Hervormingsagenda Jeugd 2023 - 2028
Tekst van het document
2.1.8 Jeugdhulp die niet werkt, wordt niet meer ingezet en we vergroten kennis over de effectiviteit van het aanbod Afspraken: • Jeugdhulp die aantoonbaar niet werkt, wordt niet meer ingezet en niet meer vergoed. Hulp moet van meerwaarde zijn voor de jeugdige. Dit betekent dat hulp aantoonbaar effectief is volgens de stand van wetenschap en praktijk. Bij de stand van wetenschap en praktijk wordt voor het aantonen van effectiviteit een weging gemaakt van wetenschappelijke kennis, praktijkkennis en ervaringskennis. In het hoofdstuk over kwaliteit worden afspraken gemaakt over ‘doen wat werkt’. Dit betekent ook dat er duidelijk moet worden welke jeugdhulp niet meer wordt ingezet: er wordt in 2023 een zogenaamde ‘niet doen’-lijst opgesteld door het veld. Professionals, aanbieders en gemeenten passen de voortschrijdende kennis over kwaliteit en effectiviteit – waar mogelijk: direct – toe in de praktijk (zie verder paragraaf over kwaliteit 2.5); • Het is van belang de meest effectieve behandelduur mee te nemen in het kader van effectiviteit (kwaliteitskader en richtlijnen) maar ook in het kader van reikwijdte.34 Een behandeling dient niet langer te duren dan effectief is. Als er onvoldoende kennis beschikbaar is over kwaliteit en effectiviteit, wordt onderzoek gedaan (zie verder paragraaf over kwaliteit 2.5).
Bewezen niet-effectieve hulp moet worden gestopt en niet meer worden betaald.
2.1.9 Sturen op de trajectduur De gemiddelde trajectduur is in 2021 ten opzichte van 2015 gestegen met 35% bij jeugdhulp zonder verblijf en ook bij jeugdhulp met verblijf is een stijging te zien. Dit heeft diverse oorzaken. Het spreekt vanzelf dat de trajectduur niet langer (of korter) moet zijn dan noodzakelijk. Gemeenten voeren vanuit hun rol als opdrachtgever (zorginkoper) gesprekken met hun contractpartijen. Het is van belang dat gemeenten en aanbieders in deze gesprekken aandacht hebben voor trajectduur, hierover in gesprek blijven en hierover op geaggregeerd niveau afspraken maken, mede gebaseerd op beschikbare kwaliteitskaders en richtlijnen. Waarbij voorkomen moet worden dat dit leidt tot micromanagement op casusniveau of leidt tot onnodige administratieve lasten (zie ook paragraaf 2.7). Afspraken: • Gemeenten en aanbieders maken bij de contractering afspraken hoe zij tijdens de looptijd van een contract de gemiddelde trajectduur monitoren en maken afspraken over sturing. Dit vraagt van gemeenten dat ze meer inzicht krijgen in de gemiddelde (geaggregeerde) trajectduur per aanbieder. En een gezamenlijke duiding van de oorzaken van de verschillen.
Bij dit gesprek tussen gemeenten en aanbieders, is de verwachting dat inhoudsdeskundige expertise rondom de betreffende zorg betrokken wordt als het gaat om de duiding en interpretatie van (geaggregeerde) gegevens rondom de trajectduur.
33
De Memorie van Toelichting van de Jeugdwet zegt hierover: Bij de vrij toegankelijke vormen van ondersteuning is het overigens wel denkbaar dat door de gemeente verlangd wordt dat de aanvrager voldoet aan een beperkt aantal algemeen geformuleerde maatstaven.
34
CBS Jaarrapport Jeugdhulp 2015, CBS Jaarrapport Jeugdhulp 2021 en Rapportage Jeugdhulp 2021 | Jeugdmonitor (cbs.nl). Zie tabel 2.3.2 Gemiddelde duur verleende jeugdhulp.
21
2.2 Jeugdhulp steviger verbinden aan aanpalende domeinen zoals het onderwijs, volwassenen-ggz en bestaanszekerheid
Opgave: Zoals hiervoor aangegeven, is het van belang dat de problemen in de context van het gezin worden opgepakt. Niet altijd is jeugdhulp voor een kind de meest passende hulp, bijvoorbeeld omdat problemen worden veroorzaakt door stress of schulden van ouders. Geldzorgen, problematische schulden of leven rondom de armoedegrens zorgt in gezinnen voor veel leed en verdriet, eenzaamheid en uitsluiting. Hierdoor ontstaan ook hardnekkige achterstanden op andere gebieden, zoals mentale en fysieke gezondheid, onderwijs, werk, opvoeding en veiligheid. Bovendien wordt deze problematiek vaak doorgegeven aan volgende generaties. Daarom is het van belang bestaans-, inkomens- en woonzekerheid te versterken, participatie te bevorderen en kansenongelijkheid tegen te gaan. Dit vraagt om ondersteuning van kind en gezin en investeringen in aanpalende domeinen zoals het onderwijs, volwassenen-ggz en bestaanszekerheid zowel door het Rijk als door gemeenten. Dit vraagt ook om goede afspraken over de grenzen van domeinen heen over rollen en verantwoordelijkheden. Het is daarbij van belang dat de hulpvraag van de jeugdige en het gezin ook echt wordt gehoord en dat er mét hen een aanpak wordt ontwikkeld. Het betrekken van ervaringsdeskundigheid is hierbij cruciaal. Al deze maatregelen en investeringen zijn nodig voor het realiseren van een vermindering van het beroep op jeugdhulp.
Wanneer blijkt dat benodigde verbeteringen en afspraken beter op hun plek zijn binnen andere akkoorden en domeinen, dienen deze daarbinnen wel als zodanig concreet te worden benoemd. Gegeven bovenstaande opgave zijn in deze agenda afspraken opgenomen over het verbeteren van de verbinding met aanpalende domeinen, zoals het onderwijs, volwassenen-ggz (inclusief verslavingszorg) en bestaanszekerheid. Deze paragraaf sluit nauw aan bij paragraaf 2.1 ‘Reikwijdte’. Aan het slot van de paragraaf worden ook afspraken genoemd die soms ontstaan rond het volwassen worden van de jeugdigen: de 18-/18+ problematiek.
22
2.2.1 Problemen in de context van het gezin oppakken Het is van belang dat problemen in de context van het gezin worden opgepakt. Niet altijd is jeugdhulp de meest passende hulp. Daarom is het versterken van de verbinding met domeinen zoals het onderwijs, bestaanszekerheid/ schulden en volwassenen-ggz noodzakelijk. Hoe we dat doen, beschrijven in de volgende paragraaf. Afspraak: • Het Rijk bevordert met het wetsvoorstel ‘Aanpak meervoudige problematiek sociaal domein’ (Wams) – dat op 30 januari 2023 bij de Tweede Kamer is ingediend – gelijktijdige inzet van hulp uit andere domeinen in geval van ernstige meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin.35 Parallel aan jeugdhulp wordt hulp vanuit andere domeinen aangeboden (Participatiewet, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening en domein wonen alsmede (volwassenen)zorg op basis van de Wmo 2015, Zvw of Wlz) om de problemen gelijktijdig, integraal en bij de bron aan te pakken. De gemeente wijst in dergelijke gevallen een coördinator aan. Het wetsvoorstel ‘Wams’ bevat een bepaling waarmee de Jeugdwet op dit punt wordt aangepast.
2.2.2 Onderwijs en kinderopvang Onderwijs en kinderopvang zijn onderdeel van de sociale en pedagogische basis waarin kinderen opgroeien. Kinderen groeien op in de driehoek van thuis, school/opvang en straat (en online). Hoe sterker en inclusiever deze basis is, hoe beter en preventiever vragen en problemen die bij
35
opgroeien horen, in het gewone leven kunnen worden opgepakt. De ambities en investeringen van het kabinet om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren en de kinderopvang toegankelijker te maken voor meer kinderen van werkende ouders zijn daarom van groot belang om deze basis te versterken. Voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte is het belangrijk dat eerst gekeken wordt wat er op school of op een opvanggroep kan worden gedaan of veranderd om in deze behoefte te voorzien. Het ‘normaliseren’ van gedrag, het bieden van een aangepast onderwijsprogramma of aanbod, extra inzet of aanbod vanuit passend onderwijs of een pedagogisch medewerker, die meekijkt met een leerkracht of op de groep en die tips geeft hoe om te gaan met gedragsproblemen, is in veel gevallen voldoende. Zeker in wijken of op scholen waar meer kinderen met intensieve of complexe zorgvragen zijn, biedt een collectieve inzet – een jongerenwerker, jeugdgezondheidszorgmedewerker of jeugdhulpmedewerker die beschikbaar is voor een groep kinderen die dit nodig hebben – veel voordelen. Ook in de kinderopvang is er steeds meer collectief aanbod in de vorm van plusopvang (Kamerbrief Onderzoeken Kinderopvang | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl). Dit is extra ondersteuning op de reguliere kinderopvang, vaak gefinancierd door gemeenten vanuit de Jeugdwet.
Met een collectieve aanpak wordt zowel het onderwijs als de reguliere opvang inclusiever en kunnen meer kinderen met ondersteuningsbehoefte samen met andere kinderen in de buurt naar dezelfde opvang.
Afspraken: • Het Rijk investeert in 2023 en de daaropvolgende jaren in de versterking van de onderwijskwaliteit (hiervoor is reeds vanaf 2022 en oplopend tot 2024 structureel €1 mld. beschikbaar gesteld vanuit het coalitieakkoord) en heeft de ambitie de ondersteuning op scholen te versterken en zo onder meer kansengelijkheid te bevorderen (voor het bevorderen van kansengelijkheid is vanaf 2022 en oplopend tot 2025 structureel €1 mld. beschikbaar gesteld vanuit het coalitieakkoord). Deze programma’s moeten, samen met partijen, nog nader worden uitgewerkt. Hierbij wordt ingezet op: - De verbeteraanpak passend onderwijs en het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en zorg. Ook wordt ingezet op collectief aanbod van zorg en onderwijs. Daarover worden over de grenzen van de domeinen heen goede afspraken gemaakt; - Het Rijk werkt aan een landelijke norm voor de basisondersteuning in het kader van passend onderwijs. Deze landelijke norm geeft aan welke onderwijsondersteuning elke school minimaal moet kunnen bieden aan de leerling. Dit geeft meer duidelijkheid aan leerlingen, ouders, leraren en scholen over welke ondersteuning minimaal op school aanwezig moet zijn en wat daarvoor moet worden gedaan.
De norm wordt ontwikkeld in verschillende stappen, waarbij de eerste een ontwikkeling op drie ondersteuningsgebieden is (lezen/spellen en dyslexie, meer- en hoogbegaafdheid, en leergedrag); - Tevens wordt door het Rijk gewerkt aan het programma ‘School en omgeving’, waarmee het kabinet
TK 2022/23, 36295
23
investeert in een omgeving die kinderen en jongeren optimaal ondersteunt in hun ontwikkeling. Door extra activiteiten als cultuur, sport, techniek en huiswerkbegeleiding ontdekken leerlingen waar ze goed in zijn, wat ze leuk vinden, en doen ze extra vaardigheden op zoals samenwerken en creatief denken. Dit jaar is gestart op 127 plekken en in het voorjaar van 2023 komen de eerste resultaten van onderzoek en monitoring beschikbaar; - Rijk, VNG en andere partijen gebruiken tevens goede ervaringen met brugfunctionarissen, zoals onder andere ingezet in Zaandam, Zutphen en Groningen, om de ondersteuning dicht bij ouders en leerlingen te versterken. Juist op school kan ondersteuning eraan bijdragen dat kleine problemen klein blijven, door vroeg te signaleren en lichte hulp dichtbij te hebben. Dit kan zijn in de vorm van schoolmaatschappelijk werk, welzijnswerk, jeugdhulp (bv. schoolpsychologen), of bredere ondersteuning op sociaal gebied. Dit ondersteunt tevens leraren en bijvoorbeeld intern begeleiders, en versterkt het contact tussen school en wijk. • Gemeenten, onderwijs, opvang en zorg zorgen gezamenlijk voor een meer collectief aanbod van ondersteuning en zorg in het onderwijs en de opvang.
Afspraken hierover worden nader uitgewerkt in de ‘Verbindingsroute opvang, onderwijs en zorg’ die in 2023 beschikbaar is: - In deze samenwerking wordt expliciet vastgesteld welke vragen in de collectieve ondersteuning worden beantwoord en op welk moment er individuele jeugdhulpvoorziening nodig is. De collectieve onder-
36
TK 31497 nr. 444.
37
TK 31497 nr. 448
steuning is hierbij voorliggend. Groepsgerichte voorzieningen hebben bovendien de voorkeur boven een individueel gerichte aanpak; - Op basis van het onderzoek ‘Naar collectieve financiering van Zorg in Onderwijstijd’ wordt uitgewerkt hoe zorg in onderwijstijd collectief in het onderwijscluster 3 en 4 wordt ingezet vanuit de Jeugdwet en de Wlz.36 Tevens wordt zowel een scherpere definiëring en afbakening van zorg- en onderwijstaken beoogd als handelingsperspectieven voor de zorg-, jeugdhulp- en onderwijsprofessionals.37 Indien aanpassingen in wet- en regelgeving nodig zijn, dan draagt het Rijk daarvoor zorg; - In deze werkagenda staan de acties die de komende jaren worden uitgevoerd om de samenwerking te verbeteren en hiervan te leren. Het gaat daarbij onder meer om niet-vrijblijvende afspraken over de samenwerking van verschillende professionals, organisaties en bestuurders, waaronder de hiervoor genoemde afspraken over collectief aanbod van ondersteuning en zorg, inclusief collectieve financiering. Daarnaast wordt aangesloten bij het experiment OZA, dat is gestart op 1 januari 2023 en als inbreng dient voor een wetswijziging gericht op betere samenwerking en organisatie van onderwijs en zorg op één locatie en bij het experiment Wlz-zorg in onderwijstijd.
Ook wordt verbinding gelegd met bestaande (lerende) netwerken, zoals het Steunpunt Passend Onderwijs, Met Andere Ogen en de Gelijke Kansen Alliantie/ School en Omgeving.
• Het financieringsstelsel van de kinderopvang wordt voor werkende ouders eenvoudiger en begrijpelijker. Daarbij wordt het voor ouders makkelijker om arbeid en zorg te combineren. Om de kosten de dekken is structureel €2,3 mld. beschikbaar gesteld (oplopend vanaf 2022). Hiermee wordt de ondersteuning en de sociale en pedagogische basis die de opvang biedt toegankelijker voor werkende ouders.
2.2.3 Volwassenen-ggz In veel gezinnen waar jeugdhulp wordt ingezet, speelt ggzproblematiek, waaronder verslavingsproblematiek bij de ouders. Die problematiek is van invloed op de jongere en andersom. Het is daarom belangrijk voor de effectiviteit van de zorg voor het gehele gezin dat de samenwerking tussen de jeugdhulp en volwassenen-ggz goed verloopt. Om die reden zetten we in op het vergroten van mogelijkheden om beter samen te kunnen werken en samen te leren vanuit het brede sociaal domein en met de volwassenen-ggz en vice versa. We steunen daarbij op de afspraken zoals die zijn gemaakt in het Integraal Zorgakkoord (IZA) dat in september 2022 is getekend. Afspraken: • Rijk, VNG en betrokken partijen werken uit hoe betere samenwerking tussen de jeugdhulp en de volwassenenggz kan worden gerealiseerd, opdat in de gezinscontext vanuit een gedeelde visie integrale zorg kan worden geboden. Bij dit vraagstuk worden tevens de uitkomsten betrokken van het door ZonMw uit te voeren onderzoek
24
naar (a) de vraag hoe de samenwerking tussen volwassenen-ggz en jeugdhulp te versterken is; (b) de proeftuinen vanuit het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming en (c) de binnen de volwassenenzorg bestaande wachtlijsten die in het kader van IZA worden aangepakt; • Rijk, VNG en betrokken partijen operationaliseren daarnaast de mogelijkheden die het IZA creëert. In het IZA is afgesproken: - Er komt een werkgroep ‘Domeinoverstijgende bekostiging’. Deze werkgroep werkt in ieder geval oplossingen uit voor: i. Financieren van zowel betalingen als investeringen alsook het verdelen van baten die in een ander domein vallen in het algemeen; ii. Consultatie, multidisciplinair overleg, verkennend gesprek, coördinatie en medicatieadvies ggz; iii. Projectleiders samenwerkingsorganisaties en andere indirecte kosten; iv. Indirecte tijd door medewerkers van zorgaanbieders en welzijnsorganisaties in het bijzonder. - Per 2024 verhogen we het maximumaantal uren poh-ggz (+4 uur) per normpraktijk in segment 1 van de beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg ten behoeve van netwerkzorg en het inzetten van e-health modules, beide in het kader van huisartsgeneeskundige zorg; - Gemeenten en de ggz vinden het van belang de thema’s voor de komende periode te benoemen en vast te leggen in een voorlopige werkagenda. Hiervoor 38
Schuldenproblematiek in beeld - cbs.nl.
39
Kamerstukken II 2021/2022, 32847, nr. 906.
40
Kamerstukken II 2021/2022, 32847, nr. 878.
41
Kamerstukken II 2021/2022, 32847, nr. 878.
wordt op korte termijn, maar uiterlijk in 2023, een werkagenda opgesteld, waarbij wordt aangesloten op de reeds bestaande ontwikkelagenda toegankelijkheid en wachttijden ggz. Ook in deze agenda is er aandacht voor rollen en verantwoordelijkheden; - In het IZA is € 160 mln. als specifieke investering geoormerkt voor transformaties in de volwassenen-ggz.
2.2.4 Bestaanszekerheid Jeugdzorg kan niet los worden gezien van (de situatie van) het gezin waarin een jeugdige opgroeit. Ook niet van de situatie waarin een jongvolwassene terecht komt na jeugdzorg. Zo blijkt uit het CBS-dashboard ‘Schuldenproblematiek in beeld’38 dat huishoudens met problematische schulden vaker jeugdzorg hebben (5,8%) dan huishoudens zonder problematische schulden (2,8%) en dat zo’n 37% van alle huishoudens moeite heeft met rondkomen. Onder hen bevinden zich opvallend veel jongeren tot 35 jaar. De verwachting is dat deze percentages door de actualiteit met grote koopkrachtverliezen voor de lagere en middeninkomens verder zullen toenemen. Gelet op de cijfers van het CBS en de huidige ontwikkelingen is er alle reden om, ook vanuit het oogpunt van het voorkomen van een beroep op jeugdhulp, in te zetten op het voorkomen en tegengaan van geldzorgen, armoede en schulden, maar ook huisvestingsproblematiek. Dit vraagt een inspanning van het Rijk en gemeenten.
Afspraken: • Het Rijk zet met de volgende programma’s en investeringen in op verbeteringen. Ook deze programma’s worden samen met partijen nog nader uitgewerkt. Het is daarom op voorhand niet te zeggen wat het precieze effect op de vraag naar jeugdhulp zal zijn. Wel zijn ook hier voldoende aanwijzingen dat positieve ontwikkelingen rondom bestaanszekerheid een positief effect hebben op de vraag naar jeugdzorg: 1. Het programma ‘Betaalbaar wonen’39: wonen in een goed, duurzaam en betaalbaar huis in een leefbare wijk is een eerste levensbehoefte, onderdeel van de Nationale Woon- en Bouwagenda.40 Veel Nederlanders kunnen op dit moment echter geen passende woning vinden. Het is de prioriteit van dit kabinet te zorgen voor een woning voor iedereen. Daarom wil het kabinet de woningbouw versnellen via genoemde agenda en programma. Concreet is de inzet tot 2030 900.000 nieuwe woningen te bouwen, waarvan tweederde in het betaalbaar segment. Voor deze nieuwe woningbouwimpuls wordt incidenteel €1 mld. uit het gemeentefonds genomen om over een periode van 10 jaar te verstrekken aan medeoverheden. Daarnaast worden stappen ondernomen om meer geschikte en betaalbare huisvesting voor jongeren beschikbaar te stellen; 2. Het Programma ‘Een thuis voor iedereen’, onderdeel van de Nationale Woon- en Bouwagenda41 richt zich op mensen die zich in een kwetsbare situatie bevinden,
25
waaronder jongeren. Het gaat om mensen die hun leven (opnieuw) op moeten bouwen en vaak naast een sociale huurwoning extra zorg of begeleiding nodig hebben. Denk aan mensen die dakloos zijn, waaronder 5.000 jongeren onder de 18 jaar, die uitstromen uit een intramurale (zorg)instelling of detentie, statushouders en mensen met sociale of medische urgentie. Daarnaast gaat het om arbeidsmigranten, studenten en woonwagenbewoners. Het programma heeft als doel om te zorgen voor voldoende betaalbare woningen voor al deze aandachtsgroepen, met een evenredige verdeling over gemeenten en met de juiste zorg, ondersteuning en begeleiding. Om dit doel te realiseren maken Rijk, provincies, gemeenten en woningcorporaties afspraken over bouw, toewijzing van woningen en ondersteuning. Welke afspraken dit zijn, staat gedetailleerd omschreven in het programma.42 Voor dit programma is tussen 2022-2024 een totaalbedrag van €100 mln. beschikbaar; 3. Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid43: Met dit programma worden de eerste stappen gezet voor een langjarige inzet van het Rijk om samen met gemeenten en andere lokale partijen de leefbaarheid en veiligheid in 20 stedelijke focusgebieden in 19 steden weer op orde te krijgen en de bewoners weer perspectief te bieden. Het Volkshuisvestingsfonds (totaal 4 x €150 mln. in 2023-2026) vormt voor dit programma een belangrijke bouwsteen.
Bij de inzet van andere generieke Rijksmiddelen, zoals die op basis
42
Een thuis voor iedereen | Rapport | Rijksoverheid.nl.
43
Kamerstukken II 2021/2022 0000363503.
44
Kamerstukken II 2021/2022, 24515, nr. 643.
van het coalitieakkoord beschikbaar zijn, zal op basis van prioritering aanvullend geld al dan niet beschikbaar komen voor deze focusgebieden; 4. Aanpak Geldzorgen, Armoede en Schulden44: Het Rijk ambieert de volgende doelstellingen met deze aanpak geldzorgen, armoede en schulden en zet daar ook middelen voor in: - Een halvering van het aantal mensen in armoede in 2030 (t.o.v. 2015);
- Een halvering van het aantal kinderen dat in armoede opgroeit in 2025 (t.o.v. 2015); - Een halvering van het aantal huishoudens met problematische schulden in 2030. Dit draagt bij aan de doelstelling om het aantal mensen in armoede te halveren. • Gemeenten leggen betere verbindingen in de uitvoering van maatregelen in het brede sociaal domein, zodat deze ook maximaal effect sorteren in gezinnen. In de proposi-
26
tie ‘De winst van het sociaal domein’45 geven gemeenten aan dat het belangrijk is om het sociaal domein als investeringsmogelijkheid en niet als kostenpost te zien. Juist door zorg te voorkómen en de totale kosten van zorg en ondersteuning terug te brengen. En door de investeringen in andere domeinen terug te verdienen: een gezondere samenleving, een sterkere arbeidsmarkt en een aantrekkende economie (hefboomwerking van het sociaal domein); • Als onderdeel van het convenant ‘Stevige lokale teams’ (zie paragraaf 2.3.1) ontwikkelt de VNG een kader voor domeinoverstijgend werken, speciaal gericht op jeugdproblematiek. Bij de inrichting hiervan wordt gebruik gemaakt van c.q. aangesloten op de doorbraakmethode en andere succesvolle voorbeelden van domeinoverstijgend werken en de daarmee door gemeenten en relevante veldpartijen opgedane ervaringen en inzichten bij de toepassing hiervan. Het Rijk en de VNG maken als onderdeel van het bestuurlijk kader afspraken over de bekostiging. Hierbij wordt gekeken naar alternatieve bekostiging, zoals een revolverend fonds.
2.2.5 18-/18+ problematiek Eerder is al verwezen naar de inzet van hulp uit andere domeinen (Participatiewet, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, vanuit het domein wonen alsmede somatische en (volwassenen)zorg op basis van de Wmo, Zvw of Wlz). Ook de overgang van de jeugdhulp naar de volwassenenzorg op 18-jarige leeftijd vraagt blijvende aandacht en verbetering.
45
Voor de groep jongeren die 18 wordt en niet langer inhoudelijk aangewezen is op zorg en ondersteuning vanuit de Jeugdwet geldt dat ze de jeugdhulp (veelal) moet verlaten. Het vroegtijdig aangaan van het gesprek over de toekomst, het zorgen voor een woning, voor werk of opleiding, voor inkomen, voor verdere begeleiding en zorg als dit nodig en gewenst is, maakt dat een jongere mét een toekomstperspectief de jeugdhulp kan verlaten. Dit voorkomt dat jongeren onnodig lang in de jeugdhulp blijven of dat ze dak- en thuisloos raken als gevolg van een gat in opvang en begeleiding. Alle bij de jongere betrokken partijen maken daarom samen tijdig afspraken over het vervolg en wat nodig is wanneer één van de randvoorwaarden nog niet gereed is. Voor jongeren die 18 worden en waar verlenging van de zorg en ondersteuning vanuit de Jeugdwet inhoudelijk noodzakelijk is, wordt inzet van verlengde jeugdhulp geregeld, zoals reeds opgenomen in de Jeugdwet.
Afspraken: • Het Rijk zorgt dat de kennis die de afgelopen jaren is opgedaan over samenwerking en succesfactoren gebundeld en verspreid wordt om ervoor te zorgen dat deze jongeren een goede overgang maken; • Het Rijk werkt onder andere concreet aan de hardvochtigheden in de Participatiewet, aan huisvesting voor jongeren die zich in een kwetsbare situatie bevinden (zie hiervoor), aan een agenda passend onderwijs MBO en aan een urgentieregeling voor woningtoewijzing. Daarnaast blijft de groep jongeren in een kwetsbare positie op de agenda van de betrokken ministeries in het
sociaal domein en worden zo nodig aanvullende maat regelen getroffen; • Jeugdhulpaanbieders en gemeenten committeren zich om voor en met deze jongeren tijdig een toekomstperspectief te formuleren, voordat zij de jeugdhulp op hun 18e verlaten. Concreet betekent dit dat elke jongere die jeugdhulp ontvangt een persoonlijk ontwikkel- of toekomstplan heeft met niet-vrijblijvende afspraken waarin de ‘Big 5’ (wonen, werk/school, inkomen, welzijn en support) leidend is. Het plan is van de jongere zelf, de eigen specifieke behoeften staan centraal. Het NJi heeft een handreiking opgesteld die bij deze gesprekken betrokken wordt en waarbij de ‘Big 5’ het uitgangspunt is. Ook krijgt dit onderwerp de aandacht bij de verdere uitwerking van kwaliteitskaders (paragraaf 2.5); • Vanuit de Toekomstagenda ‘Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking’ wordt in beeld gebracht welke knelpunten mensen met een licht verstandelijke beperking ervaren in de overgang van zorg naar ondersteuning tussen de verschillende wetten (Jeugdwet, Wmo, Wlz, Zvw en ook forensische zorg) en wordt op zoek gegaan naar oplossingen voor deze knelpunten. Hierbij is er bijzondere aandacht voor de knelpunten van jongeren die uitstromen uit behandeling vanuit de (tijdelijke) Wlz-indicatie.
de-winst-van-het-sociaal-domein_def.pdf (vng.nl).
27
2.3 Stevige lokale teams en toegang
Opgave: We zijn duidelijk in onze doelstelling: jeugdigen en hun ouders moeten voor jeugdhulp laagdrempelig en dicht bij huis terecht kunnen. We willen dit onder meer bereiken door in te zetten op stevige lokale teams met voldoende kennis en expertise en verbinding met specialistische hulp. Teams die met ouders en jeugdigen kijken naar wat echt nodig is. Die niet alleen toegang verlenen, maar zelf lichte hulp verstrekken, gericht op het versterken van het gewone leven en de veerkracht van gezinnen en jongeren. Ze doen dit in goede verbinding met de lokale voorzieningen die beschikbaar zijn voor het brede sociaal domein; en verder in verbinding met welzijn, (kinder)opvang en onderwijs; daarnaast met volwassenen-ggz en ggz-ondersteuning, die bij voorkeur ook in de wijk aanspreekbaar en inzetbaar is. Het is hierbij tevens van belang goed na te denken over de bekostiging vanuit de gemeente van het stevige lokale team in relatie tot de aanvullende (specialistische) zorg. Dit om financiële beheersbaarheid te behouden. Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de inrichting van hun teams en de bekostiging, op basis van in het bestuurlijk kader duidelijk omschreven functies (zie 2.3.1). Kortom: er blijft ruimte voor diversiteit in de wijze waarop gemeenten deze functies borgen in hun lokale infrastructuur.
Om te doen wat nodig is maken we de volgende afspraken over te nemen maatregelen.
28
2.3.1 Convenant stevige lokale teams We zetten in op een beweging richting stevige lokale teams. Deze voldoen aan de volgende kenmerken. Lokale teams: • Zijn multidisciplinaire teams met goed opgeleide professionals, met de juiste (in ieder geval ontwikkelingspsychologische) expertise, tijd, ruimte en mandaat; • Staan dicht bij de inwoners, werken outreachend en signaleren vroegtijdig; • Voeren samen met jeugdigen en ouders een brede analyse uit en stellen samen met hen een gezinsplan op; • Bieden op basis van deze analyse zelf passende en samenhangende basishulp, zowel licht als zwaarder en zowel kort- als langdurig (bijvoorbeeld ook langdurige lichte hulp). Ze evalueren tijdig of ingezette hulp daadwerkelijk helpt en passen waar nodig hun inzet aan; • Werken mee aan het met partners versterken van de sociale basis en collectieve oplossingen. • Hebben een vast gezicht en ankerpunt voor het gezin totdat de balans is hersteld of om de balans duurzaam te ondersteunen om escalatie te voorkomen; • Houden oog voor het uitgangspunt dat de regie over de eigen behandeling zoveel mogelijk bij de jeugdige en het gezin ligt, of komt en blijft liggen; • Handelen met een brede blik op het gehele gezin en de context (participatie, wonen, armoede, scheiding, psychische problemen ouders en schoolklimaat); • Hebben specialistische expertise dichtbij beschikbaar.
Ze halen deze expertise ‘erbij’ om in te zetten ter consultatie of als daadwerkelijk hulptraject. Hierbij wordt samen met het lokale team opgetrokken om elkaars inzet te verrijken; • Zijn ook te benaderen wanneer juist de specialistische zorgaanbieders merken dat er een bredere aanpak nodig is dan de zorg die een specialistische aanbieder inzet,
bijvoorbeeld wanneer een jeugdige via de huisarts in zorg is gekomen; • Werken samen met informele steunfiguren en ervaringsdeskundigen; • Werken samen met onder andere huisartsen, jeugdartsen, jeugdgezondheidszorg, gecertificeerde instellingen (GI’s), kinderartsen, kinder- en jeugdpsychiaters en Veilig Thuis;
• Werken samen met netwerken integrale vroeghulp; • Werken samen met onder andere jeugdbescherming; • Leggen bij vastgelopen zorgvragen verbinding met het Regionale Expert Team in hun regio; • Schakelen acute zorg en veiligheidsexpertise in, indien noodzakelijk; • Doen dit alles vanuit een gezamenlijke visie met relevante partners. 29
Afspraken: • De VNG ontwikkelt een bestuurlijk kader in de vorm van een convenant ‘Stevige lokale teams’, gericht op zowel Jeugd als Wmo. Hierin zal ook de transitie richting stevige lokale teams inzichtelijk gemaakt worden. Het convenant wordt ontwikkeld in nauwe afstemming met onder andere de gemeenten, de Associatie Wijkteams, de SBJ, cliënt- en brancheorganisaties, VWS en partijen uit de brede sociale basis. Het streven is dit convenant in 2023 te ondertekenen door VNG en VWS, mogelijk aangevuld met bovengenoemde partijen; • Leidraad zijn de al eerder vastgestelde vijf basisfuncties voor lokale (wijk)teams (2019)46, die al in de Norm voor Opdrachtgeverschap waren opgenomen, aangevuld met de zeven uitgangspunten uit het Verbetertraject Toegang;47 • Bij de ontwikkeling van het kader zal de handreiking ‘De juiste professional op de juiste plek in het lokale team’48, waaronder ook de richtlijn ‘Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp’49, alsook de zogeheten ‘Leidraad werken aan veiligheid’50 worden betrokken. Tevens komt er een verbinding naar het genoemde Toekomstscenario kind- en gezins bescherming en wordt expliciet aandacht besteed aan de doelgroep jeugdigen met een levenslange en levensbrede beperking/aandoening;
• Verder zal het kader de samenwerking tussen stevige lokale teams en gespecialiseerde jeugdhulpaanbieders nader uitwerken (zie 2.3.2. over opdrachtgever- en opdrachtnemerschap) en ook het kader voor domeinoverstijgend werken speciaal gericht op jeugdproblematiek (zie 2.2); • Daarnaast bevat het kader de vereiste kennis en deskundigheid van in het lokale team werkzame professionals. Als onderdeel hiervan starten de beroepsverenigingen en aanbieders in afstemming met het Rijk, de gemeenten en Associatie Wijkteams in 2023 met de ontwikkeling van een kwaliteitskader met criteria voor het doen van een brede analyse, waar triage, een verklarende analyse en verwijzing een onderdeel van zijn (zie ook 2.1.4 reikwijdte). Dit kader is branche-overstijgend en wordt opgesteld vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid met een op hoofdlijnen gedeelde visie (beroepsgroep overstijgend) voor alle verwijzers als geheel (de toegang). Te zijner tijd wordt nader uitgewerkt hoe we toewerken naar toepassing van het kader; • Tenslotte zal de beweging richting stevige lokale teams en de toepassing van de genoemde kaders, als onderdeel van het convenant ‘Stevige lokale teams’, worden gemonitord. Monitoring maakt waar mogelijk gebruik van bestaande informatiestromen zoals die van Movisie voor de sociale wijkteams. Verder is een eerste verken-
ning gedaan naar de impact van stevige lokale teams51 en komt er naar verwachting een verdiepend vervolgonderzoek naar werkzame elementen. Tenslotte is het voor de beleidsinformatie rondom de beweging richting stevige lokale teams van belang dat er goede data worden aangeleverd bij het CBS door zowel de wijkteams als jeugdhulpaanbieders. Hiervoor wordt het informatie protocol Beleidsinformatie Jeugd in de loop van 2024 mogelijk aangepast.
2.3.2 Versterking opdrachtnemerschap (aanbieders) en opdrachtgeverschap (gemeenten): betrekken (specialistische) expertise bij lokale teams De versterking van lokale teams heeft gevolgen voor de opdracht aan gespecialiseerde aanbieders, Veilig Thuis, GI’s en Jeugdgezondheidszorg (JGZ). Zo wordt er van gespecialiseerde aanbieders gevraagd dat zij, indien nodig, kortdurend expertise kunnen toevoegen bij lokale teams om een goede analyse te doen en zo beter te kunnen bepalen wat nodig is, zonder het geheel over te nemen. Eenzelfde rol heeft de JGZ aan de voorkant. Dit vraagt doorontwikkeling van de samenwerkingswijze tussen lokale teams, gespecialiseerde aanbieders en de JGZ, alsook nadere invulling van zowel het opdrachtgever- als het opdrachtnemerschap.
46
De vijf basisfuncties: veilige leefomgeving, tijdig signaleren van de vraag, vindbare en toegankelijke hulp, handelen met een brede blik en leren en verbeteren. Voor meer info zie rapport (voetnoot 14). Zie ook https://www.voordejeugdenhetgezin.nl/actueel/nieuws/2019/11/19/basisfuncties-voor-lokale-teams-in-kaart.
47
Infographic-Verbetertraject-Toegang.pdf (movisie.nl).
48
Bijlage handreiking De juiste professional op de juiste plek in het lokale team | Publicatie | voor Jeugd & Gezin (voordejeugdenhetgezin.nl).
49
Richtlijn Samen met ouders en jeugdige beslissen over passende hulp - Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming.
50
Leidraad Werken aan veiligheid in wijkteams.
51
Verkenning (financiële) potentie van stevige lokale teams
30
Afspraken: • Concreet vullen gemeenten en jeugdhulpaanbieders hun opdrachtgever- en opdrachtnemerschap zo in dat specialistische expertise en die van de JGZ dicht bij de lokale teams is gepositioneerd. Onderdeel hiervan vormen heldere afspraken over de financiering van deze consultatiefunctie. Dit maakt deel uit van het convenant ‘Stevige lokale teams’ (zie 2.3.1) en de Norm van Opdracht nemerschap (zie 2.7.9). De VNG en de brancheorganisaties jeugd ondersteunen gemeenten en aanbieders hierin.
belang dat er duidelijke afspraken gemaakt worden over wie verantwoordelijk is voor de zorg/hulp die wordt geboden en hoe dit wordt gefinancierd. De jeugdconsulent biedt jeugdhulp, maar houdt indien gewenst en mogelijk fysiek spreekuur in de huisartsenpraktijk. De jeugdconsulent is voor de huisarts het vaste aanspreekpunt van het lokale team, werkt onder verantwoordelijkheid van de gemeente en kan een verbinder zijn tussen huisartsenzorg en de gemeente. Huisartsen en hun poh-ggz (evt. met aandachtsgebied jeugd) bieden alleen huisartsenzorg voor de jeugd.
2.3.3 Verbinding huisarts
Uit veel pilots blijkt dat jeugdigen en volwassenen tevreden zijn over de geboden hulp en dat dit besparingen oplevert. Gemeenten hebben, naast algemene financiële middelen hiervoor, in 2021 €10 mln. vanuit het Rijk ontvangen, specifiek ten behoeve van ondersteuning jeugd bij de huisarts.54 Huisartsen worden aangemoedigd om te kiezen of ze met een jeugdconsulent vanuit de gemeente willen werken. Waarbij opgemerkt wordt dat er ook op het gebied van de poh-ggz (eventueel met aandachtsgebied jeugd) schaarste speelt.
Naast de stevige lokale teams (en jeugdartsen, kinderartsen en GI’s) zijn huisartsen een belangrijk toegangskanaal voor jeugdhulp. Het is van belang dat de samenwerking tussen de huisarts, de jeugdgezondheidszorg en een lokaal team sterk is, zodat zij elkaar eenvoudig kunnen vinden en een goede analyse mogelijk is of ondersteuning of hulp nodig is en in welke vorm deze passend is. Hiervoor zijn vaste contactpersonen voor de huisarts binnen het lokale team onmisbaar.52 Veel gemeenten en huisartsenpraktijken hebben er inmiddels gezamenlijk voor gekozen om een jeugdconsulent of ondersteuner jeugd53 in te zetten in de huisartsenpraktijk, zodat deze direct lichte hulp kan bieden en een apart traject in veel gevallen niet meer nodig is. Andere huisartsenpraktijken werken samen met een poh-ggz (met aandachtsgebied jeugd). Daarbij is het van
Afspraken: Om de samenwerking tussen huisartsen en lokale teams te verstevigen zetten: • VNG en LHV in op de aanwezigheid van vaste contactpersonen voor huisartsen bij lokale teams en vice versa;
• VNG en VWS in op een bredere inzet van jeugdconsulenten bij huisartsen, middels onder andere het actief verspreiden van praktijkvoorbeelden. Hiertoe voeren VNG en VWS overleg met de LHV; • VNG en LHV in 2023 in op een actualisatie van de leidraad samenwerken huisartsen en gemeenten rond jeugd.55 Hierin wordt ook ingegaan op de bekostigingsmogelijkheden. Deze leidraad wordt door LHV en VNG actief onder de aandacht gebracht van gemeenten en huisartsen; • Verder spreken VNG, LHV en VWS af de samenwerking tussen huisartsen en lokale teams gezamenlijk te monitoren en de aanpak zo nodig te intensiveren. Hierover worden in 2023 (monitorings)afspraken gemaakt tussen LHV, VNG en VWS.
2.3.4 Versterken samenwerking met informele steun(figuren) Om vanuit bestaande relaties en vanuit het versterken van het gewone leven jeugdigen te ondersteunen is het belangrijk om informele steun(figuren) meer te betrekken.56 Dit zal een belangrijk aandachtspunt worden voor professionals (onder andere van stevige lokale teams), voor de gespecialiseerde zorgaanbieders en voor gemeenten. Er is al een goede beweging gaande, maar er zijn zeker nog kansen om het potentieel van informele steun(figuren) beter te benutten.57
52
Een mooi voorbeeld van deze verbinding tussen de huisarts en het sociaal domein gericht op volwassenen is “Waar is Wally” in Deventer.
53
Voor meer informatie over het onderscheid: https://www.lhv.nl/product/lhv-keuzehulp-poh-jeugd/.
54
Dit moet uiteindelijk een structurele besparing opleveren van €88 mln.
55
leidraad-samenwerking_20181102.pdf (vng.nl).
56
Informele steun(figuren) in de vorm van bijvoorbeeld Jouw Ingebrachte Mentor (JIM), buurtgezinnen, Eigen Kracht Centrale, home-start, meeleefgezinnen, burgervoogd, Steunouders, enzovoort.
57
Voor meer informatie over de acties en producten zie: Best passende zorg | Thema’s | voor Jeugd & Gezin (voordejeugdenhetgezin.nl).
31
Afspraken: • VNG en VWS zullen gedurende de looptijd van de Hervormingsagenda samen met BGZJ en de SBJ de uitvoeringspraktijk hierop versterken, onder meer door de waarde ervan onder de aandacht te brengen en positieve praktijkvoorbeelden te verspreiden; • Ook wordt door bovenstaande partijen ingezet op het vergroten van de vakbekwaamheid van professionals om samen te werken met informele steun(figuren) en het creëren van de juiste randvoorwaarden voor professionals vanuit werkgevers en/of opdrachtgevers. In 2023 worden hiertoe afspraken gemaakt; • Informele steunfiguren uit het eigen netwerk kunnen eveneens helpen om residentieel verblijf te voorkomen, door vooral te kijken naar de mogelijkheden in het eigen netwerk (zie paragraaf 2.4).
specialisten, de jeugdartsen en de GI’s; • Ook met de Raad voor de Kinderbescherming worden afspraken gemaakt over de onderlinge samenwerking (artikel 3.1, vijfde lid). Onderdeel van die afspraken kan zijn dat de Raad, indien er redenen zijn om in een advies over in te zetten jeugdhulp in het strafrechtelijk kader af te wijken van het gecontracteerd aanbod, voorafgaand aan het geven van het advies met de gemeente overlegt.
2.3.5 Verwijzing gecontracteerd aanbod
Afspraken: Gemeenten spannen zich in om de kwaliteit van leven van deze groep te vergroten; om deze jeugdigen zich naar vermogen te kunnen laten ontwikkelen en participeren in de maatschappij; en om hun gezinnen te ondersteunen, zodat hun draagkracht behouden blijft en de impact op het gezin, waar mogelijk, verkleind wordt. Dit doen gemeenten door met name in 2023 en 2024, met een uitloop naar 2025 en verder in te zetten op de volgende 5 verbeteracties. Verbeteracties bij thema’s die in samenhang worden ontwikkeld met andere regelingen: • Het vergroten van de kennis en expertise van medewerkers van stevige lokale teams, toegangsmedewerkers en de overige verwijzers naar jeugdhulp over de doelgroep
Uitgangspunt in de Jeugdwet is dat gemeenten, behoudens enkele uitzonderingen58, niet gehouden zijn om jeugdzorg te financieren die geen onderdeel uitmaakt van het gecontracteerd aanbod. Afspraken: • VNG en gemeenten zetten in op de verwijzing naar gecontracteerd aanbod. Zoals in de Jeugdwet is opgenomen, maken ze daartoe afspraken met huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen (artikel 2.7, vierde lid) en de GI’s (artikel 3.5, eerste lid). Het maken van afspraken vraagt zowel het initiatief van de gemeenten als de medewerking van huisartsen, de medische
58
•
• •
2.3.6 Inzetten op vijf verbeteracties – Waarborgen voor jeugdigen met een levenslange en levensbrede beperking Specifieke aandacht gaat uit naar de doelgroep jeugdigen met een levenslange, levensloop en levensbrede beperking/ aandoening (Triple L), die gedurende hun gehele levensloop ondersteuning nodig heeft.
•
en hun specifieke behoeften; Het vergroten van de regie van de jeugdige en het gezin en de samenwerking tussen professionals, de jeugdige en het gezin. Onderdeel van deze regie is de keuzevrijheid in zorgverleners en financieringsvorm (zorg in natura en persoonsgebonden budget); Het mogelijk maken van meer passende beschikkingen (duur, aard en omvang); Het realiseren en implementeren van een toekomst gericht perspectiefplan dat meegroeit met de jeugdige en het gezin; Het realiseren en daadwerkelijk beschikbaar maken van logeeropvang en respijtzorg. VWS en VNG zijn met de cliëntorganisaties in gesprek over hoe ze deze beweging bij gemeenten het best kunnen faciliteren.
Bijvoorbeeld indien niet-gecontracteerde jeugdhulp is opgenomen in een vonnis van de kinderrechter in een strafzaak.
32
2.4 Terugdringen residentiële jeugdhulp: zo thuis mogelijk
Opgave: We zetten in op het voorkomen van residentiële jeugdhulp om te zorgen dat jeugdigen die jeugdhulp nodig hebben ook dan zo thuis mogelijk kunnen opgroeien. Waar residentiële jeugdhulp toch nodig is gaan we deze verder transformeren naar een zo thuis mogelijke, regionaal georganiseerde kleinschalige vorm. Want kleinschaligheid biedt meer kans op een veilig en positief leefklimaat, maatwerk en onvoorwaardelijk wonen.59 Terugdringen en transformeren van residentiële jeugdhulp vergt tijd en investeringen. De opbrengsten zijn weliswaar veelbelovend, maar de omvang en het tempo onzeker. Dit vereist landelijke regie, een adaptieve veranderstrategie met partners en de bereidheid op basis van de realisatie het plan bij te stellen. We zetten een eerste stap met de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp; later in 2023 volgt een aanpak voor het transformeren van de overige vormen van residentiële jeugdhulp. Om te doen wat nodig is, maken we de volgende bestuurlijke afspraken over te nemen maatregelen.60
59
Waarom kiezen voor kleinschalig verblijf? | Nederlands Jeugdinstituut (nji.nl).
60
Voor de helderheid: als we spreken over de afbouw van residentiële voorzieningen, dan wordt hier alle residentiële jeugdhulp mee bedoeld. Alleen waar specifiek wordt gesproken over gesloten jeugdhulp (welke onderdeel is van de bredere residentiële jeugdhulp) wordt dat zo benoemd.
33
2.4.1 Uitvoeringsplan af- en ombouw gesloten jeugdhulp Voor de gesloten jeugdhulp hebben we vooruitlopend op deze Hervormingsagenda een begin gemaakt met de residentiële transformatie door de uitvoering van de specifieke uitkering vastgoedtransitie residentiële jeugdhulp61 (bestemd voor zowel de gesloten jeugdhulp, als voor open driemilieuvoorzieningen) en de Kamerbrief Passende hulp voor jeugdigen die bescherming en veiligheid nodig hebben.62 Onze ambitie is dat alle gesloten jeugdhulp in 2025 kleinschalig en regionaal georganiseerd is en dat we in 2030 zo dichtbij mogelijk nul gesloten plaatsingen zijn. Om die ambitie te realiseren, hebben Rijk en VNG samen met aanbieders van gesloten jeugdhulp een uitvoeringsplan opgesteld dat in februari 2023 aan de Tweede Kamer is aangeboden.63 Met dit uitvoeringsplan nemen Rijk, VNG en Jeugdzorg Nederland landelijke regie op de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid. Afspraken: • De kern van de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp en de opbouw van alternatieven vindt plaats in de regio, in interactie tussen gemeenten, aanbieders, professionals, jongeren(-vertegenwoordigers) en andere betrokken partijen.
De 11 coördinerende gemeenten gesloten jeugdhulp updaten halfjaarlijks hun bovenregionale plannen waarin ze de af-, om- en opbouw vorm geven; • Rijk, VNG en gemeenten vragen de Jeugdautoriteit om een periodieke monitor op te zetten met daarin kwanti-
tatieve en kwalitatieve informatie over de ontwikkeling van capaciteit en bezetting van gesloten jeugdhulp en de alternatieven voor de vraag naar deze intensieve jeugdhulp; • VNG en Rijk nemen in samenwerking met Jeugdzorg Nederland het initiatief om de bovenregionale plannen
ten minste halfjaarlijks naast elkaar te leggen om te monitoren of de plannen een landelijk dekkend zorgaanbod blijven bieden. Wanneer hier problemen dreigen te ontstaan, faciliteren VNG, Rijk en Jeugdzorg Nederland verdiepende regionale gesprekken en/of bespreken zij dit in bestuurlijk overleg;
61
Staatscourant 2021, 43111 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl).
62
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2022/07/08/kamerbrief-passende-zorg-voor-jeugdigen-die-bescherming-en-veiligheid-nodig-hebben.
63
TK 2022/23, 31839, nr. 924
34
• Rijk (VWS en OCW), VNG en Jeugdzorg Nederland richten in 2023 samen met professionals, jongeren(-vertegenwoordigers) en andere betrokken partijen een landelijke programmaorganisatie in die zich richt op de belangrijkste randvoorwaarden van een goede af- en ombouw: monitoring, financiën, kwaliteit, residentieel onderwijs en het omgaan met vrijheidsbeperkende maatregelen.
2.4.2 Financiën transitie onder landelijke regie In de afgelopen jaren hebben Rijk, gemeenten en aanbieders al veel geïnvesteerd in de af- en ombouw van residentiële jeugdhulp en het creëren van alternatieven. De kern van de financiële keuzes ligt in afspraken tussen gemeenten onderling en tussen gemeenten en aanbieders in de regio’s. Tegelijkertijd zien we dat landelijke regie nodig is, omdat de keuzes in een regio of bij een aanbieder effect hebben op andere gebieden in Nederland. Een zorgvuldige af- en ombouw vereist een bekostiging die rekening houdt met de kosten voor vastgoed-ombouw, leegstand, personeelsontwikkeling en tegenvallers. Door landelijke sturing wordt dit een voorspelbaar en zorgvuldig traject, zodat er geen kinderen tussen de wal en het schip vallen doordat cruciale organisaties omvallen of doordat personeel door te grote onzekerheden vertrekt. Parallel daaraan is transformatie in flankerende domeinen nodig, met name onderwijs, volwassenen-ggz en woonbeleid. Afspraken: • Rijk en gemeenten maken een afspraak over de financiële gevolgen van de transformatie en de frictiekosten, zodat ze de continuïteit van zorg kunnen borgen en de gemeenten en instellingen in staat stellen om de transformatie daadwerkelijk te maken. Deze afspraken maken deel uit van het financieel kader van de Hervormingsagenda;
• Het gaat hierbij niet alleen om de incidentele frictiekosten die gepaard gaan met het terugbrengen of transformeren van de residentiële capaciteit, maar ook de structurele meer- en minderkosten die gepaard gaan met het voorkomen van residentiële jeugdhulp en de zorg binnen (kleinschalige) alternatieven; • Gemeenten en instellingen werken op basis van de uitgangspunten van de in voorbereiding zijnde algemene maatregel van bestuur (amvb) ‘Reële prijzen Jeugdwet’ (zie 2.7.6) aan afspraken over passende tarieven voor de kleinschalige voorzieningen; • Het Rijk geeft in afstemming met VNG en Jeugdzorg Nederland opdracht tot een onafhankelijk verdiepend onderzoek naar de frictiekosten van af- en ombouw van gesloten jeugdhulp op locatieniveau en een raming van de structurele kosten van alternatieven. De drie partijen streven ernaar dit onderzoek voor eind 2023 af te ronden. Mocht dit onderzoek tot nieuwe inzichten leiden dan zullen de uitkomsten hiervan bestuurlijk worden besproken.
2.4.3 Investeren in alternatieve zorg mede ter voorkoming van uithuisplaatsing van jeugdigen Afspraken: • Alle accounthoudende jeugdregio’s en gemeenten investeren met de jeugdhulppartners, waaronder de GI’s, in alternatieve vormen van zorg/hulp om inzet van residentieel verblijf te voorkomen en een succesvolle terugkeer naar huis te bevorderen (zie ook 2.3);
• Hierbij valt ook te denken aan de zelfgekozen steunfiguur waarvan de ervaring in een aantal regio’s heeft geleerd dat dit 25% van de uithuisplaatsingen kan afwenden. Om dit te stimuleren gaat het Rijk in 2023 aan de slag met het voorstel van zeven grote aanbieders van residentiële jeugdhulp om met de inzet van de informele steunfiguur het aantal uithuisplaatsingen (naar residentiële jeugdhulp) substantieel terug te dringen; • De eerder genoemde informele steunfiguur kan ook optreden als voogd voor jeugdigen die onder voogdij zijn gesteld. In Nederland zijn 12.000 jeugdigen tussen 0-18 jaar onder voogdij gesteld. Vooral jongeren die een voogdijmaatregel hebben (en die tot hun 18e jaar dat houden), hebben een professional van een GI als hun voogd. Veel vaker dan nu kan voogdij over die jongeren belegd worden bij een informeel steunfiguur als in ieder geval twee knelpunten opgelost worden. Het Rijk verkent in 2023 met VNG hoe dit kan: - Een collectieve WA-verzekering (omdat de jongere niet woonachtig is bij de burgervoogd en deze nu niet kan afsluiten). In overleg met de VNG en de Alliantie Burgervoogdij wordt bekeken hoe we dit punt kunnen oplossen; - Dekking van bijzondere kosten, omdat deze jongeren dat nodig hebben, de GI dan niet meer bijspringt, maar de burgervoogd dat moet bekostigen.
35
2.5 Kwaliteitsverbetering en blijvend leren
Opgave: Jeugdigen en ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat de zorg die zij ontvangen passend is en hen daadwerkelijk helpt. Er is steeds meer kennis over wat werkt in de jeugdhulp, maar ze is versnipperd beschikbaar en we passen haar lang niet altijd toe. Er zijn ook veel richtlijnen en kaders maar ook die sluiten niet altijd op elkaar aan en worden niet door iedereen onderschreven. Dit vraagt om een stevige kwaliteitsimpuls in de sector en het creëren van randvoorwaarden om blijvend te kunnen leren en elkaar blijvend verder te kunnen helpen om de noodzakelijke hervormingen tot stand te brengen. De toetssteen van kwaliteit is de hulpvraag van een jeugdige en/of diens ouders/opvoeders. Bij hulp wordt altijd de context meegenomen, zoals het gezin, de school en de wijk. Effectiviteit betekent: ‘alleen hulp bieden die daadwerkelijk bijdraagt aan het realiseren van de doelstelling die de jeugdige en/of opvoeder met de professional vaststelt’. Het is de ambitie dat in 2028: a. de jeugdhulp kan bouwen op een stevige gezamenlijke structuur en cultuur waarin voortdurend leren en veranderen vanzelfsprekend is; b. van een substantieel deel van de jeugdhulp is vastgesteld wat aantoonbaar werkt en dit aantoonbaar in de praktijk wordt toegepast, en dat hetgeen dat aantoonbaar niet werkt aantoonbaar niet wordt toegepast; c. voor belangrijke delen van de jeugdhulp kwaliteitskaders bestaan.
Om te doen wat nodig is maken we de volgende bestuurlijke afspraken over te nemen maatregelen.
36
2.5.1 Een praktijk van kwaliteit in 2028: onderschrijven van de principes De ambitie is dat aan het eind van de implementatie van de Hervormingsagenda in 2028 de jeugdhulp een stevige structuur en cultuur kent van kennisontwikkeling en -toepassing. Alle partijen bij de Hervormingsagenda hebben een verantwoordelijkheid in de kwaliteitsverbetering. De afspraken zijn gebaseerd op de adviezen van de werkgroepen ‘Kwaliteit & Effectiviteit’ en ‘Leren, Ontwikkelen & Kennisinfrastructuur’ zoals opgeleverd in december 2021. Kern is dat het advies van de Kwartiermaker ‘Kwaliteit en blijvend leren in de jeugdhulp, van praten naar doen’ van november 2022, wordt opgevolgd. Hieronder volgen de belangrijkste afspraken uit dit advies: Afspraken over de leidende principes: • Alle partijen werken vanuit onderstaande leercyclus van vier leidende principes waardoor leren en verbeteren vanzelfsprekend wordt. 1. Het werkelijk samen verbinden aan de opgave; 2. Het maken van een gezamenlijke analyse, doelbepaling en aanpak; 3. Gebruik maken van de kennis over wat wel en wat niet werkt; 4. Meten om te verbeteren in het kader van de maatschappelijke opgave. Gedurende de looptijd van de Hervormingsagenda doorlopen betrokken partijen gezamenlijk op verschillende onderwerpen en thema’s deze cyclus. Dit gebeurt aan de hand van een in 2023 op te stellen meerjarige implementatie- en onderzoeksagenda.
• Alle betrokken partijen hebben een verantwoordelijkheid bij het werken aan kwaliteit en effectiviteit. Bovendien gebeurt het leren niet op één plaats of moment: dat vraagt voortdurende inzet van allerlei betrokkenen en een duidelijke verantwoordelijkheid van partijen uit de Vijfhoek: - Jeugdigen en ouders vormen een toetssteen voor kwaliteit: wanneer voegt de hulp waarde toe in hun leefwereld?
Relatie, klik, alliantie, vertrouwen
Evalueren, doelrealisatie, samen verbeteren
- Professionals bieden hulp door de verbinding aan te gaan met de jeugdige en het gezin, te analyseren wat er aan de hand is en wat het doel is van de hulp. Ze kiezen een aanpak en handelen volgens de professionele standaard (beroepscode, richtlijnen, veldnormen); - Werkgevers/aanbieders borgen de kwaliteit die hun professionals leveren en bieden hiervoor de benodigde randvoorwaarden;
Verbinding aangaan
Samen beslissen
Samen leren
Doen wat werkt
Analyse, doelbepaling, aanpak kiezen
...En niet doen wat niet werkt, algemeen en specifiek werkzame factoren, kennis
37
- Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het bieden van een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdhulp en waarborgen de kwaliteit van de uitvoering van de jeugdhulp onder andere door hierover passende afspraken te maken bij inkoop, inclusief de benodigde randvoorwaarden; - Het Rijk is verantwoordelijk voor de werking van het stelsel en de maatschappelijke uitkomsten. • Professionals, aanbieders en gemeenten ‘doen wat werkt’. Ze passen kennis over kwaliteit en effectiviteit toe in de praktijk, rekening houdend met de context; de leefwereld van een gezin en wijk, gemeente of regio. De optimale behandelduur is een onderdeel van effectiviteit. Als er onvoldoende kennis beschikbaar is, wordt onderzoek gedaan.
2.5.2 Kwartiermaker, onderzoeksagenda en kennisinfrastructuur Essentieel voor het slagen van de ambitie is dat de huidige vrijblijvendheid rond kennisontwikkeling en -toepassing verdwijnt. Daarom zijn afspraken over werkwijzen, besluitvorming, commitment en aantoonbare implementatie in de praktijk randvoorwaardelijk. De ambitie om kwaliteit en effectiviteit te versterken vraagt een structurele en continue investering in tijd en geld. Afspraken: • Het advies van de Kwartiermaker ‘Kwaliteit en blijvend leren in de jeugdhulp, van praten naar doen’ van november 2022 beschrijft een werkstructuur die het fundament is waarop de sector kan steunen bij het werken aan kwaliteit, die borgt dat de huidige vrijblijvendheid verdwijnt en die een cultuur van blijvend leren stimuleert. Partijen onderschrijven de opzet van deze werkstructuur:
- Het gaat om een blijvende inrichting en governance voor het borgen en doorontwikkelen van kwaliteit en effectiviteit in de jeugdzorg. Deze werkstructuur staat los van de in te richten governancestructuur gericht op implementatie van de afspraken van de Hervormingsagenda, maar zal hieraan wel rapporteren; - Er wordt een werkorganisatie ingericht waarin inhoudsdeskundigen van de partijen van de Vijfhoek gezamenlijk werken aan kwaliteit. Deze mensen zijn voor 50% van hun tijd werkzaam in de werkorganisatie en voor 50% van de werkweek bij hun thuisorganisatie. In de werkorganisatie worden gezamenlijk besluiten genomen. Ook vanuit kennisinstituten worden mensen ingezet in de werkorganisatie en er wordt een programmaleider benoemd; - Besluiten die niet in de werkorganisatie kunnen worden genomen en die belangrijk zijn voor het vasthouden aan en het uitwerken van de afgesproken koers, worden genomen door de bestuurlijke portefeuillehouders kwaliteit van betrokken organisaties. Zij geven op inhoud sturing en dragen gezamenlijk bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het bereiken van de doelstellingen en aantoonbare implementatie; - Er wordt een Adviesraad opgericht. Deze Adviesraad heeft een agenderende functie binnen de leerbeweging.
De Adviesraad representeert de belangrijkste wetenschappelijke disciplines, ervaringsdeskundige ouders en jongeren en professionals die hun praktijkwerk combineren met onderzoek. De Adviesraad agendeert opgaven op basis van maatschappelijke thematiek.
• De afspraak is dat deze werkstructuur in de loop van 2023 operationeel wordt. De werkorganisatie gaat in 2023 aan de slag met het volgende: - Een voorstel voor een gezamenlijke set gedragen kwaliteitskaders voor de jeugdhulp op basis van de bestaande kaders voor kwaliteit waar de partijen zich aan committeren. Daarbij wordt inzichtelijk gemaakt wat nodig is voor toepassing in de praktijk en inkoop/ contractering, bijvoorbeeld implementeren, de-implementeren, doorontwikkelen etc. Partijen committeren zich aan acties die moeten worden ondernomen. De uitvoering van de afspraken worden gemonitord zodat na verloop van tijd geëvalueerd en geleerd kan worden; - Professionals bieden hulp. In hun werk is tijd en ruimte nodig om te leren. De werkorganisatie doet voorstellen voor aanpassingen in de praktijk die hieraan bijdragen en biedt daarvoor zo nodig ondersteuning; - De werkorganisatie maakt in 2023 een meerjarige implementatie- en onderzoeksagenda. Implementatie van bestaande kennis staat hierbij voorop. Innovatie is een onderdeel van de implementatieagenda. De implementatieagenda beschrijft welke kennis de komende jaren met de grootste urgentie geïmplementeerd gaat worden. Er staan werkwijzen, interventies of methoden in waarvan is afgesproken dat die toegepast worden omdat we weten dat het werkt en omgekeerd, wat niet meer wordt toegepast omdat het niet werkt.
38
2.6 Verbeteren van de organisatie en inkoop van specialistische jeugdzorg
Opgave: Voor een groot aantal jeugdigen en gezinnen zijn (hoog)specialistische jeugdzorgvormen onvoldoende of niet tijdig beschikbaar. Dergelijke zorg kan het beste op regionaal niveau of waar nodig op landelijk niveau worden georganiseerd en ingekocht. In de praktijk zien we dat de inkoop op regionaal niveau nu te vrijblijvend is georganiseerd. Het gevolg daarvan is dat het zicht op de beschikbaarheid van (hoog)gespecialiseerde jeugdzorgvormen onvoldoende is en er bij problemen met de beschikbaarheid onvoldoende instrumenten zijn om in te grijpen. Bovendien worden jeugdhulpaanbieders die voor meerdere gemeenten werken geconfronteerd met veel verschillende inkoopprocedures en contractvoorwaarden. Dat leidt tot zeer hoge uitvoeringslasten. Daarnaast is onvoldoende zicht op de te verwachten en benodigde ontwikkelingen in vraag en aanbod van (hoog)specialistische jeugdzorg en transformatie ervan. Hierdoor is het niet goed mogelijk adequaat op die ontwikkelingen en noodzakelijke transformatie in te springen. Kwetsbare jeugdigen die (hoog)specialistische hulp nodig hebben moeten kunnen rekenen op tijdige en passende hulp. Voor het significant verbeteren van de beschikbaarheid van deze hulp moet het stelsel worden hervormd en versterkt.
Daarom zijn maatregelen nodig die zien op verplichte regionale samenwerking en regionaal contracteren, landelijk contracteren en het verminderen van uitvoeringslasten van zowel gemeenten als jeugdzorgaanbieders (jeugdhulpaanbieders en GI’s). Het cliëntperspectief wordt meegenomen om te komen tot passende hulp.
39
Hiervoor maken we bestuurlijke afspraken over de volgende vijf samenhangende bouwstenen: 1. Versterken van de regio’s; 2. Standaardiseren van inkoop, kwaliteit en administratie; 3. Inkopen op landelijke schaal; 4. Regievoeren op regio-overstijgende transformatie; 5. Onderzoek naar verevenen van risico’s (tussen gemeenten onderling). Deze bouwstenen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en kunnen niet ‘onderling worden vervangen’. Essentieel is de inhoud van het wetsvoorstel ‘Wet verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen’ en bijbehorende ministeriële regeling waarin wordt vastgelegd welke zorgvormen regionaal of landelijk worden ingekocht. We realiseren ons dat de hiernavolgende maatregelen veel vragen van gemeenten en jeugdhulpaanbieders. Gemeenten moeten bijvoorbeeld taken beleggen bij een regionale entiteit en jeugdhulpaanbieders moeten zich anders gaan verhouden tot de jeugdregio’s. Dit is noodzakelijk voor een goede beschikbaarheid van jeugdhulp. Deze maatregelen zijn een grote operatie en hangen nauw samen met het effectueren van standaardisatie van inkoop, kwaliteit en administratie (paragraaf 2.7).