Nota verbonden partijen Heemskerk 2015 (achterliggend document)
Tekst van het document
Tussenrapportages Zoals eerder in paragraaf 5.3 (pagina 20) is gesteld, verdient het aanbeveling om in een gemeenschappelijke regeling een bepaling op te nemen betreffende een verplichting voor de verbonden partij tot het opstellen van tussenrapportages. Op deze manier heeft de gemeente meer controle op de verbonden partij. Ambtelijk overleg Zoals eerder in paragraaf 4.3 (pagina 17) is gesteld, verdient het de aanbeveling om in een gemeenschappelijke regeling een bepaling op te nemen betreffende een verplichting tot het voeren van een ambtelijk overleg vóórdat het bestuur van een verbonden partij overlegt. Op deze manier heeft de gemeente meer mogelijkheden om de verbonden partij te sturen. Uit de interviews met de 23
beleidsmedewerkers kwam naar voren dat zo een overleg goed bevalt en in sommige gevallen ook plaats vindt bij gemeenschappelijke regelingen waar dat niet vanuit de regeling verplicht is. Verplichting tot kadernota Het verdient ten slotte aanbeveling om in de gemeentelijke verordening financieel beheer & beleid vast te leggen dat er vanuit de gemeente behoefte is aan een beleidskader voor verbonden partijen en dat deze daarnaast actueel blijft door een periodieke actualisatie. Op deze manier zal de notitie aan blijven sluiten op de huidige stand van zaken.
24
Bijlage
I Bestaande samenwerkingsverbanden
De partners waarmee Heemskerk samenwerkt, kunnen worden ingedeeld in vier regionale clusters, die elkaar op onderdelen overlappen: - IJmond: De meeste samenwerking vindt plaats op dit niveau. Er wordt samen gewerkt met de gemeenten Beverwijk, Velsen en Uitgeest. De samenwerking is dan primair gericht op praktische en uitvoerende zaken; Uitgeest heeft echter besloten zich aan te sluiten bij de BUCH-gemeente. - Regio: Ook in de regio wordt intensief samengewerkt. Dit gebied strekt zich uit van de kust tot Zaanstad, alsmede ten noorden en zuiden van Heemskerk en vormt een aanvulling op het IJmondgebied; - Kennemerland: Op dit niveau gaat het vooral om samenwerking op het gebied van grote beleidsvraagstukken, als de wettelijk aangewezen samenwerkingsregio op het gebied van veiligheid. Dit vindt plaats met de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede & Spaarnwoude, Heemstede, Uitgeest, Velsen en Zandvoort; - Provinciaal/landelijk: Dit niveau vormt een aanvulling op het IJmond-gebied. Huidige samenwerkingsverbanden (alle huidige gemeenschappelijke regelingen zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. De gemeenten Uitgeest, Castricum, Heiloo en Bergen verkennen samenwerking op ambtelijk niveau; bestuurlijke samenwerking of samenvoeging is nog niet aan de orde.
De bestaande samenwerkingsvormen blijven bestaan en zullen in de toekomst bij een eventuele samenvoeging worden heroverwogen): Gemeenschappelijke regelingen Partners 1 Aansluiting riolering Beverwijk 2 Afvalschap IJmond-Zaanstreek Beverwijk, Velsen en Zaanstad 3 IJmond Werkt! Beverwijk, Uitgeest en Velsen 4 Omgevingsdienst IJmond Provincie Noord-Holland Beverwijk, Haarlem, Uitgeest en Velsen (Beemster en Purmerend met ingang van september 2014) 5 Recreatieschap Alkmaarder- en Provincie Noord-Holland Gemeenten Alkmaar, Beverwijk, Castricum, Uitgeestermeer Heiloo, Uitgeest en Zaanstad 6 ReinUnie Beverwijk en Velsen 7 Schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Haarlemmermeer, Heemstede, Uitgeest, Velsen en Zandvoort 8 Veiligheidsregio Kennemerland Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Haarlemmermeer, Heemstede, Uitgeest, Velsen en Zandvoort
1
Convenanten en beleidsovereenkomsten Aanpak schoolverzuim
Partners Gemeenten van Zuid- en Midden Kennemerland, waaronder Beverwijk, Haarlemmermeer, Uitgeest en Velsen, en gemeenten van Zaanstreek en Waterland Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, Halt 25
2
Bestuurlijke en geïntegreerde aanpak georganiseerde criminaliteit, bestrijding handhavingsknelpunten en bevordering integriteitsbeoordelingen
3
Bibliotheekwerk
5
Centrale opvang neveninstromers basisonderwijs in de schakelklas “de Fakkel”
6
Centrum Jeugd en Gezin Regio MiddenKennemerland Grond Exploitatie Maatschappij Broekpolder
7
8 9 10
Grond Exploitatie Maatschappij Herstructurering Heemskerk IJmond Bereikbaar
11
Intentieovereenkomst op het gebied van informatiemanagement en automatisering tussen de IJmond-gemeenten Leerlingenbouwplaatsen IJmond
12
Noodteamconvenant
13 14
Openbare verlichting en verkeersinstallaties OV-taxi Zuid-Kennemerland/IJmond
15
Platform IJmond Bereikbaar
16
Project Ongebruikelijk Bezit
17
Regionaal waterplan Beverwijk, Heemskerk
26
Kennemerland, Halt Zaanstreek en Waterland, Raad voor de Kinderbescherming en het Openbaar Ministerie Provincie Noord-Holland Gemeenten in de regio’s Kennemerland, Noord-Holland-Noord en Zaanstreek Waterland, waaronder Beverwijk, Uitgeest en Velsen; Politie, het Openbaar Ministerie, de belastingdienst, de Douane, de Koninklijke Marechaussee, het ISZW, het FIOD en de IND Beverwijk Stichting verenigde openbare bibliotheek Beverwijk-Heemskerk Beverwijk Stichting Openbaar Primair Onderwijs IJmond, stichting Fedra, stichting Beverwijkse Montessorischolen, stichting basisonderwijs Wijk aan Zee en Tabijn Beverwijk, Uitgeest en Velsen Diverse stichtingen Beverwijk Heijmans BV, AM BV en Grond Exploitatie Maatschappij Broekpolder Beheer BV WOONopMAAT Beverwijk, Uitgeest en Velsen Milieudienst IJmond Beverwijk, Uitgeest en Velsen
Beverwijk, Castricum, Uitgeest en Velsen WOONopMAAT, Pré Wonen, Woningbedrijf Velsen, AWV Eigen Haard, Fundeon, SSPB, Woningcorporatie Kennemerhave, Bouwend Nederland Beverwijk en Uitgeest Diverse zorgaanbieders, woningcorporaties en de politie Beverwijk Provincie Noord-Holland Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Heemstede, Uitgeest, Velsen en Zandvoort Beverwijk, Uitgeest en Velsen Milieudienst IJmond, Federatie Ondernemende IJmond, Stichting Gemeenten in de regio Kennemerland, waaronder Beverwijk, Uitgeest en Velsen Beverwijk en Uitgeest
18 19
20
21 22
en Uitgeest Regionale economische zaken Regionale samenwerking waterketen NoordKennemerland Zuid
Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier Beverwijk en Velsen Beverwijk en Uitgeest Hoogheemraadschap Hollandskwartier
Subsidieverlening maatschappelijke begeleiding van vluchtelingen en generaal pardonners Uitvoeringsovereenkomst Kerbert Asiel
Beverwijk, Castricum en Uitgeest
23
Uitvoeringsovereenkomst subsidie Stichting Welzijn Beverwijk Verbinding A8-A9
24
Verwijsindex risico jeugdigen Noord-Holland
25
VIOS (Veilig in en om school)
26
Wandelnetwerk
27
Woonruimte verdeling
1
Dienstverleningsovereenkomst Stichting Halt
Beverwijk, Uitgeest en Velsen Kerbert dierentehuis Beverwijk en Stichting Welzijn Beverwijk Provincie Noord-Holland, stadsregio Amsterdam; Beverwijk, Uitgeest, Velsen en Zaanstad Beverwijk, Uitgeest, Velsen en diverse overige gemeenten en instellingen Beverwijk, Castricum en Uitgeest Scholen Voortgezet Onderwijs, politie en Halt Alkmaar, Bergen, Beverwijk, Castricum, Heerhugowaard, Heiloo, Langedijk, Uitgeest en Velsen Beverwijk en Uitgeest; Wooncorporaties Pré Wonen, WOONopMAAT en De Wonerij Partners Gemeenten Noord- en Zuid-Kennemerland, waaronder Beverwijk, Uitgeest en Velsen Stichting Halt Kennemerland
27
Bijlage
II Formeel kader
Ingevolge artikel 160 lid 2 van de Gemeentewet besluit het college slechts tot oprichting van en deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen en coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen. Het derde lid geeft vervolgens aan: een besluit als bedoeld in het tweede lid behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. In het Besluit Begroting en Verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) zijn bepalingen opgenomen over de verbonden partijen. Artikel 15 lid 1 BBV geeft aan dat de paragraaf verbonden partijen in de begroting van de gemeente tenminste dient te bevatten: a. De visie van de gemeente op de verbonden partijen in relatie tot de realisatie van de doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting; b. De beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen; c. De lijst van verbonden partijen. In artikel 15 lid 2 BBV wordt verder bepaald dat in de lijst van verbonden partijen ten minste de volgende informatie wordt opgenomen: a. De naam en vestigingsplaats; b.
Het openbaar belang dat op deze wijze behartigd wordt; c. De veranderingen die zich hebben voorgedaan gedurende het begrotingsjaar in het belang dat de gemeente onderscheidenlijk de provincie in de verbonden partij heeft; d. Het eigen vermogen en het vreemd vermogen van de verbonden partij aan het begin en aan het einde van het begrotingsjaar; e. Het resultaat van de verbonden partij. Artikel 2, lid 1 van de Wet financiering decentrale overheden geeft aan dat Openbare lichamen leningen aangaan, middelen uitzetten of garanties verlenen, uitsluitend ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak. Samenwerking tussen gemeenten wordt gezien als een nuttig instrument voor de uitvoering van lokale taken. Een belangrijk juridisch kader voor deze samenwerking vormt de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). De Wgr is in essentie het wettelijk kader voor de (vrijwillige) samenwerking tussen gemeenten voor de uitvoering van lokale taken. Artikel 1 Wgr bepaalt het volgende: 1. De raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van twee of meer gemeenten kunnen afzonderlijk of tezamen, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die gemeenten. 2.
De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters gaan niet over tot het treffen van een regeling dan na verkregen toestemming van de gemeenteraden. De toestemming kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 3. Onder het treffen van een regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een regeling.
28
Bijlage
III Samenwerkingsvormen
Er zijn verschillende vormen van samenwerking, deze hebben elk hun eigen voor- en nadelen voor de gemeente. De gemeente Heemskerk is veelal vrij om voor één van deze vormen te kiezen. Wanneer de gemeente besluit samen te werken, kan dit op drie manieren. Ten eerste door afstemming, ten tweede door een netwerkconstructie en ten derde door het oprichten van een zelfstandige organisatie. Deze drie vormen kunnen elk op zowel publiek- als privaatrechtelijke wijze worden ingevuld. In onderstaande tabel komen de voor- en nadelen van publiekrechtelijke- en privaatrechtelijk samenwerking naar voren.
Voordelen
Nadelen
Publiekrechtelijke samenwerking Er is meer aandacht voor democratische controle en verantwoording, hierdoor wordt de transparantie vergroot.
Er bestaat een risico van gebrek aan slagvaardigheid. Het financiële risico is hoog, omdat de gemeente in de meeste gevallen volledig financieel aansprakelijk is.
Privaatrechtelijke samenwerking De mogelijkheid om met commerciële partijen samen te werken, hierdoor wordt namelijk specifieke kennis en ervaring aan de organisatie toegevoegd. Slagvaardigheid. Het financiële risico is laag. Er is slechts een beperkte aansprakelijkheid voor de gemeente. Er is een gebrek aan democratische controle en verantwoording. Er is een gebrek aan bestuurlijke invloed, met name wanneer de gemeente de rol van aandeelhouder heeft.
In deze bijlage wordt gebruik gemaakt van verwijzingen naar de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Publiekrechtelijke samenwerkingsvormen Publiekrechtelijke samenwerking vindt plaats op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Dit kan plaats vinden in de volgende vormen: Gemeenschappelijk openbaar lichaam Dit is de zwaarste samenwerkingsvorm. Het openbaar lichaam (art. 8 lid 1 Wgr) heeft rechtspersoonlijkheid zodat het zelfstandig kan optreden in het maatschappelijk verkeer. Het heeft een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter (art. 12 lid 1 Wgr). Gemeenten die deelnemen kunnen taken en bevoegdheden delegeren aan het openbaar lichaam, in principe kunnen vrijwel alle taken worden overgedragen, zowel raadstaken als collegetaken. Ook mandaatverlening is mogelijk (zie ook pagina 34) Deze samenwerkingsvorm wordt in de praktijk vaak gebruikt voor regionale samenwerking, samenwerking bij politiek gevoelige taken en bij uitvoerende taken. Uitsluitend raadsleden, collegeleden en burgemeesters kunnen lid zijn van het bestuur van een openbaar lichaam. Raadsleden kunnen alleen zitting nemen in het bestuur als de gemeenschappelijke regeling wordt aangegaan door de (samenwerkende) gemeenteraden.
29
Plus- en minpunten voor samenwerking in de vorm van een openbaar lichaam: Pluspunten
Minpunten
Gelijkwaardigheid van de samenwerking.
De taakuitvoering komt op afstand van de afzonderlijke gemeenten te staan. Dit maakt mogelijkheden voor sturing en controle door de afzonderlijke gemeenten moeilijker. Verlies aan autonomie bij de afzonderlijke gemeenten. Dit is vooral een minpunt als aan het samenwerkingsverband belangrijke activiteiten en bevoegdheden zijn overgedragen. Voor uitvoerende taken is het openbaar lichaam vaak te zwaar, maar wel noodzakelijk in verband met de rechtspersoonlijkheid.
Door overdracht van bevoegdheden, kan slagvaardig bestuur op regionaal niveau ontstaan. Het openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid. Vrijwel alle taken kunnen in deze vorm aan de regeling worden overgedragen.
Gemeenschappelijk orgaan Dit is een lichtere vorm van samenwerking en het gemeenschappelijk orgaan (art. 8 lid 2 Wgr) heeft een beperkte rechtspersoonlijkheid. Personeel moet daardoor altijd in dienst zijn van één of meer deelnemers. Het heeft alleen een dagelijks bestuur, zodat sterke sturing vanuit de afzonderlijke gemeenten vereist is. Aan een gemeenschappelijk orgaan kunnen geen regelgevende bevoegdheden worden gedelegeerd, wel kunnen deelnemende gemeenten beschikkingsbevoegdheden overdragen aan het gemeenschappelijk orgaan, echter niet de bevoegdheid om belastingen te heffen of algemeen verbindende voorschriften te geven (zie ook pagina 34). Deze samenwerkingsvorm wordt wel gebruikt voor enkelvoudige samenwerking of voor afstemming. Het gaat dan vaak om een gemeenschappelijke regeling die voor één bepaald beleidsterrein gericht is op visievorming en onderlinge afstemming. Een regeling als deze kan worden aangegaan door de raden van de deelnemende gemeenten, de colleges, de burgemeesters of door een combinatie hiervan (art. 15 jo. art. 13 Wgr). Plus- en minpunten voor samenwerking in de vorm van een gemeenschappelijk orgaan: Pluspunten
Minpunten
Gelijkwaardigheid van de samenwerking.
De taakuitvoering komt op afstand van de afzonderlijke gemeenten te staan. Dit maakt mogelijkheden voor sturing en controle door de afzonderlijke gemeenten moeilijker. Verlies aan autonomie bij de afzonderlijke gemeenten. Dit is vooral een minpunt als aan het samenwerkingsverband belangrijke activiteiten en bevoegdheden zijn overgedragen.
Door overdracht van bevoegdheden, kan slagvaardig bestuur op regionaal niveau ontstaan.
Centrumgemeente Hier zijn twee vormen van, een enkelvoudige centrumregeling waarbij één gemeente als centrumgemeente wordt aangewezen, en een meervoudige centrumregeling waarbij meerdere centrumgemeenten worden aangewezen (art. 8 lid 3 Wgr). De deelnemers komen overeen dat bevoegdheden van een bestuursorgaan van de ene gemeente worden uitgeoefend door een bestuursorgaan van de andere gemeente. Het ene gemeentebestuur mandateert dus bestuursbevoegdheden aan het andere (zie ook pagina 34). Bij een centrumgemeente hoeft niet voor elk onderdeel expliciet toestemming gegeven te worden door de mandaatgever en er hoeft geen
30
nieuwe organisatie te worden opgezet. Het is een lichte vorm van samenwerking die uitsluitend op contractuele basis plaatsvindt. Plus- en minpunten voor samenwerking in de vorm van een centrumgemeente: Pluspunten
Minpunten
De samenwerking kan eenvoudig tot stand worden gebracht. Een al bestaande organisatie wordt met de uitvoering belast. Gemeenten kunnen gebruik maken van de sterke punten van een van de partners
Geen gelijkwaardigheid van de samenwerking. De uitbestedende gemeente is afhankelijk van de gemeente die de activiteit uitvoert.
Regeling zonder meer Bij deze regeling wordt binnen de Wet gemeenschappelijke regelingen samengewerkt, zonder gebruik te maken van de mogelijkheden van het gemeenschappelijk openbaar lichaam, gemeenschappelijk orgaan of de centrumgemeente. Dit is een lichte vorm van samenwerking waar delegeren en mandateren niet aan de orde is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan convenanten, intentieovereenkomsten en bestuursafspraken. De regeling wordt in werking gesteld door een overeenkomst tussen bestuursorganen (art. 1 lid 1 Wgr) en is een publiekrechtelijke overeenkomst. Indien artikel 1 Wgr in de overeenkomst wordt aangehaald, is het duidelijk dat het om publiekrechtelijke afspraken gaat. Het niet aanhalen van dit artikel kan rechtsgevolgen hebben omdat er dan onduidelijkheid bestaat. Plus- en minpunten voor samenwerking in de vorm van een regeling zonder meer: Pluspunten
Minpunten
Gemeenten kunnen binnen de kaders van de Wgr bestuursafspraken maken, de samenwerking blijft zo publiekrechtelijk.
De regeling biedt maar beperkte mogelijkheden.
Shared service center Bij een shared service center worden de krachten van de ambtelijke organisaties gebundeld binnen één nieuwe organisatie, om opdrachten uit te voeren voor verschillende autonome gemeentebesturen. Het is vooral geschikt om schaalvoordelen en kostenvoordelen te realiseren, de dienstverlening te professionaliseren en de kwetsbaarheid van de organisatie te beperken. De beleidsverantwoordelijkheid blijft bij de gemeentebesturen en er worden geen bevoegdheden overgedragen. Het Shared service center verleent diensten op basis van een dienstverleningsovereenkomst (zie meer hierover bij de privaatrechtelijke samenwerkingsvormen) en zowel publiekrechtelijke constructies volgens de Wgr als privaatrechtelijke constructies zijn mogelijk. Bij beleidsrijke zaken en overdracht van publieke bevoegdheden en personeel zal een constructie op basis van de Wgr vaker voorkomen. Plus- en minpunten van samenwerking door middel van een shared service center: Pluspunten
Minpunten
De gemeenten behouden hun autonomie (beleidsvrijheid).
Er moet veel tijd en energie worden gestopt in het oprichten en vormgeven van een nieuwe samenwerkingsorganisatie. Efficiencywinst wordt vooral bereikt als gemeenten hun beleid op elkaar afstemmen (en dus een deel van hun autonomie inleveren).
Schaalvoordelen kunnen worden gerealiseerd zonder gemeentelijke herindeling/
31
Privaatrechtelijke samenwerkingsvormen Privaatrechtelijke samenwerking kan plaats vinden in de volgende vormen: Besloten Vennootschap (BV) Een BV heeft rechtspersoonlijkheid en kan zelfstandig optreden in het maatschappelijk verkeer. Het heeft een in aandelen verdeeld maatschappelijk kapitaal (art. 2:175 lid 1 BW) en wordt opgericht met het doel om winst te maken voor de aandeelhouders. ‘Besloten’ hield in dat de aandelen niet vrij overdraagbaar waren. Sinds 1 oktober 2012 mogen de statuten echter bepalen dat er geen blokkeringsregeling van toepassing is. Een BV wordt opgericht bij notariële akte, daarvoor is geen minimum kapitaal meer vereist. Wel moet sprake zijn van een positieve nominale waarde in het handelsverkeer. De Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) is het orgaan met de hoogste zeggenschap. De statuten kunnen bepalen dat de AVA aanwijzingen kan geven aan het bestuur en dat het bestuur verplicht is deze aanwijzingen op te volgen. Behoudens beperkingen uit de statuten is het bestuur (vaak directie genoemd) belast met het besturen van de vennootschap. Zij worden benoemd, geschorst en ontslagen door de AVA. Verder kan in de statuten zijn bepaald dat er een Raad van Commissarissen (RvC) is. Die heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en de algemene zaken.
Naamloze Vennootschap (NV) Een NV heeft rechtspersoonlijkheid en een in aandelen verdeeld maatschappelijk kapitaal. Deze aandelen zijn vrij overdraagbaar (art. 2:64 lid 1 BW). Deze samenwerkingsvorm wordt weinig gebruikt vanwege de eenvoudige overdraagbaarheid van de aandelen. Vennootschap onder firma (Vof) Deze samenwerkingsvorm heeft geen rechtspersoonlijkheid en wordt relatief weinig gebruikt vanwege de directe aansprakelijkheid van de bestuurders. Stichting Een stichting heeft rechtspersoonlijkheid en kan dus zelfstandig optreden in het maatschappelijk verkeer. Een stichting wordt opgericht bij notariële akte om een bepaald doel te realiseren, door middel van de inzet van haar vermogen. Er is geen winstoogmerk, eventuele positieve resultaten moeten ten goede komen aan ideële maatschappelijke of sociale doeleinden. Gemeenten gebruiken de stichtingsvorm vaak om geoormerkt geld adequaat te besteden onder leiding van een zelfstandig bestuur. Dit gaat vaak om schoolbesturen, bibliotheken, schouwburgen en dergelijke. De verantwoordingsmechanismen zijn beperkt: een stichting kent geen leden, het bestuur hoeft alleen verantwoording af te leggen over het behalen van het doel. In de statuten kan wel worden bepaald dat er bijvoorbeeld een Raad van Toezicht of Raad van Commissarissen is waaraan verantwoording moet worden afgelegd.
Vereniging Een vereniging heeft volledige of beperkte rechtsbevoegdheid. Voor volledige rechtsbevoegdheid vindt oprichting plaats bij notariële akte, de vereniging heeft dan rechtspersoonlijkheid. Ook een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid heeft rechtspersoonlijkheid, de statuten zijn dan echter niet opgenomen in een notariële akte. Dit heeft tot gevolg dat de vereniging geen registergoederen (onroerend goed e.d.) kan verwerven, niet kan erven en dat de bestuurders naast de vereniging hoofdelijk aansprakelijk zijn voor schulden van de vereniging. De vereniging wordt opgericht om een bepaald doel te realiseren. Er is geen winstoogmerk maar dat wil niet zeggen dat een vereniging geen winst mag maken. Deze mag alleen niet worden verdeeld onder de leden, de winst moet ten goede komen aan de vereniging zelf.
32
Een vereniging heeft leden en de Algemene Ledenvergadering (ALV) is het orgaan met de hoogste zeggenschap van de vereniging. Daarnaast is er een bestuur dat wordt benoemd en ontslagen door de ALV en de verantwoordelijkheid heeft voor de dagelijkse gang van zaken. Verenigingen worden weinig gebruikt als samenwerkingsvorm, een belangrijke reden hiervoor is waarschijnlijk dat de leden de vrijheid hebben om zonder nadere voorwaarden uit te treden. Dit is een risico voor de continuïteit. Coöperatie Een coöperatie heeft rechtspersoonlijkheid en kan personeel in dienst hebben. Dit is een samenwerkingsverband gericht op materieel voordeel van haar leden. Een coöperatie wordt opgericht om schaalvoordelen te behalen en mag winst uitkeren aan de leden. Oprichting vindt plaats bij notariële akte, daarbij worden gelijk de statuten opgesteld. Deze zijn nagenoeg gelijk aan die van de vereniging. De coöperatie heeft leden/eigenaren, elk lid heeft in beginsel één stem, er wordt een bestuur benoemd voor de dagelijkse gang van zaken en het voornaamste doel is de coöperatie dienen. Leden/eigenaren kunnen deel uit maken van het bestuur. Zij worden nauw betrokken bij de strategie van de coöperatie, houden toezicht en bepalen mede de investeringen.
Privaatrechtelijk convenant Een convenant is een samenwerkingsvorm tussen gemeenten (of tussen gemeenten en derden) en wordt vaak gebruikt in situaties waar de reguliere middelen niet effectief blijken. Er worden in een convenant uiteenlopende afspraken vastgelegd, veelal in de context beleid, intenties en samenwerking, hier is geen strikte vorm voor. Convenanten zijn vaak beperkt juridisch afdwingbaar, dit hangt af van de inhoud, voorbeelden zijn bestuursakkoorden, herenakkoorden, intentieovereenkomsten en beleidsakkoorden. Privaatrechtelijke overeenkomst Gemeenten sluiten onderling ook tal van andere privaatrechtelijke overeenkomsten dan convenanten, zoals dienstverleningsovereenkomsten, service level agreements, opdrachtovereenkomsten, en beheerovereenkomsten. Dergelijke overeenkomsten zijn voor concrete doeleinden eenvoudig op te stellen en er ontstaat in de regel een opdrachtgevers-/opdrachtnemersrelatie tussen de betrokken gemeenten. Dienstverleningsovereenkomst Dit is een privaatrechtelijke overeenkomst waarbij gemeenten afspreken dat de ene gemeente taken uitvoert voor de andere gemeente en kent een grote vormvrijheid. Juridisch is dit vaak een overeenkomst tot opdracht (art. 7:400 BW).
Delegatie en mandaat Bij sommige van de genoemde samenwerkingsvormen dient er gebruik te worden gemaakt van delegatie of mandaat. Om deze reden hier kort de verschillen. Delegatie is uitsluitend mogelijk wanneer het wettelijk voorschrift waarbij een bevoegdheid wordt ingesteld, of een algemeen wettelijke grondslag in een gelijkwaardige of hogere regeling, in de mogelijkheid voorziet (art. 10:15 Awb). Art. 30 lid 1 Wgr geeft gemeenten de mogelijkheid hun bevoegdheden van regeling en bestuur over te dragen aan het gemeenschappelijk orgaan. De bevoegdheid om belastingen in te stellen of algemeen verbindende voorschriften vast te stellen, mogen niet worden overgedragen (art. 30 lid 1 sub b Wgr). Ook de aard van de bevoegdheid kan zich tegen delegatie verzetten. Er kunnen ook bevoegdheden gemandateerd worden, hierop is de Awb van
33
toepassing. Bijna alle bevoegdheden kunnen worden gemandateerd, tenzij een wettelijk voorschrift of de aard van de bevoegdheid zich hiertegen verzet (art. 10:3 lid 1 Awb). Er mag niet gemandateerd dan wel gedelegeerd worden indien: - De bevoegdheid een zodanig karakter heeft, dat mandaat of delegatie in het geheel uitgesloten moet worden, omdat de besluitvorming door het orgaan dat de wetgever heeft aangewezen moet plaatsvinden. - De aard van de bevoegdheid niet ten principale aan mandaat of delegatie in de weg staat, maar dat het mandaat of de delegatie in concreto, gelet op de aard van de bevoegdheid, niet is toegestaan. Ook de positie van het bestuursorgaan dat de bevoegdheid gemandateerd krijgt kan hiertoe in de weg staan. Onderstaande tabel geeft de verschillen weer tussen delegatie en mandaat:
Basis
Delegatie (afd. 10.1.2 Awb) Wettelijke grondslag (art. 10:15 Awb)
Aan
Bestuursorganen, niet aan ondergeschikten (art. 10:14 Awb)
Verantwoordelijkheid
Bestuursorgaan dat de bevoegdheid krijgt, oefent deze onder eigen verantwoordelijkheid uit (art. 10:13 Awb)
Bevoegdheid oorspronkelijk orgaan Sturing door oorspronkelijk orgaan
Kan de bevoegdheid niet meer zelf uitoefenen (art. 10:17 Awb) Kan beleidsregels geven (art. 4:81 Awb en 10:16 Awb)
Doorgeven bevoegdheid
Subdelegatie is alleen mogelijk wanneer er een wettelijke grondslag is (art. 10:15 Awb)
Bezwaar
Bestuursorgaan dat de bevoegdheid krijgt, beslist op bezwaar
34
Mandaat (afd. 10.1.1 Awb) Altijd mogelijk, tenzij de aard van de bevoegdheid zich verzet (art. 10:3 Awb) Aan zowel ondergeschikten als niet-ondergeschikten (art. 10:4 Awb) De gemandateerde neemt de besluiten in naam van de mandaatgever. De mandaatgever is verantwoordelijk (art. 10:1 en 10:2 Awb) Kan de bevoegdheid ook nog zelf uitoefenen (art. 10:7 Awb) Kan algemene en specifieke instructies geven (art. 10:16 Awb) Ondermandaat is mogelijk wanneer de oorspronkelijke mandaatgever dit mogelijk maakt (art. 10:9 Awb) Gemandateerde mag in beginsel niet op bezwaar beslissen
Bijlage
IV Stappenplan
Gemeenten werken om allerlei redenen met elkaar samen, bijvoorbeeld wegens gezamenlijke opgaven, om meer kennis en kunde te kunnen delen of omdat ze er samen financieel beter van worden. Zoals al eerder naar voren is gekomen heeft de gemeente ruimte om zelf een keuze te maken in de vraag óf er wordt samengewerkt, en zo ja, op welke manier. In deze bijlage wordt er stap voor stap aangegeven welke keuzes de gemeente heeft. 1. Oriëntatiefase In deze fase wordt bepaald of samenwerking wenselijk en mogelijk is, welke taken en partijen daarbij betrokken raken, welke voorwaarden daarbij gelden en welke vorm de samenwerking dient te krijgen. Stap 1 Tijdens deze stap moet worden besloten voor welke gemeentelijke taak de taakbehartiging op een andere wijze kan of moet plaatsvinden. Ook is het van belang dat duidelijk wordt op welk beleidsterrein deze taak ligt, dit dient namelijk als afbakening voor een gemeenschappelijke regeling, statuten, dienstverleningsovereenkomst of overeenkomst tot opdracht. Er zijn driecategorieën: 1. Bedrijfsvoeringstaken. Deze heeft de gemeente omdat zij ook een organisatie is, het gaat hierbij om ondersteunende administratieve taken. In beginsel is dan ook geen sprake van publiekrechtelijke bevoegdheidsuitoefening, maar van het verrichten van feitelijke handelingen of privaatrechtelijke rechtshandelingen. 2. Uitvoeringstaken.
In beginsel is het college hiervoor bevoegd en verantwoordelijk. Hieronder valt het geven van beschikkingen, als vergunningen. Hier komen wel publiekrechtelijke bevoegdheden kijken, dit betekent dat publiekrechtelijke waarborgen als openbaarheid, bezwaar en rechtsbescherming door de bestuursrechter gelden. 3. Beleidsbepalende taken. Vaak zijn dit keuzes die politiek-bestuurlijk gevoeliger liggen. Het kan dan gaan om bevoegdheden van het college of van de burgemeester waarop de raad indringend toezicht houdt en waarover de raad met regelmaat met het college of de burgemeester van gedachten wil wisselen. De beleidskeuzen hangen namelijk samen met de kaderstellende rol van de raad. Stap 2 Tijdens deze stap dient gemeente Heemskerk te besluiten of zij de taak wil voortzetten of deze mag en wil beëindigen. Indien de gemeente besluit de taak niet voort te zetten is er sprake van het stoppen van de taak of privatisering. Indien de gemeente de taak wil voortzetten, zijn hierin drie opties: 1. Zelf doen Het gemeentebestuur houdt zelf verantwoordelijkheid voor de uitvoering. 2. Samenwerken De gemeente kan samenwerken met andere overheidslichamen (bestuurlijke samenwerking) of met private partijen (publiek-private samenwerking). 3. Uitbesteden Dit kan aan een private partij of een marktpartij.
Vaak wordt voor deze optie gekozen indien er verwacht wordt dat een marktpartij de taak voor een economisch voordeligere prijs kan uitvoeren.
35
Stap 3 Indien de gemeente Heemskerk heeft gekozen voor samenwerking, wordt tijdens deze stap bepaald met welke partijen de gemeente mag en kan samenwerken. De belangrijkste keuze is hier die tussen bestuurlijke samenwerking of publiek-private samenwerking, deze wordt bepaald naar de ‘aard van de taak’. Zo mogen bepaalde overheidstaken alleen door de overheid of een samenwerkingsverband van overheden worden uitgevoerd. Bij bestuurlijke samenwerking bestaat in veel gevallen de mogelijkheid te kiezen voor overdracht van bevoegdheden, bij publiek-private samenwerking is dit niet mogelijk omdat wettelijke grondslag hiertoe ontbreekt. Wel kan in beide gevallen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid tot het geven van een mandaat. De verantwoordelijkheid blijft dan liggen bij het gemeentelijk bestuursorgaan en de bevoegdheid wordt dan uitgeoefend in haar naam (zie meer over mandaat in op pagina 34). Indien wordt gekozen voor bestuurlijke samenwerkingspartners, staat de gemeente voor de volgende keuzes: 1. Met welk type overheidsorganisatie wil de gemeente Heemskerk samenwerken? Bijvoorbeeld een andere gemeente of de provincie. Dit is een afweging van bestuurlijke aard en gaat dan met name om kostenbeheersing, kwaliteitsverhoging en kwetsbaarheidsvermindering. 2. Met welke concrete organisatie wil de gemeente Heemskerk samenwerken? Bijvoorbeeld een buurgemeente.
Ook hier gaat het om een afweging van bestuurlijke aard en zijn kostenbeheersing, kwaliteitsverhoging en kwetsbaarheidsvermindering van belang. 3. Met welke bestuursorganen wil de gemeente Heemskerk samenwerken? Bijvoorbeeld met de colleges of juist de raden van andere gemeenten. Hier is meer sprake van een juridische keuze en is deze afhankelijk van de in te brengen taken en bevoegdheden: a. Bij beleidsbepalende samenwerking zal het vaak om samenwerking tussen raden gaan. b. Bij uitvoerings- en bedrijfsvoeringssamenwerking zal het vaak om samenwerking tussen colleges gaan. Stap 4 Tijdens deze stap dient gemeente Heemskerk een keuze te maken voor een samenwerkingsvorm. Deze keuze dient te worden gemaakt op basis van de gewenste intensiteit en de doelen van de samenwerking. Er zijn drie vormen van samenwerking: I. Afstemming II. Netwerkconstructie III. Zelfstandige organisatie Stap 5 Nu gemeente Heemskerk een keuze heeft gemaakt voor één van de drie voorgaande vormen van samenwerking, dient er vervolgens een keuze te worden gemaakt voor een rechtsvorm. Deze zijn uitgebreid aan bod gekomen zullen hier verder niet besproken worden. Publiekrechtelijk samenwerking Gemeenschappelijk openbaar lichaam Gemeenschappelijk orgaan Centrumgemeente Regeling zonder meer
36
Privaatrechtelijke samenwerking Besloten Vennootschap Naamloze Vennootschap Vennootschap onder firma Stichting Vereniging Coöperatie Privaatrechtelijk convenant Privaatrechtelijke overeenkomst Dienstverleningsovereenkomst
2. Implementatiefase In de eerste fase heeft gemeente Heemskerk verschillende keuzes gemaakt. Indien er is gekozen voor het opstellen van een gemeenschappelijke regeling, volgen er nu de stappen die vervolgens dienen te worden genomen. Stap 6 Tijdens deze stap dient de inhoud van de op te stellen gemeenschappelijke regeling te worden bepaald. Daarbij dienen in ieder geval beslissingen vastgelegd te worden over: 1. Duur van de gemeenschappelijke regeling. De regeling is een publiekrechtelijke overeenkomst die de deelnemende partijen bindt. Er moet dan ook bepaald worden of deze voor bepaalde of voor onbepaalde tijd wordt getroffen. e. Doelstelling van de gemeenschappelijke regeling. Er dient in een bepaling aan te worden gegeven met welk doel de samenwerking is aangegaan. Dit draagt bij aan een betere samenwerking en evaluatie. f. Wijziging van de gemeenschappelijke regeling (art. 9 lid 1 Wgr). De hoofdregel is dat een wijziging van een gemeenschappelijke regeling bij unanimiteit geschied. Op die manier heeft de gemeenteraad altijd invloed op de wijziging. Of doordat hij zelf deelneemt, of door middel van het toestemmingsrecht. Er kan in de regeling worden besloten dat niet bij unanimiteit tot wijziging wordt besloten maar bij een meerderheid. Indien de gemeente hiervoor kiest, moet duidelijk zijn dat hierdoor zeggenschap wordt weggegeven.
De bevoegdheid tot wijziging behoort immers toe aan de deelnemende bestuursorganen (art. 1 lid 3 jo. lid 1 Wgr), niet aan bijvoorbeeld het algemeen bestuur van het gemeenschappelijk openbaar lichaam. 4. Toetreding van nieuwe deelnemers. Indien er sprake is van een regeling voor onbepaalde tijd moet deze bepalingen bevatten over de toetreding van nieuwe deelnemers. Voor een regeling voor bepaalde tijd geldt deze eis niet, maar dit mag alsnog worden geregeld. Uitgangspunt is dat toetreding plaat vindt bij unanimiteit, hier kan net als bij een wijziging in de regeling van worden afgeweken. 5. Uittreding. Indien er sprake is van een regeling voor onbepaalde tijd moet deze bepalingen bevatten over de uittreding van deelnemende gemeenten. Ook bij een voor bepaalde tijd getroffen regeling mag zo een bepaling worden opgenomen. Strikt genomen geldt voor uittreding dezelfde eisen als voor wijziging en toetreding. Dit is onwenselijk omdat het gemeentebestuur dan niet zelfstandig tot uittreding over kan gaan. Het is logischer om uittreding anders te behandelen, zodat het gemeentebestuur eenzijdig kan beslissen tot uittreding. Het wordt dan ook sterk aanbevolen altijd te voorzien in een regeling voor uittreding en de gevolgen hiervan. 6. Opheffing. Indien er sprake is van een regeling voor onbepaalde tijd moet deze bepalingen bevatten over de opheffing (art. 9 lid 1 Wgr).
Hier moet vooral worden gedacht aan procedurele bepalingen, wat wordt bijvoorbeeld gedaan met de kosten of baten? Indien er sprake is van een regeling voor bepaalde tijd vervalt deze van rechtswege. Om vóór dit moment de regeling op te heffen is een specifieke voorziening in de regeling nodig, men is echter niet verplicht zo een bepaling op te nemen. 7. Personeel. Er dienen bepalingen met betrekking tot het personeel te worden opgenomen. Zo bezit bijvoorbeeld het gemeenschappelijk orgaan geen rechtspersoonlijkheid (art. 3:32 en 2:5 BW) en kan dus geen arbeidsovereenkomsten sluiten of ambtenaren aanstellen. Wanneer het gemeenschappelijk orgaan dan ook personeel nodig heeft, moet dit in de gemeenschappelijke regeling via een centrumregeling worden opgelost. 37
8. Vestigingsplaats. In het geval van een regeling betreffende een gemeenschappelijk openbaar lichaam of een gemeenschappelijk orgaan dient de regeling te bepalen wat de vestigingsplaats is (art. 10 lid 3 Wgr). 9. Inwerkingtreding De gemeenschappelijke regeling dient zelf een bepaling te hebben met de datum waarop de regeling in werking zal treden. Stap 7 Tijdens deze stap wordt er bepaald volgens welke procedure en door welke bestuursorganen besluiten moeten worden genomen om te komen tot de beoogde gemeenschappelijke regeling. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen: 1. Raadsregeling In dit geval is het de raad die besluit tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling. De procedure is in dit geval als volgt: slechts de raden van de deelnemende gemeenten hoeven te besluiten, al moeten wel alle raden gelijkluidend stemmen. Amendering door één raad moet ertoe leiden dat de besluitvorming in andere raden die eventueel al besloten hebben, moet worden overgedaan. 2. Collegeregeling In dit geval loopt de procedure als volgt: er wordt een conceptregeling voorbereid door het college, dat een principebesluit moet nemen over de samenwerking. Vervolgens moeten de conceptstukken naar de raad, die beslist dan of het college toestemming krijgt de gemeenschappelijke regeling te treffen (art. 1 lid 2 Wgr).
Hierbij heeft de raad twee toetsingsgronden: de strijd met het recht of de strijd met het algemeen belang (art. 10:32 lid 1 jo. art 10:27 Awb jo. art. 1 lid 2 Wgr). Indien de raad toestemming weigert, kan het college de regeling niet treffen. De raad heeft dertien weken om te beslissen (art. 10:32 lid 1 jo. art. 10:31 lid 1 Awb), dit kan verlengd worden met nogmaals dertien weken (art.10:32 lid 1 jo. art. 10:31 lid 2 Awb). Is de toestemming dan nog niet verleend of geweigerd, dan wordt deze geacht stilzwijgend te zijn verleend (art. 10:32 lid 1 jo art. 10:31 lid 4 Awb). Na de toestemming van de raad moet het college nog definitief besluiten de regeling te treffen, zo kan het college hierbij ook de overwegingen van de raad betrekken. 3. Burgemeestersregeling In dit geval loopt de procedure als volgt: er wordt een conceptregeling voorbereid door de burgemeesters. De burgemeester neemt dan een principebesluit voor de samenwerking. Vervolgens moeten de conceptstukken naar de raad, die beslist dan of de burgemeester toestemming krijgt de gemeenschappelijke regeling te treffen (art. 1 lid 2 Wgr). Hierbij heeft de raad twee toetsingsgronden: de strijd met het recht of de strijd met het algemeen belang (art. 10:32 lid 1 jo. art 10:27 Awb jo. art. 1 lid 2 Wgr). Indien de raad toestemming weigert, kan de burgemeester de regeling niet treffen.
De raad heeft dertien weken om te beslissen (art. 10:32 lid 1 jo. art. 10:31 lid 1 Awb), dit kan verlengd worden met nogmaals dertien weken (art.10:32 lid 1 jo. art. 10:31 lid 2 Awb). Is de toestemming dan nog niet verleend of geweigerd, dan wordt deze geacht stilzwijgend te zijn verleend (art. 10:32 lid 1 jo art. 10:31 lid 4 Awb). Na de toestemming van de raad moet de burgemeester nog definitief besluiten de regeling te treffen, zo kan de burgemeester hierbij ook de overwegingen van de raad betrekken.
38
4. Gemengde regeling Hier zijn de bovengenoemde procedures eveneens van toepassing. Ook dan moet de raad beslissen wanneer hij deelneemt en moeten het college en de burgemeester beiden toestemming hebben van de raad. Stap 8 Tijdens deze stap moet de gemeenschappelijke regeling door de gemeente Heemskerk bekend worden gemaakt. Om in werking te treden moet een besluit tot het treffen van de gemeenschappelijke regeling namelijk bekend worden gemaakt (art. 3:40 Awb), dit geldt ook voor de regeling zelf (art. 26 lid 2 Wgr). In beginsel is een gemeenschappelijke regeling een besluit van algemene strekking en moet overeenkomstig artikel 3:42 lid 2 Awb bekend worden gemaakt. Dat betekent dat ook een bezwaarclausule moet worden opgenomen (art. 3:45 Awb). Stap 9 Tijdens deze stap treedt de gemeenschappelijke regeling in werking. Het moment van inwerkingtreding dient in de regeling zelf te worden bepaald. De regeling kan echter pas in werking treden nadat het bekend is gemaakt. Indien één van de deelnemers de regeling later dan de datum van inwerkingtreding bekend maakt, verschuift het moment van inwerkingtreding naar een later moment. 3. Evaluatiefase In deze fase draait het om de uitvoering van de door de gemeente Heemskerk opgestelde gemeenschappelijke regeling en de evaluatie hiervan. Stap 10 Tijdens deze stap vindt de uitvoering plaats.
Deze geschiedt op basis van de afspraken die zijn vastgelegd in onderliggende wetgeving, de gemeenschappelijke regeling en eventueel onder de gemeenschappelijke regeling hangende besluiten en regelingen. Stap 11 Bij deze stap vindt de (periodieke) evaluatie plaats van de gekozen samenwerkingsvorm, de inhoud en de uitvoering van de samenwerking. Om te komen tot een goede evaluatie is het van belang om vooraf goed te verwoorden wat de gemeenschappelijke doelstelling van de samenwerking is. Vervolgens kan jaarlijks bekeken worden wat de concrete doelstellingen voor dat betreffende begrotingsjaar zijn en kan bij het jaarverslag worden bekeken of daaraan voldaan is. Ook is het van belang bij de evaluatie te bekijken of de aansturing goed functioneert.
39
Bijlage
V Normenkader
Normenkader voor de beoordeling van de constructie van de samenwerking: Norm Rechtmatigheid en juridische betrouwbaarheid
Uitwerking ● De constructie en vormgeving voldoen aan de eisen van de Wgr en wet- en regelgeving ten aanzien van verbonden partijen en de daarbij behorende uitgangspunten en bedoelingen van de wetgever. ● De constructie en vormgeving voldoen aan de eisen van het BW ten aanzien van vennootschappen en de daarbij behorende uitgangspunten en bedoelingen van de wetgever. ● De constructie en vormgeving voldoen aan de eisen van markt en overheid zoals onder meer vastgelegd in het VWEU, de Europese Aanbestedingsrichtlijnen, de Mededingingswet en overige nationale weten regelgeving en de daarbij behorende uitgangspunten en bedoelingen van de wetgever. ● De constructie en vormgeving zijn voor het overige niet onrechtmatig of in strijd met dwingendrechtelijke verplichtingen.
Verantwoord openbaar bestuur
● Publieke waarborgen passen bij de mate van publiek karakter. ● De gekozen constructie is zowel bij de oprichting als in het heden geschikt, gelet op de aard van de taken, de te bereiken (beleids)doelen, en de te borgen belangen. Dit wordt stelselmatig getoetst. Waar nodig vindt correctie plaats in het construct. ● De constructie is begrijpelijk, helder en consequent vormgegeven. ● Het sturing-en verantwoordingsregime zijn adequaat vorm gegeven om rechtstatelijke legitimiteit en democratische controle en beïnvloeding mogelijk te maken.
Adequaat juridisch en financieel risico management
● Aard en omvang van het risico zijn voldoende duidelijk en voorzienbaar. ● Een te nemen risico is proportioneel aan de te dienen doelen. ● Een te nemen risico is proportioneel aan de zeggenschap. ● Risicoaanvaarding en risico afwenteling zijn gebaseerd op overwegingen van publiek belang en rechtsstatelijkheid.
40
√
Bijlage
VI Weerstandscapaciteit
Bij het begrip weerstandsvermogen gaat het om de mate waarin men in staat is middelen vrij te maken om substantiële tegenvallers op te vangen zonder dat dit gevolgen heeft voor het beleid en de bedrijfsvoering. Het weerstandsvermogen geeft de relatie weer tussen enerzijds de weerstandscapaciteit (middelen) en anderzijds de risico’s die worden gelopen en waarvoor geen voorziening is getroffen of verzekering is afgesloten. Het weerstandsvermogen is van belang bij het bepalen van de financiële positie voor de korte (begrotingsjaar) en middellange (meerjarenraming) termijn. Dit houdt ten eerste in dat duidelijk moet zijn wat de weerstandscapaciteit is. Dit bestaat uit de weerstandscapaciteit vermogen en de weerstandscapaciteit exploitatie. Vervolgens moet duidelijk zijn wat de risico’s zijn. In dit geval moet hieronder worden verstaan ‘het gevaar van schade of verlies als gevolg van interne en externe omstandigheden’. Dit moet dan gaan om ‘alle voorzienbare risico’s waarvoor geen voorzieningen zijn gevormd of die niet tot afwaardering van activa hebben geleid en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot het balanstotaal of de financiële positie’. Op basis van de geïnventariseerde risico’s dient een risicosimulatie te worden uitgevoerd.
Bij de begroting van de gemeente wordt een zekerheidspercentage van 80% gehanteerd, het verdient aanbeveling bij de verbonden partijen hetzelfde percentage te hanteren. Dit houdt in dat de verbonden partij in dat geval voor 80% zekerheid zelf alle risico’s kan dekken. Om te kunnen bepalen of het weerstandsvermogen toereikend is dient een relatie te worden gelegd tussen enerzijds de benodigde weerstandscapaciteit en anderzijds de beschikbare weerstandscapaciteit. Het bepalen van de ratio vindt dan plaats met de volgende formule: Beschikbare weerstandscapaciteit Benodigde weerstandscapaciteit
=
ratio
Voor de oordeelsvorming verdient het aanbeveling dezelfde tabel te gebruiken als bij de begroting, namelijk: Waarderingscijfer A B C D E F
Ratio > 2,0 1,4 – 2,0 1,0 – 1,4 0,8 – 1,0 0,6 – 0,8 < 0,6
Betekenis Uitstekend Ruim voldoende Voldoende Matig Onvoldoende Ruim onvoldoende
Bij de begroting van de gemeente is C de streefwaarde, het verdient aanbeveling bij de verbonden partijen dezelfde streefwaarde te hanteren. Dit zou inhouden dat wanneer de verbonden partij een waarde van C of hoger heeft, de gemeente Heemskerk zich weinig zorgen hoeft te maken over de financiële risico’s. Wanneer de waarde echter niet minstens C is, is dit een teken om in te grijpen en de samenwerking te heroverwegen.
41
Dit komt overeen met het bij de gemeente toegepaste systeem NARIS voor risicomanagement. Binnen het NARIS-systeem wordt ook gebruik gemaakt van de Monte Carlo simulatie. Dit is een spreadsheet simulatie waarin verschillende scenario’s worden berekend, om zo te bepalen wat waarschijnlijk de risico’s voor een bepaald jaar zijn en welk vermogen hiervoor nodig zal zijn.
42
Bijlage
VII Vragenlijsten
Aan deze notitie is onder andere vorm gegeven op basis van interviews met een raadslid, leden van het college en beleidsmedewerkers. Deze interviews vonden plaats aan de hand van onderstaande vragenlijsten. Raadslid en collegelid 1. Notitie Bent u bekend met de Notitie Verbonden Partijen? Zo ja, wat
Bent u op de hoogte van de verschillende
vindt u van de notitie? Heeft u nog op- of aanmerkingen?
samenwerkingsvormen, met andere woorden, de opties die de gemeente heeft wanneer de keuze voor samenwerking wordt gemaakt?
2. Rol van de raad/het college Bent u zelf betrokken bij een gemeenschappelijke regeling of
Hoe beoordeelt u of het doel van een samenwerking wordt
verbonden partij? Zo ja, op welke manier?
gerealiseerd?
Als lid van een verbonden partij, hoe communiceert u dan
Heeft u aan de informatie die u ontvangt voldoende om een
met de raad over uw informatie?
oordeel te kunnen vormen over de realisatie van het doel van de samenwerking?
Bent u bekend met de paragraaf verbonden partijen?
Bent u van mening dat u als raadslid voldoende op de hoogte bent van het (financiële) beleid van de verbonden partijen?
3. Informatievoorziening Heeft u regelmatig afstemming met uw collega-raadsleden/
Hoe zou u de communicatie/ informatievoorziening tussen de
collegeleden over de verbonden partijen?
gemeente en verbonden partijen kenmerken? Wat zijn sterke punten, wat zijn verbeterpunten?
Heeft u regelmatig afstemming met uw collega-raadsleden/ collegeleden van de overige deelnemende gemeenten over verbonden partijen? 4. Risico’s Bent u bekend met de mogelijke risico’s die met een
De samenwerking met verbonden partijen gaat gepaard met
verbonden partij gepaard gaan?
verschillende soorten risico’s, met name op financieel en bestuurlijk gebied. Denkt u dat deze risico’s verminderd kunnen worden? Zo ja, hoe?
Hoe wordt door de raad/het college met de verschillende risico’s omgegaan? (specifiek ook het probleem van de dubbele petten) 5. Sturing en controle Hoe maakt de raad/het college gebruik van zijn
Hoe zijn de sturing en controle door de gemeente geregeld,
bevoegdheden ten opzichte van verbonden partijen? Met
op het financieel gebied van de verbonden partij? Hoe denkt
name de inlichtingenplicht voor het algemeen bestuur en de
u dat dit verbeterd kan worden?
mogelijkheid zienswijzen bekend te maken met betrekking tot financiën. Hoe zijn de sturing en controle door de gemeente geregeld,
Hoe denkt u over de mogelijkheid om de centrale coördinatie
op het gebied van het beleid van de verbonden partij? Hoe
van de beheersing van alle verbonden partijen bij één
denkt u dat dit verbeterd kan worden?
wethouder onder te brengen?
43
Beleidsmedewerker 1. Notitie Bent u bekend met de Notitie Verbonden Partijen?
Bent u op de hoogte van de verschillende samenwerkingsvormen?
Wat vindt u van de huidige notitie?
Bent u van plan om de notitie als uitgangspunt te gebruiken bij het maken van een nieuwe keuze?
Is er iets dat u graag zou willen schrappen dan wel wijzigen? 2. Gemeenschappelijke regeling Wat is uw rol bij de gemeenschappelijke regeling?
Wat zijn de negatieve aspecten van de regeling?
Hoe gaat de samenwerking met de gemeenschappelijke
Wat ziet u als voor- en nadelen van de huidige wijze waarop
regeling?
wordt samengewerkt?
Wat zijn de positieve aspecten van de regeling?
Zijn er verbeteringen of veranderingen gewenst?
3. Verbonden partij Wat is de doelstelling van de verbonden partij?
c.
Welke bestuurlijke gemeente-functionarissen hebben namens
d.
Welke afspraken zijn er over: afbakening van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden? Welke afspraken zijn er over: risico’s, risicoverdeling en de wijze waarop deze worden beheerst?
e.
Welke afspraken zijn er over: een evaluatie?
f.
Welke afspraken zijn er over: ‘what if’ scenario’s?
g.
Welke afspraken zijn er over: ontbindingsvoorwaarden?
h.
Is de verbonden partij de afgelopen jaren in staat geweest om de afspraken na te komen?
de gemeente zitting in een bestuursorgaan van de verbonden partij? Welke ambtelijke gemeente-functionarissen maken deel uit van de verbonden partij? Hoe werkt de selectie van deze functionarissen en op welke wijze worden zij benoemd? Welke bevoegdheden heeft de gemeente ten opzichte van de verbonden partij? Op welke wijze maken de gemeenten gebruik van deze bevoegdheden? Ontplooit de verbonden partij ook activiteiten voor anderen
Wat zijn uw ervaringen met de activiteiten en doelen van de
dan de deelnemende gemeenten? Zo ja: welke?
verbonden partij in de afgelopen jaren? Is de verbonden partij er in geslaagd zich te richten op de activiteiten die zij belangrijk vindt? Heeft zij haar doelen bereikt?
Maakt de gemeente periodieke afspraken over de producten
Wat ziet u momenteel als de grootste kansen en
of diensten, de activiteiten of de doelen? Zo ja:
bedreigingen voor de verbonden partij?
a.
Hoe zien deze afspraken eruit?
b.
Welke prestaties worden op welke wijze geleverd, wanneer en voor welke vergoeding?
Wanneer vind de evaluatie plaats? Welke afspraken zijn hierover gemaakt? Zijn er momenteel knelpunten in de relatie tussen de gemeente en de verbonden partij?
4. Informatievoorziening Hoe ziet de reguliere informatievoorziening tussen gemeente
In welke situatie informeert de verbonden partij de gemeente
en de verbonden partij eruit?
tussentijds?
Hoe gaat u binnen de gemeente om met de informatie die u
Kunt u voorbeelden uit het verleden geven waarin dat heeft
ontvangt? Kan de gemeente bijsturen?
plaatsgevonden?
Op welke wijze wordt de gemeenteraad geïnformeerd?
Hoe zou u de communicatie/ informatievoorziening tussen de gemeente en de verbonden partij kenmerken? Sterke punten, verbeterpunten?
5. Risico’s c.
Vorming van reserves en voorzieningen?
Inventariseert de verbonden partij deze risico’s?
d.
Vervreemding van activa?
Inventariseert de gemeente de risico’s in relatie tot de
e.
Begrotingswijzigingen?
Bent u bekend met de mogelijke risico’s die met een verbonden partij gepaard gaan?
44
verbonden partij? En zo ja, wie doet dat? Wat zijn de belangrijkste financiële risico’s voor de gemeente
f.
met betrekking tot deze verbonden partij?
Activiteiten voor derden: wanneer wel/niet? Bestemming opbrengsten? Dekken tekorten?
Hoe worden de financiële risico’s beheerst?
g.
Wat vindt u van het huidige financiële arrangement? In welke opzichten werkt het goed, in welke minder goed?
Welke afspraken zijn er over:
Hoe wordt met de verschillende risico’s omgegaan? (specifiek dubbele petten)
a.
Melding en afdekken van exploitatietekorten?
De samenwerking gaat gepaard met verschillende risico’s, denkt u dat deze risico’s verminderd kunnen worden? Zo ja, hoe?
b.
Positieve exploitatiesaldi?
6. Sturing en controle Hoe is de sturing op het gebied van beleid?
b.
Hoe is de controle op het gebied van beleid?
c.
Hoe is de sturing op financieel gebied?
d.
Hoe is de controle op financieel gebied?
e.
Hoe denkt u over het ambtelijk proces:
f.
a.
Wie is de financieel verantwoordelijke medewerker?
Wie is de beleidsmatig/ inhoudelijk verantwoordelijke medewerker? Is er vervanging geregeld? Hoe wordt de planning bewaakt ten aanzien van het tijdig aanleveren van zienswijzen? Hoe (vaak) wordt overlegd met de bestuurlijk verantwoordelijke? Wat is het beoordelingskader voor de aangeleverde gegevens?
Hoe denkt u over de mogelijkheid om de centrale coördinatie van de beheersing van alle verbonden partijen bij één wethouder onder te brengen?
45