CConstaterende datHeemskerk
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3.3 Ecologisch onderzoek

Raadsvergadering 25 juni 2026, gemeente HeemskerkBij agendapunt: Raadsvoorstel Verzwaard advies bouw flexwoningen Huibert Pootstraat14.939 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

1 alinea's met “ontwerp”: 384

Deze ontwikkelingen duiden op een structurele ecologische verschuiving in de regio, gedreven door klimaatverandering, stikstofdepositie en gewijzigd beheer, en leiden tot een dynamischer maar ook kwetsbaarder ecosysteem. In of in de omgeving van het plangebied zijn alleen waarnemingen van de beschermde plantensoort Glad biggenkruid bekend (waarneming.nl 2016-2026). Dit betreft enkel waarnemingen op één locatie aan de grens van het Noordhollands Duinreservaat. Glad biggenkruid is een soort van open grond in volle zon en met een droge, voedselarme en kalkarme lemige zandgronden. In het grotendeels verharde plangebied is dit habitat niet aanwezig. Er zijn ook geen invasieve exoten aangetroffen in de omgeving van het plangebied.

VELDBEZOEK Het plangebied en de directe omgeving bieden geen geschikt biotoop voor de beschermde (vaat)planten. Binnen het plangebied zijn tijdens het veldbezoek alleen algemene vegetaties en plantensoorten waargenomen zoals bomenrijen van o.a. Zwarte Els en Zilverlinde, struweelvegetatie (o.a. Sleedoorn en Klimop) en grazige bermen en gazons met algemene kruiden waaronder Paardenbloem, Kleine veldkers, Paarse dovenetel en Smalle weegbree.

24

EFFECTEN & BEOORDELING Gezien de aangetroffen terreingesteldheid en plantensoorten is het voorkomen van zwaarder beschermde plantensoorten in het plangebied op voorhand uitgesloten. Daarom zal negatief effect op beschermde flora niet tot stand komen. Ten aanzien van de flora zijn verdere stappen op het gebied van een vergunningaanvraag daarom niet noodzakelijk.

Figuur 12. Er zijn waarnemingen van Glad biggenkruid bekend in de omgeving van het plangebied, maar het plangebied zelf biedt geen geschikt habitat voor deze soort.

5.2 Vogels Alle vogels zijn als soort beschermd onder de Omgevingswet, mits zij hier van nature voorkomen of het plangebied binnen de natuurlijke verspreiding van de soort ligt. Onderscheid kan worden gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten en overige algemene broedvogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten komen elk jaar terug bij hun nest. Dit nest mag dan ook niet buiten het broedseizoen worden verwijderd. Algemene broedvogels zijn soorten die voldoende flexibiliteit hebben in het kiezen van hun nestplaats. Deze soorten en hun nest zijn alleen beschermd tijdens het broeden (broedgeval).

25

5.2.1 Algemene broedvogels BUREAUSTUDIE Op basis van beschikbare bronnen (waarneming.nl 2016-2026) is gebleken dat algemene broedvogels, zoals: de Merel, Putter, Houtduif, Wilde Eend, Roodborstje, Koolmees en Pimpelmees in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Daarnaast zijn er in de omgeving van het plangebied ook waarnemingen van Rode Lijstsoorten bekend, zoals: de Koekoek, Visdief, Grutto, Bontbekplevier, Gele kwikstaart en Grote zilverreiger, en van Provinciale doelsoorten, zoals: de Tureluur, Nachtegaal en enkele waarnemingen van de Blauwe kiekendief en Grote stern bekend.

VELDBEZOEK De bomen en struiken aan de randen van het plangebied bieden mogelijke nestplaatsen voor algemene broedvogels zoals de Merel en Turkse tortel (Figuur 13) die tijdens het veldbezoek zijn waargenomen. Het plangebied zelf is grotendeels verhard (op twee kleine gazons na) en biedt dus geen geschikt habitat voor boom- of struweelbroeders. De daken van de gebouwen zijn plat maar door de geringe hoogte van deze boxen (ongeveer 2,5 meter) kunnen roofdieren zoals katten mogelijk het dak bereiken. Daarnaast biedt het dak ook geen schuilmogelijkheden voor broedvogels. Om deze redenen is het dak van de garageboxen niet geschikt voor dakbroedende vogels. Er zijn geen nesten aangetroffen wat gezien de tijd van het jaar ook niet aannemelijk is. Naast de Merel en de Turkse tortel zijn er tijdens het veldbezoek ook nog waarnemingen gedaan van andere algemene broedvogels zoals de Koolmees, Pimpelmees, Kauw en overvliegende Zilvermeeuwen.

EFFECTEN & BEOORDELING Er is sprake van beperkte mate van broedgelegenheid binnen of rondom het plangebied. De werkzaamheden betreffen echter alleen het slopen van de bestaande bebouwing en het weghalen van het verharde speelterrein en zullen niet leiden tot schade aan of vernieling van nesten. Aangezien er direct aangrenzend aan het plangebied wel geschikt broedhabitat aanwezig is kan er wel verstoring van broedende vogels plaatsvinden. De werkzaamheden end eindsituatie zullen een toename in menselijke aanwezigheid, lawaai en trilling met zich meebrengen. Zeker tijdens de sloop- en bouwwerkzaamheden zal er gebruik gemaakt worden van zware machines waarmee potentiële broedlocaties binnen de verstoringsafstand van de werkzaamheden liggen. Een vervolgstap met betrekking tot algemene broedvogels is begin werken buiten het algemene broedseizoen. De meeste vogels broeden tussen de periode van 15 maart en 15 juli, echter wordt wettelijk gezien geen standaardperiode vastgesteld omdat het broedseizoen verschilt per soort per jaar.

De wettelijke regel luidt dat indien een nest aanwezig is, dan wel binnen als buiten de genoemde periode van 15 maart t/m 15 juli, dit nest in geen geval vernietigd of verstoord mag worden Wanneer het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, moet voorafgaand aan de start van de werkzaamheden vastgesteld worden dat er geen vogels aan het broeden zijn, daar waar de werkzaamheden worden uitgevoerd. Dit geldt niet alleen bij het daadwerkelijk weghalen van beplanting maar ook al bijvoorbeeld bij het plaatsen van een bouwsteiger langs het huis. Vogels die in naburige beplanting aan het broeden zijn, kunnen ook hierdoor in potentie verstoord worden. Daarom dient, wanneer in het broedseizoen moet worden gewerkt, vooraf te worden gecontroleerd op broedgevallen. Het werk mag alleen uitgevoerd worden zolang broedende vogels niet worden verstoord. Met inachtneming van deze maatregel zijn ten aanzien van de algemene (broed)vogels geen verdere stappen op het gebied van een vergunningaanvraag noodzakelijk. 26

Figuur 13. De Turkse tortel is een algemene broedvogel van stedelijk groen die in de omgeving van het plangebied is waargenomen.

5.2.2 Vogels met jaarrond beschermd nest Voor sommige vogels geldt dat ook buiten het broedseizoen hun nesten nog een beschermde status genieten. Dit zijn vogels met jaarrond beschermde nesten.

BUREAUSTUDIE Jaarrond beschermde nesten bevinden zich veelal in hoge bomen, bomen met holten of in (oudere) gebouwen. In de omgeving van het plangebied zijn er waarnemingen gedaan van de Gierzwaluw (Figuur 14), Huismus, Buizerd, Slechtvalk, Sperwer, Ransuil, Havik, Boomvalk, Wespendief en Kerkuil. Eveneens zijn er enkele waarnemingen bekend van de Zwarte wouw, en Roek en één enkele waarneming van de Oehoe (waarneming.nl 2016-2026). Het gaat hierbij voornamelijk om overvliegende individuen. Binnen het plangebied is er één enkele waarneming van een Slechtvalk gedaan. Een deel van deze vogels is boombewonend. Jaarrond beschermde roofvogels, zoals de Buizerd, Boomvalk en Sperwer, nestelen vaak in de top van hoge bomen en maken soms ook gebruik van Kraaien- of Eksternesten. Ransuilen maken zelf geen nest, maar broeden in voormalige Kraaien- of Eksternesten of een oud roofvogelnest. Maar ook holle bomen en nestkasten worden gebruikt. In de directe omgeving van het plangebied staan enkele hoge bomen die dienst zouden kunnen doen als nestlocatie voor deze soorten. Daarnaast zijn er rondom het plangebied ook waarnemingen gedaan van ekster en kraaien die nesten zouden kunnen bouwen die bruikbaar zijn als broedlocatie voor de beschermde soorten met jaarrond beschermd nest.

Het overige deel van de vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (zoals Gierzwaluw, Huismus en Kerkuil) broeden in of op menselijke bebouwing, zoals huizen, schuren, boerderijen, kerken etc. maar

27

ook speciaal gemaakte nestkasten. Slechtvalken bouwen zelf geen nest maar broeden op een richel, in een nis, een nestkast of oud kraaiennest. Er is dus melding gedaan van een Slechtvalk binnen het plangebied. Dit betrof echter een jagend individu, mogelijk afkomstig van het nest dat tussen 2019 en 2021 actief was op de Sint-Laurentiuskerk ongeveer 400 meter ten westen van het plangebied. De bebouwing in het plangebied is niet geschikt voor de Slechtvalk. Voor de Kerkuil tonen de waarnemingen dat het meer een soort van het platteland is. Ook voor de kerkuil biedt de bebouwing in het plangebied door het kleine formaat en gebrek aan holtes, geen geschikte broedlocaties. Gierzwaluwen nestelen over het algemeen in spleten van muren, onder dakpannen en in nestkasten. Ze hebben als broedlocatie een sterke voorkeur voor een oud dak met een kort schuin deel van enkele rijen dakpannen aan de bovenzijde en vaak ook aan de zijkanten afgegrensd met een brede ‘plank’ (mansardedaken). De garageboxen in het plangebied hebben platte daken zonder overhang waardoor er geen geschikte broedlocaties aanwezig zijn. De gebouwen in de directe omgeving van het plangebied bieden mogelijk wel broedlocaties voor Gierzwaluwen echter zijn hier geen waarnemingen van beken.

De Huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Nesten van Huismussen zijn in de regel te vinden onder dakpannen of in gaten en kieren van een gebouw. Ook hier betekenen de platte daken van de gebouwen in het plangebied dat er geen geschikte nestlocaties aanwezig zijn. In de directe omgeving van het plangebied zijn er wel huizen met pannendaken en er is een waarneming van een mogelijke nestlocatie gedaan aan de Van Ruusbroecstraat op ongeveer 30 meter van het plangebied. Categorie 5 - soorten Voor enkele soorten van ‘categorie 5’ is er sprake van zwaarwegende feiten/omstandigheden om jaarrond bescherming te rechtvaardigen. Het gaat hierbij voornamelijk om categorie 5-soorten waarbij sprake is van een matige of zeer ongunstige Staat van Instandhouding (volgens SOVON) en: 1. welke afhankelijk zijn van nestplaatsen in gebouwen of; 2. waar het kritische koloniebroeders betreft, die hoge eisen stellen aan hun nestlocatie en waarvoor geen direct geschikte alternatieven beschikbaar zijn gelijk in aard, omvang en kwaliteit. Voor Noord-Holland geldt dit onder meer voor de Spreeuw, Huiszwaluw en Boerenzwaluw.

De Spreeuw broedt net als de Huismus in holtes in gebouwen en heeft dus eveneens geen geschikte broedlocaties in het plangebied. Er is dus wel geschikt broedhabitat in de directe omgeving van het plangebied maar er zijn geen waarnemingen van broedgevallen bekend. Zowel de Huis- als de Boerenzwaluw zijn soorten die veelal broeden in bebouwing op of direct grenzend aan het platteland of grote parken. De Huiszwaluw broedt in komvormige nesten die veelal in de hoek van een ruwe muur en een eveneens ruwe dakrand worden gemaakt. Terwijl de boerenzwaluw broedt op richels en randen in structuren met voldoende ruimte om in en uit te vliegen zoals stallen en bruggen. Van beide soorten zijn er geen nestindicerende waarnemingen bekend binnen het plangebied of de directe omgeving hiervan.

VELDBEZOEK Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen waarnemingen gedaan van vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Ook zijn er geen neststructuren in de bomen aangetroffen die in gebruik genomen zouden kunnen worden door jaarrond beschermde vogelsoorten. De gebouwen

28

binnen het plangebied zijn niet geschikt voor gebouwbewonende jaarrond beschermde vogels, door de platte daken zonder dakpannen en het gebrek aan holtes.

EFFECTEN & BEOORDELING Gezien het gebrek aan geschikt broedhabitat, is het plangebied ongeschikt voor de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Aangezien de gebouwen ongeschikt zijn voor het voorkomen van nestlocaties van deze soorten, hoeft er geen aanvullend soortenonderzoek worden uitgevoerd om de aanwezigheid van nesten van soorten met jaarrond beschermde nesten te controleren.

Figuur 14. Gierzwaluwen doen vrijwel alles in de lucht maar hun eieren leggen ze onder dakpannen of in speciale nestkasten.

5.3 Grondgebonden zoogdieren 5.3.1 Juridisch zwaarder beschermde zoogdieren BUREAUSTUDIE In de omgeving van het plangebied zijn wat betreft zwaarder beschermde zoogdieren (niet zijnde vleermuizen) waarnemingen van zowel marterachtigen (zoals Hermelijn, Boommarter, Bunzing, en enkele waarnemingen van de Wezel en Steenmarter) als van de Noordse woelmuis bekend (waarneming.nl 2016-2026). De kleinere soorten van marterachtigen, zoals Hermelijn en Wezel maken als verblijfplaats gebruik van ondergrondse holen, evenals de Bunzing. Echter, bij de Bunzing zijn deze gangenstelsel van forser formaat en bevindt deze soort zich dan ook vaak in konijnen-, vossen- of dassenburchten. Kleine marters stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun leefgebied zoals grote hoeveelheid aan dekkende vegetatie (hoog grasland of hagen etc.) en aanwezigheid van geschikte foerageerplekken. Ook stellen ze veel menselijke verstoring niet op prijs en hebben ze een voorkeur voor een gebied met veel groen (dit is zelfs noodzakelijk) en relatief weinig bebouwing. Daarom zijn kleinschalige en structuurrijke landschappen bij uitstek geschikt, waarbij afwisseling in gesloten en halfopen landschappen het meest gunstig is. Dit is terug te zien in de waarnemingen van deze soorten in de omgeving van het plangebied die vooral in de landelijke gebieden liggen, terwijl de stedelijke gebieden vermijden worden.

Het plangebied ligt midden in dit stedelijke gebied en is verhard en bebouwt en

29

beschikt dus niet over het structuurrijke landschap met veel groen dat kleine marterachtigen nodig hebben om te overleven. In tegenstelling tot kleine marters komen Steenmarters vaker voor in stedelijke gebieden. Naast vossenen konijnenholen die soms door Steenmarters worden gebruikt, zijn favoriete schuilplaatsen van deze soort houtstapels en takkenhopen, boerderijen, zolders en dakruimtes, spouwmuren en holtes onder boomwortels. De enige waarnemingen van de steenmarter komen van waar een paar vrijstaande huizen met grote tuinen grenzen aan een bebost gebied aan de grens van Heemskerk op ongeveer 1,6 kilometer van het plangebied. De gebouwen in het plangebied missen ook de geschikte holtes en ruimtes die als verblijfplaats van de Steenmarter kunnen dienen. De Boommarter (Figuur 15) maakt geen gebruik van menselijke bouwwerken, maar verblijft voornamelijk in boomholtes. De waarnemingen van de Boommarter in de omgeving van het plangebied concentreren zich dan ook rond de bosrijke gebieden aan ten westen van Heemskerk zoals landgoed Kasteel Marquette, Begraafplaats Eikenhof en de bossen van het Noordhollands Duinreservaat. Er is echter wel een waarneming van een doodgereden Boommarter langs de Baandert gedaan op ongeveer 200 meter van het plangebied.

Dit zou erop kunnen duiden dat het langgerekte park in de nabije omgeving van het plangebied door Boommarters wordt gebruikt als groen verbindingselement door Heemskerk heen. Echter zijn er in het plangebied geen grote bomen die verblijfplaatsen voor de Boommarter bieden. Noordse woelmuizen komen met name voor in kruidenrijke rietmoerassen. De drie waarnemingen van de Noordse woelmuis in de omgeving van het plangebied komen allemaal uit het polderland ten oosten van de A9. Het plangebied is grotendeels verhard en heeft maar een klein oppervlakte aan kortgemaaid gras, daarnaast zijn er geen wateroppervlakten aanwezig. Hierdoor herbergt het plangebied geen geschikt habitat voor de Noordse woelmuis.

VELDBEZOEK Tijdens het veldbezoek zijn er geen potentiële verblijfplaatsen of sporen gevonden van zwaarder beschermde, grondgebonden zoogdieren. Het plangebied bevat geen geschikte verblijfplaatsen voor deze soorten. Aanvullend daarop zijn geen verbindingselementen en voedsel gevonden, hiermee kan met zekerheid de aanwezigheid van marterachtigen en de Noordse woelmuis uitgesloten worden in het plangebied.

EFFECTEN & BEOORDELING Vaste verblijfplaatsen of verlies van (essentieel) leefgebied van zwaarder beschermde, grondgebonden zoogdieren kunnen op voorhand worden uitgesloten, derhalve is er dus geen sprake van een negatief effect op deze soortgroep. Aanvullend soortenonderzoek naar het daadwerkelijk voorkomen is zodoende niet noodzakelijk, evenmin het nemen van vervolgstappen ten aanzien van zwaarder beschermde, grondgebonden zoogdieren.

30

Figuur 15. De Boommarter is in de omgeving van het plangebied waargenomen maar het plangebied zelf biedt geen geschikt habitat.

5.3.2 Laag beschermde zoogdieren BUREAUSTUDIE & VELDBEZOEK In de ruime omgeving van het plangebied zijn via openbare bronnen waarnemingen bekend van laag beschermde zoogdieren zoals o.a. de Haas, Vos, Egel en verscheidene muizensoorten (waarneming.nl 2016-2026). Vanwege de aanwezigheid van geschikt biotoop (zoals struweel) rondom het plangebied kunnen vaste verblijfplaatsen van laag beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten, bijv. van de Egel of de Bosmuis (Figuur 16) voorkomen.

EFFECTEN & BEOORDELING De ingreep zal leiden tot een toename in verstoring voor genoemde laag beschermde, grondgebonden zoogdieren. Deze soorten zijn echter allemaal ‘laag beschermd’ en voor al deze genoemde soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Ow bij ruimtelijke ingrepen en ontwikkelingen in de provincie Noord-Holland. Dat houdt in dat voor deze soorten alleen de zorgplicht geldt. Dit betekent dat er zoveel mogelijk gedaan moet worden om schade aan individuen te voorkomen. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van grondgebonden zoogdieren is dus niet aan de orde.

31

Figuur 16. De Bosmuis staat samen met andere laag beschermde zoogdieren, zoals Egels en Hazen, op de vrijstellingslijst van Noord-Holland, waardoor enkel de Zorgplicht nog van toepassing is op deze soorten.

5.4 Vleermuizen Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland beschermd onder de Ow en vallen onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn (HR). De functionele leefomgeving van vleermuizen bestaat uit de verblijfplaatsen inclusief de bijbehorende en essentiële vliegroutes en foerageergebieden.

BUREAUSTUDIE & VELDBEZOEK Volgens de database van waarneming.nl komen er tenminste zeven soorten vleermuizen voor in de omgeving van het plangebied (waarneming.nl, 2016-2026). Dit zijn de gebouwbewonende Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger en (de zeldzamere) Meervleermuis, en de boombewonende Rosse vleermuis en Watervleermuis (Figuur 18). Daarnaast komen Ruige dwergvleermuizen voor, die zowel in huizen als in bomen kunnen verblijven. Het betreft veelal waarnemingen van overvliegende en/of foeragerende individuen. De waarnemingen zijn verspreid in de omgeving van het plangebied gedaan maar voor De Gewone Dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en Laatvlieger concentreren de waarnemingen zich binnen de bebouwde kom van Heemskerk. De waarnemingen van de Rosse vleermuis zijn veelal gemaakt langs de grens van het stedelijk en landelijk gebied (met name op het landgoed van Kasteel Marquette) maar er zijn ook meerdere waarnemingen van overvliegende exemplaren in het stedelijk gebied bekend. De waarnemingen van de Watervleermuis zijn gedaan boven wateren verspreidt over de hele omgeving, waaronder boven de vaart in het langgerekte park ongeveer 170 meter ten zuidoosten van het plangebied. De enkele waarnemingen van de Meervleermuis zijn gedaan boven grotere wateroppervlakten in Uitgeest.

32

5.4.1 Verblijfplaatsen De aanwezigheid van boombewonende vleermuizen binnen het plangebied is uit te sluiten, vanwege het gebrek aan bomen binnen het plangebied. De bomen aan de rand van het plangebied zijn daarnaast niet oud genoeg (hebben geen open spleten, gaten of losse bast) om verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen te bieden. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen ook uitgesloten worden, doordat de garageboxen geen verblijfplaatsen voor vleermuizen bieden. Dit heeft te maken met het feit dat de garageboxen geen stootvoegen en spouw hebben die als verblijfplaats voor vleermuizen kunnen dienen, daarnaast is er geen ruimte achter de boeidelen doordat hier houten latten geplaatst zijn (Figuur 17). De functie als geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen, is daarom binnen het plangebied uitgesloten.

Figuur 17. Afwezigheid van spouw met stootvoegen en gebrek aan ruimte achter de boeidelen van de garageboxen betekend dat er geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn in deze gebouwen (onder).

5.4.2 Potentiële vliegroutes en foerageergebieden Het plangebied is onbruikbaar als essentieel foerageergebied voor vleermuizen, wegens de afwezigheid van wateroppervlaktes met begroeide oevers, beschutte bosranden, bomenrijen met voldoende lage porositeit of enig andere landschapselementen waarlangs normaliter gefoerageerd wordt. Met het uitvoeren van de werkzaamheden wordt de foerageerfunctie van het gebied daarom niet aangetast. Als vliegroute maken vleermuizen gebruik van lijnvormige elementen die veelal overeenkomen met hun foerageergebieden. Aantasting op specifieke vliegroutes is daarom ook uitgesloten omdat de voorgenomen ontwikkelingen geen invloed hebben op lijnvormige elementen in of rondom het plangebied. De begroeiing in de projectlocatie vormt geen aaneensluitend lijnvormig element dat gebruikt kan worden ter oriëntatie als vliegroute. Het lange parklandschap ten zuiden en oosten van het plangebied staat wel aangegeven als vliegroute en essentieel foerageergebied binnen het SMP. De omliggende bebouwing, zoals het elektriciteitshuisje, de appartementencomplexen en woonhuizen, bieden wel geschikt habitat onder andere door de aanwezigheid van ingebouwde vleermuiskasten in enkele woonhuizen in de omgeving. Het is dus niet uit te sluiten dat vleermuizen diffuus over het

33

plangebied en het nabij gelegen kleine parkje vliegen om het essentiële foerageergebied en de vliegroute te bereiken. Het is daarom belangrijk om tijdens de periode half maart tot en met half oktober vleermuisvriendelijke verlichting dan wel geen verlichting te gebruiken tijdens de bouwwerkzaamheden.

EFFECTEN & BEOORDELING Met de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen is dus geen sprake van een negatief effect op essentiële foerageergebieden en/of essentiële vliegroutes. Het is op voorhand uit te sluiten dat met de voorgenomen ingreep een negatief effect zal plaatsvinden op vaste rust- en verblijfplaatsen. Het uitvoeren van een aanvullend soortenonderzoek naar het voorkomen van verblijfplaatsen of essentieel foerageergebied/vliegroutes is daarom niet nodig om het daadwerkelijke effect vast te stellen. Wanneer de bouw plaatsvindt in de periode ½ maart tot en met oktober met behulp van ondersteunende verlichting in de nacht, wordt aangeraden vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken. Op deze manier blijft het plangebied beschikbaar als foerageergebied. Het aanwezige elektriciteitsgebouw dient ook ten alle tijden beschikbaar te blijven voor vleermuizen.

Figuur 18. De Watervleermuis is foeragerend waargenomen in de buurt van het plangebied. Er zijn echter geen bomen in het plangebied die verblijfplaatsen kunnen bieden voor deze boombewonende vleermuissoort.

5.5 Reptielen BUREAUSTUDIE & VELDBEZOEK In de ruime omgeving van het plangebied zijn er qua beschermde reptielen alleen drie waarnemingen van de Zandhagedis bekend (waarneming.nl 2016-2026). Alle drie deze waarnemingen zijn gedaan aan de rand van het Noordhollands Duinreservaat. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van de Zandhagedis (Figuur 19). Het plangebied ontbreekt namelijk

34

zandige terreinen en voldoende open, zonnige plekken. Daarbij vindt in het plangebied veel verstoring plaats door de hoge menselijke populatie rondom het plangebied.

EFFECTEN & BEOORDELING Op basis van aangetroffen biotoop kunnen beschermde reptielen in het plangebied uitgesloten worden. Derhalve is uitvoeren van aanvullend soortonderzoek niet noodzakelijk. Het nemen van vervolgstappen op het gebied van een vergunningaanvraag ten aanzien van reptielen is zodoende niet aan de orde.

Figuur 19. De Zandhagedis komt voor in het Noordhollands Duinreservaat maar het plangebied ontbreekt het open zandige biotoop waarin deze soort leeft.

5.6 Amfibieën BUREAUSTUDIE & VELDBEZOEK In de wijde omgeving van het plangebied zijn op basis van verspreidingsgegevens enkel waarnemingen van de Rugstreeppad (Figuur 20) bekend betreffende beschermde amfibieën (waarneming.nl 20162026). De waarnemingen zijn vooral gedaan in de polder ten noorden van Heemskerk en aan de rand van de duinen. De Rugstreeppad is een pioniersoort die veel voorkomt in open vrij droge zandgronden, zoals duinen, maar ook lokaal in polderlandschappen. Er zijn in de omgeving ook meerdere meldingen gedaan van Rugstreeppadden in de buitenwijken van Heemskerk. Het plangebied ligt echter vrij centraal in de bebouwde kom van Heemskerk, waardoor er veel wegen en bebouwing is die als barrière voor de rugstreeppad dienstdoet. Het plangebied heeft daarnaast geen open zand waarin de Rugstreeppad verblijfplaatsen in kan graven, waardoor er geen geschikt habitat voor deze soort is. Enkel waarnemingen van algemene soorten zoals de Bruine kikker en Gewone pad zijn in de directe omgeving bekend. Echter kan het voorkomen van deze soorten worden uitgesloten binnen het plangebied wegens het gebrek aan water en begroeiing waarin deze soorten gedijen.

EFFECTEN & BEOORDELING

35

Wegens het op voorhand kunnen uitsluiten van het voorkomen van beschermde amfibieën binnen het plangebied, zal bij de uitvoering van de werkzaamheden geen negatief effect optreden op het leefgebied van dergelijke soorten. Het nemen van vervolgstappen, zoals aanvullend soortonderzoek of vergunningaanvraag ten aanzien van amfibieën, is daarom ook niet aan de orde.

Figuur 20. De aanwezigheid van soorten zoals de Rugstreeppad worden uitgesloten.

5.7 Vissen BUREAUSTUDIE & VELDBEZOEK Volgens de database van waarneming.nl zijn over de afgelopen 10 jaar geen waarnemingen bekend van onder de Ow beschermde vissoorten. Binnen de Habitatrichtlijn zijn alleen de vissoorten Houting en Steur beschermd. Dit zijn beiden trekvissen van grote wateren (zee, rivieren). Deze soorten migreren doorgaans door dieper en open water. Binnen het soortenbeschermingsregime ‘Andere soorten’ zijn alleen de vissoorten Beekprik, Elrits, Gestippelde alver, Beekdonderpad, Kwabaal en Grote modderkruiper beschermd. Dit zijn soorten van zuurstofrijke, schone en stromende wateren (Beekprik, Elrits, Gestippelde alver, Beekdonderpad, Kwabaal) of verlandende wateren (Grote modderkruiper). Dergelijk habitat ontbreekt binnen het plangebied. Tijdens het veldbezoek is de aanwezige biotoop beoordeeld op geschiktheid voor beschermde vissoorten. Het plangebied biedt, door het gebrek aan water, geen geschikt leefgebied aan beschermde vissoorten, geen van de hierboven genoemde biotopen is aanwezig binnen het plangebied. Het voorkomen van de beschermde vissoorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden is zodoende uitgesloten.

EFFECTEN & BEOORDELING

36

Analyse van effecten op beschermde vissoorten is niet noodzakelijk aangezien er geen geschikt habitat aanwezig is en de beoogde werkzaamheden geen directe aantasting van een watergang tot gevolg hebben. Door de afwezigheid van geschikt biotoop worden beschermde vissen in het plangebied uitgesloten. Wegens gebrek van biotoop en voorkomen, zal bij de uitvoering van de ingreep geen sprake zijn van negatieve effecten op deze soortgroep en/of op haar leefomgeving. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van beschermde vissoorten is zodoende niet aan de orde.

5.8 Overige soorten De afgelopen jaren is in Noord-Holland een duidelijke verschuiving in soortensamenstelling waarneembaar, met name onder ongewervelden en flora. Hierbij is sprake van een toename van warmteminnende en zuidelijk verspreide soorten, zoals de Vuurlibel, Zuidelijke keizerlibel en Zuidelijke boomsprinkhaan, die zich als gevolg van klimaatverandering noordwaarts uitbreiden. Tegelijkertijd profiteren diverse soorten van verbeterde waterkwaliteit en natuurontwikkeling, wat onder meer zichtbaar is in de herkolonisatie van aquatische soorten en libellen.

BUREAUSTUDIE & VELDBEZOEK Er zijn waarnemingen bekend van drie beschermde soorten dagvlinders in de omgeving van het plangebied, namelijk: de Bruine eikenpage, Duinparelmoervlinder en de Grote vos (waarneming.nl 2016-2026). Van de Grote vos is één waarneming gedaan in het langgerekte park ongeveer 240 meter ten zuidoosten van het plangebied. Gezien de voorkomende biotopen in het plangebied zijn er echter geen beschermde vlindersoorten of andere soorten ongewervelden te verwachten. Het plangebied beschikt bijvoorbeeld niet over de biotopen zoals: open zonnige plekken met verschillende kruiden zoals Slangenkruid, Akkerdistel of Koniningenkruid (Duinparelmoervlinder); kleine eikenbomen met verschillende kruiden in omgeving (Bruine eikenpage); en hoge, vrijstaande bomen (Grote vos). Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders, libellen en andere ongewervelden aangetroffen die onder de Ow beschermd zijn. Het onderzoeksgebied en de directe omgeving voldoen niet aan de (over het algemeen hoge) eisen van de overige beschermde soorten, inclusief beleidsdoelsoorten en RodeLijstsoorten . Daarnaast komen de waardplanten van deze soorten niet in het plangebied voor.

EFFECTEN & BEOORDELING De aanwezigheid van beschermde overige soorten wordt uitgesloten in het plangebied en vervolgstappen met betrekking tot het aanvragen van een Omgevingsvergunning voor ‘overige soorten’ uit de Bijlage IX Bal of de Rode Lijsten zijn niet nodig.

37

6 CONCLUSIE EN AANBEVELING Op basis van deze OmgevingsScan Flora en Fauna is beoordeeld of er procedurele gevolgen zijn betreffende de (natuur)wetgeving. Onderstaande tabellen geven een beknopt overzicht van de effecten van de werkzaamheden op beschermde gebieden, en waargenomen of te verwachten zwaarder beschermde soorten van de Omgevingswet. Voor alle aanwezige soorten geldt de Zorgplicht. Per onderdeel (gebieds- of soortenbescherming) wordt aangegeven of er noodzaak tot vergunningaanvraag is en wat de te nemen vervolgstappen zijn.

6.1 Gebiedsbescherming De voorgenomen ingreep heeft geen invloed op gebieden behorende tot het Natuur Netwerk Nederland, Beschermd Landschap of Stiltegebieden (Tabel 2). Omdat de stikstofberekening geen onderdeel is van dit OmgevingsScan Flora Fauna-rapport, kan geen uitspraak worden gedaan over een mogelijk effect van de werkzaamheden op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Pas op basis van de resultaten van deze berekening kan worden vastgesteld of een vergunning voor gebiedsbescherming met betrekking tot Natura 2000-gebied op grond van artikel 5.34 Omgevingswet al dan niet noodzakelijk is.

Tabel 2. Overzicht effecten van de geplande werkzaamheden op beschermde gebieden en noodzaak vergunningaanvraag of specifieke maatregelen/vervolgstappen.

Gebied

Effecten

Noodzaak vergunning/ maatregel/vervolgstap

Natura 2000

Stikstof

Het laten uitvoeren van een stikstofberekening gemaakt met de nieuwste versie van de AERIUScalculator.

Beschermd landschap

Geen

-

Natuurnetwerk Nederland

Geen

-

Stiltebieden

Geen

-

Gemeentelijke groenstructuren

Geen

-

6.2 Soortbescherming In de OmgevingsScan Flora en Fauna is vastgesteld dat de aanwezigheid van de volgende zwaarder, dan wel laag beschermde plant- of diersoorten en hun desbetreffende beschermde functie/habitat niet uit te sluiten is in het plangebied of binnen de verstoringsafstand van de geplande werkzaamheden: • Algemene broedvogels – struweelbroeders (e.g. Merel, Roodborstje, Winterkoning) en boombroeders (e.g. Houtduif, Turkse tortel) • Laagbeschermde zoogdieren – o.a. Egel, Bosmuis

38

In Tabel 3 wordt duidelijk voor welke soorten vervolgstappen nodig zijn. Samenvattend hoeven voor algemene broedvogels geen aanvullende maatregelen genomen te worden, behalve het verwijderen van de nestkastjes aan de gevel vóór 15 maart. Voor algemene broedvogels hoeven geen aanvullende maatregelen genomen te worden als verstorende werkzaamheden buiten de periode van 15 maart tot 15 juli worden uitgevoerd. Indien verstorende werkzaamheden één maand (feb) vóór of enkele maanden daarna (aug/sep) plaatsvinden, moet voorafgaand gecontroleerd worden op de aanwezigheid van broedende vogels. In de overige periode mag vrijuit gewerkt worden m.b.t. algemene broedvogels. Ook mogen in de periode dat er geen vogels aan het broeden zijn maatregelen genomen worden om het plangebied ongeschikt te maken, zodat vestiging vlak voor de werkzaamheden of tijdens het broedseizoen wordt vermeden.

Tabel 3. Overzicht (mogelijk) aanwezige beschermde soorten, effecten van de geplande werkzaamheden en noodzaak vergunningaanvraag of specifieke maatregelen.

Soortgroep +

Beschermde functie

soort(en)

aanwezig?

Effect

Overtreding

Noodzaak

verbodsbepaling

vergunning/ benodigde maatregel

Algemene

Ja, nesten

broedvogels2

Verstoren

Vogelrichtlijn, Conventie

Nee / werk op

nestlocaties

Bonn, artikel 11.37 Bal

moment dat er geen

Zoals Merel,

broedende vogels

Turkse tortel,

aanwezig zijn.

Roodborstje Grondgebonden

Mogelijk

Verstoring,

Conventie Bern, Ow

Nee / houd je aan

zoogdieren

voortplantingsplaatsen en/of

verwonden/doden

beschermingsregime

de zorgplicht (7.4

o.a. Egel,

schuilplaatsen in de

van individuen

andere soorten.

Overige

Bosmuis

begroeiing aan grens

aanbevelingen).

plangebied

6.3 Gebruik SMP en natuurinclusief bouwen Zoals in 2.4 Soortenmanagementplan is beschreven kan er mogelijk onder het SMP van de gemeente Heemskerk gewerkt worden. Bij nieuwbouwprojecten onder het SMP geldt echter wel een verplichting tot natuurinclusief bouwen, waarbij maatregelen worden genomen om de biodiversiteit te versterken en negatieve effecten op flora en fauna te minimaliseren. Dit houdt in dat bij het ontwerp en de uitvoering van de bebouwing rekening wordt gehouden met het behoud en de verbetering van leefgebieden voor lokale soorten. Voorbeelden hiervan zijn het integreren van nestkasten voor vogels en van robuuste permanente verblijfplaatsen voor vleermuizen, zoals open spouwmuren of vleermuiskasten, het aanplanten van inheemse beplanting, en het creëren van groene daken of gevels. De maatregelen moeten niet alleen bijdragen aan de instandhouding van bestaande populaties, maar ook ruimte

Voor vogelsoorten zonder jaarrond beschermd nesten mogen binnen invloedssfeer van de werkzaamheden maatregelen genomen worden om de vestiging van broedvogels te voorkomen. Denk aan frequent maaien van vegetatie, weghalen struiken en plaatsen van vlaggetjes ter afschrikking. 2

39

scheppen voor een duurzame co-existentie van natuur en menselijke activiteiten. Denk hierbij aan veilige verbindingszones voor Egels en marters, overhoeken geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor deze soorten en borging van voldoende voedsel. Bovendien zijn er volop andere mogelijkheden om te voldoen aan de visie en missie van de gemeente ten aanzien van biodiversiteit. De beplanting en inrichting van het openbare groen kan gericht worden op bijvriendelijke beplanting, maar ook op het aanbrengen van zandlichamen en steilwanden. Daarnaast kunnen er in de nieuwe wijk insectenhotels en informatiepanelen geplaatst worden.

6.4 Overige aanbevelingen ZORGPLICHT Voor alle in het plangebied aanwezige soorten, dus ook de algemene soorten, geldt de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: • dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; • indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde en/of onbeschermde flora en fauna dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Werkzaamheden dienen daarom altijd met enige voorzichtigheid te worden uitgevoerd. Dit houdt o.a. in: • Wanneer aanwezige vegetatie of bodemmateriaal in het werkgebied wordt verwijderd, kan dit het best gefaseerd worden aangepakt, om bodembewonende dieren en andere dieren in de ondergroei de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Laat dus enkele dagen zitten tussen het rooien van beplanting en grondwerkzaamheden, zodat muizen en andere dieren in de gelegenheid zijn om het terrein te verlaten.

Bij het aantreffen van dergelijke soorten, verplaats ze naar een vergelijkbare locatie in de directe omgeving. • Voor werkzaamheden in watergangen, bijv. dempen van een vijver, dienen daarin levende dieren te worden verplaatst naar een vergelijkbare omgeving. Het dempen kan niet plaatsvinden op moment dat er ijsvorming is, vissen en/of amfibieën in winterslaap zijn (november t/m maart) of kikkerdril aanwezig is (april/mei). Deze handelingen kunnen zonder Omgevingsvergunning plaats vinden mits uitgevoerd of begeleid door een erkend ecoloog. •

Als het verwijderen van beplanting ook deel uitmaakt van de werkzaamheden, kan dit alleen uitgevoerd worden als voor de aanvang door een ter zake deskundig is vastgesteld dat er geen broedende vogels in de beplanting aanwezig zijn. Een andere mogelijkheid is om de werkzaamheden op te starten/uit te voeren buiten het broedseizoen (indicatief de periode medio maart t/m medio juli). Let op dat vroeg in het jaar (februari), zoals Houtduif en Ekster, of laat in de zomer (augustus) nog vogels aan het broeden kunnen zijn. Daarom dient het gehele jaar, voorafgaand aan de werkzaamheden, vastgesteld te worden dat er geen vogels aan het broeden zijn.

40

•

Als er bij de werkzaamheden beschermde soorten aanwezig zijn, men de aanwezigheid ervan vermoedt of er aanwijzingen hiertoe zijn, dat dient het werk per direct stilgelegd te worden om dit nader te laten onderzoeken door een erkende ecoloog. Deze kan u adviseren in het bouwproces om schade, vertraging en overtreding te voorkomen, bijvoorbeeld door de effecten van trillingen, geluid, licht, maar ook in welk seizoen het beste gewerkt kan worden.

5 V’S ALS RICHTLIJN Om meer rekening te houden met de natuur, is de leefomgeving ook heel belangrijk. Er kunnen bijvoorbeeld nog zoveel nestelplaatsen zijn voor mussen, als er niets te eten is blijven ze alsnog weg. Dus dat betekent niet alleen kijken naar de bouw, maar ook naar de hoeveelheid groen in de wijk. Ga altijd uit van de 5 V’s: Verblijfplaatsen, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie. Diverse soorten planten en bloemen, een veilige verbinding tussen groene plekken in een wijk of stad en genoeg plekken om voedsel te vinden. Daarin kan de gemeente vaak ook een belangrijke rol spelen door ander groenbeheer.

NATUURINCLUSIEVE INRICHTING Richt de nieuwbouw in op een natuurinclusieve wijze. Dat wil zeggen: plaats nestkasten voor Huismussen, Gierzwaluwen en vleermuizen of integreer deze in de bouw door middel van inmetselstenen. Voorbeelden daarvan zijn te vinden op http://www.vivarapro.nl/inbouwstenen. Op deze wijze ‘ontsier’ je de gevel niet met kasten die aan de buitenzijde hangen. Met deze maatregel vergroot je de biodiversiteit ter plaatse. Denk ook aan de omgeving rondom de woningen. Zorg voor voldoende bomen, struiken en bloemrijke vegetatie voor vlinders, zweefvliegen, bijen en andere nuttige insecten. Zorg voor de aanwezigheid van open zandige grond voor Huismussen om een zandbad te nemen en eventueel voor Rugstreeppadden om zich in te graven. Kijk of voor meer ideeën op: https://www.bouwnatuurinclusief.nl.

VERLICHTING De planlocatie dient tijdens de werkzaamheden bij voorkeur minimaal verlicht te worden en/of hierbij gebruik te maken van een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Tevens wordt geadviseerd de werkzaamheden die in de periode april-oktober vallen, tussen zonsopgang en zonsondergang uit te voeren (buiten schemerperiodes).

41

7 BRONNENLIJST 7.1 Literatuur BIJ12 (2017a). Kennisdocument Buizerd. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017b). Kennisdocument Kerkuil. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017c). Kennisdocument Noordse woelmuis. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017d). Kennisdocument Rosse vleermuis. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017e). Kennisdocument Rugstreeppad. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017f). Kennisdocument Watervleermuis. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017g). Kennisdocument Zandhagedis. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2023a). Kennisdocument Huismus. Versie 2.1, februari 2023. BIJ12 (2023b). Kennisdocument Gierzwaluw. Versie 2.0, juli 2023. BIJ12 (2024a). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis. Versie 2.0, april 2024. BIJ12 (2024b). Kennisdocument Kleine marterachtigen. Versie 1.1, juli 2024. BIJ12 (2024c). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis. Versie 2.0, augustus 2024. BIJ12 (2025b). Kennisdocument Laatvlieger Versie 1.0, augustus 2025. Gemeente Heemskerk (2019). Groenbeleidsplan Heemskerk 2019. Gemeente Heemskerk (2020). Nota van Uitganspunten Omgevingsvisie Heemskerk. Herder, J. (2010). Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen 1980-2010. RAVON – Landschap Noord-Holland Herder, J., Kranenbarg, J., Hoogeboom, D., Hamers, J., Dekker, K. (2012). Atlas van de NoordHollandse vissen 1980-2012. RAVON – Landschap Noord-Holland.

Herlings, A., Bekker, D., Bos, G., Drukker, D., Epe, M., Gmelig Meyling, A. Grunsven, R. van, Herder, J., LaHaye, M., Norren, E. van, Reemer, M., Santen, M. van, Turnhout, C. van, Vaessen, A., WallisDeVries, M. (2022). Actualisatie soorten voor beleid in Noord-Holland. Rapportnummer VS2022.022, De Vlinderstichting, Wageningen. Kapteyn, K. (1995). Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap. Ministerie van Infrastructuur en Milieu. (2012). Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Den Haag. Natuur en Milieufederatie Noord-Holland. (2017). Versterking stiltegebiedenbeleid Noord-Holland. In opdracht van Provincie Noord-Holland. Netwerk Groene Bureaus, werkgroep 'Standaarden en protocollen' (2023) Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie nov 2023. Provincie Noord-Holland. (2016). Structuurvisie Noord-Holland 2040. Kwaliteit door veelzijdigheid. Vastgesteld door PS, 21 juni 2010. Inclusief actualisatie september 2015, vastgesteld door PS, 1. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Provincie Noord-Holland. (2018). Omgevingsvisie NH2050 Balans tussen economische groei en leefbaarheid. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Provincie Noord-Holland. (2019a). Provinciale Ruimtelijke Verordening, maart 2019. Haarlem, Provincie Noord-Holland.

42

Provincie Noord-Holland. (2019b). Programma Natuurontwikkeling 2020-2025, november 2019. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Provincie Noord-Holland. (2020). Bijzonder Provinciaal Landschap 32 landschappen en kernkwaliteiten. Provincie Noord-Holland. Provincie Noord-Holland. (2022). Omgevingsverordening NH2022. Riet, B. van, H. van der Goes, Th. Baas, C. van den Tempel, W. Menkveld & F. Visbeen. (2015). Atlas van de Noord-Hollandse flora. Landschap Noord-Holland. Scharringa, C.J.G., W. Ruiterbeek & P.J. Zomerdijk. (2010). Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. SVN, Landschap Noord-Holland. Swaay, C. van, Drukker, D., Epe, M., Grunsven, R. van, Klaarmond, M., Kranenbarg, J., Norren, E. van, Reemer, M., Santen, M. van & Vaessen, A. (2020). Soorten voor beleid in Noord-Holland. Rapportnummer VS2020.042, De Vlinderstichting, Wageningen. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021). Vleermuisprotocol 2021.

7.2 Websites https://bestanden.noord-holland.nl/internet/Onderwerpen/Natuur/nnn-wijzer/ https://www.heemskerk.nl/ https://geoapps.noord-holland.nl/GeoWeb/Viewer/?app=053d3575f0e4430cb095bd0fcb461c7f https://stadszaken.nl/artikel/5113/kabinet-maakt-regels-natuurinclusief-bouwen-voor-beschermdevogels https://stats.sovon.nl/stats/soorten https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885 https://www.floravannederland.nl https://www.natura2000.nl/ https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Bijzonder_Provinciaal_Landschap https://www.verspreidingsatlas.nl/ https://www.vogelatlas.nl https://www.waarneming.nl/

43

8 BIJLAGEN Bijlage I: Vrijgestelde soorten per provincie Tabel 4. Overzicht van de vrijgestelde soorten in kader van beheer, onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling per bevoegd gezag (provincie) op basis van door PS vastgestelde provinciale Omgevingsverordeningen en Or d.d. 1 oktober 2025. x = vrijgestelde soort, (x1) = vrijstelling geldt in de periode juli tot en met september, (x2) = 15 augustus t/m 15 oktober, (x3) = maart-april en juli t/m november, (x4) = 15 aug t/m februari. * = vanaf 1 oktober 2025 niet meer vrijgesteld. Werkzaamheden met een effect op deze soorten zijn vanaf deze datum vergunningsplichtig.

Soortˇ

Provincie»

FR

GR

DR

OV

GL

UT

NH

ZH

FL

ZE

NB

LI

Aardmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Bastaardkikker

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Bosmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Bruine kikker

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x*

Bunzing

x

x

Dwergmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Dwergspitsmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x (x3)

Eekhoorn Egel

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Gewone bosspitsmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Gewone pad

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Haas

x

x

x

x

x

x

x

x

x (x1)

Hazelworm x*

Hermelijn

x

x

Huisspitsmuis

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Kleine watersalamander

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Konijn

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x (x2)

Levendbarende hagedis Meerkikker

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

Molmuis Ondergrondse woelmuis

x*

x

x

Ree

x

x

x

Rosse woelmuis

x

x

x

Steenmarter

x

Tweekleurige bosspitsmuis

x

x

x

x

x

x

x

Veldmuis

x

x

x

x

x

x

x

Vos

x

x

x

x

x

x

x

x

x*

Wezel

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x (x4)

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x x

Wild zwijn Woelrat

x

x

x

x

x

44

x

x

x

x

x

x

x

x

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16966388/1