CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke motivering Parallelweg 109c, Hardinxveld-Giessendam.pdf

Gemeenteraad GHG 9 juli 2026, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 13: Bindend advies over omgevingsvergunning Parallelweg 109c38.182 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De criteria voor het beoordelen van de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten worden beschreven in afdeling 8.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze beoordelingsmaatstaven zijn vastgesteld binnen het aanvullingsspoor Natuur.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN) De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Ook is het gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van aanwezige dier- en plantensoorten, typen natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden maken del uit van het NNN. Het NNN omvat niet alleen natuurgebieden op land, maar omvat ook alle grote wateren in Nederland, zoals de grote rivieren, het IJsselmeer en de Waddenzee. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan.

2

‘Vergunningplicht Natura 2000-activiteit’, aandeslagmetdeomgevingswet.nl

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

28/46

Activiteiten in deze gebieden mogen alleen plaatsvinden indien ze geen nadelige effecten hebben op de essentiële kenmerken of waarden van het gebied, of als dergelijke effecten kunnen worden voorkomen of verminderd door het implementeren van mitigerende maatregelen. Bijzondere natuurgebieden en landschappen Naast de Natura 2000-gebieden heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de bevoegdheid om bijzondere nationale natuurgebieden aan te wijzen, zoals vastgelegd in artikel 2.44, lid 2 van de Omgevingswet. Daarnaast kan de provincie in de omgevingsverordening specifieke provinciale natuurgebieden en landschappen als bijzonder aanwijzen, conform artikel 2.44, lid 5 van de Omgevingswet. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet worden tal van dier- en plantensoorten beschermd, met aandacht voor soorten van Europees belang die vallen onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn, evenals bepaalde soorten van nationaal belang. De bescherming van soorten vindt zowel binnen als buiten het NNN plaats. Deze bescherming kan variëren van wet- en regelgeving tot concrete maatregelen die gericht zijn op het behouden, vestigen of uitbreiden van populaties van verschillende soorten. In overeenstemming met artikel 2.18, lid 1, sub f van de Omgevingswet rust de primaire verantwoordelijkheid hiervoor doorgaans bij de provincies.

Niettemin hebben ook decentrale overheden de mogelijkheid actief beleid te voeren, bijvoorbeeld door het opstellen van programma's voor soortenbescherming. Door de strike formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving worden nagegaan of er specifieke soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Zoals eerder aangegeven, wordt in hoofdstuk 11 van het Bal bepaald wanneer een omgevingsvergunning vereist is. Stikstof Stikstofemissie betreft de uitstoot van stikstof, afkomstig van bijvoorbeeld verkeer, energiecentrales en industriële activiteiten. Stikstofdepositie is de neerslag van stikstof op de grond. Met name voor de natuur vormt dit een uitdaging, omdat het de bodem verrijkt met voedingsstoffen, wat nadelig is voor de biodiversiteit in het betreffende gebied. Het behoud van alle planten- en diersoorten vereist zowel voedingsrijke als voedingsarme bodems. Wanneer een project zich nabij een Natura 2000-gebied bevindt en potentieel significante stikstofuitstoot en depositie kan veroorzaken, is het verplicht een stikstofberekening uit te voeren (voor de bouw- en/of gebruiksfase) met behulp van het rekeninstrument AERIUS. In artikel 4.15 van de Omgevingsregeling staat deze methode vermeld voor het berekenen van stikstofdepositie bij Natura 2000-activiteiten.

Om het project te kunnen uitvoeren, mogen de berekende resultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Wanneer aan deze voorwaarde wordt voldaan, kunnen negatieve significante effecten op het betreffende Natura 2000-gebied op voorhand worden uitgesloten, waardoor het project op basis daarvan kan worden voortgezet. Houtopstanden Bomen en bossen vallen onder ‘houtopstanden’ en vervullen belangrijke en unieke functies in de fysieke leefomgeving, zoals het invangen van fijnstof, de opslag van koolstofdioxide, het bergen van water of het verminderen van grote temperatuurschommelingen in stedelijk gebied, en het vormen van een belangrijk leefgebied voor tal van planten en diersoorten. Gezien de langdurige ontwikkelingstijd van bossen is hun bescherming van aanzienlijk belang. De bescherming van houtopstanden is daarom vastgelegd in de Omgevingswet. De regelgeving omtrent de bescherming van houtopstanden is opgenomen in Afdeling 11.3 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal). Conform artikel 11.126 van het Bal is het kappen van houtopstanden onderworpen aan een algemene meldplicht. Daarnaast geldt op basis van artikel 11.129 van het Bal een verplichting tot herbeplanting voor houtopstanden met een oppervlakte van 10 are of meer, evenals voor bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogenaamde 'bebouwingscontour houtkap'.

De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het omgevingsplan, zoals bepaald in artikel 5.165, lid b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bovendien is er een specifieke zorgplicht (artikel 11.116 van het Bal)

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

29/46

van toepassing op het kappen van houtopstanden, het herbeplanten van grond, of na het tenietgaan van een houtopstand op andere wijze. 4.6.2 Onderzoek Voor het plangebied is eerder een verkennend ecologisch onderzoek (quickscan flora en fauna) uitgevoerd door BRO, aangevuld met soortgericht vervolgonderzoek. De belangrijkste conclusies worden hier samengevat. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Sinds de uitvoering van deze onderzoeken is het juridisch kader gewijzigd door de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De bescherming van natuurgebieden en soorten is daarbij inhoudelijk grotendeels gelijk gebleven. Daarnaast is de feitelijke situatie in en rond het plangebied niet gewijzigd. Verder is de voorgenomen ontwikkeling kleiner van omvang dan eerder onderzocht (één woning in plaats van een twee-onder-eenkapwoning). De eerdere onderzoeken vormen daarmee een conservatieve beoordeling. Gelet hierop zijn de uitgevoerde onderzoeken nog voldoende actueel en representatief voor de beoordeling van het plan. Natura 2000

Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, de Biesbosch, ligt op circa 1,5 kilometer afstand. Gelet op deze afstand en de beperkte omvang van de ontwikkeling kunnen negatieve effecten door licht, geluid en trillingen op voorhand worden uitgesloten. Eventuele effecten beperken zich tot stikstofdepositie. In het kader van stikstofdepositie is eerder een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze berekening is opgenomen in de bijlagen. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden konden daarmee worden uitgesloten. De eerdere berekening is uitgevoerd voor een ontwikkeling met twee woningen. In de huidige situatie wordt slechts één woning gerealiseerd. Binnen de grenzen van het redelijke kan daarom worden aangenomen dat de stikstofemissie en -depositie lager uitvallen dan in de eerder onderzochte situatie. De uitgevoerde berekening vormt daarmee een representatieve en conservatieve beoordeling van het huidige plan. Significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 290 meter afstand.

De ontwikkeling is kleinschalig en leidt niet tot wijzigingen in de omgevingscondities van het NNN. Aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden is uitgesloten. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Soortenbescherming Uit de quickscan volgde dat mogelijk beschermde soorten aanwezig konden zijn. Daarom is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat geen sprake is van functioneel leefgebied voor amfibieën zoals rugstreeppad, poelkikker en heikikker binnen of direct rond het plangebied. In het eerdere onderzoek werd daarnaast uitgegaan van de aanwezigheid van een vijver als potentieel habitat voor de grote modderkruiper. In de huidige situatie is echter geen vijver of poel aanwezig binnen het plangebied. Dit onderdeel is daarmee niet meer relevant. Er is geen sprake van het aantasten van voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of essentieel leefgebied van beschermde soorten. Wel geldt de algemene zorgplicht, wat betekent dat bij uitvoering zorgvuldig moet worden gehandeld. Houtopstanden Binnen het plangebied is geen sprake van houtopstanden als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

30/46

Een meldplicht of herplantplicht is daarom niet aan de orde. 4.6.3 Conclusie Vanuit het milieuaspect natuur en landschap is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.7

Bodem

4.7.1 Toetsingskader Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. 4.7.2 Onderzoek Voor het plangebied is eerder een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door ADCIM. De belangrijkste conclusies worden hier samengevat. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Sinds de uitvoering van dit onderzoek is het juridisch kader gewijzigd door de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De wijze van beoordelen is echter inhoudelijk vergelijkbaar gebleven. Het blijft noodzakelijk om vast te stellen of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik en of sprake is van risico’s voor de volksgezondheid.

Daarnaast is de feitelijke situatie in het plangebied niet gewijzigd en vinden geen ingrepen plaats die de bodemkwaliteit beïnvloeden. Daarmee kan het uitgevoerde bodemonderzoek nog als actueel en representatief worden beschouwd voor de beoordeling van het plan. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: • De bovengrond bestaat uit matig ziltige klei met in de ondergrond vanaf 0,70 tot 1,00m-mv zwak kleiig veen; • Ter plaatse van boring 06 is op een diepte van 0,70 tot 1,00m-mv een kleilaag met een zwakke bijmenging aan slib waargenomen. Waarschijnlijk heeft hier in het verleden een watergang gelegen; • De voormalige watergang aan de westzijde van het perceel is niet aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen dat hier een voormalige watergang gelegen heeft danwel gedempt is met bodemvreemde materialen. Ook is geen slib of zijn slibverdachte lagen aangetroffen; • Tijdens de uitvoering van het onderzoek zijn geen zintuigelijke waarnemingen gedaan aan de uitkomende grond die een aanwijzing zouden kunnen vormen voor bodemverontreiniging. In de bodem is geen bijmenging of asbestverdacht materiaal aangetroffen; • De kleiige bovengrond is licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK.

Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet deze grond aan klasse wonen; • De ondergrond met een zwakke slib bijmenging is licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, molybdeen, lood, zink en PAK. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet deze grond aan klasse industrie; • De onverdachte ondergrond is niet verontreinigd en voldoet bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit aan AW2000 • Het grondwater is gelegen op ca. 0,30-0,60 m-mv en is licht verontreinigd met barium. Op grond van paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit geschikt is voor een bodemgevoelig gebruik, zoals wonen. De functie wonen valt onder een bodemgevoelig gebruik, omdat sprake is van langdurig verblijf van personen. Daarbij geldt dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid mag opleveren.

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

31/46

Gelet op het bodemonderzoek is hiervan geen sprake: • De bovengrond voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen; • Er zijn uitsluitend lichte verontreinigingen aangetroffen; • Interventiewaarden worden niet overschreden; • Er is geen noodzaak tot sanerende of beschermende maatregelen. De bodemkwaliteit sluit daarmee aan op het beoogde gebruik als woonlocatie. 4.7.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.8

Weging van het waterbelang

4.8.1 Toetsingskader Nederland is een waterrijk land. Bij het uitvoeren van activiteiten, bijvoorbeeld bouwen, is het belangrijk dat de waterbelangen goed in beeld zijn. Daarom moet de gemeente de opvattingen van de waterbeheerder over de waterbelangen meenemen. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).. De verplichting voor het afwegen van het waterbelang op basis van artikel 5.37 Bkl geldt ook voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bkl, artikel 8.0b, 8.0c en 8.0d) Beleidskaders Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal, waterschaps- naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het Waterplan ZuidHolland 2022-2027. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen.

De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met o.a. het schone hemelwater. Het bestuur van Waterschap Rivierenland stelt hiertoe een Waterbeheerprogramma op. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerplan zijn de kaders voor het waterbeheer gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening, de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen. Voor het uitvoeren van deze werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn.

De werkzaamheden worden getoetst aan de daarvoor geldende beleidsregels.

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

32/46

Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Voor kleine planontwikkelingen is de gemeente het bevoegd/toetsend gezag. In 2003 heeft de gemeente in samenwerking met het waterschap een stedelijk waterplan voor HardinxveldGiessendam opgesteld. Het doel van het plan met bijbehorende maatregelen was de verbetering van de waterkwaliteit in de woonomgeving en het water meer zichtbaar te maken in de omgeving. Na de vaststelling van het stedelijk waterplan zijn diverse projecten gestart. Deze projecten zijn inmiddels allemaal afgerond. Op een aantal punten in de gemeente wordt door het waterschap de waterkwaliteit gemonitord. Hieruit moet blijken of de uitgevoerde maatregelen het gewenste effect hebben gehad. Indien dat niet zo zou zijn, dan zal mogelijk een tweede generatie waterplan opgesteld gaan worden. Voor de concrete uitvoering van watertaken is er een gemeentelijk watertakenplan (2024-2033). De strategische keuzes over water zijn opgenomen in de Omgevingsvisie. Voor de verhardingstoename kan door de aanvrager eenmalig gebruik gemaakt worden van een vrijstelling tot hemelwatercompensatie.

In alle andere gevallen zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het definitieve bouwplan dient rekening gehouden te worden met de genoemde aandachtspunten in de rapportage. 4.8.2 Onderzoek Voor het plangebied is eerder een watertoets uitgevoerd door Aeres Milieu. De belangrijkste conclusies worden hier samengevat. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Sinds de uitvoering van dit onderzoek is het juridisch kader gewijzigd door de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de waterschapsverordening. De uitgangspunten voor waterbeheer zijn gericht op het voorkomen van wateroverlast, het waarborgen van voldoende waterberging en een goede afvoer. Deze onderdelen zijn inhoudelijk echter niet gewijzigd. Daarnaast is de feitelijke situatie in het plangebied niet wezenlijk veranderd. Gelet hierop kan het uitgevoerde watertoetsadvies nog als actueel en representatief worden beschouwd voor de beoordeling van de voorgenomen ontwikkeling. Waterhuishoudkundig systeem Het plangebied is gelegen in een laaggelegen poldergebied. Het maaiveld ligt grotendeels tussen circa -0,8 en 0,0 m NAP. Voor de beoogde ontwikkeling is een voldoende ontwateringsdiepte van belang om grondwateroverlast te voorkomen. Het terrein dient zodanig te worden ingericht dat overtollig hemelwater kan afstromen naar het oppervlaktewater en niet naar de bebouwing.

Grondwater Uit gegevens van het Dinoloket blijkt dat de bodem bestaat uit slecht doorlatende lagen, waarbij klei en veen elkaar afwisselen. De grondwaterstand ligt naar verwachting rond circa -1,3 m NAP, wat resulteert in een beperkte drooglegging. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen of grondwaterbeschermingszones aanwezig. Gelet op de bodemopbouw en grondwaterstand dient bij de verdere uitwerking van het bouwplan rekening te worden gehouden met voldoende ontwatering en eventueel aanvullende maatregelen. Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Ten noorden van het plangebied ligt een Awatergang met een beschermingszone van 5 meter. Binnen het plangebied is daarnaast beperkt oppervlaktewater aanwezig. Het planvoornemen voorziet niet het uitbreiden of inperken van het oppervlaktewater.

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

33/46

Waterberging en verharding Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van waterberging. In de eerdere situatie is uitgegaan van een benodigde compensatie voor demping van oppervlaktewater en een mogelijke toename van verhard oppervlak. Het waterschap heeft daarbij aangegeven dat voor ontwikkelingen met een toename van verharding tot 500 m² een vrijstelling kan worden verleend. De voorgenomen ontwikkeling blijft naar verwachting binnen deze grens. 4.8.3 Conclusie Vanuit het aspect weging van het waterbelang is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.9

Archeologie

4.9.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving zijn overgegaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.9.2 Onderzoek Volgens het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 9’. Deze aanduiding is bedoeld om gebieden met een (middel)hoge archeologische verwachting te beschermen. Op grond van de planregels geldt dat bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 0,3 meter een archeologisch onderzoek verplicht is. Voor kleinere ingrepen geldt deze verplichting niet.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één woning. De totale oppervlakte van de bodemingrepen blijft ruimschoots onder de grens van 10.000 m². Daarmee wordt niet voldaan aan de drempelwaarde uit het bestemmingsplan die aanleiding geeft tot een verplicht archeologisch onderzoek. Daarnaast geldt dat de werkzaamheden qua aard en omvang beperkt zijn en geen grootschalige grondverstoringen met zich meebrengen. 4.9.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.10

Cultuurhistorie

4.10.1 Toetsingskader Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving. De wet beoogt een samenhangende benadering van diverse belangen. Een van die belangen is cultureel erfgoed. De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

34/46

binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is. Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opgenomen. Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel erfgoed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de provinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of moet men) daarvan beschermen? Daarbij wordt rekening gehouden met de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed). Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels, zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden.

Het Bkl, het Bal en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenafweging. 4.10.2 Onderzoek Om te bepalen wat de cultuurhistorische waarden binnen en rondom het plangebied zijn is allereerst gekeken naar de cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van Zuid-Holland. Op de kaart is te zien dat er binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. In de omgeving zijn wel enkele cultuurhistorische elementen, zoals de Tiendwegse Molen met een molenbiotoop, de beschermde dorpskern van Giessenburg, enkele woonheuvels en een Donk met bewoningssporten met een provinciaal belang. Onderhavig plan heeft hier geen invloed op. Daarnaast zijn er geen Rijksmonumenten binnen het plangebied en heeft het plan geen invloed op Rijksmonumenten in de omgeving. In het gebiedsprofiel Alblasserwaard-Vijfheerenlanden wordt aangegeven dat de linten in de Alblasserwaard veelal compact zijn en begrensd worden door het water. Daarbij zijn er zowel enkele linten, met de bebouwing aan één zijde van het water, als dubbele linten, waarbij de bebouwing aan beide zijden van het water staat.

In sommige linten is de bebouwing op het water georiënteerd terwijl op andere locaties de bebouwing juist met de rug naar het water staat. Ze kennen een sterke oost-west oriëntatie. De nieuw te bouwen woningen en invulling van de kavels is conform de stedenbouwkundige richtlijn ontwikkelingsmogelijkheden Parallelweg, die mede gebaseerd is op het gebiedsprofiel AlblasserwaardVijfheerenlanden. 4.10.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.11

Milieueffectrapportage

4.11.1 Toetsingskader In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

35/46

•

belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld.

Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die worden genoemd in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport gemaakt moet worden. 4.11.2 Doorwerking De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het mogelijk maken van één vrijstaande woning, op een locatie waar in de bestaande situatie enkele woningen aanwezig zijn. De effecten op de omgeving zijn beperkt. In de gebruiksfase is sprake van een zeer beperkt aantal verkeersbewegingen en aan wonen gerelateerde emissies. In de bouwfase is er tijdelijk en beperkt sprake van emissie door vervoersbewegingen en het uitvoeren van bouwwerkzaamheden. Op de locatie en in de nabije omgeving zijn er geen bijzondere, beschermde gebieden aanwezig. Voor de relevante omgevingsaspecten is inzichtelijk gemaakt welk effect te verwachten is. Hiermee wordt duidelijk dat er geen aantasting van bijzondere waarden of een grote emissie naar de omgeving te verwachten is. Op basis van de beschikbare informatie kan een zorgvuldig besluit genomen worden. Een m.e.r.procedure is niet nodig. 4.11.3 Conclusie In voorgaande paragrafen zijn de voorgenomen activiteit en bijbehorende milieueffecten beschreven. De uitkomsten zijn zodanig dat geconcludeerd kan worden, dat een m.e.r. beoordeling niet noodzakelijk is.

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

36/46

5

Financiële en maatschappelijke verantwoording

5.1 Financieel-economische haalbaarheid De realisatie van de ontwikkeling is in handen van één initiatiefnemer. Niet is gebleken dat de initiatiefnemer over onvoldoende middelen beschikt om de ontwikkeling te kunnen realiseren De ontwikkeling is dus economisch uitvoerbaar. 5.2

Maatschappelijke verantwoording

5.2.1 Vaststellingsprocedure Voor de omgevingsvergunningaanvraag voor onderhavige buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de reguliere procedure gevolgd. De beslistermijn begint te lopen zodra de aanvraag is ontvangen. Als het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag aanhoudt, begint de termijn te lopen op de dag waarop de aanhouding eindigt. In de reguliere procedure bedraagt de beslistermijn in beginsel 8 weken. Het bevoegd gezag kan deze termijn eenmaal met maximaal 6 weken verlengen. Een omgevingsvergunning die is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure treedt in werking vanaf de dag na bekendmaking door het bevoegd gezag. Er geldt een uitzondering wanneer de vergunning een activiteit mogelijk maakt die kan leiden tot een onherstelbare verandering van een bestaande situatie, zoals bijvoorbeeld bij kap- of sloopactiviteiten. In dat geval moet het bevoegd gezag expliciet in de omgevingsvergunning opnemen dat deze 4 weken na bekendmaking in werking treedt. Hierdoor krijgen belanghebbenden de kans om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. In geval van spoedeisende omstandigheden kan het bevoegd gezag afwijken van de termijn van 4 weken. 5.2.2 Bezwaar en beroep Na de besluitvorming bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen. Na het bezwaar is er nog de gelegenheid voor beroep en hoger beroep.

5.3 Participatie In het kader van de omgevingsvergunning is participatie uitgevoerd met de direct omwonenden. Het betreft de bewoners van de naastgelegen woning aan de Parallelweg 109b. De woning op nummer 109 betreft de initiatiefnemer zelf. De participatie heeft zowel schriftelijk als mondeling plaatsgevonden. De initiatiefnemer heeft de plannen gedeeld per e-mail, inclusief tekeningen, en heeft vervolgens een gesprek gepland om het plan nader toe te lichten. Tijdens dit gesprek zijn de plannen gezamenlijk doorgenomen. De omwonenden hebben hierbij aandacht gevraagd voor het behoud van lichtinval en de positionering van de nieuwe woning op het perceel. Naar aanleiding van deze afstemming is aangegeven dat de woning meer naar achteren wordt geplaatst, zodat de impact, voornamelijk van belang geacht door de inval van licht, op de naastgelegen woning wordt beperkt. Daarnaast is afgesproken dat de omwonenden gedurende het verdere ontwerpproces en de uitvoering op de hoogte worden gehouden van eventuele wijzigingen. De omwonenden hebben aangegeven betrokken te willen blijven en tijdig geïnformeerd te worden bij verdere ontwikkelingen. Hiermee is invulling gegeven aan het participatievereiste uit de Omgevingswet.

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

37/46

6

Belangenafweging en conclusie

6.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Om te beoordelen of het planvoornemen resulteert in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn alle relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving nauwkeurig onderzocht en afgewogen. De ontwikkeling draagt bij aan de beleidsambitie van meer woningen en een aantrekkelijke leefomgeving, met oog voor het lokale karakter. Met name uit hoofdstuk 5 ‘Milieuaspecten’ kan worden geconcludeerd dat de beoogde activiteit leidt tot een situatie waarin er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er heeft een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden, waarbij doeltreffend verband is gelegd tussen de instrumenten van de Omgevingswet en recent beleid. Er is een duidelijke link gecreëerd tussen de belangen van de initiatiefnemer, de doelen van de gemeente, en de belangen van omwonenden en andere belanghebbenden. 6.2 Conclusie Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit adequaat gemotiveerd is, en derhalve de omgevingsvergunning verleend kan worden.

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

38/46

Bijlage 1 Akoestisch onderzoek

Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026

39/46

AKOESTISCH ONDERZOEK RAILVERKEERSLAWAAI EN WEGVERKEERSLAWAAI PARALLELWEG ONG. (NAAST 109) HARDINXVELDGIESSENDAM

1

De Roever Omgevingsadvies Heidebloemstraat 15 Postbus 64 5480 AB Schijndel T 073 594 10 11 F 073 594 11 20 E info@deroever.nl W www.deroever.nl NL97 RABO 0122 6903 11 NL21 INGB 0001 0833 26 Advies- en ingenieursbureau J.G. de Roever B.V. KvK 16068733 BTW NL 8015.63.136.B.01

Titel document: Referentie: Datum: Opdrachtgever:

Akoestisch onderzoek railverkeerslawaai en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld-Giessendam 20211755.v02 25 februari 2022 De Jong

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

2

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ....................................................................................................................................... 4

1.1. 1.2.

Algemeen ..................................................................................................................................... 4 Ligging van het plangebied en omgeving .................................................................................... 4

2.

WETTELIJK KADER ...................................................................................................................... 6

2.1. 2.2. 2.3. 2.4. 2.5.

Geluidzones ................................................................................................................................. 6 Voorkeursgrenswaarde en hoogst toelaatbare geluidbelasting .................................................. 6 Aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder ............................................................................. 7 Geluidbronnen ............................................................................................................................. 7 Rekenmethode en gegevensbronnen ......................................................................................... 8

3.

REKENRESULTATEN .................................................................................................................. 10

3.1. Algemeen ................................................................................................................................... 10 3.2. Geluidbelasting vanwege spoorlijn Merwede-Lingelijn.............................................................. 10 3.3. Geluidbelasting vanwege de Parallelweg .................................................................................. 11 3.4. Geluidbelasting vanwege de Sluisweg ...................................................................................... 12 3.5. Maatregelen en hogere-waardebeleid ....................................................................................... 12 3.6. Gemeentelijk beleid ................................................................................................................... 15 3.7. Gecumuleerde geluidbelastingen wegverkeer .......................................................................... 16 3.8. Cumulatie railverkeerslawaai en wegverkeerslawaai ................................................................ 16 3.8.1. Bouwbesluit ....................................................................................................................... 17 3.8.2. Woon- en verblijfsklimaat .................................................................................................. 18 4.

CONCLUSIE.................................................................................................................................. 19 BIJLAGE I. ALGEMEEN .............................................................................................................. 20 BIJLAGE II. AFBEELDINGEN REKENMODELLEN .................................................................... 21 BIJLAGE III. INVOERGEGEVENS REKENMODELLEN ............................................................... 22 BIJLAGE IV. REKENRESULTATEN RAILVERKEERSLAWAAI .................................................. 23 BIJLAGE V. REKENRESULTATEN WEGVERKEERSLAWAAI .................................................. 24

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

3

1.

INLEIDING

1.1.

Algemeen

Initiatiefnemer heeft het voornemen om ter plaatse van het perceel aan de Parallelweg naast nummer 109 een tweetal woningen te realiseren. De gewenste woningen vormen (nieuwe) geluidgevoelige objecten, waardoor een onderzoek naar het railverkeerslawaai en het wegverkeerslawaai afkomstig van de (spoor)wegen in de omgeving nodig is.

1.2.

Ligging van het plangebied en omgeving

De locatie van het plangebied is weergegeven op afbeelding 1.

Afbeelding 1. Locatie plangebied (rood kader, beoogd bouwvlak) Bron: PDOK

Op afbeelding 2 is de (globale) indeling van het plangebied weergegeven. Momenteel is een definitieve invulling van het plangebied nog niet bekend. Het beoogde bouwvlak staat al wel vast (rood kader op afbeelding 2). In dit onderzoek zal getoetst worden op de randen van het bouwvlak. Op deze manier blijven alle mogelijke indelingen binnen het bouwvlak inpasbaar. In bijlage I is de sfeerimpressie in detail weergegeven.

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

4

Afbeelding 2. Globale indeling plangebied (bouwvlak binnen het rode kader)

In dit rapport wordt het onderzoek naar de geluidbelasting door het railverkeer en wegverkeer in de omgeving op de te realiseren woningen (bouwvlak) beschreven. In hoofdstuk 2 worden de uitgangspunten van het onderzoek toegelicht. De rekenresultaten worden besproken in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 zijn de conclusies opgenomen.

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

5

2.

WETTELIJK KADER

2.1.

Geluidzones

Op basis van geluidzones wordt bepaald welke (spoor)wegen moeten worden betrokken bij het bepalen van de geluidbelasting op de gewenste woningen. Het plangebied ligt op een afstand van circa 60 meter van een spoorlijn (Merwede-Lingelijn). Deze spoorlijn is opgenomen in het Geluidregister Spoor. Op basis van het vastgestelde geluidproductieplafond (maximaal 58 dB) is de geluidzone 200 meter van het spoor. Het plangebied ligt binnen deze zone, en daarom wordt het spoorgeluid nader onderzocht. De omvang van de geluidzone van een weg staat beschreven in artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) en hangt af van het aantal rijstroken en de ligging van de weg, zie tabel 1. Een weg heeft geen geluidzone wanneer de maximumsnelheid 30 km/uur bedraagt of is gelegen binnen een woonerf. Tabel 1. Geluidzones, artikel 74 Wgh GELUIDZONE* Aantal rijstroken stedelijk gebied

buitenstedelijk gebied

1 of 2

200 meter

250 meter

3 of 4

350 meter

400 meter

5 of meer

350 meter

600 meter

* het betreft de breedte van de zone aan weerszijden van de weg, gemeten vanaf de buitenste rijstrook en aan het uiteinde van een weg

Het plangebied ligt binnen de geluidszone van de Parallelweg (50 en 60 km/uur). In de directe omgeving zijn verder nog wegen binnen de 30 km/uur zone gelegen. Deze wegen zijn alleen meegenomen in het kader van de cumulatieve geluidbelasting.

2.2.

Voorkeursgrenswaarde en hoogst toelaatbare geluidbelasting

De grenswaarden voor railverkeerslawaai zijn vastgelegd in art. 4.9 tot en met 4.12 van het Besluit geluidhinder (Bgh). De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting en de hoogst toelaatbare geluidbelasting voor wegverkeerslawaai staan beschreven in artikel 82 en 83 van de Wet geluidhinder (Wgh). Mocht niet aan de voorkeursgrenswaarde kunnen worden voldaan, dan kan eventueel ontheffing worden verkregen voor een hogere waarde. De hoogte van de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde per situatie is weergegeven in tabel 2.

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

6

Tabel 2. Voorkeursgrenswaarde en hoogst toelaatbare geluidbelasting, artikel 4.9 t/m 4.12 Bgh en artikel 82/83 Wgh Ligging object

Railverkeer

Wegverkeer, Stedelijk gebied

Wegverkeer, Buitenstedelijk gebied

Situatie*

Voorkeursgrenswaarde

Hoogst toelaatbare geluidbelasting

woning

55 dB

68 dB

andere geluidgevoelige gebouwen

53 dB

68 dB

geluidgevoelige terreinen

55 dB

63 dB

nieuw geluidgevoelig gebouw

48 dB

63 dB

vervangende nieuwbouw

48 dB

68 dB

nieuw geluidgevoelig gebouw

48 dB

53 dB

agrarische bedrijfswoning

48 dB

58 dB

vervangende nieuwbouw buiten bebouwde kom

48 dB

58 dB

vervangende nieuwbouw bebouwde kom binnen zone auto(snel)weg

48 dB

63 dB

* in de tabel zijn alleen de waarden opgenomen behorend bij bestaande spoorwegen en wegen, bij nieuwe spoorwegen en wegen gelden andere waarden.

Voor railverkeerslawaai is de voorkeursgrenswaarde afhankelijk van het soort geluidgevoelige ruimte dat wordt gecreëerd. De gewenste ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 55 dB en de hoogst toelaatbare geluidbelasting bedraagt 68 dB. Voor wegverkeerslawaai geldt buiten de bebouwde kom ongeacht de functie een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een hoogst toelaatbare geluidbelasting van 53 dB.

2.3.

Aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder

Bij berekeningen voor het wegverkeerslawaai op de gevels van de woning mag rekening gehouden worden met het stiller worden van het wegverkeer. Van de berekende geluidbelasting wordt hiertoe een waarde afgetrokken. Die waarde is afhankelijk van de snelheid van het verkeer en wordt bepaald aan de hand van artikel 110g van de Wet geluidhinder, en het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012, artikel 3.4: -

Maximaal toegestane snelheid kleiner dan 70 km/u: aftrek 5 dB; Maximaal toegestane snelheid 70 km/u of meer: o bij een geluidbelasting van 57 dB: aftrek 4 dB; o bij een geluidbelasting van 56 dB: aftrek 3 dB; o overige situaties: aftrek 2 dB.

Voor de Parallelweg geldt een maximumsnelheid van 50 en 60 km/u, er mag daarom voor deze weg een aftrek van 5 dB toegepast worden. In het rekenmodel is de aftrek door middel van een groepsreductie meegenomen.

2.4.

Geluidbronnen

De spoorweggegevens zijn afkomstig van het Geluidregister Spoor. De gedownloade data is direct in Geomilieu ingeladen (download van 25-01-2022). De verkeersgegevens voor de omliggende wegen zijn verkregen via de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid voor het planjaar 2032 (shape bestanden). Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

7

De (belangrijkste) intensiteiten die zijn ingevoerd in het rekenmodel voor wegverkeer zijn te zien in afbeelding 3. De overige informatie (inclusief de intensiteiten van de overige wegdelen op grotere afstand van het plan) met betrekking tot de (spoor)wegen is weergegeven in bijlage I.

Afbeelding 3. Verkeersgegevens (intensiteiten)

De Parallelweg is uitgevoerd met een referentiewegdek (W1) en de Sluisweg is uitgevoerd met een elementenverharding in keperverband (W13). De invoergegevens zijn, inclusief de verdelingen, in detail weergegeven in bijlage III.

2.5.

Rekenmethode en gegevensbronnen

Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van het softwarepakket Geomilieu V2021.1, module RMW 2012. Voor het rekengebied is uitgegaan van een akoestisch absorberende bodem (bodemfactor 1), met uitzondering van de verhardingen (wegen, fietspaden, inritten etc.). Voor deze verhardingen wordt uitgegaan van een bodemfactor 0. Voor de tuinen en erven in de omgeving van woningen of bedrijven is uitgegaan van een half absorberende bodem (factor 0.5) vanwege het afwisselend voorkomen van verhardingen en groenvoorzieningen. Voor het ballastbed onder het spoor is uitgegaan van een akoestisch absorberende bodem, zoals omschreven in bijlage IV van het Rmg 2012. De rekenpunten zijn aangebracht op een fictief gemodelleerd gebouw (volledig bouwvlak). Op deze manier worden de planologisch maximale mogelijkheden onderzocht. De rekenpunten zijn aangebracht op de randen van het bouwvlak (fictieve woningen). Er is uitgegaan van een rekenhoogte van respectievelijk 1,5 – 4,5 en 7,5 meter boven het maaiveld voor de begane grond, 1e etage en mogelijke 2e etage.

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

8

De overige invoergegevens (gebouwen en terrein- en gebouwhoogtes) zijn afgelezen uit topografische gegevens van het Kadaster, het AHN, bestemmingsplankaarten en uit de beschikbare bronnen via internet. In bijlage II is een grafische presentatie van het ingevoerde rekenmodel weergegeven. De numerieke invoergegevens van het rekenmodel (wegdektypen, verkeersintensiteiten, verdelingen, hoogtes, etc.) zijn opgenomen in bijlage III. Op afbeelding 4 en 5 zijn 3D weergave van het model met betrekking tot rail- en wegverkeerslawaai weergegeven.

Afbeelding 4. Rekenmodel, 3d-weergave met spoorwegen

Afbeelding 5. Rekenmodel, 3d-weergave met wegen

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

9

3.

REKENRESULTATEN

3.1.

Algemeen

De geluidbelastingen door de gezoneerde spoorlijn en gezoneerde weg zijn separaat berekend. Daarnaast is de cumulatieve geluidbelasting door alle wegen in de omgeving berekend (exclusief aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder). De geluidbelastingen zijn berekend zonder reflectie door de achterliggende gevel (invallend geluidsniveau). Een compleet overzicht van de rekenresultaten is opgenomen in bijlage IV.

3.2.

Geluidbelasting vanwege spoorlijn Merwede-Lingelijn

Op afbeelding 6 zijn de geluidbelastingen ter hoogte van de beoogde woningen weergegeven (randen bouwvlak). Een compleet overzicht van de rekenresultaten is opgenomen in bijlage IV.

Afbeelding 6. Geluidbelastingen Lden spoorlijn Merwede-Lingelijn Berekende geluidbelastingen op een hoogte van 1,5 / 4,5 / 7,5 meter boven het maaiveld

Toetsing De geluidbelasting afkomstig van de spoorlijn Merwede-Lingelijn bedraagt op zijn hoogst 60 dB ter plaatse van de voorgevel van de gewenste woningen. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt ter plaatse van de voor- en westgevel overschreden. De voorkeurswaarde van 55 dB wordt ter plaatse van de achter- oostgevel gerespecteerd. De maximaal toelaatbare hogere waarde van 68 dB wordt nergens overschreden. Omdat er niet voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde worden maatregelen beschouwd in paragraaf 3.4. In deze paragraaf zal ook ingegaan worden op het gemeentelijk geluidbeleid.

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

10

3.3.

Geluidbelasting vanwege de Parallelweg

Op afbeelding 7 zijn de berekende geluidbelastingen vanwege de Parallelweg ter hoogte van de beoogde woningen weergegeven (randen bouwvlak). Een compleet overzicht van de rekenresultaten is opgenomen in bijlage V.

Afbeelding 7. Geluidbelastingen Lden (incl. aftrek art. 110g Wgh) Parallelweg Berekende geluidbelastingen op een hoogte van 1,5 / 4,5 / 7,5 meter boven het maaiveld

Toetsing De geluidbelasting afkomstig van de Parallelweg bedraagt op zijn hoogst 58 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt ter plaatse van de voor- en beide zijgevels overschreden (alle verdiepingen). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt ter plaatse van de achtergevel gerespecteerd. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt ter plaatse van de voorgevel overschreden. Op beide zijgevels wordt wel voldaan aan de maximaal te ontheffen grenswaarde. Omdat er niet voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde en maximale ontheffingswaarde worden maatregelen beschouwd in paragraaf 3.4. In deze paragraaf zal ook ingegaan worden op het gemeentelijk geluidbeleid.

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

11

3.4.

Geluidbelasting vanwege de Sluisweg

Conform het gemeentelijk geluidbeleid ‘Geluidbeleid Goede Ruimtelijke Ordening, 2018’ van de gemeente Hardinxveld-Giessendam is de relevante 30 km/uur weg (Sluisweg) beoordeeld. Uit de beoordeling blijkt dat de geluidbelasting afkomstig van de Sluisweg maximaal 25,4 dB bedraagt (incl. aftrek art. 110g Wgh). Daarmee wordt ruimschoots aan de voorkeursgrenswaarde voldaan. De volledige rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage V.

3.5.

Maatregelen en hogere-waardebeleid

Een hogere waarde zal nodig zijn voor de nieuwe woningen vanwege het geluid afkomstig van de spoorlijn Merwede-Lingelijn (railverkeerslawaai) en de Parallelweg (wegverkeerslaai). Het verlenen van hogere waarden wordt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten in dit akoestisch onderzoek, mogelijk geacht. Daarbij zal hieronder onderzocht worden of maatregelen mogelijk zijn. Ontheffingsbeleid Conform gangbaar ontheffingenbeleid wordt bij een verzoek om hogere waarden onderzocht of de geluidbelasting gereduceerd kan worden door: 1. bronmaatregelen, zoals het toepassen van een geluidreducerend wegdek en raildempers; 2. overdrachtsmaatregelen, zoals het toepassen van een afschermende voorziening; 3. maatregelen bij de ontvanger, zoals het toepassen van dove gevels (gevels zonder te openen delen die grenzen aan een verblijfsruimte). Wanneer maatregelen onvoldoende effect hebben of niet gewenst zijn om redenen van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard, dan kan het bevoegd gezag hogere waarden vaststellen. Bronmaatregelen Het toepassen van geluidreducerend wegdek, het verlagen van verkeersintensiteiten of het aanpassen van de maximale snelheid kan leiden tot lagere geluidniveaus. Over het algemeen is het vervangen van het wegdektype voor het beperken van de geluidbelasting bij een klein aantal woningen niet reëel (financieel).

Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik maken van een akoestisch gunstiger wegdek er niet voor gaat zorgen dat overal voldaan zal worden aan de voorkeursgrenswaarde. Of het aanpassen van het wegdektype een doelmatige investering is, is een afweging voor de wegbeheerder (gemeente Hardinxveld-Giessendam). Maatregelen die de verkeersstromen wijzigen (zoals het verlagen van de verkeersintensiteiten of de maximumsnelheid) zullen niet ad hoc worden genomen, maar zijn een onderdeel van een uitgebreide verkeersstudie. Het beperken van de geluidbelasting bij dit aantal woningen vormt doorgaans geen aanleiding voor een uitgebreide verkeersstudie. Ten aanzien van de spoorlijn kunnen de sporen worden voorzien van raildempers. Met behulp van raildempers kan een geluidreductie van circa 2-3 dB gerealiseerd worden. Het is

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

12

echter niet duidelijk of in de bestaande situatie al sprake is van raildempers. Door toepassing van deze eventuele maatregel kan echter nog steeds niet worden voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Toepassen van deze maatregel is daarmee niet voldoende effectief. Opgemerkt wordt dat tevens toestemming van de spoorbeheerder (Prorail) dient te worden verkregen. Overdrachtsmaatregelen Een afschermende voorziening of het vergroten van de afstand van de woningen tot de (spoor)weg kan leiden tot lagere geluidniveaus. Het realiseren van een scherm wordt niet haalbaar geacht. De kosten voor een scherm zullen niet opwegen tegen het beperken van de geluidbelasting bij dit aantal woningen. Hierbij moet ook worden meegewogen dat het scherm hoog zou moeten worden uitgevoerd, aangezien op hoogten van 1,5 – 4,5 en 7,5 meter boven het maaivels overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde worden berekend. Daarnaast wordt een scherm tussen de voorgevel en de weg ook als stedenbouwkundig onwenselijk gezien. Of het realiseren van een scherm een doelmatige investering is, is een afweging voor de wegbeheerder (gemeente Hardinxveld-Giessendam). Er is met beoogde indeling van het perceel (mogelijk) ruimte om de woningen verder naar achteren te plaatsen. In onderstaande afbeeldingen 8 en 9 worden (globale contourberekeningen) weergegeven over het gehele terrein.

Afbeelding 8. Contourberekening railverkeerslawaai

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

13

Afbeelding 9. Contourberekening wegverkeerslawaai

Uit de contourberekeningen is op te maken dat het verder verplaatsen van de gewenste woningen vanaf de (spoor)weg er niet voor gaat zorgen dat overal voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Ook het verplaatsen van de woningen tot het gebied waar voldaan wordt aan de maximaal toelaatbare grenswaarde van 53 dB voor wegverkeer is dermate ver naar achteren gelegen dat dit niet mogelijk/wenselijk is. Het verplaatsen van de woningen wordt niet gezien als een effectieve maatregel. Maatregelen bij de ontvanger Als laatste kunnen maatregelen bij de ontvanger uitkomst bieden. Wat vast staat is dat de voorgevel van de gewenste woningen uitgevoerd moet worden als ‘dove gevel’ ter plaatse van alle beoordelingshoogten. Dit is noodzakelijk omdat niet aan de maximaal te ontheffen grenswaarde van 53 dB vanwege de Parallelweg kan worden voldaan.

Een ‘dove’ gevel is als volgt gedefinieerd: "een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A) etmaalwaarde, alsmede een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte." De benodigde dove gevels (voorgevels) van de woningen zullen worden geborgd in het bestemmingsplan (regels). In paragrafen 3.5 en 3.6 wordt ingegaan op de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de beoordelingspunten. Bij het ontwerp van de woningen wordt, waar nodig, rekening gehouden met de extra benodigde geluidwering van de desbetreffende geveldelen.

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

14

3.6.

Gemeentelijk beleid

Conform de Wgh kan er pas een hogere waarde worden verleend als voldaan wordt aan de hoofdcriteria uit de Wet geluidhinder en aan de in het gemeentelijk beleid genoemde subcriteria. Voor de gemeente Hardinxveld-Giessendam is het geluidbeleid beschreven in het document “Geluidbeleid Goede Ruimtelijke Ordening, 2018’’, vastgesteld door burgemeester en wethouders op 21 augustus 2018. In het gemeentelijk beleid wordt aansluiting gezocht bij de richt- en grenswaarden uit de Wet Geluidhinder aangevuld met de eisen uit het Bouwbesluit 2012 (binnenniveaus). Voor de beoordeling van de geluidbelasting wordt gebruik gemaakt van de classificering van de kwaliteit van de akoestische omgeving in een milieukwaliteitsmaat volgens de 'methode Miedema'. Hierin wordt de geluidbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB. Voor wegverkeer wordt in de methode Miedema geen correctie ex artikel 110g Wet geluidhinder toegepast. Op afbeelding 10 zijn de geluidwaarden uit het gemeentelijk beleid weergegeven. In paragraaf 3.8 van deze rapportage zal de gecumuleerde geluidbelasting WVL en RVL worden getoetst aan deze geluidwaarden.

Afbeelding 10. Tabel 2 en 3 uit het gemeentelijk beleid.

Indien bij een nieuwe ontwikkeling de voorkeursgrenswaarde bij een geluidgevoelige bestemming wordt overschreden, moet worden onderzocht of maatregelen mogelijk zijn die de geluidbelasting kunnen reduceren tot de voorkeursgrenswaarde (maatregelen aan de bron, in de overdracht of bij de ontvanger). Deze maatregelen zijn hiervoor (paragraaf 3.5 reeds beschouwd). Doel van het gemeentelijk beleid is het garanderen van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat is acceptabel wanneer sprake is van ten minste een geluidluwe gevel én een geluidluwe buitenruimte. Geluidluw wil zeggen 53 dB door gecumuleerde wegen (exclusief aftrek) en 55 dB door railverkeer. De achtergevels van de te realiseren woningen zijn geluidluw voor zowel railverkeerslawaai als wegverkeerslawaai, waarmee de woningen aan deze eis voldoen (zie afbeelding 6 en 11 van deze rapportage. Er kan worden gesteld dat het gemeentelijk beleid geen belemmering vormt voor het aanvragen van een hogere waarde.

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

15

3.7.

Gecumuleerde geluidbelastingen wegverkeer

Op afbeelding 11 zijn de berekende cumulatieve geluidbelastingen van al het wegverkeer weergegeven. Hierbij zijn de wegen binnen de 30 km/uur zone eveneens betrokken. Een compleet overzicht van de rekenresultaten is opgenomen in bijlage IV.

Afbeelding 11. Geluidbelastingen Lden (exclusief aftrek art. 110g Wgh) Cumulatief wegverkeer Berekende geluidbelastingen op een hoogte van 1,5 / 4,5 / 7,5 meter boven het maaiveld

Toetsing De gecumuleerde geluidbelasting (wegverkeer) bedraagt ten hoogste 63 dB. In paragraaf 3.8 zullen deze geluidbelastingen gecumuleerd worden met de berekende waarden voor railverkeerslawaai.

3.8.

Cumulatie railverkeerslawaai en wegverkeerslawaai

Indien op het onderzoeksgebied bij het geluid van meerdere geluidszones van de Wgh de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dient de initiatiefnemer volgens artikel 110a lid 6 Wgh ook onderzoek te doen naar de effecten van de samenloop (cumulatie) van de verschillende geluidsbronnen. Omdat in het plangebied de voorkeursgrenswaarde van wegen railverkeerslawaai wordt overschreden, is nader onderzoek nodig naar cumulatie in het kader van de Wgh.

Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai, Parallelweg ong. (naast 109) Hardinxveld Giessendam Datum: 25 februari 2022 ; Referentie: 20211755.v02

16

Het geluid afkomstig van de verschillende bronnen wordt gecumuleerd conform de rekenmethode in hoofdstuk 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012:

met: -

L*RL = 0,95 LRL – 1,40 L*LL = 0,98 LLL + 7,03 L*IL = 1,00 LIL + 1,00 L*VL = 1,00 LVL + 0,00

(railverkeer) (luchtverkeer) (industrie) (wegverkeer)

De gecumuleerde waarde voor de bronsoort wegverkeer (maatgevende geluidbron) is berekend voor elk toetspunt aan de hand van de berekende waarden voor wegverkeer en railverkeer. De gecumuleerde geluidsbelastingen zijn weergegeven in tabel 3. Tabel 3: Gecumuleerde geluidsbelastingen WVL en RVL

Naam

Hoogte (meter)

LDEN (dB) WVL

LDEN (dB) RVL

L*VL

L*RL

LCUM

Tp01_A Tp01_B Tp01_C Tp02_A Tp02_B Tp02_C Tp03_A Tp03_B Tp03_C Tp04_A Tp04_B Tp04_C Tuin01_A Tuin02_A Tuin03_A Tuin04_A

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/1200/documents/36137