Hervormingsagenda Jeugd 2023 - 2028
Tekst van het document
2.6.1 Versterken van de regio’s De eerste bouwsteen betreft het versterken van de regio’s. Het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ is het vertrekpunt voor de voorstellen over regionalisering in de Hervormingsagenda. Het wetsvoorstel bestaat uit twee onderdelen: 1. Sterkere samenwerkingsverplichtingen voor gemeenten; 2. Governance-bepalingen voor jeugdhulpaanbieders en GI’s.
Wat betreft regionalisering volgen uit de huidige versie van het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ reeds de volgende maatregelen: • In 2023 wordt een ministeriële regeling voorbereid waarin wordt vastgelegd welke gemeenten samenwerken in welke jeugdregio; • Nadat het wetsvoorstel in werking is getreden stelt iedere gemeente (in overleg met de andere gemeenten in de betreffende regio) een regiovisie vast, waarin zij opneemt hoe zij met andere gemeenten samenwerkt teneinde te bewerkstellingen dat (hoog)specialistische jeugdhulp voldoende beschikbaar is; • Nadat het wetsvoorstel in werking is getreden treffen gemeenten voor de organisatie van specialistische jeugdhulp een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Op grond van die gemeenschappelijke regeling richten gemeenten een bedrijfsvoeringsorganisatie of een openbaar lichaam op of wijzen een centrumgemeente aan die wordt belast met de regionale inkoop. Deze regionale entiteit wordt ‘Jeugdregio’ genoemd; • De vormen van jeugdhulp die regionaal moeten worden ingekocht, worden bij of krachtens amvb bepaald (ministeriële regeling). Dit wordt in 2023 voorbereid.
Indien uit signalen blijkt dat een gemeente of een Jeugdregio haar taken niet naar behoren uitvoert, dan zal de bewindspersoon van VWS dan wel de bewindspersoon voor Rechtsbescherming via het interbestuurlijk toezicht optreden.
Daarnaast is aan de Raad van State advies gevraagd over een wetsvoorstel ‘Wet taken zorgautoriteit op Jeugdwetterrein’. In dit wetsvoorstel krijgt de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de navolgende taken op het gebied van de Jeugdwet: • Stelselonderzoek naar de beschikbaarheid van jeugdzorg; • Vroegsignalering van risico’s gericht op de beschikbaarheid; • Toezicht op de verplichtingen rondom de openbare jaarverantwoording en transparante bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en GI’s. Omdat de voorstellen in het laatstgenoemde wetsvoorstel thematisch verbonden zijn aan die in het eerstgenoemde, is het voornemen het laatstgenoemde wetsvoorstel op te laten gaan in het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’. Afspraken: • Bij amvb worden inclusiecriteria (d.w.z. kenmerken van een regionaal in te kopen functie) vastgelegd op basis waarvan bepaald wordt welke zorgvormen regionaal worden ingekocht. De zorgvormen worden opgenomen in een ministeriële regeling. Bij de uitwerking daarvan wordt onder andere gekeken naar zorg met een acuut karakter (7x24 uur crisisdienst), onvrijwillige zorg, (hoog) complexe zorg, zorg voor kinderen met meervoudige problematiek, waarvan het volume laag is of waarvoor multidisciplinaire en vaak schaarse expertise nodig is.
Het gaat daarbij niet per definitie om intramurale zorg, maar het kan bijvoorbeeld ook specialistische ambulante behandeling betreffen. Er is al veel werk verricht en er liggen goede bijdragen van de verschillende partijen om deze amvb en ministeriële regeling invulling te geven. 40
Dit geeft het vertrouwen dat deze regelgeving voor het einde van het jaar in gezamenlijkheid afgerond kan worden en met het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer voorgehangen kan worden; • Aanvullend op het wetsvoorstel in zijn huidige vorm wordt tevens wettelijk geregeld dat alle administratieve processen in de regio voor tenminste regionaal in te kopen zorgvormen geharmoniseerd worden en door de Jeugdregio ten behoeve van de gemeenten in de regio afgehandeld worden; • Het is van belang dat de regio’s waarbinnen de zorg regionaal wordt ingekocht en georganiseerd voldoende robuust zijn. In 2023 worden er in samenspraak met gemeenten en jeugdhulpaanbieders criteria opgesteld op grond waarvan kan worden besloten of regio’s aan deze ‘robuustheidseisen’ voldoen om als regio te opereren. Samen met de gemeenten toetsen we de oorspronkelijke 42 jeugdregio’s aan de hand van die criteria op robuustheid; • Indien hieruit blijkt dat regio’s niet voldoende robuust zijn, respectievelijk een traject van in beginsel zes maanden om voldoende robuust te kunnen worden onvoldoende slaagt, kan de verantwoordelijke bewindspersoon van VWS besluiten om de regio-indeling aan te passen. Het resultaat van dit toetsingsproces leidt tot een regio-indeling die in de ministeriële regeling wordt opgenomen. De robuustheid van het vastgestelde aantal regio’s wordt na twee jaar geëvalueerd.
Indien blijkt dat aanpassingen nodig zijn, zal de verantwoordelijke bewindspersoon van VWS besluiten de regio-indeling aan te passen;
• Het Rijk zal jeugdhulpaanbieders en gemeenten betrekken bij het aanpassen van het wetsvoorstel en bij het opstellen van de amvb en de ministeriële regeling. De contouren van de amvb en de contouren van de zorgvormen in de ministeriële regeling zijn na de zomer van 2023 gereed; • Regionale inkoop wordt door gemeenten en jeugdhulpaanbieders voorzien van een passende bekostigingssystematiek, waarbij zij tenminste voor een aantal afgebakende zorgvormen een vorm van beschikbaarheidsbekostiging hanteren. Het streven is het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ inclusief het gedeelte waarmee de NZa nieuwe taken krijgt, in 2023 in te dienen bij de Tweede Kamer.
2.6.2 Standaardiseren van inkoop, kwaliteit en administratie De beschikbaarheid van (hoog)specialistische zorg voor jeugdigen wordt verder verbeterd door over te gaan tot standaardisering van inkoop, kwaliteit en administratie. Zo worden gemeenten, professionals en jeugdhulpaanbieders op een aantal taken ontlast en kunnen zij zich richten op het leveren van voldoende jeugdhulp en het versnellen van de transformatie. Standaardisering van inkoop, kwaliteit en administratie vormt daarom de tweede bouwsteen voor het verbeteren van de beschikbaarheid van (hoog)specialistische jeugdzorgvormen. Deze standaardisatie geldt voor alle vormen van zorg voor jeugdigen die gemeenten onder het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ op regionaal of landelijk niveau moeten inkopen en organiseren. Deze afspraken zijn opgenomen in paragraaf 2.7.1.
2.6.3 Inkopen op landelijke schaal De huidige problemen met betrekking tot de beschikbaarheid en continuïteit van zorg en gebrek aan regie op de transformatie van het zorglandschap spelen vooral bij zorgvormen die op regionale schaal moeten worden ingekocht. Daar ligt de grootste opgave voor verbetering van organisatie en inkoop. De vijf bouwstenen uit de Hervormingsagenda richten zich daarom vooral op deze regionale schaal en de ten minste regionaal in te kopen vormen van jeugdzorg. Deze worden opgenomen in de ministeriële regeling onder het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ (zie vorige paragraaf), alsmede de jeugdbescherming en jeugdreclassering. Gemeenten zijn gebonden aan de regionale samenwerking. De samenwerking wordt geformaliseerd volgens de Wet gemeenschappelijke Regelingen, waarin per 1 juli 2022 de democratische controle op de samenwerkingsverbanden is versterkt. Door de krachten te bundelen krijgen gemeenten meer grip op de organisatie van zorg, ontstaat er meer aandacht voor kwaliteit en kunnen de administratieve lasten omlaag. Een beperkt aantal zorgvormen vraagt om organisatie op landelijke schaal, omdat deze zorg hoogspecialistisch is en weinig voorkomt. De derde bouwsteen in het kader van het verbeteren van de beschikbaarheid van (hoog)specialistische jeugdhulp betreft daarom landelijke inkoop.
De landelijke inkoop van zorgvormen heeft een dynamisch karakter en dient in nauwe samenhang met de ordening van de zorg op regionaal en lokaal niveau te worden bezien. Landelijke inkoop vormt het hoogste schaalniveau in de samenwerking tussen gemeenten. Het is belangrijk dat gemeenten hieraan ook gebonden zijn.
41
Afspraken: • Het primaire doel van landelijke inkoop is het borgen van de beschikbaarheid en continuïteit van een aantal hoogspecialistische en weinig voorkomende vormen van jeugdzorg. De omvang van de landelijke zorgvormen blijft beperkt. • De huidige selectiecriteria voor de landelijke inkoop (prevalentie, uniciteit en kennis) blijven leidend. Het betreft dus met name hoogspecialistische en weinig voorkomende zorg, bijvoorbeeld een deel van de hoogspecialistische anorexiazorg, maar ook jeugdhulp in strafrechtelijk kader64 op basis van een vonnis wordt hieraan toegevoegd. Dit bevordert de regie en vermindert de lasten. • Rijk, gemeenten en aanbieders richten een zorglandschapstafel in. Deze tafel doet suggesties voor onderwerpen van het stelselonderzoek door de NZa en geeft aan Rijk en VNG advies over de inrichting van het zorglandschap met een focus op de zorgvormen die om landelijke inkoop vragen. De tafel betrekt bij dit laatste ook uitdrukkelijk de adviezen van de Jeugdautoriteit (en later: de NZa) en de uitkomsten van het stelselonderzoek. Het eerste advies van de zorglandschapstafel is voor het einde van 2023 gereed. • Het Rijk (vanuit haar stelselverantwoordelijkheid) en gemeenten (vanuit hun inkooprol) bespreken deze adviezen en komen binnen 6 maanden tot overeenstemming in het Bestuurlijk Overleg Rijk-VNG.
Op basis van deze bestuurlijke afspraken bepalen gemeenten (bijv. in de ALV VNG) of zij akkoord gaan met deze lijst van landelijk in te kopen vormen van jeugdzorg. Het collectief 64
van gemeenten blijft daarmee zeggenschap houden over de omvang van de landelijke inkoop en de wijze waarop de landelijke inkoop georganiseerd wordt. In een beleidsbrief aan het parlement legt de staatssecretaris verantwoording af over zijn stelselverantwoordelijkheid op dit punt. • Gemeenten dragen de inkoop van deze zorgvormen op aan een door hen in stand te houden, landelijk werkende instantie. De naam van het de huidige landelijke inkoop (LTA) wordt gewijzigd in ‘Landelijke Inkoop Jeugdhulp’ en de uitvoering van de landelijke inkoop wordt uitgebreid met beleidsontwikkeling en leveranciersmanagement van de zorg die op landelijk niveau wordt ingekocht. • Gemeenten betalen vanuit hun eigen budget de inzet van jeugdzorg vanuit de landelijke inkoop. Gemeenten en jeugdzorgaanbieders voorzien deze zorgvormen van een passende bekostigingssystematiek, waarbij voor een aantal afgebakende zorgvormen een vorm van beschikbaarheidsbekostiging gaat gelden. Dit vraagt om binding van gemeenten en inzet van rijk en gemeenten om tot beschikbaarheidsfinanciering te komen. • De JA c.q. NZa monitort de ontwikkelingen ten aanzien van de beschikbaarheid van zorg in het zorglandschap (stelselonderzoek), heeft in dat kader ook aandacht voor de ontwikkeling van landelijke inkoop, en heeft een signalerende rol richting Rijk.
Wanneer gemeenten of regio’s in gebreke blijven bij het borgen van de beschikbaarheid zet het Rijk stappen op de escalatieladder van het interbestuurlijk toezicht.
• Om invulling te geven aan de stelselverantwoordelijkheid van het Rijk m.b.t. het totale zorglandschap wordt in het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ de mogelijkheid opgenomen om bij ministeriële regeling de landelijk in te kopen zorgvormen aan te kunnen aanwijzen (een zogenoemde kan-bepaling). Tevens wordt in het wetsvoorstel de mogelijkheid opgenomen dat gemeenten de inkoop van deze zorgvormen opdragen aan een door hen in stand te houden, landelijk werkende instantie. • Bij het toepassen van deze kan-bepaling wegen gemeenten het effect van de aanwijzing op de interbestuurlijke verhoudingen en de consequenties voor de uitvoering. Deze kan-bepaling stelt het Rijk in de gelegenheid zijn stelselverantwoordelijkheid nemen voor alle vormen van jeugdhulp: naast lokaal en regionaal nu ook zorg die landelijk wordt ingekocht. • Van deze mogelijkheid in de wet- en regelgeving zal gebruik worden gemaakt indien het bestuurlijk overleg tussen Rijk en VNG over landelijk in te kopen zorgvormen en/of de uitvoering van bestuurlijke afspraken hierover onvoldoende soelaas biedt.
2.6.4 Regievoeren op regio-overstijgende transformatie De vierde bouwsteen voor het verbeteren van de beschikbaarheid van (hoog)specialistische vormen van jeugdhulp betreft het realiseren van landelijke regie op de transformatie van bepaalde jeugdzorgvormen. Dit gaat om de transformatie van voorzieningen als gevolg van landelijk gedragen inhoudelijke uitgangspunten en maatschappelijke
Jeugdhulp in strafrechtelijk kader betreft jeugdhulp die expliciet als voorwaarde is opgenomen in een strafrechtelijke beslissing binnen het jeugdstrafrecht. Deze jeugdhulp wordt geleverd door specialistische forensische aanbieders en is met name gericht op het voorkomen van recidive.
42
opvattingen over de jeugdhulp. Denk hierbij aan de afbouw en/of ombouw van de gesloten jeugdhulp en driemilieuvoorzieningen. Dit zijn ontwikkelingen waar alle jeugdregio’s en alle betrokken jeugdhulpaanbieders mee te maken hebben. Voor een deel van het aanbod van de (hoog) specialistische jeugdzorgvormen ligt het voor de hand om de transformatie meer in samenhang op te pakken en dit op landelijke schaal te regisseren. Afspraken: • Het voeren van regie op regio-overstijgende transformatie is een gezamenlijke opgave van het Rijk, de jeugdhulpaanbieders en de VNG. Zij maken afspraken over ieders rol en taak in deze gezamenlijke opgave en richten in 2023 een structuur in die het mogelijk maakt om bepaalde zorgvormen onder landelijke regie te brengen. Hierbij moet ook aandacht zijn voor de functies van de jeugdbescherming, jeugdreclassering en de Bovenregionale Expertisenetwerken; • Het Rijk, de VNG en de vertegenwoordigers van jeugdhulpaanbieders richten hiertoe in 2023 een landelijke projectorganisatie in met als taak: - Het opstellen van een inhoudelijke transformatie-agenda;
- Het opstellen van een businesscase voor (hoog) specialistische jeugdzorgvormen die in aanmerking komen voor landelijke regie op de transformatie; - Landelijke regie voeren op een gebiedsgerichte transformatiebeweging van de desbetreffende vormen van jeugdhulp (afbouw/ombouw/opbouw) als aanvulling op de regionale inzet; - Deze transformatie gebiedsgericht ondersteunen met financiële middelen voor bijvoorbeeld het dekken van frictiekosten; - Het voorbereiden van besluiten over het sluiten/ afstoten van organisatieonderdelen ten behoeve van de gebiedsgerichte transformatie, indien gemeenten en jeugdhulpaanbieders onderling niet tot besluitvorming kunnen komen. • Er wordt vastgelegd hoe de benodigde middelen voor de projectorganisatie bij de projectorganisatie en jeugdhulpaanbieders terecht komen.
2.6.5 Onderzoek naar verevenen van risico’s (tussen gemeenten onderling)
verevenen van risico’s (tussen gemeenten onderling). Een belangrijk deel van de kosten in de jeugdhulp gaat op aan een zeer kleine groep kinderen en gezinnen in de meest kwetsbare (geëscaleerde) omstandigheden. Bij deze bouwsteen voor het verbeteren van de beschikbaarheid van (hoog)specialistische jeugdzorgvormen gaan gemeenten na of er verevening dient plaats te vinden als onderdeel van onderlinge solidariteit bij buitengewoon hoge kosten. Dit heeft hoofdzakelijk tot doel om te bezien of de kleinere gemeenten zijn te beschermen tegen financiële schokken als gevolg van de inzet van de veelal zeer kostbare (hoog) specialistische jeugdzorgvormen. Afspraak: • Gemeenten nemen het initiatief voor het uitvoeren van een onderzoek of het nuttig of nodig is vormen van verevening toe te passen bij cliënten met uitzonderlijk hoge kosten. Dit onderzoek zal uiterlijk in 2025 zijn afgerond en hangt samen met ontwikkelingen op het gebied van de financiering van jeugdzorg.
De vijfde bouwsteen voor het verbeteren van de beschikbaarheid van (hoog)specialistische jeugdzorgvormen betreft een onderzoek naar de mogelijkheden van
43
2.7 Eenvoudigere uitvoering en inkoop, minder administratieve lasten en aanpak negatieve effecten marktwerking
Opgave: Tijd en aandacht van professionals moeten primair uitgaan naar het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg. Hiervoor is het nodig dat de uitvoering en inkoop worden vereenvoudigd en negatieve effecten van marktwerking worden aangepakt. Natuurlijk moet er oog zijn voor de lokale situatie, maar heel veel aspecten in de uitvoering staan uniforme taal en aanpak in de regio of zelfs in het land toe conform de landelijk overeengekomen standaarden. We werken daarom toe naar vormen van contractering en partnerschap die in lijn liggen met de doelen en waarden uit de Jeugdwet en deze agenda. Wij noemen deze beweging het wenkend perspectief van waardegericht contracteren en partnerschap. Door de waarden en doelen vanuit breed maatschappelijk landelijk perspectief te benaderen en meer te verbinden met de wijze van contractering en partnerschap zullen er andere keuzes worden gemaakt. Keuzes als het gaat over registratie, over de duur van contracten, over de inzet van bekostigingsvarianten, over de uitwerking van het opdrachtgever- en opdrachtnemerschap, over kaders en handelingsruimte voor professionals, tariefdiscussies, etc. We zien namelijk in de praktijk dat een grote versnippering is ontstaan die niet helpend is om de doelen van de Jeugdwet te realiseren. We gaan de inkoop van jeugdzorg verdergaand vereenvoudigen.
Daarnaast zetten we in op een landelijke, niet-vrijblijvende en vèrgaande standaardisatie van contracten, contractmanagement en verantwoordingswijze. De prioriteit zal daarbij liggen bij jeugdzorg die straks verplicht regionaal en landelijk zal worden ingekocht, omdat daar sprake is van meerdere gemeenten en meerdere aanbieders en het negatieve effect van de versnippering daar het grootst is. Zodoende willen we bijdragen aan de beschikbaarheid van hulp aan kinderen die in (zeer) kwetsbare situaties verkeren. We nemen tot slot maatregelen om de negatieve kanten van de marktwerking te verminderen door onder meer zwaardere eisen te stellen aan de governance en financiële bedrijfsvoering van aanbieders en met de amvb ‘Reële prijzen Jeugdwet’ wordt bijgedragen aan tariefdifferentiatie.
44
De aanpak van bovenstaande opgave zal veel vragen van gemeenten, instellingen en professionals en vergt de nodige (doorloop)tijd voordat de daadwerkelijk beoogde eenvoud is bereikt. Dit komt onder meer omdat vanaf 2015 op verschillende plekken in het land de contracten naar eigen inzicht vorm werden gegeven en daar nu de geldende praktijk uit voort is gekomen. Bovendien kennen diverse contracten een lange doorlooptijd die zal moeten worden gerespecteerd. En tenslotte vraagt dit stevige vormen van instrumentatie en ondersteuning. Met de agenda willen we enerzijds de ruimte voor innovatie (ook op het terrein van duurzaamheid en digitalisering) en maatwerk op de inhoud en de verbinding naar het brede sociaal domein zoveel mogelijk in stand houden, en anderzijds zorgen dat tijd en aandacht primair uitgaan naar het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg. We realiseren ons dat dit het zoeken van een optimum inhoudt. Bij afspraak 2.7.1. zetten we uiteen hoe dit perspectief eruit ziet. Deze inzet sluit naadloos aan op de afspraken over regionale organisatie van zorg en landelijke contractering van specialistische zorg. Omdat dit de nodige (doorloop) tijd kent, nemen we daar waar mogelijk in de tussentijd al diverse maatregelen om te komen tot meer eenvoud en minder administratieve lasten.
Deze maatregelen worden vanaf de ondertekening van de agenda reeds opgepakt en zijn uitgewerkt vanaf afspraak 2.7.2.
2.7.1 Standaardisatie van regionale en landelijke inkoop Gemeenten, aanbieders en het Rijk gaan de uitvoering van de regionale en landelijke inkoop optimaliseren door de maatregelen uit paragraaf 2.6 aan te vullen met afspraken over standaardisatie van inkoop, administratie, uitvoering
en verantwoording van jeugdzorg. Deze standaardisatie geldt voor alle vormen van zorg voor jeugdigen die gemeenten op grond van de (nog vast te stellen) ministeriële regeling onder het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ op regionaal of landelijk niveau zullen inkopen. Over deze regeling en het moment van inwerkingtreding worden in een volgende fase (2023) afspraken gemaakt met gemeenten en aanbieders. Aansluitend op de regeling stellen gemeenten, aanbieders en het Rijk in 2023 een meerjarig projectplan op met streefdata voor de nadere uitwerking en implementatie van onderstaande afspraken. Daarbinnen is te borgen dat gemeenten voldoende tijd hebben om te migreren naar de gewenste situatie en ruimte houden voor de verbinding van de jeugdhulp met het brede sociaal domein. Afspraken: a. VNG en vertegenwoordigers van jeugdhulpaanbieders stellen allereerst samen met het Rijk in een ministeriële regeling uniforme product- en dienstomschrijvingen vast voor de zorgvormen die op regionaal en landelijk niveau zullen moeten worden ingekocht. Inzet daarbij is een minimalisatie van het aantal productcodes. De ervaringen en inhoudelijke deskundigheid van professionals worden hierbij gebruikt om voorstellen aan te toetsen als ware een ‘professional-toets’; b.
VNG en vertegenwoordigers van jeugdhulpaanbieders maken parallel aan de vorige stap met het Rijk een landelijk geldende uniforme en standaardwijze van inkoop, contractering, administratieve afhandeling en verantwoordingseisen ten aanzien van de producten en diensten die op grond van de ministeriële regeling met zorgvormen op regionaal of landelijk niveau zullen moeten worden ingekocht. Voor de jeugdzorgvormen die
landelijk ingekocht worden geldt uiteraard dat VNG, aanbieders en het Rijk deze standaardisatie landelijk uitwerken; c. Partijen die betrokken zijn bij de werkstructuur in 2.5.2 (zie paragraaf 2.5) stellen minimale kwaliteitscriteria voor de zorg op. Deze kwaliteitscriteria zijn van toepassing op de zorgvormen die in de ministeriële regeling zijn opgenomen. Het organisatieonderdeel van de aanbieder dat de betreffende zorg biedt moet voldoen aan deze kwaliteitscriteria. In het verlengde hiervan onderzoeken VNG, jeugdhulpaanbieders en het Rijk of het in de rede ligt om waar mogelijk aan te sluiten bij het systeem dat geldt voor de aanbieders van Zvw- en Wlz-zorg (vergunningsplicht op grond van de Wet toetreding zorgaanbieders en plicht om aan kwaliteitstandaarden te voldoen op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg); d. Nadat de productomschrijvingen, dienstomschrijvingen en kwaliteitscriteria onder b en c zijn opgesteld, gaat een onafhankelijke landelijke organisatie mede op basis daarvan landelijke tarieven uitwerken. Dit maakt het mogelijk dat gemeenten op termijn geen tarieven meer stellen, maar dat aanbieders inschrijven voor welk tarief zij de zorg kunnen leveren, met het landelijke tarief als maximum.
Daarop vooruitlopend zal de amvb ‘Reële prijzen Jeugdwet’ stimuleren dat gemeenten en aanbieders hun prijzen opbouwen met gebruik van de in de amvb bepaalde kostprijselementen en zodoende bijdragen aan tariefdifferentiatie. Gemeenten en jeugdzorgaanbieders spreken af dat de tarieven worden geïndexeerd zoals afgesproken in de contractstandaarden Jeugd. Gemeenten en jeugdzorgaanbieders gaan gezamenlijk onderzoeken of er tot de tijd dat er maximumtarieven zijn vastgesteld een vereenvoudiging kan plaatsvinden van kostprijsonderzoeken zodat de 45
administratieve lasten voor gemeenten en jeugdzorg aanbieders worden verminderd; Hierbij wordt actief ingezet op tariefdifferentiatie. e. In samenhang met de kwaliteitscriteria onder c worden triage- en verwijscriteria ontwikkeld voor producten en diensten onder b. Op grond van deze criteria kunnen verwijzers bepalen in welke situatie zij een zorgvorm inzetten. Hierbij is de inbreng van professionals leidend en worden ook ervaringsdeskundigen betrokken (zie paragraaf 2.3 over lokale teams en toegang). Ter ondersteuning en/of invulling van de bovengenoemde vijf lijnen – die gepaard gaan met een zorgvuldig ingroeipad en ruimte bieden voor maatwerk en de verbinding naar het sociaal domein – gaan we ook aan de slag met onderstaande maatregelen.
2.7.2 Verdergaande standaardisatie van contracten en contractmanagement De genoemde standaardisatie onder 2.7.1. geven we in de komende jaren onder andere invulling door landelijk de volgende stappen te zetten die zich niet beperken tot de regionaal en landelijk ingekochte jeugdhulp, maar ook deels lokaal ingekochte jeugdhulp kunnen omvatten: a. Voor de zogeheten niet-kernbedingen in contracten, zoals geschiktheids- en certificeringseisen en bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering, zijn landelijke standaarden in ontwikkeling en door de VNG in haar ALV van 2 december 2022 vastgesteld. Gemeenten en aanbieders committeren zich aan het gebruik van deze standaarden, zowel voor het jeugddomein als voor maatschappelijke ondersteuning;
b. Nu de niet-kernbedingen zijn gestandaardiseerd maken gemeenten en aanbieders met ondersteuning van het Rijk stap voor stap werk van het landelijk standaardiseren van de zogeheten kernbedingen in contracten. Prioriteit is het harmoniseren van verantwoordingseisen waarbij er tevens op wordt ingezet dat deze van afdoende abstractieniveau zijn (geen microsturing op casusniveau) om de administratieve lasten maximaal te verminderen; c. Dit moet gebeuren in samenhang met een fundamentele minimalisatie van het huidige aantal van 3.800 productcodes. Partijen spreken af tot het landelijk vaststellen van een set aan productcodes; d. Het Rijk legt vervolgens de (reeds) ontwikkelde contractstandaarden vast in wetgeving; e. De implementatie van deze standaarden door gemeenten wordt vanaf 2023 gemonitord door het Ketenbureau, in opdracht van de stuurgroep i-Sociaal Domein waar het Rijk, VNG en zorgaanbieders lid van zijn. Voor de onder a) genoemde standaarden inzake niet-kernbedingen is hiervoor reeds een dashboard ontwikkeld. Dit dashboard wordt uitgebreid naarmate de standaarden zich verder ontwikkelen. Het Ketenbureau speelt een actieve rol in het implementeren van deze standaarden onder gemeenten en rapporteert aan de stuurgroep i-Sociaal Domein over de voortgang.
Indien standaardisatie is vastgelegd in wetgeving en deze niet na het expireren van bestaande overeenkomst wordt opgevolgd zal het Rijk gemeenten of Jeugdregio’s aanspreken in het kader van interbestuurlijk toezicht. Wat betreft contractering van jeugdzorg blijft de inzet van gemeenten en aanbieders dat wordt gestreefd naar langjarige contracten en partnerschap met aanbieders die in staat zijn de vernieuwing te realiseren die met de agenda wordt nagestreefd.
2.7.3 Verminderen administratieve lasten voor professionals: Tijdschrijven en microsturing stoppen Professionals zijn veel uren per week kwijt aan verantwoordingsadministratie en dit is niet acceptabel. • Om die reden hebben het Rijk, VNG, Jeugdzorg Nederland, de FNV en het CNV in juni 2020 het convenant ‘Stoppen met tijdschrijven voor jeugd en opvoedhulp, jeugdbescherming en reclassering’ ondertekend. De afspraken uit het convenant moeten vanaf 2023 landen in nieuwe contracten die gemeenten met aanbieders afsluiten. Als contractpartners daartoe wederzijds bereid zijn, kunnen zij ook bestaande contracten aanpassen; • Bovengenoemde afspraken over vèrgaande standaardisatie gaan ook helpen om het vermijdbaar tijdschrijven terug te dringen. Professionals worden door gemeenten, aanbieders en het Rijk bij de uitwerking van deze afspraken betrokken; • Zowel gemeenten als aanbieders onderschrijven het belang microsturing ten algemene te vermijden. Zeker waar het gaat op casusniveau: de beschikking dient de rechtspositie van de cliënt te beschermen en is geen financieel sturingsinstrument.
2.7.4 Vereenvoudiging inkoop door te blijven investeren in kennis en leren en ontwikkelen Gemeenten, aanbieders en het Rijk investeren in het verbeteren van partnerschap tussen gemeenten en aanbieders bij de inkoop van jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning. De totstandkoming van een goede en op vertrouwen gebaseerde dialoog over de regiovisie, het benodigde zorglandschap, kwaliteit, continuïteit en (financiële) verantwoording is cruciaal voor de inperking 46
van uitvoeringslasten. We spreken af dat het Ketenbureau gedurende de looptijd van de Hervormingsagenda dit proces blijft ondersteunen via het delen van kennis, expertise en waar nodig bemiddeling.
van zowel gemeenten als aanbieders. Expliciete aandacht voor vrijgevestigde aanbieders is hierbij van belang. Dit alles laat onverlet dat gemeenten gebruik kunnen maken van de twee andere varianten.
2.7.5 Verdergaand onderzoek naar merites van de taakgerichte variant
2.7.6 Naleving
Van de drie uitvoeringsvarianten voor de inkoop van jeugdzorg lijkt de taakgerichte variant naar huidig inzicht gepaard te gaan met de laagste administratieve lasten (mits standaarden gelden voor contracten tussen hoofden onderaannemers en administratieve afhandeling). Ook biedt deze variant op het oog meer mogelijkheden voor een lange-termijnpartnerschap tussen gemeenten en aanbieders, waarbij wordt aangenomen dat gemeenten beter kunnen sturen op kwaliteit en zorggebruik. Aan de basis van de taakgerichte variant liggen vooraf overeengekomen afspraken over budget en bekostiging ten grondslag, gekoppeld aan outcome-gerichte verantwoording. Er zijn echter ook vragen over hoe het hoofd- en onderaannemerschap wordt vormgegeven en de effecten van deze variant op de vrijgevestigde professionals alsmede hoe in deze variant de rechtsbescherming van de cliënt (afgeven beschikking) goed wordt geborgd. Omdat de potentiële meerwaarde van deze variant sterk afhankelijk is van de manier van toepassen, onderzoeken gemeenten, aanbieders en het Rijk de merites van de taakgerichte variant door in 2023 een business case te laten opstellen en de uitkomsten daarvan te wegen ten opzichte van de andere varianten. Hierbij wordt onder andere gebruik gemaakt van de ervaringen met taakgericht werken
De jeugdzorg – zeker voor de meest kwetsbare groepen – moet beter worden georganiseerd en beschikbaarheid ervan moet beter geborgd worden. Dit is primair de verantwoordelijkheid van (netwerken van) zorgaanbieders, (samenwerkende) gemeenten en het Rijk vanuit haar stelselverantwoordelijkheid. Hierbij geldt het motto: lokaal wat kan en ten minste regionaal wat moet. Daartoe maken aanbieders en gemeenten in goed overleg samenwerkingsafspraken in de regio, waaraan individuele partijen over en weer gebonden zijn. De vrijblijvendheid voorbij. Daarbij maken partijen gebruik van de administratieve standaarden zoals beschreven in paragrafen 2.7.1, 2.7.2 en 2.7.7. De opvolging van de afspraken in voornoemde paragrafen maakt deel uit van de brede voortgangsmonitoring van de Hervormingsagenda. Geschillencommissie sociaal domein Gemeenten en aanbieders kunnen voor geschillen over de inkoop van jeugdzorg terecht bij de geschillencommissie Sociaal Domein.65 Deze is bij uitstek bedoeld om in geval van individuele geschillen uitspraak te doen zodat een gang naar de rechter niet nodig is. De commissie baseert haar uitspraak op bestaande wet- en regelgeving. Partijen moeten aantonen contact te hebben gehad om te komen tot
een minnelijke schikking voordat zij een geschil aanhangig maken. De leden van de commissie worden benoemd door de VNG en brancheorganisaties (Jeugd en Wmo), met ondersteuning van Stichting de geschillencommissie.66 De commissie doet bindende uitspraken en publiceert deze geanonimiseerd op haar website. De geschillencommissie is gestart op 17 april 2023. Jeugdautoriteit (JA)/Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) Stelselonderzoek: Het stelselonderzoek is breed van opzet en signaleert trends, ontwikkelingen en kenmerken in het jeugdstelsel, die effect hebben op de beschikbaarheid van verschillende vormen van jeugdzorg. Dan gaat het met name om de ontwikkelingen in het aanbod van en vraag naar jeugdzorg, de aansluiting van het aanbod op de vraag en de wijze van totstandkoming van overeenkomsten, uitgaande van de (toekomstige) wet- en regelgeving (zoals bepalingen omtrent regionale samenwerking en contractstandaarden alsook de amvb reële prijzen). Daarbij zal de NZa ook aandacht besteden aan (regionale) verschillen en waaraan de verschillen zijn toe te schrijven. De resultaten van het stelselonderzoek zijn openbaar en kunnen op die wijze bijdragen aan een goed inkoopproces en de beschikbaarheid van jeugdzorg. Aanbieders en gemeenten (inclusief gemeenteraden) kunnen deze gebruiken bij oplossen van inkoopgeschillen en voor het bepalen van de landelijk in te kopen zorgvormen.
Indien in het kader van het stelselonderzoek zorgen ontstaan over de wijze waarop een gemeente of Jeugdregio invulling geeft aan haar verplichtingen op grond van de Jeugdwet, kan
65
Informatiepagina Sociaal Domein - De Geschillencommissie Zorg. Dit is een afspraak uit het convenant ‘Continuïteit jeugdzorg’ dat VNG, BGZJ en Rijk in juli 2021 hebben ondertekend.
66
De Geschillencommissie - De Geschillencommissie
47
de NZa daarover een signaal afgeven aan het ministerie van VWS en/of JenV, waarna de bewindspersonen interbestuurlijk toezicht kunnen inzetten.
Rijk stappen op de escalatieladder van het interbestuurlijk toezicht. Dat kan aangrijpen op regioniveau of individuele gemeenten.
Vroegsignalering: Als risico’s ontstaan ten aanzien van de continuïteit van gespecialiseerde jeugdzorg, bijvoorbeeld als gevolg van een gebrekkige capaciteit en samenwerking, het niet hanteren van contractstandaarden of reële tarieven, dan kan in het kader van vroegsignalering de hulp van de Jeugdautoriteit/NZa worden ingeroepen. Om haar taak van vroegsignalering waar te maken, breidt de NZa het bestaande meldpunt uit, zodat ook zorgen over de beschikbaarheid van jeugdzorg kunnen worden gemeld. Een ieder kan een melding bij de NZa doen. De NZa stelt vervolgens vast of de melding valt onder de reikwijdte van de vroegsignaleringstaak. De JA/NZa kan in geval van continuïteitsrisico’s bemiddelen en partijen stimuleren tot afspraken te komen. Als het risico voor de beschikbaarheid blijft bestaan, geeft de NZa zo nodig een signaal af aan het Rijk, waarbij aandacht wordt besteed aan de rol van de (samenwerkende)gemeenten en aanbieder(s).
2.7.7 Handreiking over tarieven en amvb ‘Reële prijzen Jeugdwet’
Totdat de ‘Wet Verbetering Beschikbaarheid’ is ingevoerd, voert de Jeugdautoriteit (JA) stelselonderzoek uit en voert in het kader van vroegsignalering een landelijk dekkend Early Warning System in. Hierin werkt de JA al nauw samen met de NZa. Daarnaast gaat de NZa toezicht houden op de transparante financiële bedrijfsvoering en openbare jaarverantwoording bij aanbieders en gecertificeerde instellingen. Ook dit draagt bij aan de continuïteit van jeugdzorg. Toezicht Rijk Indien gemeenten of regio’s in gebreke blijven bij het realiseren van toereikend specialistisch aanbod, zet het
• In het kader van het convenant ‘Bevorderen continuïteit jeugdhulp’ hebben VNG, BGZJ, VWS, JenV en de Jeugdautoriteit in juli 2021 de ‘Handreiking goede gesprek over tarieven’ opgesteld. Convenantpartijen roepen aanbieders en gemeenten op om voldoende ruimte te bieden om het goede gesprek met elkaar te voeren over de opbouw en totstandkoming van tarieven. In de handreiking staan onder andere aandachtspunten die betrekking hebben op de mogelijkheid en mate van tariefdifferentiatie, oftewel dat aanbieders conform zwaarte van zorg worden betaald. Voor de verfijning van de handreiking en de ontwikkeling van andere handvatten voor tarieven wordt op dit moment een kennis- en informatiepunt ingericht; • Het Rijk wil dat gemeenten en aanbieders prijzen transparanter maken door het werken met kostprijselementen voor te schrijven. Op deze manier dragen we ook bij aan tariefdifferentiatie. Daartoe dient het Rijk in 2023 de amvb ‘Reële prijzen Jeugdwet’ in bij de Tweede Kamer.
2.7.8 Verdergaande vereenvoudiging aanbesteding en beperking inkoopmethode ‘open house’ Het Rijk verkent in 2023-2024 of en hoe de EU-aanbestedingsregelgeving aangepast dan wel zo ingeregeld kan worden dat het aanbesteden van zorg zo eenvoudig mogelijk kan. Rijk en VNG stimuleren in de tussentijd gemeenten het gebruik van de handreiking SAS zonder EMVI. Sinds de invoering van de wet 48
‘Maatschappelijk verantwoord inkopen Jeugdwet’ en de Wmo 2015 kunnen gemeenten bij het aanbesteden van jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning gemakkelijker gebruikmaken van het zogenoemde ‘verlichte regime’. Door het veelvuldig gebruik van ‘open house’ als inkoopmethode is het aantal aanbieders fors gestegen en is het zorglandschap minder overzichtelijk geworden. Op basis van een nadere analyse gaat het Rijk na of het (mede gelet op het bepaalde in 2.7.9) opportuun is deze methode uitsluitend onder voorwaarden respectievelijk in bijzondere omstandigheden toe te passen en de wettelijke mogelijkheden daartoe te verkennen (gereed in 2024).
2.7.9 Versterking governance van het stelsel en bedrijfsvoering van aanbieders In de praktijk zien we een groei van het aantal aanbieders waarbij gemeenten moeite hebben te sturen op het zorgaanbod en de borging van de kwaliteit. Ook zijn er signalen dat verdere professionalisering in de bedrijfsvoering van aanbieders nodig is. Onderstaande moeten bijdragen om deze negatieve effecten van marktwerking aan te pakken. Afspraken: a. Norm voor Opdrachtnemerschap Gemeenten hebben in 2020 een Norm voor opdrachtgeverschap opgesteld. Gemeenten erkennen hiermee dat op onderdelen regionale en bovenregionale samenwerking essentieel is voor: • De beschikbaarheid van de benodigde zorgfuncties; • Een zorgvuldige transformatie van het zorglandschap, en • Verminderde bureaucratie.
Aanbieders stellen aansluitend hieraan in 2023 een Norm voor Opdrachtnemerschap op. Hierin staat onder meer dat aanbieders zich verplicht conformeren aan de Governance Code Zorg. Ook is hierin aandacht voor uitvoeringslasten die aanbieders zelf creëren en adequate archivering. De rol van aanbieders ten aanzien van regio’s wordt versterkt en verduidelijkt en er is aandacht voor de wijze waarop gemeenten en aanbieders hun opdrachtgever- en opdrachtnemerschap zodanig invullen dat specialistische expertise en die van de JGZ dichtbij de lokale teams is gepositioneerd (zie 2.3.2). In samenwerking met aanbieders verkennen gemeenten en het Rijk in 2023 hoe zij aanbieders kunnen ondersteunen bij de implementatie van deze Norm voor Opdrachtnemerschap. b. Versterking financiële bedrijfsvoering jeugdhulp aanbieders en gecertificeerde instellingen (GI’s) Het Rijk heeft in het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ verplichtingen opgenomen ten aanzien van de bestuursstructuur en de financiële bedrijfsvoering van jeugdhulpaanbieders en GI’s.
Om meer inzicht te krijgen in de werking van het stelsel en collectief en lokaal te kunnen sturen op de beschikbaarheid van zorg voor jeugdigen bestaat bovendien behoefte aan een onafhankelijke autoriteit die: • Inzicht heeft in de ontwikkeling van de beschikbaarheid van zorg op het gehele terrein van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering door het doen van stelselonderzoek; • Risico’s voor de beschikbaarheid van specialistische zorg voor jeugdigen eerder signaleert; • Toezicht houdt op de naleving van de verplichtingen die gaan gelden voor jeugdhulpaanbieders en GI’s tot het
voeren van een transparante financiële bedrijfsvoering en tot het realiseren van een openbare jaarverantwoording. Het Rijk zal deze taken positioneren bij de NZa. Dit wordt geregeld met het wetsvoorstel ‘Wet taken zorgautoriteit op Jeugdwet-terrein’ dat zal worden samengevoegd met het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ en in 2023 door het Rijk zal worden ingediend bij de Tweede Kamer. c. Aanpak niet integere jeugdhulpaanbieders en voorwaarden winstuitkeringen Met het wetsvoorstel ‘Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders’ introduceert het Rijk normen om niet integer gedrag bij jeugdhulpaanbieders te voorkomen en worden voorwaarden gesteld aan het uitkeren van winst door jeugdhulpaanbieders. Dit wetsvoorstel is op 21 oktober 2022 gepubliceerd voor internetconsultatie en zal naar verwachting in 2023 worden ingediend bij de Tweede Kamer. Ambitie is om het wetsvoorstel per 1 juli 2025 van kracht te laten zijn. d. Rechtmatige uitvoering door aanbieders Landelijk organiseert de VNG in 2023-2024 samen met het Rijk en aanbieders een ondersteuningsaanbod om gemeenten te helpen om in hun selectie, contractering en verantwoording te kunnen sturen op een rechtmatige uitvoering door aanbieders.
Dit sluit aan op de wettelijke initiatieven die hierboven zijn genoemd en moet bijdragen aan het terugdringen van het verkeerd uitvoeren van de contractuele afspraken. Dit varieert van onbewuste fouten tot aan fraude waarbij met opzet de zorg tegen te hoge kosten niet of met een te lage kwaliteit wordt uitgevoerd.
49
2.8 Verbeteren inzicht in het functioneren van het jeugdstelsel met data en monitoring
Opgave: Voor tijdig (bij)sturen en leren binnen het jeugdstelsel is het essentieel goed zicht te hebben op de ontwikkelingen binnen het stelsel en de inhoudelijke, kwantitatieve en financiële effecten van beleid en best practices. Het is ook belangrijk om te snappen wát er aan jeugdzorg wordt geleverd en aan wíe er jeugdzorg wordt geleverd om politiek en maatschappelijk het gesprek te voeren over wat jeugdzorg moet zijn. Er zijn op dit moment onvoldoende beschikbare, goede en tijdige data en informatie. In de huidige situatie wordt vanuit meerdere bronnen centrale data over het functioneren van het jeugdstelsel ontsloten. Door knelpunten in enerzijds de zeggingskracht, beschikbaarheid en toegankelijkheid van data(bronnen) en anderzijds het gebruik van data en monitoring, kan echter geen optimaal gebruik worden gemaakt van deze beschikbare data. Zo zijn landelijk dekkende bronnen over aantallen en uitgaven moeilijk te koppelen, onder meer door gebrek aan uniformiteit in gehanteerde indelingen en definities, worden verschillende bronnen niet centraal geanalyseerd en is de herkenbaarheid voor gemeenten in landelijke data onvoldoende. De ambitie is te komen tot betere kwaliteit en beschikbaarheid van data en een betere landelijke integrale monitoring, die inzicht genereert in de werking van het jeugdstelsel over de jaren heen.
De monitoring heeft als doel het functioneren van het stelsel in beeld te brengen op de doelen kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid. Daarnaast is het bedoeld om beter zicht te krijgen op de effecten van landelijk, regionaal en gemeentelijk beleid, zodat we op basis van feiten keuzes kunnen maken, we van onszelf en elkaar kunnen leren, beter kunnen bijsturen waar nodig en het stelsel beter beheersbaar kunnen maken. Gezien de verschillende doelen die aan de monitoring worden gesteld, moet worden bekeken of dit met één of meerdere instrumenten te realiseren is. Het gaat bijvoorbeeld zowel om leren als verantwoorden. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van data die reeds verzameld worden of met minimale administratieve lasten kunnen worden gegenereerd. De monitoring zal ook recht moeten doen aan de verschillende taken en verantwoordelijkheden van bijvoorbeeld Rijk (stelsel) en gemeenten (uitvoering). Mede op basis van een behoefte-inventarisatie onder de verschillende partijen in het jeugdveld komen we tot de volgende bestuurlijke afspraken over te nemen maatregelen:
50
2.8.1 Landelijke monitor Het Rijk committeert zich aan het verbeteren van de landelijke monitoring. Hiertoe verkent het Rijk in 2023 het beleggen van de landelijke monitoring bij een onafhankelijke partij.
Box 1: Huidige aanpassing Iv3-indeling Oud
Nieuw
6.2 wijkteams*
6.2 toegang en eerstelijnsvoorzieningen*
6.72 maatwerkdienstverlening 18-
6.72a jeugdhulp begeleiding 6.72b jeugdhulp behandeling
2.8.2 Vaststellen indicatoren Het Rijk en VNG committeren zich aan de vaststelling van een set indicatoren die nodig is voor adequate monitoring van het jeugdstelsel. De al in beeld gebrachte indicatoren door de werkgroep ‘Data & Monitoring’ zijn hiervoor de basis. Verder wordt wat betreft kwaliteit aansluiting gezocht met de werkorganisatie zoals beschreven in 2.4.2. De set indicatoren wordt begin 2023 in de coördinerende werkgroep (zie hoofdstuk 4 ‘governance en implementatie) verder uitgewerkt en vastgesteld. Doorontwikkeling van de indicatoren vindt vervolgens continu plaats.
2.8.3 Verbeterde beschikbaarheid van financiële data met een verfijnde Iv3-indeling Een eerste stap in het verbeteren van het inzicht in het functioneren van het stelsel is de aanpassing van de indeling van de financiële informatie van gemeenten (Iv3), waaronder de uitgaven aan jeugdzorg, die onlangs is doorgevoerd. Met deze aanpassing is vanaf 2023 voor de jeugdzorg inzicht in twaalf categorieën (taakvelden) in plaats van twee (zie box 1). VWS en BZK zijn in 2022 gestart met het bieden van een structuur om gemeenten te ondersteunen in de overgang naar de nieuwe taakvelden. Zo blijkt de aanpassing in de Iv3-indeling niet voor alle gemeenten even gemakkelijk hanteerbaar (met name voor gemeenten die taakgericht financieren). BZK, VWS en VNG evalueren in 2023 de eerste uitvraag op basis van de nieuwe indeling om desgewenst te komen tot aanpassingen in de Iv3-indeling in 2024.
6.72c jeugdhulp dagbesteding 6.72d jeugdhulp zonder verblijf overig 6.73a pleegzorg 6.73b gezinsgericht 6.73c jeugdhulp met verblijf overig 6.74a jeugdhulp behandeling ggz zonder verblijf 6.74b jeugdhulp crisis / LTA / ggz-verblijf 6.74c gesloten plaatsing 6.82 geëscaleerde zorg 18-
6.82a jeugdbescherming 6.82b jeugdreclassering
* Niet alleen jeugd maar ook Wmo.
2.8.4 Verbinden van databronnen over aantallen en kosten Het Rijk en VNG werken samen aan de verbinding van databronnen die in samenhang moeten worden bezien. • Een eerste verbinding is tussen het Berichtenverkeer en de Beleidsinformatie Jeugd. VWS start in 2023 met de voorbereiding van de wetswijziging voor de wettelijke grondslag om de data uit het Berichtenverkeer centraal te ontsluiten voor het CBS, om hiermee het gebruik van het Berichtenverkeer voor de Beleidsinformatie Jeugd op termijn mogelijk te maken. Het gebruiken van het Berichtenverkeer, in eerste instantie in aanvulling op de huidige uitvraag van de Beleidsinformatie Jeugd bij
zorgaanbieders, zal tot een meer gedetailleerd inzicht op landelijk niveau leiden omtrent aantallen en kosten, waardoor meer verdiepende analyses mogelijk zijn. Op termijn zal dit bovendien leiden tot een verlaging van lastendruk bij aanbieders, doordat het CBS bepaalde data dan niet meer bij aanbieders hoeft op te vragen. Door de verbinding van deze twee databronnen neemt ook de herkenbaarheid van landelijke data voor gemeenten en aanbieders toe; • Tegelijkertijd committeren VNG en aanbieders zich aan de vereiste inspanningen ter verbetering van de kwaliteit van de data uit het Berichtenverkeer, hetgeen een voorwaarde is voor het centraal ontsluiten van deze data. 51
Op ieder van de knelpunten ten aanzien van de kwaliteit van data, zoals met onderzoek door het CBS in kaart gebracht67, dienen stappen te worden gezet om deze weg te nemen, zoals bijvoorbeeld het uniformeren van productcodes voor zorg.68 Hierbij zal door VNG en aanbieders ook worden nagedacht over tussenoplossingen als problemen niet meteen kunnen worden weggenomen (bijvoorbeeld door uitfaseren bestaande afspraken als gevolg van meerjarige contracten); • Een tweede verbinding is de aansluiting van de Beleidsinformatie Jeugd en Iv3, ofwel het jeugdhulpgebruik dat aanbieders registreren en de kosten hiervoor die gemeenten registreren. Hiertoe verkent het Rijk in 2023, samen met het CBS en de VNG, de mogelijkheden voor een detaillering van de gehanteerde categorieën in de Beleidsinformatie Jeugd. De aansluiting van de twee databronnen vraagt verder om samenhang met de mogelijke aanpassingen in de Iv3-indeling die volgt uit de evaluatie; • Door de indeling van zorgsoorten (de zorgvormen vs. de taakvelden) in beide databronnen beter op elkaar aan te sluiten kunnen de verschillende bronnen worden vergeleken en kan op termijn de datakwaliteit van beide bronnen worden verbeterd. Daarnaast biedt een detaillering van gehanteerde categorieën in de Beleidsinformatie jeugd meer herkenbaarheid van de data voor gemeenten en aanbieders.
2.8.5 Centrale en integrale data-infrastructuur en een gelijk speelveld • Het Rijk en VNG borgen een centrale, integrale datainfrastructuur voor het technisch en operationeel kunnen verbinden van landelijk dekkende databronnen met data op persoonsniveau in de jeugdzorg aan databronnen met gegevens over aanpalende domeinen en aan databronnen in de jeugdzorg op lokaal en regionaal niveau. Dit wordt gedaan ten behoeve van een rijker en integraal perspectief op landelijk en regionaal niveau. Thans wordt deze rol vervuld door het CBS; • Rijk en VNG bespreken in 2023 met het CBS in welke mate het CBS in deze behoeften kan voorzien; • Daarnaast verkent de VNG in 2023 de behoefte en mogelijkheden voor het faciliteren van gelijke toegang tot microdata en maatwerkverzoeken van het CBS voor alle gemeenten. Dit gebeurt ten behoeve van een gelijk speelveld voor gemeenten en aanbieders, ongeacht grootte en financiële positie van individuele gemeenten.
Zo veel mogelijk worden de acties om meer datagedreven te gaan werken vanuit deze programma’s ingezet, om de complexiteit van de opgave het hoofd te bieden en dataverantwoord in te zetten. Waar mogelijk wordt gebruik gemaakt van reeds bestaande wijzen van dataverzameling om de administratieve lastendruk niet te verhogen. Hierbij wordt gedacht aan het efficiënt gebruik en hergebruik van data met betrekking tot bijvoorbeeld wachttijden en zorgpaden, maar ook het ondersteunen van gemeenten hoe de data te gebruiken voor het maken en evalueren van beleid(sinterventies). Afspraken en voorzieningen voor het uitwisselen en ontsluiten van data worden op termijn ondergebracht in het federatief datastelsel, zoals genoemd in de IBDS.
2.8.6 Een datagedreven stelsel VNG en gemeenten committeren zich aan het versterken van expertise en kennis voor datagedreven werken en datagedreven leren bij gemeenten en aanbieders – het duiden en toepassen van data – met als doel een beter inzicht in wat werkt in het jeugdbeleid. Hierbij wordt aangesloten bij de Interbestuurlijke Datastrategie (IBDS), de ophanden zijnde VNG Datastrategie en VNG Verenigingsstrategie 2030.
67
Knelpunten liggen bij het koppelen van berichten uit het Berichtenverkeer, de vele landelijke en regionale productcodes, het niet gebruiken van bepaalde soorten berichten uit het Berichtenverkeer en de onvolledigheid van het Berichtenverkeer; niet alle jongeren met jeugdzorg worden hierin vastgelegd.
68
Vooronderzoek gebruik iJW-berichten voor statistiek (cbs.nl)
52
3 Financiële afspraken Hervormingsagenda
53
• In dit hoofdstuk en de bijbehorende bijlagen staan de financiële afspraken die het Rijk en gemeenten over de Hervormingsagenda hebben gemaakt. Rijk en gemeenten bepalen de financiële kaders voor de maatregelen uit de Hervormingsagenda vanuit hun specifieke taak en verantwoordelijkheid in het stelsel; • Rijk en gemeenten zijn, vanuit te onderscheiden rollen maar in een gedeelde verantwoordelijkheid, gecommitteerd aan het realiseren van een goed werkend, beter beheersbaar en financieel houdbaar jeugdzorgstelsel; • De voorliggende Hervormingsagenda met voornemens en maatregelen tot en met 2028 vormt daarvoor de basis; • Beide partijen erkennen dat dit een bijzonder grote opgave is die veel van hen en van andere bij de uitvoering betrokken partijen vraagt, ook in de context van de maatschappelijke en economische actualiteit. Een structureel beter financieringsmodel voor de jeugd • Rijk en gemeenten zijn beiden van mening dat de huidige financieringssystematiek voor het jeugddomein niet houdbaar is en niet goed past bij de interbestuurlijke verhoudingen in het jeugddomein.
Daarom gaan we samen voortvarend aan de slag met een beter passend en bestendig financieringsmodel, waarin sturingsmogelijkheden, medebewind/beleidsvrijheid, financiële verantwoordelijkheden en de wijze van financieren in balans zijn; • Een nieuw financieringsmodel moet meer duidelijkheid en voorspelbaarheid voor beide partijen bieden, een passende verdeling van risico’s weerspiegelen, en voorkomen dat financiële discussies de inhoudelijke domineren. Ook moet rekening worden gehouden met de toekomstige (en bijbehorende) bekostiging van de
jeugdbescherming, zoals deze wordt uitgewerkt in het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming; • Uitgangspunt is dat de financieringssystematiek ondersteunend is aan de inhoudelijke beweging van de Hervormingsagenda die Rijk en gemeenten gezamenlijk beogen. Er wordt lering getrokken uit andere modellen, we maken gebruik van de aparte raming voor Wmo- en jeugdzorguitgaven van het CPB en werken slagvaardig aan de verdere opbouw van goede en tijdige data voorziening op macro- en microniveau; • Dit nieuwe model wordt uitgewerkt in samenhang met de voorgenomen vernieuwing van het financieel en interbestuurlijke instrumentarium zoals aangekondigd in het coalitieakkoord. De contourennota van 11 juli 2022 beschrijft de stappen die het huidige kabinet wil zetten om te komen tot een nieuwe financieringssystematiek, op korte en langere termijn, en schetst een aantal vertrekpunten hiervoor. Centraal hierbij staat een goede balans tussen financiën voor medeoverheden en de taken waar zij voor staan, met meerjarige stabiliteit en helderheid over hun meerjarig financieel kader. Daarnaast dient het financieel en interbestuurlijk instrumentarium, specifiek het uitkeringsstelsel richting medeoverheden, beter aan te sluiten op taken en de wettelijke kaders van waaruit die taken worden toebedeeld.
Maatregelen Hervormingsagenda gericht op verbetering jeugdzorg en financiële beheersbaarheid van de uitgaven • Vertrekpunt voor de Hervormingsagenda is het advies van de Commissie van Wijzen. De hierin opgenomen structurele besparing van €1 mld. vanaf 2027 vormt de financiële doelstelling;
• De maatregelen zoals opgenomen in deze gezamenlijke agenda zijn zo goed als mogelijk kwantitatief gevalideerd (zie bijlage 2). Voor een deel van de maatregelen (ruim €650 mln.) is overeenstemming over de mogelijke haalbaarheid van deze maatregelen. Voor de overige circa €380 mln. is de raming van een aantal voornemens en maatregelen met meer onzekerheden omgeven met betrekking tot de opbrengst en uitharding daarvan. Specifiek geldt dat er overeenstemming is dat het Rijk met ondersteuning van gemeenten een nadere afbakening van de reikwijdte van de jeugdhulpplicht vaststelt, wat in belangrijke mate dit laatste deel van de besparing moet realiseren. We nemen de invulling hiervan voortvarend ter hand; • Beide partijen spannen zich volledig en gezamenlijk in om de afgesproken voornemens en maatregelen in de Hervormingsagenda in gang te zetten en uit te voeren en ook anderszins beleid te voeren om de financiële doelstelling van de agenda te realiseren; • Met de uitvoering van de agenda zijn transitiekosten en investeringen voor de uitvoering van maatregelen gemoeid. Deze maken onderdeel uit van het totale meerjarige financiële kader dat is afgesproken. Voor een deel van deze transitiekosten en investeringen verloopt financiering via het gemeentefonds en voor een deel via begroting VWS.
In bijlage 2 staat de verdeling hiervan; • Voor 2024 en 2025 stelt het Rijk respectievelijk €89 mln. en €196 mln. extra beschikbaar ten opzichte van het advies van de Commissie van Wijzen. De extra tijd die het sluiten van dit akkoord heeft gekost en de aanpassing van regelgeving die nodig is zijn mede de aanleiding hiervoor. Met deze extra middelen wordt het ingroeipad van de besparingsreeks verzacht;
54
• De in het coalitieakkoord opgenomen aanvullende besparing in het kader van de Jeugdwet van structureel €511 mln. is voor rekening en risico Rijk en valt buiten de Hervormingsagenda. Gemeenten zullen hun medewerking verlenen waar dat nodig is, aan de uitvoering van de betreffende maatregelen. Deze zijn anders dan en in aanvulling op de voornemens en maatregelen in de Hervormingsagenda. Ook dienen de maatregelen tijdig duidelijk en uitvoerbaar te zijn. Vinden de maatregelen geen of onvoldoende doorgang, en worden de kosten voor gemeenten daardoor niet lager, dan worden gemeenten daarvoor via het gemeentefonds gecompenseerd; • Hierover wordt duidelijkheid gegeven uiterlijk in het voorjaar van T-1 van het jaar waarin de aanvullende besparingen zijn opgenomen. Omdat provincies de wettelijke toezichtstaak vervullen zal het ministerie van BZK gaan overleggen met de provinciale toezichthouders om een werkbare afspraak te maken over de gemeentelijke begroting en de aanvullende besparingen uit het coalitieakkoord. Concreet zal het ministerie van BZK de afspraak voorleggen aan de provinciale toezichthouders dat gemeenten in de meerjarenraming van de begroting rekening mogen houden met een besparing van €500 mln. in 2025, €500 mln. in 2026 en vanaf 2027 €511 mln. structureel als gevolg van maatregelen die het Rijk zal uitwerken.
Onderbouwing hiervoor is dat het realiseren van de aanvullende besparing van structureel €511 mln. een Rijksverantwoordelijkheid is. Het Rijk draagt het budgettaire risico ingeval (een deel van) deze maatregelen geen of niet tijdig doorgang vinden.
Monitoring van de Hervormingsagenda (verkeerslicht/ vangrail) • De financiële maatregelen dienen te worden voorzien van een implementatieplan op basis van de taakverdeling in de Hervormingsagenda. Op basis hiervan wordt de monitor ingericht; • Om gaandeweg zicht en grip te houden op voortgang en effecten van de gemaakte afspraken in de Hervormingsagenda wordt vanaf 2023 een jaarlijkse monitor opgesteld op basis van beschikbare en aanvullende data die wordt verzameld. Deze monitor wordt gaandeweg doorontwikkeld; • De voortgang wordt jaarlijks bestuurlijk besproken. Wijkt de voortgang van de inspanningen dan wel de financiële effecten significant af van wat is afgesproken, dan wordt bestuurlijk besloten over uit te voeren beheersmaatregelen. Deze maatregelen moeten uitvoerbaar zijn en er moet rekening gehouden worden met effecten op andere terreinen. Er kunnen diverse oorzaken zijn voor afwijkingen zoals niet geleverde inspanningen, gebrekkige keuzes dan wel uitvoering, aangescherpte of nieuwe ramingsinzichten en autonome ontwikkelingen. De monitor dient ook om van te leren en bij te sturen waar nodig en mogelijk; • Met deze afspraken over monitoring wordt zo goed mogelijk voorkomen dat een risico resteert naar de toekomst toe en problematiek wordt doorgeschoven.
Eventuele tegenvallers moeten tijdig inzichtelijk worden gemaakt, zodat beide partijen direct noodzakelijke maatregelen kunnen nemen. Bij het bijsturen wegen het Rijk en gemeenten telkens zowel het belang van de kwaliteit van zorg als het belang van de beheersbaarheid mee;
• De ontwikkeling en de uitvoering van de monitor Hervormingsagenda en de bijbehorende periodieke rapportages worden bij een onafhankelijke partij belegd en de monitor dient ook als input voor de deskundigencommissie. Op basis van het doel, de kaders en de te zetten stappen is een taakopdracht voor een nader te bepalen onafhankelijke partij opgesteld. Aan deze taakopdracht wordt een basisset indicatoren toegevoegd waarmee de voortgang van de afspraken in de Hervormingsagenda inzichtelijk wordt gemaakt. Zie bijlage 4 voor de randvoorwaarden van de indicatoren en voorbehouden bij de basisset. Deskundigencommissie en inspanningen van beide partijen • Conform het advies van de Commissie van Wijzen wordt een commissie van deskundigen ingesteld die een zwaarwegend advies zal geven aan het bestuurlijk overleg ten aanzien van de uitvoering van de maatregelen en de gepleegde inspanningen, mede in relatie tot de uitgavenontwikkeling (‘mid-term review’); • De commissie wordt gevraagd in januari 2025 en januari 2028 een advies te formuleren, in aanvulling op de jaarlijkse bestuurlijke overleggen op basis van de monitor; • De commissie adviseert ten aanzien van de uitvoering van de Hervormingsagenda 2023-2028 op het volgende: - Beoordeelt of de beweging in het stelsel die partijen met elkaar willen maken door de uitvoering van de voornemens en maatregelen wordt gerealiseerd.