CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting bestemmingsplan Rivierdijk 135-135a.pdf

Gemeenteraad GHG 26 september 2024, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 25: Vaststellen Bestemmingsplan Rivierdijk 135-135a - Raadsvoorstel13.690 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 7.17 van de Wet milieubeheer.

30

5.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging.

In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Watergangen In de omgeving het plangebied zijn drie C-watergangen gelegen (051545, 051546 en 051599. Het plangebied is niet gelegen binnen de beschermingszone van een Aof B-watergang. Er vinden geen ingrepen plaats aan de C-watergangen.

Derhalve is het aanvragen van een watervergunning niet noodzakelijk.

31

Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW044. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,28 meter NAP en een winterpeil van -1,33 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 8: Uitsnede peilgebiedenkaart

Afbeelding 9: Uitsnede Legger wateren

32

Waterkering Het plangebied is gelegen in kern-, beschermings- en buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. In principe geldt dat er geen bebouwing in de kernzone van de waterkering aanwezig mag zijn. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosie- gevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. De bouw-, sloop- en graafwerkzaamheden vinden plaats in de buitenbeschermingszone van de waterkering. Het plan voldoet aan de voorwaarden van algemene regel WK 7 (Activiteiten in de buitenbeschermingszone), waardoor het aanvragen van een watervergunning dan wel het melden van de werkzaamheden bij het waterschap Rivierenland niet nodig is. Het uitvoeren van de werkzaamheden in de buitenbeschermingszone van de waterkering hebben een zeer gering effect op de waterhuishoudkundige, waterstaatkundige en wegenbelangen. Ter bescherming van de primaire waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ opgenomen.

Ter plaatse van de beschermings- en buitenbeschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ en ‘vrijwaringszone – dijk – 2’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen beschermen de waterkering voor de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming.

Plangebied

Afbeelding 10: Uitsnede Legger waterkeringen

33

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m 2. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Het plan voorziet in een afname aan verharding en bebouwing (zie tabel 2).

Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet vereist dan wel noodzakelijk. Tabel 2: Verhardingsbalans Bestaande situatie Bestaande woning Rivierdijk 135 Bestaande woning Rivierdijk 135a (incl. veranda) Blokhut Garage Berging 1 Berging 2 Schuur/dierenverblijf Geitenschuur Schuur 1 Schuur 2 Erfverharding

Oppervlakte 85 m2 117 m2 8 m2 29 m2 39 m2 46 m2 61 m2 10 m2 95 m2 63 m2 1.650 m2

Subtotaal

2.203 m2

Nieuwe situatie Bestaande woning Rivierdijk 135 Nieuwe woning Rivierdijk 135a Schuur 1 Rivierdijk 135 Schuur 2 Rivierdijk 135 /mantelzorgwoning Nieuwe schuur Rivierdijk 135a Erfverharding Subtotaal

85 m2 180 m2 95 m2 63 m2 150 m2 1.200 m2 1.773 m2

Verschil

- 430 m2

34

Afbeelding 11: Nieuwe situatie

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen 35

per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Voor de afvoer van afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Het hemelwater zal worden geïnfiltreerd in de bodem of de gemeentelijke riolering. Het gebied rondom de nieuwe woning Rivierdijk 135a zal groen worden ingericht met inheemse beplanting, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Het plan resulteert in een verbetering van de waterhuishoudkundige situatie. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente HardinxveldGiessendam. In het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen, hoofdrioolgemalen en zuiveringen gelegen. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen op de waterhuishoudkundige, waterstaatkundige en wegenbelangen van het waterschap Rivierenland.

36

5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten. De nieuwe woning is ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de Rivierdijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat: •

•

De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Rivierdijk ten hoogste 47 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 47 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt;

37

•

De woning alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte beschikt en aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor realisatie van de nieuwe woning. Voor de woning hoeft geen hogere waarde te worden vastgesteld.

38

5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 3: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie 10 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2022) het volgende overzicht voor het jaar 2022 (Receptor: 51200570_15477946): • Een stikstofconcentratie van 17,66 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,50 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie van 9,45 µg/m3 PM2,5. Op basis van bovenstaande kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met 39

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

40

5.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied).

Tabel 4: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek In het kader van bedrijven en milieuzonering is met de bouw van de woning sprake van toevoeging van een milieugevoelige functie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken naar het aspect bedrijven en milieuzonering. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de directe omgeving van het plangebied is één bedrijfsperceel gelegen. Op het bedrijfsperceel Rivierdijk 129-129a zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan tot max. milieucategorie 2.0 van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Gemengd gebied Het plangebied is gelegen in het cultuurhistorisch lint langs de Rivierdijk. Door de historische groei van Hardinxveld-Giessendam kennen de linten een sterke functiemenging. Op grond hiervan kan de omgeving van het plangebied worden aangemerkt als omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Hierdoor kunnen gereduceerde

41

richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd. Conform het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009) geldt voor bedrijven in de milieucategorie 2.0, in een gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter. De nieuwe woning wordt gerealiseerd op circa 18 meter van het bedrijfsperceel Rivierdijk 129-129a. Op basis hiervan gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en geen bedrijven in de bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van dit bouwplan.

Rivierdijk 129-129a Nieuwe woning

18 meter

Afbeelding 12: Omgeving plangebied

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.

42

5.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan.

Plangebied

Afbeelding 13: Uitsnede risicokaart externe veiligheid

43

Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen, Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen is niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Invloed transport gevaarlijke stoffen, Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Invloed transport gevaarlijke stoffen, Vaarwegen Het plangebied ligt op ca. 170 meter afstand van de rivier de Boven-Merwede. De Boven-Merwede is in het Basisnet water aangewezen als een transportroute van gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat het plan moet worden getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De Boven-Merwede wordt in het rapport Basisnet Water aangeduid als zwarte vaarweg. Voor de rode, zwarte en groene vaarwegen zijn gebruiksruimtes voor het vervoer (veiligheidsbuffer) gedefinieerd. Deze gebruiksruimten worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) 10-6 per jaar contour en het groepsrisico.

In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over binnenwater opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In de Nota van toelichting bij het Bevt is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico achterwege kan blijven. Deze uitzonderingen zijn uitgewerkt in de Handleiding Risicoanalyse Transport (Hart). De Boven-Merwede is een rivier van bevaarbaarheidsklasse (CEMT) 6. Het Basisnet stelt dat over deze vaarweg geen transport van LT2 en GT3 plaatsvinden. In paragraaf 1.4.2.1 van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) is wat betreft de toetsing van het plaatsgebonden risico de volgende vuistregel opgenomen: ‘Een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 heeft geen 10-6-contour.’Het plaatsgebonden risico is daarmee geen belemmering voor het plan. Verantwoording groepsrisico Artikel 8 schrijft voor dat indien het plan gelegen is binnen een afstand van 200 meter vanaf de vaarweg, er een beperkte verantwoording van het groepsrisico moet plaatsvinden. Deze kan achterwege blijven indien wordt aangetoond dat het groepsrisico met niet meer dan 10% toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. De nieuwe woning wordt gerealiseerd op circa 240 meter vanaf de waterlijn van de Boven-Merwede.

Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk. In geval van een ramp op de Boven-Merwede hebben de bewoners van de nieuwe woning de mogelijkheid om via de hoofdentree en omliggende wegen te vluchten. In geval van een gifwolk is men veilig in de woning als men de ramen en deuren sluit 44

en de ventilatie uitzet. Tenslotte hebben de hulpdiensten voldoende ruimte om de ramp te bestrijden en de gevaarlijke stoffen op te ruimen. De woning wordt voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen.

45

5.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming (Wnb) toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Ecofect B.V. een ecologische quickscan uitgevoerd. Uit het ecologisch onderzoek blijkt dat het plan geen nadelige gevolgen heeft voor beschermde flora en fauna. Er is geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Het plangebied is gelegen op een afstand van 1,5 kilometer van Natura 2000-gebied de Biesbosch, 6,9 kilometer van Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid en 7,6 kilometer ten opzichte van Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem. Vanwege de (effect)afstand en tussenliggende bebouwing wordt geen verstoring verwacht.

Afbeelding 14: Plangebied t.o.v. dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied ‘de Biesbosch’

46

Aangezien het plangebied is gelegen buiten het NNN van Zuid-Holland en het NNN in Zuid-Holland geen externe werking kent, is nadere toetsing niet aan de orde.

Afbeelding 15: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland

Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Voor het plan is voor de bouw- en gebruiksfase een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. Uit de Aerius-berekening blijkt dat de ontwikkeling tijdens beide fases niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.

47

5.8 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek (incl. asbest) uitgevoerd. Op basis van het bodemonderzoek kan worden geconcludeerd: • •

•

•

•

De zintuiglijk onverdachte bovengrond op het bestrate achterterrein bevat lichte verhogingen aan lood en zink. De bovengrond op het zuidelijke terreindeel bevat lichte verhogingen aan kwik, lood en PAK. Deze gangbare lichte verhogingen hebben geen consequenties; Een mengmonster van de bovengrond ter plaatse van de moestuin (boringen 1, 6, 8 en 12) bevat lichte verhogingen aan kwik, lood, zink, nikkel en PAK. De extra onderzochte OCB (vanwege enkele fruitbomen op het perceel tussen 1940 en 1960) zijn niet verhoogd aangetroffen. De lichte verhogingen hebben geen consequenties; Op het terrein liggen 2 gedempte slootjes. Bij de hier uitgevoerde controleboringen is geen verdachte dempingsgrond aangetroffen, hetgeen ook niet verwacht werd door de eigenaar. Plaatselijk (boringen 2 en 13) is in de ondergrond lichtbruin ophoogzand aangetroffen, hetgeen dus aantoont dat er op de juiste plek in de slootdemping geboord is. Dit zand op zich is uiteraard geen verdacht bodemmateriaal. Een mengmonster van 4 onverdachte kleiige monsters van de ondiepe ondergrond van 50-100 cm (uit beide dempingen) bevat slechts lichte verhogingen aan lood, nikkel en zink. Dit heeft geen consequenties. NB: deze analyse dient gelijk ook als ondergrondanalyse voor het gehele onderzoek. In het grondwater zijn barium en molybdeen licht verhoogd aangetroffen. Dit zijn gangbare, niet relevante verhogingen.

Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering of beperking voor de voorgenomen nieuwbouw van een woning. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.

48

5.9 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, waaronder de gemeente Hardinxveld-Giessendam hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden.

Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die er op is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodemverstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hardinxveld-Giessendam (afbeelding 16) is te zien dat de nieuwe woning wordt gebouwd op gronden met een hoge verwachting heeft aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het plan voorziet niet in een bodemingreep groter dan 250 m2 (de woning heeft een max. oppervlakte van 180 m2), waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

49

Nieuwe woning

Afbeelding 16: Archeologische beleidskaart

Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.

50

6. Juridische planopzet 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, Rivierdijk 135-135a’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, Rivierdijk 135-135a’ is conform de landelijke RO-standaard (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, Rivierdijk 135-135a’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied’, ‘Veegplan Buitengebied’ en ‘Paraplubestemmingsplan Wonen en Huishouden’. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen Tuin Overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ behouden de gronden langs de Rivierdijk de bestemming ‘Tuin’. Wonen De resterende gronden van het plangebied worden bestemd als ‘Wonen’. Op het woonbestemmingsvlak worden twee bouwvlakken opgenomen. Per bouwvlak is maximaal één woning/wooneenheid toegestaan. Met bouwaanduidingen is de typologie van de woningen vastgelegd. Tenslotte is met de maatvoeringsaanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' de maximale bouw- en goothoogte van de nieuwe woning vastgelegd. Waarde – Landschap Ter waarborging van de kenmerkende openheid van het landschap wordt op het noordelijk deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ opgenomen. Aan deze dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die het realiseren van gebouwen op deze gronden verbieden. De gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ wordt niet beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van

51

bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, waardoor op deze gronden het realiseren van vergunningsvrije bouwwerken niet is toegestaan. Waarde – Archeologische verwachting 2, 4 en 9 De voor ‘Waarde – Archeologische verwachting 2, 4 en 9' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. Waterstaat – Waterkering Ter plaatse van de kernzone van de waterkering wordt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. De voor Waterstaat - Waterkering aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering en bijbehorende voorzieningen.

6.4 Aanduidingen • • • • • •

Bouwvlak; Bouwaanduiding ‘vrijstaand’; Bouwaanduiding ‘aaneengebouwd’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’; Maatvoeringsaanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m).

52

7

Economische uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd, dat inzicht gegeven moet worden in de (economische) uitvoerbaarheid van een plan.

7.1 Uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer. Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de ontwikkelaar komt. Tot slot, is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek (incl. asbest) uitgevoerd. Er zijn op basis van de resultaten van het bodemonderzoek geen milieuhygiënische bezwaren tegen het beoogde gebruik van de locatie voor wonen. Het aspect bodem zit de economische uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.

7.2 Kostenverhaal Conform afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. De initiatiefnemer gaan zelf het plangebied ontwikkelen. Omdat de ontwikkeling niet voorziet in kosten die de gemeente zal moeten maken, is het opstellen van een exploitatieplan niet nodig. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

53

8

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

8.1 Participatie In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden van een woningbouwontwikkeling te informeren. Voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerp-bestemmingsplan hebben de initiatiefnemers geparticipeerd. De initiatiefnemers hebben de naaste buren op de hoogte gebracht van de plannen door langs de deur te gaan met de nieuwe situatietekening. De reacties vanuit de omgeving waren positief. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een succesvol participatietraject, dat een goede basis biedt voor het vervolgtraject.

8.2 Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners.

8.3 Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan en bijbehorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd zal ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden.

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/947/documents/30013