CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting bestemmingsplan Rivierdijk 135-135a.pdf

Gemeenteraad GHG 26 september 2024, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 25: Vaststellen Bestemmingsplan Rivierdijk 135-135a - Raadsvoorstel13.690 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan ‘Rivierdijk 135-135a Hardinxveld-Giessendam’

Toelichting bestemmingsplan ‘Rivierdijk 135-135a Hardinxveld-Giessendam’

Opgesteld door: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Lekdijk 44 2967 GB Langerak In opdracht van: Fam. Versloot Rivierdijk 135a 3372 BK Hardinxveld-Giessendam Identificatiecode: NL.IMRO.0523.BP2023RIVDIJK135-ON01 Datum 24-11-2023 Status Ontwerp

2

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding .................................................................................................. 5

1.2

Ligging en begrenzing plangebied .............................................................. 6

1.3

Vigerend bestemmingsplan......................................................................... 7

1.4

Leeswijzer................................................................................................... 9

Bestaande situatie ................................................................................................................ 10 2.1

Ruimtelijke structuur ................................................................................ 10

2.2

Huidig gebruik .......................................................................................... 10

Nieuwe situatie ...................................................................................................................... 12 3.1

Planbeschrijving........................................................................................ 12

3.2

Beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing ............................................ 13

3.3

Verkeer en parkeren ................................................................................. 15

Beleidskader............................................................................................................................ 16 4.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 16

4.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 18

4.3

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 28

Milieuaspecten ....................................................................................................................... 30 5.1

Milieueffectrapportage (m.e.r) ................................................................... 30

5.2

Watertoets ................................................................................................ 31

5.3

Geluid ....................................................................................................... 37

5.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 39

5.5

Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 41

5.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 43

5.7

Ecologie .................................................................................................... 46

5.8

Bodem ...................................................................................................... 48

5.9

Archeologie .............................................................................................. 49

6. Juridische planopzet ............................................................................................................... 51

7

8

6.1

Inleiding ................................................................................................... 51

6.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 51

6.3

Bestemmingen .......................................................................................... 51

6.4

Aanduidingen ........................................................................................... 52

Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................... 53 7.1

Uitvoerbaarheid ........................................................................................ 53

7.2

Kostenverhaal ........................................................................................... 53

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................ 54 3

8.1

Participatie................................................................................................ 54

8.2

Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro .................................................................... 54

8.3

Zienswijzen............................................................................................... 54

# Bijlage 1 Nieuwe situatietekening 2 Landschappelijk inpassingsplan 3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 4 Voortoets stikstofdepositie 5 Ecologische quickscan 6 Verkennend bodemonderzoek (incl. asbest)

Auteur Fam. Versloot Fam. Versloot

Kenmerk -

Datum 22-03-2023 22-03-2023

Voortman Ingenieurs Van den Heuvel Milieuadvies Ecofect B.V. Bakker Milieuadviezen

R-JVO/1871

21-07-2023

21152

18-07-2023

QS50854 BM/2979-2023

07-08-2023 Aug. 2023

4

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Het perceel Rivierdijk 135-135a betreft een woonperceel langs de Rivierdijk te Hardinxveld-Giessendam. Op het perceel staat een woning (nr. 135), een woonwagen c.q. salonwagen en diverse schuren. De gemeente HardinxveldGiessendam heeft in januari 1983 medewerking verleend voor het plaatsen van de woonwagen c.q. salonwagen (gedoogconstructie). De initiatiefnemers van dit plan zijn sinds 1983 woonachtig in deze woonwagen c.q. salonwagen. Het plan is om de huidige gedoogconstructie op te heffen door de woning Rivierdijk 135a permanent vast te leggen (middels het opnemen van een bouwvlak in het bestemmingsplan) en het perceel her in te richten (sloop van de woonwagen c.q. salonwagen en een deel van de schuren). Het plan is om een toekomstbestendige woonsituatie te creëren, waarbij er sprake is van twee soorten zorgverlening op het perceel. De bestaande schuur achter de woning Rivierdijk 135 zal worden verbouwd tot mantelzorgwoning (vergunningsvrij). De schoonzus/zus van de initiatiefnemers van het plan zal in de mantelzorgwoning intrekken. De initiatiefnemers zullen zelf in de woning Rivierdijk 135 gaan wonen. Het plan is om voor één van de kinderen van de initiatiefnemers een nieuwe vrijstaande woning te realiseren. Hiermee ontstaat een toekomstbestendige woonsituatie waarbij de familie elkaar de benodigde zorg kan verlenen.

Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’. Op 26 november 2020 heeft de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam het bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’ vastgesteld. Hiermee is het woonbestemmingsvlak op het perceel Rivierdijk 135-135a vergroot. Per abuis is echter geen bouwvlak opgenomen ter plaatse van de bestaande woning Rivierdijk 135a, waardoor de bouw van de nieuwe vrijstaande woning niet is toegestaan. In de periode daarna hebben er diverse gesprekken plaatsgevonden met de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Op 1 december 2021 is een formeel principeverzoek ingediend om een toekomstbestendige situatie te creëren voor het perceel Rivierdijk 135a te Hardinxveld-Giessendam. In reactie op het principeverzoek heeft de gemeente Hardinxveld-Giessendam een stedenbouwkundig advies gegeven. Met inachtneming van het stedenbouwkundig advies is een plan uitgewerkt, waarna het college van B&W van de gemeente Hardinxveld-Giessendam op 9 mei 2023 het ingestemd met het plan en het opstarten van een bestemmingsplanprocedure. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld door Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.

5

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied, de percelen Rivierdijk 135-135a, is gelegen in het buitengebied van Hardinxveld-Giessendam. Het plangebied grenst aan de zuidoostzijde aan de Rivierdijk. Aan de oost- en westzijde wordt het plangebied begrensd door de kadastrale grenzen met de aangrenzende percelen Rivierdijk 129a, 134, 136 en 139. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Hardinxveld-Giessendam, sectie C, nummers 5393, 5394, 5399, 5400 en 5401.

Afbeelding 1: Ligging en begrenzing plangebied

6

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld op 28 april 2016). Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Agrarisch met waarden; • Tuin; • Wonen; De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologische verwachting 2; • Waarde – Archeologische verwachting 4; • Waarde – Archeologische verwachting 9; • Waterstaat – Waterkering; En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Bouwaanduiding ‘aaneengebouwd’; • Gebiedsaanduiding ‘overige zone – bijzonder gebied van welstand’.

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied’

7

Bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’ Op 26 november 2020 heeft de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam het bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’ vastgesteld. Met dit veegplan is op het perceel Rivierdijk 135-135a het bestemmingsvlak ‘Agrarisch met waarden’ gewijzigd naar ‘Wonen’ en is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ gewijzigd. In het veegplan zijn verder regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid.

Afbeelding 3: Uitsnede bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’

Paraplubestemmingsplan Wonen en Huishouden Op 16 december 2021 heeft de gemeenteraad het ‘Paraplubestemmingsplan Wonen en Huishouden’ vastgesteld. De Wet ruimtelijke ordening biedt de gemeente de mogelijkheid om bestemmingsplannen vast te stellen voor haar grondgebied. Daarbij is het gebruikelijk om begripsbepalingen op te nemen voor woningen en aanverwante begrippen. Gebleken is dat bij een aantal bestemmingsplannen in de gemeente Hardinxveld-Giessendam deze begrippen niet op elkaar aansluiten en aanscherping behoeven. Het begrip 'wonen' en daaraan verwante begrip 'huishouden' worden in nieuwe bestemmingsplannen wel opgenomen om bovenstaande zaken te verhelderen. De doelstelling van dit Paraplubestemmingsplan is de diverse begrippen (wonen, wooneenheid en huishouden) duidelijk te omschrijven en te verankeren in alle bestemmingsplannen in de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Hiermee wordt de begripsbepaling voor het gehele gemeentelijke grondgebied gelijkluidend op elkaar afgestemd.

8

1.4 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • • • • •

Hoofdstuk 2: Bestaande situatie; Hoofdstuk 3: Planbeschrijving; Hoofdstuk 4: Beleidskader; Hoofdstuk 5: Milieuaspecten; Hoofdstuk 6: Juridische planopzet; Hoofdstuk 7: Economische uitvoerbaarheid; Hoofdstuk 8: Maatschappelijke uitvoerbaarheid.

9

2

Bestaande situatie

2.1 Ruimtelijke structuur Hardinxveld-Giessendam is ontstaan als een van de oudste ontginningscentra van de Alblasserwaard. Deze bewoning heeft zich ontwikkeld langs de Giessen en heeft geleid tot de karakteristieke lintbebouwing op de oeverwallen: een reeks boerderijen die het ontgonnen land aan de achterzijde gebruikten voor agrarische productie. In de loop van de eeuwen is de ruimte tussen de boerderijen en de Giessen ingevuld met bebouwing. Op de dijken van de Merwede werd ook gebouwd. Uit deze linten is Hardinxveld ontstaan, genoemd naar de heerlijkheid ‘Hertingsvelt’. Hardinxveld-Giessendam bestaat uit twee kernen: Boven-Hardinxveld en NederHardinxveld/Giessendam (genoemd naar de ligging bovenstrooms en benedenstrooms van de rivier). Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing aan de Rivierdijk. Door de historische groei van Hardinxveld-Giessendam kennen de linten een sterke functiemenging. Dit levert een divers en levendig beeld op. De specifieke situatie van de linten, met name de dijklinten, heeft voor veel woningen een specifieke typologie opgeleverd. Het buitengebied van Hardinxveld-Giessendam, waar ook de Rivierdijk onderdeel van uit maakt, betreft een veenweidelandschap. Het ontstaan van het slagenlandschap is met name in het noordwestelijke deel van de gemeente en in het zuidoostelijke deel goed te herkennen. De Rivierdijk is karakteristiek.

Langs deze dijk is een belangrijk deel van de gemeente drooggelegd. Langs de Rivierdijk is sprake van een verdichting aan lintbebouwing. Deze dichte bebouwing is kenmerkend voor de stedenbouwkundige structuur van het cultuurhistorische lint langs de Rivierdijk. In het lint ziet men een afwisseling van (grotere) historische (woon)boerderijen, aaneengebouwde of vrijstaande woningen. Wat betreft de architectuur van de bebouwing ziet men een afwisseling van traditionele en moderne(re) bebouwing. De gebruikte bouwmaterialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de nieuwbouw overwegend traditioneel. De gebruikte kleuren zijn ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap.

2.2 Huidig gebruik Het perceel Rivierdijk 135-135a betreft een woonperceel langs de Rivierdijk te Hardinxveld-Giessendam. Op het perceel staat een woning (nr. 135), een woonwagen c.q. salonwagen en diverse schuren. De initiatiefnemers van dit plan zijn sinds 1983 woonachtig in deze woonwagen c.q. salonwagen. De schuren worden gebruikt als privéopslag, hobbymatige agrarische activiteiten en het stallen van landbouwmachines voor het onderhoud van het achterliggende grasland.

10

Afbeelding 4: Bestaande situatie Rivierdijk 135-135a Hardinxveld-Giessendam

Tabel 1: Overzicht bestaande bebouwing Bestaande woning Rivierdijk 135 Bestaande woning Rivierdijk 135a (incl. veranda) Blokhut Garage Berging 1 Berging 2 Schuur/dierenverblijf Geitenschuur Schuur 1 Schuur 2 Erfverharding Totaal

Oppervlakte 85 m2 117 m2 8 m2 29 m2 39 m2 46 m2 61 m2 10 m2 95 m2 63 m2 1.650 m2 2.203 m2 11

3

Nieuwe situatie

3.1 Planbeschrijving Het plan is om de huidige gedoogconstructie op te heffen door de bestaande woning Rivierdijk 135a permanent vast te leggen (middels het opnemen van een bouwvlak in het bestemmingsplan). De nieuwe woning bestaat uit maximaal 1,5 bouwlaag met kap (bouw- en goothoogte van 7 meter respectievelijk 4,5 meter). De nieuwe woning heeft een maximale oppervlakte van 180 m2. Het perceel Rivierdijk 135-135a zal op een passende wijze heringericht. Het plan is om twee woonpercelen te realiseren waarbij op beide percelen het hoofdgebouw voor de bijgebouwen op het perceel komt te staan. Hiermee wordt aangesloten bij het dijkprofiel en het karakter van het lint langs de Rivierdijk. Het plangebied wordt kadastraal gesplitst in twee afzonderlijke percelen (Rivierdijk 135 en 135a). De woonwagen c.q. salonwagen en het overgrote deel van de schuren zal worden gesloopt. De twee in goede bouwkundige staat verkerende schuren (met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 150 m2) blijven behouden en worden gekoppeld aan de woning Rivierdijk 135. De overige schuren worden vervangen door één schuur (met een oppervlakte van max. 150 m2) achter de nieuwe vrijstaande woning Rivierdijk 135a (vergunningsvrij).

Het toekomstig gebruik van Afbeelding 5: Nieuwe situatie Rivierdijk 135-135a de nieuwe schuur is privéopslag, hobbymatige agrarische activiteiten en het stallen van landbouwmachines voor het onderhoud van het achterliggende grasland. De bestaande schuur achter de woning Rivierdijk 135 zal worden verbouwd tot mantelzorgwoning (vergunningsvrij). De schoonzus/zus van de initiatiefnemers van het plan zal in de mantelzorgwoning intrekken. De initiatiefnemers zullen zelf in de woning Rivierdijk 135 gaan wonen. De nieuwe vrijstaande woning zal worden bewoond door één van de kinderen van de initiatiefnemers. Hiermee ontstaat een toekomstbestendige woonsituatie waarbij de familie elkaar de benodigde zorg kan verlenen. 12

3.2 Beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing Om de ruimtelijke kwaliteit te behouden dan wel te versterken is het bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied wenselijk zorg te dragen voor een passende vormgeving van de nieuwe bebouwing (beeldkwaliteit) en de inrichting van het plangebied (landschappelijke inpassing). Het plangebied is gelegen in de cultuurhistorisch waardevolle lintbebouwing aan de Rivierdijk. Langs de Rivierdijk is sprake van een verdichting aan lintbebouwing. Deze dichte bebouwing is kenmerkend voor de stedenbouwkundige structuur van het cultuurhistorische lint langs de Rivierdijk. In het lint ziet men een afwisseling van (grotere) historische (woon)boerderijen, aaneengebouwde of vrijstaande woningen. Wat betreft de architectuur van de bebouwing ziet men een afwisseling van traditionele en moderne(re) bebouwing. De gebruikte bouwmaterialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de nieuwbouw overwegend traditioneel. De gebruikte kleuren zijn ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap. De nieuwe vrijstaande woning Rivierdijk 135a zal qua uitstraling passen binnen het agrarische karakter van de omgeving en aansluiten bij de overige bebouwing aan het lint langs de Rivierdijk (landelijke en traditionele uitstraling.

Er zal gebruik worden gemaakt van traditionele (streekeigen) bouwmaterialen of een alternatief met een gelijkwaardige uitstraling. De te gebruiken kleuren zijn ingetogen en in harmonie met de omgeving. De nieuwe vrijstaande woning zal voldoen aan de volgende stedenbouwkundige randvoorwaarden: • • • • • •

De woning heeft maximaal 1,5 bouwlaag met kap; De kapvorm is een zadeldak; De maximale goothoogte is 4,5 meter; De maximale nokhoogte is 7 meter vanaf maaiveldniveau; De maximale bouwdiepte is 15 meter; De maximale beukmaat is 12 meter;

Het plan is om twee woonpercelen te realiseren waarbij op beide percelen het hoofdgebouw voor de bijgebouwen op het perceel komt te staan. Hiermee wordt aangesloten bij het dijkprofiel en het karakter van het lint langs de Rivierdijk. De nieuwe vergunningsvrije schuur achter de nieuwe woning Rivierdijk 135a zal passend in het lint, een ondergeschikte uitstraling krijgen ten opzichte van de vrijstaande woning (het hoofdgebouw). Ook voor de nieuwe schuur zal er gebruik worden gemaakt van traditionele (streekeigen) bouwmaterialen of een alternatief met een gelijkwaardige uitstraling en ingetogen kleuren. De nieuwe bebouwing sluit daarmee qua schaal, maat en materiaal aan bij de omgeving en zal op een passende wijze landschappelijk worden ingepast. Voor de groene inrichting van het erf wordt gebuikt gemaakt van inheemse plantensoorten. Binnen het plangebied worden diverse bomen geplant (langs de sloot knotwilgen en verspreid over het perceel dakplantanen en amberbomen). Het landschap ten noorden van het plangebied kenmerkt zich door een grote mate van openheid en een rechtlijnige structuur van verkaveling omringd door rechte sloten. Dit wordt in de huidige situatie deels aangetast door bestaande bebouwing. 13

Om de beleving van het slagenlandschap en de verhouding tussen bebouwd gebied en agrarisch gebied weer terug in balans te brengen wordt op het achterste deel van beide percelen bebouwing uitgesloten. Ter waarborging van de instandhouding van de kenmerkende landschappelijke openheid, wordt op het noordelijk deel van beide percelen de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ opgenomen. Aan deze dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die het realiseren van gebouwen op deze gronden verbieden. De gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ wordt niet beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, waardoor op deze gronden het realiseren van vergunningsvrije bouwwerken niet is toegestaan. De bestaande schuur binnen de bebouwingsvrije zone mag conform het overgangsrecht blijven staan. Zodra de schuur moet worden vervangen zal deze verder richting de dijk herbouwd moeten worden.

Afbeelding 6: Landschappelijk inpassingsplan en referentiebeelden nieuwe woning

Afbeelding 7: Bebouwingsvrije zone (ten noorden van blauwe lijn)

14

3.3 Verkeer en parkeren Ontsluiting De woningen Rivierdijk 135 en 135a worden in de huidige situatie ontsloten via een stoep op de Onderdijk (Rivierdijk). Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. De woning Rivierdijk 135a is bereikbaar over het perceel Rivierdijk 135. Dit is notarieel vastgelegd (recht van overpad). Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van Beleidsregels parkeernormen Hardinxveld-Giessendam 2022. Hierin is vastgelegd dat de parkeerbehoefte van een nieuwbouwproject wordt berekend op basis van de parkeernormen in het meest recente landelijke parkeerkencijfers van het CROW, de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). De stedelijkheidsgraad wordt bepaald op basis van de adressendichtheid. Op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) valt HardinxveldGiessendam binnen de categorie 'weinig stedelijk'. De CROW hanteert voor parkeerkencijfers een bandbreedte met een minimum en een maximum. De gemeente Hardinxveld-Giessendam hanteert als uitgangspunt voor de toe te passen parkeernormen de maximale bandbreedte van de CROWparkeerkencijfers. De vrijstaande woning kan worden geschaard in de categorie ‘koop, vrijstaand’ en de bestaande woning in de in de categorie ‘koop, twee-onder-een-kap’.

Het CROWbeleid stelt voor deze categorieën in het ‘buitengebied’ van een ‘weinig stedelijk gebied’ een maximale parkeernorm van 2,7 en 2,6 parkeerplaatsen per woning. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van afgerond 6 parkeerplaatsen. Het parkeren wordt volledig op eigen terrein opgelost. Er is binnen het plangebied voldoende ruimte voor het parkeren van minimaal 6 auto’s (zie afbeelding 6).

15

4

Beleidskader

4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is op rijksniveau kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.

16

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt.

Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Het plan voorziet op basis van de huidige juridisch-planologische situatie (lees: het vigerend bestemmingsplan) in de toevoeging van één woning. De initiatiefnemers van dit plan zijn sinds 1983 woonachtig in de woonwagen c.q. salonwagen (Rivierdijk 135a) op grond van een gedoogconstructie. De woning is voor eigen gebruik (kinderen van de initiatiefnemers van dit plan) om te komen tot een toekomstbestendige woonsituatie. Dit sluit aan bij het Rijksbeleid dat mensen de komende jaren langer op zichzelf moeten blijven wonen in plaats van in beschermde woonzorginstellingen. Op basis van bovenstaande jurisprudentie is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is.

17

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie is nadien een aantal keer herzien/gewijzigd. De Provinciale Staten heeft op 1 april 2023 de laatste wijziging doorgevoerd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie ZuidHolland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4.

Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Stedelijke ontwikkelingen De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD).

Conform de Omgevingsvisie kunnen kleinschalige stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied plaatsvinden in 18

aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten (in de bebouwde ruimte). Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in het opheffen van een gedoogconstructie door de woning Rivierdijk 135a permanent vast te leggen (middels het opnemen van een bouwvlak) in het bestemmingsplan. Daarnaast wordt het plangebied op een passende wijze heringericht (o.a. sloop van de woonwagen c.q. salonwagen en een deel van de schuren). Op basis van jurisprudentie is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is.

Afbeelding 7: Uitsnede bestaand stads- en dorpsgebied (BSD)

Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. 19

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de beleidskeuze landschap. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat.

Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten van de beleidskeuze landschap kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten van de beleidskeuze landschap kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving.

Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassing – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie.

20

Het plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het betreft een kleinschalige ontwikkeling die aansluit bij de bestaande gebiedsidentiteit en structuur van het lint. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van de omgeving. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een twee bestaande woonpercelen in het landelijk gebied. Tevens houdt het plan rekening met de relevante richtpunten van de beleidskeuze landschap. Beleidskeuze landschap De provincie zet in op het versterken en benutten van de verschillen tussen de vier groepen landschappen: kustlandschap, veen(weide) landschap, deltarivierenlandschap en stedelijk landschap. De provincie wil de intrinsieke waarde van de verschillende landschappen behouden, beschermen, op passende wijze benutten en beleefbaar maken. Dit betekent dat zorgvuldig moet worden afgewogen welke ontwikkelingen in welk landschap wenselijk zijn. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het in standhouden, benutten, beleven en versterken van bestaande gebiedskwaliteiten. De provincie hecht waarde aan onbebouwde landschappen. De provincie beschermt het landschap tegen ongewenste ontwikkelingen en wil daarmee versnippering en onomkeerbare aantasting van het landschap tegengaan.

De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden, omdat ze landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. De instandhouding en versterking van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde vraagt om toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling. Rivierdeltalandschap Het plangebied is gelegen in het ‘Rivierdeltalandschap’. Ondergrond: Rivierklei en veen De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/ drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Richtpunt ruimtelijke kwaliteit Met het volgende richtpunt wordt rekening gehouden: • Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Veenweidelandschap Het plangebied maakt tevens dele uit van het ‘Veenweidelandschap’. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen.

Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het 21

veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang. Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid. In het oosten van de provincie is het veengebied vermengd met oeverwallen en kommen van het rivierenlandschap. In delen is het voor de oeverwallen kenmerkende fruitteelt aanwezig. De kommen zijn grootschalig met regelmatige (cope)verkaveling, maar gaan al snel over in het veenweidelandschap. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit De volgende richtpunten worden in acht genomen: • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer.

Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Met het volgende richtpunt wordt rekening gehouden: • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. Linten Het plangebied is gelegen in het lint langs de Rivierdijk. Linten vormen een belangrijk onderdeel van het Zuid-Hollandse landschap. De meeste linten hebben een belangrijke cultuurhistorische betekenis en worden vaak gebruikt als recreatieve route. Ontwikkelingen langs de linten dienen daarom zeer zorgvuldig ingepast te worden. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit De volgende richtpunten worden in acht genomen: • Behouden van de doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap. • Kleinschalige nieuwe ontwikkelingen langs linten zijn mogelijk indien er sprake is van de functieverandering van de bebouwing van een perceel, bijvoorbeeld van een agrarische functie naar een woonfunctie (voorheen ‘ruimte voor ruimte’ genoemd). • Linten behouden hun lineaire karakter. Individuele ontwikkelingen door de tijd heen horen bij linten. Inpassen van nieuwe bebouwing op een onbebouwd perceel, kan in een lint, met vrij staande bebouwing met behoud van doorzichten naar het achterliggende landschap. • Het bestaande slotenpatroon behouden.

22

Met de volgende richtpunten wordt rekening gehouden: • Karakter: ontwikkelingen dienen te passen in het karakter van het lint. Dit betekent dat de ontwikkeling aansluit op het profiel van het lint, de maat en schaal van de bebouwing aan het lint en de inpassing van de percelen in het landschap. • Grootschalige ontwikkelingen: bij de uitbreiding van steden of dorpen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Toetsing plan aan ruimtelijke kwaliteitsregels Om te beginnen zorgt dit plan met de sloop van de woonwagen c.q. salonwagen en het overgrote deel van de schuren en de herinrichting van de percelen in een afname aan bebouwing/verharding en daarmee een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Om de ruimtelijke kwaliteit te versterken is bij de uitwerking van het plan zorgvuldig rekening gehouden met de identiteit van de omgeving waarbinnen het plangebied ligt. In de stedenbouwkundige hoofdopzet van plan wordt aangesloten bij de karakteristieken van de cultuurhistorisch waardevolle lintbebouwing aan de Rivierdijk. Langs de Rivierdijk is sprake van een verdichting aan lintbebouwing.

Deze dichte bebouwing is kenmerkend voor de stedenbouwkundige structuur van het cultuurhistorische lint langs de Rivierdijk. In het lint ziet men een afwisseling van (grotere) historische (woon)boerderijen, aaneengebouwde of vrijstaande woningen. Wat betreft de architectuur van de bebouwing ziet men een afwisseling van traditionele en moderne(re) bebouwing. De gebruikte bouwmaterialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de nieuwbouw overwegend traditioneel. De gebruikte kleuren zijn ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap. Het plan is om twee woonpercelen te realiseren waarbij op beide percelen het hoofdgebouw voor de bijgebouwen op het perceel komt te staan. Hiermee wordt aangesloten bij het dijkprofiel en het karakter van het lint langs de Rivierdijk. De nieuwe vrijstaande woning Rivierdijk 135a zal qua uitstraling passen binnen het agrarische karakter van de omgeving en aansluiten bij de overige bebouwing aan het lint langs de Rivierdijk (landelijke en traditionele uitstraling. Er zal gebruik worden gemaakt van traditionele (streekeigen) bouwmaterialen of een alternatief met een gelijkwaardige uitstraling. De te gebruiken kleuren zijn ingetogen en in harmonie met de omgeving.

De nieuwe vergunningsvrije schuur achter de nieuwe woning Rivierdijk 135a zal passend in het lint, een ondergeschikte uitstraling krijgen ten opzichte van de vrijstaande woning (het hoofdgebouw). Ook voor de nieuwe schuur zal er gebruik worden gemaakt van traditionele (streekeigen) bouwmaterialen of een alternatief met een gelijkwaardige uitstraling en ingetogen kleuren. De nieuwe bebouwing sluit daarmee qua schaal, maat en materiaal aan bij de omgeving.

23

Het uitgangspunt van de landschappelijke inpassing is om de huidige waardevolle landschapselementen te behouden dan wel te versterken. Het bestaande slotenpatroon blijft gehandhaafd. Voor de groene inrichting van het erf wordt gebuikt gemaakt van inheemse plantensoorten. Het landschap ten noorden van het plangebied kenmerkt zich door een grote mate van openheid en een rechtlijnige structuur van verkaveling omringd door rechte sloten. Dit wordt in de huidige situatie deels aangetast door bestaande bebouwing. Om de beleving van het slagenlandschap en de verhouding tussen bebouwd gebied en agrarisch gebied weer terug in balans te brengen wordt op het achterste deel van beide percelen bebouwing uitgesloten. Ter waarborging van de instandhouding van de kenmerkende landschappelijke openheid, wordt op het noordelijk deel van beide percelen de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ opgenomen. Aan deze dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die het realiseren van gebouwen op deze gronden verbieden. De gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ wordt niet beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, waardoor op deze gronden het realiseren van vergunningsvrije bouwwerken niet is toegestaan. De bestaande schuur binnen de bebouwingsvrije zone mag conform het overgangsrecht blijven staan.

Zodra de schuur moet worden vervangen zal deze verder richting de dijk herbouwd moeten worden. Kortom, het plan levert een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de Omgevingsvisie hebben de Provinciale Staten op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. De Omgevingsverordening is gelijktijdig met de Omgevingsvisie herzien/gewijzigd. De Provinciale Staten heeft op 1 april 2023 de laatste wijziging doorgevoerd in de Omgevingsverordening ZuidHolland. De Omgevingsverordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9 lid 5).

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt 24

alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. De ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Inpassen In dit licht kan het plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het betreft een ontwikkeling die naadloos aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het bebouwingslint langs de Rivierdijk te Hardinxveld-Giessendam. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van de omgeving. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van twee bestaande woonpercelen. Bij de uitwerking van het plan is rekening gehouden met de relevante richtpunten van de beleidskeuze landschap.

Gebiedsidentiteit Het plan betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren. In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm. De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. De samenhang tussen de onderdelen maakt de identiteit van een gebied. Er vinden geen wijzigingen plaats in de verkeersstructuur, de leefbaarheid van het gebied en/of de waterstructuren. Gebiedseigen De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. Het plan betreft een gebiedseigen ontwikkeling of functie dat naadloos aansluit op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. Beschermingscategorie 3 Buitengebied (artikel 6.9a) 1.

Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. De openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. De relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; 25

c. Het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. De herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels verhard. Het plan is om beide woonpercelen groen in te richten. Voor de groene inrichting van het erf wordt gebuikt gemaakt van inheemse plantensoorten. Het landschap ten noorden van het plangebied kenmerkt zich door een grote mate van openheid en een rechtlijnige structuur van verkaveling omringd door rechte sloten. Dit wordt in de huidige situatie deels aangetast door bestaande bebouwing. Om de beleving van het slagenlandschap en de verhouding tussen bebouwd gebied en agrarisch gebied weer terug in balans te brengen wordt op het achterste deel van beide percelen bebouwing uitgesloten. Ter waarborging van de instandhouding van de kenmerkende landschappelijke openheid, wordt op het noordelijk deel van beide percelen de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ opgenomen. Aan deze dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die het realiseren van gebouwen op deze gronden verbieden.

De gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ wordt niet beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, waardoor op deze gronden het realiseren van vergunningsvrije bouwwerken niet is toegestaan. De bestaande schuur binnen de bebouwingsvrije zone mag conform het overgangsrecht blijven staan. Zodra de schuur moet worden vervangen zal deze verder richting de dijk herbouwd moeten worden. Het plan levert een positieve bijdrage aan de openheid en het groene karakter van het landschap. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10). Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Het plan voorziet op basis van de huidige juridisch-planologische situatie (lees: het vigerend bestemmingsplan) in de toevoeging van één woning. Op basis van jurisprudentie is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is.

26

Risico’s van klimaatverandering (klimaatadaptatie) In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.27a Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Dit plan houdt hier rekening mee, door het plangebied zo groen mogelijk in te richten, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Overstroming Het stijgen van de zeespiegel raakt het project niet direct. De nieuwe woning wordt op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee maximaal wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden.

De nieuwe woning wordt op voldoende afstand van de dijk gerealiseerd, waardoor het plan geen nadelige gevolgen heeft voor de dijk/waterkering. Hitte Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de nieuwe woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Bovendien is vanuit de BENG-norm een goede thermische schil vereist en is het toepassen van een doordacht ventilatiesysteem van groot belang. De installaties in de woning wordt geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels inheemse beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Droogte Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. In de groene inrichting dient te worden gekozen voor type beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie tegengaan. Dit komt naast de klimaatadaptatie de groene uitstraling van het gebied ten goede.

27

4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam 2030 Op 19 februari 2015 heeft de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam de structuurvisie Hardinxveld-Giessendam 2030 vastgesteld. De gemeentelijke structuurvisie is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter die integrale keuzes bevat voor de hoofdlijnen van beleid voor de komende periode. De structuurvisie bouwt voort op de Visie HardinxveldGiessendam, die op 22 maart 2012 na een zeer interactief traject met de bevolking is vastgesteld. De structuurvisie vertaalt deze visie naar de ruimtelijke ontwikkeling van Hardinxveld-Giessendam. De structuurvisie, die vooruitkijkt tot 2030, is eveneens een integraal document en heeft als doel om de verschillende belangen, bijvoorbeeld tussen landschap, woningbouw, maatschappelijke voorzieningen en werkgelegenheid zorgvuldig af te wegen. De structuurvisie biedt een kader waarin aanspraken op de ruimte kunnen worden afgestemd en gecombineerd. Deze structuurvisie is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke en sociale kwaliteiten. Daarnaast is de structuurvisie gericht op het versterken en behouden van de leefbaarheid. Op de woningmarkt van Hardinxveld-Giessendam is sprake van een beperkte doorstroming. Op 27 juni 2019 heeft de raad de Lokale paragraaf Wonen vastgesteld.

Hierin staan vier overkoepelende thema’s centraal: 1. Voldoende woningen bouwen: onze inzet is minimaal voldoende bouwen voor de lokale behoefte, maar liefst meer om bij te dragen aan de kwalitatieve regionale ambitie. De groei moet aansluiten bij de schaal van HardinxveldGiessendam. 2. Kwalitatief goede woningen toevoegen: we willen meer doen voor midden- en hoger opgeleiden door het aanbod van kwalitatief hoogwaardige woonmilieus en duurdere koopwoningen. 3. Langer thuis: voor mensen met een zorgvraag faciliteren we dat zij lang thuis kunnen wonen. 4. Energie- en klimaatbestendig: We leveren onze bijdrage aan minder energieverbruik in de woningvoorraad, door bij nieuwbouw het maximale te doen en in de bestaande voorraad noodzakelijke stappen voorwaarts zetten. In 2035 zijn we aardgasvrij, in 2050 energieneutraal. Het toevoegen van voldoende kwalitatief goede woningen is van belang voor de leefbaarheid, voor de kenmerkende sociale cohesie van Hardinxveld-Giessendam en voor het behoud van werkgelegenheid. Om de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen, zet de gemeente waar mogelijk en gewenst in op herstructurering van bestaande wijken. Naast de grote uitbreidingslocaties komen er met regelmaat inbreidingslocaties vrij, bijvoorbeeld door het uitplaatsen van bedrijvigheid.

In en rond het centrum van Hardinxveld-Giessendam liggen een aantal locaties die aantrekkelijk zijn om te wonen, maar nu nog worden bezet door milieuhinderlijke bedrijven. Naast de ruimtelijke kwaliteitsverbetering resulteert deze ontwikkeling in een toekomstbestendige woonsituatie voor de initiatiefnemers van dit plan. Het Rijk en de gemeente Hardinxveld-Giessendam zet in op langer zelfstandig thuis wonen. 28

Mensen moeten de komende jaren langer op zichzelf blijven wonen in plaats van in beschermde woonzorginstellingen. De bestaande schuur achter de woning Rivierdijk 135 zal worden verbouwd tot mantelzorgwoning (vergunningsvrij). De schoonzus/ zus van de initiatiefnemers van het plan zal in de mantelzorgwoning intrekken. De initiatiefnemers zullen zelf in de woning Rivierdijk 135 gaan wonen. De nieuwe vrijstaande woning zal worden bewoond door één van de kinderen van de initiatiefnemers. Hiermee ontstaat een toekomstbestendige woonsituatie waarbij de familie elkaar de benodigde zorg kan verlenen en derhalve nog jaren op de locatie Rivierdijk kunnen blijven wonen. Met dit bestemmingsplan wordt voor de gemeente een controleerbare toekomstsituatie gecreëerd. Met dit plan komt er een einde aan de sinds januari 1983 geldende gedoogconstructie. Door het opnemen van een bouwvlak en het vastleggen van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen wordt de gewenste duidelijkheid gecreëerd. Het plan betreft een duurzame ontwikkeling. De bestaande woning Rivierdijk 135a voldoet niet meer aan de huidige wooneisen en is aan vervanging toe. De nieuwe woning wordt gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen.

Het plan zal conform de BENG-norm gerealiseerd worden. Deze eis wordt gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. De energievraag wordt zoveel mogelijk ingevuld met een warmtepompsysteem in combinatie met zonne-energie. Het plan is in overeenstemming met de Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam 2030.

29

5

Milieuaspecten

5.1 Milieueffectrapportage (m.e.r) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.- plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Voor de bedoelde gevallen (onder de drempelwaarden bij zgn. D-activiteiten) geldt een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordelingsplicht zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r., op basis waarvan al dan niet de verplichting tot het opstellen van een MER ontstaat. Onderzoek Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit één extra woning. Het ruimtebeslag en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is beperkt en niet substantieel genoeg om aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het besluit m.e.r. De activiteit die het plan mogelijk maakt is niet opgenomen in bijlage C en D van het besluit m.e.r. Een m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-plicht is niet aan de orde. Conclusie Het plan is geen stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. onder categorie D11.2. Dit betekent dat een m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-plicht niet aan de orde is. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/947/documents/30013