verplaatsen of om voorzieningen mee te nemen, zoals aanhangers en oprijplaten voor het meenemen van scootmobielen of een meeneembare scootmobiel, worden niet verstrekt. 4.2.3 Collectief vervoer 1. Bij personen met een loopafstand minder dan 800 meter kan het college beoordelen of het collectief vervoer een passende oplossing is ten aanzien van de probleemstelling. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de mogelijkheid van verplaatsen op de plaats van bestemming en het zelfstandig kunnen reizen. 2. Als er sprake is van een beperking waardoor de persoon gedurende de rit begeleiding nodig heeft, kan er een begeleidingsindicatie worden verstrekt. Denk hierbij aan: gedragsproblematiek, noodzakelijke medische begeleiding. 3. Collectief vervoer is bedoeld voor sociaal recreatieve doeleinden in de regio tot maximaal 25 kilometer vanaf het woonadres of naar een puntbestemming. 4. Het collectief vervoer mag niet worden ingezet voor het vervoer van en naar de dagbesteding of werk. 5. Als collectief vervoer niet of onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid en participatie, kan het college een individuele voorziening verstrekken. 4.2.4 Bovenregionaal vervoer Bovenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo. Voor bovenregionaal vervoer kan men in aanmerking komen voor de Valys.

4.2.5 Uitbreiding aantal kilometers collectief vervoer Bij de te verstrekken collectieve vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis (als bedoeld in artikel 7, zesde lid, van de verordening). Van deze bandbreedte kan worden afgeweken als het noodzakelijk is om de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van betrokkene op een aanvaardbaar niveau te brengen en er geen andere oplossingen beschikbaar zijn. Denk hierbij aan: - Wanneer partner of kind in een Wlz-instelling is opgenomen. - Wanneer de cliënt niet behoort tot een doelgroep die gebruik kan maken van reguliere activiteiten, waardoor zij zijn aangewezen op specifiek voor die doelgroep georganiseerde 25

activiteiten. Twee activiteiten per week en één familiebezoek in het kader van sociale activiteiten/sport worden binnen de Wmo als passend beschouwd. De bovenmatige kilometers worden aanvullend toegekend. 4.2.6 Rijvaardigheid en gewenningslessen Een maatwerkvoorziening kan alleen worden verstrekt als deze op een veilige manier kan worden gebruikt. Zo kan het noodzakelijk zijn dat de aanvrager, na het afleggen van een rijvaardigheidstest, eerst rijlessen/verkeerslessen volgt om vast te stellen dat een voorziening veilig kan worden gebruikt. Wanneer op een later moment alsnog twijfel ontstaat, kan van betrokkene worden gevraagd om (nogmaals) een rijvaardigheidstest af te leggen. Als de betrokkene weigert mee te werken aan een rijvaardigheidstest kan dit reden zijn om de voorziening niet te verstrekken. Ook wanneer deze test uitwijst dat de voorziening niet langer veilig kan worden gebruikt, wordt de voorziening ingenomen. 4.2.7 Stalling Een maatwerkvoorziening welke in bruikleen wordt verstrekt moet gestald worden volgens de afspraken met de leverancier. Een adequate stalling is in ieder geval: overdekt en droog. Dit om beschutting te bieden tegen weersinvloeden. Om diefstal of vernieling te voorkomen kan een afgesloten stalling nodig zijn.

Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd, mits deze voldoet aan de eisen van brandveiligheid. Sinds 1 januari 2024 stelt het Besluit bouwwerken leefomgeving dat er geen brandgevaarlijke objecten aanwezig mogen zijn in de vluchtwegen en verkeersroutes van gebouwen. Sinds 1 juli 2024 is het ook expliciet verboden om (onder meer) fietsen en scootmobielen in gangen, galerijen en trappenhuizen te plaatsen. Als het noodzakelijk is, kan een woonvoorziening worden verstrekt om stalling en opladen mogelijk te maken. Als redelijkerwijs een oplossing is in de bestaande ruimte van de woning (inclusief de tuin), kan aan die oplossing voorrang worden gegeven. Het college kan zo nodig een afdekzeil of een afdakje verstrekken. Van huisgenoten wordt redelijkerwijs verwacht dat zij in bepaalde gevallen kunnen ondersteunen, bijvoorbeeld bij het buiten- en binnenzetten van een scootmobiel of het verwijderen een aanbrengen van de beschermhoes. 4.2.8 Aanpassingen aan de eigen auto Een aanpassing aan een eigen auto wordt alleen verstrekt als een auto maximaal 6 jaar oud is. Reden hiervoor is dat de autoaanpassing minimaal 6 jaar mee moet kunnen gaan en een levensduur van 12 jaar voor een auto als reëel wordt gezien.

Een uitzondering op deze regel kan worden gemaakt voor voorzieningen die eenvoudig en zonder (aanzienlijke) meerkosten kunnen worden overgezet in een nieuw aan te schaffen auto (denk aan een aangepaste stoel of een kofferbaklift). Als betrokkene binnen de termijn van 6 jaar na verstrekking van de voorziening besluit een nieuwe auto aan te schaffen dan wordt het tot de eigen verantwoordelijkheid gerekend om de noodzakelijke autoaanpassing zelf te realiseren. Als betrokkene na de termijn van zes jaar na verstrekking van de voorziening besluit een nieuwe auto aan te schaffen, maar de auto nog geen twaalf jaar oud is, wordt het tot de eigen verantwoordelijkheid gerekend om de noodzakelijke autoaanpassing zelf te regelen. 4.2.9 Vervoersvoorziening voor bewoners Wlz-instelling. Als een bewoner van een Wlz-instelling wil deelnemen aan activiteiten die niet door de instelling zijn georganiseerd en buiten de instelling plaats vinden (behalve dagbesteding of werk), kan hij een beroep doen op de Wmo voor het noodzakelijke vervoer. 4.2.10 Financiële tegemoetkoming vervoer Voor de meerkosten van vervoer kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 6.

26

4.3 Rolstoelen 4.3.1 Inleiding Voor het incidenteel of dagelijks verplaatsen in en om de woning kan een handbewogen of elektrische rolstoel worden verstrekt. 4.3.2 Afwegingskader • De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing. • Een rolstoel wordt vertrekt wanneer aantoonbare beperkingen het gebruik van een rolstoel noodzakelijk maken voor verplaatsingen in en om de woning. • Bij de verstrekking van een rolstoel op grond van de Wmo 2015 houdt het college rekening met de mogelijkheid dat een mantelzorger de rolstoel kan duwen. Als er sprake is van één of meerdere mantelzorgers, beoordeelt het college per situatie of het redelijk is om deze taak van hen te verwachten. Hierbij wordt onder andere gekeken naar hun fysieke belastbaarheid, eventuele beperkingen, de verdeling van zorgtaken en het risico op overbelasting. Alleen wanneer geen van de aanwezige mantelzorgers aantoonbaar in staat is om deze ondersteuning te bieden, kan dit meewegen in de beoordeling van de noodzakelijke voorziening. 4.3.3 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen door Wlz gerechtigden Wlz gerechtigden woonachtig in een instelling kunnen geen aanspraak maken op een rolstoel vanuit de Wmo.

Voor bewoners van een Wlz-instelling met een voor 1 januari 2020 verstrekt mobiliteitshulpmiddel door het college, is een overgangsregeling van toepassing tot het hulpmiddel vervangen moet worden. 4.3.4 Meerkosten sportvoorziening Voor de meerkosten van een sportvoorziening kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Zie hiervoor hoofdstuk 6.

27

4.4 Huishoudelijke ondersteuning 4.4.1 Inleiding Als sprake is van een (dreigend) disfunctioneren van het huishouden kan huishoudelijke ondersteuning (HO) worden ingezet. Cliënten met een (tijdelijke) beperking die daardoor bepaalde huishoudelijke werkzaamheden niet kunnen uitvoeren en/of niet in staat zijn zelf regie te voeren over het huishouden kunnen in aanmerking komen voor huishoudelijke ondersteuning. 4.4.2 Afwegingskader • De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing. • Huishoudelijke ondersteuning is bedoeld voor mensen die zelfstandig wonen met uitzondering van Wlz-gerechtigden. • Huishoudelijke ondersteuning is gericht op het schoonhouden van de woning en wordt slechts geboden als dit betrekking heeft op de ruimten die gericht zijn op het normale gebruik van de woning. 4.4.3 Gebruikelijke hulp Een persoon komt niet in aanmerking voor huishoudelijke ondersteuning als één of meer huisgenoten in staat worden geacht het huishoudelijk werk te verrichten (zie ook 3.5). Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van echtgenoten, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Deze hulp is uitsluitend aan de orde wanneer sprake is van een leefeenheid waarin men gezamenlijk in één woning woont.

Bij het onderzoek naar de noodzaak van ondersteuning, zoals bedoeld in artikel 2.3, wordt beoordeeld: • of de gevraagde hulp onder gebruikelijke hulp valt; en • of deze hulp feitelijk geleverd kan worden. Bij een leefeenheid waarin kinderen aanwezig zijn, wordt verwacht dat zij – afhankelijk van leeftijd, ontwikkeling en belastbaarheid – een bijdrage leveren aan het huishouden. Daarbij gelden de volgende richtlijnen: Kinderen tot 5 jaar: van hen wordt geen bijdrage aan huishoudelijke taken verwacht. Kinderen van 5 tot en met 18 jaar: kunnen, afhankelijk van hun individuele mogelijkheden, worden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden. Voorbeelden hiervan zijn: • opruimen van eigen spullen; • de tafel dekken en afruimen; • afwassen of afdrogen; • de eigen kamer opruimen en stofzuigen; • kleding in de wasmand doen. Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de ontwikkelingsfase, het psychosociaal functioneren, en het welbevinden van het kind. De schoolprestaties maken hiervan expliciet deel uit. Huisgenoten van 18 jaar en ouder Alle huisgenoten van 18 jaar of ouder worden geacht naar draagkracht bij te dragen aan het uitvoeren van huishoudelijke taken, ongeacht of zij een voltijdstudie volgen of voltijds werken. Deze bijdrage wordt als verplichtend beschouwd binnen de leefeenheid. 28

Er wordt geen rekening mee gehouden of iemand de huishoudelijke werkzaamheden niet wil doen of al dan niet gewend is te doen. Er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, de wijze van inkomensverwerving, drukke werkzaamheden/lange werkweken of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Als personen uit de leefeenheid nog nooit huishoudelijke werkzaamheden hebben gedaan, en dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. Het gaat dan om advies, instructie, voorlichting (AIV) gericht op het huishouden. De taak wordt niet overgenomen maar via instructies gestuurd. In bepaalde individuele gevallen kan er aanleiding zijn om van AIV af te zien en regulier huishoudelijke ondersteuning toe te kennen, bijvoorbeeld bij mensen met een (zeer) hoge leeftijd waarbij redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat zij zich de huishoudelijke taken nog eigen kunnen maken. Uitzonderingen voor gebruikelijke hulp • Medisch geobjectiveerde aandoening Als uit objectief medisch onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft waardoor de huishoudelijke werkzaamheden redelijkerwijs niet kunnen worden overgenomen.

• (Dreigende) overbelasting In geval van (dreigende) overbelasting van degene die de gebruikelijke zorg levert, zal huishoudelijke ondersteuning in beginsel van korte duur zijn, te denken valt aan 3-6 maanden. In deze periode wordt de leefeenheid de gelegenheid gegeven een oplossing te realiseren voor de ontstane situatie. • Fysieke afwezigheid in verband met werk Over het algemeen zal alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. De afwezigheid dient te voldoen aan de volgende kenmerken: • het is inherent aan het werk, en • heeft een verplichtend karakter, en • is structureel van aard. 4.4.4 Producten huishoudelijke ondersteuning tot 1 januari 2026 en vanaf 1 januari 2026 Bij het indiceren van huishoudelijke ondersteuning wordt tot 1 januari 2026 gebruik gemaakt van het Normenkader huishoudelijke ondersteuning 2019 4 en vanaf 1 januari 2026 wordt gebruik gemaakt van het Normenkader huishoudelijke ondersteuning 20255. Het normenkader bevat de volgende resultaatgebieden: • schoon en leefbaar huis; • wasverzorging; • boodschappen; • regie/organisatie, AIV; • maaltijden; • kindzorg.

4 Bureau HHM Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2019, zie: chrome-

extension://efaidnbmnnnibpcajpcglclefindmkaj/https://www.hhm.nl/wp-content/uploads/NormenkaderHuishoudelijke-Ondersteuning-2019-met-aanvulling-2022-bureau-HHM.pdf 5 Bureau HHM Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2025, zie: https://www.hhm.nl/werk/handreikingnormenkader-huishoudelijke-ondersteuning/ 29

Om de omvang van huishoudelijke ondersteuning vast te stellen moet bepaald worden welke activiteiten de cliënt zelf niet kan uitvoeren. Er is gekozen voor normtijden om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. Vanwege de nieuwe inkoop voor huishoudelijke ondersteuning gelden er twee verschillende productomschrijvingen, zie bijlage A. • toelichting Normenkader HHM; • productomschrijving huishoudelijke ondersteuning tot 1 januari 2026; • productomschrijving huishoudelijke ondersteuning vanaf 1 januari 2026. 4.4.5 Nadere toelichting resultaatgebieden Ruimtes waar huishoudelijke ondersteuning betrekking op heeft: De huishoudelijke hulp maakt schoon in de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, toilet en hal (met trap). Ruimten zoals berging, logeerkamer, zolder en de buitenruimten worden niet schoongemaakt door de huishoudelijke hulp. Terminologie extra kamer ‘in gebruik’ heeft betrekking op wel of geen slaapkamer: De terminologie waar deze omschrijving op rust is: een extra kamer ‘in gebruik als slaapkamer’ of een extra kamer ‘niet in gebruik als slaapkamer’. Als het geen slaapkamer is die frequent wordt gebruikt door personen binnen de gezamenlijke huishouding, of het is bijvoorbeeld een hobbykamer, dan is het dus voor ‘iets anders’ en dan maakt het in principe niet uit waarvoor dat is.

Boodschappen en/of maaltijden De cliënt moet kunnen beschikken over maaltijden en/of de boodschappen om de maaltijden te kunnen bereiden. Wanneer het iemand door zijn of haar (tijdelijke) beperkingen niet lukt de maaltijd te verzorgen kan, als voorliggende voorzieningen (zoals boodschappen- en maaltijdenservice/kanten-klaar maaltijden) ontoereikend zijn, ondersteuning worden ingezet. Het toedienen van de maaltijd valt buiten de kaders van de Wmo. Als er om medische/geneeskundige redenen hulp nodig is bij de maaltijden, ligt de indicatie (en financiering) hiervoor bij de Zvw. Dit kan ook gelden voor de hierboven genoemde vormen van maaltijdondersteuning (bereiden, klaarzetten, aansporen en toezien). De ondersteuning met betrekking tot boodschappen en/of maaltijden kan worden ingezet bij de producten HO2 en HO3. Dit is afhankelijk van de situatie en daarmee maatwerk. Het verzorgen van kinderen Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor kinderen die tot het gezin behoren als beide ouders niet in staat zijn deze te leveren. Bij uitval van één van de ouders dient de andere ouder de zorg voor de kinderen over te nemen. Van ouders wordt verwacht dat zij zoeken naar eigen oplossingen: zorgverlof, mantelzorg, inzet sociaal netwerk en andere voorliggende voorzieningen zoals Buurtgezinnen en kinderopvang (t/m 5 dagen per week).

Als deze eigen oplossingen (nog) niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput zijn, is hulp voor een korte periode mogelijk zodat de ouder(s) de gelegenheid krijgt een eigen oplossing te realiseren. De tijdelijke opvang en/of verzorging van kinderen valt onder organisatie van het huishouden. Het kan zijn dat een ouder ten gevolge van beperkingen tijdelijk niet in staat is de verzorging en/of opvang van gezonde kinderen uit te voeren. Het kan dan gaan om persoonlijke verzorging, begeleiding en opvoedingsactiviteiten. Conform de richtlijn indicatiestelling van de MOzaak worden voor tijdelijke opvang en/of verzorging van kinderen de volgende normtijden gehanteerd; 30

• • • • • •

naar bed brengen/uit bed halen 10 minuten per keer per kind; wassen en kleden 10 minuten per dag per kind; eten en/of drinken geven 20 minuten per broodmaaltijd en 25 minuten per warme maaltijd; babyvoeding: flesje/borstvoeding 20 minuten per keer per kind; luier verschonen 10 minuten per keer per kind; naar school/crèche brengen/halen 15 minuten per keer per gezin.

Als meer opvang noodzakelijk is kan meer tijd worden geïndiceerd tot maximaal 40 uur per week aanvullend op de eigen mogelijkheden, zoals zorgverlof, crèche, kinderopvang, buitenschoolse/tussenschoolse opvang, gastouder, etc. De maximale duur voor opvang is 3 maanden. 4.4.6 Bijzondere woonsituaties • Kamerverhuur Als een kamer wordt verhuurd aan een derde wordt de huurder niet tot de leefeenheid gerekend. De huurder wordt in staat geacht de gehuurde ruimte(n) zelf schoon te houden en een evenredige bijdrage te leveren aan gezamenlijke ruimten. • Geclusterd wonen Een cliënt woont zelfstandig, met meerdere mensen in één huis zonder hiermee een leefeenheid te vormen. In dergelijke situaties heeft men in ieder geval een eigen woon/slaapkamer en de overige ruimten worden in meer of mindere mate gemeenschappelijk gebruikt. De cliënt is verantwoordelijk voor een evenredig deel van de gemeenschappelijke ruimten. • Leef- en woongemeenschappen Een cliënt woont zelfstandig met meerdere mensen in één gebouw én vormt met hen een leefeenheid, bijvoorbeeld een kloostergemeenschap. In die situaties kan een cliënt hulp krijgen voor het schoonmaken van de eigen kamer. Gezamenlijke ruimtes behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. 4.4.7 Persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning Voorwaarden voor een PGB zijn opgenomen in hoofdstuk 5.

Bij het bepalen van de omvang van de huishoudelijke ondersteuning in de vorm van een pgb wordt uitgegaan van de pgb tarieven zoals bepaald in het Besluit. 4.4.8 Toekenningstermijn Huishoudelijke ondersteuning kan worden toegekend voor een maximale periode van 5 jaar wanneer de beperkingen langdurig van aard zijn en de ondersteuning blijvend noodzakelijk is. 4.4.9 Voorzetten huishoudelijke ondersteuning na overlijden klant op naam partner Als een klant overlijdt, kan de huishoudelijke ondersteuning voor maximaal 6 weken overgezet worden op de partner. Dit kan alleen als er sprake is van een gezamenlijk gevoerd huishouden. De uitkeringsadministratie (UA) controleert dit. Als dit het geval is ontvangt de partner een beëindigingsbrief waarin is opgenomen dat de voorziening Huishoudelijke Ondersteuning voor 6 weken op diens naam wordt gezet, aansluitend op de overlijdensdatum. Voor deze periode is de partner geen eigen bijdrage in het kader van de Wmo verschuldigd. De partner moet zelf contact met het Loket opnemen wanneer er sprake is van langdurige noodzaak voor huishoudelijke ondersteuning. Dit wordt beoordeeld als nieuwe melding Wmo.

31

4.4.10 Eénmalige grote schoonmaak bij ernstig vervuilde huishoudens Vanuit de Wmo kan een éénmalige grote schoonmaak worden ingezet. Voor de uitvoering wordt door het Loket een offerte opgevraagd. Na de grote schoonmaak wordt over het algemeen voor minimaal 6 maanden huishoudelijke ondersteuning toegekend (over het algemeen huishoudelijke ondersteuning met begeleiding of pakket met volledige overname). Hierbij is maatwerk mogelijk.

32

4.5 Begeleiding 4.5.1 Inleiding Bij begeleiding onderscheiden we individuele begeleiding en dagbesteding. Of individuele begeleiding of dagbesteding wordt ingezet, wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Dagbesteding is voorliggend op individuele begeleiding als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de begeleiding is gericht op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is dagbesteding de aangewezen vorm van begeleiding. De ondersteuning is gericht op cliënten met: • een beperking als gevolg van het ouder worden; • een psychosociale of psychiatrische problematiek; • een verstandelijke beperking; • een lichamelijke of zintuiglijke beperking of chronische ziekte; • verslavingsproblematiek. 4.5.2 Afwegingskader • De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing. • De beperkingen zijn een gevolg van een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem. • Om voor begeleiding in aanmerking te komen dient sprake te zijn van matig tot ernstige beperkingen op het terrein van de sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie of het gedrag.

Een cliënt waarbij enkel sprake is van een taalbarrière komt niet in aanmerking voor begeleiding vanuit de Wmo. 4.5.3 De omvang en de intensiteit van de begeleiding De omvang en de intensiteit van de begeleiding is afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt. Op basis van de te verrichten taken wordt in redelijkheid de maximale omvang, frequentie en intensiteit van de in te zetten individuele begeleiding (aantal uren per week) of dagbesteding (aantal dagdelen per week) bepaald. Bij individuele begeleiding worden er (persoonsgerichte) doelen opgesteld. Deze doelen worden beschreven in het gespreksverslag. Bij een herindicatie wordt het ondersteuningsplan van de zorgaanbieder opgevraagd en de opgestelde doelen geëvalueerd. 4.5.4 Bij verordening aangewezen algemene voorziening begeleiding Bij individuele begeleiding en dagbesteding wordt in eerste instantie gekeken of een bij verordening aangewezen algemene voorziening passend is (indien van toepassing). Bij een bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt geen beschikking/besluit afgegeven, maar een machtiging. Bij de machtiging wordt gekeken naar het aantal uur of dagdelen per week, de aanbieder en de duur van de toekenning. Als de bij verordening aangewezen algemene voorziening niet passend is kan individuele begeleiding of dagbesteding toegekend worden als maatwerkvoorziening.

4.5.5 Maatwerkvoorziening begeleiding 4.5.5.1 Maatwerkvoorziening individuele begeleiding Bij toekenning wordt gekeken naar het aantal uur of dagdelen per week, de aanbieder, de duur van de toekenning en de intensiteit.

33

De cliënt of het huishouden/gezin wordt zodanig motiverend, adviserend en instruerend ondersteund dat de Cliënt of het huishouden/gezin in staat is zo zelfredzaam mogelijk de algemene dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren, een gestructureerd huishouden te voeren, sociale relaties aan te gaan en te onderhouden en/of maatschappelijk te participeren. Om dit te realiseren wordt Individuele begeleiding geboden bij: • het structureren en uitvoeren van dagelijkse, praktische vaardigheden op alle relevante levensgebieden (persoonlijk functioneren, lichamelijke gezondheid, psychische gezondheid, opvoeden en opgroeien, zingeving, financiën en administratie, wonen); • het aangaan en onderhouden van sociale contacten, aansluitend op wat passend is bij de cliënt; • het invulling geven aan participatie in de samenleving. Individuele begeleiding kan ook in groepsverband gegeven worden. We onderscheiden drie intensiteiten van ondersteuning, gericht op cliënten met verschillende kenmerken en ondersteuningsbehoefte: • Licht; • Middelzwaar; en • Zwaar. LICHTE ONDERSTEUNING Individuele begeleiding vanuit trede licht is gericht op het stimuleren en behouden van de huidige situatie van zelfredzaamheid en participatie en op het voorkomen van achteruitgang.

Met de inzet van deze begeleiding wordt: • het uitvoeren van praktische vaardigheden en handelingen gestimuleerd, geoefend, ondersteund en/of overgenomen; • het aanbrengen van (dag)structuur en het voeren van regie gestimuleerd, geoefend, ondersteund en/of overgenomen. De beperking/problematiek van cliënt is niet dermate complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de Cliënt. Ook is er geen sprake van intensief toezicht op het functioneren van de cliënt, bijvoorbeeld om gedrag te kunnen bijsturen of om complicatie bij een ziekte te voorkomen. MIDDELZWARE ONDERSTEUNING Als bij lichte ondersteuning, met als onderscheid dat bij middelzware individuele begeleiding sprake is van: • meer complexe ziektebeelden: er zijn zodanige stoornissen en beperkingen aanwezig dat kennis van het ziektebeeld en deskundigheid in de omgang hiermee noodzakelijk is; of • meer complexe activiteiten: er is bijvoorbeeld toezicht en sturing nodig op het psychisch of lichamelijk functioneren van de Cliënt of Cliënt is leerbaar en er kan geoefend worden met het aanbrengen van structuur en/of uitvoeren van handeling/vaardigheden; of • meer ontwikkelmogelijkheden richting door- en uitstroom naar reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie en zelfstandigheid met minder of zonder ondersteuning.

Er is meer focus op trainen en coachen, waardoor gericht aan uitstroom kan worden gewerkt. Van de ondersteuner wordt methodisch handelen verwacht; hij/zij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat of resultaten, volgens het ondersteuningsplan. Het te behalen resultaat kan zijn: (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid. 34

ZWARE ONDERSTEUNING Net als bij lichte en middelzware ondersteuning wordt geoefend, ondersteund en overgenomen, maar zware ondersteuning wordt ingezet in de meest complexe situaties. Te denken valt hierbij aan ernstige gedragsstoornissen, risicovolle instabiele ziektebeelden en multi-probleemsituaties. Er is veelal sprake van langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijks leven. Over het algemeen is er methodische (traject)begeleiding gericht op verbetering/ontwikkeling nodig. Doel is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving. 4.5.5.2 Maatwerkvoorziening dagbesteding (inclusief vervoer) De Cliënt wordt in groepsverband zodanig motiverend, adviserend en instruerend ondersteund dat de zelfredzaamheid, participatie en regie, voor zover aanwezig en zo mogelijk, behouden blijft dan wel bevorderd wordt. Om dit te realiseren wordt dagbesteding ingezet, die waar nodig/mogelijk bijdraagt aan: • structuur en veiligheid; • duurzaam sociaal contact/ontmoeting; • het ontwikkelen en het behouden van (nieuwe) vaardigheden en interesses; • de toeleiding naar vrijwillige en arbeidsmatige werkzaamheden; • ontlasting van mantelzorger(s). De aard van de in te zetten dagbesteding is afhankelijk van de ondersteuningsvraag van de Cliënt en kan zijn: (re)creatieve dagbesteding, arbeidsmatige dagbesteding of dagopvang.

We onderscheiden drie intensiteiten van dagbesteding, gericht op Cliënten met verschillende kenmerken en ondersteuningsbehoefte: • licht; • middelzwaar; en • zwaar Voor alle treden geldt dat het uitgangspunt is dat mensen zelf of met behulp van hun netwerk dan wel andere informele oplossingen naar de betreffende zorglocatie komen. Wanneer eigen oplossingen niet mogelijk zijn en er sprake is van een door de toegang vastgestelde (medische) noodzaak, dient in vervoer voorzien te worden. DAGBESTEDING LICHT Dagbesteding licht betreft het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, danwel het uitvoeren van regie en/of het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen, danwel arbeidsmatige werkzaamheden. Er worden eventueel (tijdelijk) taken overgenomen die de Cliënten zelf niet meer kunnen en die ook niet (meer) kunnen worden aangeleerd. De Cliënt heeft beperkingen (fysiek en/of mentaal), maar er is geen intensief toezicht nodig op het functioneren van de Cliënt, bijvoorbeeld om gedrag te kunnen bijsturen of bijvoorbeeld complicaties bij een ziekte te voorkomen. Het ziektebeeld van de Cliënt is ook niet dermate complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de Cliënt. DAGBESTEDING MIDDELZWAAR Als bij lichte dagbesteding.

Bij dagbesteding middelzwaar wordt, als de Cliënt leerbaar is, gericht op behoud of versterking van de zelfredzaamheid geoefend met het aanbrengen van structuur en/of uitvoeren van handelingen/vaardigheden. Ook kan gericht op door- en uitstroom naar reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie worden getraind/gecoacht ten

35

behoeve van bijvoorbeeld verhoging belastbaarheid (qua werk), waardoor aan uitstroom (naar bijvoorbeeld een re-integratietraject) kan worden gewerkt. Vanwege de beperkingen (fysiek en/of mentaal) is de Cliënt (nog) niet in staat om deel te nemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag (werk/school of vrijetijdsbesteding), of aan de lichte vorm van dagbesteding. Het gedrag van de Cliënt is voorspelbaar en risico’s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten. Er is in beperkte mate toezicht nodig op het functioneren van de Cliënt. Van de begeleider wordt methodisch handelen verwacht: hij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat volgens een ondersteuningsplan. DAGBESTEDING ZWAAR Als bij middelzware dagbesteding waarbij de dagbesteding zwaar is bedoeld voor de meest complexe situaties waarin sprake is van complexe problematiek/ziektebeelden. Te denken valt hierbij aan ernstige gedragsstoornissen, instabiele ziektebeelden en multi-probleemsituaties. De zorgvraag op basis van ziektebeeld en/of beperkingen is leidend voor de begeleiding. Doel is het voorkomen of vertragen van verergering van problematiek. Deze vorm van dagbesteding biedt met name ondersteuning met dagprogramma voor dagstructurering en (intensieve) begeleiding en toezicht.

Van de begeleider wordt methodisch handelen verwacht: hij kan doelgericht werken aan het behalen van een resultaat volgens een Ondersteuningsplan. Doel is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving. 4.5.6 Toekenningstermijn van de begeleiding De toekenningstermijn van de ondersteuning wordt afgestemd op de specifieke situatie van de cliënt en het te bereiken doel. De maximale toekenningstermijn is 5 jaar. 4.6 Kortdurend verblijf 4.6.1 Inleiding Bij kortdurend verblijf wordt de cliënt in een huiselijke omgeving logeeropvang geboden om de mantelzorger te ontlasten, waarbij toezicht en/of zorg noodzakelijk kan zijn. Het verblijf wordt in de regel geboden gedurende een korte, vooraf bepaalde, periode. In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Wanneer verpleging en/of persoonlijke verzorging nodig is moet hiervoor apart worden geïndiceerd op grond van de Zvw. Behandeling behoort nadrukkelijk niet bij kortdurend verblijf. De ondersteuning is gericht op cliënten met: • een beperking als gevolg van het ouder worden; • een psychosociale of psychiatrische problematiek; • een verstandelijke beperking; • met een lichamelijke of zintuiglijke beperking of chronische ziekte.

4.6.2 Afwegingskader • De algemene criteria om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening als bedoeld hoofdstuk 3 zijn van overeenkomstige toepassing. • De cliënt heeft de mogelijkheid tot 24 uursbegeleiding/toezicht nodig gedurende maximaal drie etmalen per week. • De persoon die gebruikelijk zorg biedt, dan wel de mantelzorger dient te worden ontlast. 36

4.6.3 Product kortdurend verblijf Bij kortdurend verblijf wordt de cliënt in een instelling met een huiselijke omgeving logeeropvang geboden om de mantelzorger te ontlasten, waarbij toezicht en/of zorg noodzakelijk kan zijn. Het verblijf wordt over het algemeen geboden gedurende een korte periode. Ondertussen hebben de mensen thuis, die normaal de zorg en aandacht geven, tijd voor zichzelf. In de instelling waar de cliënt kortdurend verblijft, wordt de dagelijkse zorg overgenomen. Deze vorm van respijtzorg wordt ook wel logeeropvang genoemd. Kortdurend verblijf is gericht op mensen met: · een beperking als gevolg van het ouder worden; · een psychosociale of psychiatrische problematiek; · een verstandelijke beperking; · een lichamelijke of zintuiglijke beperking of chronische ziekte. De cliënt is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Wanneer de cliënt beperkingen heeft op het gebied van vervoer zal hij doorgaans in het bezit zijn van een pas voor het collectief vervoer. 4.6.4 De omvang van het kortdurend verblijf De omvang en frequentie van kortdurend verblijf is afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt en zijn mantelzorger. Logeeropvang in het kader van de Wmo kan verstrekt worden tot een maximum van 156 etmalen per jaar.

Deze etmalen mogen voor een periode van maximaal 21 etmalen aaneengeschakeld ingezet worden. Op het maximumaantal etmalen per week kan een uitzondering worden gemaakt, bijvoorbeeld als de mantelzorger op vakantie gaat of om een andere reden tijdelijk afwezig is. 4.6.5 Toekenningstermijn Kortdurend verblijf De ondersteuning wordt verstrekt voor een periode van maximaal één jaar, om de toegekende etmalen te verzilveren. 4.6.6 Financiering Kortdurend verblijf (Wmo, Wlz of Zvw) Kortdurend verblijf kan onder verschillende wet- en regelgeving vallen (Wmo, Wlz of Zvw). Kortdurend verblijf valt niet onder de Wmo als: • Een cliënt blijvende behoefte heeft aan permanent toezicht en 24 uur per dag zorg in de nabijheid (Wlz). • Een cliënt is aangewezen op verblijf dat medisch noodzakelijk is in verband met geneeskundige zorg (Zvw). • Als de mantelzorger tijdelijk langdurig wegvalt, kan de wijkverpleegkundige worden ingezet als het medische gezien niet verantwoord is om alleen thuis te zijn (Zvw). 4.6.7 Toegang Kortdurend verblijf De toegang tot de ondersteuning verloopt zonder tussenkomst van het college. De ontvanger van kortdurend verblijf ontvangt dan ook geen beschikking. In plaats daarvan meldt de ontvanger zich bij een gecontracteerde aanbieder (zorg in natura). De aanbieder doet een melding als bedoeld in artikel 2 van de verordening bij het college.

Een uitzondering geldt voor kortdurend verblijf via pgb. Hiervoor geldt dat de toegang verloopt via het college conform artikel 5 van de verordening.

37

4.7 Beschermd wonen en Beschermd thuis 4.7.1 Beschermd wonen 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen als: a. er sprake is van psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen en hij als gevolg van deze problemen beperkt zelfredzaam is; en b. er sprake is van noodzaak tot bescherming van de cliënt of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de problematiek zoals genoemd in onderdeel a; en c. de cliënt geen hulpvraag kan stellen of een hulpvraag niet kan uitstellen; en d. de cliënt niet zelfstandig kan wonen en er een noodzaak is tot 24 uurs ondersteuning. 2. Het college stelt voorwaarden aan cliënten aan wie opvang of beschermd wonen wordt geboden, verband houdende met het bereiken van een als noodzakelijk vastgesteld ondersteuningsdoel. Deze voorwaarden hebben in ieder geval betrekking op: a. de medewerking van de cliënt aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte; b. de medewerking van de cliënt aan de uitvoering van het opgestelde ondersteuningsplan; c. het door de cliënt naleven van de leef- en gedragsregels binnen de voorzieningen; d. het betalen van de eigen bijdrage; e. volledige medewerking van de cliënt bij het toewerken naar uitstroommogelijkheden.

4.7.2 Beschermd thuis Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd thuis als: a. er sprake is van psychiatrische problematiek, psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek of een licht verstandelijke beperking, dan wel een combinatie van deze problemen en de cliënt als gevolg van deze problemen beperkt zelfredzaam is; en b. er sprake is van noodzaak tot bescherming van de cliënt of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de problematiek zoals genoemd in onderdeel a; en c. de cliënt een hulpvraag kan stellen en deze hulpvraag met een dagdeel kan uitstellen; en d. zelfstandig kan wonen met begeleiding die 24 uur bereikbaar is; en e. de cliënt deze begeleiding accepteert. 4.7.3 Afwegingskader Voor Beschermd wonen is een regioboek ‘Zo thuis mogelijk’. Dit bevat een werkinstructie voor Beschermd wonen en Beschermd thuis voor de periode 2025-2028 voor de regio ZuidKennemerland, IJmond en Haarlemmermeer.

38

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget 5.1 Inleiding Een persoonsgebonden budget (pgb) is een geldbedrag en wordt alleen verstrekt voor de bekostiging van maatwerkvoorzieningen. Binnen de maatwerkvoorzieningen wordt onderscheid gemaakt tussen diensten (5.2) en producten (5.3). De hoogte van het pgb wordt begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele maatwerkvoorziening in natura. Wanneer gekozen wordt voor een duurdere dienst of product dan het toegekende pgb dient de cliënt de meerkosten zelf te betalen. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel en mag niet worden besteed aan (zie artikel 9 van de verordening): • kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; • kosten voor het voeren van een pgb-administratie; • kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; • kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. Daarnaast mag het pgb ook niet worden besteed aan reiskosten. 5.2 Weigeringsgronden pgb Een pgb voor producten of diensten kan geweigerd worden, als er overwegende bezwaren zijn. Overwegende bezwaren zijn onder andere als naar het oordeel van het college aannemelijk is dat de aanvrager problemen heeft met het omgaan en beheren van een pgb. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de aanvrager: a. handelingsonbekwaam is; b.

als gevolg van zijn beperkingen onvoldoende inzicht in de eigen situatie heeft; c. problematische schulden heeft, een schuldsaneringstraject doorloopt of onder de Wet schuldsanering natuurlijke personen valt; d. ernstige verslavingsproblematiek heeft; e. eerder misbruik heeft gemaakt van een pgb. f. aangetoonde fraude heeft begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; g. een wettelijke vertegenwoordiger heeft die niet in staat is tot een redelijke waardering van de belangen van de aanvrager; h. een zorgaanbieder wil inzetten die geregistreerd is bij het Informatie Knooppunt Zorgfraude. 5.2 Pgb voor diensten Het pgb voor diensten betreft de huishoudelijke ondersteuning, individuele begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf. Bij het pgb voor diensten wordt uitgegaan van het toekenningsbeleid zorg in natura. Het pgb voor diensten mag, in tegenstelling tot een pgb voor producten, niet worden ingezet bij een maatwerkvoorziening van een door het college gecontracteerde aanbieder. De cliënt dient de keuze voor een pgb te motiveren met een pgb-ondersteuningsplan.

Het pgbondersteuningsplan wordt beoordeeld op de volgende punten: • motivatie waarom cliënt kiest voor een pgb; • de cliënt is in staat zelf of met hulp van derde, de controle/regie te voeren over het pgb (organiseren, inkopen en volgen); • de cliënt is zich bewust van de verantwoordelijkheden, taken en plichten welke verbonden zijn aan het beheren van een pgb; • de in te kopen maatwerkvoorziening dient naar het oordeel van het college van goede kwaliteit te zijn (veilig, doeltreffend en op de persoon gericht); • de voorziening is geschikt voor het doel waarvoor het pgb wordt ingezet; 39

•

de (professionele) zorgverlener mag niet de budgetbeheerder zijn.

Voorwaarden bij de inzet van een pgb voor Beschermd wonen en Beschermd thuis: • Een pgb voor Beschermd wonen in een instelling wordt alleen verstrekt als een instelling 24-uurs verblijf biedt. • Een pgb voor Beschermd thuis wordt alleen verstrekt als de 24-uurs beschikbare begeleiding wordt geboden door een professional. • De budgethouder kan het pgb voor Beschermd wonen en Beschermd thuis onbeperkt inzetten voor ondersteuning tijdens verblijf in de regio Zuid-Kennemerland, IJmond en Haarlemmermeer. 5.2.1 Hoogte pgb voor diensten De hoogte van het pgb-tarief is vastgesteld in het Besluit en zijn berekend op basis van de tarieven voor de ingekochte zorg in natura (ZIN). Er wordt een onderscheid gemaakt in twee tarieven: • Voor professionele ondersteuners, waaronder ook zzp’ers, zijn de tarieven vastgesteld op 100% van het zorg in natura tarief; • Het pgb-tarief voor personen niet werkzaam voor een professionele zorgaanbieder, bijvoorbeeld voor personen uit het sociaal netwerk, bedraagt 75% van het zorg in natura tarief. Wanneer de dienst huishoudelijke ondersteuning met een pgb wordt afgenomen wordt voor de noodzakelijke inzet het HHM normenkader gehanteerd (zie hoofdstuk 4.4 Huishoudelijke Ondersteuning). De hoogte van het pgb voor Beschermd wonen die beroepsmatig wordt geboden wordt gebaseerd op maximaal 100% van het toepasselijke ZIN-tarief.

5.2.2 Zorgovereenkomst (ZOK) Bij een pgb voor diensten is de budgethouder verplicht een ZOK te sluiten met de betreffende zorgverlener. Dit is een contract waarin de afspraken over de zorg, werktijden en vergoeding liggen vastgelegd. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beoordeelt of de ZOK compleet is en juridisch goed is ingevuld. Vanuit de Wmo wordt beoordeeld of de ZOK inhoudelijk goed is ingevuld (datum, zorgomvang en tarief). De ZOK wordt na goedkeuring geaccordeerd in het systeem van de SVB. Vanaf dat moment kan de cliënt declaraties indienen bij de SVB6. Voor Beschermd wonen geldt: Betaling van de ondersteuning met een vaste maandvergoeding is niet toegestaan. Een budgethouder mag zijn hulpverlener alleen de daadwerkelijk geleverde ondersteuning bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) laten declareren (facturering achteraf, per uur), tenzij het een pgb voor Beschermd wonen in een 24-uursvoorziening betreft. 5.3 Pgb voor producten Het pgb voor producten betreft woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. De hoogte is vastgesteld in het Besluit. De toekenningstermijn voor pgb voor producten is maximaal zes jaar. Na zes jaar kan het pgb voor onderhoud, reparatie en verzekering worden verlengd als de voorziening technisch gezien nog niet is afgeschreven.

Een pgb voor producten wordt verstrekt onder de voorwaarden en bepalingen zoals deze zijn opgenomen in de Verordening en het Besluit. Wanneer noodzakelijk wordt een programma van 6

Het pgb wordt uitbetaald in de vorm van een trekkingsrecht. Het pgb wordt niet op de bankrekening van de budgethouder gestort , maar op rekening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De budgethouder declareert aan de SVB. De SVB betaalt de zorgverlener.

40

eisen bij de beschikking gevoegd. Het pgb mag alleen gebruikt worden voor de bekostiging van een voorziening zoals genoemd in het toekenningsbesluit en, voor zover van toepassing, uitgewerkt in het pakket van eisen. Betaling vindt plaats na ontvangst van de factuur. 5.3.1 Voorwaarden pgb voor woonvoorziening: Bij een pgb voor een woonvoorziening zijn aanvullend de volgende voorwaarden van toepassing: 1. er mag niet al voorafgaand aan deze beschikking een begin zijn gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop dit persoonsgebonden budget betrekking heeft. Een uitzondering kan worden gemaakt wanneer er sprake is van een acute noodsituatie (artikel 7, lid 3 sub b van de Verordening); 2. de cliënt dient de door het college aangewezen personen toegang te verstrekken tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht; 3. de cliënt dient de personen onder 2 inzage te geven in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing; 4. de cliënt dient de personen onder 2 de gelegenheid te bieden de woningaanpassing te controleren. 5. wanneer de cliënt opdrachtgever is dient direct na de voltooiing van de werkzaamheden, tot uiterlijk één jaar na de datum van het toekenningsbesluit, de rekening(en) en bijbehorende betaalbewijzen in te dienen ten behoeve van de gereedmelding.

Hiermee verklaart de cliënt aan het college dat de werkzaamheden zijn voltooid. Wanneer het college een pgb heeft verstrekt kan de cliënt gedurende zes jaar geen beroep doen op hetzelfde type voorziening. Na zes jaar kan, na overlegging van een technisch afkeuringsrapport, de cliënt mogelijk in aanmerking komen voor een nieuwe voorziening. 5.3.2 Hoogte pgb voor producten Het pgb voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen, roerende woonvoorzieningen en woningaanpassingen wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura (op offerte of huurbasis) zou zijn verstrekt, vermeerderd met de instandhoudingskosten voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering over een periode tot de afschrijftermijn van de voorziening is bereikt. Als het niet mogelijk is het pgb vast te stellen op basis van de huurprijs in natura, wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van de door de aanvrager ingediende en door of vanwege het college geaccepteerde offerte voor de voorziening, het onderhoudscontract en de verzekering. De aanvrager van een pgb zal altijd zelf moeten zorgen voor het adequaat verzekeren van de aangeschafte voorziening. Voor trapliften geldt dat er voor installatie van de traplift een pgb wordt toegekend aan de hand van een offerte.

Daarnaast wordt er voor trapliften een vast bedrag toegekend voor onderhoud en reparatie, volgens het Besluit. Voor woonvoorzieningen hoger dan €10.000, waarbij het pgb niet kan worden vastgesteld op basis van de huurprijs in natura, dienen twee offertes te worden beoordeeld. Na het overleggen van de offertes geeft de Wmo akkoord. Uitbetaling van het pgb gaat op basis van declaratie. Wanneer de kostprijs van de voorziening lager is dan het toegekende pgb, wordt een herzieningsbesluit genomen met daarin het juiste pgb- bedrag. Onderhoud en reparatie na verloop van toekenningsperiode van het pgb Als de voorziening na het verstrijken van de toekenningsperiode van het pgb nog steeds de meest goedkoop adequate passende voorziening is, en de voorziening niet is afgekeurd, kan de cliënt de kosten voor (technische) reparatie en onderhoud tot €500 per jaar indienen bij het college. Wanneer 41

de kosten voor onderhoud- en/of reparatie boven dit bedrag uitkomen dient de cliënt eerst te overleggen met het college. 5.4 Terugvordering pgb Periodiek of steekproefsgewijs onderzoekt het college uit het oogpunt van kwaliteit of het pgb juist is besteed. In dit kader kunnen stukken die nodig zijn voor de verantwoording van het pgb steekproefsgewijs worden opgevraagd. Als het pgb anders is besteed dan bij de toekenningsbeschikking is bepaald, kan het college besluiten het pgb lager vast te stellen en het daardoor te veel betaalde terug te vorderen.

42

Hoofdstuk 6 Financiële tegemoetkoming meerkosten Op grond van artikel 12 van de Verordening kan een financiële tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie worden verstrekt aan burgers die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen aannemelijke meerkosten hebben. In het Besluit is opgenomen dat deze tegemoetkoming kan worden verstrekt voor de kosten van verhuis- en herinrichting, vervoer en de sportvoorziening. De maximaal te verstrekken bedragen zijn opgenomen in het Besluit. Als een tegemoetkoming in de meerkosten wordt verstrekt, wordt geen eigen bijdrage gevraagd. 6.1 Tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten Op grond van het Besluit kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt in de verhuis- en herinrichtingskosten. Dit kan in de volgende drie situaties aan de orde zijn, maar enkel wanneer de beperkingen redelijkerwijs niet voorzien waren: • de aanvrager gaat vanwege niet voorziene beperkingen met het normale gebruik van de woning verhuizen naar een adequate woning; • de kosten van de eventueel te verstrekken woonvoorzieningen overschrijden het bedrag met betrekking tot het primaat van verhuizen zoals genoemd in het Besluit; • een persoon die een aangepaste woning bewoont en deze woning vrij maakt ten behoeve van een persoon die een aangepaste woning nodig heeft.

Verhuiskosten wegens gezinsuitbreiding of om (als jongvolwassene) voor het eerst zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk. 6.2 Tegemoetkoming meerkosten vervoer Tegemoetkoming meerkosten vervoer Als de aanvrager medisch gezien geen gebruik kan maken van een eigen auto, OV en/of het collectief vervoer kan een financiële tegemoetkoming verstrekt worden voor gebruik van een (rolstoel)taxi. Het gaat om een tegemoetkoming in de kosten van vervoer. Het is niet de bedoeling dat vanuit de Wmo de totale vervoersbehoefte wordt gefinancierd. De tegemoetkoming richt zich daarom op sociaal recreatief vervoer in de regio, om deel te kunnen nemen aan het maatschappelijk verkeer (participatie). Het gaat erom dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate: • mensen kan ontmoeten; • contacten kan onderhouden; • boodschappen kan doen en; • aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. De hoogte van de tegemoetkoming is vastgelegd in het Besluit. Maandelijks wordt 1/12e deel uitbetaald. Aan het einde van het kalenderjaar wordt verantwoording afgelegd over de gereisde kilometers. Als de vervoersbehoefte per maand fluctueert kan hiervan afgeweken worden.

Tegemoetkoming meerkosten vervoer bewoners Wlz-instelling (auto, taxi en rolstoeltaxi) Bewoners van Wlz-instellingen kunnen via de Wmo aanspraak maken op sociaal vervoer (collectief vervoer). Als deze bewoners van Wlz-instellingen medisch gezien geen gebruik kunnen maken van het collectief vervoer en/of Valys, kunnen zij in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming.

43

Tot de vervoersbehoefte van een bewoner van een Wlz-instelling kan ook het bovenregionale vervoer worden gerekend voor zover dat bedoeld is voor het onderhouden van sociale contacten. Het gaat hierbij niet om vakantie. Afhankelijk van de vervoersbehoefte wordt de aanvrager ingedeeld in een klasse gericht op aantal kilometers per jaar en wordt de bijbehorende financiële tegemoetkoming verstrekt. De vervoersbehoefte wordt bij de eerste aanvraag vastgesteld, waarna de financiële tegemoetkoming voor dat kalenderjaar wordt bepaald. De bedragen per klasse en per vervoerssoort (auto, taxi of rolstoeltaxi) zijn opgenomen in het Besluit. Maandelijks wordt 1/12e deel uitbetaald. Aan het einde van het kalenderjaar wordt verantwoording afgelegd over de gereisde kilometers. Er kunnen alleen kilometers gedeclareerd worden wanneer de bewoner zelf in de auto zat. Wanneer de feitelijke vervoersbehoefte in een hogere of lagere klasse blijkt te vallen, dan wordt de verstrekking gewijzigd per 1 januari van het daaropvolgende kalenderjaar. 6.3 Tegemoetkoming sportvoorziening De cliënt komt in aanmerking voor een sportvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming als sportbeoefening zonder sportvoorziening onmogelijk is door aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek. Uitgesloten van deze regeling zijn: • Recreatieve activiteiten.

• Hoge uitgaven voor sporthulpmiddelen ten behoeve van topsport. Reden hiervoor is dat de hoge kosten die hieraan ten grondslag liggen ook bij mensen zonder beperkingen geldt. Voor de aanschaf van een sportvoorziening wordt uitsluitend een financiële tegemoetkoming verstrekt voor een periode van 3 jaar. Deze financiële tegemoetkoming is ook bedoeld voor onderhoud en reparatie. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is vastgesteld in het besluit. Uniek Sporten Uitleen Om te bepalen welk sporthulpmiddel het meest passend is kunnen inwoners gebruik maken van de tijdelijke uitleenservice voor sportrolstoelen en handbikes (Uniek Sporten Uitleen). Dit is inclusief technische service, onderhoud en advies over het sporthulpmiddel en het gebruik ervan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.heemstede.nl/api/v1/meetings/2765/documents/43982