Programmabegroting 2025-2028.pdf
Tekst van het document
2021
2022
2023
2024
OZB-eigenaar*
314,00
365,00
407,00
441,00
Rioolheffing
237,00
217,00
204,00
206,50
Afvalstoffenheffing
309,00
319,00
332,00
322,00
Totaal
860,00
901,00
943,00
969,50
% stijging/afname t.o.v. vorig jaar
3,7%
4,8%
4,7%
2,8%
* Betreft gemiddeld betaalde OZB volgens het Coelo
Uit bovenstaande tabel volgt dat de woonlasten in Hardinxveld-Giessendam in 2023 met 2,8% zijn gestegen ten opzichte van het jaar daarvoor. Daarbij is het vaste tarief voor afvalstoffenheffing verlaagd, vanwege de invoering van diftar. Dit laatste is in de woonlasten 2024 niet meegerekend, omdat de afrekening 2024 in de aanslag 2025 wordt meegenomen. Vergelijking met andere gemeenten Jaarlijks wordt door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) een onderzoek uitgevoerd naar de gemeentelijke woonlasten, teneinde een vergelijk tussen de gemeenten mogelijk te maken. Om inzicht te krijgen in het algemene verloop van de hoogte van de woonlasten van onze gemeente is een vergelijk met omringende gemeenten gemaakt.
Programmabegroting 2025-2028
32
HardinxveldGiessendam Molenlanden Gorinchem
Vijfheerenlanden
Gemiddelde woningwaarde
418.300
477.800
458.100
465.100
OZB-eigenaar
0,1054%
0,0789%
0,0943%
0,0888%
OZB-eigenaar
441
377
432
413
Rioolheffing (vastrecht)
207
260
201
194
Afvalstoffenheffing
344
441
376
439
Totaal
991
1.078
1.009
1.046
Rangorde landelijk
181
262
198
243
1
4
2
3
(o.b.v. w oonlasten meerpersoonshuishouden volgens Coelo)
Rangorde AlblasserwaardVijfheerenlanden (o.b.v. berek. w oonlasten)
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat de gemeente Hardinxveld-Giessendam in 2024 landelijk gezien in het midden behoort (plaats 181 van de in totaal 342 gemeenten). Regionaal gezien staat de gemeente Hardinxveld-Giessendam op de eerste plaats (2023: 2). De woonlasten zijn gebaseerd op het COELO, waarbij de afvalstoffenheffing afwijkt van het vaste tarief voor 2024. Het COELO houdt namelijk rekening met een gedeelte diftar (voor 2024 € 22). Naast een vergelijk met de omringende gemeenten is ook een vergelijk met de Drechtstedengemeenten gemaakt. HardinxveldGiessendam Alblasserdam
Hendrik-IdoAmbacht Papendrecht
Dordrecht
Sliedrecht
Zwijndrecht
Gemiddelde woningwaarde
418.300
409.200
381.800
464.600
399.600
378.200
389.400
OZB-eigenaar
0,1054%
0,0991%
0,0905%
0,0934%
0,1136%
0,0733%
0,0866%
OZB-eigenaar
441
405
346
434
454
277
337
Rioolheffing (vastrecht)
207
169
234
218
169
305
322
Afvalstoffenheffing
344
449
357
410
424
365
368
-
-40
-
-76
-
-
-
Totaal
991
982
936
986
1.047
947
1.027
Rangorde landelijk
181
173
106
176
244
124
220
5
3
1
4
7
2
6
Rioolheffing (gebaseerd op 2 bew.)
Heffingskorting
(o.b.v. w oonlasten meerpersoonshuishouden volgens Coelo)
Rangorde Drechtsteden (o.b.v. w oonlasten)
In vergelijking met de overige Drechtstedengemeenten eindigt Hardinxveld-Giessendam op plaats 5 (2023: 4). Ook hier geldt dat het tarief afvalstoffenheffing gebaseerd is op het COELO inclusief een deel diftar (€ 22). Kostendekkendheid Het BBV schrijft voor dat in de paragraaf lokale heffingen inzicht wordt gegeven in de mate van kostendekkendheid van de verschillende tarieven. Hiermee wordt beoogd transparantie te bieden in de tarieven waarbij sprake is van kostenverhaal. De toerekening van overhead vindt extracomptabel plaats. Dat betekent dat het overheaddeel op de afzonderlijke programma’s niet aan deze programma’s zijn toegerekend. Programmabegroting 2025-2028
33
De volgende overzichten laten zien van welk percentage kostendekkendheid sprake is. Voor het bepalen van onderstaande kostendekkendheidspercentages is uitgegaan van de ‘Handreiking Kostenonderbouwing paragraaf lokale heffingen’ van het VNG. De kostendekkendheid is bepaald door de totale baten te delen door de lasten die volgens de handreiking mogen worden toegerekend. Hierin is een opslag voor de overheadkosten opgenomen. Voor het bepalen van het percentage overhead is uitgegaan van de totale lasten aan overhead (taakveld 0.4), welke zijn gedeeld door de totale loonkosten inclusief de kosten van inhuur. Voor de riolering en reiniging is een afwijkend overheadopslagpercentage gehanteerd, namelijk gebaseerd op een percentage van de totale kosten (salarissen en directe lasten).
Overheadopslag voor loonkosten
63,4% Overheadopslag voor loonkosten
15,1%
Legesverordening Titel 1: Algemene dienstverlening:
Titelblad 1 Hoofdstuk 1 Directe lasten Loonkosten Saldo Overheadopslag voor loonkosten Totale lasten Totale baten Kostendekkendheid
Titelblad 1 Hoofdstuk 3 Directe lasten Loonkosten Saldo Overheadopslag voor loonkosten Totale lasten Totale baten Kostendekkendheid
Titelblad 1 Hoofdstuk 9 Directe lasten naturalisatie Loonkosten Saldo Overheadopslag voor loonkosten Totale lasten Totale baten naturalisatie Totale baten Verklaring omtrent gedrag Kostendekkendheid
Programmabegroting 2025-2028
Titelblad 1 Burgelijke stand Hoofdstuk 2 29.698 Directe lasten 90.587 Loonkosten 120.285 Saldo 57.464 Overheadopslag voor loonkosten 177.749 Totale lasten 16.000 Totale baten 9% Kostendekkendheid
Reisdocumenten 150.075 164.365 314.440 104.265 418.705 233.222 56%
Titelblad 1 Rijbewijzen Hoofdstuk 4 39.521 Directe lasten 81.528 Loonkosten 121.049 Saldo 51.717 Overheadopslag voor loonkosten 172.766 Totale lasten 55.000 Totale baten 32% Kostendekkendheid
Titelblad 1 Overige publiekszaken Hoofdstuk11 13.500 Directe lasten Loonkosten 13.500 Saldo Overheadopslag voor loonkosten 13.500 Totale lasten 11.000 Totale baten 2.500 100% Kostendekkendheid
Verstrekkingen uit basisregistratie 24.408 157.621 182.029 99.987 282.016 2.500 1%
Huisvestingswet 45.174 250.686 295.860 159.022 454.882 1.000 0%
34
Titel 2: Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning Titelblad 1
Titelblad 1
Hoofdstuk 14 Directe lasten Loonkosten Saldo Overheadopslag voor loonkosten Totale lasten
Omgevingsvergunningen 125.341 918.736 1.044.077 582.799 1.626.876
Markten Hoofdstuk 3 26.836 Directe lasten 14.786 Loonkosten 41.622 Saldo 9.379 Overheadopslag voor loonkosten 51.001 Totale lasten
Totale baten Kostendekkendheid
37.700 Totale baten 74% Kostendekkendheid
415.000 26%
Titel 3: Dienstverlening vallend onder Europese Richtlijn Titelblad 1 en 3 TB 1: hoofdstuk 16 TB 3: hoofdstuk 1 TB 3: hoofdstuk 2
kansspelen horeca organiseren evenementen of markten niet benoemde vergunningen 10.192 83.843 94.035 53.186 147.221
TB 3: hoofdstuk 7 Directe lasten Loonkosten Saldo Overheadopslag voor loonkosten Totale lasten Totale baten Kostendekkendheid
5.250 4%
Havengelden, begraafplaatsen, riolering en afval Havengelden Directe lasten Loonkosten Saldo Overheadopslag voor loonkosten Totale lasten
Begraafplaatsen 22.760 Directe lasten 32.394 Loonkosten 55.154 Saldo 20.549 Overheadopslag voor loonkosten 75.703 Totale lasten
181.062 364.098 545.160 230.965 776.125
Totale baten Kostendekkendheid
29.224 Totale baten 39% Kostendekkendheid
390.800 50%
Afval
Riool
Directe lasten Loonkosten Saldo Overheadopslag Gecompenseerde BTW Totale lasten
2.437.408 Directe lasten 97.998 Loonkosten 2.535.406 Saldo 325.772 Overheadopslag 496.531 Gecompenseerde BTW 3.357.708 Totale lasten
1.134.364 317.130 1.451.494 40.748 168.721 1.660.963
Totale baten Kostendekkendheid
2.923.959 Totale baten 87% Kostendekkendheid
1.679.000 101%
Programmabegroting 2025-2028
35
1.11 Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing Algemeen Deze paragraaf geeft inzicht in (mogelijke) risico’s voor de gemeente en de mate waarin deze risico’s kunnen worden opgevangen (weerstandscapaciteit). De relatie tussen de risico’s en de weerstandscapaciteit zegt iets over de financiële robuustheid van de gemeente Hardinxveld-Giessendam: het weerstandsvermogen. Beleid Bij raadsbesluit van 16 december 2021 is de Financieringsvisie vastgesteld. De nota reserves en voorzieningen is vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2021. Deze nota geeft een overzicht van de reserves en voorzieningen, evenals richtlijnen hoe hiermee wordt omgegaan. Er is voor gekozen om geen afzonderlijke nota samen te stellen inzake het weerstandsvermogen en de risico’s. In deze paragraaf wordt hiervan een uiteenzetting gegeven. Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen en mogelijkheden waarover de gemeente beschikt om tegenvallers op te vangen. Het gaat hierbij om de ‘vrij besteedbare’ middelen, zoals de algemene reserve, de onbenutte belastingcapaciteit en de stille reserves. Per 1 januari 2025 wordt de weerstandscapaciteit begroot op: Bedragen x € 1.000
Weerstandscapaciteit exploitatie Onbenutte belastingcapaciteit - OZB Totaal onbenutte belastingcapaciteit Onvoorzien Weerstandscapaciteit exploitatie
p.m. 0 25 25
Weerstandscapaciteit vermogen Vrij aanwendbaar deel algemene reserve Vrij aanwendbaar deel reserve sociaal domein Stille reserves Weerstandscapaciteit vermogen Totale weerstandscapaciteit
4.439 1.529 p.m. 5.968 5.993
Algemene reserve Dit betreft het vrij aanwendbaar deel van de algemene reserve. Het onbestemde gedeelte uit de uitkering Eneco en de gelabelde onderdelen uit de resultaatbestemmingen worden als niet-vrij aanwendbaar beschouwd. Reserve Sociaal Domein Deze reserve wordt gezien als onderdeel van de weerstandscapaciteit. De achterliggende reden is dat in de bepaling van de risico’s het sociaal domein is betrokken.
Programmabegroting 2025-2028
36
Onbenutte belastingcapaciteit De onbenutte belastingcapaciteit bestaat uit de extra structurele middelen die gegenereerd kunnen worden door de tarieven van de gemeentelijke belastingen te verhogen tot het wettelijk toegestane maximum. De onbenutte belastingcapaciteit ten aanzien van de onroerende zaakbelastingen is bepaald op basis van het verschil tussen onze OZB-percentages en het normpercentage-OZB voor toelating tot artikel 12 van de financiële verhoudingswet (Fvw). Het Rijk heeft met de VNG afgesproken dat vanaf 2020 een benchmark woonlasten wordt ingevoerd om jaarlijks de ontwikkeling van de lokale lasten inzichtelijker te maken. Daarmee komt een einde aan het monitoren met de macronorm OZB. De onbenutte belastingcapaciteit voor de overige onderdelen (riool- en afvalstoffenheffing, leges en overige heffingen) is op nul gezet. Dit omdat bij de gemeentelijke belastingen en retributies zoveel mogelijk wordt gestreefd naar 100%-kostendekkendheid. Onvoorzien Ter dekking van onvoorziene begrotingsuitgaven in de loop van het jaar is in de begroting 2025 een bedrag opgenomen van € 25.000. Algemene reserve Van de algemene reserve is de verwachting dat € 4.439.491 vrij aanwendbaar is. Stille reserves Om een reëel inzicht te hebben in de omvang van het eigen vermogen dienen ook stille reserves in beeld te worden gebracht.
Deze reserves vormen immers één van de elementen waarmee tegenvallers bekostigd zouden kunnen worden. De gemeente heeft stille reserves wegens aandelenbezit Stedin en BNG welke zijn gewaardeerd tegen historische kostprijs. Ook de gemeentelijke eigendommen bevatten stille reserves die bij verkoop te gelde kunnen worden gemaakt. De stille reserves zijn PM geraamd omdat deze niet direct inzetbaar zijn voor weerstandscapaciteit. Risico-analyse De risico’s die relevant zijn voor het weerstandsvermogen zijn die risico’s die niet op een andere manier zijn ondervangen, dus waarvoor geen voorziening is gevormd of waarvoor geen verzekering is afgesloten. Organisatiebreed heeft een risico-inventarisatie plaatsgevonden. Deze is als volgt opgebouwd: • Korte beschrijving van het risico • Het financiële effect / kans / risicobedrag Om tot een kwantificering van de risico’s te komen zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: Kans De kans dat een risico zich daadwerkelijk voordoet is afhankelijk van meerdere factoren waaronder de frequentie. De frequentie alleen is op zich al moeilijk te bepalen. Om toch te komen tot een schaalverdeling is bij de risicoanalyse binnen de gemeente Hardinxveld-Giessendam gekozen voor drie categorieën, te weten: • Groot (80%); • Gemiddeld (50%); • Klein (20%).
Impact De impact geeft de financiële invloed aan die een risico kan hebben op de gemeentelijke exploitatie. De percentages (standaardklassen) die worden gehanteerd zijn 1%, 5%, 10%, 25% en 50%. Daarbij heeft het kleinste percentage financieel gezien de minste impact, terwijl het grootste percentage juist een grote impact heeft.
Programmabegroting 2025-2028
37
In onderstaande tabel geven we een overzicht van de risico’s, gevolgd door een korte beschrijving van elk risico. Risicomatrix Kans Program m a
Risico's
Im pact
Bedrag
Groot
Gem iddeld
Klein
80%
50%
20%
40.000
Totaal
2
PFOA
20%
250.000
3
Leerlingenvervoer
50%
410.000
103.000
103.000
40.000
3
Participatiew et (incl. inkomensvoorz.)
10%
5.273.000
264.000
264.000
3
WMO
10%
5.461.000
273.000
273.000
3
Jeugdw et
10%
6.298.000
315.000
315.000
Bedrijfsv
Eenmansposten
10%
13.111.726
656.000
656.000
Fin en dek
Algemene uitkering
5%
34.112.000
853.000
Fin en dek
Rentelasten
10%
750.000
Overigen
Overig (niet kw antificeerbaar)
853.000 15.000
15.000 1.000.000
40.000
2.464.000
15.000
3.519.000
PFOA De aanwezigheid van de PFOA in (water)bodem leidt tot meerkosten op projecten. In alle gevallen is bodemonderzoek nodig waarbij ook onderzocht wordt op PFOA. De afzetmogelijkheden van de grond bepalen hierna de omvang van de meerkosten. Problemen zijn er vooral als gesaneerd moet worden, waarbij er ook PFOA als bijvangst aangetroffen wordt. Daarnaast kan PFOA ook stagnatie(kosten) tot gevolg hebben. In de ramingen van de projecten wordt geanticipeerd op dit risico en daarom wordt het risico op budgetoverschrijding hoog geacht (80%) en impact op de ramingen in de begroting op beperkt (20%). Leerlingenvervoer Het leerlingenvervoer is een open einde regeling. Na jaren van stabilisatie hebben we vorig jaar moeten constateren dat de kosten voor het leerlingenvervoer weer stijgen. Momenteel zijn er twee grote effecten te zien op het budget leerlingenvervoer. Dat betreft het aantal leerlingen waarvoor er een beroep wordt gedaan op de verordening (en met name de afstand waar de school staat). In de regio wordt er nu een tweede analyse gemaakt naar de vervoersbewegingen en er wordt bij de samenwerkingsverbanden gekeken of er in ons samenwerkingsgebied een aanpassing van het onderwijsaanbod zou moeten komen. Dit vloeit voort uit Passend onderwijs en de goede samenwerking in de regio met de samenwerkingsverbanden. In het VO zit de grootste stijging.
Met name in het VO wordt nu gekeken naar inclusieve lesplaatsen om zo te kijken of leerlingen langer thuisnabij onderwijs kunnen krijgen. We zien ook dat de problematiek onder jeugd over het algemeen stijgt en dat kan invloed hebben op de schoolkeuze. Gelet op bovenstaande uiteenzetting wordt het risico op budgetoverschrijding gemiddeld geacht (50%). De impact op de ramingen in de begroting wordt op 50% ingeschat. Participatiewet De Participatiewet kenmerkt zich door een vast rijksbudget binnen de algemene uitkering. Dit is het participatiebudget dat onderdeel is van het sociaal domein. Naast het participatiebudget is er een specifieke uitkering die als inkomensdeel door het Rijk separaat wordt uitbetaald. Beide budgetten worden neutraal in de begroting opgenomen. Het toereikend zijn van het budget hebben wij niet geheel in eigen hand. Gemeenten hebben te maken met verlaagde inkomsten. Bovendien hebben we op het vlak van bestaanszekerheid te maken met onzekere tijden. Onzekere invloeden zijn de inflatie en energieprijzen. De kans dat mensen met een laag inkomen in de financiële problemen komen wordt hiermee vergroot. We houden deze ontwikkelingen en inschattingen van het CPB en het Rijk nauwlettend in de gaten. De SDD voert voor onze gemeente de Participatiewet uit. We zetten in op het versterken van de bestaanszekerheid van inwoners, o.a.
door middel van inkomensondersteuning, minimaregelingen en schuldhulpverlening. Daarnaast zetten we instrumenten in om inwoners met een afstand tot de arbeidsmarkt zo veel mogelijk te laten participeren naar vermogen. De verantwoordelijkheid voor de inburgering van asielstatushouders en gezinsmigranten ligt bij gemeenten. Van het Rijk ontvangen we het budget, een specifieke uitkering (SPUK) voor inburgeringsvoorzieningen, de maatschappelijke begeleiding en de PVT's. Deze onderdelen worden door de Programmabegroting 2025-2028
38
gemeenten uitgevoerd en ingekocht, overige taken wordt door de SDD uitgevoerd. De beschikbare middelen worden bepaald aan de hand van de voorlopige taakstelling en is de basis voor de berekening van de hoogte van het budget. Er zit wel enige risico op het maken van een inschatting van de taakstelling, zeker gezien de huidige beweging van het aantal asielzoekers dat zich meldt. In 2023 en 2024 was de opgelegde taakstelling hoog. Door personeelstekort bij de IND en COA werd het behalen van de taakstelling moeilijk, de taakstelling van 2023 is in onze gemeente niet gehaald. Dit kan leiden tot een teruggave van SPUK-gelden. Voor 2024 is de taakstelling nog steeds hoog en is er een groot risico dat er voldoende geschikte woningen voor statushouders beschikbaar zijn. Hierdoor is het nog onduidelijk of de taakstelling van 2024 zal worden gehaald. Mocht de taakstelling in 2024 ook niet worden gehaald, zal er rekening gehouden moeten worden met een teruggave van SPUK-gelden. Door de hogere taakstelling, indexatie van personeelskosten, de Spreidingswet en de komst van AZC's in de regio, is de verwachting dat de kosten van de SDD en Vluchtelingenwerk komende jaren nog verder stijgen. Binnen de opgave Ontwikkelen naar werk wordt in 2025/2026 de Participatiewet herijkt.
De herijking is vooral bedoelt om de klant (inwoner) meer centraal te stellen, meer ruimte te bieden voor individueel maatwerk en meer uit te gaan van vertrouwen in de klant. We weten nog niet in hoeverre de draaiknoppen een financieel effect gaan hebben. De budgetten van de participatiewet worden nauwlettend gevolgd. Gelet op bovenstaande uiteenzetting wordt het risico op budgetoverschrijding gemiddeld geacht (50%). De impact op de ramingen in de begroting is beperkt (10%). Wmo De Wmo is een ‘open einderegeling’: de kosten in enig jaar zijn sterk afhankelijk van het beroep dat op de regeling wordt gedaan. Alleen al daarom brengt het de nodige risico’s met zich mee. Daarnaast hebben demografische ontwikkelingen, arbeidsmarktontwikkelingen en de ontwikkeling van kostprijzen van producten en diensten grote impact op de uitgaven van de Wmo. De Sociale Dienst Drechtsteden (SDD) voert voor onze gemeenten het grootste deel van de Wmo-taken uit. De SDD benut hiervoor een groot deel van de Wmo-budgetten van de gemeente. Zowel de uitvoeringskosten als de apparaatskosten worden verrekend op basis van werkelijk gebruik. De realisatiecijfers van de afgelopen jaren vormen de basis voor de komende jaren waarmee de budgetten herijkt kunnen worden. Hierbij is ook een marge ingebouwd. De realisatiecijfers van de volgende jaren bieden een verdere basis voor betrouwbaardere prognoses.
De uitgaven op de individuele begeleiding en dagbesteding stijgen al geruime tijd. Naar verwachting zal de stijging in kosten de komende jaren op alle maatwerkvoorzieningen doorzetten. Dit komt door de combinatie van twee factoren: 1) de stijgende vraag naar ondersteuning. Dit komt onder andere door de vergrijzing en doordat mensen steeds langer en met zwaardere problematiek thuis blijven wonen (ambulantisering en extramuralisering); 2) de kostprijs/tarieven van maatwerkvoorzieningen neemt toe. Deze stijging vloeit voort uit de forse stijging van de grondstofprijzen en recente CAO-ontwikkelingen, die ook binnen de zorgsector tot forse loonsverhogingen heeft geleid. De SDD stuurt op het beperken van de kosten via, onder andere, scherpe sturing op de contracten en afschaling naar lichtere vormen van ondersteuning als dat mogelijk is. Door meer in te zetten op het normaliseren van ondersteuning ('goed is goed genoeg') en meer focus te leggen op zelfredzaamheid (wat kan de inwoner nog of weer zelf) proberen we de toename in indicaties af te remmen, zodat we in de toekomst de ondersteuning kunnen blijven leveren aan mensen die het echt nodig hebben (ouderen en chronisch zieken en gehandicapten).
Het budget voor het organiseren van algemene voorzieningen blijft lokaal en zit voor een groot deel in de Maatschappelijke Agenda (MAG) en het budget van het Sociaal Team (het Sociaal Team is een algemene voorziening). Een onzekere factor is de doordecentralisatie van beschermd wonen en opvang. Naar verwachting wordt, na jaar op jaar uitstel, per 2026 het nieuwe objectieve verdeelmodel en het woonplaatsbeginsel stapsgewijs ingevoerd. Onze gemeente gaat vanaf dan eigen budget ontvangen voor de uitvoering van Programmabegroting 2025-2028
39
Beschermd wonen. De afgelopen jaren had onze regio een overschot op het budget Beschermd wonen, hetgeen ieder jaar volgens een vaste verdeelsleutel werd verdeeld over de gemeenten. Vanuit deze middelen bekostigde onze gemeente lokale (preventieve) initiatieven. Met de komst van het nieuwe verdeelmodel zal dit overschot naar verwachting geleidelijk verdwijnen. Tot in ieder geval 2026 blijft het principe van financiële solidariteit in de regio gehanteerd op basis van de samenwerkingsovereenkomst beschermd wonen en opvang. Gemeenten blijven verplicht om in enige vorm te blijven samenwerken. De maatschappelijke opvang blijft vooralsnog een taak van centrumgemeenten. De budgetten voor de Wmo worden nauwlettend gevolgd. Hierdoor wordt het risico op forse budgetoverschrijding gemiddeld geacht Jeugdwet De uitvoering van de Jeugdwet is een taakveld binnen het sociaal domein. De bekostiging maakt met ingang van 1 januari 2019 geen deel meer uit van de integratie uitkering sociaal domein van de algemene uitkering van het Rijk. Deze gelden zijn als zodanig algemeen dekkingsmiddel geworden. De taken vanuit de Jeugdwet zijn gedelegeerd en gemandateerd aan de Gemeenschappelijke Regeling Dienst Gezondheid & Jeugd. De serviceorganisatie Jeugd (SOJ) Zuid-Holland Zuid is de uitvoeringsorganisatie.
Vanwege de sterk gestegen en aanhoudend hoge kosten in het verleden is het gehele budget naar de regionale zorgmarkt gegaan. Bij de jaarrekening 2022 en 2023 zien we een stabilisatie van de kosten. Voorzichtig kunnen we stellen dat we de effecten van een aantal van onze besparingsmaatregelen terugzien in de jaarcijfers. Daarnaast speelt ook het woonplaatsbeginsel een rol in de stabilisatie. Zoals bleek uit onze eerdere analyse kent Hardinxveld-Giessendam een hogere financiële uitstroom van jeugdige met verblijf dan instroom. De budgetten voor de Jeugdwet worden nauwlettend gevolgd. Met het afschaffen van de solidariteit (2022: 20% en 2023: 0%) is Hardinxveld-Giessendam zelf verantwoordelijk voor de gemaakte kosten. Pieken en dalen worden niet meer afgezwakt door de regio. Het biedt ook kansen om meer lokaal te sturen. De werkzaamheden die horen bij de uitvoering van de wet zijn voor een groot deel ondergebracht bij de Service Organisatie Jeugd (SOJ). SOJ stelt jaarlijks een begroting op, waarin zij de te verwachte kosten presenteren. In de begroting voor 2025 is ervoor gekozen, vanwege evenwichtig begrotingsbeleid, geen besparingen als ook geen groei te verwerken. Voor 2025 is de begroting naar boven bijgesteld. Bij behandeling van de Perspectiefnota 2025-2028 bent u hierover geïnformeerd.
In april 2024 is de deskundigencommissie voor de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028 gestart. Deze externe, onafhankelijke commissie volgt de uitvoering van de Hervormingsagenda en brengt hierover zwaarwegend advies uit aan het Rijk en de VNG. De commissie bekijkt hoe het gaat met de uitvoering van de Hervormingsagenda en of de inspanningen worden geleverd die zijn afgesproken. Ook bekijkt zij op de lange termijn of dit het gewenste effect heeft op de uitgaven en zo niet, hoe daarmee om te gaan. Het eerste advies van de commissie is een tussentijdse evaluatie van de uitvoering van de Hervormingsagenda en volgt begin 2025. Er zal structureel worden geïnvesteerd in de landelijke kwaliteit en effectiviteit van jeugdhulp. Ook komt er een aanpassing van de Jeugdwet, waardoor duidelijker wordt waarvoor en waar kinderen en ouders hulp kunnen krijgen. Gemeenten worden verplicht bepaalde specialistische zorg regionaal in te kopen om beschikbaarheid en continuïteit van zorg beter te organiseren. De geplande extra bezuiniging van ruim 500 miljoen euro op de jeugdzorg gaat ook in 2026 niet door. Voor de jaren 2027 komt er een nadere concretisering hoe de gemeenten de financiële afspraken vanaf 2027 in de meerjarenbegroting kunnen verwerken. Een mogelijke invoering van een eigen bijdrage voor Jeugdzorg wordt door Jeugdzorg Nederland en diverse andere partijen onacceptabel genoemd.
Op basis van bovenstaande wordt het risico op budgetoverschrijding gemiddeld geacht (50%). De impact is daarom beperkt (10%).
Programmabegroting 2025-2028
40
Bedrijfsvoering Eenmansposten De organisatie van de gemeente Hardinxveld-Giessendam is relatief beperkt van omvang. Doordoor is er op meerdere plekken sprake van eenmansposten. Het werk kan daardoor bij (langdurige) afwezigheid vaak niet door collega’s worden opgevangen. Daardoor volgt meestal een beroep op derden om de voortgang van zaken niet in het gedrang te laten komen. De kans dat zich dit voordoet is gelet op het relatief grote aantal eenmansposten gemiddeld (50%). De kosten welke gemoeid zijn met externe inhuur betreffen vaak openstaande vacatureplaatsen. Daardoor kunnen als eerste de bijbehorende vacaturegelden worden ingezet in combinatie met/of het concernbudget voor externe inhuur voordat aanvullende middelen nodig zijn. Door de toenemende krapte op de arbeidsmarkt bestaat het risico dat voor langere termijn beroep op externe inhuur moet worden gedaan, waardoor mogelijk extra aanvullende middelen nodig zijn. De impact is bepaald op 10%. Financiering & Dekking Algemene uitkering De belangrijkste inkomstenbron van iedere gemeente is het gemeentefonds. Omdat dit algemene middelen zijn, kan de gemeente zelf beslissen over de besteding ervan. Het gemeentefonds is gekoppeld aan de rijksuitgaven. Dit houdt in dat wanneer het Rijk meer uitgeeft, het gemeentefonds omhoog gaat. Andersom geldt dit ook. Dit principe wordt ook wel “Samen de trap op, samen de trap af” genoemd.
De jaarlijkse toename of afname van het gemeentefonds, voorvloeiend uit de trap op trap af methode wordt het accres genoemd. Belangrijke factoren bij de berekening van de hoogte van de uitkering zijn een vijftigtal maatstaven zoals het aantal inwoners, bevolkingsopbouw, woningen en uitkeringsgerechtigden, de gevolgen van overheveling van specifieke uitkeringen en de netto rijksuitgaven. Bij negatieve budgettaire effecten, die op voorhand niet zijn in te schatten, komt dat onmiddellijk ten laste van de exploitatie. De minister van Binnenlandse Zaken heeft in de meicirculaire 2024 informatie gegeven over de fors toegenomen accressen als gevolg van de nieuwe financieringssystematiek die vervroegd is van 2027 naar 2024. Met de raadsinformatienota meicirculaire 2024 bent u hierover geïnformeerd. Verder is de opschalingskorting vanaf 2026 geschrapt. In de meicirculaire 2024 is opgenomen dat de geraamde extra besparing van het Rijk van € 500 miljoen voor 2025 komt te vervallen, omdat de maatregelen die tot besparing moeten leiden nog niet zijn gerealiseerd. In de budgettaire bijlage bij het hoofdlijnenakkoord van de geformeerde partijen is opgenomen dat de besparing van € 511 miljoen op jeugdzorg ook voor 2026 en verder vervalt. Dit is uiteraard nog niet definitief en dus ook niet in de meicirculaire 2024 opgenomen.
De verwachting is dat de uitkeringen voor het sociaal domein de komende jaren onder druk blijven staan. De stijgende inflatie, een lagere economische groei en daarbij behorende verminderende uitgaven van het Rijk zijn risico's die op voorhand moeilijk zijn in te schatten. De kans wordt op gemiddeld (50%) ingeschat, de impact op 5%. De uitkering uit het Gemeentefonds bedraagt voor 2024 € 34.112.000 (meicirculaire 2024). Rentelasten De gemeente kent een financieringsbehoefte. In de financieringsbehoefte wordt voorzien door het aantrekken van lang- en kortlopende leningen. Nieuwe investeringen konden tot voor kort gelden voor een betrekkelijk lage rentelast worden gepland. Vanaf 2022 is sprake geweest van stijgende rentes, waardoor ook de rentelasten op nieuwe leningen (langlopend en kasgeld) stegen. Inmiddels is sinds langere tijd sprake van een redelijk stabiel renteniveau, welke echter ruim hoger ligt dan de jaren voor 2022. Recente ontwikkelingen duiden op een mogelijke verlaging van de rente. De hoogte van de rente op het moment van investering is bepalend voor de toekomstige rentelast. Het risico bestaat dat bij het herfinancieren van leningen dan wel aantrekken van nieuwe leningen een hoger rentepercentage geldt ten opzichte van de huidige verwachtingen.
Door actief te sturen op de liquiditeitsbehoefte wordt getracht om het risico op rentestijgingen te beperken Gelet op de toekomstige investeringen is de verwachting dat wij in de komende jaren nieuwe leningen aan moeten gaan trekken. In de begroting hebben we rekening gehouden met het huidige beeld van de Programmabegroting 2025-2028
41
rentelasten (3,5%). Het blijft de vraag of het rentepercentage waar wij rekening mee hebben gehouden afdoende is. Doordat de verwachting is dat de rente gaat dalen, is de kans op een hoger rentepercentage aanpast van 50% (kans gemiddeld) bij de jaarrekening 2023 naar 20% (kans klein). De impact is bepaald op 10%. Vennootschapsbelasting Uit de uitgevoerde inventarisatie van potentieel belastingplichtige activiteiten is geconcludeerd dat we geen risico's lopen op het gebied van de vennootschapsbelastingplicht. Tot en met het jaar 2023 hebben we dan ook nul-aangiftes gedaan. Het is wel van belang om de kritische onderdelen goed in beeld te blijven houden en ook alert te blijven bij toekomstige wijzigingen in beleid en/of tariefstellingen. We schatten het risico in op € 0. Overig (niet kwantificeerbaar) Naast voornoemde risico’s (kwantificeerbaar) is sprake van zogenaamde niet kwantificeerbare risico’s. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een grote calamiteit. Inschatting van de directe en de vervolgschade is niet of nauwelijks te bepalen, omdat in het geval van een grote calamiteit dit o.a. afhankelijk is van het gebied waar het zich voordoet en anderzijds van de mogelijke bijdragen in de kosten door derden (Rijk, Provincie, Waterschap etc.). Ook kan hier gedacht worden aan het Programma Aanpak Stikstof (PAS).
Voor de overige risico’s is daarom een totaalbedrag gerekend van € 1 miljoen. Onderstaande risico's zijn in eerdere P&C stukken benoemd. Doordat hun impact is verlaagd of omdat de impact nog niet goed is in schatten, zijn ze niet expliciet opgenomen in de risicoberekening. Mocht het risico zich voordoen, dan moet het risico afgedekt worden uit de hierboven genoemde post "Overig". Omgevingswet De Omgevingswet is per 1-1-2024 in werking getreden. De wet is een stelselwijziging die tot doel heeft te zorgen voor een goede balans tussen het benutten en het beschermen van de fysieke leefomgeving. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) is de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) voor nieuwe bouwwerken die onder gevolgklasse 1 vallen, met uitzondering van verbouw, ingevoerd. Deze wet heeft tot doel om de technische kwaliteit van bouw en toezicht te verbeteren. Vanaf medio 2021, is ter voorbereiding van de Ow en Wkb uitgegaan van de minimale acties/ Klaar voor de start-tool, zoals die zijn voorgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Dit hebben we ook in 2023, vanaf medio juni, met het nieuwe projectteam Ow zo goed mogelijk nagestreefd.
Met een daarop afgestemde projectorganisatie, aangevuld met inhuurkrachten, hebben wij zoveel mogelijk acties geïmplementeerd waardoor de overgang in 2024 zo goed als probleemloos over is gegaan op de nieuwe wetgeving. In de kern zit het risico in de overdracht vanuit een projectstructuur/implementatievraagstuk naar reguliere werkzaamheden. Daarnaast is er een risico dat de nog niet volledig geïmplementeerde acties niet opgepakt kunnen worden door onder andere capaciteitstekort. Bibliotheek Het Rijk vormt op dit moment een nieuwe wet voor een zorgplicht voor bibliotheken. De wet gaat vermoedelijk in 2026 van kracht en houdt voor gemeenten in om de toegang tot de openbare bibliotheek te waarborgen en te zorgen voor een 'volwaardige bibliotheek' in iedere gemeente. Om te borgen dat de zorgwet wordt uitgevoerd wordt er een normenkader gevormd met daarin onder andere minimum subsidiebedragen, minimum openingstijden en een minimum aantal vestigingen voor het bibliotheekwerk. Vanuit het Rijk wordt een bijdrage per inwoner beschikbaar gesteld ter ondersteuning van de bibliotheken. In opmars naar deze zorgplicht is er in 2024 een SPUK regeling opgesteld om de bibliotheek toekomstbestendig te maken. De bibliotheek in Hardinxveld-Giessendam heeft ook aanspraak gemaakt op deze SPUK regeling van € 99.000 euro met inzet van verruiming van de openingstijden en extra programmering.
Deze komen overeen met de minimale eisen in het toekomstige normenkader. Risico voor de komende jaren is het structurele tekort op de subsidieaanvraag die Bibliotheek AanZet jaarlijks aanvraagt. Het subsidieplafond is lager dan de gevraagde aanvraag, waardoor een subsidiegat ontstaat. Naast de al bestaande negatieve reserve van € 60.000 zal het negatieve saldo verder oplopen. Met in ogenschouw de komende zorgplicht en het normenkader met de bijbehorende voorwaarden zal er rekening gehouden moeten worden dat er binnen een paar jaar een vraag van de bibliotheek zal komen naar een eenmalige bijdrage om het gat te dichten. Programmabegroting 2025-2028
42
Weerstandsvermogen Het weerstandsvermogen is opgebouwd uit de relatie tussen de risicoscore en de weerstandscapaciteit. Deze relatie drukken we uit in een verhoudingsgetal: Ratio weerstandsvermogen =
Weerstandscapaciteit Risicoscore
De weerstandscapaciteit bedraagt € 5.993.000. Het totaal aan risico’s wordt ingeschat op € 3.519.000 Hiermee komt de ratio weerstandsvermogen uit op 1,7 voor 2025. De ratio is ruim voldoende, maar door de stijging van de risico's wel lager dan in andere jaren. Grondexploitaties Voor het afdekken van de risico's bij de grondexploitaties hebben we een afzonderlijke reserve. De reserve afgezet tegen de verwachte risico's laat het volgende beeld zien. De reserve grondexploitaties bedraagt per 1 januari 2024 Het risicobedrag voor exploitaties in uitvoering bedraagt Het saldo bedraagt
€ 1.510.443 € 440.000 € 1.070.443
In paragraaf 1.15 wordt een nadere toelichting op de grondexploitaties gegeven. Kengetallen Rekening 2023
Netto schuldquote Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle vertrekte leningen Solvabiliteitsratio Grondexploitatie Structurele exploitatieruimte Gemeentelijke belastingcapaciteit
24% 22% 44% 22% 0% 97%
Begroting 2024 39% 39% 39% 2% 1% 106%
Begroting Meerjaren Meerjaren Meerjaren 2025 raming 2026 raming 2027 raming 2028 61% 67% 65% 62% 61% 67% 64% 62% 38% 39% 39% 40% 22% 25% 24% 21% 0% -4% -3% -2% 98% 98% 98% 98%
Totaalbeoordeling De gemeente Hardinxveld-Giessendam is voldoende weerbaar. Er zijn voldoende buffers om de risico’s en/of onvoorziene tegenvallers op te vangen. Het weerstandsvermogen en de weerstandsratio zijn ruim boven de norm. De ratio weerstandsvermogen is met 1,7 ruim voldoende. De structurele exploitatieruimte laat met uitzondering van 2025 een negatief beeld zien. Dit heeft voornamelijk te maken met een daling van de inkomsten vanuit het Rijk. Hieronder wordt op de afzonderlijke kengetallen een toelichting gegeven. 1. Netto schuldquote & de netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast van de medeoverheid ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft zodoende een indicatie in welke mate de rentelasten en aflossingen op de exploitatie drukken. Omdat bij leningen er onzekerheid kan bestaan of ze allemaal terug worden betaald wordt bij de berekening van de netto schuldquote onderscheid gemaakt door het kengetal te berekenen, zowel inclusief als exclusief de doorgeleende gelden. Op die manier wordt duidelijk wat het aandeel van de verstrekte leningen in de exploitatie is en ook wat dat betekent voor de schuldenlast. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat de netto schuldquote van een gemeente tussen 0% en 90% zou moeten liggen.
Als de netto schuldquote tussen 100% en 130% ligt, is de gemeenteschuld hoog, hij moet niet verder stijgen. Als de netto schuldquote boven de 130% uitkomt, dan bevindt de gemeente in de gevarenzone. De schuldquote van de gemeente Hardinxveld-Giessendam (61%) valt binnen de reguliere marges.
Programmabegroting 2025-2028
43
2. De solvabiliteitsratio De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin de medeoverheid in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen. Onder de solvabiliteitsratio wordt verstaan het eigen vermogen als percentage van het totale balanstotaal. Het eigen vermogen van een gemeente bestaat volgens artikel 42 van het BBV uit de reserves (zowel de algemene reserve als de bestemmingsreserves) en het resultaat uit het overzicht van baten en lasten. Als signaalwaarde voor de solvabiliteitsratio geldt een percentage van 20%. Bij een solvabiliteitsratio lager dan 20% bevindt de gemeente zich op glad ijs. Met 38% ligt het de ratio van de gemeente Hardinxveld- Giessendam boven de signaalwaarde. 3. Grondexploitatie Dit kengetal geeft weer hoe de waarde van de grond zich verhoudt tot de totale (geraamde) baten. Voor de berekening van dit kengetal worden de bouwgronden in exploitatie (inclusief faciliterend deel – onder overlopende activa) gedeeld door de totale baten uit de programmabegroting of jaarstukken (ingevolge artikel 17, onderdeel c, van het BBV) en uitgedrukt in een percentage. De boekwaarde van de voorraden grond is van belang, omdat deze waarde moet worden terugverdiend bij de verkoop. De accountant moet ieder jaar beoordelen of de gronden tegen een actuele waarde op de balans zijn opgenomen.
Het kengetal laat nagenoeg dezelfde zien als bij het opstellen van de jaarrekening 2023. 4. Structurele exploitatieruimte Dit kengetal is van belang om te kunnen beoordelen welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen, of welke structurele stijging van de baten of structurele daling van de lasten daarvoor nodig is. Voor de beoordeling van het structurele en reële evenwicht van de begroting wordt thans het onderscheid gemaakt tussen structurele en incidentele lasten. De structurele exploitatieruimte wordt bepaald door het saldo van de structurele baten en lasten en het saldo van de structurele onttrekkingen en toevoegingen aan reserves gedeeld door de totale baten (zie artikel 17, onderdeel c, van het BBV) en uitgedrukt in een percentage. Dit percentage is vooral van belang bij de begroting. Een niet structureel sluitende begroting kan gevolgen hebben voor het provinciaal toezicht. De structurele exploitatieruimte laat met uitzondering van 2025 een negatief beeld zien. Dit heeft voornamelijk te maken met een daling van de inkomsten vanuit het Rijk. 5. Belastingcapaciteit De belastingcapaciteit geeft inzicht hoe de belastingdruk in de provincie of gemeenten zich verhoudt ten opzichte van het landelijke gemiddelde. Gemeente Hardinxveld-Giessendam zit boven het landelijk gemiddelde.
Een hoog gemiddeld OZB-tarief ten opzichte van het landelijk gemiddelde geeft aan dat de gemeente beperkt is in het verkrijgen van extra inkomsten.
Programmabegroting 2025-2028
44
1.12 Paragraaf Onderhoud Kapitaalgoederen Algemeen Kapitaalgoederen zijn eigendommen van de gemeente, zoals wegen, rioleringen, bruggen en gebouwen die door de gemeente duurzaam in stand gehouden moeten worden. Zij worden beheerd op basis van beheerplannen. In deze beheerplannen staat op welke wijze het reguliere en het periodieke onderhoud plaatsvindt. De beheerplannen worden periodiek geactualiseerd. Kaderstelling Met deze paragraaf heeft de raad bij de vaststelling van de begroting de mogelijkheid kaders te stellen voor het onderhoud van de materiële vaste activa (bijvoorbeeld gebouwen, wegen, riolering, etc.). Dit is van belang omdat in veel programma’s kosten zijn opgenomen voor het onderhoud van kapitaalgoederen, waarvoor op basis van meerjarenonderhoudsplannen reserves en voorzieningen zijn gevormd. De materiële vaste activa bedragen op 31 december 2025 € 57.518 miljoen. De specificatie hiervan luidt als volgt (x € 1.000):
Materiële Vaste Activa Economisch nut Gronden en terreinen Bedrijfsgebouwen GWW-Werken; Economisch nut zonder heffing Vervoermiddelen Machines, apparaten en installaties GWW-Werken; Economisch nut met heffing Overige materiële activa
Perspectiefnota
Begroting 2025
13.674 11.154 39 703 295 0 905
13.573 11.154 40 579 390 0 909 26.771
Investeringen met een economisch nut, waarvoor heffingen geheven Machines, apparaten en installaties
13.139
26.645 13.078
13.139 Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut Grond-, weg en waterbouwkundige werken Machines, apparaten en installaties Overige materiële activa Totaal
17.081 560 38
13.078 17.197 560 38
17.680 57.589
17.795 57.518
Periodiek onderhoud Het periodiek onderhoud is het jaarlijkse programma voor groot onderhoud en voor renovaties, waarmee we zorgen dat onze kapitaalgoederen hun beoogde levensduur kunnen bereiken of waarmee de levensduur wordt verlengd. In de beheerplannen is aangegeven wat de levensduur is en hoe we omgaan met het periodieke onderhoud. Ook staat aangegeven op welk moment vervanging nodig is. Voor vervangingen worden in de begroting specifieke investeringen benoemd. De diverse reserves en voorzieningen worden gevoed door een jaarlijkse dotatie ten laste van de exploitatie.
Programmabegroting 2025-2028
45
Hieronder worden de verschillende beheerplannen kort toegelicht en is tevens aangegeven welk beslag op de middelen er uit voortvloeit. Overeenkomstig het BBV dienen de kapitaallasten (rente en afschrijving) aan de programma’s te worden toegerekend. Bij meerdere kapitaalgoederen is sprake van bestemde reserves ter dekking van de afschrijvingslasten. Ten behoeve van de aansluiting zijn aan de lastenzijde alleen de afschrijvingslasten (dus exclusief rente) verantwoord. De bedragen zijn opgenomen in eenheden van € 1.000. BEHEERPLAN WEGEN Vastgesteld door raad Looptijd Doel Investeringen en ambitieniveau
Planning actualisatie
Programmabegroting 2025-2028
20 juni 2014 Evaluatie opgesteld in 2017. Aanvulling in 2018 – voetpaden wel/niet B-niveau. 2014-2020 Onderhouden van het wegareaal op het door de gemeenteraad gekozen onderhoudsniveau beeldkwaliteit C. In het beheerplan wegen 2014-2020 zijn de lopende en geplande investeringen opgenomen. De investeringsplanning is zodanig opgesteld dat het onderhoud op het beoogde kwaliteitsniveau C kan plaatsvinden. Op basis van de opgestelde evaluatie in 2017 is besloten het kwaliteitsniveau van de fietspaden te verhogen naar niveau B. Om meerjarig de onderhouds- en afschrijvingslasten te kunnen egaliseren is een reserve wegenbeheer gevormd. In april 2018 is besloten dat het beheer van de voetpaden voorlopig op C-niveau blijft, met een extra inspanning op risicolocaties. Actualisatie beheerplan in 2024 Na implementatie van een nieuw beheersysteem wordt de huidige kwaliteit opnieuw bepaald en kunnen op basis van actuele gegevens verschillende (kwaliteits-)scenario's worden uitgewerkt en kan het beheerplan wegen worden gemaakt. De implementatie van het nieuwe beheersysteem, één systeem voor geheel Drechtsteden, heeft meer tijd in beslag genomen dan gepland. Voor de gegevens die nodig zijn voor de actualisatie van het beheerplan zijn we afhankelijk van het nieuwe beheersysteem. Door de genoemde vertraging zal de actualisatie later plaats vinden dan eerder gepland.
De beheergegevens (data) zijn verwerkt in het beheerpakket. De vertaalslag naar beleids- en beheerplan wordt gemaakt worden in 2024. Daarbij worden ook de projecten uit het mobiliteitsplan betrokken. Het doel daarvan is om groot onderhoud en gewenste aanpassingen vanuit het mobiliteitsplan op elkaar af te stemmen. Kanttekening hierbij is dat door personele omstandigheden de vaststelling van het wegenbeheerplan staat gepland voor het 4de kwartaal 2024.
46
(bedragen x € 1.000) Begroting Begroting 2027 2028
Begroting 2025
Begroting 2026
879
879
879
879
477
785
821
828
0
0
0
0
910
920
921
920
2.266
2.584
2.621
2.628
Dotaties
575
-175
-175
-175
Onttrekkingen afschrijvingslasten, rentecompensatie
-350
-496
-531
-545
Mutatie reserve
225
-671
-706
-720
2.491
1.913
1.916
1.907
Beheerplan Wegen Product wegen, straten en pleinen
Programmakosten en -baten Kapitaallasten (afschrijvingen en rente) Mutatie voorzieningen Toerekeningen programma Bedrijfsvoering Saldo programmalasten Bestemmingsreserve Wegen
Totaal lasten wegenbeheerprogramma
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de onderhouds- en afschrijvingslasten worden geëgaliseerd via de reserve Wegen. De afschrijvingstermijnen voor reconstructies/herinrichting zijn 40 jaar, voor asfaltering 20 jaar, voor een geluiddempende toplaag 6 jaar en voor herstraten 10 jaar. BRUGGEN Vastgesteld door raad Looptijd Doel Investeringen en ambitieniveau Planning actualisatie
Geen raadsbesluit; B&W 11 oktober 2001; Commissie OWB november 2001. 5 jaar (versie 2001 is in 2004 geactualiseerd). De bruggen zijn geïnventariseerd, op basis hiervan is het planmatig onderhoud begroot. De te nemen maatregelen zijn in een meerjarenbegroting opgenomen. In het nog op te stellen beheerplan kunstwerken worden de ambities en bijbehorende middelen opgenomen. Er is een start gemaakt door een quickscan uit te voeren van alle civiele kunstwerken. De verdere uitwerking en besluitvorming staat gepland voor 2025. Het is door personele omstandigheden niet mogelijk om dit plan eerder op te pakken. (bedragen x € 1.000)
Bruggen
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
45
44
48
40
Kapitaallasten Lasten programma 4
Voor bruggen geldt een afschrijvingstermijn van 10 jaar.
Programmabegroting 2025-2028
47
OPENBARE VERLICHTING Vastgesteld door raad Looptijd Doel
Investeringen en ambitieniveau Planning actualisatie
September 2017. 2017-2026 Het beheerplan is een uitwerking van de in het beleidsplan openbare verlichting (2017-2026) vastgelegde beleidsuitgangspunten. In het beheerplan wordt beschreven welk beheer en onderhoud uitgevoerd moet worden om de installatie en de verlichting op een gewenst kwaliteitsniveau te brengen of te houden en welke financiële middelen daarvoor nodig zijn. De jaarlijkse kapitaallasten worden gedekt uit de reserve. Gepland 2026. (bedragen x € 1.000)
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Programmakosten en -baten Kapitaallasten (afschrijvingen en rente) Mutatie voorzieningen Toerekeningen programma Bedrijfsvoering
218
218
218
218
77
80
74
77
0
0
0
0
0
0
0
0
Saldo programmalasten
294
297
292
295
Beheerplan Openbare verlichting Product Openbare Verlichting
Bestemmingsreserve Openbare Verlichting
Dotaties
64
64
64
64
Onttrekkingen afschrijvingslasten, onderhoud
-78
-81
-76
-79
Mutatie reserve
-13
-16
-11
-14
Totaal lasten beheerprogramma OV
281
281
281
281
Investeringen in straatverlichting worden in 15 jaar afgeschreven. De afschrijvingslasten worden geegaliseerd via de reserve Openbare Verlichting. BAGGERPLAN Vastgesteld door raad Looptijd Doel Investeringen en ambitieniveau
Planning actualisatie
2019 / 2020 2019 - 2029 Uitvoeren reguliere baggerronde inclusief de acceptatiekosten voor baggerwerkzaamheden van het waterschap. Zorgdragen voor een goede afstroming van het regenwater. In 2019 is het baggerplan gereedgekomen. Deze is in 2020 vastgesteld door het college en betreft de baggercyclus van 2021-2024. In het plan zijn het ambitie niveau en de benodigde middelen opgenomen. Ter dekking van onderhouds- en afschrijvingslasten is een bestemmingsreserve Baggerplan in het leven geroepen. 2029.
Voor egalisatie van de kosten over de jaren heen is een reserve ‘waterbeheerplan’ (voorheen reserve ‘baggeren’) gecreëerd.
Programmabegroting 2025-2028
48
(bedragen x € 1.000)
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Programmakosten en -baten Kapitaallasten (afschrijvingen en rente) Mutatie voorzieningen Toerekeningen programma Bedrijfsvoering
52
52
37
37
48
49
50
48
0
0
0
0
0
0
0
0
Saldo programmalasten
100
101
87
85
Dotaties
90
90
90
90
Onttrekkingen afschrijvingslasten, onderhoud
-49
-51
-37
-35
Mutatie reserve
41
39
53
55
Totaal lasten Baggeren
141
140
140
140
Baggeren Product Waterlossingen en sloten
Bestemmingsreserve Waterbeheerplan
WATERTAKENPLAN Vastgesteld door raad Looptijd Doel Investeringen en ambitieniveau
Planning actualisatie
Programmabegroting 2025-2028
2023 10 jaar De exploitatielasten en investeringen zijn gebaseerd op het Watertakenplan. De voorziening riolering is bedoeld voor tariefegalisatie. Deze worden in het Watertakenplan aangegeven en zijn gericht op de inzameling en transport van afvalwater, de inzameling, berging en afvoer van hemelwater, het doelmatig omgaan met grondwater en oppervlaktewater Om de doelen te concretiseren zijn hieraan functionele eisen en maatstaven gekoppeld. De huidige toestand van de riolering en gemeentelijke watergangen wordt aan deze doelen getoetst, maatregelen worden opgesteld en er is een strategie uitgewerkt hoe de maatregelen - technisch en financieel - in de tijd gerealiseerd kunnen worden. Het watertakenplan is breder dan het voormalige vGRP. In het watertakenplan heeft de riolering een plaats, maar ook het watersysteem daar omheen. Riolering, opvang en afvoer van hemelwater, oppervlaktewater en grondwater hangen immers nauw met elkaar samen. In 2022 is het BRP geactualiseerd, waarin het gehele rioolstelsel op zijn functioneren wordt berekend en wat mede als basis dient voor de actualisatie van het watertakenplan. Klimaatadaptatie, duurzaamheid en participatie zijn onderwerpen die meegenomen zijn in het opgestelde plan. In 2024 zal een start gemaakt worden met de uitvoering van de genoemde projecten en maatregelen in het Watertakenplan en zal doorlopen tot en met 2033.
De uitvoering staat beschreven in het jaarlijkse uitvoeringsplan van het Watertakenplan.
49
(bedragen x € 1.000)
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Programmakosten en -baten
387
387
387
387
Kapitaallasten (afschrijvingen en rente)
652
676
680
708
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Product Pompen en riolen
Toerekeningen programma Bedrijfsvoering Saldo programmalasten
347
347
348
348
1.386
1.410
1.415
1.443
1.676
1.697
1.718
1.739
-1.676
-1.697
-1.718
-1.739
0
0
0
0
Voorziening Riolering
Lasten GRP (incl btw en overig toe te rekenen) Baten (legesopbrengsten) Mutatie voorziening Riolering
Ten aanzien van de rioolheffing is sprake van 100% kostendekkendheid. Bij de uit het rioolheffing te dekken kosten wordt ook rekening gehouden met de toerekenbare btw en een deel van de kosten van straatreiniging. Het verschil tussen de totale kosten en de opbrengst uit de rioolheffing wordt verrekend met de voorziening Riolering. GROENBELEIDSPLAN Vastgesteld door raad Looptijd Doel
21 april 2022 10 jaar Strategisch plan op gemeentelijk- en wijkniveau voor het beleidsmatig sturen en planmatig beheren van groen. Geeft met zijn uitgangspunten en richtlijnen richting aan de ontwikkeling van het openbare groen. Geeft inzicht in de groenstructuren, zonering en groentypen, beheer-, onderhoud- en inrichtingsmaatregelen en financiële en organisatorische consequenties. Investeringen en ambitie- Investeringen zijn gebaseerd op groenbeleidsplan en worden vastgelegd in niveau een uitwerkingsplan. Onderhoud wordt uit exploitatie bekostigd. Voor uitgaven op grond van het nieuwe groenbeleidsplan is jaarlijks € 61.000 opgenomen. Planning actualisatie In april 2022 is het geactualiseerde groenbeleidsplan door de raad vastgesteld. Looptijd van het plan is tot 2032. (bedragen x € 1.000)
Groenbeleidsplan
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
256
256
256
256
11
11
11
11
Product Openbaar groen
Programmakosten en -baten Kapitaallasten (afschrijvingen en rente) Mutatie voorzieningen Toerekeningen programma Bedrijfsvoering
0
0
0
0
1.032
1.051
1.052
1.051
Saldo programmalasten
1.299
1.318
1.319
1.318
Totaal lasten Groenbeleidsplan
1.299
1.318
1.319
1.318
Programmabegroting 2025-2028
50
GEBOUWENBEHEER Vastgesteld door raad
Het Meerjaren onderhoudsplan gebouwen (MJOP Gebouwen) is op 25 maart 2021 vastgesteld door de raad. 5 jaar Het in stand houden van het gemeentelijk vastgoed. De financiering voor de instandhouding van het vastgoed is gebaseerd op het meerjaren onderhoudsplan. Voor financiering van het planmatig onderhoud is een voorziening Onderhoud Gebouwen gevormd. De voorziening (planmatig onderhoud) en exploitatie (klein onderhoud en contracten) zijn herberekend om te voldoen aan de eisen die zijn beschreven in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Door de nieuwe ontwikkeling van diverse vastgoedobjecten en vanwege de herberekening van de voorziening en exploitatie wordt er in 2024 een nieuwe inspectie en MJOP opgesteld. De geactualiseerde inspectie en MJOP worden onderbouwd in de op te stellen nota/beheerplan gemeentelijk vastgoed en de vaststelling hiervan wordt in het 4de kwartaal van 2024 verwacht. De nieuwe nota/beheerplan gemeentelijk vastgoed 2024-2027 heeft een looptijd van 4 jaar.
Looptijd Doel Investeringen en ambitieniveau Planning actualisatie
(bedragen x € 1.000)
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Saldo 1/1
549
932
969
1.300
070-50 KDV Bellefleur 6-8 (vastgoed)
220-50 Werkplaats (vastgoed)
-1 13 113 24 9 4 9 15 8 0 255 0
Dotaties aan voorziening tlv exploitatie
449
-1 13 113 24 9 4 9 15 8 0 255 0 449
-1 13 113 24 9 4 9 15 8 0 255 0 449
-1 13 113 24 9 4 9 15 8 0 255 0 449
-66 932
-412 969
-118 1.300
-118 1.632
Vastgoedbeheer Voorziening MJOP Gebouwen
075-00 Bibliotheek (vastgoed) 085-20 Zwembad De Duikelaar (vastgoed) 085-30 Sporthal De Wielewaal (vastgoed) 085-30 Sporthal De Appelgaard (vastgoed) 125-00 De Keet, Boorstraat (vastgoed) 125-00 Ducdalf, Scheldestraat 1 (vastgoed) 140-10 Afvalbrengstation (vastgoed) 150-00 Aula's begraafplaatsen (vastgoed) 205-00 Stelposten begroting 220-10 Gemeentehuis (vastgoed)
Onttrekkingen aan voorziening Totaal bestedingen Saldo 31/12
SPEELRUIMTEN Vastgesteld door raad Looptijd Doel
Programmabegroting 2025-2028
De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 26 januari 2012 het Speelruimteplan 2012-2021 vastgesteld. 10 jaar. Komen tot een weloverwogen, praktisch en breed gedragen speelruimtebeleid voor de komende 10 jaar. 51
Investeringen en ambitieniveau
Planning actualisatie
In het door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde uitvoeringsplan voor 2012 en volgende jaren is invulling gegeven aan de opdracht uit bovengenoemd raadsbesluit om de uitvoering en de kosten te spreiden over de onderdelen reguliere vervanging en onderhoud, achterstand en aanpassing/vernieuwing. Jaarlijks wordt een uitvoeringsplan opgesteld waarin de planning wordt gevolgd en eventuele afwijkingen hierop worden gemotiveerd. Het accent ligt de komende jaren op de eerste twee onderdelen. Jaarlijks wordt gemonitord of de planningen worden gehaald. 2024. (bedragen x € 1.000)
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Programmakosten en -baten Kapitaallasten (afschrijvingen en rente) Mutatie voorzieningen Toerekeningen programma Bedrijfsvoering
28 77 0 0
28 87 0 0
28 93 0 0
28 99 0 0
Saldo programmalasten
105
115
121
127
Beheerplan Speelplaatsen Product Speelplaatsen
Bestemmingsreserve speelplaatsen
Toevoegingen Onttrekking afschrijvingslasten
58
58
58
58
-62
-72
-78
-84
Mutatie reserve Speelplaatsen
-4
-14
-20
-26
101
101
102
102
Totaal lasten beheerprogramma Speelplaatsen
Investeringen in speelruimten worden in 15 jaar afgeschreven.
BEGRAAFPLAATSEN Voor de begraafplaatsen is er op dit moment nog geen beheerplan. Het beleidsplan begraafplaatsen is op 23 april 2015 door de raad vastgesteld. Er wordt gewerkt aan de hervorming van het product begraafplaatsen middels een vastgestelde actiepuntenlijst. Volgens deze lijst zou er in 2016 een beheerplan begraafplaatsen worden opgesteld. Door aanpassingen van de plannen bij begraafplaats Spindermolen waarbij in- en uitbreidingen zijn vastgesteld is de vaststelling van dit beheerplan voorzien voor 2024.
Programmabegroting 2025-2028
52
(bedragen x € 1.000)
Begroting 2025
Begraafplaatsen
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Product Begraafplaatsen Programmakosten en -baten
57
57
57
57
Kapitaallasten (afschrijvingen en rente)
83
123
123
124
Mutatie voorzieningen
8
8
8
8
Toerekeningen programma Bedrijfsvoering
412
412
412
412
Saldo programmalasten
559
600
600
601
18
18
18
18
Bestemmingsreserve Begraafplaatsen
Toevoegingen Onttrekkingen afschrijvingslasten, onderhoud
-7
-7
-7
-7
Mutatie reserve Begraafplaatsen
11
11
11
11
Totaal lasten beheerprogramma Begraafplaatsen
570
611
610
612
SPORTVELDEN Voor de sportvelden is op dit moment nog geen beheerplan. In 2024 zal een sportveldenbeheerplan worden opgesteld. BOMENBELEIDSPLAN Vastgesteld door raad Looptijd Doel Investeringen en ambitieniveau
Planning actualisatie
De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 21 juni 2012 het Bomenbeleidsplan 2012-2021 vastgesteld. 10 jaar. Komen tot een weloverwogen, praktisch en breed gedragen bomenbeleid voor de komende 10 jaar. Met het door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde bomenbeleidsplan in 2012 is invulling gegeven een duidelijke structuur voor het beschermen van bomen en boomstructuren. Zo wordt gewerkt met de Groene Kaart. Ook wordt er kader gegeven voor het aanplanten, onderhouden en beschermen van bomen. Op 22 december 2016 is het bomenbeleid geëvalueerd en is na het raadsbesluit het bomenbeleid aangepast en aangevuld. 2024. (bedragen x € 1.000)
Groenbeleidsplan
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
256
256
256
256
11
11
11
11
Product Openbaar groen
Programmakosten en -baten Kapitaallasten (afschrijvingen en rente) Mutatie voorzieningen Toerekeningen programma Bedrijfsvoering
0
0
0
0
1.032
1.051
1.052
1.051
Saldo programmalasten
1.299
1.318
1.319
1.318
Totaal lasten Groenbeleidsplan
1.299
1.318
1.319
1.318
Programmabegroting 2025-2028
53
SAMENVATTING Samenvattend kan het volgende overzicht van het onderhoud kapitaalgoederen voor 2025 worden gegeven:
Beheersonderdeel Wegen, straten en pleinen
Programma kosten en baten
Kapitaal lasten
Dotatie voorziening
Aandeel bedrijfs voering
(bedragen x € 1.000) Onttrekking Totaal reserve
Dotatie reserve
879
433 44
0
910
575
-350
2.448
218
77
0
0
64
-78
281
48 652 11
41 0 0 0
0 347 1.032
90
-49
141
Openbaar groen
52 387 256
0
0
1.299
Speelterreinen en - tuinen
28
77
0
0
58
-62
101
Begraafplaatsen
57
83
412
18
-7
570
1.877
1.425
8 449 497
2.701
805
-547
6.759
Bruggen Openbare Verlichting Stedelijk waterplan Waterlossingen en sloten Gemeentelijk Rioleringsplan
Vastgoedbeheer Totaal
Programmabegroting 2025-2028
44 41 1.386
449
54
1.13 Paragraaf Financiering en Treasury Algemeen In deze paragraaf komen de onderwerpen aan de orde die behoren tot de gemeentelijke financieringsfunctie. De gemeentelijke financieringsfunctie wordt ook wel met de term ‘treasury’ aangeduid. Het begrip treasury kan worden gedefinieerd als het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. Meer concreet gaat het om financiering van het beleid tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden, het te allen tijde zorgen voor voldoende liquide middelen en het daarbij afdekken van met name renteen kredietrisico’s. De uitvoering van de gemeentelijke financieringsfunctie dient plaats te vinden binnen de kaders zoals gesteld in de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) en het lokaal vastgestelde Financieringsstatuut. In de Wet fido staan vooral transparantie en risicobeheersing centraal. De transparantie komt daarbij tot uitdrukking in voorschriften voor een verplicht financieringsstatuut alsmede een financieringsparagraaf in begroting en jaarstukken. De risicobeheersing binnen de Wet fido richt zich op renterisico’s, kredietrisico’s, en liquiditeitsrisico’s.
Benadrukt wordt dat de financieringsfunctie van de gemeente Hardinxveld-Giessendam uitsluitend de publieke taak dient en dat een prudent beleid voeren binnen de kaders die de Wet fido zijn gesteld. Het Financieringsstatuut is in december 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Aan het einde van deze paragraaf is een renteoverzicht opgenomen. In dit renteoverzicht wordt inzicht gegeven in de rentelasten en rentebaten zoals deze zijn opgenomen in de begroting. Renteontwikkelingen De tarieven op de geldmarkt (kortlopende leningen) volgen de tarieven die de ECB hanteert met haar beleidsrente. Na enkele jaren van stijgingen is dit tarief in juni met een kwart procentpunt verlaagd tot 3,75% op dit moment. Verwacht wordt dat de inflatie ruimte biedt voor verdere verlagingen in de komende maanden. Het is lastig om in te schatten wat de frequentie en de grootte van de stappen zal worden, maar de algemene marktverwachting is dat eind 2024 de rente 0,50 procentpunt lager zal zijn dan nu. De verwachting voor de kapitaalmarktrente is dat die wat zal gaan dalen. De duurste lening is op dit moment een 20-jarige aflossingsvrije lening die ongeveer 3,30% kost inclusief de liquiditeitsopslag. Voor langere looptijden gelden lagere tarieven. De liquiditeitsopslagen nemen toe naarmate de looptijd langer wordt, maar per saldo wordt een langere lening goedkoper.