CConstaterende datHeemskerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Water Acker 2 met bijlagen

Commissie Ruimte, wonen en duurzaamheid 20 mei 2021, gemeente HeemskerkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Water acker 228.670 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

29

4 4.1

Toets aan milieu- en omgevingsaspecten Inleiding Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving zoals de Wet milieubeheer en de Wet geluidhinder taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is erop gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgevingkwaliteit door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen. Dit hoofdstuk geeft een antwoord op de vraag of het nieuwe bestemmingsplan daadwerkelijk uitvoerbaar is.

4.2

Milieuaspecten

4.2.1

Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Het bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid tot het realiseren van 48 appartementen. Dit is een activiteit die is genoemd in de Dlijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Daarom moet worden beoordeeld of het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Gelet op de geringe omvang van het plan, ruim onder de drempelwaarde (deze bedraagt 2.000 woningen dan wel 100ha) en de ligging van het plan, worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het milieubelang wordt in het kader van het bestemmingsplan in navolgende paragrafen voldoende mate afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk. Een plan m.e.r plicht ontstaat er tevens niet vanuit de Wet natuurbescherming, zie hiervoor paragraaf 4.3.2. Hiermee is voldaan aan de Wet milieubeheer/ besluit milieueffectrapportage; de milieuparagraaf vormt feitelijk de vormvrije m.e.r beoordeling. De mileubelangen zijn samengevat in een aanmeldnotitie m.e.r 5, die als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.

4.2.2

Milieuzonering Bij het realiseren van een nieuwe functie dient vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. Past de nieuwe functie in de omgeving? 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder.

5 Vormvrije m.e.r beoordeling, VdZ Ruimtelijk Advies, 10 december 2019

30

Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2

Ad1. Past de nieuwe functie in de omgeving? Voorliggend plan ziet toe op het realiseren van 48 woningen. Wonen is een milieugevoelige functie. Op basis van de VNG publicatie “Bedrijven en milieuzonering 2009” kan worden bepaald of er in de omgeving bedrijvigheid aanwezig is die een belemmering vormt voor een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning. Het plangebied ligt in een gebied is gelet hierop als gemengd gebied te typeren. Aan de Rijksstraatweg zijn diverse bedrijven en een Albert Heijn gevestigd. De bedrijven zijn qua milieu-uitstraling te typeren als milieucategorie 2. Dit is ook de maximale categorie die is toegestaan op basis van het bestemmingsplan (ter plaatse van de Albert Heijn is tevens grootschalige detailhandel toegestaan). Er dient op basis van de richtafstanden een afstand van 10 meter te worden aangehouden tot de geplande woningen. De bepalende milieufactor is in deze geluid (van stof-, gevaar of geuroverlast is vanwege de aanwezige de bedrijven geen sprake). Aan deze afstand wordt voldaan. De richtafstanden volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gelden tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 2014(ECLI:NL:RVS:2014:1173). Derhalve is geen akoestisch onderzoek nodig. Dit is ten overvloede wel gedaan om de indirecte hinder vanwege de in-en uitritten, bereikbaar vanaf Water Acker, in beeld te brengen 6. Het gaat dan om de bevoorrading (laden en lossen). In het Activiteitenbesluit zijn de maximale geluidsbelastingen vastgelegd die mogen optreden op de omliggende woningen. Deze zogenaamde grenswaarden zijn weergegeven in tabel 2.17a in het Activiteitenbesluit. In onderstaande tabel zijn staan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit weergegeven. Langetijdgemiddelde beoorde-

Maximale geluidsbelasting LA-

lingsniveau LARLT in dB(A)

MAX in dB(A)

Dagperiode (07.00 t/m 19.00)

50

70

Avondperiode (19.00 t/m 23.00)

45

65

Nachtperiode (23.00 t/m 07.00)

40

60

Etmaalperiode

50

70

6 Akoestisch onderzoek industrielawaai Water Ackers, de Milieu adviseur, 14 februari 2020

31

Deze waarden kunnen gebruikt worden om te bepalen of sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen. Hiervoor kunnen ook de waarden uit de voornoemde VNG publicatie worden gebruikt, doch deze komen hiermee overeen. In de omgeving zijn twee bedrijven relevant, te weten een garagebedrijf en bouwmarkt Welkoop. Bij het garagebedrijf zijn drie geluidsbronnen te onderscheiden, namelijk: • Werkplaats • Rijden van auto’s • Bevoorrading De werkplaats van de garage zit in het zuidoostelijke deel van het bedrijfspand. De werkplaats is op werkdagen geopend van 08:00 tot 17:00 en op zaterdag van 10:00. Op mooie dagen zullen de overhead deuren aan de oostzijde en westzijde van de werkplaats de gehele dag geopend zijn. Uit geluidsmetingen bij een vergelijkbaar garagebedrijf bleek dat het langtijdsgemiddelde geluidsniveau in de werkplaats 68,3 dB(A) en het maximale geluidsniveau 94,2 dB(A) bedroeg. Het overgrootte deel van de klanten van het garagebedrijf komt met de auto. De verkeersgeneratie is bepaald op basis van de CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren”. Bij de bepaling van de verkeersgeneratie is afhankelijk van de stedelijkheidsgraad. De gemeente Heemskerk heeft een omgevingsadressendichtheid van 2300 adressen per km2 blijkt uit de gegevens van het CBS1. Daarmee is de omgeving van de ontwikkeling aan te merken als sterk stedelijke omgeving.

De ontwikkeling is gelegen in de rest-bebouwde kom. Voor de bepaling van de verkeersgeneratie van een garagebedrijf is uitgegaan van een “Bedrijf arbiedsintensief/boezierksexensief (industrie, laboatium, werkplaats)”. De verkeersgeneratie van een dergelijk bedrijf is maximaal 10,1 mvt/e per 100 bvo2. Het bedrijfspand is 1.712 m2 bvo. De verkeersgeneratie van het garagebedrijf bedraagt 173 mvt/e. Op donderdagavond is de showroom geopend tot 20:00. In het onderzoek is ervanuit gegaan dat 20% van de voertuigbewegingen (35 mvt/e) plaatsvinden in de avondperiode. De hoofdingang van het garagebedrijf bevindt zicht aan de Rijksstraatweg. Via de hoofdingang zal het overgrote deel van de de auto’s het terrein op rijden. Het overige deel van de bezoekers zal via de Water Acker het terrein oprijden. In dit onderzoek is er vanuit gegaan dat 1/3 via de achterzijde het terrein op rijdt. Bevoorrading De bevoorrading van een garagebedrijf vindt hoofdzakelijk plaats met vrachtwagens (bakwagens). De onderdelen voor reparaties worden aan gevoerd per vrachtwagen en deze vrachtwagen zal naar verwachting rijden. Voor de levering van onderdelen zal plaatsvinden door maximaal 3 vrachtwagens per dag (6 voertuigbewegingen per dag). De aanvoer en afvoer van auto’s vindt plaats door een externe autotransporteur.

In de praktijk vindt het laden en lossen van de auto’s niet plaats op het bedrijfsperceel, maar op de Water Acker. Het laden en lossen van auto’s kan afhankelijk van het type autotransporteur gepaard gaan met harde piekgeluiden, door het klepperen van de rijplaten. Uit geluidsmetingen blijkt dat de piekgeluiden voor het klepperen van de rijplaten maximaal 110 dB(A) bedragen. Het lossen van de auto’s gebeurt op de 32

openbare weg. Aangezien het laden en lossen van de auto’s direct tot de bedrijfsactiviteiten van het garagebedrijf kunnen worden gerekend zijn deze meegenomen als directe hinder. In het onderzoek is er vanuit gegaan dat er maximaal 12 auto’s per dag worden geleverd en/of worden opgehaald. Het leveren en ophalen van auto’s gebeurt alleen in de dagperiode en maximaal 4 keer. Welkoop Bij de welkoop zijn twee geluidsbronnen te onderscheiden, namelijk: • Rijden van auto’s • Bevoorrading Het overgrootte deel van de klanten van de welkoop komt met de auto. De verkeersgeneratie is bepaald op basis van de CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren”. Voor de bepaling van de verkeersgeneratie van de Welkoop is uitgegaan van een “Tuincentrum”. De verkeersgeneratie van een dergelijk bedrijf is maximaal 16,2 mvt/e per 100 bvo2. Het bedrijfspand is 3.046 m2 bvo. De verkeersgeneratie van het garagebedrijf bedraagt 494 mvt/e. Op donderdagavond is de Welkoop geopend tot 20:00. In het onderzoek is ervanuit gegaan dat 10% van de voertuigbewegingen (49 mvt/e) plaatsvinden in de avondperiode. De hoofdingang van het garagebedrijf bevindt zicht aan de Rijksstraatweg. Via de hoofdingang zal het overgrote deel van de de auto’s het terrein op rijden. Het overige deel van de bezoekers zal via de Water Acker het terrein oprijden.

In dit onderzoek is er vanuit gegaan dat 1/3 via de achterzijde het terrein op rijdt. De bevoorrading van de welkoop vind plaats door vrachtwagens (hoofdzakelijk trekker met trailer) in de dagperiode. Voor de levering van de van goederen rijden er per dag maximaal 5 vrachtwagens (10 mvt). Voor het laden en lossen van de goederen wordt gebruikt gemaakt van een elektrische vorkheftruck. Deze vorkheftruck rijdt maximaal 1,5 uur op het buitenterrein rond. In onderstaande tabel staan de hoogste langtijdgemiddelde geluidsbelastingen (LAr,LT) bij de nieuwe woningen zoals afkomstig van de twee bedrijven als van de twee bedrijven samen:

33

Bij de nieuwe woningen bedraagt de langtijdgemiddelde geluidsbelasting maximaal 48 dB(A) van beide bedrijven te samen. Hiermee worden de grenswaarde van 50 dB(A) uit het Activiteitenbesluit en de richtwaarde (stap 2) van 50 dB(A) uit de VNGpublicatie ‘Bedrijven en milieuzonering, editie 2009’ niet overschreden. De optredende langtijdgemiddelde geluidsbelastingen zijn dan ook op basis van de normen uit het Activiteitenbesluit en de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering, editie 2009’ acceptabel. In onderstaande tabel staan de maximale geluidsbelastingen (LMAX) bij de nieuwe woningen en omliggende woningen weergegeven:

Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. De realisatie van het plan leidt dan ook niet voor een beperking van de bedrijfsvoering voor de omliggende bedrijven. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de richtwaarden (stap 3) bij de nieuwe woningen. De hoge geluidsbelastingen welke optreden bij de bevoorrading zijn afkomstig van het afblazen van remlucht, het rijden van de vrachtwagens en het klepperen van de rijplaten. Deze piekgeluiden komen slechts enkele malen per dag voor en moeten daarom acceptabel worden geacht. Ad2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Van een woning gaat geen overlast uit. Deze functie is dus ‘passend’. Omdat de bedrijven op een grotere afstand van de woningen liggen dan de richtafstand, er bovendien een aarden geluidwal tussen ligt, kan op voorhand geconcludeerd worden dat de bedrijven niet belemmerd worden in hun bedrijfsvoering. Conclusie Het bestemmingsplan is haalbaar voor wat betreft het onderwerp bedrijven en milieuzonering.

34

4.2.3

Externe veiligheid Wettelijk kader Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Het Vuurwerkbesluit en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stellen afstandseisen aan risicovolle bedrijfsactiviteiten. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zien toe op transportroutes met gevaarlijke stoffen en op transport via buisleidingen. In het wettelijk kader en externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in twee soorten risico’s, namelijk plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). PR en het GR dienen elk een andere doelstelling. Het PR heeft te maken met de veiligheid van de risicobron (technisch systeem) en is bedoeld voor de burger / gebruiker als individu. Het GR zegt iets over de inrichting van de ruimte rond de risicobron en is bedoeld voor de bestuurder. Naast PR en GR worden binnen zogenaamde effectgebieden ook risico’s aanwezig. Het effectgebied van een risicobron geeft aan tot op welke afstand er directe gezondheidseffecten kunnen zijn als er een ernstig ongeval bij de risicobron plaatsvindt.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woon-, werk- of verblijfsomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die een jaar lang permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk. Deze basisnorm bepaalt dat het risico om te overlijden aan een ongeluk met een gevaarlijke stof voor omwonenden niet hoger mag zijn dan één op de miljoen (10-6). Groepsrisico Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het risico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1000 slachtoffers tegelijk vallen. Dit risico is daardoor een maatstaf voor de verwachte omvang van een ramp. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde. Dit is geen norm, maar een ijkpunt. De oriëntatiewaarde wordt uitgedrukt in een risicocurve. De oriëntatiewaarde houdt in dat het bevoegd gezag in situaties daarboven gemotiveerd kan afwijken. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico’s accepteert. De gemeente is verplicht om een belangenafweging te maken. Dit is de verantwoording van het groepsrisico. Daarbij spelen onder de zelfredzaamheid, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol.

De hoogte van het groepsrisico kan niet toenemen als er geen invloedsgebied aanwezig is. Situatie plangebied Uit de beoordeling van de risicokaart van de provincie Noord-Holland blijkt dat er geen vuurwerkbedrijven in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn en dat het plangebied niet binnen een invloedsgebied ligt van aangewezen routes voor transport van gevaarlijke stoffen over weg of spoorweg. De dichtstbijzijnde risicovolle activiteiten vinden plaats aan de “overkant” van de Rijksstraatweg. Hier is een grafisch centrum gevestigd, waar onder meer verf, vernis en lak 35

wordt vervaardigd. Het plangebied bevindt zich niet binnen het PR 10-06 contour of invloedsgebied van dit bedrijf. Meer naar het noorden is aan de Rijksstraatweg 82 tankstation Welp gevestigd. Hier is sprake van LPG opslag en vulpunt. Het PR vanwege dit station (vulpunt) bedraagt 45 m en het invloedsgebied (GR) bedraagt 150 m. De vergunde doorzet bedraagt 498 m3. Zie navolgende uitsnede van de provinciale risicokaart. Het is regelmatig gebleken dat de risicokaart niet volledig is. In ieder geval kan beredeneerd worden dat over de Rijksstraatweg transport van LPG plaatsvindt, ter bevoorrading van het voornoemde LPG-station. Uit een reactie van de Milieudienst blijkt dat deze aanname klopt: het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied voor een weg voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor deze weg, de Rijksstraatweg, geldt geen plasbrandaandachtsgebied. Maatgevend voor de risico’s is het transport van GF3-stoffen (LPG en propaan) in tankwagens naar LPG station de Welpe. Niet is bekend om hoeveel vervoersbewegingen het gaat, maar uitgaande van de vergunde doorzet van minder dan 500 m3/jaar en ervaringen met andere LPG stations met vergelijkbare of zelfs grotere doorzet, is een aantal van 140/jr een redelijke inschatting.

In de Handleiding Risicoanalyse Transport (17 juni 2014) van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu zijn vuistregels gegeven hoe om moet worden gegaan met het Plaatsgebonden risico en groepsrisico. Gelet op de Handreiking is een plaatsgebonden risicocontour (PR -10-6) is bij dit wegtracé niet aanwezig met voornoemde transportaantallen. Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar namelijk lager is dan 500 heeft, volgens voornoemde handreiking, een weg binnen de bebouwde kom (50km.uur, 1.2.4 Routetype). In navolging van het Bevb is in het Bevt geregeld dat de verantwoordingsplicht voor het GR niet van toepassing indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied het groepsrisico of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan niet hoger is dan een bij regeling van Onze Minister gestelde waarde, welke waarde voor verschillende categorieën van buisleidingen verschillend kan worden vastgesteld. In artikel 8 van het Rebv staat vermeld dat deze waarde het groepsrisico: 0,1 maal de oriëntatiewaarde mag bedragen, en de toename van het groepsrisico: minder dan 10%, voor zover de waarden, genoemd in artikel 12, eerste lid, onderdeel b, van het besluit (i.c. 0,1 van de oriëntatiewaarde) niet worden overschreden.

Uitsnede Provinciale risicokaart 36

In de bijlage bij voornoemde handleiding is aangegeven dat wanneer het aantal GF3 transporten minder is dan de drempelwaarde in Tabel 3 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 4 (2-zijdige bebouwing) 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Het plangebied ligt op minimaal ca 90 m van de as van de weg. Het beschouwde gebied is 71ha, hierbinnen is een aanwezigheid mogelijk van ca. 8.000 personen (schatting van de nieuwe situatie; het gaat om tweezijdige bebouwing met zowel woningen als bedrijven), derhalve 100/ha. Bij deze waarden bedraagt de drempelwaarde 2450 GF3. De drempelwaarde wordt gelet op tabel 3 derhalve ruimschoots niet overschreden. Hiermee is sprake van een verantwoord groepsrisico en kan een verdere verantwoording achterwege blijven. Verder ligt het Eye Film Instituut nabij, aan de Achterweg in het Heemskerkerduin. In een voormalige bunker worden, onder geconditioneerde omstandigheden, oude nitrocellulose films opgeslagen. In geval van een calamiteit kan een toxische wolk ontstaan. De 1% letaliteitscontour van dit scenario ligt over het plangebied. Plaatsgebonden risico Het plangebied valt buiten de 10-6/jaar contour. Het plan voldoet hiermee aan het Bevi. Groepsrisico Het plangebied ligt binnen de contour PR 10-8/jaar.

Dit betekent dat in principe een toename van het aantal personen in het invloedsgebied, van invloed kan zijn op de hoogte van het groeprisico. De overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is een factor twee.

Maatregelen Bij de verlening van de revisievergunning (12-2010) voor Eye Film Instituut is onderzocht of er risicoreducerende alternatieven realiseerbaar zijn. De onderzochte maatregelen zijn om diverse redenen niet haalbaar gebleken. De mogelijkheden om het risico aan de bron te beperken zijn zeer divers en tegelijk weer zeer beperkt. In de door TNO opgestelde reportages zijn naar mening van het bevoegd gezag alle redelijke en relevante mogelijkheden onderzocht. Bij het verlenen van de revisievergunning in december 2010 is gemotiveerd besloten een overschrijding van het groepsrisico toe te staan. De voorgestelde risicoreducerende maatregelen en de door de regionale brandweer geformuleerde adviezen zijn als voorschriften aan de vergunning verbonden. 37

De hoogte van het groepsrisico wordt niet in betekenende mate beïnvloed aangezien het aantal personen binnen de 1% letaliteitscontour als gevolg van de nieuwe situatie (48 appartementen) met minder dan 10% toeneemt, zeker wanneer die vergeleken wordt met de mate waarin personen ter plaatse kunnen verblijven op basis van de huidige bestemming (ca. 2.000 m2 bestemd voor maatschappelijk doeleinden, waarbinnen onder andere zorgwoningen zijn toegestaan, waar een gelijkwaardige verblijfstijd aan toekomt). De ontwikkeling wordt daarom aanvaardbaar geacht. Tata Steel Ijmuiden De beoogde ruimtelijke ontwikkeling ligt in effectgebied van één van de onderdelen van Tata Steel IJmuiden BV. Bron: Veiligheidsrapportage (VR), deel 3.3 Kwantitatieve Risico Analyse (QRA) Tata Steel IJmuiden, rapport nr.: 2010-1, Rev. 7.0, December 2014 − Alle plaatsgebonden risico-contouren met een waarde van 10-6/jaar zijn gesitueerd binnen op eigen terrein van Tata Steel IJmuiden − Groepsrisico: in de VR wordt hier het volgende over weergegeven: Het invloedsgebied van de PGS 15 opslag bij CPR is 3700 meter. Een bijzonder grote afstand. Dit blijkt echter ui de effect rapportage van Safeti-nl. De invloed van de weerstabiliteit veroorzaakt hier een verhoging van de effectafstand met een factor 10.

Deze afstand is echter niet realistisch omdat het hier gaat om een scenario van een brand van de gehele opslag waarbij de deur open staat. Praktisch is dit echter onmogelijk omdat deze deur uitkomt in een fabriekshal. Deze factor kan echter niet worden meegenomen in de effectberekening waardoor het invloedsgebied onrealistisch groot wordt. Conclusie Gelet op bovenstaande, bestaan er geen belemmeringen op het gebied van externe veiligheid. Het groepsrisico zoals dat bestaat nadat het plan is gerealiseerd, wordt verantwoord beschouwd. Het plan is daarmee haalbaar v.w.b. externe veiligheid. 4.2.4

Bodem Inleiding Bij functiewijzigingen die leiden tot een verandering van de bestaande bestemming zal moeten worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem de realisatie van de gewenste functie ook toestaat. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. In de gemeente Heemskerk is het generieke beleid vanuit het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Op basis van het Besluit bodemkwaliteit is een bodemfunctieklassenkaart vastgesteld. Het plangebied valt geheel in de klasse Wonen. Bij grondverzet dient de kwaliteit van de bodem te worden vastgesteld door middel van partijkeuringen. Dit geldt zowel voor de kwaliteit van de toe te passen grond als van de ontvangende bodem. Om een partij grond te mogen toepassen moet de partij worden getoetst aan zowel de bodemkwaliteit van de ontvangende bodem als aan de bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem. Bij deze dubbele toets geldt dat de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond moet voldoen aan de strengste norm. 38

Om inzicht te krijgen in de vraag of de bodem geschikt is voor de beoogde functie (wonen) is verkennend bodemonderzoek NEN 5740 verricht 7. Het onderzoek is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan. In de grond zijn geen verhoogde gehaltes aangetroffen. In het grondwater is een licht verhoogd gehalte molybdeen aangetroffen. De resultaten geven geen aanleiding om een nieuw onderzoek uit te voeren. Het bodemonderzoek heeft een beperkte geldigheidstermijn en is inmiddels formeel gezien verouderd. Omdat in de tussentijd er geen grondroerende werkzaamheden of activiteiten die de bodemkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden, hebben plaatsgevonden op zowel het perceel als in de omgeving, wordt het bodemonderzoek actueel verklaart. Conclusie Bij afvoer van de grond zal rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit en de regels ten aanzien van afvoer. Het aspect bodem werpt gelet hierop geen belemmering op voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

4.2.5

Geluid Wettelijk kader De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. De Wgh heeft tot doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidsniveaus. In de Wgh zijn hiervoor twee soorten grenswaarden opgenomen: − Voorkeursgrenswaarde : Deze waarde garandeert een vrij goede woon- en leefsituatie binnen de invloedssfeer van een geluidsbron (wegen, spoorwegen, enz). − Hoogste toelaatbare geluidsbelasting: Deze waarde geeft de hoogste gevelbelasting weer waarvoor een hogere waarde kan worden aangevraagd. De grenswaarden zijn onder andere afhankelijk van de geluidsbron (weg- of railverkeer), de ligging van de geluidsgevoelige bebouwing (stedelijk of buitenstedelijk gebied) en het type geluidsgevoelige bebouwing. In de onderstaande tabel zijn voor woningen de voorkeursgrenswaarden en de meest voorkomende hoogste toelaatbare geluidsbelastingen uit de Wgh voor wegverkeer en uit het Bgh voor railverkeer weergegeven. Stedelijk gebied Voorkeursgrenswaarde Hoogste toelaatbare geluidsbelasting Buitenstedelijk gebied Voorkeursgrenswaarde

7

Wegverkeer

Railverkeer

48 dB (art. 82) 63 dB (art. 83 lid 2)

55 dB (art. 4.9 lid 1) 68 dB (art. 4.10)

48 dB (art. 82)

55 dB (art. 4.9 lid 1)

Verkennend bodemonderzoek op een perceel aan de Water Acker te Heemskerk, HB Adviesbureau, 7 juni 2010.

39

Hoogste toelaatbare geluidsbelasting Hoogste toelaatbare geluidsbelasting bij een agrarische bedrijfswoning

53 dB (art. 83 lid 1)

68 dB (art. 4.10)

58 dB (art. 83 lid 4)

n.v.t.

Wegverkeer De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buitenstedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de volgende tabel. Aantal rijstroken Zones langs wegen Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied 1 of 2 rijstroken 200 meter 250 meter 3 of 4 rijstroken 350 meter 400 meter 5 of meer rijstroken 350 meter 600 meter Overzicht van de zones langs wegen Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km-regime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig. Gezien de voorkeursgrenswaarde en de hoogste toelaatbare geluidsbelasting kunnen zich drie situaties voordoen: Een geluidsbelasting lager dan de voorkeursgrenswaarde In deze situatie zijn volgens de Wgh geen nadere acties nodig om de geluidsgevoelige bebouwing te realiseren. Een geluidsbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de hoogste toelaatbare geluidsbelasting In deze situatie dienen bij voorkeur maatregelen te worden getroffen om de geluidsbelasting terug te brengen tot een waarde die lager is dan de voorkeursgrenswaarde.

Wanneer er overwegende bezwaren zijn vanuit stedenbouwkundig, verkeerskundig, landschappelijk of financieel oogpunt, kan voor de geluidsgevoelige bebouwing een hogere waarde worden aangevraagd. Voor het verlenen van hogere waarden kan de gemeente een gemeentelijk geluidsbeleid vaststellen. Een geluidsbelasting hoger dan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting In deze situatie is de realisatie van geluidsgevoelige bebouwing in principe niet mogelijk, tenzij geluidsbeperkende maatregelen worden getroffen waardoor de geluidsbelasting daalt tot een waarde lager dan de voorkeursgrenswaarde of de hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Een andere oplossing is het realiseren van een zogenaamde ‘dove gevel’. Een dove gevel is namelijk geen gevel in de zin van de Wgh, hierdoor hoeft deze niet te worden getoetst aan de normen uit de Wgh.

40

Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt in de onderzoekszone van enkele wegen. Er is daarom akoestisch onderzoek uitgevoerd 8 om vast te stellen wat de geluidbelasting op de gevels van de te realiseren woningen. Het onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat vanwege de Rijksstraatweg de hoogste geluidbelasting 49 dB, excl. aftrek 5dB op grond van artikel 110g Wgh) bedraagt. Vanwege de Starweg is datg de hoogste geluidbelasting 56dB, excl. aftrek 5dB op grond van artikel 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar de maximale grenswaarde van 63 dB niet. Wanneer de wegen in cumulatie worden beschouwd, waarbij tevens wegen met een 30km/h regime zijn betrokken (Water Acker, Ruyn Acker en Helmlaan) bedraagt de hoogste waarde 58 dB. Ook hier wordt de maximale grenswaarde van 63 dB niet overschreden. Bron- en overdrachtsmaatregelen worden in dit geval niet gewenst/effectief geacht vanuit stedenbouwkundig e/o financieel oogpunt. Voorgesteld wordt daarom om voor de berekende waarde een Hogere Waarde vast te stellen. Het ontwerp besluit hiertoe wordt tegelijk met het ontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd. Daarmee voldoet het plan aan de Wgh. Wel dient een aanvullend onderzoek naar de binnenwaarde uitgevoerd te worden, teneinde te onderzoeken of de binnenwaarde van 33 dB kan worden voldaan.

De gevels dienen het verschil tussen de vastgestelde Hogere Waarde en deze binnenwaarde te isoleren. 4.2.6

Luchtkwaliteit Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. NSL en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diversie regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden.

Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdra8 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Water ackers, De Milieuadviseur, 27 sep-

tember 2019

41

gen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 ųg/m³. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuinen akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Goede ruimtelijke ordening Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is om het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is, significant is ten opzichte van een etmaal. Beoordeling Woningen zijn zoals genoemd opgenomen in de ministriele regeling NIBM; het gaat het om maximaal 1.500 bij één ontsluitingsweg. Aangezien dit plan daar ruimschoots onder blijft, draagt het initiatief met zekerheid “Niet in Betekende Mate”(NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het onderhavige project gaat over de realisatie van een particuliere woning.

Dit valt binnen de regeling NIBM, zodat alleen al vanwege deze reden het aspect luchtkwaliteit realisering van het plan niet in de weg staat. Bovendien blijkt uit de Grootschalige Depositiekaarten dat ter plaatse geen jaargrens overschrijdingen plaatsvinden van NO2 (stikstof), PM10 of PM2,5 (fijnstof). Conclusie Het aspect “luchtkwaliteit” vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.3

Omgevingsaspecten

4.3.1

Water Beleid In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2015 moet dat gerealiseerd zijn. De lidstaten moeten in 2009 (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen ze gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie Noord-Holland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West. Binnen RijnWest werkt Noord-Holland samen met alle betrokken waterbeheerders (Rijkswater-

42

staat, buurprovincies, waterschappen en gemeenten) aan het opstellen van het regionale deel van het genoemde stroomgebiedbeheersplan Rijndelta. Rijksbeleid Nationaal Waterplan 2016 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is in 2016 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: − Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; − Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; − Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; − Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement’; − Nederlanders leven waterbewust. Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen.

De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.

43

Provinciaal beleid Provinciale Watervisie 2015 De Provinciale watervisie beschrijft de kaders voor waterbeheer in Noord-Holland. De belevingswaarde van het alom aanwezige water en de mogelijkheden die het biedt, het leven met en strijden tegen, dat is wat Noord-Holland uniek maakt. Vanuit dit vertrekpunt wil de provincie met het waterbeleid Noord-Holland mooier, bedrijviger en veiliger maken dan het al is, op een haalbare en betaalbare manier. De provincie zet het waterbeleid daarom zo in dat er een impuls vanuit gaat voor de leefomgevingskwaliteit en/of het vestigingsklimaat. Er wordt onderscheid gemaakt in twee thema's, te weten “Veilig” en “Schoon en “Voldoende”. Binnen deze thema's worden doelen gesteld. De doelen voor het thema Veilig zien vooral toe op het in orde zijn van de regionale keringen, het beperken van slachtoffers, economische schade en een adequate rampenbestrijding. Bij dijkversterkingen moet aandacht zijn voor een goede ruimtelijke inpassing. Bij Schoon en Voldoende gaat het er vooral om dat er schoon grondwater moet zijn en schoon en voldoende oppervlaktewater, zwemwater en drinkwater. Verbinden met water 2017-2021 Dit plan geeft aan hoe de gemeenten Beverwijk en Heemskerk en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, om willen gaan met water in al zijn facetten: regenwater, grondwater, water in sloten en vijvers en gebruikt water.

Dit plan geeft richting én laat speelruimte voor nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Kort samengevat willen de gemeenten de regio op betaalbare wijze waterrobuust en duurzaam inrichten. Algemeen Door de klimaatverandering veranderen de neerslagpatronen in Nederland. In de kuststrook valt jaarlijks meer regen en ook de intensiteit van de buien neemt toe. De gemeente Heemskerk heeft de plicht om zorgvuldig om te gaan met de neerslag binnen het eigen gebied. De zorgplicht geldt ook voor het grondwater dat aangevuld wordt door deze neerslag. Beide zorgplichten zijn vastgelegd in de Waterwet (2009) en verder uitgewerkt in het beleidsplan van de gemeente Beverwijk en Heemskerk met de titel ‘Verbinden met water’ (2017). 1) Robuust systeem De intentie van de gemeente Heemskerk is het realiseren van een klimaatbestendige leefomgeving in 2050. Een klimaatadaptatieplan bevat een aanpak met maatregelen die nodig zijn op het gebied van; wateroverlast, hittestress, droogte en overstroming. Tevens houden we rekening met de gevolgen voor de waterkwaliteit. In het plangebied omgaan met neerslag en grondwater; 1. Niet meer afvoeren via het gemengde rioolsysteem. 2. Niet meer direct afvoeren naar oppervlaktewater, maar eerst bergen en infiltreren. 3. Alleen in extreme situaties direct afvoeren naar oppervlaktewater. 4. En zorgen voor voldoende ontwatering.

Een groot deel van de bodem van de gemeente Heemskerk is zandgrond. In dit gebied zetten we in op bergen en infiltreren. 44

In kleiachtig gebied zetten we in op bergen en accepteren wij vanuit de waterberging een vertraagde afvoer middels een overstort naar het oppervlaktewater of de openbare ruimte. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Waterprogramma 2016-2021 Met dit Waterprogramma geeft het Hoogheemraadschap richting aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. De komende jaren staat het Hoogheemraadschap voor de taak het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort en schoon water. Ten aanzien van waterveiligheid gelden drie doelen. 1. Veiligheid voor iedereen. Iedereen in Nederland die wordt beschermd door een dijk, duin of dam, heeft een kans van niet meer dan 1 op de 100.000 per jaar (105) om te overlijden door een overstroming; 2. Zoveel mogelijk voorkomen van slachtoffers en schade; 3. Bescherming van vitale en kwetsbare functies. Er is extra bescherming voor infrastructuren zoals nutsvoorzieningen, wegen, ziekenhuizen en communicatiemiddelen die tijdens en na een ramp cruciaal zijn voor het functioneren van een gebied. Dit geldt ook voor functies die grote milieu- of gezondheidsschade kunnen opleveren wanneer ze door een overstroming worden getroffen. Ten aanzien van wateroverlast wil het Hoogheemraadschap overlast niet tegen elke prijs voorkomen.

Men wil wel naar een zo groot mogelijke flexibiliteit bij het beheer van het totale watersysteem (boezem en polders), zodat men bij clusterbuien snel (anticiperend) gebruik kan maken van de ruimte die we in het watersysteem hebben. Door verdere verstedelijking neemt de druk op de openbare ruimte toe. De ruimte voor waterberging is daardoor beperkt. Ook wordt de openbare ruimte vaak multifunctioneel gebruikt. Om achteruitgang van het watersysteem te voorkomen, vraagt het Hoogheemraadschap in ruimtelijke plannen om maatregelen die de nadelige effecten van verharding voorkomen of compenseren. Ten aanzien van watertekort luidt de doelstelling: zoet water wordt kostbaar en minder vanzelfsprekend. We zorgen voor een duurzame en eerlijke verdeling op een basaal niveau en met de huidige infrastructuur. Tot slot zorgt het Hoogheemraadschap voor een gezond oppervlaktewater. Keur en algemene regels In 2016 heeft het hoogheemraadschap een nieuwe Keur en bijbehorende Algemene Regels vastgesteld. Artikel 4.2 Verbod versnelde afvoer door verhard oppervlak is in de nieuwe Keur gewijzigd. In de nieuwe Keur 2016 is nu het volgende opgenomen: "Artikel 3.3 Verbod versnelde afvoer door nieuw verhard oppervlak.

Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen." In de Algemene Regels 2016 zijn vervolgens de volgende aanvullingen opgenomen: "Artikel 23. nieuw verhard oppervlak. Op grond van artikel 3.9, eerste lid van de keur geldt een vrijstelling van de vergunningplicht van artikel 3.3 voor het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak indien: 1. de bebouwing of verharding van de onverharde grond door een of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 800 m² bedraagt en; 45

2. de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en; 3. het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken." De gemeente schrijft voor dat bij (ver-)nieuwbouw en herstructurering een bergingsvoorziening wordt aangelegd, zodat de neerslag bij een maatgevende bui opgevangen kan worden. Op deze manier wordt wateroverlast zoveel mogelijk voorkomen. In de Waterwet staat in artikel 3.5 dat perceeleigenaren primair verantwoordelijk zijn voor het verwerken van hemelwater op hun eigen terrein. In het beleid van de gemeente Heemskerk houden we 60 mm in 1 uur aan (maatgevende bui) voor het berekenen van de afmetingen van de bergings- en infiltratievoorziening (zie ook ons beleid wateren rioleringsplan ‘Verbinden met water’). Uitgangspunt is het bergen van 60 mm neerslag dat op het verhard oppervlak valt binnen het perceel. Beoordeling en conclusie In dit bestemmingsplan bevindt zich geen oppervlaktewater: de waterbergingscapaciteit van het gebied wordt niet veranderd. De aanwezige waterpartij die direct grenst aan de woningen blijft in stand en vergroot de recreatieve beleving van het gebied. Daarmee is het bestemmingsplan in overeenstemming met het regionaal beleid ten aanzien water. Het hemelwater wordt opgevangen en geborgen op het terrein en het gebied wordt klimaatrobuust ingericht.

In het kader van de ontwikkeling van de woonwijk “Waterakkers-Lunetten” is uitgegaan van een bepaalde hoeveelheid verharding. Daaraan zijn watermaatregelen gekoppeld. Deze zijn verspreid over de wijk gerealiseerd. Dit plangebied maakte onderdeel uit van dat grotere raamwerk. Er werd toen uitgegaan van een nagenoeg volledige verharding van het gebied; de idee was een tamelijk grootschalig maatschappelijk gebouw te realiseren; de rest van het terrein zou als parkeergebied ten dienste van dat gebouw ingericht moeten worden. Nu de wateropgave reeds is gerealiseerd in de woonwijk, waarbij de verharding van onderhavig perceel is meegenomen, zijn geen verdere compenserende maatregelen nodig. Hierover is overleg geweest met het Hoogheemraadschap, uit correspondentie blijkt dat bovenstaande inderdaad het geval is. Er wordt voorts niet met uitloogbaar materiaal gewerkt en er wordt niet gebouwd binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Het aspect “water” vormt gelet op bovenstaande geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 4.3.2

Natuur Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland NNN) weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daar46

naast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten (soortbescherming) is geregeld in deze wet. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in maar wel nabij Natura 2000-gebieden, namelijk het Noordhollands Duinreservaat. Het initiatief is echter zodanig kleinschalig van aard, dat significant negatieve effecten op nabij gelegen Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Dit is met een Aeriusberekening geverifieerd: er wordt zowel in de gebruiksfase (verkeer van en naar de woningen) als de bouw- en aanlegfase (grondverzet, bouw- en woonrijp maken) geen toename van stikstofdepositie gemeten op nabij gelegen Natura 2000-gebieden 9. Het gebied ligt verder niet in NNN, en van externe werking is bij NNN geen sprake. Er zijn dus geen negatieve effecten op NNN. Het plangebied ligt niet in of nabij weidevogelleefgebied. Echter, ook de externe effecten van initiatieven op weidevogelleefgebied in ogenschouw genomen moeten worden. Te denken valt aan verstoring van weidevogels door lichtinval of geluid.

Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied ligt echter op ruime afstand; er is daarom geen effect op weidevogelleefgebied. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is Wet natuurbescherming bepalend. De wet is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. De wetten hebben de beschermingsregels, zoals die ook in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn opgenomen, overgenomen en voor de Nederlandse situatie toegepast. Afhankelijk van de ingreep wordt als onderdeel van de omgevingsvergunning een toets in het kader van Wet natuurbescherming uitgevoerd. De uitkomst van deze toets is tweeledig; met de ingreep er is geen of wel sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Is er sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming dan worden er mitigerende maatregelen opgesteld om overtreding te voorkomen, een verklaring van geen bedenkingen aangevraagd of een ontheffingsaanvraag ingediend. In het bestemmingsplan moet duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming de haalbaarheid van het plan niet in de weg staat. Nadat het plangebied bouwrijp is gemaakt is het in potentie geschikt als winterbiotoop voor de rugstreeppad. Om te voorkomen dat de rugstreeppad zich gaat vestigen in het plangebied kan dit worden afgeschermd met een amfibieënscherm. Dit scherm dient in september te worden geplaatst.

Conclusie Het bestemmingsplan is haalbaar wat betreft flora en fauna.

9 Stikstofberekening Water Acker 2, VdZ Ruimtelijk Advies, 30 september 2019

47

4.3.3

Duurzaamheid De energietransitie betekent de overgang van fossiele brandstoffen zoals gas, kernenergie en steenkolen naar volledig duurzame energie. Duurzame, groene energie kennen we nu al vanuit zon, wind, biomassa en water. Duurzaamheid en energietransitie zijn continue processen; concrete afspraken zijn gemaakt in het Klimaatakkoord van 28 juni 2019 en het programma ‘Nederland Circulair in 2050’. Dit betekent onder andere in 2030 bijna de helft minder CO2 uitstoot realiseren dan in 1990. Met de plannen kan het kabinet een belangrijk startschot geven voor opschaling van de energietransitie. Het doel van de energietransitie is om een geheel duurzame energievoorziening te hebben in 2050 in Nederland, die dan voor 100% bestaat uit groene energie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Energieakkoord. Circulair bouwen is ook een belangrijk onderwerp, zoals geformuleerd in het programma ‘Nederland Circulair in 2050’. De bouwsector neemt 50% van het grondstoffenverbruik in Nederland voor zijn rekening. Veel afval is sloopafval. Om onze leefomgeving duurzaam in te richten is een versnelling van innovaties (circulair en modulair bouwen) binnen de bouwsector nodig. Verbindingen op gebied van duurzame energie & warmte, -mobiliteit, klimaatadaptatie en gebiedsvernieuwing zijn voor deze ontwikkelingen van belang.

Aandachtspunt is dat duurzaamheid in een vroeg stadium betrokken wordt bij de planvorming. Het doel van de transitie is om een geheel duurzame energievoorziening te hebben in 2050 in Nederland, die dan dus voor 100% bestaat uit groene energie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het Energieakkoord. Regelgeving Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (wet VET) van kracht geworden, die zegt dat het niet meer is toegestaan om nieuwbouw met aardgas te realiseren, tenzij de gemeente beslist dat er zwaarwegende belangen zijn om hier van af te wijken. Per 1 januari is de BENG van kracht, met een ambitie naar volledig energieneutraal. Met deze wijziging moeten vanaf 1 januari 2021 alle nieuw te bouwen gebouwen voldoen aan de Bijna Energieneutrale Gebouw eisen (BENG). Daarmee worden strengere eisen gesteld om zo het energiegebruik te verlagen. GPR Gebouw (meetinstrument voor ontwikkelaars) Een instrument om duurzaam bouwen inzichtelijk en meetbaar te maken is GPR Gebouw. Dit instrument geeft rapportcijfers op de onderdelen energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Hoe hoger de score, hoe duurzamer de woningen. GPR Gebouw is zowel een communicatiemiddel als praktische maatregelenlijst om nog duurzamer te bouwen; een voorbeeld is dat HR++ glas vervangen wordt door HR+++ glas met hogere isolatiewaarden.

Dit is dan direct te merken aan de scores, de meerkosten zijn gering en er kan volstaan worden met mogelijk een warmtepomp met een lagere capaciteit (in overleg met de installateur) en dus goedkoper. Ook kan circulair bouwen bespreekbaar en toetsbaar gemaakt worden bij ontwikkelaars. De licentie wordt gratis verstrekt door de Omgevingsdienst IJmond (info@odijmond.nl).

48

Groen bouwen Via de checklist Groen Bouwen (www.checklistgroenbouwen.nl) kunnen, door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee-vragen, eenvoudig toepasbare maatregelen worden gekozen die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels. Beoordeling en conclusie De woningen worden gasloos gebouwd en zullen voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit stelt ten aanzien van duurzaamheid, zoals isolatie. Nieuw/Verbouw biedt kansen voor energiebesparing en –opwekking. Alle inwoners en ondernemers uit NoordHolland-Noord kunnen voor vragen en onafhankelijk advies over duurzaam (ver)bouwen, energiebesparing of energie opwekken, maar ook over het nieuwe energielabel voor woningen, terecht bij het Duurzaam Bouwloket. De gemeenten zijn hiervoor een samenwerking aangegaan; zie www.duurzaambouwloket.nl. Initiatiefnemer is hierop gewezen. Tevens is het plan zonnepanelen te plaatsen. Er wordt hierbij gestreefd naar een zo hoog mogelijke energiebesparing en energieneutraal bouwen. 4.3.4

Archeologie Landelijk beleid - Verdrag van Malta Het is in Nederland verplicht om bij ruimtelijke besluitvorming de archeologische belangen mee te wegen. In 1992 is in Valletta het Verdrag van Malta ondertekend door Nederland. De belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn het streven naar behoud in de bodem (behoud in situ), het vroegtijdig betrekken van archeologie in ruimtelijke ordeningsprocessen en tenslotte, wanneer behoud in situ niet mogelijk is, het "de verstoorder betaalt" principe. Na het ondertekenen van dit verdrag werd, in afwachting van de implementatie in de Nederlandse wetgeving, steeds vaker al "in de geest van Malta" gehandeld. Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1998 ingetrokken en de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt de tot op het moment van inwerkingtreding verschillende specifieke regelingen en wetten die er zijn voor het behoud en beheer van cultureel erfgoed. Deze regelingen en wetten die aanpassing en uitbreiding behoefden, zijn thans opgenomen in één integrale Erfgoedwet. In deze wet legt de overheid overzichtelijk en kenbaar vast hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Daarmee wordt, naast dat integraliteit wordt bevorderd, tevens uitdrukking gegeven aan het grote maatschappelijke belang van een zorgvuldige omgang met ons cultureel erfgoed. Voor wat betreft archeologie houdt de wet geen wijzigingen in ten opzichte van de Monumentenwet. Gemeentelijk beleid De gemeente Heemskerk heeft voor de bescherming van de archeologisch waardevolle gebieden eigen beleid ontwikkeld, waarbij de (verwachtings)waarde per locatie inzichtelijk is gemaakt met behulp van een gemeentelijke archeologische waardenkaart. In navolgend figuur is te zien dat het plangebied van het voorliggend bestemmingsplan binnen een ‘grijze zone’ is gelegen. Afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden (oppervlak en diepte) is voorafgaand aan werkzaamheden archeologisch onderzoek en/of een vergunning benodigd:

49

waardevol gebied van de vierde categorie: indien plan groter dan 2.500 m² en dieper dan 40 cm, archeologisch onderzoek benodigd. Situatie plangebied Op basis van het archeologiebeleid van de gemeente, zoals dat is vastgelegd in het bestemmingsplan, heeft het plangebied een gemiddelde archeologische verwachting. In dit bestemmingsplan is voor dit perceel een bestemming Waarde - Archeologie 4 opgenomen. Dit houdt in dat bij ingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 0,4 m verkennend archeologisch dient plaats te vinden, en, indien hieruit blijkt dat de kans op vondsten reëel is, nader inventariserend onderzoek (in het archeologiebeleid wordt de noodzaak tot onderzoek en de omvang van het plan gerelateerd aan “grondroerende werkzaamheden”; in het bestemmingsplan gaat het eveneens om bouwwerken en grondroerende werkzaamheden; het feit dat het plangebied dus groter is dan 2.500 m2 is niet relevant voor de beoordeling. De verhardingen (parkeerplaatsen, inritten) zullen nl. niet dieper dan 0,4 m beneden maaiveld plaatsvinden. Dit geldt wel voor de (funderingen van het) gebouw. Het totale oppervlak van het bouwvlak bedraagt ca. 1.350 m2. De oppervlakte van 2.500 m2 wordt in dit geval dus niet gehaald. Er is daarom geen nader onderzoek nodig wat betreft archeologie.

De Cultuur Historische Waardenkaart van de provincie Noord Holland geeft voor de betreffende locatie niet aan dat er sprake is van de aanwezigheid van bijzondere archeologische waarden. Dit geldt eveneens voor Archeologische Monumentenkaart. Volgens staand beleid van de provincie zoals bevestigd in de Cultuurnota van 2004 van de provincie, is er gezien deze omstandigheden geen reden om op voorhand archeologisch onderzoek te verrichten. De gemeente verlangt echter toch archeologisch onderzoek omdat de regels zo uitgelegd worden dat de oppervlakte van het gebouw en het gebied waar aanlegwerkzaamheden plaatsvinden bij elkaar opgeteld moeten worden. Vanwege deze uitleg is archeologisch onderzoek verricht 10. Conclusie Het plangebied zich in het kustgebied bevindt, waar strand(wall)en en duinen voorkomen. Op deze strandwallen en duinen was bewoning mogelijk vanaf het Neolithicum. Een deel van het plangebied was reeds onderdeel van een proefsleuvenonderzoek. Hierbij zijn binnen de onderzochte diepte geen archeologische sporen en/of vondsten gedaan tijdens dit onderzoek (tot circa 0,75 m +NAP). De diepere lagen konden hierbij niet getoetst worden, vanwege beperkingen door hoog grondwater én de maximale diepte van de toenmalige werkzaamheden. Op basis van het veldonderzoek kan de archeologische verwachting voor alle perioden én dieptes naar laag worden bijgesteld.

In het plangebied zijn duinafzettingen op strandafzettingen waargenomen. In enkele boringen is binnen de strandafzettingen een pakket veen aanwezig. Het plangebied heeft door de nabije ligging van het Oer-IJ ook onder invloed gestaan van de zee bij een transgressie in de periode IJzertijd/Romeinse tijd. Hierdoor zijn twee pakketten strandafzettingen aanwezig zijn. In de duinafzettingen is op een diepte van 80 tot 160 cm -Mv (0,7 – 1,4 m +NAP) een bodemniveau waargenomen. Dit niveau is echter voornamelijk binnen de reeds on10 Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend

Veldonderzoek (IVO), verkennende fase Heemskerk Water Acker 2, Transect, 24 janua-ri 2020

50

derzochte dieptes in het plangebied waargenomen en hier zijn op basis van het reeds uitgevoerde proefsleuvenonderzoek geen archeologische waarden in aanwezig. Beneden de 0,75 m +NAP ontbreken potentiële archeologische niveaus, waarmee de archeologische verwachting ook voor dit niveau naar beneden kan worden bijgesteld. Concluderend is de verwachting in het plangebied voor alle perioden laag. Er is gelet hierop geen archeologisch vervolgonderzoek nodig. Op het moment dat tijdens graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt wel een wettelijke meldingsplicht (conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11) deze vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Het bestemmingsplan is haalbaar v.w.b. archeologie. 4.3.5

Cultuurhistorie Met de inwerkingtreding van de Modernisering Monumentenzorg (Momo) is in het Besluit ruimtelijke ordening onder artikel 3.1.6 geregeld dat een bestemmingsplan voldoende rekening moet houden met cultuurhistorische waarden. In beginsel gaat het daarbij om drie grote veranderingen: 1 cultuurhistorische belangen moeten worden meegewogen in de ruimtelijke ordening; 2 krachtiger en eenvoudiger regels; 3 herbestemmen van monumenten die hun functie verliezen. Kenmerken daarbij zijn van ‘object–gericht’ naar meer ‘gebiedsgericht’ en van ‘behoud’ naar ‘behoud door ontwikkeling’. Bij de implementatie en uitvoering van dit rijksbeleid is een voorname rol weg gelegd voor de gemeenten. De gemeenten zullen deze rol oppakken en zich daarbij moeten bedienen van het instrumentarium, dat daarvoor beschikbaar is. Naast de reguliere verordende bevoegdheid brengt deze beleidsontwikkelingen met zich mee, dat gemeenten andere instrumenten inzetten om enerzijds de cultuurhistorische belangen in de ruimtelijke ordening mee te wegen en anderzijds te kunnen komen tot een gebiedsgerichte aanpak. Vanwege onder meer deze aspecten wordt er landelijk steeds meer voor gekozen om het bestemmingsplan als ruimtelijk ordeningsinstrument bij uitstek te gebruiken om deze modernisering van de monumentenzorg mede vorm te geven.

Conclusie In hoofdstuk 2 is ingegaan op de cultuurhistorie van het gebied en de wijze waarop deze ontwikkeling daar rekening mee houdt. Zodoende houdt het plan voldoende rekening met cultuurhistorie.

4.3.6

Verkeer en parkeren De woningen ontsluiten op Water Acker. Volgens de publicatie Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen (publicatie 381, 2018) mag voor een woning van dit type in binnenstedelijk gebied, matig stedelijk, rest bebouwde kom uitgegaan worden van een verkeersgeneratie van ca. (maximaal) 8 per dag De verkeersproductie zou dan neerkomen op circa 384 extra voertuigbewegingen per etmaal (uitgaande van de maximale cijfers). Aangezien er vlot ontsloten kan worden op de

51

Rijksstraatweg (via de Starweg), levert dit geen problemen op voor de verkeersstructuur. De goede ontsluiting van dit perceel met de vrijwel directe aansluiting op de westelijke randweg van Heemskerk, maakt dat dit geen probleem is voor de huidige verkeersstructuur. De richtlijn voor de parkeernorm als opgenomen in de ‘Technische richtlijnen parkeren Heemskerk’ voor de woningen bedraagt 1,9 voor de grotere appartementen. Hier komen er 10 van; de norm bedraagt daarom 19 parkeerplaatsen. Voor de 38 kleine appartementen geldt een norm van 1,6 ofwel 60,8 parkeerplaatsen. In totaal zijn er daarom 80 parkeerplaatsen benodigd (naar boven afgerond); deze worden allen in het plangebied gerealiseerd. Ieder appartement heeft een berging waar een fiets(en) in kunnen. Zodoende wordt ook aan het fietsbeleid voldaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15822857/1