CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Energie opslagsysteem Betuwelijn d.d. 10-11-2023.pdf

Gemeenteraad GHG 30 mei 2024, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 13: Aanvraag omgevingsvergunning Zonnepark Betuwelijn - Raadsvoorstel14.516 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin;

2.

de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;

3.

het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap;

4.

de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

3 Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 6.10. Afbeelding 8. Weergave artikel 6.9a uit de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Met de voorgenomen ontwikkeling worden de bestaande karakteristieken van het landschap als uitgangspunt genomen voor de maat, vormgeving en situering van de inrichting van het plangebied. Dat betekent dat de bestaande ruimtelijk structuren en de openheid van het landschap zoveel mogelijk behouden blijven. Hoewel het van oudsher weidse open slagenlandschap ter plaatse van het plangebied al minder beleefbaar is geworden, in tegenstelling tot het landschap ten noorden van de Giessendamse Tiendweg, is gekozen voor lage opgaande beplanting om de openheid niet te verstoren, maar wel het zicht op het zonnepark met een energieopslagsysteem te beperken. In het landschappelijk inrichtingsplan voor Zonnepark Betuwelijn is aandacht besteed aan het bestaande groene karakter van het plangebied en worden maatregelen beschreven om deze nog verder te ontwikkelen en versterken, waaronder zoomvegetatie, rietkragen langs de oevers en enkele groepen wilgenstruiken. Daarmee wordt het plangebied ook aantrekkelijker gemaakt voor verschillende diersoorten. Door de landschappelijke inpassing wordt verder een geleidelijke overgang gerealiseerd van de stedelijke naar groene omgeving. Het plangebied betreft een smal langgerekt perceel, gelegen in het buitengebied net buiten de kern Hardinxveld-Giessendam, tussen de Giessendamse Tiendweg en de Betuwelijn.

Dit maakt het een geschikte locatie voor een zonnepark met een energieopslagsysteem. Door een combinatie te maken met agrarisch gebruik (begrazing door schapen), wordt het plangebied zo multifunctioneel mogelijk gebruikt.

3.3.3 Conclusie provinciaal beleid De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities en doelstellingen van de provincie Zuid-Holland.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 25

3.4 Regionaal beleid 3.4.1 Regionale Energiestrategie Drechtsteden 1.0 Gemeente Hardinxveld-Giessendam is gelegen in de RES-regio Drechtsteden. De RES 1.0 voor de regio Drechtsteden is vastgesteld op 17 mei 2021. In de RES 1.0 zijn de energiedoelstellingen voor de voorgenoemde regio vastgelegd. Het doel voor de regio Drechtsteden is om in 2030 0,37 TWh aan duurzame energie op te wekken. Om het doel te halen wordt ingezet op zon op dak, zonnepanelen in restruimten en de grootschalige opwekking van zonne- en windenergie in vier vastgestelde uitwerkingsgebieden, waaronder langs de Betuwelijn. De capaciteit van het elektriciteitsnet staat in Nederland hierbij onder druk. Realisatie van energieopslagsystemen helpen om congestie op het elektriciteitsnet tegen te gaan.

3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam Op 12 januari 2015 is de structuurvisie voor de gemeente Hardinxveld-Giessendam vastgesteld. In de structuurvisie gaat de gemeente Hardinxveld-Giessendam kort in op het opwekken van duurzame energie. De gemeente wil duurzaamheidsprojecten mede afwegen op basis van de landschappelijke impact. Initiatieven op het gebied van duurzaamheid kunnen namelijk een grote mate impact hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Met het landschappelijk inrichtingsplan voor Zonnepark Betuwelijn wordt erop toegezien dat de gehele ontwikkeling zo min mogelijk impact heeft op de bestaande kwaliteiten van het landschap. Daarnaast wordt ingezet op het versterken van de landschappelijke en ecologische kwaliteiten van het plangebied (zie ook het ‘Landschappelijk inrichtingsplan Zonnepark Betuwelijn’ in bijlage 1). Hiermee is het initiatief in overeenstemming met de structuurvisie van de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Tevens draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan doelstellingen voor de opwek van duurzame energie.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 26

4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de impact van de ontwikkeling op de verschillende waarden beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.

4.2 Natuurwaarden De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. Ten behoeve van de aanvraag van Zonnepark Betuwelijn is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de Wet natuurbescherming. Hiertoe is door Eelerwoude een Toetsing Wet natuurbescherming uitgevoerd. Voorliggend plan is onderdeel van het plangebied voor het zonnepark. Hiertoe zijn de uitkomsten van het onderzoek ook van toepassing op voorliggend plan. Het onderzoek is als bijlage 2 toegevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing. De belangrijkste resultaten van het onderzoek zijn hieronder beschreven.

4.2.1 Soortenbescherming Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting lijden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als gewone pad, bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander, haas, konijn, mol en diverse algemene (spits)muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Gedurende de werkzaamheden en exploitatiefase wordt te allen tijde de Algemene Zorgplicht in acht genomen. Soorten waarvoor géén provinciale vrijstelling geldt Voor zowel voor de ringslang, marterachtigen, poelkikker als rugstreeppad geldt dat binnen het plangebied van het zonnepark geen geschikte biotoop en/of essentieel leefgebied aanwezig is. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen (periode van 1 maart tot 15 juli) uit te voeren. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.

Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 27

In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen (periode van 1 maart tot 15 juli) uit te voeren. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Grote modderkruiper Ten aanzien van streng beschermde vissen zoals de grote modderkruiper zijn negatieve effecten te voorkomen door bij werkzaamheden aan de watergangen te werken buiten de kwetsbare voortplantingsperiode uit te voeren en in één richting te werken. Heikikker, poelkikker en platte schijfhoren Ten aanzien van de heikikker is aanvullend onderzoek aan de orde om uit te wijzen of het plangebied een (essentiële) functie heeft voor de soort. De heikikker is opgenomen als soort in artikel 3.5, onderdeel Habitatrichtlijn. Het doden maar ook het opzettelijk verstoren van de soort valt bij ruimtelijke ontwikkelingen onder de verbodsbepaling. Op basis van de beschikbare informatie en na overleg met de omgevingsdienst Zuid Holland Zuid kon geen uitsluitsel worden gegeven over de betekenis van het plangebied voor heikikker, poelkikker, rugstreeppad, kleine modderkruiper, grote modderkruiper, bittervoorn en platte schijfhoren.

Als het plangebied geschikt is voor heikikker, poelkikker, rugstreeppad, grote modderkruiper of platte schijfhoren kan naar het oordeel van het bevoegd gezag een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. Om uitsluitsel te kunnen geven over de betekenis van het plangebied voor deze soorten is in 2023 nader onderzoek uitgevoerd door Waardenburg Ecology. Dit onderzoek heeft als doel de eventuele functie(s) van het plangebied voor beschermde soorten in kaart te brengen en mogelijke effecten op deze soorten te toetsen in het kader van de Wet natuurbescherming (gebieden- en soortenbescherming). Uit het onderzoek kwam naar voren dat heikikker, poelkikker en platte schrijfhoren aanwezig kunnen zijn op het perceel of in de watergangen en/of verstoord kunnen worden door de werkzaamheden voor de bouw van het zonnepark en het energieopslagsysteem. De belangrijkste aanbevolen maatregelen voor de betreffende diersoorten zijn aanleg van natuurcompensatie in de oostelijke punt en het plaatsen van een amfibiënscherm ten behoeve van afvangen en verplaatsen van amfibieën tijdens de bouw. Voor broedvogels geldt dat, als deze aanwezig mochten zijn, er gewerkt kan worden binnen het broedseizoen indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord.

In het separaat bijgevoegde rapport ‘Activiteiten en nader ecologische onderzoek Zonnepark Betuwelijn’ is meer informatie rondom het vervolgonderzoek te vinden. Separaat bijgevoegd is ook de aanvraag voor de ontheffing Wet natuurbescherming Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied. Bij werkzaamheden aan de watergangen rond het gebied betreft dit bijvoorbeeld het werken in één richting, zodat individuen zich kunnen verplaatsen naar ruimte buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 28

4.2.2 Gebiedsbescherming Niet-stikstofgerelateerde effecten In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstofgerelateerde effecten Een stikstofberekening is noodzakelijk om aan te tonen dat de tijdelijke stikstofdepositie, die wordt veroorzaakt door de bouwwerkzaamheden, geen significant negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Daarnaast wordt de bouw van het energieopslagsysteem uitgevoerd met zo duurzaam mogelijke (indien mogelijk elektrisch) mobiele werktuigen. Door Eelerwoude is een stikstofberekening uitgevoerd, welke separaat is bijgevoegd.

4.2.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.

4.2.4 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied en het omliggende gebied maken geen onderdeel uit van het NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake. Tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

4.2.5 Conclusie Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Voor de heikikker, poelkikker en platte schijfhoren is een ontheffing aangevraagd. Deze aanpak is besproken met en akkoord bevonden door de toetsende instantie (omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid).

4.3 Archeologie Aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Uit de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hardinxveld-Giessendam blijkt dat binnen het plangebied hoge archeologische waarden (o.a. twee AMK terreinen) aanwezig te zijn. Ter plaatse van het beoogde energieopslagsysteem is een van deze AMK-terreinen gelegen. Ten behoeve van voorliggend plan is door Vestigia een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. In het onderzoek is bekeken of de bodemingrepen als gevolg van de realisatie van het zonnepark en de daarbij horende technische installaties, waaronder het energieopslagsysteem, voor disproportionele verstoringen in de Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 29

ondergrond zorgen. Er zijn verschillende bodemingrepen te onderscheiden: het slaan van de funderingspalen voor de panelen en het hek, de realisatie van de technische installaties en het ingraven van de kabels. In het archeologisch vooronderzoek is het verstoringsoppervlak in percentages berekend. Voor de funderingspalen van de pv-panelen is het verstoringsoppervlak circa 0,05% en voor de palen van het hekwerk geldt dat het verstoringsoppervlak circa 0,03% bedraagt. Het inkoopstation en transformatorstation zorgen samen voor een oppervlak van circa 0,14%. Tot slot bedragen de in te graven kabels een oppervlak van circa 0,3%. In totaal is het verstoringsoppervlak van alle bodemingrepen dus circa 0,52%. Wanneer deze getallen uit het rapport van Vestigia worden doorberekend voor het energieopslagsysteem, dan komt dit op een verstoring van circa 0,60%. Binnen het plangebied worden twee energieopslagsystemen van 5 MW gerealiseerd. Elk systeem heeft een oppervlakte van circa 300 m 2, waarmee de totale verstoring van het energieopslagsysteem op 600 m2 komt, welke gelijk staat aan ongeveer 0,60%2. De totale verstoring van zowel het zonnepark als het energieopslagsysteem komt hiermee uit op ongeveer 1,12%. In Nederland wordt een verstoringsgraad van minder dan 2% als acceptabel gezien vanuit het perspectief van de archeologische monumentenzorg.

Hoewel de exacte plannen nog niet bekend zijn, en enkele van de bovengenoemde genoemde maten indicatief zijn, is het zeker dat deze acceptatiegrens niet zal worden overschreden. Als het gaat om de mogelijke risico’s ten aanzien van de verstoring van archeologisch relevante lagen in ondergrond, is het daarnaast van belang te letten op de diepte tot waar verschillende soorten bodemingrepen reiken. Geconcludeerd kan worden dat de verstorende werkzaamheden (tot 2,0 m-mv - met een buffer van 30 centimeter: 2,3 m-mv) het bekende archeologisch relevante niveau (de donken, vanaf 3 m-mv) niet zullen bereiken. Het perceel is daarnaast bij de aanleg van de Betuwelijn al uitgebreid in kaart gebracht. Deze eerdere kartering, gecombineerd met het feit dat er geen ingrepen beneden 3 meter vanaf het maaiveld wordt uitgevoerd, maken dat de kans op archeologische verstoring minimaal is. Gezien het voorgenoemde wordt vervolgonderzoek niet benodigd geacht.

2 De berekening voor de verstoring van het energieopslagsysteem betreft een berekening welke gebaseerd is op basis van de

methodiek en uitkomsten uit het archeologisch rapport van Vestigia d.d. 6 april 2021. Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 30

Afbeelding 9. Weergave van de archeologische verwachtingswaarde ter plaatse van het plangebied. Roze cirkel betreft de locatie van het energieopslagsysteem.

4.4 Cultuurhistorische waarden Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het projectgebied worden meegewogen bij een afwijkingsbesluit in het kader van de Wro. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De provincie Zuid-Holland beschikt over een cultuurhistorische atlas. Op de kaart is te zien dat aan (de omgeving van) het plangebied verschillende waarden zijn toegekend. Zo wordt de Giessendamse Tiendweg gekenmerkt als een historisch-landschappelijke lijn van zeer hoge waarde. Deze waarde wordt toegekend aan zeldzame lijnelementen, zoals tiendwegen. Hoewel men vanaf de Giessendamse Tiendweg wel zicht heeft op het plangebied, is deze niet gelegen in het plangebied. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de cultuurhistorische waarden van deze Tiendweg dan ook niet aangetast. Daarnaast wordt het plangebied in de cultuurhistorische atlas gekenmerkt als veenontginning van redelijk hoge waarde. Door de komst van de Betuwelijn is het karakteristieke slagenlandschap op deze locatie echter verdwenen. Daarnaast heeft de Betuwelijn de beleving vanuit de Tiendweg wezenlijk beïnvloed. Zodoende is de cultuurhistorie op deze locatie al grotendeels verloren gegaan.

De komst van het zonnepark zorgt ervoor dat het zicht op de Betuwelijn deels wordt weggenomen, waardoor het uitzicht vanaf de Tiendweg wordt verzacht en er een geleidelijke overgang ontstaat van de stedelijke omgeving naar het karakteristieke slagenlandschap ten noorden van het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling wordt voor wat betreft cultuurhistorische waarden dan ook uitvoerbaar geacht.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 31

Afbeelding 10. Uitsnede cultuurhistorische atlas Zuid-Holland ter plaatse van het plangebied (blauw omlijnd) en energieopslagsysteem (roze cirkel).

4.5 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het projectgebied beoordeeld. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorzieningen tegen toenemende droogte. • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 32

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Waterschap Rivierenland Waterschap Rivierenland heeft het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld in 2021. In dit plan licht het waterschap de doelen en ambities voor deze periode. Daarnaast gaat de organisatie in op de aanpak van deze doelen en welke maatregelen nodig zijn om deze te behalen. Het waterbeheerprogramma is de tactische vertaling van de watervisie 2050, het strategisch kader voor de langere termijn. Dit resulteert in een aantal principes om belangen af te wegen, opgaven te prioriteren en heldere beleidskeuzes te maken richting 2050. Dit zijn: • De natuurlijke kenmerken van de ondergrond vormen het uitgangspunt van het werk van het waterschap. • Water is bepalend voor de inrichting van het gebied.

• We zijn zuinig op water en grondstoffen. • Bescherming van het gebied tegen overstromingen is de focus. • We pakken uitdagingen op binnen deze generatie en wentelen niet af. • Waterbeheer van de toekomst: we maken maatschappelijk verantwoorde keuzes. • Met elkaar zorgen voor een toekomstbestendig rivierengebied. Met bovenstaande principes werkt het waterschap aan veilige daken en een evenwichtig watersysteem. De doelen en principes vinden onder andere een concretere doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap: de Keur, Legger, stimuleringsmiddelen en communicatie. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen, behorende bij de regels van de Keur, vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 33

Afbeelding 11. Uitsnede legger Waterschap Rivierenland met de locatie van het energieopslagsysteem (roze cirkel).

Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De leggerkaart is geraadpleegd (zie afbeelding 12). Het plangebied wordt geheel omgeven door een Awatergang. A-watergangen zijn in eigendom en beheer van het waterschap en langs de watergangen liggen beschermingszones. Deze dienen vrijgehouden te worden voor onderhoud en beheer aan watergangen. In voorliggend plan worden, in overleg met het waterschap, aan de noordzijde droge rietoevers ingericht. Deze rietoevers aan de noordzijde worden beheerd door Novar. De beschermingszones blijven echter bereikbaar voor het waterschap. Om overtollig water op het perceel af te voeren en overlast te voorkomen, wordt ondiepe drainage op circa 40 cm diepte aangelegd. Deze wordt aangelegd onder de huidige greppels (welke worden gedempt) met een afvoer naar de watergang rondom het plangebied. Door de drainage is de ondergrond geschikt voor de plaatsing van panelen en het (met de grondeigenaar en gemeente afgesproken) agrarisch medegebruik. Daarnaast wordt bij de ingang van het park een nieuwe duiker aangelegd, zodat het zonnepark via deze weg goed toegankelijk is voor hulpdiensten zoals brandweervoertuigen. Het waterschap is middels een watertoets op de hoogte gesteld van het plan. Watertoets Op 9 maart 2023 is voor de beoogde ontwikkeling afstemming gezocht met waterschap Rivierenland door middels van het uitvoeren van de digitale watertoets.

Uit de watertoets is gebleken dat de normale procedure van toepassing is. Watervergunning Ten behoeve van de verschillende werkzaamheden die benodigd zijn voor de aanleg van het zonnepark wordt door Novar een vergunning aangevraagd. Hierbij gaat het onder andere om de aanleg van een duiker bij de ingang van het park, aanpassingen aan duikers, het plaatsen van een hekwerk op de duikers, het aanleggen van een inrit/verharding en bijbehorende verhardingscompensatie.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 34

5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: • Bodem. • Geluid. • Luchtkwaliteit. • Externe veiligheid. • Bedrijven en milieuzonering. • Verkeer en parkeren. • Vormvrije m.e.r.-beoordeling. • Kabels en leidingen. • Elektromagnetische straling.

5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan moet worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Om de bodemkwaliteit binnen het plangebied te bepalen is de kaart uit het online bodemloket gebruikt. Op deze kaarten zijn gebieden aangewezen waar (mogelijk) sprake is geweest van bodemverontreiniging. Ook is informatie van uitgevoerde bodemonderzoeken raad te plegen. Op deze kaart is te zien dat de bodemkwaliteit op enkele plaatsen al is onderzocht. Daarnaast is op een zeer klein vlak binnen het plangebied nader onderzoek benodigd in verband met de demping van puin, bouw- en/of sloopafval in het verleden. Hoewel een zonnepark en een energieopslagsysteem geen gevoelige objecten zijn, en hier in principe geen bodemonderzoek voor noodzakelijk is, wordt wel een 0-meting uitgevoerd voorafgaand aan de bouw van het energieopslagsysteem.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 35

Afbeelding 12. Uitsnede kaart bodemloket ter plaatse van het plangebied (rood omlijnd).

5.3 Geluid Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende drie punten worden voldaan: • de normen uit de Wet geluidhinder worden in acht genomen; • bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; • op en rond het projectgebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat bij nieuwe ruimtelijke plannen inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh stelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een geluidzone de grenswaarden uit de Wgh in acht genomen moeten worden, wat betreft de geluidsbelasting van de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Een energieopslagsysteem is geen geluidgevoelige functie. Met de realisatie van het energieopslagsysteem worden ook geen geluidgevoelige functies aangebracht, waardoor het energieopslagsysteem zelf geen bescherming tegen geluidsoverlast vereist.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden de richtafstanden uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden. Voor transformatorstations met een vermogen minder dan 10 MVA geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid. Transformatorstations met een vermogen tot 100 MVA geldt een richtafstand van 50 meter. Binnen het energieopslagsysteem worden twee omvormers van 5 MVA, twee transformator van 5 MVA en in totaal vier batterijrekken met veertien batterijen geplaatst. Hier kan tevens een vergelijking worden gemaakt met ‘elektriciteitsdistributiebedrijven’. Vanwege de geluidsproductie van de batterijen, een bronvermogen van 80 dB(A), wordt over het algemeen een richtafstand van 200 meter aangehouden. De grens van het bouwvlak van dichtstbijzijnde woning (Zwijnskade 10) is gelegen op een afstand van circa 200 meter van de grens van het energieopslagsysteem. Het Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 36

energieopslagsysteem wordt dus op minimaal 200 meter gerealiseerd vanaf de dichtstbijzijnde woningen, waardoor er geen sprake zal zijn van geluidshinder door het energieopslagsysteem.

5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Om te berekenen of de ontwikkeling met het aantal verkeersbewegingen een negatieve impact heeft op de luchtkwaliteit, is er een NIBM-tool ontwikkeld. In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op grond van de NIBM-tool is een ontwikkeling ‘in betekenende mate’ bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 800 per dag (met 5% aandeel vrachtverkeer). In de voorgenomen ontwikkeling wordt een energieopslagsysteem gerealiseerd. Dit leidt niet tot een sterke toename van het aantal verkeersbewegingen. Tijdens de bouwperiode neemt het aantal verkeersbewegingen tijdelijk toe, maar blijft ruimschoots onder de 800 per dag.

Gedurende de exploitatiefase neemt het aantal verkeersbewegingen weer af en beperkt tot het beheer en onderhoud van het energieopslagsysteem. Hiermee leidt de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit én kan de ontwikkeling als ‘niet in betekenende mate’ worden gezien. Op basis hiervan wordt gesteld dat nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.

5.5 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de risico's voor de omgeving ten gevolge van een ongeval bij de productie, opslag en het transport van gevaarlijke stoffen en de kans dat hierbij dodelijke slachtoffers vallen. In het geval van een ruimtelijk plan dient het milieuaspect externe veiligheid onderzocht te worden. Het plan voornemen kan risicobronnen in het kader van externe veiligheid mogelijk maken en bestaande risicobronnen kunnen invloed hebben op het plan. Deze risico's moeten worden beschouwd om te onderzoeken of het planvoornemen voldoet aan de geldende normen. Beleidskader Het landelijke beleidskader valt uiteen in verschillende besluiten en regelingen voor de verschillende type risicobronnen. Risicobronnen in het kader van Externe veiligheid zijn inrichtingen (bedrijven met gevaarlijke stoffen), infrastructuur zoals auto-, spoor- of vaarwegen en buisleidingen voor het transport van aardgas. • Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). • Voor transportroutes over de weg, het water en het spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). • Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). • Daarnaast is in sommige gevallen het Activiteitenbesluit milieubeheer en/of het Vuurwerkbesluit van toepassing.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 37

Toetsingskader Externe veiligheid (geldt voor Bevi, Bevt en Bevb) maakt onderscheid tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. • Het plaatsgebonden risico kan beperkingen opleggen voor de bouw van (beperkt) kwetsbare objecten. Zoals woningen, kantoren en andere gebouwen waarin personen aanwezig zijn. Voor het bouwen van kwetsbare objecten geldt de plaatsgebonden risicocontour van 1*10-6 per jaar als grenswaarde. • Het groepsrisico is de kans dat een groep mensen komt te overlijden in de omgeving van een risicobron. Door de ontwikkeling van een planvoornemen kan het groepsrisico van de risicobron toenemen. Het groepsrisico wordt bepaald voor zowel de huidige situatie als de situatie na ontwikkeling van het planvoornemen. Het groepsrisico wordt weergegeven ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Wanneer sprake is van een toename van het groepsrisico (een verhoging ten opzichte van de oriëntatiewaarde tussen de bestaande situatie en toekomstige situatie) is het bevoegd gezag conform de bovengenoemde besluiten (Bevi, Bevt en Bevb) verplicht het groepsrisico in meer of mindere mate te verantwoorden. In de verantwoording groepsrisico. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Een energieopslagsysteem en/of zonnepark is geen kwetsbaar object. Ook is een zonnepark conform het Bevi, Bevt, en/of het Bevb niet te kwalificeren als een risicobron in het kader van externe veiligheid.

Daarnaast is een energieopslagsysteem niet aangemerkt als vergunningplichtige inrichting op basis van het Bevi. Wel zorgt het energieopslagsysteem voor de opslag van energie middels batterijen. De technische installaties bij een energieopslagsysteem zijn vergelijkbaar met omvormers en transformatoren van het zonnepark. Voor een energieopslagsysteem wordt gebruik gemaakt van lithium-ion accu’s. Voor deze accu’s is een Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 37-1) in juli 2023 vastgesteld. Deze PGS-richtlijn heeft betrekking op energieopslagsystemen. De initiatiefnemer voldoet met de realisatie van het energieopslagsysteem bij Zonnepark Betuwelijn aan de PGS 37-1. In de PGS zijn veiligheidsafstanden opgenomen voor wat betreft de brandveiligheid van energieopslagsystemen en de daarbij horende batterijen/accu’s. Voorliggend initiatief voldoet aan de vastgestelde richtlijnen conform de PGS 37-1. De normen vanuit de PGS 37-1 worden gevolgd, zodat het ontwerp aansluit op de veiligheidsafstanden tussen de batterijen en kavelgrens. Net als bij het zonnepark kan, afhankelijk van het type energieopslagsysteem, brand een mogelijk risico zijn. Hiervoor is overleg gevoerd met de veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. In overleg met de Veiligheidsregio worden afspraken gemaakt over hoe te handelen wanneer zich een calamiteit voordoet.

Binnen het plangebied worden voor het energieopslagsysteem en het zonnepark verschillende voorzieningen getroffen in het kader van brandveiligheid. Zo wordt een bluswatervoorziening gerealiseerd. Daarnaast worden meerdere blusputten gerealiseerd bij de ingang en langs het onderhoudspad. Deze kennen opstelplaatsen voor de hulpdiensten. Elke opstelplaats dekt een gebied met een 60 meter radius (zoals voorgeschreven door de veiligheidsregio). Bij calamiteiten is het park ook van twee kanten bereikbaar via de duikers aan de zuidzijde en zuidoostzijde (calamiteitenpad van ProRail). Daarmee wordt het plan voor wat betreft de externe veiligheid uitvoerbaar geacht.

5.6 Bedrijven en milieuzonering In zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid is het behouden en bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu een belangrijke doelstelling. Milieuzonering is hiervoor een belangrijk instrument. Milieuzonering betreft het aanbrengen van voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen, en anderzijds milieugevoelige functies zoals wonen en recreëren. Meestal bestaat deze ruimtelijke scheiding uit het houden van een bepaalde afstand tussen deze milieubelastende en Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 38

milieugevoelige functies. De grootte van de onderlinge afstand is afhankelijk van de mate van milieubelasting: een hogere belasting leidt tot een grotere afstand tussen de verschillende functies. Milieuzonering heeft twee doelen: • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies. • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in eerste instantie doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Voor een energieopslagsysteem zijn geen richtafstanden opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Wel kan een vergelijking worden gemaakt met ‘elektriciteitsdistributiebedrijven’. De grootste richtafstand hiervoor is 50 meter. Echter, vanwege de geluidsproductie van de batterijen, een bronvermogen van 80 dB(A), wordt over het algemeen een richtafstand van 200 meter aangehouden. De dichtstbijzijnde woning (Zwijnskade 10) is gelegen op een afstand van circa 200 meter. Het energieopslagsysteem wordt dus op minimaal 200 meter gerealiseerd vanaf de dichtstbijzijnde woningen.

Het aspect milieuzonering levert geen belemmeringen op voor de ontwikkeling.

5.7 Verkeer en parkeren De realisatie van het energieopslagsysteem leidt niet tot een significante toename in verkeer. Enkel gedurende de aanleg- en ontmantelingsfase zal er tijdelijk een toename zijn van het aantal verkeersbewegingen. Tijdens de looptijd van het energieopslagsysteem beperkt het extra verkeer zich tot het beheer en onderhoud van het zonnepark. Dit beperkt zich tot een aantal keren per jaar. Het energieopslagsysteem wordt, als onderdeel van het zonnepark, ontsloten aan het Betuwepad, aan de zuidzijde van het plangebied. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om te parkeren ten tijde van onderhoud.

5.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt erop neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst, deze aangeeft of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een m.e.r. gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct gekozen worden voor m.e.r.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 39

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het project maakt de realisatie van een energieopslagsysteem mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling is niet opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het energieopslagsysteem betreft bijvoorbeeld geen landinrichtingsproject (D9). De ontwikkeling van een energieopslagsysteem valt pas onder deze categorie als deze onderdeel uitmaakt van een groter landinrichtingsproject (het project dient een voldoende substantieel karakter te hebben). Ook valt het project niet onder categorie D22.1. Hiervan is sprake bij de oprichting, wijziging of uitbreiding van een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water. Het energieopslagsysteem is rechtstreeks verbonden met het naastgelegen zonnepark en slaat alleen energie op. Daarnaast is uit de uitspraken gebleken dat een energieopslagsysteem evenmin kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (cat. D 11.2).

Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Tot slot zijn in categorie D 24.1 en D 24.2 de realisatie van hoogspanningsverbindingen opgenomen, bij een spanning van 150 kilovolt of meer, en ligging in een gevoelig gebied. Hier zijn lange trajecten bedoelt, zoals ook blijkt uit de drempelwaarde van 5 kilometer. Voor het voorgenomen plan is geen m.e.r.-beoordeling of vormvrije m.e.r. benodigd. Het energieopslagsysteem valt niet onder het Besluit milieueffectrapportage. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiële effecten leidt het voorliggende project ook niet tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het project en zijn directe omgeving.

5.9 Kabels en leidingen Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse kabels en planologisch relevante leidingen. Ten westen van het plangebied voor het energieopslagsysteem en zonnepark is een hoogspanningsmast aanwezig. Het plangebied ligt echter buiten de veiligheidszone (2x24 meter vanuit het hart van de lijnen). In het meest westelijke deel van het park ligt wel een veiligheidszone van Tennet waar geen gevoelige objecten mogen worden geplaatst. Van dergelijke objecten is bij een zonnepark echter geen sprake, waardoor deze veiligheidszone geen belemmering vormt. Tevens wordt het energieopslagsysteem buiten deze zone gerealiseerd. Daarnaast ligt in het westelijke punt van het zonnepark eveneens een drinkwaterleiding van Oasen. Deze leiding kent een vrijwaringszone van 5 meter aan beide zijden. In het landschappelijk inrichtingsplan voor Zonnepark Betuwelijn is hier rekening mee gehouden door de realisatie van een groene zone. Door deze groene zone is de afstand van installaties, zoals het energieopslagsysteem met een mogelijke elektromagnetische werking tot de drinkwaterleiding aanzienlijk (30 meter of meer). Voorafgaand aan de uitvoering wordt desondanks samen met Oasen een plan van aanpak opgesteld, om te voorkomen dat er negatieve effecten op de drinkwaterleiding ontstaan.

5.10 Elektromagnetische straling Zowel bij de omvormers als de transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische (ELF-EM) velden ontstaan. Voor elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgsprincipe waarbij bij woningen een grens aan de veldsterkte wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 40

(μT). De GGD adviseert om ook bij ander bronnen van ELF-EM velden, zoals onderstations en transformatorhuisjes, dit voorzorgsprincipe te hanteren. Vandaar het advies om dit voorzorgsprincipe ook te hanteren bij de ontwikkeling van een zonneparken door de afstand van onderstations en transformatorhuisjes tot woningen en gevoelige bestemmingen zo te kiezen dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 μT komt. In het RIVM ‘Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen’ (RIVM-rapport 609300011/2009) wordt aandacht besteed aan elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations. De sterkte van deze velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT wordt bereikt op een afstand van maximaal 7 meter van onderzochte transformatorstations. Gezien de afstand van de transformatoren tot omliggende functies wordt ruim voldaan aan deze richtlijn. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De woningen rondom het plangebied staan op geruime afstand van het energieopslagsysteem, waarmee kan worden aangenomen dat elektromagnetische straling geen gezondheidsrisico vormt en dus niet leidt tot een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling

5.11 Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 41

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke, maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan omschreven.

6.2 Ruimtelijke uitvoerbaarheid In de voorgaande hoofdstukken is omschreven op welke manier het voorgenomen plan past binnen het relevante gemeente-, regionale en landelijke overheidsbeleid. Ook is het plan getoetst aan de verschillende waarden en milieuaspecten. Hieruit is gebleken dat er voor de uitvoering van het project geen ruimtelijke en milieukundige belemmeringen zijn. Op dit aspect is het project dan ook uitvoerbaar.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.3.1 Omgevingsproces Novar betrekt vanaf het begin de omgeving en belanghebbende organisaties, zoals het waterschap, gemeente Hardinxveld-Giessendam en de Veiligheidsregio, om voorliggend plan beter te maken. Ten behoeve van de realisatie van Zonnepark Betuwelijn, waar voorliggend initiatief onderdeel van uit gaat maken, is een participatieplan opgesteld. Het participatieplan is gekoppeld aan het omgevingsproces van Zonnepark Betuwelijn.

6.3.2 Vooroverleg In het kader van artikel 3.1.1 Bro wordt het plan voorgelegd aan de vooroverlegpartners, waaronder: Het Rijk Geoordeeld is dat dit ruimtelijke plan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Zuid-Holland Het plan wordt voor vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro, toegezonden aan de provincie Zuid-Holland. Waterschap Rivierenland Waterschap Rivierenland is middels de digitale watertoets op de hoogte gesteld van het plan.

6.3.3 Zienswijzen De ontwerp omgevingsvergunning wordt voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. Na deze termijn wordt het resultaat van de terinzagelegging in deze ruimtelijke onderbouwing weergegeven.

6.4 Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal gemeente Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Het bouwplan is geen aangewezen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening. Een exploitatieplan is dan ook niet nodig. Wel dient verhaal van planschadekosten te worden verzekerd. Zodoende heeft Novar een Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 42

planschadeovereenkomst gesloten met de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Hierin is het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente Hardinxveld-Giessendam volledig is verzekerd. Financiering zonnepark De realisatie van het energieopslagsysteem bij Zonnepark Betuwelijn doen de initiatiefnemers voor eigen rekening en risico.

6.5 Conclusie Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat het voorgenomen plan ruimtelijk, maatschappelijk en economisch uitvoerbaarheid is. De voorgenomen ontwikkeling kan dus gerealiseerd worden.

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 43

Bijlagen 1) 2) 3) 4)

Landschappelijk inrichtingsplan Zonnepark Betuwelijn Toets Wet natuurbescherming Zonnepark Betuwelijn Stikstofrapportage realisatie energieopslagsysteem Watertoets

Energieopslagsysteem | Eelerwoude | 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/912/documents/28890