CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Treasurystatuut 2021.pdf

Gemeenteraad GHG 25 maart 2021, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 18: Treasurystatuut - Raadsvoorstel12.412 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Treasurystatuut Gemeente Hardinxveld-Giessendam

Datum inwerkingtreding

dd-mm-2021

Inhoud

1 INLEIDING....................................................................................................................................... 1 1.1 Algemeen............................................................................................................................................... 1 1.2 Doel Treasurystatuut.............................................................................................................................. 2 1.3 Conformiteit financieringsstatuten binnen Drechtsteden.......................................................................2 1.4 Wettelijk kader........................................................................................................................................ 2 2 TREASURYBELEID........................................................................................................................ 4 2.1 Missie..................................................................................................................................................... 4 2.2 Doelstellingen......................................................................................................................................... 4 2.3 Taken, Richtlijnen en limieten................................................................................................................

5 2.4 Richtlijnen en limieten............................................................................................................................ 6 3 TREASURY ORGANISATIE.........................................................................................................10 3.1 Verantwoordelijkheden......................................................................................................................... 10 3.2 Bevoegdheden..................................................................................................................................... 11 3.3 Administratieve organisatie.................................................................................................................. 12 3.4 Planning & Control en overige informatievoorziening..........................................................................12 3.4.1 Overlegstructuren.............................................................................................................................. 12 3.4.2 P&C-documenten.............................................................................................................................. 13 3.4.3 Overige informatievoorziening..........................................................................................................14 4

Ingangsdatum............................................................................................................................... 15

Bijlage 1 Berekeningsboxen kwantitatieve normen Wet Fido.............................................................16 Bijlage 2 Overzicht lange- en korte termijn ratings..............................................................................17 Bijlage 3 Wet financiering decentrale overheden.................................................................................18 Bijlage 4 Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden......................................................23 Bijlage 5 Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden...............................................................27 Bijlage 6 Regeling uitzetting en derivaten decentrale overheden.......................................................29 Bijlage 7 Regeling schatkistbankieren decentrale overheden............................................................32

Treasurystatuut van de gemeente Hardinxveld-Giessendam 19 november 2020

2

1

INLEIDING

1.1 Algemeen Voor u ligt het Treasurystatuut van de gemeente Hardinxveld-Giessendam. De gemeente dient hierover te beschikken op grond van externe wetgeving (zie hierna onder 1.4) alsmede op grond van haar eigen Financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet. In dit Treasurystatuut wordt ingegaan op alle aspecten van de financiering van de gemeente. Financiering wordt ook wel gevat onder de term treasury. Hiervan kan de volgende definitie worden gegeven: Treasury is het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. Treasury gaat over alle aspecten die te maken hebben met de financiering en de kasstromen van een organisatie. Dit loopt van beleidsformulering tot en met de uitvoering van het betalingsverkeer. Centraal daarbij staat het financieren tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden en het daarbij afdekken van rente- en kredietrisico’s. De uitvoering van de treasuryfunctie is vanuit het basispakket dienstverlening opgedragen aan het Servicecentrum Drechtsteden (SCD). De gemeente blijft daarbij wel autonoom in het vaststellen van het treasurybeleid. Met uitzondering van enkele bevoegdheden die middels dit Financieringsstatuut aan de medewerkers van het SCD zijn toegewezen, verloopt de uitvoering van het treasurybeleid doorgaans via de volgende lijn:

1

1.2 Doel Treasurystatuut Dit Treasurystatuut (hierna: Statuut) heeft tot doel de beleidskaders aan te geven voor de uitvoering van de gemeentelijke treasuryfunctie. Het biedt daarmee de structuur waarbinnen de financiering en kasstromen worden beheerd opdat de kosten en risico’s zo veel mogelijk worden beperkt. Het treasurybeleid ondersteunt, als onderdeel van het financieel beleid, de uitvoering van de taken van de gemeente. Het Statuut maakt allereerst de doelstellingen van het treasurybeleid en -beheer duidelijk, geeft inzicht in de taakvelden en richtlijnen die bij in de uitvoering in acht moeten worden genomen. Vervolgens wordt de inrichting van de financieringsfunctie uiteengezet inclusief de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en informatievoorziening. 1.3 Conformiteit financieringsstatuten binnen Drechtsteden Vanwege efficiëntie en consistentie hebben de gemeenten in het Drechtstedengebied er voor gekozen eenzelfde format te hanteren. De gemeenten blijven wel volledig autonoom in de inhoudelijke invulling, zoals eigen uitgangspunten, richtlijnen, limieten en toedeling van bevoegdheden.

1.4 Wettelijk kader Naast bepalingen in de Gemeentewet (artikelen 212, 213 en 213a) wordt de belangrijkste wettelijke grondslag gevormd door de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) en de bijbehorende ministeriële regelingen: • Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (Ufdo); • Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden; • Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo) en • Regeling Schatkistbankieren decentrale overheden. Laatstgenoemde regeling vloeit voort uit de meest recente wijziging van de Wet fido in december 2013. De fido-wetgeving valt onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De Provincie Zuid-Holland fungeert voor de gemeente als toezichthouder op de naleving en uitvoering van deze wet. Het centrale uitgangspunt van de Wet fido is het bevorderen en transparant maken van een solide financieringsbeleid. In deze wet zijn dan ook bepalingen opgenomen over risicobeheer en transparantie. Hierbij komt de transparantie tot uitdrukking in voorschriften voor bijvoorbeeld een verplicht financieringsstatuut en in het afleggen van verantwoording door financieringsparagrafen in begroting en jaarrekening. Daarnaast is de Wet fido gericht op een beheersing van de risico’s die decentrale overheden lopen uit hoofde van hun financieringstaken. Dit betreffen rente-, koers-, krediet- en liquiditeitsrisico’s.

Deze risico’s worden hierna omschreven. De basis voor het beheersen van deze risico’s wordt in de Wet fido gevormd door enkele kwalitatieve en kwantitatieve normen. De kwalitatieve normen zijn:  Het aantrekken of uitzetten van middelen en het verstrekken of garanderen van leningen is alleen toegestaan voor de uitoefening van de publieke taak. In de Wet fido is omschreven dat de afbakening en reikwijdte van het begrip publieke taak niet in deze Wet plaatsvindt maar tot de autonomie van de decentrale overheden zelf behoort. Deze beoordeling is aan de Gemeenteraad.  Het uitzetten van tijdelijk overtollige middelen vindt plaats met inachtneming van de bepalingen omtrent het Schatkistbankieren. De kwantitatieve normen zijn vastgelegd in de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (Ufdo) en betreffen:  De kasgeldlimiet: een begrenzing van het bedrag waarmee een decentrale overheid haar financiële huishouding met kortlopende middelen mag financieren (bijvoorbeeld ‘rood’ staan 2

bij de bank of opgenomen kasgeldleningen). Voor gemeenten bedraagt de kasgeldlimiet 8,5% van het begrotingstotaal aan lasten.  De renterisiconorm: een begrenzing van de omvang van de renteherzieningen en herfinancieringen in enig jaar m.b.t. de lange financiering. Deze norm heeft tot doel om te komen tot een dusdanige spreiding van een leningenportefeuille in de tijd dat overmatige afhankelijkheid van het renteniveau in één bepaald jaar wordt voorkomen. De renterisiconorm voor een bepaald jaar bedraagt 20% van het begrotingstotaal aan lasten en geeft aldus inzicht in het budgettaire risico. Aanhakend op het door de Wet fido gemaakte onderscheid omvat dit Statuut zowel de korte termijn geldstromen (korter dan 1 jaar) als de lange termijn geldstromen (1 jaar of langer). Risico’s: Renterisico De gemeente loopt een renterisico indien zij in een bepaalde periode overmatig gevoelig is voor renteontwikkelingen. Dit risico kan voortkomen uit de financieringsstructuur (indien een organisatie te veel variabel gefinancierd is) of uit een niet goed in de tijd gespreide portefeuille aan langlopende leningen. Kredietrisico’s, Kredietrisico's ofwel het risico van niet-terugbetaling, kunnen zich voordoen bij uitzettingen (verstrekte geldleningen, beleggingen) of bij borgstellingen.

Liquiditeitsrisico Een liquiditeitsrisico, ook wel beschikbaarheidsrisico genoemd, is het risico dat de organisatie, in een situatie waarin dat nodig is, niet aan geldmiddelen kan komen. Gezien de kredietwaardigheid van decentrale overheden kan dit risico voor de gemeente van bescheiden betekenis worden geacht. Bovendien heeft de gemeente voor banken een zogenoemde solvabiliteitsvrije status, waardoor ze gemakkelijker krediet of financiering verschaffen. Koersrisico’s Koersrisico's zouden voor de gemeente aan de orde kunnen zijn indien zij in bezit is van langlopende obligaties en de noodzaak zou bestaan om deze voortijdig te verkopen. Gedurende de looptijd van de obligatie heeft deze nl. een koers afhankelijk van de stand van de actuele marktrendementen ten opzichte van het couponrendement, kredietkwaliteit van de uitgevende partij, restant looptijd e.d.

3

2

TREASURYBELEID

2.1 Missie De raad bepaalt wat de publieke taken van de gemeente zijn. Het treasurybeleid dient, als onderdeel van het financieel beleid, de uitvoering van de publieke taken te ondersteunen. 2.2 Doelstellingen Om hier invulling te geven kunnen de volgende doelstellingen worden onderkend: 1. Het opereren binnen de kaders zoals die gesteld zijn in de Wet fido en door de Gemeenteraad. Dit gaat vooral over de transparantie van de inrichting en uitvoering van de treasuryfunctie en het beheersen, beperken en spreiden van risico’s. Hiervan zijn de rente- en kredietrisico’s het meest relevant. 2. Het zorgdragen voor een effectief en efficiënt kas- en saldobeheer. Kasbeheer of kasmanagement zorgt voor inrichting van het betalingsverkeer 1 en regelt kredietlijnen2. Saldobeheer betreft alle werkzaamheden die te maken hebben met het reguleren van het direct opvraagbare banksaldo van de gemeente, zoals aanvullen of uitzetten. De treasuryfunctie draagt er daarbij zorg voor dat de gemeente altijd aan haar lopende verplichtingen kan voldoen. 3. Het zorgdragen voor een goed relatiebeheer. Relatiebeheer dan wel het opbouwen van een relatienetwerk is van belang voor:  Een duurzame toegang van de gemeente tot de geld- en kapitaalmarkten;  Het goed kunnen volgen en duiden van (product)ontwikkelingen op de financiële- en rentemarkten.

Een goed relatiebeheer draagt er bovendien aan bij dat transacties tegen de meest aantrekkelijke voorwaarden worden aangegaan. 4. Het minimaliseren van financieringskosten. De treasuryfunctie draagt zorg voor een optimale financiering. Dit wordt gebaseerd op kasstroominformatie zoals verstrekt vanuit gemeentelijke organisatieonderdelen. De treasury-activiteiten zijn erop gericht om de kosten voor aangetrokken financieringsmiddelen zoveel mogelijk te beperken. 5. Het voeren van een prudent beleid rond uitzettingen en derivaten. Opvattingen van de wetgever over prudentie worden strikt gevolgd. Bij eventuele uitzettingen wordt rekening gehouden met de wet- en regelgeving over Schatkistbankieren en ook bij het aanschaffen van derivaten wordt rekening gehouden met de voorzichtigheidsprincipes. Voor zover mogelijk wordt met financieringen of uitzettingen met een duurzaam karakter invulling gegeven aan de maatschappelijke doelstellingen van de gemeente.

1

2

Betalingsverkeer betreft de structuur van de bankrekeningen en de daarbij te gebruiken betaal-, ontvangst- en verwerkingsinstrumenten. (Resp. bijvoorbeeld batchverwerking, incasso en importbestanden voor het financieel systeem) Kredietlijnen betreffen afspraken met banken voor kortgeldfaciliteiten zoals een kredietlimiet.

4

6. Het realiseren van gedegen informatiestromen rond de treasuryfunctie. Vooraf is dit advisering en betrokkenheid bij de beleidsformulering. Dan zijn er informatiestromen rond de uitvoering. Tenslotte wordt er naar aanleiding van de uitvoering van het beleid relevante verantwoordingsinformatie verstrekt. 2.3 Taken, Richtlijnen en limieten Om de hierboven aangegeven doelstellingen te realiseren worden de volgende treasurytaken uitgevoerd:  Kas- en saldobeheer  Concernfinanciering  Risicobeheer  Relatiebeheer  Planning & Control  Advies en overig Kas- en saldobeheer Deze treasurytaak stuurt de bankrekeningenstructuur, het gebruik van verschillende betaalinstrumenten, de totale kosten van het betalingsverkeer en zorgt voor het reguleren van saldi op de diverse rekening-couranten. Verder wordt op basis van een korte liquiditeitenplanning het saldo middels dag- en kasgeld zoveel mogelijk naar nul gestuurd. Concernfinanciering De taak concernfinanciering zorgt voor de invulling van de lange termijn liquiditeitsbehoefte. De basis voor de lange financiering is een meerjarige liquiditeitenplanning. Een dergelijke planning bepaalt wanneer, hoeveel en hoelang financiering nodig is. Daarnaast kunnen speciale financieringsconstructies of de inzet van derivaten in de analyses betrokken worden.

De nadruk ligt op de optimalisatie van financieringskosten en op rendementen op uitgezette gelden. Risicobeheer Deze treasurytaak stuurt de financiële risico’s. Dit betreft hoofdzakelijk rente- en kredietrisico’s. Renterisicobeheersing is erop gericht om overmatige afhankelijkheid van een renteniveau in een bepaalde periode te vermijden middels het aanbrengen van een goede spreiding van de opgenomen leningen en/of uitzettingen. Kredietrisicobeheersing is gericht op het beoordelen van tegenpartijrisico’s bij uitzettingen en borgstellingen. Het risicobeheer komt tot uitdrukking in het identificeren en eventueel kwantificeren van risico’s en/of het adviseren over dan wel het (laten) vaststellen van beheersmaatregelen. Relatiebeheer De taak relatiebeheer heeft betrekking op het opzetten en onderhouden van een netwerk van relaties met banken, financiële instellingen en bemiddelende organisaties voor geld- en kapitaalmarkt. Daarnaast dienen er relaties in het ambtelijke circuit te worden onderhouden. Planning & control Binnen de treasurytaak planning & control worden mechanismen ingebouwd om de garantie te verkrijgen dat binnen de aangegeven kaders wordt gewerkt. De mechanismen die vooraf worden opgesteld, zijn onder te verdelen in het Financieringsstatuut en de financieringsparagraaf zoals opgenomen in de begroting.

Tussentijds vindt voortgangsoverleg plaats over de uitvoering van treasuryfunctie. Verantwoording hierover vindt uiteindelijk plaats in de financieringsparagraaf bij de jaarrekening. Eventueel verlangde externe rapportages op grond van de Wet fido worden ook onder deze taak begrepen.

5

Adviestaak Deze taak houdt in dat het SCD gevraagd en ongevraagd adviseert over financieringsaspecten en risico’s. Het SCD fungeert als expertisecentrum voor gemeentelijke organisatieonderdelen.

2.4 Richtlijnen en limieten Bij bovengenoemde treasurytaken worden de volgende richtlijnen en limieten gehanteerd: Kas- en saldobeheer Richtlijnen voor betalingsverkeer:  Er wordt gezorgd voor een efficiënte structuur van de bankrekeningen waarbij het aantal bankrekeningen dient te worden geminimaliseerd.  Deze bankrekeningenstructuur moet functioneren onder een optimaal gebruik van een electronic banking systeem voor ontvangsten en betalingen. Dit systeem laat zich kenmerken door betrouwbaarheid, praktische bruikbaarheid, beheersbaarheid en kostenminimalisatie.3.  Minimaal eens per 4 jaar wordt de huisbankier geëvalueerd. Hierbij wordt bezien of de tarieven voor de betaalinstrumenten concurrerend zijn met die van andere banken. Richtlijnen voor saldobeheer:  Het saldobeheer vindt plaats binnen de in de Wet fido geformuleerde bepalingen rond de kasgeldlimiet en het Schatkistbankieren. Mocht hier van afgeweken worden, wordt dit aan de raad voorgelegd.  Er wordt een actuele liquiditeitenplanning opgesteld waaruit duidelijk het verwachte verloop van de financieringsmiddelen op korte termijn blijkt (1 jaar). Uit de planning komt een beeld naar voren wanneer, hoeveel en voor hoelang financiering nodig is.

 De controller en/of de adviseur financiën zorgen voor een tijdige, juiste en volledige aanlevering van kasstroomgegevens aan de treasurer of senior medewerkers FA van het SCD.  Er wordt gezorgd voor beschikbaarheid van liquiditeit zodat de gemeente te allen tijde aan haar verplichtingen kan voldoen. Dit betekent dat: o Ter opvang van een incidentele korte-termijn liquiditeitsbehoefte bij de huisbankier een kredietlimiet zal aanhouden van maximaal 1,5x de kasgeldlimiet en o Zonodig aanvullende kredietfaciliteiten worden geregeld bij de GRD of de overige daaraan deelnemende gemeenten.  Het saldo in rekening-courant zal naar een ondergrens worden gestuurd met op te nemen kasgeld of uit te zetten deposito’s, dit met inachtneming van de bepalingen omtrent het Schatkistbankieren en rekening houdend met in dit Statuut genoemde wettelijke en eigen bepalingen.  Zolang geen of geen adequate liquiditeitenplanning voorhanden is mogen er slechts uitzettingen worden gedaan met een looptijd korter dan één jaar.  Bij het saldobeheer worden de saldi zodanig gestuurd dat het rendement wordt geoptimaliseerd, rekening houdend met de wet- en regelgeving omtrent het Schatkistbankieren.

 De gemeente onderschrijft het in Drechtstedenverband onderkende streven om elkaar onder zo voordelig mogelijke condities van middelen te voorzien, een en ander mits: o De omstandigheden en rentemarkten dit toestaan of mogelijk maken; o Dit aantoonbaar voor beide partijen voordeel oplevert en o Dit niet op gespannen voet staat met relevante wetgeving.

3

Kostenminimalisatie heeft betrekking op de interne verwerkings- en beheerskosten en de externe bankkosten (valutering, tarifering) die gepaard gaan met het beheren van de geldstromen en financiële posities.

6

Concernfinanciering Richtlijnen:  Er wordt een liquiditeitenplanning opgesteld waaruit duidelijk het verwachte verloop van de financieringsmiddelen blijkt. De planningshorizon hiervan is minimaal gelijk zijn aan de laatst vastgestelde meerjarenbegroting.  Lange-termijn financiering zal zoveel mogelijk worden aangetrokken of uitgezet op basis van de liquiditeitenplanning.  Objectfinanciering is toegestaan.  Aan de hand van de liquiditeitenplanning en in lijn met de bepalingen in de Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden zal er zo veel mogelijk naar worden gestreefd financiering niet eerder op te nemen dan dat de financiële middelen daadwerkelijk benodigd zijn.  Bij het opnemen van lange financiering zal de meerjarige ontwikkeling van het renterisico en van de schuldpositie in de gaten worden gehouden. Indien dat naar het oordeel van Treasury noodzakelijk is zal er vanuit deze laatste een signalering aan de gemeente worden afgegeven.  Het aantrekken van langjarige geldmiddelen vindt onder de voor de gemeente meest gunstige condities plaats door het opvragen van minimaal drie offertes, waarvan één bij de eigen huisbankier.  Voor het uitzetten van overtollige geldmiddelen geldt dat deze in principe in ’s Rijks Schatkist worden aangehouden. Uitgezonderd van de verplichting om in ’s Rijks Schatkist te worden aangehouden zijn: a.

middelen voor zover deze, gerekend over een kwartaal gemiddeld het drempelbedrag4 niet te boven gaan. b. Middelen aangehouden in de fondsen, bedoeld in artikel 15.47 van de wet Milieubeheer; c. Middelen op een G-rekening als bedoeld in artikel 1, onder k, van de Uitvoeringsregeling inleners-, keten- en opdrachtgeversaansprakelijkheid 2004;  In afwijking van voorgaande bepaling geldt dat openbare lichamen hun liquide middelen in de vorm van leningen kunnen uitzetten bij andere openbare lichamen, met dien verstande dat openbare lichamen geen leningen kunnen verstrekken aan openbare lichamen ten aanzien waarvan zij met het financiële toezicht zijn belast.  Gelden die uitgezonderd zijn van de verplichting om in ’s Rijks Schatkist te worden aangehouden of aan een ander openbaar lichaam zijn uitgeleend, mogen uitsluitend worden uitgezet bij financiële ondernemingen die: a. Gevestigd zijn in een lidstaat van de EER (Europese Economische Ruimte) die tenminste beschikt over een AA-rating afgegeven door ten minste twee ratingbureaus en b. Voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren kunnen aantonen dat ze tenminste over een AA- minusrating beschikken, afgegeven door tenminste twee ratingbureaus.

Indien gelden worden uitgezet of verbintenissen met betrekking tot financiële derivaten wordt aangegaan voor een periode van minder dan drie maanden, tonen deze financiële ondernemingen aan dat ze, in afwijking van bovengenoemde, voor henzelf of voor de door hen uitgegeven waardepapieren tenminste over een A-rating, afgegeven door tenminste twee ratingbureaus, beschikken. De financiële onderneming dient zelf bij een transactie aan te tonen dat zij of haar waardepapier over de juiste rating beschikt. Tevens dient de financiële onderneming de rating van het land waarin zij gevestigd is aan te tonen.

4

Het drempelbedrag wordt bepaald op basis van het begrotingstotaal van het openbaar lichaam. Voor openbare lichamen met een begrotingstotaal kleiner of gelijk vaan € 500 miljoen is het drempelbedrag gelijk aan 0,75 % van het begrotingstotaal, waarbij het drempelbedrag minimaal € 250.000 bedraagt. Voor openbare lichamen met een begrotingstotaal groter dan € 500 miljoen is het drempelbedrag gelijk aan € 3,75 miljoen vermeerderd met 0,2 % van het deel van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat.

7

Het gebruik van derivaten5 (rente-instrumenten) is alleen toegestaan voor het afdekken van financiële risico’s, het verminderen of verschuiven van renterisico’s. Uitgangspunt is dat de inzet van derivaten als ondersteuning dient bij het gebruik van de traditionele geld- en kapitaalmarktinstrumenten. Een voorgenomen inzet van derivaten zal ambtelijk worden voor-besproken en door de controller en/of treasurer met de portefeuillehouder Financiën worden afgestemd. De treasurer stelt een analyse op waarin de werking, de kosten en de risico's die verband houden met het betreffende rente-instrument inzichtelijk worden gemaakt en afgewogen tegen de toepassing van andere toegestane geld- en kapitaalmarktinstrumenten. Volgens de bepalingen van de Wet fido worden geen leningen of garanties verstrekt aan personeel en politieke ambtsdragers. De leningen verstrekt vóór 2006 kennen een afloop.

Risicobeheer Richtlijnen en limieten:  Het renterisicobeheer van de gemeente zal plaatsvinden binnen de in de Wet fido geformuleerde bepalingen rond de renterisiconorm.  Kredietrisico’s worden beperkt door overtollige geldmiddelen zoveel mogelijk uit te zetten bij de aan de GRD, de daaraan deelnemende gemeenten of andere openbare lichamen, rekening houdend met de wettelijke bepalingen omtrent het Schatkistbankieren.  Geldmiddelen die behoren tot de middelen die zijn uitgezonderd van de verplichting om in ’s Rijks Schatkist te worden aangehouden en die niet bij openbare lichaam kunnen worden geplaatst, mogen worden ondergebracht bij financiële ondernemingen of in financiële producten die minimaal voldoen aan de in de Wet fido gestelde prudentiecriteria. In aanvulling hierop geldt: o Bij uitzettingen voor een periode van 3 maanden of langer worden alleen bij een partij met de laagste wettelijk toegestane kredietkwaliteit als daaraan ten tijde van de uitzetting door Standard & Poors en/of Moody’s geen negatieve outlook is toegekend. o Bij uitzettingen voor een periode korter dan 3 maanden dienen tegenpartijen, naast de in de Wet fido geformuleerde minimale lang termijn ratings, te beschikken over korte-termijn ratings op A-1/P-1 niveau.

 De controller kan, in overleg met de wethouder Financiën, besluiten dat bij de treasury-uitvoering in een bepaalde periode een hoger prudentieniveau moet worden betracht dan omschreven in de Wet fido.  Borgstellingen kunnen door de gemeente uitsluitend worden verstrekt indien deze naar het oordeel van de gemeenteraad duidelijk een lokaal maatschappelijk belang dienen. De financiële risico’s die de gemeente daarbij loopt zullen worden beoordeeld en zoveel mogelijk middels het stellen van zekerheden of contragaranties worden afgedekt. 5

Toelichting m.b.t. derivaten: in de Van Dale wordt de term derivaat omschreven als 'iets dat afgeleid is'. In financiële wereld worden derivaten dan ook wel aangeduid als 'afgeleide financiële instrumenten'. Het betreft verhandelbare contracten ten aan zien van bepaalde rechten of verplichtingen met als onderliggende waarde een geldlening of belegging. Er bestaan twee soorten derivaten:  Fixerend, waarbij bijvoorbeeld een toekomstig rentepercentage wordt vastgelegd. Vanaf het tekenen van het contract is dus duidelijk wat er gaat gebeuren. De kosten zitten verrekend in het rentepercentage, er hoeft dus geen aanvullende premie te worden betaald. Voorbeelden: Forward Rate Agreement en Swap.  Afschermend, waarbij, tegen betaling van een premie, het risico op een nadelige renteontwikkeling wordt afgedekt. Deze derivaten hebben een optiekarakter: vanwege de betaalde premie verkrijgt men het recht om gedurende de contractlooptijd bijvoorbeeld nooit een hogere korte rente dan 3,7 % te hoeven betalen, ongeacht de geldende marktrente. Voorbeelden van afschermend derivaten: Cap, Floor en Swaption. Een voordeel van afschermende derivaten t.o.v. fixerende derivaten is dat bij deze de mogelijkheid bestaat om te profiteren van gunstige renteontwikkelingen. Bij fixerende derivaten kan dat niet meer, want die waarden zijn vastgesteld bij het aangaan van het contract.

Het spreekt voor zich dat bewust voor de ene of voor de andere positie wordt gekozen.

8

9

Relatiebeheer Richtlijnen:  Als onderdeel van de treasuryuitvoering wordt een netwerk opgezet en onderhouden met banken, financiële instellingen en bemiddelende organisaties op de geld- en kapitaalmarkten. Dit met het oog op de noodzakelijke kennis ten aanzien van economische ontwikkelingen, financiële partijen en –producten, renteontwikkelingen en rentevisies. Daarnaast kunnen zijn deze relaties behulpzaam zijn bij de toegang tot diverse financiële markten.  De treasurer of senior medewerkers FA van het SCD zullen de gemeente vanuit Drechtstedenperspectief zoveel mogelijk vertegenwoordigen in het collegiale netwerk van treasurers van 100.000+ gemeenten.  De gemeente zal, wanneer nodig, ambtelijke contacten onderhouden met o.a. Vereniging Nederlandse Gemeenten, Ministerie van Binnenlandse Zaken en met de Provincie Zuid-Holland. Laatstgenoemde is de toezichthouder wat betreft de uitvoering van de Wet fido. Planning & Control Richtlijnen:  Voor de begroting en jaarrekening wordt een financieringsparagraaf opgesteld. Voor de inhoud hiervan: zie paragraaf 3.4.2 P&C-documenten.  Op verzoek zullen door de treasurer of senior medewerkers FA van het SCD bijdragen worden geleverd voor tussentijdse rapportages.  Van elke aangegane transactie zal door de treasurer of senior medewerkers FA van het SCD een transactieoverzicht worden gemaakt.

In deze verantwoording komen de volgende zaken aan bod: o Een overzicht van de rentemarkt; o Een opsomming van de verkregen offertes (biedingen/latingen) en o De gemaakte keuze. Deze transactieoverzichten worden door de treasurer of senior medewerkers FA van het SCD aan de controller van de gemeente verstrekt.  Ter borging van de treasury-advisering en –uitvoering zal minimaal tweemaal per jaar overleg plaatsvinden tussen het SCD en de gemeente. Voor nadere uitwerking hiervan: zie paragraaf 3.4.1 Overlegstructuren.  Externe rapportages worden verzorgd voor zover vereist op grond van relevante weten regelgeving. Advies Richtlijn:  Gevraagd of ongevraagd advies zal altijd worden geleverd rekening houdend met de wettelijke en de in dit Statuut omschreven eigen richtlijnen en risicokaders.

10

3

TREASURY ORGANISATIE

Dit hoofdstuk gaat in op het organisatorische kader van de treasuryfunctie. Hierin wordt de (verdeling van) taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden over de gemeenteraad, het College van B en W en de ambtelijke organisatie geregeld. . 3.1 Verantwoordelijkheden Bij de treasuryfunctie kunnen de volgende verantwoordelijkheden worden onderscheiden, te weten: 1) de verantwoordelijkheden voor het beleid en

6

Waar wordt gerefereerd aan Senioren FA worden hieronder begrepen de daartoe door het Servicecentrum aangewezen senior medewerker(s) van de afdeling Financiën & Inkoop, team Financiële Administratie

11

3.2 Bevoegdheden Uit een aantal treasurytaken kunnen handelingen of zaken voortvloeien die de gemeente in rechte binden, zoals (financiële) transacties. Om die reden is een goede functiescheiding c.q. toedeling van bevoegdheden van belang. In de navolgende tabel wordt uiteengezet hoe die bevoegdheden binnen de gemeente Hardinxveld-Giessendam verdeeld zijn. Tabel C Bevoegdheden treasurytaken. Treasurytaak Kasen saldobeheer

Risicobeheer Concernfinan ciering

Bevoegdheid Het voeren van onderhandelingen inzake bancaire dienstverlening.

Autorisatie Treasurer/Senioren FA SCD (1)

Uitvoering Treasurer / Senioren FA SCD

Het aangaan van overeenkomsten

College van B en W

Het openen en sluiten van bankrekeningen

Treasurer/Senioren FA SCD (1) Treasurer/Senioren FA SCD Treasurer/Senioren FA SCD (1) College van B en W College van B en W

Treasurer / Senioren FA SCD Treasurer / Senioren FA SCD SCD, afdeling Financiën

Het verrichten van overboekingen ten behoeve van saldoregulatie (2) Het opnemen of uitzetten van middelen met een looptijd van minder dan 1 jaar (2) Het aangaan van rente-instrumenten Het afgeven van borgstellingen uit hoofde van de publieke taak (3) Het opnemen van middelen met een looptijd van 1 jaar of langer alsmede het voeren van onderhandelingen daarover. Het verstrekken van geldleningen uit hoofde van de publieke taak. (3) Het uitzetten van middelen een looptijd van 1 jaar of langer bij 's Rijks Schatkist of uit hoofde van treasury met een maximum van € 10 miljoen bij één tegenpartij alsmede het voeren van onderhandelingen daarover. Het beheer van de portefeuille van opgenomen of uitgezette langlopende middelen

Treasurer / Senioren FA SCD Treasurer SCD Controller

College van B en W

Treasurer SCD/Controller

College van B en W

Controller

College van B en W

Treasurer SCD/Controller

Treasurer / Senioren FA SCD (4)

Treasurer / Senioren FA SCD

Toelichting: (1) (2) (3) (4)

Verantwoording hierover achteraf aan Controller. Met inbegrip van overboekingen alsmede plaatsingen in en onttrekkingen aan 's Rijks Schatkist. Bij borgstellingen en verstrekte geldleningen uit hoofde van de publieke taak die het bedrag van € 250.000,- overschrijden wordt de gemeenteraad vooraf in de gelegenheid gesteld haar wensen en bedenkingen ter kennis van het College te brengen. Dit betreft handelingen die om tijdigheidsredenen aan de treasurer of aan de senior medewerkers FA van het SCD zijn gemandateerd. Bijvoorbeeld renteaanpassingen, cessietrajecten of wijziging van leningvorm.

De registratie van de in tabel C genoemde financieringstaken wordt verzorgd door de afdeling Financiën en het team Financiële Administratie van het SCD. Voor treasurytaken die niet in voorgaande tabel C zijn omschreven, geldt dat het autorisatieniveau te allen tijde bij het College van B en W ligt. De treasurer of de senioren FA van het SCD kunnen vooraf adviseren en uitvoeren na autorisatie door het College.

12

3.3 Administratieve organisatie De administratieve organisatie en interne controle op de treasury moeten waarborgen dat:  De uitvoering rechtmatig is;  De activiteiten adequaat uitgevoerd kunnen worden;  De risico’s kunnen worden beheerst;  De juistheid, tijdigheid en volledigheid van de informatie verzekerd is. Bij de treasury-activiteiten gelden de volgende voorwaarden: a) Iedere transactie wordt door minimaal twee functionarissen geautoriseerd. b) De uitvoering, registratie en controle geschieden door afzonderlijke functionarissen. Om bij betalingen die voortvloeien uit treasurytransacties de gewenste functiescheiding en interne controle te realiseren, zullen in het electronic bankingsysteem de 1e en 2e autorisatie worden geplaatst door anderen dan degene die de transactie heeft verricht. Verantwoording van de aangegane geldmarkttransacties zal plaatsvinden aan de controller. Dossiervorming. Voor de controle op de uitvoering van het financieringsbeleid leggen de treasurer of senior medewerkers FA van het SCD zorgvuldig dossiers aan van alle plannen, nota’s, besluiten en bescheiden die betrekking hebben op de uitvoering van de treasuryfunctie.

3.4 Planning & Control en overige informatievoorziening 3.4.1 Overlegstructuren Ter borging van de uitvoering van het treasurybeleid vindt minimaal tweemaal per jaar ambtelijk afstemmingsoverleg plaats tussen de gemeente en het SCD. Aan dit overleg nemen minimaal deel:  Namens de gemeente: de controller of adviseur Financiën;  Namens het SCD: de treasurer of senior medewerker FA. De bestuurlijke portefeuillehouder Financiën neemt waar nodig deel aan het overleg. Voor zover de portefeuillehouder Financiën niet bij een overleg aanwezig is zullen de ambtelijke deelnemers relevante zaken uit het overleg afstemmen. In dit overleg wordt in ieder geval aandacht besteed aan de liquiditeitenplanning en het verloop van de kortlopende middelen. Overige onderwerpen bij dit overleg kunnen bestaan uit lange financiering of – uitzettingen, de rentevisie, borgstellingen, beleidsadvies en overige relevante onderwerpen.

13

3.4.2 P&C-documenten Ten behoeve van zowel planning als het afleggen van verantwoording over de uitvoering van de financieringsfunctie van de gemeente worden de in onderstaande tabel weergegeven documenten opgesteld. Tabel D Matrix planning & control Document Omschrijvin Opsteller g Financieringsstatuut

Financieringsparagr aaf Tussentijdse rapportage

Beleidsdocumen t m.b.t. inrichting financieringsfunc tie t.b.v. begroting en jaarverslag Relevantie treasuryzaken t.b.v. o.a. marap (3)

Onder verantwoordelijkh eid van

Eindverantwoordel ijk

Treasurer SCD

Controller

College van B en W (1)

Treasurer SCD

Controller

College van B en W (2)

Treasurer/ Senioren SCD

Controller

College van B en W

FA

Toelichting: (1) (2) (3)

Vaststelling als apart document vindt plaats door Gemeenteraad Vaststelling als onderdeel van begroting dan wel jaarverslag vindt plaats door Gemeenteraad Bijdrage zal worden geleverd indien daartoe is verzocht vanuit de gemeente.

Het Financieringsstatuut wordt aangepast als daar aanleiding voor is vanuit regelgeving of organisatorische wijzigingen. De financieringsparagraaf in begroting en jaarrekening is verplicht gesteld op grond van de Wet fido en het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Naast de wettelijk vereiste inzichten rond kasgeldlimiet en renterisiconorm wordt in deze paragrafen aandacht besteed aan:  Interne ontwikkelingen  Economische ontwikkelingen  Renteverloop en rentevisie  Financieringen (opgenomen leningen en uitzettingen)  De schuldpositie  Het risicobeheer. In de financieringsparagraaf in de begroting wordt ingegaan op de belangrijkste verwachte acties. Met de vaststelling van de financieringsparagraaf in de begroting dragen het College en de Gemeenteraad de uitvoering van het treasurybeleid op aan het Servicecentrum Drechtsteden. In de financieringsparagraaf in het jaarverslag wordt verantwoording afgelegd.

14

3.4.3 Overige informatievoorziening Over de uitvoering van de treasuryfunctie zal de volgende informatie-uitwisseling plaatsvinden: Tabel E Matrix overige informatievoorziening Soort informatie

Informatieopsteller

Informatieontvanger

Frequentie

Gegevens m.b.t. toekomstige inkomende en uitgaande kasstromen t.b.v. liquiditeitsplanning

Controller

Treasurer / Senioren FA SCD

Zodra relevante informatie voorhanden is, doch veelal samenlopen met cyclische processen

Vaste informatie t.b.v. periodiek ambtelijk treasuryoverleg. Dit betreft:

Treasurer / Senioren FA SCD

Controller

Per vergadering (minimaal 2x per jaar; zie 3.4.1)

- Geldmarkttransacties

Treasurer / Senioren FA SCD

Controller

Per transactie

- Kapitaalmarkttransacties

Treasurer SCD

Controller

Per transactie

Treasurer / Senioren FA SCD

Provincie Zuid-Holland, CBS

Divers

INTERN

- Liquiditeitsplanning - Overzicht van kortlopende middelen Transactierapporten (1)

EXTERN

Rapportage op grond van relevantie wet- en regelgeving

Toelichting: Overzicht van rentemarkt, offertes (biedingen/latingen en motivatie van gemaakte keuze.

15

4

Ingangsdatum

Dit treasurystatuut treedt in werking met ingang van dd-mm-2021. Deze verordening treedt in de plaats van het Treasurystatuut vastgesteld door de raad op 19 december 2013. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente HardinxveldGiessendam van dd-mm-2021. De griffier, De voorzitter,

A. v.d. Ploeg.

D. Heijkoop

16

Bijlage 1 Berekeningsboxen kwantitatieve normen Wet Fido

Kasgeldlimiet Berekening kasgeldlimiet A B C

Begrotingstotaal aan lasten Percentage regeling (*) Kasgeldlimiet, in bedrag

Berekening netto vlottende schuld D Vlottende schuld E Vlottende middelen (-/-) F Netto vlottende schuld Toets aan kasgeldlimiet C F

Kasgeldlimiet in bedrag Netto vlottende schuld (-/-) Ruimte (+) / overschrijding (-)

8,5 % A*B

D-F

C-F

(*) Percentage conform Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (Ufdo)

Renterisiconorm Berekening renterisiconorm A B C

Begrotingstotaal aan lasten Percentage regeling (*) Renterisiconorm, in bedrag

20,0 % A*B

Berekening renterisico D E F

Renteherzieningen (**) Aflossingen (***) Renterisico

D+E

Renterisiconorm in bedrag Renterisico Ruimte (+) / overschrijding (-)

C-F

Toets aan renterisiconorm C F

(*) Percentage conform Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (Ufdo). (**) Alleen voor OG-leningen, slecht bij doorverstrekking te salderen met UG-leningen. (***) Alleen m.b.t. OG-leningen.

17

Bijlage 2 Overzicht lange- en korte termijn ratings Nota bene: - Uitsluitend relevant voor uitzettingen uit hoofde van treasury die niet onder bepalingen van het Schatkistbankieren vallen. - De op grond van dit Financieringsstatuut niet toegestane tegenpartijen bij het uitzetten van middelen zijn in onderstaande tabellen grijs gearceerd.

18

Bijlage 3 Wet financiering decentrale overheden

Wet financiering decentrale overheden Geldend van 15-12-2013 t/m heden Wet van 14 december 2000, houdende nieuwe bepalingen inzake het financieringsbeleid van openbare lichamen (Wet financiering decentrale overheden) Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Allen die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het op grond van veranderde omstandigheden en nieuwe inzichten ten aanzien van het financieringsbeleid van openbare lichamen wenselijk is nieuwe regels vast te stellen ter herziening van de Wet financiering lagere overheid; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. openbare lichamen: 1°. provincies; 2°. gemeenten; 3°. waterschappen; 4°. lichamen met rechtspersoonlijkheid, ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen; 5°. door Onze Ministers aan te wijzen andere bij wet ingestelde lichamen en organen; b.

rentetypische looptijd: het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de leningvoorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare constante rentevergoeding; c. financiële derivaten: financiële instrumenten belichaamd in contracten waarin de voorwaarden zijn vastgelegd waartegen een transactie op een bepaald moment zal of kan plaatsvinden en waarvan de waarde afhankelijk is van één of meer onderliggende activa, referentieprijzen of indices; d. netto-vlottende schuld: het gezamenlijk bedrag van: 1°. de opgenomen gelden met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van korter dan één jaar; 2°. de schuld in rekening-courant; 3°. de voor een termijn van korter dan één jaar ter bewaring in de kas gestorte gelden van derden, en 4°. overige geldleningen die geen onderdeel uitmaken van de vaste schuld; verminderd met het gezamenlijk bedrag van: 5°. de contante gelden in kas; 6°. de tegoeden in rekening-courant, en 7°. de overige uitstaande gelden met een rentetypische looptijd van korter dan één jaar; e. gemiddelde netto-vlottende schuld per kwartaal: het gemiddelde van de netto-vlottende schuld op de eerste dag van iedere maand in het desbetreffende kwartaal; f.

kasgeldlimiet: een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar; g. renterisico op de vaste schuld: mate waarin het saldo van rentelasten en rentebaten van een openbaar lichaam verandert door wijzigingen in het rentepercentage op

19

leningen en uitzettingen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van één jaar of langer; h. de renterisiconorm: een bedrag ter grootte van een percentage van het totaal van het begrotingstotaal van het openbare lichaam bij aanvang van het jaar; i. toezichthouder: het bestuursorgaan dat op grond van enige wettelijke bepaling is belast met het toezicht op de begroting van een openbaar lichaam; j. Onze Ministers: 1°. Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties indien het de in onderdeel a, onder 1°, 2° en 5° bedoelde lichamen en organen betreft; 2°. Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu indien het de in onderdeel a, onder 3°, bedoelde lichamen betreft; 3°. Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties indien het de in onderdeel a, onder 4°, bedoelde lichamen en organen betreft alsmede Onze Minister van Infrastructuur en Milieu voor zover aan de in onderdeel a, onder 4°, bedoelde lichamen en organen waterschappen deelnemen; k. begrotingstotaal: de totale lasten op de begroting. Artikel 2 1. Openbare lichamen kunnen uitsluitend ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak leningen aangaan, middelen uitzetten of garanties verlenen. Voor het overige houden zij hun liquide middelen in ’s Rijks schatkist aan. 2.

De middelen die een openbaar lichaam in ’s Rijks schatkist aanhoudt, blijven beschikbaar voor de uitoefening van zijn publieke taak. 3. In afwijking van het eerste lid kunnen openbare lichamen hun liquide middelen in de vorm van leningen uitzetten bij andere openbare lichamen, met dien verstande dat openbare lichamen geen leningen kunnen verstrekken aan openbare lichamen ten aanzien waarvan zij met het financiële toezicht zijn belast. Bij regeling van Onze Ministers worden met betrekking tot deze leningen nadere regels gesteld. 4. Bij regeling van Onze Ministers kunnen bepaalde middelen uitgezonderd worden van de verplichting deze aan te houden in ’s Rijks schatkist. Artikel 2a 1. Openbare lichamen kunnen geldleningen slechts aangaan en verstrekken, dan wel de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de betaling van rente en aflossing slechts garanderen, indien de geldleningen voldoen aan de daarvoor bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. 2. Openbare lichamen kunnen derivaten hanteren of de ingevolge artikel 2, vierde lid, uitgezonderde middelen uitzetten indien deze derivaten of uitzettingen een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Bij regeling van Onze Ministers worden ter zake van de uitvoering van dit lid nadere regels gesteld. 3.

Openbare lichamen sluiten ten gunste van personeel of politieke ambtsdragers geen contracten met betrekking tot hypothecaire leningen of garanties op de verstrekking van hypothecaire leningen door financiële instellingen. Artikel 2b 1. Openbare lichamen ontvangen rente over de liquide middelen die zij in ’s Rijks schatkist aanhouden. De rente kan niet negatief zijn.

20

2. Openbare lichamen hebben een rekening-courantovereenkomst met de Staat der Nederlanden, welke van rechtswege tot stand komt op de dag dat deze overeenkomst is ontvangen door het desbetreffende openbaar lichaam. De overeenkomst luidt overeenkomstig de modelovereenkomst die na overleg met Onze Ministers door Onze Minister van Financiën wordt vastgesteld. 3. Onze Minister van Financiën kan na overleg met Onze Ministers regels stellen ten aanzien van de uitvoering van dit artikel. Artikel 3 1. Onze Ministers stellen bij ministeriële regeling een percentage voor de berekening van de kasgeldlimiet vast. Onze Ministers zenden eens per drie jaar aan de Staten-Generaal een verslag houdende overwegingen met betrekking tot de hoogte van het percentage, bedoeld in de eerste volzin. 2. Voor de kasgeldlimiet geldt een minimumbedrag van € 300 000. 3. Onze Ministers kunnen bij ministeriële regeling een hoger minimumbedrag vaststellen dan het in het tweede lid genoemde bedrag. 4. Het op basis van het eerste lid vast te stellen percentage voor de kasgeldlimiet en het op basis van het derde lid vast te stellen minimumbedrag kunnen verschillend zijn voor de verschillende categorieën openbare lichamen. 5.

De toezichthouder van de openbare lichamen, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, onder 5°, kan na overleg met het bestuur van de gemeenschappelijke regeling een afwijkend percentage voor de kasgeldlimiet voor een gemeenschappelijke regeling vaststellen. Artikel 4 1. De gemiddelde netto-vlottende schuld per kwartaal van een openbaar lichaam overschrijdt de kasgeldlimiet niet. 2. Indien een openbaar lichaam voor het derde achtereenvolgende kwartaal de kasgeldlimiet overschrijdt, stelt het daarvan de toezichthouder op de hoogte, en legt het de kwartaalrapportage en een plan om binnen de kasgeldlimiet te blijven ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. 3. Zolang het plan, bedoeld in het tweede lid, niet is goedgekeurd dan wel indien blijkt dat het plan niet ten uitvoer wordt gelegd kan de toezichthouder een aanwijzing geven om alsnog een aangepast plan in te zenden en om maatregelen te treffen om te voldoen aan de kasgeldlimiet. De toezichthouder kan voorts bepalen dat voor het aangaan van nieuwe geldleningen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van minder dan één jaar voorafgaande toestemming van de toezichthouder is vereist. De toezichthouder kan daarbij een maximum vaststellen voor de schuld in rekening-courant van het openbare lichaam met inachtneming van de op dat moment bestaande betalingsverplichtingen van het openbare lichaam. 4.

Het toezicht, bedoeld in het derde lid, vervalt zodra het in het derde lid bedoelde plan naar het oordeel van de toezichthouder voldoende ten uitvoer wordt gelegd. 5. De toezichthouder kan bij incidentele wijzigingen in het inkomsten- en uitgavenpatroon ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verplichting voor een periode van maximaal twee kwartalen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen gesteld.

21

Artikel 5 1. Onze Ministers stellen bij ministeriële regeling een percentage voor de berekening van de renterisiconorm en een minimumbedrag voor de renterisiconorm vast, alsmede regels ten aanzien van de bepaling van het renterisico op het begrotingstotaal. 2. Het op basis van het eerste lid vast te stellen percentage voor de renterisiconorm en minimumbedrag kunnen verschillend zijn voor de verschillende categorieën openbare lichamen. Artikel 6 1. Het renterisico op het begrotingstotaal van een openbaar lichaam overschrijdt de renterisiconorm niet. 2. De toezichthouder geeft, indien door een openbaar lichaam niet wordt voldaan aan het eerste lid, het openbare lichaam een aanwijzing om maatregelen te nemen ten einde het renterisico op het begrotingstotaal te verminderen. 3. Indien het openbare lichaam geen gehoor geeft aan de aanwijzing van de toezichthouder, bedoeld in het tweede lid, legt het openbare lichaam een plan om aan het eerste lid te voldoen ter goedkeuring voor aan de toezichthouder. Zolang dit plan niet is goedgekeurd dan wel indien blijkt dat het plan niet ten uitvoer wordt gelegd, kan de toezichthouder bepalen dat voor het aangaan van het begrotingstotaal voorafgaande toestemming van de toezichthouder is vereist. 4.

Het voorafgaand toezicht, bedoeld in het derde lid, vervalt zodra het in het derde lid bedoelde plan naar het oordeel van de toezichthouder voldoende ten uitvoer wordt gelegd. 5. De toezichthouder kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde verplichting. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen gesteld. Artikel 7 [Vervallen per 14-12-2013] Artikel 8 1. Onze Ministers stellen bij ministeriële regeling regels ten aanzien van de berekening en de verstrekking door de openbare lichamen van gegevens, welke nodig zijn voor het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 2. De gegevens hebben slechts betrekking op: a. b. c. d. e. f. g. h. i.

liquiditeits- en schuldpositie; ontvangen waarborgsommen; de kasgeldlimiet; het renterisico op het begrotingstotaal; de renterisiconorm; aangegane geldleningen; uitzettingen; verleende garanties met betrekking tot de nakoming van uit geldleningen voortvloeiende verplichtingen; of het EMU-saldo van de openbare lichamen.

Artikel 9 Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de StatenGeneraal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. 22

Artikel 10 [Wijzigt de Provinciewet.] Artikel 11 [Wijzigt de Gemeentewet.] Artikel 12 [Wijzigt de Waterschapswet.] Artikel 13 De Wet financiering lagere overheid wordt ingetrokken. Artikel 14 [Vervallen per 15-12-2013] Artikel 15 Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 16 Deze wet wordt aangehaald als: Wet financiering decentrale overheden. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 14 december 2000

23

Bijlage 4 Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden

Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden Geldend van 05-04-2009 t/m heden Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden De Minister van Financiën; Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Verkeer en Waterstaat; Gelet op de artikelen 3, 5 en 8 van de Wet financiering decentrale overheden, Besluit: Artikel 1 In deze ministeriële regeling wordt verstaan onder: a. Het bedrag aan renteherziening: Het bedrag aan leningen die een onderdeel vormen van de vaste schuld, gesaldeerd met verstrekte geldleningen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van één jaar of langer, waarvan op grond van de leningvoorwaarden de rente in het lopende kalenderjaar op basis van de leningvoorwaarden eenzijdig door de tegenpartij kan worden herzien. b. Het bedrag aan herfinanciering: Het bedrag aan nieuwe leningen in een jaar met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van één jaar of langer, gesaldeerd met nieuw verstrekte leningen voor zover dezelfde rentetypische looptijd, voor zover dit het bedrag van de verplicht afgeloste leningen niet overstijgt. c. De wet: De Wet financiering decentrale overheden. Artikel 2 1. Voor de openbare lichamen wordt het percentage, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet als volgt vastgesteld: a. b. c. d.

voor de provincies: 7,0%; voor de gemeenten: 8,5%; voor de waterschappen: 23%; voor de gemeenschappelijke regelingen: 8,2%.

2. Voor de openbare lichamen wordt het in artikel 5 van de wet genoemde percentage als volgt vastgesteld: a. b. c. d.

voor de provincies: 20%; voor de gemeenten: 20%; voor de waterschappen: 30%; voor de gemeenschappelijke regelingen: 20%.

3. Voor de renterisiconorm geldt een minimumbedrag van 2.500.000 euro.

24

Artikel 3 Het renterisico op de vaste schuld in een jaar wordt als volgt berekend: de som van het bedrag aan herfinanciering en het bedrag aan renteherziening op de vaste schuld. Artikel 4 1. De openbare lichamen zenden aan de toezichthouder a. Jaarlijks tezamen met het jaarverslag een opgave van: 1°. Het begrotingstotaal bij aanvang van het voorgaande jaar en het komende jaar; 2°. De kasgeldlimiet bij aanvang van het voorgaande jaar; 3°. De gemiddelde netto vlottende schuld in elk van de kalenderkwartalen van het voorgaande jaar; 4°. De renterisiconorm bij aanvang van het komende jaar; 5°. Het renterisico op de vaste schuld over de komende vier jaren. 2. De openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, lid a, van de wet zenden aan het Centraal bureau voor de statistiek driemaandelijks een opgave van de stand van het EMU-saldo op een door het Centraal Bureau voor de Statistiek te bepalen wijze. 3. Een openbaar lichaam kan toezending van de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde gegevens aan de toezichthouder achterwege laten, indien de kasgeldlimiet van deze openbare lichamen gelijk is aan het wettelijke minimumbedrag. Artikel 5 Het Centraal Bureau voor de Statistiek zendt iedere drie maanden voor het einde van het eerstvolgende kwartaal verzamelopgaven van de in artikel 4, tweede lid, bedoelde gegevens aan Onze Minister van Financiën.

Artikel 6 De opgaven bedoeld in artikel 4, eerste lid, worden verstrekt overeenkomstig de als bijlage bij deze regeling gevoegde modelstaten. Artikel 7 1. Gedurende het jaar van inwerkingtreding van de wet, mag een openbaar lichaam in overleg met de toezichthouder stapsgewijs het nieuwe percentage van de kasgeldlimiet, als bedoeld in artikel 3 van de wet, eerste lid, bereiken. 2. Gedurende het jaar van inwerkingtreding van de wet, is, in afwijking van artikel 2, tweede lid, een percentage van de renterisiconorm van 30% van toepassing. Artikel 8 Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de Wet financiering decentrale overheden in werking treedt. Artikel 9 Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden.

De Minister van Financiën, G. Zalm 25

Bijlage Modelstaat A •. Liquiditeitspositie over het ..... kwartaal van het jaar ..... •. Van de decentrale overheid: Provincie ..... Gemeente ..... Waterschap ..... Gemeenschappelijke regeling ..... •. In de provincie: ..... Toelichting: liquiditeitspositie in relatie tot kasgeldlimiet De modelstaten A over de kwartalen van het voorafgaande jaar worden normaliter eenmaal per jaar als onderdeel van de financieringsparagraaf bij de begroting en het jaarverslag naar de toezichthouder verzonden. De liquiditeitspositie heeft betrekking op de financiering met een rentetypische looptijd van korter dan een jaar. Een derivaat kan daarbij de looptijd van de financiering veranderen. Zo kan een derivaat vaste schuld omzetten in een korte schuld met variabele rente. De liquiditeitspositie is het saldo van (a) de vlottende of korte schulden, zoals schulden in rekening-courant en in bewaring zijnde kasgelden van derden en (b) de vlottende middelen zoals kasgelden en tegoeden in rekening-courant. De liquiditeitspositie heeft betrekking op het gehele openbaar lichaam, alsmede op de gemeentelijke kredietbank en op diensten zoals het grondbedrijf, exclusief interne schuldverhoudingen. De gemiddelde liquiditeitspositie van de drie kwartaalmaanden wordt getoetst aan het bedrag van de kasgeldlimiet.

De kasgeldlimiet heeft betrekking op het totaal van de begroting van het lopende jaar naar de stand van 1 januari. Als de gemiddelde liquiditeitspositie van drie achtereenvolgende kwartalen de kasgeldlimiet overschrijdt, dan dient de betrokken decentrale overheid de drie kwartaalrapportages toe te zenden aan de toezichthouder, met daarbij een plan om weer te voldoen aan de kasgeldlimiet. Berekening (bedragen x € 1.000) Stappen (1–4)

(1) Vlottende schuld

(2) Vlottende middelen

(3) Netto vlottend (+) of Overschot middelen (–)

(1) – (2) = (3) ultimo maand 1 ultimo maand 2 ultimo maand 3

(4) gemiddelde van (3)

Stappen (5–9)

Variabelen

(5)

kasgeldlimiet

(6a) = (5>4)

ruimte onder de kasgeldlimiet

(6b) = (4>5)

overschrijding van de kasgeldlimiet

Bedragen

Berekening kasgeldlimiet (5)

(7)

Begrotingstotaal

(8)

Percentage regeling

(5) = (7) x (8) / 100

Kasgeldlimiet

26

Modelstaat B •. Renterisico vaste schuld over de jaren ..... •. Van de decentrale overheid: Provincie ..... Gemeente ..... Waterschap ..... Gemeenschappelijke regeling ..... •. In de provincie: ..... Toelichting: renterisico vaste schuld in relatie tot renterisiconorm Modelstaat B wordt eenmaal per jaar als onderdeel van de financierings-paragraaf bij de begroting en het jaarverslag naar de toezichthouder verzonden. Op deze staat wordt over het renterisico van de komende vier jaren gerapporteerd. Het renterisico heeft betrekking op de vaste schuld en op het bedrag waarover renterisico wordt gelopen. Naast de renteherzieningen zijn hiervoor ook de aflossingen van belang, want het renterisico wordt verkleind door aflossingen in de tijd te spreiden. Het renterisico heeft betrekking op het gehele openbaar lichaam, op de gemeentelijke kredietbank en op diensten zoals het grondbedrijf. Het renterisico wordt getoetst aan het bedrag van de renterisiconorm. De renterisiconorm heeft betrekking op het totaal van de begroting van uitsluitend het komende jaar. Het komende jaar is jaar T in de tabel hierna.

Berekening (bedragen x € 1.000) Stap

Variabelen Renterisico(norm)

(1)

Renteherzieningen

(2)

Aflossingen

(3)

Renterisico (1+2)

(4)

Renterisiconorm

(5a) = (4>3 )

Ruimte onder renterisiconorm

(5b) = (3>4)

Overschrijding renterisiconorm

Jaar T:

Jaar T+1:

Jaar T+2:

Jaar T+3:

Renterisiconorm

Berekening

Begrotingstotaal jaar T

(4a)

Percentage

(4b)

Regeling

Renterisiconorm (van alleen jaar T)

(4) = (4a x 4b/100)

27

Bijlage 5 Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden

Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden Geldend van 01-01-2001 t/m heden Besluit van 14 december 2000, houdende regels inzake het aangaan, verstrekken en garanderen van geldleningen door openbare lichamen (Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden) Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 19 oktober 2000, nr. BGW2000/1839M, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat; Gelet op artikel 2, derde lid, van de Wet financiering decentrale overheden; De Raad van State gehoord (advies van 17 november 2000, W06.00.0494/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2000, nr.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/541/documents/16641