Was-wordt-lijst APV 2023.pdf
Tekst van het document
Sub i is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan als de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning is vermeld. Vijfde en zesde lid In dit lid wordt de wijze van indiening van de aanvraag van een vergunning geregeld. Alsmede welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De vereiste gegevens worden nodig geacht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de KvK. Als dat op enig moment niet meer het geval is, kan dat reden zijn om de vergunning in te trekken (zevende lid, sub h en i). Als het bevoegd bestuursorgaan dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken (zesde lid). Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen. Achtste lid Het artikel met betrekking tot de sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen biedt de mogelijkheid voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Het gaat om voor het publiek openstaande gebouwen waar sprake is van overlast of aantasting van de openbare orde.
Dit artikel: ‘het tegengaan van een malafide ondernemersklimaat’ bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid, wanneer sprake is van een vergunningplicht. Elfde lid Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook wanneer slechts één van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden als de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht ontving. Veertiende lid De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, geldt voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit.
Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: “exploitanten die een andere bedrijfsmatige
WAS
WORDT
activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of op een andere locatie dan voorheen”. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en moeten ook over een vergunning beschikken. Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan. Artikel 3:7 (Weigeringsgronden), eerste lid, sub i, ten eerste Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: i.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene plaatselijke verordening 2019;
Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: i. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de Algemene plaatselijke verordening 2019;
Toelichting: In het eerste lid, sub i, ten eerste zijn de zijn de woorden de Drank- en Horecawet vervangen door het woord de Alcoholwet. Op 1 juli 2021 is de naam van de Drank- en Horecawet veranderd in de Alcoholwet. Artikel 3:7A (Tijdelijke afwijking sluitingstijd; (tijdelijke) sluiting) Nieuw artikel -
Artikel 3:7A Tijdelijke afwijking sluitingstijd; (tijdelijke) sluiting 1. Met het oog op de in artikel 1:8, eerste lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegde bestuursorgaan: a. tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:12, geldende sluitingsuren vaststellen; of b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
WAS
WORDT 2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.
Toelichting: In een nieuw artikel 3:7a van de APV wordt voorgesteld om een grondslag op te nemen voor tijdelijke andere sluitingsuren, dan wel een tijdelijke sluiting van een ‘prostitutiepand’. Het RIEC-Rotterdam adviseert de gemeenten binnen de eenheid Rotterdam om de APV ‘ondermijningsproof’ in te richten. In dit advies is het volgende opgenomen: “Het bevoegd gezag kan om redenen van openbare orde (bijvoorbeeld bij het zich voordoen van een geweldsincident) dan wel de veiligheid of gezondheid van de in de inrichting werkzame personen of klanten het noodzakelijk achten een seksinrichting (tijdelijk) te sluiten of (tijdelijk) andere sluitingsuren vaststellen. Als sprake is van een illegale seksinrichting kan het bevoegd gezag het pand (tijdelijk) sluiten. Er is sprake van een illegale seksinrichting wanneer een seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder een benodigde vergunning. Als het gaat om een pand dat als woning is bestemd, maar dat pand door de exploitatie van bedrijfsmatige prostitutie feitelijk niet meer als woning wordt gebruikt, kan het bevoegde gezag deze illegale seksinrichting tevens sluiten. De wetgever heeft ervan afgezien het begrip woning te definiëren. Het bevoegd gezag verstaat onder woning een voor bewoning gebruikte ruimte. Of een woning gebruikt wordt als woonruimte blijkt uit de Basis Registratie Personen (BRP).
Een persoon die incidenteel overnacht in een woning en niet op dit adres in de BRP staat ingeschreven, wordt niet aangemerkt als bewoner. Thuisprostitutie, prostitutie door één persoon in zijn of haar woning, is in principe toegestaan zonder vergunning zolang de activiteiten van de thuiswerkende prostituee geen zakelijke uitstraling hebben of bedrijfsmatig plaatsvinden.”
WAS
WORDT
Artikel 4:1 (Definities) Artikel 4.1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 4.1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer [het omgevingsplan]; gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer [het omgevingsplan]; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer [het omgevingsplan]; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 zijn de juiste verwijzingen naar het omgevingsplan in dit artikel opgenomen.
WAS
WORDT
Artikel 4:2 (Aanwijzing collectieve festiviteiten) eerste lid, tweede lid en achtste lid Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 80 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.
De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 01:30 uur beëindigd.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer [de betreffende artikelen van het omgevingsplan] en artikel 4:5 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer [de betreffende artikelen van het omgevingsplan] gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 80 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7.
De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer [de betreffende artikelen van het omgevingsplan] en artikel 4:5, uiterlijk om 01:30 uur beëindigd.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 zijn juiste de verwijzingen naar het omgevingsplan in dit artikel opgenomen.
WAS
WORDT
Artikel 4:3 (Melding incidentele festiviteiten) eerste lid, tweede lid en achtste lid Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 6 dagen of 6 dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 2 dagen of 2 dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.
De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 80 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 01:30 uur beëindigd.
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten [1.] Het is een inrichting toegestaan op maximaal zes6 dagen of zes6 dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer [de betreffende artikelen in het omgevingsplan] en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. [2.] Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twee2 dagen of twee2 dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer [de betreffende artikelen in het omgevingsplan] niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 1.[3.] Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 2.[4.] De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
3.[5.] De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 4.[6.] Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 80 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 5.[7.] De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 6.[8.] Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer [de betreffende artikelen in het omgevingsplan] en artikel 4:5, uiterlijk om 01:30 uur beëindigd.
WAS 9.
De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
WORDT 7.[9.] De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 8.[10.] Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 zijn juiste verwijzingen naar het omgevingsplan in dit artikel opgenomen.
WAS
WORDT
Artikel 4:5 (Onversterkte muziek) eerste lid en vierde lid. Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in inpandige en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegep 2. Tabel
3.
7.00 19.0 0 uur LAr.LT op 50 de gevel dB(A) van gevoelige gebouwen LAr.LT in in- en 35 aanpandige dB(A) gevoelige gebouwen LAmax op 70 de gevel dB(A) van gevoelige gebouwen LAmax in in- en 55 aanpandige dB(A) gevoelige gebouwen
19.0 023.0 0 uur
23.0 07.00 uur
45 dB(A)
40 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.
Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer [het betreffende artikel in het omgevingsplan] binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in inpandige en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel 7.00 19.0 0 uur LAr.LT op 50 de gevel dB(A) van gevoelige gebouwen LAr.LT in in- en 35 aanpandige dB(A) gevoelige gebouwen LAmax op 70 de gevel dB(A) van gevoelige gebouwen LAmax in in- en 55 aanpandige dB(A) gevoelige gebouwen
19.0 023.0 0 uur
23.0 07.00 uur
45 dB(A)
40 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
[3.] Voor de duur van 4vier uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.
WAS
4.
5.
WORDT
Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.
3.[4.] Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer [het omgevingsplan] van toepassing. 4.[5.] Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 zijn de juiste verwijzingen naar het omgevingsplan in dit artikel opgenomen. Artikel 4:5b (Geluidhinder in de openlucht) vijfde lid Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht 1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland.
Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht 1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau; b. de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer [het omgevingsplan], het Bouwbesluit [de Omgevingswet en/ of bijbehorende AMvB's] of de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 zijn juiste verwijzingen naar de Omgevingswet/het omgevingsplan in dit artikel opgenomen.
WAS
WORDT
Artikel 4:5c (Geluidhinder door dieren), Vervallen Artikel 4:5c Geluidhinder door dieren Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.
Artikel 4:5c Geluidhinder door dieren Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.
Toelichting: Het voorstel is om artikel 4:5c van de APV te schrappen. In de artikelen 2:60 (Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren), 2:79 (Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet) en 4:6 zijn algemene grondslagen voor het college opgenomen om dierenoverlast tegen te gaan. Een specifieke grondslag in artikel 4:5c van de APV is derhalve niet meer nodig.
Artikel 4:6 (Overige geluidhinder) derde lid Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland.
Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, [het omgevingsplan], het Bouwbesluit Bouwbesluit [de Omgevingswet en/ of bijbehorende AMvB's] of de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 zijn juiste verwijzingen naar de Omgevingswet/het omgevingsplan in dit artikel opgenomen. Artikel 4:9 (Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen), Vervallen Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Toelichting: In de praktijk blijkt deze bepaling een dode letter te zijn. Daarom wordt voorgesteld om dit artikel te schrappen.
WAS
WORDT
Artikel 4:10 (Begripsbepalingen) Sub k Artikel 4:10 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: k. bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 4:10 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: [k.] bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 is de definitie van een bestuursorgaan, voor de leesbaarheid, uitgeschreven. Artikel 4:11A (Aanvraag) tweede lid Artikel 4:11A Aanvraag 1. De ontheffing moet schriftelijk dan wel langs elektronische weg worden aangevraagd onder verwijzing naar de redengevende beschrijving van de beschermde houtopstand op de Groene Kaart, door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door 2. Een aanvraag tot ontheffing moet voldoen aan het gestelde in artikel 1.3 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) en dient te worden onderbouwd met een situatieschets van de bestaande en de toekomstige situatie en recente foto’s van de te kappen bomen (maximaal een jaar oud).
Artikel 4:11A Aanvraag 1. De ontheffing moet schriftelijk dan wel langs elektronische weg worden aangevraagd onder verwijzing naar de redengevende beschrijving van de beschermde houtopstand op de Groene Kaart, door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door 2. Een aanvraag tot ontheffing moet voldoen aan het gestelde in artikel 1.3 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) [artikel 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling] en dient te worden onderbouwd met een situatieschets van de bestaande en de toekomstige situatie en recente foto’s van de te kappen bomen (maximaal een jaar oud).
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 zijn de juiste verwijzingen naar de artikelen in de Omgevingsregeling in dit artikel opgenomen. Artikel 4:11F (Schadevergoeding) Artikel 4:11F Schadevergoeding Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding bij weigering van een ontheffing tot vellen op grond van artikel 17 van de Boswet.
Artikel 4:11F Schadevergoeding Het college beslist op een verzoek om schadevergoeding bij weigering van een ontheffing tot vellen op grond van artikel 17 van de Boswet artikel 6.3 van de Wet natuurbescherming [15.1 Omgevingswet].
Toelichting: In dit artikel is een verwijzing naar de Boswet opgenomen. De Boswet is in het verleden vervangen door de Wet natuurbescherming. De verwijzing naar de correcte wetgeving is in dit artikel opgenomen.
WAS
WORDT
Daarnaast is vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023, de juiste verwijzing naar de Omgevingswet in dit artikel opgenomen. Artikel 4:13 (Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.) eerste en derde lid Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale verordening.
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer [buiten een gebouw waar een milieubelastende activiteit, als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving plaatsvindt], in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening [Omgevingswet] of de Provinciale verordening.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023, is de juiste verwijzing naar de Omgevingswet in dit artikel opgenomen. Ook is vanwege deze inwerkingtreding de definitie in het eerste lid van dit artikel in overeenstemming met de Omgevingswet gebracht. Artikel 4:15 (Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame) tweede lid Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te
WAS
2.
WORDT voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.
2.
voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer [in het omgevingsplan].
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023, is de juiste verwijzing naar het omgevingsplan in dit artikel opgenomen. Artikel 4:17 (Definitie) Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht [artikel 5.1 tweede lid onder a Omgevingswet] is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023, is de juiste verwijzing naar de Omgevingswet in dit artikel opgenomen. Artikel 5:8 (Grote voertuigen) eerste lid Artikel 5:8 Grote voertuigen 1. Het is gelet op de aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de verkeersveiligheid en met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte verboden om een voertuig
Artikel 5:8 Grote voertuigen 1. Het is gelet op de aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de verkeersveiligheid en met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte verboden om een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter binnen de gemeente te parkeren.
Toelichting: Bij de vorige herziening van de APV in 2019 is een deel van de tekst weggevallen en derhalve niet vastgesteld en bekendgemaakt. Deze tekst is alsnog toegevoegd.
Artikel 5:13 (Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving), eerste lid en vierde lid Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of ledenof donateurwerving 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld
Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving [1.] Het is verboden zonder vergunning voorafgaande melding van aan het college
WAS
4.
WORDT of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. [4.] Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. De melding als bedoeld in het eerste lid vindt tenminste veertien dagen voorafgaand aan de inzameling, leden- of donateurwerving plaats.
Toelichting: Voorgesteld wordt om in het kader van deregulering (geen vergunning, maar een melding) en lastenvermindering (geen leges voor de vergunning en een melding is eenvoudiger dan een vergunningaanvraag) de vergunningplicht in een meldplicht om te zetten. Via de meldplicht behoudt het college de mogelijkheid om tegen excessen op te treden. Artikel 5:15 (Ventverbod) Herformulering bestaand artikel Artikel 5:15 Ventverbod Het is verboden zonder vergunning van het college te venten.
Artikel 5:15 Ventverbod [1.] Het is verboden zonder vergunning van het college te venten. te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 1. Het is verboden te venten op zondagen en op maandagen t/m zaterdagen tussen 21:00 uur en 9:00 uur. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; b. het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard
Toelichting: Voorgesteld wordt om in het kader van deregulering (geen vergunning, maar een algemeen verbod) en lastenvermindering (geen leges voor de vergunning en geen verplichting meer om een vergunningaanvraag in te dienen) de vergunningplicht in een algemeen verbod om te zetten, met spelregels wanneer het wel mag. Via een algemeen behoudt het college de mogelijkheid om tegen excessen op te treden. Artikel 5:17 (Definitie), tweede lid, sub a 1.[2.] Onder standplaats wordt niet verstaan: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste
2.
Onder standplaats wordt niet verstaan: [a.] een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste
WAS
WORDT
b.
lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
a.
lid, aanhef en onder gh, van de Gemeentewet; een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.
Toelichting: In het eerste lid, sub a is een onjuiste verwijzing aangepast. Artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet bestaat niet meer. Artikel 5:18a (Koek- en zopiestandplaats op natuurijs), eerste en vierde lid Artikel 5:18a Koek- en zopiestandplaats op natuurijs 1. Geen vergunning in de zin van artikel 5:18, eerste lid, is vereist voor een standplaats op natuurijs, in het kader van een wedstrijd-, 4. Het is verboden een standplaats in te nemen op een afstand van 200 meter van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27horecabedrijf.
Artikel 5:18a Koek- en zopiestandplaats op natuurijs [1.] Geen vergunning in de zin van artikel 5:18, eerste lid, is vereist voor een standplaats op natuurijs, in het kader van een wedstrijd-,. [4.] Het is verboden een standplaats in te nemen op een afstand van 200 meter van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27horecabedrijf.
Toelichting: In het eerste lid is een koppeling gemaakt met een wedstrijd op het ijs. Het voorstel is om deze koppeling los te laten. Dit zorgt ervoor dat standplaatsen, als sprake is van activiteiten op het natuurijs maar geen sprake is van een wedstrijd, zonder standplaatsvergunning geplaats mogen worden. Gelet op de ‘korte’ vriesmomenten (weinig tijd om te anticiperen) en de duur van de afhandeling van een aanvraag voor een standplaatsvergunning, is het wenselijk om een uitzodering voor standplaatsen op het ijs te maken. Het vierde lid verwijst naar het begrip horecabedrijf. Dit begrip dekt onvoldoende de lading, aangezien het een verwijzing is naar enkel alcoholverstrekkende bedrijven als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet. Zuiverder is om aansluiting te zoeken bij de term openbare inrichting zoals bedoeld in artikel 2:27 van de APV.
Een openbare inrichting is als volgt gedefinieerd: “een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.” Deze definitie omvat zowel horecaondernemingen die bedrijfsmatig alcohol verstrekken als bedrijven die geen alcohol verstrekken (zogeheten droge horeca, zoals een snackbar zonder alcoholverstrekking), maar wel als horeca in de zin van de APV worden aangemerkt.
Artikel 5:25 (Ligplaats vaartuigen) derde lid
WAS
WORDT
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen 4.[5.] Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, of de Waterverordening waterschap Rivierenland.
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen 2.[3.] Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht [de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's], de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, of de Waterverordening waterschap Rivierenland.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023, is de juiste verwijzing naar de Omgevingswet en de bijbehorende AMvB’s in dit artikel opgenomen. Artikel 5:34 (Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken) Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 2. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer [buiten gebouwen waar ingevolge het Besluit activiteiten leefomgeving een milieubelastende activiteit is toegestaan] of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023, is de definitie in dit artikel in overeenstemming met de Omgevingswet gebracht. Artikel 6:4a (Inwerkingtreding Omgevingswet) Nieuw artikel -
Artikel 6:4a Inwerkingtreding Omgevingswet 1. Vanaf de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de wettelijke grondslagen die tussen teksthaken met blauwe kleur worden genoemd van overeenkomstige toepassing. 2. Vanaf de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet moet in deze verordening, in plaats van bestemmingsplan, beheersverordening of exploitatieplan, omgevingsplan worden gelezen.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023, is een inwerkingtredingsbepaling in dit artikel opgenomen. Vanaf de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de wettelijke grondslagen die tussen teksthaken met blauwe kleur worden genoemd van overeenkomstige toepassing. Ook geldt vanaf de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet dat de verwijzingen naar bestemmingsplan, beheersverordening of exploitatieplan, automatisch gelezen moeten worden als omgevingsplan.