Treasurystatuut 2021.pdf
Tekst van het document
FM2000/0251-M; Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Geldleningen kunnen door openbare lichamen slechts worden aangegaan of verstrekt en de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de betaling van rente en aflossing kan door openbare lichamen slechts worden gegarandeerd, indien de wederzijdse betalingsverplichtingen zijn uitgedrukt in euro of in één van de nationale munteenheden van de lidstaten van de Europese Unie die deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie. Artikel 2 Geldleningen kunnen door openbare lichamen slechts worden aangegaan of verstrekt en de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de betaling van rente en aflossing kunnen door openbare lichamen slechts worden gegarandeerd, indien de hoofdsom niet onderhevig is aan enige vorm van indexatie. Artikel 3 Dit besluit is niet van toepassing op: a. geldleningen met een gemiddelde looptijd korter dan 10 jaar die zijn aangegaan voor de inwerkingtreding van dit besluit en waarvan de hoofdsom onderhevig is aan enige vorm van indexatie; b. de voor de inwerkingtreding van dit besluit gegarandeerde nakoming van verplichtingen ten aanzien van de betaling van rente en aflossing voortvloeiend uit geldleningen, met een gemiddelde looptijd korter dan 10 jaar en waarvan de hoofdsom onderhevig is aan enige vorm van indexatie; c.
geldleningen die zijn verstrekt voor de inwerkingtreding van dit besluit. Artikel 4 Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de Wet financiering decentrale 28
overheden in werking treedt. Artikel 5 Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 14 december 2000
29
Bijlage 6 Regeling uitzetting en derivaten decentrale overheden
Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden Geldend van 30-12-2014 t/m heden Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden De Minister van Financiën; Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; Gelet op artikel 2, tweede lid, van de Wet financiering decentrale overheden, Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. b.
de wet: de Wet financiering decentrale overheden; lidstaat: staat die lid is van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; c. financiële onderneming: een onderneming die in een lidstaat het bedrijf van bank mag uitoefenen, beleggingsdiensten mag verlenen, beleggingsinstellingen mag beheren, rechten van deelneming in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden, of het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen. d. solvabiliteitsratio: het in een lidstaat voor een financiële onderneming voorgeschreven minimumniveau aansprakelijk vermogen tegenover aangehouden naar risicograad gewogen activum; e. vastrentende waarden: openbare en onderhandse leningen; f. nazorgfondsen: fondsen als bedoeld in artikel 15.47 van de Wet Milieubeheer. g. rating: taxatie van de kredietwaardigheid van een financiële onderneming of een land, bepaald door een ratingbureau; h. nettingovereenkomst: een overeenkomst op grond waarvan de wederzijdse verplichtingen tussen partijen verrekend worden waardoor wordt bepaald wat de ene partij per saldo aan de andere partij verschuldigd is; i. waardepapieren: documenten met een geldswaarde, zoals een bewijs van een aandeel of obligatie; k.
rentecap: financieel derivaat waarbij de koper gedurende een in de overeenkomst overeengekomen renteperiode van de verkoper een geldsom ontvangt indien de variabele rente zich boven een overeengekomen rentepercentage beweegt; l. renteswap: financieel derivaat waarbij gedurende een overeengekomen periode kasstromen in de vorm van rentebetalingen worden uitgewisseld; m. payer swap: renteswap waarbij de betaler een vaste rente over de nominale waarde betaalt en een variabele rente over de nominale waarde ontvangt; n. receiver swap: renteswap waarbij de betaler een variabele rente over de nominale waarde betaalt en een vaste rente over de nominale waarde ontvangt; o. forward starting swap: payer- of receiver swap met een overeengekomen toekomstige begindatum; p. swaption: financieel derivaat dat de koper gedurende een bepaalde periode of op een bepaald moment het recht geeft om onder bepaalde voorwaarden een renteswap af te sluiten; q. niet-effectieve positie: situatie waarin de looptijd en de onderliggende waarde van een financieel derivaat niet overeenkomt met de financieringsbehoefte waaraan het derivaat wordt toegerekend;
30
r.
financieringsbehoefte: een lening, groep leningen of een nog aan te trekken lening respectievelijk groep leningen.
Artikel 2 1. Openbare lichamen zetten, al dan niet tegen waardepapieren, slechts uitgezonderde middelen, bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van de wet uit bij en gaan slechts verbintenissen met betrekking tot financiële derivaten aan met financiële ondernemingen die: a. gevestigd zijn in een lidstaat die ten minste beschikt over een AA-rating afgegeven door ten minste twee ratingbureaus; en b. voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren kunnen aantonen dat ze ten minste over een A-rating beschikken, afgegeven door ten minste twee ratingbureaus. 2. Het eerste is niet van toepassing op uitzettingen tegen waardepapieren waarvoor een solvabiliteitsratio van 0 procent geldt. Artikel 2a 1. Openbare lichamen gaan geen leningen aan met het enkele doel de aangetrokken gelden tegen een hoger rendement uit te zetten. 2. Openbare lichamen zetten tijdelijk overtollige gelden van aangetrokken leningen voor projectfinanciering uitsluitend uit bij de financiële onderneming waar deze leningen zijn aangegaan, onverminderd artikel 2, eerste en tweede lid. 3. Indien een openbaar lichaam een nettingovereenkomst heeft afgesloten met een financiële onderneming met betrekking tot het uitzetten van tijdelijk overtollige gelden van aangetrokken leningen voor projectfinanciering als bedoeld in het tweede lid, is artikel 2, eerste en tweede lid, niet van toepassing.
Artikel 3 Openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de wet, zetten uitsluitend gelden uit in de vorm van: a. producten waarbij de hoofdsom tenminste aan het einde van de looptijd intact is, uitgezet bij een instelling die voldoet aan artikel 2; b. vastrentende waarden, uitgegeven door een instelling die voldoet aan artikel 2. Artikel 3a 1. Nazorgfondsen mogen, in afwijking van artikel 3, gelden uitzetten in de vorm van beleggingen in aandelen die genoteerd zijn aan een van overheidswege toegelaten effectenbeurs en in onroerend goedfondsen die genoteerd zijn aan een van overheidswege toegelaten effectenbeurs, mits zeker wordt gesteld dat de hoofdsom, gecorrigeerd voor inflatie, ten minste aan het einde van dertig jaar intact is door middel van: a. vastrentende waarden, uitgegeven door een instelling die voldoet aan artikel 2, of b. overige uitzettingen tegen rente bij een instelling die voldoet aan artikel 2. 2. Voor de bepaling van het gedeelte van de portefeuille dat aangehouden moet worden in de vorm van uitzettingen als bedoeld in het eerste lid onder a en b, geldt een nominale rekenrente van 5% en een inflatiecorrectie van 2%.
31
Artikel 4 1. Openbare lichamen hanteren financiële derivaten uitsluitend ter beperking van financiële risico’s en nemen geen niet-effectieve positie in. 2. Financiële derivaten worden door openbare lichamen uitsluitend afgesloten met een financiële onderneming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of op een gereglementeerde markt, bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, in een van de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. 3. Openbare lichamen hanteren uitsluitend rentecaps, payer swaps, forward start payer swaps of swaptions. 4. Bijstortverplichtingen worden alleen overeengekomen indien de bijstortverplichting op beide partijen of uitsluitend op de financiële onderneming rust. 5. Indien een niet-effectieve positie ontstaat, nemen openbare lichamen de noodzakelijke maatregelen om deze binnen een redelijke termijn ongedaan te maken. Hiervoor kan een openbaar lichaam, in afwijking van het derde lid, een receiver swap hanteren. Artikel 5 Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de Wet financiering decentrale overheden in werking treedt. Artikel 6 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden.
De Minister van Financiën, G. Zalm
32
Bijlage 7 Regeling schatkistbankieren decentrale overheden
Regeling schatkistbankieren decentrale overheden Geldend van 30-10-2019 t/m heden Regeling van de Ministers van Financiën, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Infrastructuur en Milieu van 5 december 2013 houdende de vaststelling van regels ter uitvoering van het verplicht schatkistbankieren voor decentrale overheden (Regeling schatkistbankieren decentrale overheden) De Ministers van Financiën, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Infrastructuur en Milieu, Gelet op artikel 2, vierde lid, en artikel 2b, tweede en derde lid, van de Wet financiering decentrale overheden; Besluiten: Artikel 1.
Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: actuele marktwaarde: de waarde die kan worden berekend aan de hand van de actuele marktrente van de resterende looptijden van de toekomstige kasstromen (rente en aflossing) van een deposito; Agentschap: het Agentschap van de Generale Thesaurie van het ministerie van Financiën; basispunt: een honderdste van een procent (0,01%); borgstelling: het recht van een derde partij om op eerste afroep te kunnen beschikken over een maximaal overeengekomen bedrag van een openbaar lichaam die middelen in rekening-courant bij ’s Rijks schatkist aanhoudt; deposito: het creditbedrag op een aan de rekening-courant gekoppelde rekening, waarover een vooraf vastgestelde rente wordt vergoed en waarover gedurende een vooraf vastgestelde periode door het openbaar lichaam niet vrij beschikt kan worden; daggeldrente: de dagelijkse vaststelling door de Europese Centrale Bank van de rente waartegen gemiddeld genomen overnight en zonder onderpand liquiditeiten zijn geleend in de eurogeldmarkt (EONIA, afgerond op 2 decimalen); DSL-rente: de dagelijks door een door de minister van Financiën aangewezen elektronisch handelsplatform vastgestelde rentes voor Nederlandse staatsleningen (Dutch State Loans) van verschillende looptijden; DTC-rente: de dagelijks door een door de minister van Financiën aangewezen elektronisch handelsplatform vastgestelde rentes
voor Nederlands schatkistpapier (Dutch Treasury Certificates) van verschillende looptijden; intradaglimiet: het maximum bedrag dat gedurende de dag rood mag worden gestaan op de tussenrekening; rekening-courant: de rekening-courant bij het ministerie van Financiën; tussenrekening: de rekening die het openbaar lichaam aanhoudt bij een bank via welke de zero-balancing plaatsvindt; de wet: de Wet financiering decentrale overheden; zero-balancing: de aanzuivering dan wel de afroming van de tussenrekening ten laste dan wel ten gunste van de rekening-courant. Artikel 2. De tussenrekening 1. Het openbaar lichaam heeft op eigen naam een tussenrekening bij een of meer banken.
33
2. Het openbaar lichaam verstrekt aan de staat een machtiging voor de tussenrekening waarmee de staat de zero-balancing kan uitvoeren. Hiertoe ondertekent het openbaar lichaam de bankmachtiging zoals die door de staat ten behoeve van de betreffende bank is opgesteld. 3. De tussenrekening kent een door het openbaar lichaam, in overleg met de staat, vast te stellen intradaglimiet. 4. De tussenrekening mag door het openbaar lichaam alleen voor het doel van zerobalancing worden gebruikt. De minister van Financiën kan een openbaar lichaam toestaan om de tussenrekening ook voor andere doelen dan zero-balancing te gebruiken. 5. Transacties ten laste en ten gunste van de tussenrekening worden door openbare lichamen bij voorkeur niet later dan 15.30 uur verricht. 6. Alle kosten verbonden aan de tussenrekening die banken in rekening brengen bij het openbaar lichaam komen voor rekening van het openbaar lichaam. Artikel 3. De rekening-courant 1. De staat opent op naam van het openbaar lichaam een rekening-courant, waarop het openbaar lichaam de krachtens artikel 2 van de wet bedoelde middelen aanhoudt. 2. De staat is verantwoordelijk voor de verwerking van de mutaties op de rekening-courant. 3. Een debetstand in rekening-courant is niet toegestaan. Artikel 4. Deposito 1. Een openbaar lichaam kan aan de rekening-courant een depositorekening koppelen. 2.
De looptijd van een deposito is minimaal gelijk aan 2 dagen en maximaal gelijk aan 30 jaar. 3. Het vervroegd laten vrijvallen van een deposito is uitsluitend mogelijk indien de middelen, of een deel daarvan, benodigd zijn voor het uitoefenen van de publieke taak bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet. Het vervroegd laten vrijvallen gebeurt tegen de actuele marktwaarde, die wordt berekend overeenkomstig de berekening die is opgenomen in bijlage 1 bij de Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden. Artikel 5. De modelovereenkomst 1. De modelovereenkomst, bedoeld in artikel 2b, tweede lid, van de wet, is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. 2. De staat gebruikt de informatie waarover zij uit hoofde van de rekeningcourantovereenkomst beschikt uitsluitend ten behoeve van de uitvoering van de rekeningcourantovereenkomst en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. Artikel 6. Rente 1. Over de in rekening-courant aangehouden middelen wordt de daggeldrente vergoed. 2.
Over een deposito wordt een rente vergoed waarvan de hoogte afhankelijk is van de looptijd van het deposito, waarbij geldt dat voor een deposito met een looptijd van maximaal 12 maanden een rente wordt vergoed die gelijk is aan de bij die looptijd horende DTC-rente, en voor een deposito met een looptijd van meer dan 12 maanden een rente wordt vergoed die gelijk is aan de bij die looptijd horende DSL-rente. 3. Indien de rente, bedoeld in het eerste en tweede lid, negatief is, wordt de betreffende rente 34
gelijk gesteld aan nul. 4. Over een debetstand in de rekening-courant wordt een rente in rekening gebracht die gelijk is aan de daggeldrente, vermeerderd met een boete van 100 basispunten. Indien de daggeldrente negatief is, wordt de rente gelijk gesteld aan 100 basispunten. 5. Bij de berekening van rente wordt, indien de overeengekomen rentevastperiode maximaal gelijk is aan een jaar, de periode waarop de rente betrekking heeft op het juiste aantal dagen gesteld en het jaar op 360 dagen gesteld (‘actual/360’). Indien de overeengekomen rentevastperiode minimaal gelijk is aan een jaar en een dag worden zowel het jaar als de periode waarop de rente betrekking heeft op het juiste aantal dagen gesteld, resulterend in de formule ‘actual/actual’. Artikel 7. Uitgezonderde middelen 1. Uitgezonderd van de verplichting om in ’s Rijks schatkist te worden aangehouden, zijn: a. middelen voor zover deze, gerekend over een kwartaal gemiddeld het drempelbedrag, bedoeld in het tweede lid, niet te boven gaan; b. middelen aangehouden in de fondsen, bedoeld in artikel 15.47 van de Wet milieubeheer; c. middelen op een G-rekening als bedoeld in artikel 1, onder k, van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004. 2. Het drempelbedrag, genoemd in het eerste lid, onder a, wordt bepaald op basis van het begrotingstotaal van het openbaar lichaam.
Voor openbare lichamen met een begrotingstotaal kleiner of gelijk aan € 500 miljoen is het drempelbedrag gelijk aan 0,75% van het begrotingstotaal, waarbij het drempelbedrag minimaal € 250.000 bedraagt. Voor openbare lichamen met een begrotingstotaal groter dan € 500 miljoen is het drempelbedrag gelijk aan € 3,75 miljoen, vermeerderd met 0,2% van het deel van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat. Artikel 8. Borgstelling De minister van Financiën kan een borgstelling voor derden toestaan op middelen die een openbaar lichaam in ’s Rijks schatkist aanhoudt, mits het openbaar lichaam daartoe een verzoek heeft ingediend en de middelen, die het in ’s Rijks schatkist aanhoudt, toereikend zijn. Artikel 9. Uitzonderingen 1. De minister van Financiën kan een openbaar lichaam op diens verzoek uitzonderen van de verplichting, bedoeld in artikel 2, indien sprake is van een van de volgende omstandigheden: a) Het openbaar lichaam beschikt niet over een eigen bankrekening; b) Het openbaar lichaam houdt de krachtens artikel 2 van de wet bedoelde middelen op de rekening-courant van een ander openbaar lichaam in ’s Rijks schatkist aan. 2. Een lijst van de openbare lichamen die zijn uitgezonderd op grond van het eerste lid wordt gepubliceerd op de website van het Agentschap.
Een openbaar lichaam dat is uitgezonderd op grond van het eerste lid stelt het Agentschap zo spoedig mogelijk op de hoogte van wijzigingen in de omstandigheden op grond waarvan de uitzondering is verleend. Artikel 10. Overgangsbepalingen 1. Voor het kwartaal waarin deze regeling in werking treedt, geldt dat het bedrag aan middelen dat openbare lichamen op grond van artikel 7, eerste lid, buiten ’s Rijks schatkist 35
mogen aanhouden niet wordt berekend over het hele kwartaal, maar over 31 dagen. 2. Middelen op een direct opvraagbare spaarrekening waarvoor is bepaald dat over een minimum saldo gedurende een bepaalde periode de financiële instelling waarbij de spaarrekening wordt aangehouden een bonusrente vergoedt (bonusspaarrekeningen) zijn uitgezonderd van de verplichting om deze in ’s Rijks schatkist aan te houden tot 31 december 2013. 3. De minister van Financiën kan een openbaar lichaam dat naar verwachting kort na de inwerkingtreding van deze regeling ophoudt te bestaan een uitzondering verlenen als bedoeld in artikel 9, eerst lid. Daarnaast kan de minister van Financiën de middelen van dit openbaar lichaam voor een bepaalde periode uitzonderen van de verplichting om deze in ’s Rijks schatkist aan te houden. Artikel 11. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip dat de wet tot wijziging van de Wet financiering decentrale overheden in verband met het rentedragend aanhouden van liquide middelen in ’s Rijks schatkist (verplicht schatkistbankieren) in werking treedt. Artikel 12. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling schatkistbankieren decentrale overheden. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A.
Plasterk De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus Bijlage behorend bij artikel 5 van de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden De modelovereenkomst Rekening-courant overeenkomst TUSSEN <<Naam openbaar lichaam>> EN DE STAAT DER NEDERLANDEN De partijen: I.
De staat der Nederlanden (ministerie van Financiën, Agentschap van de Generale Thesaurie), rechtsgeldig vertegenwoordigd door << Naam agent, agent >> (hierna te noemen: de staat); II. De << Naam openbaar lichaam >>, zijn zetel hebbende te << Naam statutaire vestigingsplaats>>; overwegende dat: a. op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet financiering decentrale overheden het openbaar lichaam zijn liquide middelen dient aan te houden in ’s Rijks schatkist; b. het aanhouden van de middelen in de schatkist kan plaatsvinden in de vorm van een 36
rekening-courant of deposito als bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden; c. de staat op naam van het openbaar lichaam één of meerdere rekeningen-courant zal openen, die wordt gekoppeld aan één of meerdere tussenrekeningen, zoals bedoeld in artikel 2 van de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden, van het openbaar lichaam; d. het openbaar lichaam op grond van artikel 2b, tweede lid, van de Wet financiering decentrale overheden een rekening-courantovereenkomst met de staat der Nederlanden heeft. komen het volgende overeen: Artikel 1. Definities In deze overeenkomst wordt verstaan onder: actuele marktwaarde: de waarde die kan worden berekend aan de hand van de actuele marktrente van de resterende looptijden van de toekomstige kasstromen (rente en aflossing) van een deposito; creditsaldo: een positief saldo op de rekening-courant; debetsaldo: een negatief saldo op de rekening-courant; deposito: het creditbedrag op een aan de rekening-courant gekoppelde rekening, waarover een vooraf vastgestelde rente wordt vergoed en waarover gedurende een vooraf vastgestelde periode door de rechtspersoon niet vrij beschikt kan worden; kredietlimiet: het overnight maximaal toegestane debetsaldo op de rekening-courant; intradaglimiet: het gedurende een werkdag maximaal toegestane debetsaldo op de tussenrekening; regeling: de Regeling
schatkistbankieren decentrale overheden; rekening-courant: de rekening bedoeld in artikel 3 van de Regeling die het openbaar lichaam aanhoudt bij de staat, waarop de dagelijkse inkomsten en uitgaven worden bijgehouden; tussenrekening: de rekening, bedoeld in artikel 2 van de Regeling, via welke de zerobalancing plaats vindt en die het openbaar lichaam aanhoudt bij een bank; valutadatum: de dag waarop een in de rekening-courant geboekt bedrag voor het eerst meeloopt in de renteberekening van de staat; werkdag: kalenderdagen, behoudens weekenden, algemeen erkende feestdagen en dagen waarop in Nederland geen giraal betalingsverkeer mogelijk is, waarop de overeengekomen werkzaamheden zullen worden verricht; zero-balancing: het aanzuiveren dan wel afromen van de tussenrekening ten laste dan wel ten gunste van de rekening-courant. Artikel 2. Zero-balancing 1. Na afloop van iedere werkdag draagt de staat er zorg voor dat het saldo op de tussenrekening gereguleerd wordt naar nul door afschrijving van de rekening-courant of aanvulling op de rekening-courant. Artikel 3. Kredietlimiet 1. De kredietlimiet op de rekening-courant is EUR 0. 2. Indien het openbaar lichaam de kredietlimiet overschrijdt, is het openbaar lichaam in verzuim zonder dat daartoe een ingebrekestelling nodig is. Van de vaststelling van het verzuim stelt de staat het openbaar lichaam onverwijld in kennis.
De overschrijding van de kredietlimiet wordt door het openbaar lichaam binnen een termijn van vijf werkdagen opgeheven. Gedurende de periode waarin de kredietlimiet wordt overschreden is over het bedrag van de overschrijding rente met boete verschuldigd conform artikel 6, vierde lid, van de regeling. 3. De staat is gerechtigd om de intradaglimiet op de tussenrekening te verlagen tot EUR 0 nadat de termijn van vijf werkdagen zoals bedoeld in het tweede lid is verstreken. De
37
staat stelt het openbaar lichaam onverwijld in kennis van de verlaging. Eventuele kosten die de bank in rekening brengt voor de verlaging van de intradaglimiet zijn voor rekening van het openbaar lichaam. Artikel 4. Rente rekening-courant 1. De staat vergoedt aan het openbaar lichaam creditrente over creditsaldi op de rekening-courant conform artikel 6, eerste lid, van de regeling. Het openbaar lichaam vergoedt aan de staat debetrente over debetsaldi op de rekening-courant conform artikel 6, vierde lid, van de regeling. 2. Verschuldigde creditrente wordt verrekend met verschuldigde debetrente. 3. De rente die verschuldigd is na de verrekening, bedoeld in het tweede lid, wordt verrekend op de rekening-courant per de eerste kalenderdag na afloop van het kwartaal waarop de rente betrekking heeft. 4. De staat stelt na afloop van ieder kwartaal een rentenota elektronisch aan het openbaar lichaam beschikbaar. Artikel 5. Deposito’s 1. Bij voldoende creditsaldo op de rekening-courant kan het openbaar lichaam bij de staat deposito’s plaatsen. 2. Het openbaar lichaam kan de staat verzoeken zijn rekening-courant te debiteren voor het plaatsen van een deposito. Hiertoe maakt het openbaar lichaam gebruik van de hiervoor door het Agentschap aangeboden internetfaciliteit. 3. De staat vergoedt het openbaar lichaam rente over een deposito overeenkomstig artikel 6, tweede lid, van de regeling.
4. De rente wordt jaarlijks op de rentevervaldatum van het deposito uitgekeerd, of, als deze dag geen werkdag is, op de eerstvolgende werkdag. De rente over een deposito dat niet afloopt op een rentevervaldatum, wordt uitgekeerd op de afloopdatum van het deposito. De staat schrijft op de afloopdatum het bedrag van de rente en het deposito bij op de rekening-courant. 5. Bij voortijdige beëindiging van een deposito schrijft de staat het op grond van artikel 4, derde lid, van de regeling verschuldigde bedrag bij op de rekening-courant op de door het openbaar lichaam gevraagde dag. Artikel 6. Informatievoorziening en geheimhouding 1. De staat stelt rekeningafschriften van de rekening-courant elektronisch aan het openbaar lichaam beschikbaar. 2. De staat gebruikt de informatie over de rekening-courant en deposito’s uitsluitend ten behoeve van de uitvoering van deze overeenkomst en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. 3. Het openbaar lichaam geeft op verzoek van de staat desgevraagd tijdig informatie over verwachte uitgaven ten laste van de rekening-courant of ontvangsten ten gunste van de rekening-courant indien deze op een werkdag tezamen EUR 50 miljoen of meer bedragen. 4. Het openbaar lichaam controleert, voor zo ver mogelijk, of door of namens het openbaar lichaam gegeven opdrachten door de staat juist en volledig zijn uitgevoerd.
Bij constatering van een onjuistheid of onvolledigheid brengt het openbaar lichaam de staat daarvan zo spoedig mogelijk in kennis, waarna de staat, bij akkoordbevinding, een correctie zal uitvoeren. Artikel 7. Toepasselijk recht; geschillen 1. Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing. 2. Eventuele geschillen tussen partijen die voortvloeien uit of verband houden met deze overeenkomst, worden aanhangig gemaakt bij de bevoegde rechter te Den Haag, tenzij partijen alsnog arbitrage of bindend advies overeenkomen.
38
Artikel 8. Inwerkingtreding De verplichtingen in deze overeenkomst gaan in op de tweede werkdag na ontvangst van de overeenkomst door het openbaar lichaam, maar niet eerder dan de dag waarop de regeling in werking is getreden. Aldus opgemaakt, te Den Haag op <<datum>> DE MINISTER VAN FINANCIËN, namens deze: << naam agent >> De agent
Bijlage Tariefstructuur rekening-courant en deposito’s
Rekening-courant Voorwaarde:
Creditsaldo: geen minimum saldo Debetsaldo: niet van toepassing
Renteniveau:
Zoals bepaald in de regeling
Renteconventie:
Dagtelling op basis van actual/360 Betaalbaarstelling respectievelijk inning van rente op de eerste kalenderdag van het kwartaal volgend op het kwartaal waarop de rente betrekking heeft
Kosten:
Geen
Deposito’s Voorwaarde:
Voor het plaatsen van een deposito moet er voldoende saldo staan op de rekening-courant. Het minimum bedrag voor het plaatsen van een deposito is EUR 10.000,–.
Looptijden:
2 dagen t/m 30 jaar
Renteniveaus:
Zoals bepaald in de regeling
Renteconventie:
<= 1 jaar: dagtelling op basis van actual/360 > 1 jaar: dagtelling op basis van actual/actual
Vervroegde opname:
Tegen marktwaarde, zoals bedoeld in artikel 4, derde lid, van de regeling.
Kosten:
Geen
39