Bijlage 3. Etfal onderbouwing met bijlagen
Tekst van het document
Doordat onderhavig planinitiatief rekening zal houden met de regels omtrent archeologie die door de gemeente zijn opgesteld, is het aannemelijk dat ook de provinciaal gestelde archeologische waarde niet zal worden geschaad. Indien er toch vondsten worden gedaan zal initiatiefnemer hier melding van maken. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische kaar van Noord-Holland ligt het plangebied binnen een inundatiegebied. Dit zijn gebieden die ter verdediging onderwater kunnen worden gezet. Verder gelden er geen Pagina 29 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
cultuurhistorische waarden binnen het plangebied en zijn er ook geen beschermde dorpsgezichten ter plaatse. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
Pagina 30 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
4.4
Ecologie
Wet- en regelgeving Op 1 januari 2017 is de (vervallen) Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb is met het zogenoemde aanvullingsspoor natuur opgenomen in de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor natuur zorgt voor de integratie van de regelgeving over natuur en flora en fauna in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl en Bal diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wnb. Het gaat in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Gebiedsbescherming Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit.
In artikel 6.15 van de Omgevingsregeling wordt benoemd dat de stikstofdepositie moet worden berekend met AERIUS Calculator. Soortenbescherming Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en faunaactiviteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit. Doorwerking plangebied Soortenbescherming Bureau Endemica is gevraagd om een onderzoek uit te voeren naar de mogelijke gevolgen op beschermde flora en fauna in én om gebouwen bij de sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden aan de Huibert Pootstraat nummer 2a t/m 2t (onderzoek toegevoegd als bijlage 3). Zodoende kan worden bepaald of er knelpunten zijn in relatie tot de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten en gebieden, waar bij de geplande werkzaamheden rekening mee gehouden moet worden. Dit onderzoek is gekomen tot de volgende waarnemingen.
Vogels Gezien het gebrek aan geschikt broedhabitat, is het plangebied ongeschikt voor de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Aangezien de gebouwen ongeschikt zijn voor het voorkomen van nestlocaties van deze soorten, hoeft er geen aanvullend soortenonderzoek worden uitgevoerd om de aanwezigheid van nesten van soorten met jaarrond beschermde nesten te controleren. Aangezien er direct aangrenzend aan het plangebied wel geschikt broedhabitat aanwezig is kan er wel verstoring van
Pagina 31 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
broedende vogels plaatsvinden. Om de algemene broedvogels zo min mogelijk te verstoren kan buiten het broedseizoen worden gewerkt. De meeste vogels broeden tussen de periode van 15 maart en 15 juli. Grondgebonden zoogdieren Vaste verblijfplaatsen of verlies van (essentieel) leefgebied van zwaarder beschermde, grondgebonden zoogdieren kunnen op voorhand worden uitgesloten, derhalve is er dus geen sprake van een negatief effect op deze soortgroep. Aanvullend soortenonderzoek naar het daadwerkelijk voorkomen is zodoende niet noodzakelijk, evenmin het nemen van vervolgstappen ten aanzien van zwaarder beschermde, grondgebonden zoogdieren. Laag beschermde zoogdieren De ingreep zal leiden tot een toename in verstoring voor genoemde laag beschermde, grondgebonden zoogdieren. Deze soorten zijn echter allemaal ‘laag beschermd’ en voor al deze genoemde soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Ow bij ruimtelijke ingrepen en ontwikkelingen in de provincie Noord-Holland. Dat houdt in dat voor deze soorten alleen de zorgplicht geldt. Dit betekent dat er zoveel mogelijk gedaan moet worden om schade aan individuen te voorkomen. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van grondgebonden zoogdieren is dus niet aan de orde.
Vleermuizen Met de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen is geen sprake van een negatief effect op essentiële foerageergebieden en/of essentiële vliegroutes. Het is op voorhand uit te sluiten dat met de voorgenomen ingreep een negatief effect zal plaatsvinden op vaste rust- en verblijfplaatsen. Het uitvoeren van een aanvullend soortenonderzoek naar het voorkomen van verblijfplaatsen of essentieel foerageergebied/vliegroutes is daarom niet nodig. Wanneer de bouw plaatsvindt in de periode half maart tot en met oktober met behulp van ondersteunende verlichting in de nacht, wordt aangeraden vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken. Op deze manier blijft het plangebied beschikbaar als foerageergebied. Het aanwezige elektriciteitsgebouw dient ook ten alle tijden beschikbaar te blijven voor vleermuizen. Reptielen Op basis van aangetroffen biotoop kunnen beschermde reptielen in het plangebied uitgesloten worden. Derhalve is uitvoeren van aanvullend soortonderzoek niet noodzakelijk. Het nemen van vervolgstappen op het gebied van een vergunningaanvraag ten aanzien van reptielen is zodoende niet aan de orde. Amfibieën Wegens het op voorhand kunnen uitsluiten van het voorkomen van beschermde amfibieën binnen het plangebied, zal bij de uitvoering van de werkzaamheden geen negatief effect optreden op het leefgebied van dergelijke soorten.
Het nemen van vervolgstappen, zoals aanvullend soortonderzoek of vergunningaanvraag ten aanzien van amfibieën, is daarom ook niet aan de orde. Vissen Analyse van effecten op beschermde vissoorten is niet noodzakelijk aangezien er geen geschikt habitat aanwezig is en de beoogde werkzaamheden geen directe aantasting van een watergang tot gevolg hebben. Door de afwezigheid van geschikt biotoop worden beschermde vissen in het plangebied uitgesloten. Wegens gebrek van biotoop en voorkomen, zal bij de uitvoering van de ingreep geen sprake zijn van negatieve effecten op deze soortgroep en/of op haar leefomgeving. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van beschermde vissoorten is zodoende niet aan de orde.
Pagina 32 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
Overige soorten De aanwezigheid van beschermde overige soorten wordt uitgesloten in het plangebied en vervolgstappen met betrekking tot het aanvragen van een Omgevingsvergunning voor ‘overige soorten’ uit de Bijlage IX Bal of de Rode Lijsten zijn niet nodig. Concluderend Vanuit het onderzoek kan worden vastgesteld dat het aspect soortenbescherming voor onderhavig planinitiatief geen belemmering vormt. Wel dient gehouden te worden aan de zorgplicht door de initiatiefnemer. Dit houdt in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: ▪ dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; ▪ indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; ▪ voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Gebiedsbescherming Natuur Netwerk Nederland Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 950 meter van het dichtstbijzijnde Natuur Netwerk Nederland gebied. Hiermee zal het planinitiatief geen negatieve effecten hebben op een Natuur Netwerk Nederland gebied. Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ongeveer 2,4 kilometer van het plangebied.
Aangezien de werkzaamheden het slopen van kleine gebouwen en het bouwen met behulp van prefab modules betreft zullen de verstoringen door de bouwwerkzaamheden ook beperkt zijn. Voor zowel de realisatiefase (afbeelding 4.1 en bijlage 4) als de gebruiksfase (afbeelding 4.2 en bijlage 5) is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied van beide fases geen negatieve effecten als gevolg zal hebben. Het aspect gebiedsbescherming vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
Afbeelding 4.1: Uitsnede realisatiefase (Bron AERIUS calculator)
Pagina 33 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
Afbeelding 4.2: Uitsnede gebruiksfase (Bron AERIUS calculator)
Pagina 34 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
4.5
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Wet- en regelgeving Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Hiervoor zijn in het Bkl eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen in specifieke geluidaandachtsgebieden. Een geluidgevoelig gebouw is een:
▪ ▪ ▪ ▪
Gebouw met een woonfunctie; Gebouw met een onderwijsfunctie; Gebouw voor kinderopvang met bedden; Gebouw voor gezondheidszorg met bedden.
Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden de instructieregels uit afdeling 3.5 van het Bkl. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Met het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied dient er altijd rekening te worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidsbron met een geluidaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Geluidwaarden worden uitgedrukt in standaardwaarden en grenswaarden. De standaardwaarden en grenswaarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort en gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten (artikel 5.78, tweede lid, Bkl). De standaardwaarde is een aanvaardbaar geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Het uitgangspunt is dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl).
Het geluid is dan in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade is klein. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Voor een beperkt aantal gevallen kan er worden afgeweken van grenswaarden uit het Bkl. Dit kan bij zwaarwegende economische of andere zwaarwegende maatschappelijke belangen (artikel 5.78aa lid 1 onder a Bkl). Ten slotte voor andere gebouwen – dan geluidgevoelig gebouw – of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Doorwerking plangebied Onderhavig planinitiatief beoogd de realisatie van een geluidsgevoelig gebouw. Het plangebied ligt niet nabij spoorwegen of industrieterreinen, maar wel bij een aantal wegen. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd door BuroDB. De waarde van geluid ten gevolge van het verkeer op de
Pagina 35 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
aanwezige gemeentewegen ter plaatse van de nieuwbouw is bepaald en getoetst aan de wettelijke normen. Uit het onderzoek volgt dat het te verwachten geluid op de gevels van de nieuwbouw de standaardwaarde van 53 dB Lden niet overschrijdt. Het nader onderzoeken c.q. treffen van geluidsbeperkende maatregelen is niet nodig. Ook is het bepalen en vaststellen van de gecumuleerde en gezamenlijke waarde voor dit plan niet nodig. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1. Derhalve zal het aspect geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen geen belemmering vormen voor onderhavig planinitiatief.
Pagina 36 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
4.6
Luchtkwaliteit
Wet- en regelgeving In paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl staan instructieregels voor het beschermen van de luchtkwaliteit. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) (artikel 5.51 lid 2 tot en met 5 van het Bkl). In de aandachtsgebieden kan niet worden uitgesloten dat lokaal een overschrijding van de rijksomgevingswaarden kan optreden, rekening houdend met de realisatie van eventuele werken en activiteiten in deze gebieden. Boven genoemde paragraaf heeft betrekking op activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied. In sommige gevallen kunnen activiteiten buiten het aandachtsgebied zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Om deze reden dient een gemeente een initiatief soms te toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Indien een project of activiteit weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging is toetsen aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) voor luchtkwaliteit niet nodig (artikel 5.52 van het Bkl).
In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Dus het ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 μg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties (artikel 5.53 en 5.54 Bkl). Afdeling 8.5.1.2 van het Bkl bevat specifieke beoordelingsregels over milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: ▪ beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ▪ ammoniakemissies van veehouderijen; ▪ geologische opslag van CO2. Doorwerking plangebied Het plangebied bevindt zich in een aandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 5.51 van het Bkl. Daarom is voor onderhavig plangebied de luchtkwaliteit ter plaatse getoetst aan de hand van de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Er is daarbij uitgegaan van de volgende grenswaarden voor stikstofoxide en fijnstof: Tabel 1: grenswaarden luchtkwaliteit
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofoxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m3
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m3
Fijnstof (PM10)
Fijnstof (PM2,5)
Pagina 37 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
Gekeken naar het dichtstbijzijnde meetpunt gelegen aan de Maerelaan zijn de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 gelegen onder de grenswaarden. Het aantal PM10 overschrijdingsdagen is daarbij ook minder dan de grens van 35 dagen. Gekeken naar de jaargemiddelde concentratie PM2,5 op dezelfde punten wordt duidelijk dat ook deze onder de grenswaarde van 25 µg/m 3 ligt. De luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van de flexwoningen. Daarnaast behoort de realisatie van de beoogde ontwikkeling tot de categorie gevallen dat ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Om de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 te berekenen, heeft de overheid een tool ontwikkeld. Deze is hieronder ingevuld op basis van de te verwachten verkeersgeneratie. De verwachtte verkeersgeneratie bedraagt 251 verkeersbewegingen per etmaal (zie paragraaf 4.14 voor de berekening). Bij het invullen van deze gegevens kan geconcludeerd worden dat de bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de ontwikkeling niet in betekenende mate is.
Afbeelding 4.1: Tool niet in betekende mate (bron: infomill)
Het aspect luchtkwaliteit zal geen belemmering vormen voor onderhavig planinitiatief.
Pagina 38 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
4.7
Geluid door activiteiten, geur en trillingen
Wet- en regelgeving Geluid door activiteiten Paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl bevat instructieregels voor geluid door activiteiten deze regels beschermen geluidgevoelige gebouwen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. In de regels van artikel 5.59 is geformuleerd dat er in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Overigens gaat het om het geluid van alle activiteiten samen. In artikel 5.56 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, mits aan de aanvaarbaarheid eis kan worden voldaan. Geur Geurhinder kan bij verschillende bedrijfsmatige activiteiten voorkomen, onder meer bij landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties en overige milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl zijn instructieregels gesteld over activiteiten die geur veroorzaken op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 Bkl is bepaald dat de woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang als geurgevoelige gebouwen worden aangemerkt.
Deze gebouwen moeten in ieder geval beschermd worden tegen geurhinder. De instructieregels moeten zorgen voor een aanvaardbaar geurhinderniveau (artikel 5.92 lid 2 van het Bkl). De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Trillingen Net als geur en geluid kunnen trillingen nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen kunnen effect hebben op de gezondheid en het welzijn. Om trillinghinder te voorkomen, zijn er streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen. Hierin zijn onder meer regels opgesteld die voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Overigens gaat het om trillingen van alle activiteiten samen. In artikel 5.87 en 5.78a van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden (artikel 5.86 lid 2 van het Bkl). Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om hogere waarden toe te staan (artikel 5.88 en 5.89 van het Bkl). In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit.
Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. Doorwerking plangebied Activiteiten uitgevoerd door bedrijven kunnen invloed hebben op de fysieke leefomgeving, doordat ze geluid, geur en soms stof produceren. Om deze reden is niet altijd aanvaardbaar om een bedrijf op korte afstand van een woning te plaatsen. Overigens andersom ook niet. Bewoners kunnen namelijk geurgeluid- en trillingenhinder ervaren. Met onderhavige aanvraag wordt geen milieubelastende activiteit gerealiseerd. Wel wordt een woonfunctie gerealiseerd, welk is aangemerkt als milieugevoelige functie. Om deze reden is beoordeeld of aanvaardbaar is dat deze functie wordt gerealiseerd.
Pagina 39 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
Geur In de nabije omgeving van het plangebied bevindt zich geen bedrijfsvoering die overlast door middel van geur kunnen veroorzaken. Het aspect geur zal derhalve geen belemmering vormen voor onderhavig planinitiatief. Geluid door activiteiten In de nabije omgeving van het plangebied bevindt zich geen bedrijfsvoering die overlast door middel van geluid door activiteiten kunnen veroorzaken. Het aspect geluid door activiteiten zal derhalve geen belemmering vormen voor onderhavig planinitiatief. Trillingen In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen spoorwegen of bedrijfsvoering die overlast door middel van trillingen zullen veroorzaken. Het aspect trillingen zal derhalve geen belemmeringen vormen voor onderhavig planinitiatief.
Pagina 40 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
4.8
Omgevingsveiligheid
Wet- en regelgeving Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over de manier waarop het omgevingsplan externe veiligheid moet waarborgen bij het toedelen van functies aan locaties; de zogeheten omgevingsveiligheid. Gemeenten dienen regels op te nemen in het omgevingsplan om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico’s. In de instructieregels van het Bkl wordt onderscheid gemaakt in de kwetsbaarheid van gebouwen en locaties. Hierin wordt uitgegaan van drie niveaus: 1. Zeer kwetsbare gebouwen; 2. Kwetsbare gebouwen en locaties; 3. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De exacte indeling van de bovengenoemde gebouwen en locaties is te vinden in Bijlage VI van het Bkl. Hieronder vallen ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning mogen worden gebouwd (geprojecteerd gebouw). Het staat de gemeente vrij om een gebouw of locatie tot een zwaardere categorie te rekenen. Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Voor deze activiteiten dienen gemeenten regels op te nemen in het omgevingsplan. De instructieregels hiervoor staan in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De activiteiten welk zijn aangewezen als risicobronnen zijn aangewezen in bijlage VII van het Bkl.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Deze kans is groter of gelijk aan 1 op één miljoen, of te wel PR 10-6. Het plaatsgebonden risico is ruimtelijk vertaald naar vaste afstanden tot gebouwen en locaties. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Deze afstanden zijn genoemd in Bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Groepsrisico en aandachtsgebieden Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s.
Het zijn gebieden rond een activiteit met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn een drietal aandachtsgebieden: 1. Een brandaandachtsgebied, 2. Een explosieaandachtsgebied, en 3. Een gifwolkaandachtsgebied. Deze gebieden en hun begrenzing zijn beschreven in artikel 5.12 Bkl. Voor bepaalde activiteiten kan de omvang van deze gebieden worden afgelezen uit een tabel in Bijlage VII bij het Bkl en in bepaalde gevallen moet de omvang van deze gebieden worden berekend. Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).
Pagina 41 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Doorwerking plangebied Zoals hierboven is aangeven zijn er drie verschillende niveaus om de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie te bepalen. Hiervoor is gekeken onder meer naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is; de aanwezigheidsduur van personen; en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Gebouwen die als woonfunctie zijn aangemerkt vallen binnen de categorie ‘kwetsbare gebouwen en locaties’.
Afbeelding 4.2: Uitsnede risicokaart waarbij het plangebied rood omlijnt is (bron: Atlas Leefomgeving)
Op de kaart van Atlas Leefomgeving is te zien dat het plangebied niet binnen een van de aandachtsgebieden valt. Derhalve zal het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormen voor onderhavig planinitiatief.
Pagina 42 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
4.9
Kabels, leidingen en telecommunicatie installaties
Wet- en regelgeving Onder de grond liggen netwerken van kabels en leidingen voor onder andere nutsvoorzieningen, (tele)communicatie en riolering. Graafwerkzaamheden in de openbare weg voor de aanleg, uitbreiding en of onderhoud van deze werken mogen alleen gebeuren met vergunning en/of instemming van de gemeente. Het wettelijk kader ten aanzien van plaatsing van antennes en zendmasten ten behoeve van mobiele telecommunicatie wordt in de kern gevormd door de Omgevingswet. Antenne-installaties tot vijf meter hoogte zijn in principe bouwvergunningvrij. Antennes voor C2000, het communicatienetwerk voor hulpverleningsdiensten zijn bouwvergunningvrij, ongeacht hun hoogte. Doorwerking plangebied Binnen het plangebied bevinden zich geen planologisch belangrijke kabels en leidingen. Mogelijk zijn diverse niet-planologisch relevante leidingen aanwezig zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen en/of drainageleidingen. Deze kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs/in combinatie met aanwezige weginfrastructuur. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient hiermee rekening te worden gehouden. Voor uitvoering van de graafwerkzaamheden zal daarom een Klic-melding gedaan worden.
Pagina 43 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
4.10
Water en klimaatadaptatie
Wet- en regelgeving Waterwet De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. De volgende onderdelen blijven in de Waterwet achter: de regels voor het Deltaprogramma, de Deltacommissaris en het Deltafonds. Er staat ook een aantal financiële bepalingen in de Waterwet. Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook verdient de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening aandacht. Daarnaast hebben diverse functies het water nodig, zoals scheepvaart, landbouw en natuur. In het NWP zijn deze uitdagingen uitgewerkt en is aangegeven hoe hiermee om wordt gegaan. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Er wordt gesteld dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersystemen.
Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 tot en met 5.49 van het Bkl rijksregels met betrekking tot: ▪ Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; ▪ Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; ▪ Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. De watertoets die was opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening is vervangen door een inhoudelijke instructieregel die is opgenomen in artikel 5.37 van het Bkl. De ‘weging van het waterbelang’, voorheen bekend als de watertoets, biedt de waterbeheerder de mogelijkheid aandacht te vragen voor waterveiligheid en voor het voorkomen van wateroverlast in het kader van waterrobuust bouwen. De oorspronkelijke watertoets wordt niet langer voorgeschreven. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan.
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Binnen het plangebied gelden elf locaties volgens het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier: ▪ Ambtsgebied Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier ▪ Beheergebied ▪ Beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering ▪ Beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten het hellend gebied en gebied met droge beddingen ▪ Beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten kwetsbaar gebied grondwater ▪ Beheergebied buiten de kernzone en beschermingszones van de waterkering ▪ Beheergebied buiten het aangewezen gebied peilafwijkingen Pagina 44 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
▪ ▪ ▪ ▪
Beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlakte water Gebied met peilbesluitplicht Niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam Niet-risicovol gebied verticale drainage
Ambtsgebied Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Dit is de geometrische begrenzing van het gebied waarin het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier werkt. Derhalve gelden voor het plangebied de regels die het hoogheemraadschap heeft opgesteld. Beheergebied Dit is de geometrische begrenzing van het beheergebied waarin het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier actief is. Derhalve is deze aanduiding verder niet relevant voor onderhavig planinitiatief. Beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering Het is verboden om binnen dit beheergebied meer dan 2000 m² aan verharding aan te brengen. Onderhavig planinitiatief brengt circa 900 m² aan verharding aan en zal daarnaast de verharding niet met netto 2000 m² vergroten gezien het plangebied in het huidige gebruik ook al grotendeels verhard is. Derhalve zal deze aanduiding geen belemmering vormen voor onderhavig planinitiatief. Beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten het hellend gebied en gebied met droge beddingen Binnen deze gebiedsaanduiding gelden aanvullende regels voor het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam. Onderhavig planinitiatief is niet voornemens nieuwe oppervlaktewaterlichamen te realiseren. Derhalve is deze gebiedsaanduiding niet relevant voor onderhavig planinitiatief.
Beheergebied buiten de kernzone en beschermingszone A van de waterkering en buiten kwetsbaar gebied grondwater Binnen deze gebiedsaanduiding gelden aanvullende regels voor het onttrekken van grondwater. Onderhavig planinitiatief is niet voornemens grondwater te onttrekken. Derhalve is deze gebiedsaanduiding niet relevant voor onderhavig planinitiatief. Beheergebied buiten de kernzone en beschermingszones van de waterkering Binnen deze gebiedsaanduiding gelden aanvullende regels voor het plaatsen van windturbines. Onderhavig planinitiatief is niet voornemens een windturbine te plaatsen. Derhalve is deze gebiedsaanduiding niet relevant voor onderhavig planinitiatief. Beheergebied buiten het aangewezen gebied peilafwijkingen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een peilafwijking te realiseren of te wijzigen binnen dit beheergebied. Onderhavig planinitiatief is niet voornemens een peilafwijking te realiseren of wijzigen. Derhalve is deze aanduiding niet relevant. Beheergebied buiten het kwetsbaar gebied oppervlakte water Binnen deze gebiedsaanduiding gelden aanvullende regels voor het lozen van grondwater in oppervlaktewaterlichaam bij sanering of ontwatering. Onderhavig planinitiatief beoogd geen sanering of ontwatering en derhalve zal er geen belemmering zijn vanuit deze gebiedsaanduiding. Gebied met peilbesluitplicht
Pagina 45 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
Water zal bij voorkeur worden geïnfiltreerd in de bodem voor zover dit niet leidt tot grondwateroverlast bij omliggende percelen. Onderhavig planinitiatief zal de huidige verharding deels vervangen door vergroening. Dit zal zowel direct aan de bodem als op de daken van de appartementen zijn. Hierdoor zal hemelwater direct worden geïnfiltreerd in de bodem. Niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam Binnen deze gebiedsaanduiding gelden aanvullende regels voor het lozen van grondwater in niet aangewezen oppervlaktewaterlichaam bij sanering. Onderhavig planinitiatief beoogd geen sanering en derhalve zal er geen belemmering zijn vanuit deze gebiedsaanduiding. Niet-risicovol gebied verticale drainage Binnen deze gebiedsaanduiding wordt verticale drainage toegestaan en vormt dit geen risico voor de grondwaterstand. Onderhavig planinitiatief beoogd geen verticale drainage. Derhalve is deze gebiedsaanduiding niet relevant. Gemeentelijk rioleringsplan Het “Programma Water en Riolering 2023” van de gemeente Heemskerk beschrijft hoe de gemeente haar wettelijke taken voor afvalwater, hemelwater en grondwater uitvoert, met als doel een veilige, gezonde en klimaatbestendige leefomgeving.
De focus ligt op het efficiënt inzamelen en verwerken van afvalwater, het zoveel mogelijk lokaal opvangen en hergebruiken van regenwater en het voorkomen van wateroverlast en droogte, mede door klimaatverandering. Dit gebeurt door beheer en vervanging van riolering, het scheiden van waterstromen, het toepassen van klimaatadaptieve maatregelen zoals waterberging en infiltratie, en het stellen van eisen aan nieuwbouw en openbare ruimte. Samenwerking met andere partijen en inwoners speelt hierbij een belangrijke rol, terwijl de uitvoering wordt ondersteund door gerichte investeringen en de rioolheffing. Doorwerking plangebied Onderhavig planinitiatief beoogd de realisatie van 65 flexwoningen. Deze woningen zullen moeten worden aangesloten op het rioleringsnetwerk. De gemeente werkt hierbij met gescheiden stromen van het vervuilde rioolwater en het schone regenwater. De nieuwgebouwde huizen zullen hiermee rekening moeten houden. Verder worden er diverse groenstroken binnen het plangebied gerealiseerd waardoor het hemelwater deels zal worden opgevangen binnen het plangebied. Ook geldt voor het planinitiatief dat het ten opzichte van de huidige situatie meer hemelwater zal opvangen door het algeheel groenere karakter.
Pagina 46 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
4.11
Windhinder
Wet- en regelgeving Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. Vanuit het rijk zijn voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld derhalve kan de gemeente zelf invulling geven aan de regels in het omgevingsplan. Voor de beoordeling van het windklimaat geldt de NEN 8100 (2006) norm. De NEN 8100 (2006) is vanuit de wet niet verplicht, maar gemeenten zijn vrij om een beoordelingsregel op te nemen in het omgevingsplan dat een verplichting oplegt om een windonderzoek volgens de NEN 8100 (2006) te laten uitvoeren. In de NEN 8100 (2006) is een beslismodel opgenomen wat aangeeft wanneer een windonderzoek noodzakelijk is:
▪ ▪
Gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig;
▪
Onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of een windonderzoek nodig is.
Beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of een windonderzoek nodig is;
Doorwerking plangebied Met onderhavig planinitiatief worden geen gebouwen hoger dan 15 meter gerealiseerd. De maximale hoogte van het te realiseren gebouw zal namelijk 13 meter hoog worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect windhinder niet relevant is voor onderhavige aanvraag en daarmee buiten beschouwing kan worden gelaten.
Pagina 47 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
4.12
Lichthinder
Wet- en regelgeving Strikte normen voor kunstmatige verlichting in de vorm van afstandsbepalingen zijn er niet. De regelgeving richt zich vooral op de lichtbronnen, de veroorzakers van licht. Dit staat beschreven in artikel 22.239 uit de bruidsschat en in artikel 2.2, lid 1, sub c, onder 5° van het Bal. Doorwerking plangebied In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen bronnen welk lichthinder veroorzaken voor de nieuwe woningen. De nieuwe woningen zullen eveneens geen lichthinder veroorzaken op omliggende percelen. Het aspect lichthinder vormt derhalve geen belemmering voor het planinitiatief.
Pagina 48 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
4.13
Beschermen van de gezondheid
Wet- en regelgeving De grondslag voor het beschermen van de gezondheid is artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet. Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Het artikel benadrukt de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in plaats van een sectorale. De Omgevingswet is in ieder geval gericht op veiligheid en gezondheid van de mens. Bij veiligheid gaat het om aspecten van fysieke veiligheid zoals externe veiligheid en veiligheid tegen overstromingen. Bij gezondheid van de mens gaat het om aspecten zoals geluid en luchtverontreiniging. Een goede omgevingskwaliteit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Doorwerking plangebied Veilige en gezonde fysieke leefomgeving Zoals in de bovenstaande paragrafen is terug te lezen is er sprake van een aanvaarbare veilige fysieke leefomgeving. Het plangebied bevindt zich niet in een luchtaandachtsgebied, er is geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit en er is geen sprake van trillinghinder. Uit het geluidsonderzoek naar geluid van wegen is gebleken dat de standaardwaardes niet worden overschreden.
Goede omgevingskwaliteit De ontwikkelingen vinden plaats binnen het bestaand stedelijk gebied waarin voornamelijk verharding is in de huidige situatie. De ontwikkeling zal juist meer groen realiseren binnen het plangebied. Er is geen sprake van aantasting van omgevingskwaliteit van de natuur.
Pagina 49 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
4.14
Verkeer en parkeren
Wet- en regelgeving Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Nota parkeren Heemskerk De parkeernormen in de nota vormen de basis voor hoeveel parkeerplaatsen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden aangelegd. Deze verplichting wordt berekend op basis van vastgestelde normen, die de gemeente wil opnemen in bestemmingsplannen. Omdat de huidige plannen niet altijd volledig zijn, wordt in de praktijk vaak teruggevallen op landelijke kengetallen van het CROW. De verdere uitwerking van deze normen en hoe hieraan moet worden voldaan, is vastgelegd in de aanvullende nota ‘Technische Richtlijnen Parkeren Heemskerk’, die dient als leidraad voor zowel nieuwe bestemmingsplannen als het beoordelen van aanvragen en ontheffingen. Doorwerking plangebied Verkeer en ontsluiting Voor de verkeerstoename is een berekening gemaakt op basis van de bruto vloeroppervlakte. Hieruit blijkt dat de toevoeging van 65 flexwoningen ongeveer een verkeersstroom van 251 voertuigen zal veroorzaken. Rondom het plangebied zullen een aantal verkeersbewegingen komen te vervallen door de sloop van de garageboxen.
Deze hebben echter niet een grote verkeersaantrekkende werking doordat de garageboxen in eigendom zijn van buurtbewoners en de verkeersstromen daardoor grotendeels zullen blijven bestaan binnen de woonwijk. De extra verkeersstromen door de bouw van de flexwoningen zullen naar verwachting geen nadelige gevolgen hebben voor de bewoners rondom het plangebied doordat deze via de Huibert Pootstraat kunnen worden ontsloten naar de Maerelaan. De Maerelaan heeft een verkeersintensiteit van ongeveer 2500 voertuigen in beide richtingen, dit zou neerkomen op een totaal van 5000 verkeersbewegingen. De toename van 251 extra verkeersbewegingen zou derhalve resulteren in een toename van 5%. Het aspect verkeer en ontsluiting vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. Tabel 2: berekening toename verkeersbewegingen
Soort woning
Aantal
Verkeersgeneratie
Totaal weekdag
Totaal werkdag (naar boven afgerond)
Appartement 25,07 m² BVO
48
3,5
168
185
Appartement 49,7 m² BVO
14
3,5
49
54
Appartement 75,05 m² BVO
3
3,5
10,5
12
Totaal woningen
65
227,5
251
Parkeren Voor onderhavig planinitiatief is berekend hoeveel parkeerplaatsen benodigd zijn. Hiervoor is onderstaande berekening gebruikt op basis van de gebruiksoppervlakte (GO):
Pagina 50 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
Bewoners ▪ Voor HDO1 ca. 24m² = 0,4*48st.=19,2 parkeerplaatsen; ▪ Voor HDO3 ca. 48m² = 0,7*14st.=9,8 parkeerplaatsen; ▪ Voor HDO5 ca. 72m² = 0,8*3st.=2,4 parkeerplaatsen; ▪ In totaal 19,2+9,8+2,4=31,4 parkeerplaatsen. Bezoekers ▪ 65st. woningen*0,15=9,75 parkeerplaatsen Totaal ▪ 9,75+31,4=41,15 parkeerplaatsen Bezettingsfactoren ▪ Werkdagnacht 100% * 31,4 + 0% * 9,45 = 32 parkeerplaatsen ▪ Werkdagavond (90% * 31,4)=28,26 + (75%*9,75)=7,31 = 36 parkeerplaatsen Binnen het plangebied zijn 30 parkeerplaatsen mogelijk op eigen grond. Door de aanleg van deze parkeerplaatsen zullen echter ook een aantal parkeerplaatsen verloren gaan. In totaal gaat het om elf parkeerplaatsen aan de Potgieterstraat en de Huibert Pootstraat die verloren zullen gaan. Hierdoor zijn er op de werkdagnacht dertien parkeerplaatsen nodig binnen de openbare ruimte. Op de werkdagavond zijn zeventien parkeerplaatsen nodig binnen de openbare ruimte. De parkeerplaatsen die verloren zullen gaan door het planinitiatief werden voornamelijk door de huidige bewoners gebruikt. De bewoners van de Potgieterstraat 22 t/m 30 zullen dat het initiatief de langsparkeerplekken voor hun deur kwijtraken. Zij mogen echter ook gebruik maken van parkeerplaatsen die zullen worden aangelegd binnen het plangebied. Bovendien blijven er binnen acceptabele loopafstand voldoende parkeerplekken aanwezig.
Aan de hand van deze berekening is een parkeeronderzoek uitgevoerd door verkeersonderzoeksbureau ‘De Verkeerstellers’, hieruit is het volgende gebleken: Werkdagavond De maximale bezetting voor de openbare parkeerplaatsen op de werkdagavond wordt bereikt op dinsdag 24 maart 2026 om 20:00 uur. De bezetting is dan 130 en de bezettingsgraad 71%. Er kunnen dan nog 32 voertuigen in de openbare ruimte worden geplaatst, voordat de maximale bezettingsgraad van 90% wordt bereikt. Op de werkdagavond zijn er voor het nieuwe project zeventien parkeerplaatsen nodig in de wijk. Dit past ruim binnen de boven genoemde 32 voertuigen. Werkdagnacht De maximale bezetting voor de openbare parkeerplaatsen op de werkdagnacht wordt bereikt op dinsdag 24 maart 2026 om 23:00 uur. De bezetting is dan 141 en de bezettingsgraad 77%. Er kunnen dan nog 21 voertuigen in de openbare ruimte worden geplaatst, voordat de maximale bezettingsgraad van 90% wordt bereikt. Op de werkdagnacht zijn er voor het nieuwe project dertien parkeerplaatsen nodig in de wijk. Dit past ruim binnen de boven genoemde 21 voertuigen. Concluderend Het aspect parkeren vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
Pagina 51 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
Afbeelding 4.3: Locatie parkeerplaatsen behorende bij de ontwikkeling (bron: initiatiefnemer)
Pagina 52 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
5
Wijziging Omgevingsplan
Vanaf 1 januari 2032 geldt de verplichting dat gemeenten binnen vijf jaar de buitenplanse omgevingsplanactiviteit moeten hebben verwerkt in het omgevingsplan. Overigens wordt bij Koninklijk Besluit de datum van 1 januari 2032 nog vastgelegd (artikel 22.5 van de Omgevingswet). Ingevolge artikel 4.17 van de Omgevingswet is bepaald dat gemeenten een voortdurende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet verwerken in het omgevingsplan. Het verwerken van de vergunning dient binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit te zijn uitgevoerd. Om een buitenplanse omgevingsactiviteit te verwerken in het omgevingsplan dient hij ingevolge van artikel 8.97a tot en met 8.97c in overeenstemming te zijn met de:
▪ ▪ ▪
Instructieregels van het Bkl; Instructieregels in de omgevingsverordening van de provincie; Instructie van het rijk of provincie.
Doorwerking plangebied Om het verwerken van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit in het omgevingsplan probleemloos te laten verlopen worden in deze paragraaf de strijdigheden met het tijdelijk omgevingsplan opgesomd. Het planinitiatief is in strijd met de volgende artikelen van het bestemmingsplan ‘Woongebied I’: ▪ Artikel 10.1, omdat het gebruik ten behoeve van 65 flexwoningen niet is toegestaan op deze gronden. ▪ Artikel 10.2.1, omdat de bouw van gebouwen hoger dan 3 meter niet is toegestaan op deze gronden ▪ Artikel 21.1, omdat het gebruik ten behoeve van 65 flexwoningen niet is toegestaan op deze gronden. ▪ Artikel 21.2.3 lid d, omdat de bouw van gebouwen hoger dan 3 meter niet is toegestaan op deze gronden ▪ Artikel 19.1, omdat het gebruik ten behoeve van 65 flexwoningen niet is toegestaan op deze gronden. ▪ Artikel 19.2.1 lid c, omdat de bouw van gebouwen hoger dan 4 meter niet is toegestaan op deze gronden
Pagina 53 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
6
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1 Kostenverhaal Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw. Doorwerking plangebied Het kostenverhaal voor deze ontwikkeling zal worden gedekt via legesheffing. Dit betekent dat de kosten die de gemeente maakt voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, worden verhaald door middel van leges. Op deze manier worden de gemeentelijke kosten die verbonden zijn aan de planuitvoering efficiënt en transparant afgewikkeld, zonder dat er aanvullende financiële verplichtingen nodig zijn. Zo blijft het proces overzichtelijk en worden de kosten voor de gemeente correct gecompenseerd. 6.1.2 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:
▪ ▪
die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten; die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.
De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift. Voor onderhavig planinitiatief wordt een nadeelcompensatie risicoanalyse uitgevoerd, deze zal worden toegevoegd aan het vergunningsdossier. 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Participatie In artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit staat de zogenaamde motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan beschreven: ‘Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen dient te worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.’ (artikel 10.2 lid 1 van het Omgevingsbesluit). ‘Bij het vaststellen van een omgevingsplan dient hier verslag van te worden gedaan. Hierbij wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.’ (artikel 10.2 lid 2 van het Omgevingsbesluit).
Pagina 54 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
Doorwerking planinitiatief Binnen het document ‘Lijst met gevallen verzwaard adviesrecht Heemskerk 2023’ van de gemeente Heemskerk staat beschreven voor welke gevallen participatie verplicht is. Hieronder valt onder andere: ▪ Het bouwen van meer dan 1 woning binnen bestaand bebouwd gebied. Derhalve is voor onderhavig planinitiatief participatie verplicht gesteld. Initiatiefnemer heeft binnen de buurt een participatieavond georganiseerd. Hierbij waren de volgende partijen aanwezig: ▪ Stichting Care4Good – initiatiefnemer/ project coördinatie ▪ HDO Groep – initiatiefnemer/ realisatie en bouwproces ▪ Vlot Architecten – ontwerp en inrichting ▪ Gemeente Heemskerk – kaderstellend en toetsend Het doel van de avond was bewoners informeren over het plan voor de 65 woningen, uitleg geven over de planning en het bouwproces, zorgen/vragen/suggesties van bewoners ophalen en tot slot toelichten hoe bewoners betrokken blijven. Bij deze avond zijn door de bewoners van de wijk de zorgen over de leefbaarheid geuit. Initiatiefnemer heeft een brief opgesteld waarin staat beschreven op welke manier met de zorgen over de leefbaarheid wordt omgegaan. Door de omwonende en andere betrokken partijen actief bij het onderhavige initiatief te betrekken wordt voldaan aan de participatie-eis. 6.2.2 Vaststellingsprocedure De beslistermijn voor een aanvraag omgevingsvergunning is normaliter 8 weken.
Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal verlengen met maximaal 6 weken (artikel 16.64 lid 1 en 2 van de Omgevingswet, en 4:14 Algemene wet bestuursrecht). 6.2.3 Bezwaar/beroep De mogelijkheid van bezwaar komt alleen in de korte procedure voor. In de bezwaarprocedure maakt iemand bezwaar tegen een besluit. Deze persoon moet het bezwaar indienen bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan.
Pagina 55 van 56
ETFAL-motivering Huibert Pootstraat, Heemskerk
7
Conclusie
Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Uit voorliggend ETFAL-motivering blijkt dat het planinitiatief geen belemmering vormt voor het beleidskader van het rijk, provincie en gemeente. Daarnaast is getoetst aan de voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling er nog steeds sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarmee is de ontwikkeling aanvaardbaar en kan de omgevingsvergunning verleend worden.
Bijlage 1: Akoestisch onderzoek wegverkeer Bijlage 2: Onderzoek verkeer en parkeren Bijlage 3: Ecologisch onderzoek Bijlage 4: AERIUS-realisatiefase Bijlage 5: AERIUS-gebruiksfase Bijlage 6: Bodemonderzoek Bijlage 7: MER-aanmeldnotitie Pagina 56 van 56