Ruimtelijke motivering Parallelweg 109c, Hardinxveld-Giessendam.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke motivering
Parallelweg 109C te HardinxveldGiessendam Gemeente Hardinxveld-Giessendam
Versie: 1.0 Status: Concept Datum: 28-05-2026 Projectnummer: P09685
Colofon Opdrachtgever
MULLER ONTWERP & ADVIES BV
Uitgave
Movares | BRO Adviseurs B.V. Willemsplein 2
Telefoon
+31 (0)73 - 208 91 55
Projectteam
YvPi, RBe
Projectnummer
P09685
© 2026, Movares Nederland B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Movares Nederland B.V.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
2/46
Inhoudsopgave Colofon
2
1
Aanleiding en doel
6
1.1 1.2 1.3 1.4
6 6 8 8
2
3
Planbeschrijving
9
2.1 2.2
9 9
Huidige situatie Toekomstige situatie
Beleidsmatige aspecten in de fysieke leefomgeving
12
3.1
Verhouding tot rijksbeleid
12
3.1.1 3.1.2
12 12
3.2 3.3
3.4 3.5
4
Aanleiding Projectgebied Juridisch-planologisch kader Leeswijzer
Nationale omgevingsvisie Instructieregels Rijk (AMvB’s)
Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking Verhouding tot provinciaal beleid
13 14
3.3.1 3.3.2
14 14
Omgevingsvisie Zuid-Holland Omgevingsverordening Zuid-Holland
Verhouding tot regionaal beleid
15
3.4.1
15
Woonvisie 2017-2031 ‘Goed wonen in de Drechtsteden’
Verhouding tot gemeentelijk beleid
15
3.5.1 3.5.2
15 15
Omgevingsvisie Hardinxveld-Giessendam Lokale paragraaf Bouwen gemeente Hardinxveld-Giessendam
Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving
17
4.1
Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren
17
4.1.1 4.1.2 4.1.3
17 17 18
4.2
4.4
19
Geluid 4.2.1 4.2.2 4.2.3
4.3
Toetsingskader Onderzoek Conclusie Toetsingskader Onderzoek Conclusie
19 20 21
Luchtkwaliteit
22
4.3.1 4.3.2 4.3.3
22 22 23
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Activiteiten en milieuzonering
24
4.4.1
24
Toetsingskader
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
3/46
4.4.2 4.4.3 4.5
4.6
4.7
Onderzoek Conclusie
24 25
Omgevingsveiligheid
25
4.5.1 4.5.2 4.5.3
25 26 27
Natuur en landschap
27
4.6.1 4.6.2 4.6.3
27 30 31
4.9
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
31
Bodem 4.7.1 4.7.2 4.7.3
4.8
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Weging van het waterbelang
32
4.8.1 4.8.2 4.8.3
32 33 34
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
Archeologie
34
4.9.1 4.9.2 4.9.3
34 34 34
Toetsingskader Onderzoek Conclusie
4.10 Cultuurhistorie 4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Milieueffectrapportage 4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Doorwerking 4.11.3 Conclusie
5
34 34 35 35 35 35 36 36
Financiële en maatschappelijke verantwoording
37
5.1 5.2
Financieel-economische haalbaarheid Maatschappelijke verantwoording
37 37
5.2.1 5.2.2
37 37
5.3
6
31 31 32
Vaststellingsprocedure Bezwaar en beroep
Participatie
37
Belangenafweging en conclusie
38
6.1 6.2
38 38
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Conclusie
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
4/46
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek Bijlage 2 Quickscan Flora en Fauna Bijlage 3 Stikstofonderzoek Bijlage 4 Wateraspect Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6 Participatie
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
5/46
1
Aanleiding en doel
1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens op het perceel Parallelweg 109 te Hardinxveld-Giessendam één vrijstaande woning op te richten. De bouw is op basis van het geldende omgevingsplan niet mogelijk (na inwerkingtreding van de Omgevingswet maakt het voorheen geldende bestemingsplan van rechtswege deel uit van het omgevingsplan). Burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam hebben (onder voorwaarden) op 11 juni 2025 een positief principebesluit genomen ten aanzien van het initiatief. De voorgestane ontwikkeling dient mogelijk te worden gemaakt door middel van een vergunning om van het omgevingsplan af te wijken: een buitenplanse omgevingsplan activiteit (BOPA). Hiervoor is een motivering nodig, waarin wordt onderbouwd dat wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit document voorziet in de ruimtelijke motivering. 1.2 Projectgebied Het plangebied ligt in het buitengebied van Giessendam – Neder-Hardinxveld in de gemeente Giessendam – Hardinxveld. Giessendam – Neder-Hardinxveld is een dubbeldorp in de Alblasserwaard, dat sinds 1957 samen met het dorp Boven-Hardinxveld de gemeente Hardinxveld-Giessendam vormt. De gemeente ligt ten oosten van gemeenten Dordrecht en Rotterdam, in de provincie Zuid-Holland, en telt ongeveer 18.500 inwoners.
Ten noorden van het plangebied loopt de Betuweroute (spoorlijn) en de watergang Giessen en ten zuiden van het plangebied de A15 (Rijksweg), de watergang Beneden Merwede en het Kanaal van Steenenhoek. Het plangebied zelf maakt deel uit van de tuin van de woning Parallelweg 109. In het noorden wordt het plangebied begrensd door een sloot die parallel aan de Parallelweg loopt. In het oosten en westen wordt het plangebied begrensd door de zijdelingse percelen Parallelweg 109 en 109B. In het zuiden van het plangebied ligt het perceel Parallelweg 108. Het plangebied maakt deel uit van het kadastrale perceel Hardinxveld-Giessendam, sectie L, nummer 682. Het plangebied beslaat een oppervlak van circa 1.100 m2. Luchtfoto’s met de ligging en de grenzen van het plangebied zijn weergegeven in figuur 1.1 en 1.2. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
6/46
Figuur 1.1 Ligging plangebied rood omlijnd (bron: Cyclomedia)
Figuur 1.2 Globale begrenzing plangebied (bron: Cyclomedia)
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
7/46
1.3 Juridisch-planologisch kader Voor onderhavig plangebied is het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld d.d. 28 april 2016) vigerend. In dit bestemmingsplan (nu onderdeel van het vigerende tijdelijke Omgevingsplan) zijn voor onderhavig plangebied de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ opgenomen. Daarnaast heeft het gebied deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 5’ en deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch verwachting 9’. Een uitsnede van de verbeelding is weergegeven in figuur 1.3.
Figuur 1.3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (bron: Omgevingsloket)
In dit bestemmingsplan is opgenomen dat binnen de bestemming ‘Wonen’ alleen hoofdgebouwen gerealiseerd mogen worden binnen het bouwvlak. De geplande woning op dit perceel valt niet binnen de grenzen van het bestaande bouwvlak, waardoor ze niet gerealiseerd kunnen worden binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast wordt de woning deels voorzien binnen de bestemming ‘Tuin’. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a) Tuinen en erven; b) Parkeren op eigen terrein c) Water en voorzieningen voor de waterhuishouding d) Het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van cultuurhistorische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’; e) Een openbaar toegankelijk wandelpad ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer a. wandelpad’; f) Bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven.
In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
8/46
2
Planbeschrijving
2.1 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Hardinxveld-Giessendam, aan de Parallelweg. De Parallelweg is een karakteristiek, beeldbepalend lint in de gemeente. Een ‘lint’ is een lijnvormig bebouwingspatroon langs wegen, water of dijken met een sterke relatie tot het omliggende landschap. Karaktereigenschap van linten is, dat de bebouwing zich geleidelijk en over vele jaren heeft ontwikkeld waardoor de historie erin is af te lezen. Bepalend voor de ruimtelijke kwaliteit van het lint is een bepaalde (maximale) korrelgrootte van bebouwing, een typisch profiel met beperkte bandbreedte in de positie van bebouwing ten opzichte van de weg, transparantie tussen de bebouwing waardoor het achterliggend landschap ervaarbaar is en een bebouwingsopzet en -typologie die in lijn is met het ontstane (historische) patroon. Het plangebied is momenteel in gebruik als tuin voor de woning Parallelweg 109. Momenteel bevindt er zich op het plangebied een oprit en parkeergelegenheid.
Figuur 2.1 Huidige situatie (bron: Cyclomedia)
2.2 Toekomstige situatie De gewenste ontwikkeling betreft de realisatie van een één vrijstaande woning met bijbehorende parkeervoorzieningen. De bestaande parkeergelegenheid zal worden verplaatst om ruimte te maken voor de woning.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
9/46
Ontwikkelingen aan de Parallelweg dienen in overleg met de gemeente tot stand te worden gebracht, waarbij de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van elk initiatief individueel wordt afgewogen. De afwegingscriteria hebben betrekking op: • de ruimtelijke opzet van het lint; • voldoende afstand tot belendende percelen en afstemming daarmee; • de bebouwingsopzet (typologie, volume, hoogte); • kapvorm en richting; • erftoegang en (voldoende) parkeren op eigen terrein. Ruimtelijke opzet van het lint Het lint wordt ter hoogte van de locatie gekenmerkt door de afwisseling van een clustering aan gebouwen en open ruimtes die zicht geven op het achterliggende landschap. Parralelweg 109 vormt samen Parralelweg 109A, 109B, 110 en 111 als het ware een cluster. Het initiatief zou de open ruimte tussen dit cluster en de Parralelweg 109 en 109 B opvullen. Op de locatie wordt het zicht op het achterliggende landschap al doorbroken door een achterliggende schuur. De woning is zo gepositioneerd dat de nog aanwezige zichtlijn zoveel mogelijk wordt gehandhaafd. Voldoende afstand tot belenende percelen en afstemming daarmee Het perceel wordt in het noorden en deels in het westen begrenst door water, in het zuiden met het bestaande bijgebouw. Dit zorgt voor een eerste aanzet voor voldoende afstand met de belendende percelen.
De afstand tot het westelijk aangrenzende perceel verschilt tussen de 2,75 meter en 3,1 meter, maar wordt afgeschermd door een heg op het perceel van initiatiefnemer. Met het aangrenzende perceel aan de oostzijde is de afstand tussen de woning en de perceelsgrens ruim meer dan 3 meter. In het ontwerp is rekening gehouden met het advies om vanaf de westelijk en oostelijk gelegen perceelgrenzen minimaal 3 meter afstand te houden. De bebouwingsopzet (typologie, volume, hoogte) De gemeente heeft geadviseerd om een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale nokhoogte van 10 meter te hanteren. Daarnaast is geadviseerd om een maximaal totaal volume van 990 m 3 voor de woningen en 120 m3 voor de bijgebouwen aangehouden. Indicatief gaat dit om een maximale breedte van 6 meter en een maximale lengte van 11 meter per woning. Deze maatvoering is in acht genomen voor het ontwerp van de woning. Kapvorm en de richting Geadviseerd is, gezien de te handhaven zichtlijn op het achterliggende landschap, om de kopgevel naar de straat te richten. Hieraan wordt voldaan. Erftoegang en (voldoende) parkeren op eigen terrein Het plangebied zal worden ontsloten via de huidige brug. Daarnaast wordt ook voorzien in voldoende parkeren op eigen terrein. In figuur 2.2 is een aantal beelden van het planvoornemen weergegeven.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
10/46
Figuur 2.2 Toekomstige situatie
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
11/46
3
Beleidsmatige aspecten in de fysieke leefomgeving
3.1
Verhouding tot rijksbeleid
3.1.1 Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes er gemaakt moeten worden en welke richting het Rijk meegeeft aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. duurzaam economisch groeipotentieel 3. sterke en gezonde steden en regio’s 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Doorwerking projectgebied Onderhavig plan is niet strijdig met de nationale belangen als geformuleerd in de NOVI. Gezien de zeer kleinschalige omvang van het project zijn er geen nationale belangen aan de orde.
3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB’s) Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: •
de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s;
•
de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan;
•
de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door
provincie of Rijk, belemmert. Het Bkl bevat instructieregels met betrekking tot onder meer de volgende onderwerpen: •
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
•
beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
•
beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van
de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; •
beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5),
waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; •
het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen,
natuur- en recreatiegebieden; •
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van
activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; •
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
12/46
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Doorwerking projectgebied De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de instructieregels van het Rijk. In hoofdstuk 5 van deze ruimtelijke motivering wordt uiteengezet dat de ontwikkeling het beschermen van onder meer de waterbelangen, veiligheid, gezondheid, erfgoed en het milieu niet schaadt. 3.2
Zorgvuldig ruimtegebruik / Ladder voor duurzame verstedelijking
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen en leegstand te voorkomen, is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in het Bkl bepaald: de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Het doel van de Ladder is een zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Nieuwe stedelijke ontwikkeling Het doorlopen van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking is verplicht voor iedere ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’(artikel 5.129g Bkl). De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Dus of het ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan het geldende omgevingsplan toestaat. Dit gaat over bestaande bebouwing. En ook over de bebouwing die nog kan worden gebouwd volgens het omgevingsplan, mits hiervoor de Ladder is toegepast.
Inclusief verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit waarbij is afgeweken van het omgevingsplan. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. Van belang is dus in hoeverre het plan: •
in vergelijking met het vorige plan, voorziet in een functiewijziging
•
en welk planologische beslag op de ruimte het plan mogelijk maakt in vergelijking met het vorige plan
•
Een combinatie van een ontwikkeling met een nieuw of groter planologisch ruimtebeslag en een functiewijziging is natuurlijk ook mogelijk. Er moet worden bekeken of het hele plan een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g Bkl is.
Doorwerking plangebied Op basis van artikel 5.129g lid 1 van het Bkl is doorlopen van de Ladder voor duurzame verstedelijking verplicht voor iedere ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. In artikel 5.129g Bkl is geen ondergrens vastgelegd wanneer er sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Op basis van vaste jurisprudentie wordt gesteld dat bij woningbouw een plan vanaf 12 woningen een nieuw stedelijke ontwikkeling is. Voor alle andere stedelijke functies wordt een toevoeging van 500 m2 BVO aangehouden als ondergrens. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 1 nieuwe woning en valt daarmee niet onder de noemer ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Het doorlopen van een laddertoets is derhalve niet noodzakelijk.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
13/46
3.3 Verhouding tot provinciaal beleid Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen. 3.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft haar omgevingsbeleid gebundeld in een Omgevingsvisie (vastgesteld dd. 18 februari 2025) met bijbehorende beleidsdoelen en beleidskeuzes.
In de Omgevingsvisie Zuid-Holland beschrijft de provincie waar zij naartoe wil met de fysieke leefomgeving. Daarbij werkt de provincie met zeven provinciale vernieuwingsambities, die richting geven aan de verdere uitwerking in beleidsdoelen en beleidskeuzes. Onder toekomstbestendig bouwen verstaat de provincie dat nieuwe ontwikkelingen, passend bij schaal en context, worden ontworpen en uitgevoerd met aandacht voor onder meer: • Energiepositief: meer energie opwekken dan verbruiken; • Klimaatbestendig en waterrobuust: bestand tegen extreme weersomstandigheden en goed beschermd tegen water; • Natuurinclusief (rekening houden met natuurwaarden); • Circulair en biobased (herbruikbare materialen en natuurlijke grondstoffen); • Uitstootbeperkend en drinkwaterbesparend; • Een gezonde, veilige en beweegvriendelijke leefomgeving. Doorwerking plangebied Het initiatief betreft de realisatie van één woning. Daarmee gaat het om een kleinschalige ontwikkeling. Het plan sluit aan bij de provinciale inzet op sterke steden en dorpen en geeft invulling aan toekomstbestendig bouwen. 3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening Zuid-Holland vormt het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de provincie. Deze is op 30 april 2026 geconsolideerd. De provincie zet in op het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een integrale kwaliteitskaart met bijbehorende richtpunten en een handelingskader ruimtelijke kwaliteit. De kwaliteitskaart en richtpunten geven richting aan de beoordeling van ruimtelijke ontwikkelingen. Daarbij is met name de ruimtelijke impact van een ontwikkeling van belang. De aard en schaal van een gebied bepalen in hoeverre een ontwikkeling passend is. Hoe groter de afwijking van de bestaande gebiedskwaliteiten, hoe groter de ruimtelijke impact en hoe zwaarder de provinciale afweging. Daarbij wordt ook rekening gehouden met de bijzondere of kwetsbare kwaliteit van een gebied. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten voor de beoordeling van de impact van ontwikkelingen. In dat kader wordt onderscheid gemaakt in drie typen ontwikkelingen: • Inpassing: Een ontwikkeling die past binnen de aard en schaal van het gebied. De ruimtelijke kwaliteit blijft grotendeels behouden; • Aanpassing: Een ontwikkeling die niet volledig past binnen de bestaande gebiedskwaliteiten, maar door maatregelen kan worden ingepast. Aanvullende ontwerp- en kwaliteitsmaatregelen zijn nodig;
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
14/46
•
Transformatie: Een ingrijpende ontwikkeling waarbij een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet binnen de bestaande aard en schaal.
Doorwerking plangebied Gelet op de aard en omvang van het plan is sprake van een aanpassing. De ontwikkeling wijkt in beperkte mate af van de bestaande gebiedskwaliteiten, maar wordt zodanig vormgegeven dat deze zorgvuldig wordt ingepast. Daarbij wordt rekening gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en worden de relevante richtpunten uit de kwaliteitskaart in acht genomen. Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit behouden en waar mogelijk versterkt. 3.4
Verhouding tot regionaal beleid
3.4.1 Woonvisie 2017-2031 ‘Goed wonen in de Drechtsteden’ Eind 2017 is de regionale ‘Woonvisie 2017-2031 – goed wonen in de Drechtsteden’ vastgesteld. In deze visie worden op grond van verschillende onderzoeken de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwopgaven benoemd. De Drechtstedengemeenten hebben in de regionale woonvisie twintig afspraken gemaakt. In hoofdlijn gaat het om de volgende uitgangspunten: • we bouwen 10.000 woningen voor de autonome huishoudensgroei; • we bouwen 15.000 woningen voor de groeiopgave; • we zetten in op de groei van het duurdere segment; • we kiezen voor de sociale huurwoningvoorraad voor een pas-op-de-plaatsbeleid; • we ontwikkelen een gezamenlijke strategie om beleggers te stimuleren om in de vrije huursector te investeren; • we realiseren onderscheidende woonmilieus; • in 2035 is de gebouwde omgeving in de Drechtsteden energieneutraal; • we werken samen met betrokken partners aan het duurzaam huisvesten van kwetsbare huishoudens. Doorwerking plangebied Met de voorgestane ontwikkeling worden één woningen in een rustige groene omgeving mogelijk gemaakt. Hiermee wordt invulling gegeven aan de woningbouwopgave in de regio alsmede de ambitie om woningen te realiseren binnen onderscheidende woonmilieus.
Ter plaatse is sprake van een onderscheidend woonmilieu, waarbij één woningen in het landelijk gebied aan de bebouwingslint Parallelweg worden gerealiseerd. 3.5
Verhouding tot gemeentelijk beleid
3.5.1 Omgevingsvisie Hardinxveld-Giessendam De gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft op 6 november 2025 de ‘Omgevingsvisie Hardinxveld-Giessendam 2050’ vastgesteld. In deze omgevingsvisie zijn de gemeentelijke ambities voor de lange termijn tot 2050 vastgelegd. Dat is van invloed op keuzes in de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie gaat over bijna alles buiten, dus: gebouwen, bodem, water, natuur, lucht, maar ook wegen en duurzame opwek van energie. De omgevingsvisie is opgesteld om keuzes in de fysieke leefomgeving in samenhang te bekijken. Hierin komen thema’s als gezondheid, sociale ontwikkelingen en duurzaamheid samen. Deze visie gaat over de gehele leefomgeving, in tegenstelling tot eerdere visies die zich op één thema of gebied richtten. Doorwerking plangebied In de Omgevingsvisie wordt de behoefte aan nieuwe woningen onderschreven. Woningbouw moet in samenhang met andere ruimtelijke opgaven en met behoud van de dorpskarakteristiek mogelijk gemaakt worden.Ook dient rekening te worden gehouden met inpassing in het landschap en bestaande structuren. 3.5.2 Lokale paragraaf Bouwen gemeente Hardinxveld-Giessendam De gemeenteraad van Hardinxveld‑Giessendam heeft op 27 juni 2019 de Lokale paragraaf Wonen vastgesteld.
Deze paragraaf vormt de lokale uitwerking van de regionale woonvisie Drechtsteden en geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van de woningbouw binnen de gemeente. In 2022 is deze paragraaf geactualiseerd door de Lokale Paragraaf Bouwen.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
15/46
De gemeente zet in op een woningbouwontwikkeling die aansluit bij zowel de lokale behoefte als de regionale ambities. Daarbij wordt ingezet op een continue toevoeging van woningen, met aandacht voor kwaliteit, doorstroming en een gevarieerd woningaanbod. De focus ligt op het realiseren van voldoende woningen, het toevoegen van kwalitatief goede woningen en het faciliteren van wonen in verschillende levensfasen. Daarnaast hecht de gemeente belang aan toekomstbestendig bouwen, met aandacht voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. Nieuwbouw dient aan te sluiten bij het karakter en de schaal van Hardinxveld‑Giessendam en bij te dragen aan een goede woon- en leefomgeving. Daarbij wordt gestuurd op een evenwichtige woningvoorraad, met ruimte voor zowel starters als doorstromers en aandacht voor bijzondere doelgroepen. Met de actualisatie wordt de focus geled op meer en sneller bouwen, de juiste woning op de juiste plek en meer aandacht voor variatie in het woningaanbod. Doorwerking plangebied Het plan draagt bij aan de gemeentelijke ambitie om woningen toe te voegen die aansluiten op de lokale behoefte. Door realisatie van de woning wordt voorzien in de vraag naar passende woonruimte binnen de gemeente en wordt bijgedragen aan de gewenste doorstroming.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
16/46
4
Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving
4.1
Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren
4.1.1 Toetsingskader Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond of sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het projectgebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publicatie 381). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de met de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen. De gemeente Hardinxveld-Giessendam hanteert de ‘Nota Parkeernormen Hardinxveld-Giessendam 2026’. 4.1.2 Onderzoek Het planvoornemen voorziet in de realisatie van 1 vrijstaand woonhuis. De locatie valt in het buitengebied en valt daarom in ‘schil buitengebied’. Neder-Hardinxveld – de wijk van het plangebied – is volgens de gemeentelijke parkeernota ‘matig stedelijk’.
Verkeer De berekening van de verkeersgeneratie is weergegeven in onderstaande tabel. Verkeersgeneratie Parallelweg 109 te Hardinxveld-Giessendam Type Aantal Norm (min-max) Koop, huis, vrijstaand 1 7,8 – 8,6 Totaal
Verkeersgeneratie (min-max) 15,6 – 17,2 15,6 – 17,2
Tabel 4.1 Verkeersgeneratie
Het planvoornemen voorziet in een minimaal 16 (15,6) en een maximaal 18 (17,2) voertuigen per etmaal. Gelet op de geringe hoeveelheid verkeersbewegingen worden er geen belemmeringen verwacht voor de ontsluiting op de Parallelweg. De verkeersbewegingen kunnen op een veilige en doelmatige manier afgewikkeld worden. Parkeren Parkeren auto In de huidige situatie is één vrijstaande woning en schuur aanwezig. In het planvoornemen wordt hier één woning aan toegevoegd. Ten behoeve van het planvoornemen is op basis van de gemeentelijke parkeernota en CROW 381 de onderstaande tabel ingevuld. Hieruit blijkt dat het planvoornemen voorziet in een totale parkeerbehoefte van 7 parkeerplaatsen. Parkeren Parallelweg 109 te Hardinxveld-Giessendam Type Aantal Norm (min-max) Koop, huis, vrijstaand 2 2,0 - 2,8 Bezoekers 2 0,3 Totaal
Verkeersgeneratie (min-max) 4,0 – 5,6 0,6 4,6 – 6,2
Tabel 4.2 Parkeren
In het ontwerp van de woning is rekening gehouden met het parkeren op eigen terrein.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
17/46
Parkeren fiets Daarnaast is op het perceel voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in fietsparkeren op eigen terrein. Parkeervoorzieningen Op de aangeleverde schets, zoals ook weergegeven in hoofdstuk 2, is te zien dat er aan de parkeerbehoefte voor zowel de auto als fiets wordt voldaan. Het parkeerterrein dat zal worden gerealiseerd en via de inrit te bereiken zal zijn voorziet in 7 parkeerplaatsen. Ook is er ruimte voor fietsparkeerplaatsen.
Figuur 4.1 Parkeergelegenheden op perceel
4.1.3 Conclusie Gelet op het voorgaande, is er vanuit het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
18/46
4.2
Geluid
4.2.1 Toetsingskader Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: • het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • het bevorderen van bronmaatregelen; • het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; • het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de hoogste van de volgende waarden: a. De standaardwaarde, bedoel in tabel 5.3; of b. Het geluid bij volledige benutting van het geluidproductieplafond dat gold direct voorafgaand aan de vaststelling van het in de aanhef bedoelde geluidproductieplafond. Geluidbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschapswegen Hoofdspoorwegen en locale spoorwegen Industrieterreinen
Standaardwaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden 40 Lnight
Tabel 4.3 Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort
Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde kan de hoogste van de twee waarden, bedoeld in artikel 3.32 lid 1 worden overschreden als: a. Geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de twee waarden te voldoen; b. De overschrijding door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. Het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoel in tabel 5.4.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
19/46
Geluidbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschapswegen Hoofdspoorwegen en locale spoorwegen Industrieterreinen
Grenswaarde 60 Lden 70 Lden 65 Lden 55 Lden 45 Lnight
Tabel 4.4 Grenswaarde voor geluid door een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort 1
Afdeling 3.5 (artikel 3.18 lid 1) van het Bkl voorziet in het Toetsingskader/instructieregels omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: • De ordening van locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar; hierbij kan worden gedacht aan de afstand tussen een woning en een bedrijf. • Het stellen van regels aan activiteiten op een locatie; hierbij kan worden gedacht aan normen voor geluidimmissies of preventieve maatregelen.
Geluid door activiteiten In Bijlage XXII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). 4.2.2 Onderzoek De relevante geluidsbronnen zijn wegverkeer en railverkeer. Er zijn geen bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving die akoestisch relevant zijn voor deze locatie. Ten behoeve van de ontwikkeling op het naastgelegen perceel is in 2022 een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai. Dit onderzoek is destijds beoordeeld onder de Wet geluidhinder.
De berekende geluidbelastingen uit dat onderzoek worden voor de onderhavige ruimtelijke motivering als referentie gebruikt. De berekeningen uit 2022 zijn uitgevoerd op de randen van het toen beoogde bouwvlak van twee woningen, gelegen op een perceel dat dichter bij de Parallelweg ligt dan het onderhavige plangebied. Dit oorspronkelijke plan is inmiddels gerealiseerd. Voor het huidige initiatief wordt aanvullend nog één woning gerealiseerd op een naastgelegen perceel, op grotere afstand van de weg.
1
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR713149
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
20/46
Omdat de maatgevende rekenpunten uit het onderzoek zijn gesitueerd op een bouwvlak dat dichter bij de geluidbron is gelegen en de verkeerssituatie ongewijzigd is, wordt het onderzoek als worst‑case representatief beschouwd voor de huidige situatie. De geluidbelasting ter plaatse van het nieuwe bouwvlak zal gelet op de grotere afstand tot de weg niet hoger zijn dan de in 2022 berekende waarden. Gelet hierop kunnen de resultaten van het akoestisch onderzoek uit 2022, ondanks dat deze niet specifiek voor het huidige bouwvlak zijn berekend, in voldoende mate worden gebruikt voor de beoordeling van de voorgenomen ontwikkeling. De uitkomsten uit 2022 (maatgevende waarden) zijn: • wegverkeer Parallelweg: maximaal 58 dB op de maatgevende gevel; • railverkeer Merwede‑Lingelijn: maximaal 60 dB op de maatgevende gevel; • cumulatie weg + rail: maximaal circa 64 dB. Beoordeling: maatregelen, cumulatie en geluidluwe gevel Uit het onderzoek volgt dat sprake is van een verhoogde geluidbelasting vanwege zowel weg- als railverkeer. In dat kader zijn maatregelen beschouwd. Daarbij wordt aangesloten bij de systematiek van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waarin het treffen van doelmatige maatregelen en het belang van een geluidluwe gevel centraal staan.
Bron- en overdrachtsmaatregelen In het onderzoek is gemotiveerd dat bron- en overdrachtsmaatregelen (zoals stil wegdek, schermen, raildempers of het vergroten van de afstand) niet doelmatig en/of stedenbouwkundig onwenselijk zijn voor deze kleinschalige ontwikkeling. Deze afweging kan onder de huidige systematiek worden overgenomen. Gevel en geluidluwe zijde Het onderzoek laat zien dat de maatgevende gevel akoestisch het meest wordt belast. In het plan wordt hier rekening mee gehouden door te voorzien in een geluidluwe gevel en situering, zodat een deel van de woning en het perceel een duidelijk lagere geluidbelasting kent. Hiermee wordt invulling gegeven aan het belang van een geluidluwe gevel binnen de Bkl‑systematiek. Cumulatie Uit het akoestisch onderzoek volgt dat zowel het railverkeerslawaai als het wegverkeerslawaai aanleiding geven tot een verhoogde geluidbelasting. Het gecumuleerde geluid vanwege weg- en railverkeer bedraagt maximaal circa 64 dB ter plaatse van de maatgevende gevel. Deze cumulatieve beoordeling is in lijn met de systematiek van het Bkl, waarin het samenkomen van meerdere geluidbronnen wordt betrokken bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting. Benodigde gevelwering Uitgaande van de gecumuleerde geluidbelasting van maximaal 64 dB bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering van de gevel (Ga;k) circa 31 dB (64 – 33 dB).
Bij de verdere uitwerking van het bouwplan wordt voorzien in gevels met een voldoende geluidwerende werking, zodat wordt voldaan aan de eisen voor het binnenniveau zoals die volgen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarmee is geborgd dat in de woning een aanvaardbaar binnenniveau wordt gerealiseerd. Woon- en leefklimaat De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal circa 64 dB. Dit komt overeen met een milieukwaliteit die kan worden gekwalificeerd als ‘goed’ tot ‘tamelijk slecht’. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid is echter niet alleen de hoogte van de geluidbelasting bepalend. Door de gekozen situering en de aanwezigheid van een geluidluwe gevel, in combinatie met de benodigde gevelwering, wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarin een integrale afweging centraal staat. 4.2.3 Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
21/46
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; CIMLK Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. Sinds 1 januari 2023 vervangt het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het NSL. Middels dit nieuwe instrument kan de luchtkwaliteit berekend en gemonitord worden onder de Omgevingswet. NIBM De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig.
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10.
Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Een Rijksomgevingswaarde bestaat uit grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. 4.3.2 Onderzoek Het projectgebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 of voor alleen PM10. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is daarom niet benodigd. Er wordt volstaan met een quickscan luchtkwaliteit, welke is gebaseerd op het CIMLK-instrument en de NIBM-tool. CIMLK In het kader van goede ruimtelijke ordening is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woonen leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
22/46
achtergrondwaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 ter plaatse van het projectgebied. De achtergrondwaarden van de vier dichtstbijzijnde rekenpunten zijn in tabel 4.5 weergegeven. Id
NO2 μg/m3
PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
51200570_15480218
10,6147
13,4033
6
6,5461
2035
51200570_15479211
10,6007
13,4
6
6,5451
2035
27364178_57798
14,9092
14,2137
6
6,9165
2035
27364178_34992
15,3622
14,2829
6
6,9379
2035
Norm
40
40
35
25
Tabel 4.5 Achtergrondwaarden ter plaatse van het projectgebied
De data uit het CIMLK toont aan dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied. NIBM Middels de NIBM-tool is in beeld gebracht wat de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit zijn. Voor het toepassen van de NIBM-tool is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de verkeersgeneratie die samenhangt met de binnen de projectgebieden beoogde functies. Deze verkeersgeneratie is berekend in paragraaf 4.1 ‘Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren’. Bij de berekening is uitgegaan van de maximum verkeersgeneratie, namelijk 18 mvt/etmaal. De resultaten uit de berekening met de NIBM-tool zijn weergegeven in tabel 4.6.
Tabel 4.6 NIBM-berekening
Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De toename van de concentratie NO2 en PM10 is niet hoger dan 1,2 ug/m3. Hiermee is sprake van een NIBM-project. Nader onderzoek op dit vlak is daarom niet noodzakelijk. Hierdoor is toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 niet nodig. Tevens behoort het projectgebied niet tot een van de aandachtsgebieden, welke genoemd zijn in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. De bouw van één woning is geen milieubelastende activiteit, als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal, waarover regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Het is geen activiteit die relatief veel luchtvervuiling veroorzaakt en over een grotere afstand effect heeft. 4.3.3 Conclusie Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
23/46
4.4
Activiteiten en milieuzonering
4.4.1 Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet) is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: • Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is; • Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet. Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) ten aanzien van geluid, geur en trilling door activiteiten. Met als gevolg dat milieunormering in het omgevingsplan plaatsvindt om tot een evenwichtige toedeling van milieugevoelige en milieubelastende functies te komen. Deze milieunormen voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat die activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen voor een milieugevoelige functie in dat gebied. De term ‘activiteiten met gebruiksruimte’ kan dus ook worden gebruikt voor activiteiten die het milieu belasten, maar niet specifiek zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
De term is dus ruimer dan de veelgebruikte term ‘milieubelastende activiteiten’. Het uitgangspunt is dat alle activiteiten met gebruiksruimte in meer of mindere mate milieu gerelateerde gebruiksruimte nodig hebben en dus belastend kunnen zijn. Alleen het wonen is hiervan uitgezonderd. Dat betekent dat wanneer het om wonen gaat, het niet nodig is om specifiek te kijken naar de impact op het milieu bij het bepalen van de ruimte die voor deze activiteit nodig is. Wel is wonen een milieugevoelige functie, net als o.a. onderwijs en gezondheidszorg. Bij een ontwikkeling die ziet op een milieugevoelige functie is het dus noodzakelijk te bepalen of er sprake is van een aanvaardbare woon- en leefomgeving. Handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering en vervangt daarmee de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de oude wetgeving. De nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur.
Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. 4.4.2 Onderzoek In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient onderzocht te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij het projectgebied. Het projectgebied ligt in een ‘rustige woonwijk’. Met het planvoornemen is sprake van een milieugevoelige activiteit, namelijk de toevoeging van één vrijstaande woning bedoeld voor de functie wonen. Middels een quickscan activiteiten en milieuzonering is onderzocht welke eventuele ‘activiteiten met gebruiksruimte’ zich in de directe omgeving van het projectgebied aan de Parallelweg 109 te Hardinxveld-Giessendam bevinden. In tabel 4.7 komt naar voren in welke geluid- en geur-zone de activiteiten vallen en aan welke eventuele minimale richtafstand moet worden voldaan. Er is geen sprake van een belemmering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied. Ook is de bedrijfsvoering van omliggende activiteiten gewaarborgd. ‘FM’ staat namelijk voor functiemenging.
Dit betekent dat geen minimale richtafstand dient te worden aangehouden en dat deze functies naast kwetsbare functies kunnen voorkomen/zijn toegestaan.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
24/46
Activiteiten
Omschrijving
Zone Geluid FM
Minimale richtafstand n.v.t.
Voldoet
Geur FM
Modevakschool en Atelier Anna Couture (Parallelweg 109) NuBuiten (Giessenzoom 15)
Bibliotheken, muesa, ateliers, e.d.
Ja
Detailhandel voor zover n.e.g.
FM
FM
n.v.t.
Ja
Houthandel van Loon (Giessenzoom 15) Korfbalvereniging Vriendenschaar (Sluisweg 135) VV Hardinxveld (Sluisweg 131A)
Detailhandel voor zover n.e.g.
FM
FM
n.v.t.
Ja
Veldsportcomplex (met verlichting)
2
FM
Tot grenszone beperkt
Ja
Veldsportcomplex (met verlichting)
2
FM
Tot grenszone beperkt
Ja
Het Groene Kniphuis (Parallelweg 124) Maatschap Stal Leeuwenhoeve (Binnendamseweg 28) Boxman | van Wijk (Binnendamseweg 26a) Brand Fires (Binnendamseweg 26a)
Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten
FM
FM
n.v.t.
Ja
Fokken en houden van overige graasdieren: paardenfokkerijen Detailhandel voor zover n.e.g.
1
2
30 meter
Ja
FM
FM
n.v.t.
Ja
Detailhandel voor zover n.e.g.
FM
FM
n.v.t.
Ja
Stal Vonk Trouwservice (Binnendamseweg 18) Zwemvereniging HardinxveldGiessendam (Sluisweg 144)
Verhuur van en handel in onroerend goed
FM
FM
n.v.t.
Ja
Zwembaden: overdekt
2
FM
Tot grenszone beperkt
Ja
Tabel 4.7 Toetsing aanwezige activiteiten
4.4.3 Conclusie Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.5
Omgevingsveiligheid
4.5.1 Toetsingskader Omgevingsveiligheid (voorheen: externe veiligheid) heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
25/46
Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen) 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties) 3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties) Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl. Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: • activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; • het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor; • buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; • windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.
Naast de eerdergenoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd, bevat het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen: • opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4); • opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5); • exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5); • opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen. Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het groepsrisico is een concretisering van de wettelijke verplichting dat het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet inhouden ook met het oog op het waarborgen van de veiligheid.
Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden en moet advies bij de Veiligheidsregio worden ingewonnen (artikel 5.2 Bkl). 4.5.2 Onderzoek Het planvoornemen aan de Parallelweg 109 voorziet in de realisatie van één vrijstaande woning. Een woning wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving aangemerkt als een kwetsbaar gebouw. De woning zelf vormt geen risicobron en voegt geen nieuwe risicovolle activiteiten toe aan de omgeving.
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
26/46
Het plangebied is gelegen in een gebied dat volgens de Atlas Leefomgeving wordt aangemerkt als een aandachtsgebied voor omgevingsveiligheid ten aanzien van brand. Dit betekent dat in de omgeving risicobronnen aanwezig zijn of dat sprake is van omstandigheden waarbij het risico op brand relevant is voor de beoordeling van nieuwe ontwikkelingen. Voor de onderhavige locatie gaat het om een brandaandachtsgebied vanwege transport van gevaarlijke stoffen. Er is geen voorschriftengebied aangewezen, zodat er geen aanvullende eisen van toepassing zijn.
Figuur 4.1 Uitsnede risicokaart (bron: Atlas Leefomgeving)
De locatie is niet gelegen in de plaatsgebonden risicocontour. De ontwikkeling betreft de nieuwbouw van één woning. De personendichtheid in het gebied neemt hiermee in zeer beperkte mate toe. Voor de beoordeling van het groepsrisico is dit niet van relevante invloed. Hiermee wordt voldaan aan de eisen vanuit omgevingsveiligheid. 4.5.3 Conclusie De locatie is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risico contour. Er is geen relevant effect op het groepsrisico. Vanuit omgevingsveiligheid wordt voldaan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.6
Natuur en landschap
4.6.1 Toetsingskader Gebiedsbescherming In Nederland zijn er specifieke gebieden van groot belang voor flora en fauna, waaronder Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Deze gebieden worden beschermd door verschillende wettelijke instrumenten. In artikel 5.1, lid 1 van de Omgevingswet staat dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit uit te voeren. Daarnaast bepaalt lid 2 van hetzelfde artikel dat het eveneens verboden is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te voeren. Voor beide gevallen geldt dat
Proj.nr. P09685 / Concept / Versie 1.0 / 28-05-2026
27/46
afwijkende regelingen kunnen zijn opgesteld in het omgevingsplan, de waterschapsverordening, de omgevingsverordening of een ministeriële regeling. Hoofdstuk 11 van het Bal behandelt de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten en flora- en faunaactiviteiten. In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien geen vrijstelling van toepassing is, dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen enkelvoudige en meervoudige aanvragen, afhankelijk van de aard van de activiteit (flora- en fauna-activiteit en/of Natura 2000-activiteit). Natura 2000-gebieden De bescherming van Natura 2000-gebieden is gebaseerd op de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst deze gebieden aan via een aanwijzingsbesluit, zoals bepaald in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Bovendien stelt hij op basis van artikel 2.43 van de Omgevingswet de instandhoudingsdoelstellingen vast. Nederland beschikt over meer dan 160 Natura 2000-gebieden.
Bij de voorbereiding van een omgevingsplan dienen mogelijke significante effecten als gevolg van projecten, plannen en activiteiten, zowel individueel als in combinatie met andere plannen of projecten, te worden geïdentificeerd en beoordeeld, zoals voorgeschreven in artikel 16.53, lid c, van de Omgevingswet. Een activiteit die potentieel significante nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied wordt aangeduid als een Natura 2000-activiteit, zoals beschreven in bijlage A van de Omgevingswet. Natura 2000-gebieden hebben externe effecten, wat betekent dat ook ingrepen buiten deze gebieden die verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden geëvalueerd op hun impact op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden goedgekeurd als uit een passende beoordeling blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Bij verkregen zekerheid kan vergunningverlening plaatsvinden, zoals bepaald in artikel 8.74, lid b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Als er echter geen zekerheid is verkregen, kan het plan toch worden goedgekeurd mits wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3.