Was-wordt-lijst APV 2023.pdf
Tekst van het document
Was-wordt-lijst Algemene plaatselijke verordening Hardinxveld-Giessendam 2023 WAS
WORDT
Artikel 1:1 (Definities) Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de gemeenteraad de grenzen heeft vastgesteld die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid, van de Bouwverordening; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een
zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de gemeenteraad de grenzen heeft vastgesteld die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid, van de Bouwverordening elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet bouwwerk dat een voor mensen toegankelijk overdekt geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het
Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; -
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,
WAS
WORDT
-
met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Toelichting: In dit artikel is in de definitie van de bebouwde kom een verwijzing naar de Wet natuurbescherming opgenomen. De huidige grondslag is artikel 4.1 Wet natuurbescherming Deze verwijzing ontbrak. In het kader van de artikelen die gaan over het kappen van bomen moet ook een bebouwde kom worden aangewezen. Dat kan dezelfde bebouwde kom zijn maar deze kan ook verschillen. Dat moet hier dan wel worden vermeld. Het motief voor de bebouwde kom verschilt wel. Voor het kappen van bomen geldt dat het college bevoegd gezag is te besluiten op aanvragen binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom het college van gedeputeerde staten van de Provincie Zuid-Holland. Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 zijn de definities voor een bouwwerk en gebouw expliciet in de APV opgenomen. Daarnaast zijn de nieuwe grondslagen (zoals ze straks in de Omgevingswet gaan luiden) in deze APV opgenomen. Artikel 1:2 (Beslistermijn) , derde lid Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.
In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, artikel 2:12, 4:15 en een ontheffing als bedoeld in artikel 4:11.
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht [artikel 16.64 van de Omgevingswet] van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, artikel 2:12, 4:15 en een ontheffing als bedoeld in artikel 4:11.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 is de nieuwe grondslag (zoals deze straks in de Omgevingswet gaat luiden) in het derde lid van dit artikel opgenomen.
Artikel 2:10 (Voorwerpen op of aan de weg), eerste, derde tot en met zesde lid Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare
WAS
2.
3.
4.
5.
6.
WORDT plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het bevoegde bestuursorgaan de vergunning weigeren: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het verbod is voorts niet van toepassing op de volgende voorwerpen, mits wordt voldaan aan de krachtens het vijfde lid gestelde nadere regels: a. uitstallingen; b. bouwobjecten; c. reclameborden; d. plantenbakken en banken; e. nader door het college aan te wijzen voorwerpen.
Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels stellen voor de categorieën, bedoeld in het vierde lid.
plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht [artikel 5.1 van de Omgevingswet]. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het bevoegde bestuursorgaan de vergunning weigeren: [a.] indien als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; a.[b.] in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. [5.] Het verbod is voorts niet van toepassing op de volgende voorwerpen, mits wordt voldaan aan de krachtens het zesde vijfde lid gestelde nadere regels: d.[a.] uitstallingen; e.[b.] bouwobjecten; f.[c.] reclameborden; g.[d.] plantenbakken en banken; h.[e.] nader door het college aan te wijzen voorwerpen.
[6.] Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels stellen voor de categorieën, bedoeld in het vierde vijfde lid.
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 is de nieuwe grondslag (zoals deze straks in de Omgevingswet gaat luiden) in het tweede lid van dit artikel opgenomen. In het derde lid is een tekstuele wijziging/redactionele verbetering doorgevoerd (het woord ‘indien’ is vervangen door ‘als’). In het vijfde en zesde lid zijn de foutieve verwijzingen aangepast.
Artikel 2:21 (Voorzieningen voor verkeer en verlichting), tweede lid Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat
WAS
2.
WORDT bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
2.
bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht [de Omgevingswet en AMvB's].
Toelichting: Vanwege de verwachte inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 is de nieuwe grondslag (zoals deze straks in de Omgevingswet gaat luiden) in het tweede lid van dit artikel opgenomen. Artikel 2:24 Definities (evenementen), eerste lid 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, o
1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; [b.] markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder gh, van de Gemeentewet en artikel 5:22; b.[c.] kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; [d.] het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; c.[e.] betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; [f.] activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 ; [g.] sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, of
Toelichting: In het eerste lid zijn onjuiste verwijzingen aangepast. Artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet bestaat niet meer. In het eerste lid, sub g is een onjuiste verwijzing opgenomen. Moet een verwijzing naar artikel 2:24, tweede lid, sub f, van de APV zijn. Ook zijn de woorden de Drank- en Horecawet vervangen door het woord de Alcoholwet. Op 1 juli 2021 is de naam van de Drank- en Horecawet veranderd in de Alcoholwet.
Artikel 2:28 (Exploitatie openbare inrichting), vijfde en zesde lid 5.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum;
5.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum;
WAS
WORDT d. e. f. g.
6.
een bedrijfskantine of- restaurant; een automatiek; een broodjeszaak; een cafetaria (zonder drank- en horecavergunning); h. een croissanterie; i. een koffiebar; j. een lunchroom; k. een ijssalon; l. een snackbar (zonder drank- en horecavergunning); m. een tearoom; n. een afhaalgelegenheid die maaltijden, voor directe consumptie geschikte eetwaren en alcoholvrije dranken verstrekken voor gebruik elders ter plaatse; o. een openbare inrichting van een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; p. een openbare inrichting van een kerk, vereniging of stichting, waarvan de horeca-activiteiten direct en ondergeschikt zijn aan de maatschappelijke of sportieve functie van het vigerende bestemmingsplan; q. een bed and breakfast. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.
d. een bedrijfskantine of- restaurant; e. een automatiek; f. een broodjeszaak; [g.] een cafetaria (zonder Alcoholwetdranken horecavergunning); g.[h.] een croissanterie; h.[i.] een koffiebar; i.[j.] een lunchroom; j.[k.] een ijssalon; [l.] een snackbar (zonder Alcoholwetdranken horecavergunning); k.[m.] een tearoom; l.[n.] een afhaalgelegenheid die maaltijden, voor directe consumptie geschikte eetwaren en alcoholvrije dranken verstrekken voor gebruik elders ter plaatse; [o.] een openbare inrichting van een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en HorecaAlcoholwet; m.[p.] een openbare inrichting van een kerk, vereniging of stichting, waarvan de horeca-activiteiten direct en ondergeschikt zijn aan de maatschappelijke of sportieve functie van het vigerende bestemmingsplan; n.[q.] een bed and breakfast. [6.] De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en HorecawetAlcoholwet en in het bezit van een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Alcoholwet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b.
de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.
Toelichting: In het vijfde en zesde lid zijn de woorden de Drank- en Horecawet vervangen door het woord de Alcoholwet. Op 1 juli 2021 is de naam van de Drank- en Horecawet veranderd in de Alcoholwet. Daarnaast is in het zesde lid een duidelijkere verwijzing naar de vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Alcoholwet opgenomen. Zonder deze verwijzing valt een horecabedrijf in de zin van Alcoholwet zonder een Alcoholwetvergunning, ook onder de vrijstelling zoals opgenomen in het zesde lid. Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en
Afdeling 8A. Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet Alcoholwet
WAS
WORDT
Horecawet
Toelichting: De titel van Afdeling 8A. is gewijzigd van de woorden Drank- en Horecawet naar het woord Alcoholwet. Op 1 juli 2021 veranderde de naam van de Drank- en Horecawet in de Alcoholwet. Artikel 2:48 (Verboden drankgebruik), tweede lid
2.
Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.
2.
Het verbod is niet van toepassing op: [a.] een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet Alcoholwet; [b.] een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet Alcoholwet.
Toelichting: In het tweede lid zijn de zijn de woorden de Drank- en Horecawet vervangen door het woord de Alcoholwet. Op 1 juli 2021 is de naam van de Drank- en Horecawet veranderd in de Alcoholwet. Artikel 2:74a (Openlijk drugsgebruik) Herformulering bestaand artikel Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats, op of aan de weg zich op te houden, post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan de weg, in een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats, op of aan de weg zich op te houden, post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan de weg, in een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. 1.
2.
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben, indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw dat deel uitmaakt van de navolgende gebieden, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of
WAS
WORDT ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben: a. elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een station, bushalte of een taxistandplaats; b. winkelcentra, parkeergarages en overkappingen, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 50 meter van de buitenste grenzen van dat object; c. onder bruggen, viaducten en in tunnels, alsmede het gebied binnen een straal van 10 meter van de buitenste grenzen van dat object; d. schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van de weg waarop kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken, trapvelden en hangplekken.
Toelichting: De tekst van artikel 2:74a van de APV is conform het advies van het RIEC-Rotterdam duidelijker geformuleerd en afgebakend. Het RIEC-Rotterdam adviseert de gemeenten binnen de eenheid Rotterdam om de APV ‘ondermijningsproof’ in te richten. In dit advies is het volgende opgenomen: “Algemene toelichting De motor van de ondermijnende criminaliteit is de handel in drugs. Voor een effectieve aanpak van ondermijning is het daarom van belang, dat ook de handel in drugs op straat en aanverwante gedragingen worden verboden. Onder dit hoofdstuk is ook een gebruiksverbod opgenomen over lachgas, indien deze onder bepaalde omstandigheden wordt gebruikt. Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage ‘onverminderd het bepaalde in de Opiumwet’ opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden genoemd op lijst I (‘harddrugs’) en II (‘softdrugs’) die behoren bij deze wet. Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel op straat.
Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk om in de APV een artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare feiten tot doel heeft. Resumerend. Via dit artikel krijgt het bevoegde bestuursorgaan extra mogelijkheden om drugsgebruik op straat aan te pakken. Artikel 2:74c (Verzamelingen van personen in verband met drugs) Nieuw artikel -
Artikel 2:74c Verzamelingen van personen in verband met drugs 1. Het is verboden op of aan wegen, die door de burgemeester zijn aangewezen indien de openbare orde dat in verband met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, aan een verzameling
WAS
WORDT
2.
3.
van meer dan vier personen deel te nemen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet als de verzameling personen geen verband houdt met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet. Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.
Toelichting: Het RIEC-Rotterdam adviseert de gemeenten binnen de eenheid Rotterdam om de APV ‘ondermijningsproof’ in te richten. In dit advies is het volgende opgenomen (zie ook de algemene toelichting in het onderdeel 2:74a): “Verzamelingen van personen in verband met drugs Met behulp van het artikel in de model-APV van de VNG met betrekking tot het verzamelen van personen in verband met drugs, kan de burgemeester gericht optreden om – zodanig – bepaalde straten of delen van straten in de gemeente vrij te maken van het zogenaamde drugstoerisme. Drugstoerisme gebeurt vaak groepsgewijs. Desondanks kan niet echt worden gesproken van een ‘samenscholing’ als bedoeld in het artikel met betrekking tot de begripsomschrijving van samenscholing. Daarom is voor deze vorm van overlast een speciale bepaling opgesteld. Aangezien de maatregel van de burgemeester nogal ingrijpend van aard is, zal de maatregel een tijdelijk karakter moeten hebben. Deze tijdelijkheid vindt plaats via een afzonderlijk aanwijzingsbesluit van de burgemeester. Tweede lid Het tweede lid verklaart het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing, als de verzameling van personen geen verband houdt met drugs. De politie moet dat in het concrete geval beoordelen op basis van ervaring en concrete omstandigheden.
Zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties, het ruziën tussen aanbieders en afnemers etc. Derde lid In het derde lid wordt aan een persoon, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, de verplichting opgelegd om zich op een daartoe strekkend bevel van een politieambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen. De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2 van de Politiewet. Het artikel met betrekking tot het verzamelen van personen in verband met drugs bevat het geven van een bevel in een concreet geval. Strafbaarstelling van het verbod vindt plaats in het hoofdstuk Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen (zie artikel 6:1 Sanctiebepaling van de APV). Ook in het procesverbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van het artikel betrekking hebbend op verzamelingen van personen in verband met drugs, derde lid juncto artikel 6:1 van de APV (Sanctiebepaling, binnen de model APV).” Resumerend. Via dit artikel krijgt het bevoegde bestuursorgaan extra mogelijkheden om verzamelingen van personen in verband met drugs aan te pakken. Artikel 2:74d (Verblijfsverbod dealers) Nieuw artikel
WAS
WORDT
-
Artikel 2:74d Verblijfsverbod dealers 1. De burgemeester kan degene die in een op grond van artikel 2:74c, eerste lid, aangewezen overlastgebied zich op of aan de weg ophoudt waarbij aannemelijk is dat dit gebeurt om middelen, als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, te verkopen of te koop aan te bieden en die antecedenten heeft op het gebied van het verkopen of te koop aanbieden van drugs of daarop gelijkende waar, bevelen om zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar voor de duur van drie maanden niet meer te bevinden. 2. De burgemeester kan aan degene, aan wie eerder een bevel als bedoeld in het eerste lid is gegeven en die binnen een periode van een jaar opnieuw de in dat lid genoemde bepalingen overtreedt, bevelen om zich onmiddellijk uit dat overlastgebied te verwijderen en zich daar gedurende een periode van maximaal zes maanden niet meer te bevinden. 3. Degene die een bevel heeft gekregen als bedoeld in het eerste of tweede lid is verplicht hieraan onmiddellijk te voldoen.
Toelichting: Het RIEC-Rotterdam adviseert de gemeenten binnen de eenheid Rotterdam om de APV ‘ondermijningsproof’ in te richten. In dit advies is het onderstaande opgenomen (zie ook de algemene toelichting in het onderdeel 2:74a): “Verblijfsverbod dealers In afwijking van het regime van het artikel dat ingaat op het verblijfsverbod, kan de burgemeester op grond van het artikel: ‘Verblijfsverbod dealers’ een verblijfsverbod opleggen voor de duur van drie maanden aan personen (dealers) die zich schuldig maken aan de handel in drugs of daarop gelijkende waar. Hieronder vallen dus ook slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen of stimulerende middelen. De reden voor een afwijkend regime is drieledig. Allereerst wordt beoogd een einde te maken aan de ernstige verstoring van de openbare orde die met het dealen zelf gepaard gaat. Daarnaast wordt beoogd ‘de loop uit het gebied’ te halen. Door dealers voor langere tijd uit overlastgebieden te weren worden deze gebieden minder aantrekkelijk voor gebruikers, zodat ook de daaraan gerelateerde overlast afneemt. Tot slot is van belang dat de huidige systematiek van verblijfsverboden voor dealers vaak niet effectief is, omdat strafrechtelijk optreden de bestuurlijke maatregel doorkruist. Hierdoor wordt aan dealers veelal geen 24-uurs verblijfsverbod opgelegd en wordt er derhalve geen dossier opgebouwd.
De burgemeester kan alleen van de bevoegdheid van het artikel: ‘Verblijfsverbod dealers’ gebruik maken ten aanzien van personen die ook antecedenten hebben op het gebied van handel in drugs of daarop gelijkende waar. Het kan daarbij gaan om veroordelingen, maar ook om politiemutaties. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat deze maatregel niet kan worden ingezet bij zogenaamde first-offenders. Het verblijfsverbod kan worden opgelegd indien wordt geconstateerd dat iemand zich schuldig maakt aan handel in drugs of daarop gelijkende waar. Dan wel als het aannemelijk is dat iemand zich op straat ophoudt met het doel de hiervoor genoemde gedraging te plegen. Dit
WAS
WORDT
kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden. Het enkele vermoeden dat iemand drugs of daarop gelijkende waar verkoopt of te koop aanbiedt is derhalve niet voldoende. Het tweede lid van het artikel: ‘Verblijfsverbod dealers’ voorziet in een recidivebepaling. Degene die binnen een jaar na een gegeven drie maanden-bevel opnieuw de in het eerste lid genoemde overtreding begaat, krijgt een verblijfsverbod van zes maanden voor het desbetreffende overlastgebied.” Resumerend. Via dit artikel krijgt het bevoegde bestuursorgaan extra mogelijkheden om drugsdealers aan te pakken. Artikel 2:74e (Lachgasverbod) Nieuw artikel -
Artikel 2:74e Lachgasverbod 1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.
Toelichting: Het RIEC-Rotterdam adviseert de gemeenten binnen de eenheid Rotterdam om de APV ‘ondermijningsproof’ in te richten. In dit advies is het volgende opgenomen (zie ook de algemene toelichting in het onderdeel 2:74a): “Lachgasverbod Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit het oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen het middel en het doel. Dat zou in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn. Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik. Daarbij gaat het om situaties die gepaard gaan met de verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is. Dit nog los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het
WAS
WORDT
college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn, in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden.” Resumerend. Via dit artikel krijgt het bevoegde bestuursorgaan extra mogelijkheden om lachgas(overlast) aan te pakken. Artikel 2:79 (Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet) Herformulering bestaand artikel en hernummering leden in artikel Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b.
hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid. 3. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Toelichting:
Redactionele verbeteringen en een vernummering van de leden. Het RIEC-Rotterdam adviseert de gemeenten binnen de eenheid Rotterdam om de APV ‘ondermijningsproof’ in te richten. In dit advies is het volgende opgenomen:
WAS
WORDT
“Deze bepaling is in de Handreiking Regionaal Model APV Ondermijningsproof opgenomen vanwege de link met drugsgerelateerde activiteiten in woningen. Het komt niet zelden voor dat panden worden (onder)verhuurd aan criminelen die, in het kader van de ondermijnende criminaliteit, deze panden gebruiken voor de productie of opslag van drugs. Ook kunnen dergelijke panden worden gebruikt voor het opslaan van wapens of andere verboden voorwerpen. De omgeving van deze woning kan ernstige hinder ondervinden van bijvoorbeeld illegale hennepkwekerijen in een woning. Omdat hierdoor bijvoorbeeld brandgevaar kan optreden. Algemeen Artikel 151d van de Gemeentewet regelt dat de raad bij verordening kan bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang als bedoeld in artikel 125, eerste lid en derde lid, van de Gemeentewet ter zake van overtreding van het door de raad bij verordening gestelde voorschrift.
Ultimum remedium Uit de wet volgt dat dit instrument is bedoeld als een ultimum remedium. Artikel 151d, tweede lid, van de Gemeentewet regelt dat het instrument van de last onder bestuursdwang (voor de goede orde, dat impliceert dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen) alleen wordt ingezet als er geen andere geschikte manier voorhanden is om de overlast aan te pakken. Bij een besluit om op grond van deze bepaling een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen, moet de burgemeester dus motiveren dat er geen andere geschikte instrumenten zijn/waren om de woonoverlast tegen te gaan. Alleen al daarom moet er aan zo’n besluit een stevig dossier ten grondslag liggen. Het meest overtuigend zou zijn als uit het dossier blijkt dat andere instrumenten, zoals buurtbemiddeling, al zijn geprobeerd zonder het gewenste resultaat. Het ultimum remedium karakter geldt in nog sterkere mate als sprake is van een huisverbod als bedoeld in het derde lid van artikel 151d van de Gemeentewet. Een zo zware maatregel, die een inbreuk betekent op het grondwettelijk beschermde woonrecht, is alleen mogelijk wanneer de ernst van de situatie dat eist en er werkelijk geen andere optie meer open staat. Eerste lid Dit lid is geformuleerd als een zorgplichtbepaling. Een bewoner hoort zich zo te gedragen dat zijn of haar buren daar geen ernstige hinder van ondervinden.
Bij ernstige en herhaaldelijke hinder kan ook de verhuurder worden aangesproken. Tweede lid en derde lid In het tweede lid regelt de gemeenteraad in welke gevallen de burgemeester in ieder geval toepassing kan geven aan de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom. In het artikel is niet expliciet bepaald dat de burgemeester een last onder dwangsom kan opleggen, omdat dit reeds volgt uit artikel 5:32 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 125 van de Gemeentewet. Welke herstelsanctie het meest geëigend is in een specifieke situatie moet steeds door de burgemeester worden afgewogen. De burgemeester kan in beleidsregels vastleggen hoe hij of zij invulling geeft aan deze bevoegdheid. Een van de genoemde gevallen is ‘ernstige vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf’. Artikel 7.21 van het Bouwbesluit 2012 regelt de facto hetzelfde, ook met het tegengaan van overlast als motief. Dit artikel zal naar verwachting met de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. De last onder bestuursdwang of dwangsom die de burgemeester kan opleggen kan bestaan uit gedragsaanwijzingen waaraan de overtreder zich te houden heeft.”
WAS
WORDT
Artikel 2:80 (Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen) Nieuw artikel -
Artikel 2:80 Sluiting voor publiek toegankelijke gebouwen 1. De burgemeester kan, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw – niet zijnde een seksinrichting – of een bij dat gebouw behorend erf, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht. 3. Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 4. Het is de rechthebbende op en de beheerder van het gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of de ruimte waarvoor een bevel als bedoeld in het eerste lid geldt, verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. 5.
Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw, erf, perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. 6. Op aanvraag van een belanghebbende kan: a. een sluiting voor onbepaalde duur door de burgemeester worden opgeheven, wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden; b. een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
WAS
WORDT
Toelichting: Het RIEC-Rotterdam adviseert de gemeenten binnen de eenheid Rotterdam om de APV ‘ondermijningsproof’ in te richten. In dit advies is het volgende opgenomen: “Het is een algemeen bekend feit, dat panden kunnen worden gebruikt voor het opslaan van drugs, wapens en andere voorwerpen die verband kunnen houden met zware georganiseerde criminaliteit. Zij kunnen ook worden gebruikt voor het verrichten van criminele handelingen, zoals het verbouwen van hennep of voor het witwassen van geld. Om die redenen is het van belang, dat de gemeente bevoegdheden kan aanwenden om deze vormen van ondermijnende criminaliteit te voorkómen. Dit artikel is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond van de APV of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende (openbare) inrichtingen, zoals horecabedrijven en seksinrichtingen, dan wel woningen op grond van artikel 174a Gemeentewet te sluiten. De burgemeester kan met behulp van dit artikel optreden wanneer in een voor het publiek openstaand gebouw strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed of wanneer ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op enigerwijze toestaan.
Gedacht kan worden aan garages, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus, winkels of afhaalgelegenheden zoals pizzeria’s of snackbars. De burgemeester moet onder andere bij zijn oordeel aansluiting zoeken bij de beschreven situaties van het artikel aangaande de exploitatie van een openbare inrichting. Verder geeft het artikel de burgemeester de mogelijkheid om op te treden, als er in of vanuit een pand (niet zijnde een woning) wordt gegokt, waarvoor geen toestemming is gegeven op grond van de Wet op de Kansspelen. Als sprake is van een illegale gokpand staat vast dat zonder meer sprake is van een aantasting van de openbare orde (in ruime zin te verstaan). Gokpanden die tevens als woning in gebruik zijn, kunnen niet op basis van dit APV-artikel worden gesloten. In het zesde lid van dit artikel wordt de mogelijkheid geboden, dat de burgemeester een sluiting voor (on)bepaalde duur op verzoek van een belanghebbende opheft. De burgemeester gaat daartoe in de regel alleen over op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en veiligheid in de omgeving van het pand gewaarborgd zijn. Hiervan is geen sprake als er geen wijzigingen plaatsvonden in de situatie die leidde tot een sluiting.” Artikel 2:81 (Tegengaan malafide ondernemersklimaat) Nieuw artikel -
Artikel 2:81 Tegengaan malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde
WAS
WORDT 2.
3.
4.
een woning die als zodanig in gebruik is. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, eerste lid, kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b.
indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; f. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet
WAS
WORDT 5.
6.
7.
milieubeheer. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. handelsregister bij de Kamer van Koophandel; c. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; d. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; e. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen als: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c.
de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
WAS
WORDT strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan. 8. Als een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of als één van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en i. van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden.
De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
WAS
WORDT toepassing.
Toelichting: Het RIEC-Rotterdam adviseert de gemeenten binnen de eenheid Rotterdam om de APV ‘ondermijningsproof’ in te richten. In dit advies is het volgende opgenomen: Drugshandel, witwassen, (belasting)fraude, illegaal gokken, underground banking en uitbuiting zijn voorbeelden van criminele (economische) activiteiten die de samenleving kunnen ondermijnen. De aanpak van deze vorm van (georganiseerde) criminaliteit is een bijzonder lastige taak. De verwevenheid van boven- en onderwereld, alsmede de verhulling van de criminaliteit, bemoeilijken de bestrijding daarvan. Deze vormen van criminaliteit zijn niet altijd zichtbaar, maar tasten de fundering van de wijk/het dorp aan. Ze bedreigen niet alleen de legale lokale economie, maar zorgen ook voor een onveilig, niet leefbaar woon- en ondernemersklimaat. Het risico bestaat dat malafide ondernemers zich vestigen in sectoren waar het toezicht van de overheid beperkter is. Daarnaast kennen de meeste gemeenten gebieden die fysiek, sociaal en economisch achterblijven. Deze delen van de gemeenten zijn extra vatbaar voor criminele ondermijnende activiteiten. Dit in combinatie met brancheverschraling, leegstand en een hoog verloop van ondernemers maakt dat de leefbaarheid onder druk staat.
Om het vestigingsklimaat voor ondernemers te verbeteren en de ondermijnende criminaliteit te bestrijden kennen veel gemeenten een (plan van) aanpak van ondermijning. Dit betreft een integrale aanpak bestaande uit een combinatie van het stimuleren van positieve ontwikkelingen en het voorkomen, signaleren en terugdringen van ondermijning/ondermijnende criminaliteit. Zo worden kwetsbare straten weer in hun kracht gezet, waarbij wordt gestuurd op kwalitatief goed ondernemerschap. Om de aanpak van ondermijning te versterken, is in de Handreiking Regionaal Model APV Ondermijningsproof een artikel opgenomen gericht op het stimuleren van een gezond ondernemingsklimaat. Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om via een aanwijzing een vergunningplicht te introduceren voor panden, straten, gebieden of branches om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan. Uit juridisch wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de gemeenteraad bevoegd is op grond van de autonome verordenende bevoegdheid om openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht. Het betreft hier geen vergunning in het belang van economische ordening, maar primair in het belang van openbare orde en veiligheid. Om die reden is de bevoegdheid belegd bij de burgemeester.
De mogelijkheid tot het instellen van een vergunningplicht voor ondernemers is een van de instrumenten voor de bestrijding van malafiditeit in het ondernemerschap. De gemeente kan controle uitoefenen op de naleving van de gestelde voorwaarden en handhaven bij overtreding. Van de mogelijkheid om een vergunningplicht te introduceren gaat bovendien een preventieve werking uit. Dit draagt bij aan het aantrekken van bonafide ondernemers en het weren van malafide ondernemers. Pandeigenaren worden zo gestimuleerd hun verantwoordelijkheid te nemen om bonafide ondernemers in hun panden te vestigen. Ook kan bij de aanvraag voor een vergunning de Wet Bibob worden ingezet. In 2013 is het toepassingsbereik van de Wet Bibob uitgebreid naar alle gemeentelijke vergunningen die worden afgegeven voor een bedrijfsmatige activiteit. Het instrument van een vergunningplicht is overigens niet ongebruikelijk in een gemeente. Zo geldt voor horecainrichtingen een vergunningplicht, waarbij aan vergelijkbare voorwaarden wordt getoetst. Het gaat dan ook om voorwaarden waarvan in beginsel van ondernemers kan worden geëist dat zij daar aan voldoen. Eerste lid
WAS
WORDT
De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant moet er uiteindelijk altijd tenminste één natuurlijke persoon zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV. Al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke bedrijven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven. Tweede lid De systematiek van dit artikel gaat uit van een pand-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, worden zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden daarbij.
Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De vergunning wordt op grond van het artikel met betrekking tot de geldigheidsduur van de vergunning of ontheffing, verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit.
De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet door deze bijvoorbeeld na concrete incidenten (strafbare feiten) van toepassing te verklaren op het pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie in dat pand de leefbaarheid of openbare orde onder druk staat (repressieve aanwijzing). Daar waar strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet intrinsiek gemotiveerd is om mee te werken aan de bestrijding hiervan, biedt een pandsgewijze vergunningplicht soelaas. De vergunningplicht is dan direct van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Daarmee kan maatwerk worden geboden, en worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken. Een aanwijzing die specifiek op een bepaald pand is gericht, kan dan juist proportioneel en gerechtvaardigd zijn. Als sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche of gebied kan op grond van het APVartikel een vergunningplicht voor een branche of gebied worden ingevoerd. Een aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben, maar het gebied waarvoor een bepaalde branche wordt aangewezen, kan ook de gehele gemeente beslaan. Bij een aanwijzing van een branche wordt gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden.
Tot slot kunnen (op voorhand) straten of gebieden aangewezen worden (preventieve aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing geldt voor gevestigde en nieuwe ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit kan gerechtvaardigd zijn nu de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden waar de leefbaarheidsproblemen het grootst zijn en de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Het belang van de verbetering van de situatie in de gehele straat of het gebied kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen pand verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak. De burgemeester wijst een pand, gebied of een bedrijfsmatige activiteit uitsluitend aan als in dat gebied, dan wel door de wijze van exploitatie van het pand of door de bedrijfsmatige activiteiten, naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig wordt beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren. Derde lid
WAS
WORDT
In het derde lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw, straat of gebied zonder vergunning van de burgemeester bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten beschreven waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Vierde en zevende lid De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in de artikelen: ‘Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing’ en ‘Weigeringsgronden’. In deze leden staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet. Als de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften of -beperkingen niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken.