Bijlagenboek IHP Hardinxveld-Giessendam.pdf
Tekst van het document
Bijlagenboek IHP Hardinxveld-Giessendam
Opdrachtgever Gemeente Hardinxveld-Giessendam
Datum 26 september 2025
Referentienummer 22400547
Auteur(s) Maarten Groenen en Christel Breedijk
│ Onderdeel van ICS Ruimteregie Groep BV
Bijlage 1
22400547 | www.icsadviseurs.nl
Visiedocument IHP Integraal Huisvestingsplan onderwijs gemeente Hardinxveld-Giessendam
Opdrachtgever Gemeente Hardinxveld-Giessendam
Datum 26 september 2025
Referentienummer 22400547
Auteur(s) Maarten Groenen Christel Breedijk
│ Onderdeel van ICS Ruimteregie Groep BV
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
3
2.
Visie op onderwijshuisvesting
4
2.1
Passend en inclusief onderwijs
4
2.2
Kindcentra
4
2.3
Duurzaamheid
6
2.3.1
Energie
6
2.3.2
Circulariteit
7
2.3.3
Gezondheid
8
2.3.4
Gemeentelijke Prestatie Richtlijn (GPR)
9
2.4
Bewegen, buitenruimte en bewegingsonderwijs
2.4.1
9
Omvang buitenruimte
9
2.5
Flexibiliteit
10
2.6
Type maatregelen binnen het IHP
12
1. (Vervangende) nieuwbouw
12
2. Levensduurverlengende renovatie
13
3. In stand houden
14
4. Afstoten
15
2.7
Bekostiging en verantwoordelijkheden visie
16
De inhoud van deze uitgave is eigendom van ICS Adviseurs B.V. te Zwolle. Enkel de opdrachtgever waarmee ICS Adviseurs B.V. een overeenkomst is aangegaan, heeft een gebruiksrecht voor deze uitgave. De inhoud en omvang van dat gebruiksrecht zijn vastgelegd in de algemene voorwaarden van ICS Adviseurs B.V., gedeponeerd bij de Rechtbank Overijssel onder nummer 9/2021, dan wel in de overeenkomst zoals hiervoor bedoeld. Elk ander gebruik van deze uitgave, door opdrachtgever en of derden is uitgesloten, inhoudende dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, via internet, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van ICS Adviseurs B.V.
22400547 | www.icsadviseurs.nl
1. Inleiding Goed georganiseerde en toekomstbestendige onderwijshuisvesting is essentieel voor de ontwikkeling van kinderen in Hardinxveld-Giessendam. De gemeente en schoolbesturen werken daarom samen aan een helder en gedragen Integraal Huisvestingsplan (IHP), dat de basis vormt voor investeringen in onderwijs. En waar mogelijk kinderopvang (kindcentra) en eventuele maatschappelijke voorzieningen. Hardinxveld-Giessendam beschikt over tien schoolgebouwen twee voor voortgezet onderwijs en acht voor primair onderwijs. De onderwijshuisvesting staat voor diverse uitdagingen, zoals de groeiende behoefte aan passend en inclusief onderwijs en een verduurzamingsopgave. Zonder duidelijke kaders en een gezamenlijke visie dreigen ad-hoc beslissingen en inefficiënte investeringen. Hoe kunnen de gemeente en schoolbesturen zorgen voor een duurzaam en toekomstgericht huisvestingsbeleid dat aansluit bij de behoeften van onderwijs in Hardinxveld-Giessendam? Deze visie op onderwijshuisvesting vormt het fundament van het IHP en biedt concrete richtlijnen voor verantwoorde investeringen. Tijdens een interactieve werksessie met schoolbesturen en de gemeente zijn de belangrijkste ontwikkelingen en behoeften in kaart gebracht.
Dit visiedocument vult de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Hardinxveld-Giessendam 2015 aan met heldere afspraken waaraan de gemeente en schoolbesturen zich committeren. Na afstemming binnen het OOGO (Op Overeenstemming Gericht Overleg), dit is een bestuurlijk overleg met de gemeente en schoolbesturen, wordt het visiedocument, samen met het definitieve IHP, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Hiermee leggen we een solide basis voor toekomstbestendige onderwijshuisvesting in Hardinxveld-Giessendam.
22400547 | www.icsadviseurs.nl
3/18
2. Visie op onderwijshuisvesting Dit hoofdstuk behandelt verschillende thema’s die ingaan op de visie op onderwijshuisvesting. Dit zijn thema’s als aanbod en samenwerking, duurzaamheid, gezondheid, toekomstbestendigheid en de soorten maatregelen die wij in het IHP hanteren. Voor elk thema is de gezamenlijke visie en ambitie beschreven. Daarnaast is deze ambitie vertaald in concrete en haalbare uitgangspunten voor het IHP.
2.1
Passend en inclusief onderwijs
Het is van belang dat in de gemeente Hardinxveld-Giessendam ieder kind gelijke kansen krijgt om zich te ontwikkelen, ongeacht eventuele extra ondersteuningsbehoeften. Binnen passend onderwijs krijgen alle leerlingen onderwijs dat past bij hun kwaliteiten en hun mogelijkheden. Dit kan een reguliere school zijn of een school voor speciaal onderwijs. Passend onderwijs richt zich niet op de beperkingen, maar kijkt naar wat het kind (of groepen kinderen) nodig heeft (hebben). Inclusief onderwijs is een onderwijssysteem waarin alle kinderen zoveel mogelijk samen naar dezelfde school gaan, bij voorkeur in hun eigen leefomgeving.1 Inclusie is geen keuze, maar vanuit verschillende verdragen2 is het verplicht om hier naartoe te werken. Als extra ondersteuning nodig is, wordt dit zo thuisnabij mogelijk aangeboden. Dit betekent dat de expertise naar de scholen wordt gebracht in plaats van de kinderen naar speciale voorzieningen. In deze gedachte staat de ontwikkeling van het kind voorop. Toch blijft speciaal (basis)onderwijs noodzakelijk voor kinderen die daar beter tot hun recht komen. In sommige gevallen is een gespecialiseerde leeromgeving de beste plek voor een kind om zich goed te ontwikkelen. Daarom blijven deze voorzieningen beschikbaar voor de kinderen die er baat bij hebben.
Het faciliteren van passend en inclusief onderwijs vraagt specifieke ruimten en voorzieningen in schoolgebouwen. De gemeente onderschrijft het belang van passend en inclusief onderwijs en per school betekent dit maatwerk. Uitgangspunt voor het IHP is dat het faciliteren van passend en inclusief onderwijs zo veel mogelijk binnen de bestaande en nieuw te bouwen schoolgebouwen wordt gerealiseerd. Hierbij wordt ingezet op creatieve oplossingen. De Handreiking Inclusieve onderwijshuisvesting 3is een leidraad voor de implementatie van inclusiviteit. Dit document dient als handreiking ter ondersteuning van de uitvoering en het toepassen van maatwerk per project. Uitgangspunt voor het IHP: ▪
De gemeente en schoolbesturen gaan samen onderzoeken hoe er op een creatieve manier passend en inclusief onderwijs kan worden aangeboden binnen de beschikbare onderwijscapaciteit. Per situatie wordt gekeken wat mogelijk is op basis van de gewenste vorm van inclusie, waarbij gezamenlijk maatwerk per project wordt geleverd.
2.2
Kindcentra
Een thema dat een rol speelt bij de ontwikkeling van dit IHP zijn kindcentra. De schoolbesturen en de gemeente willen alleen waar mogelijk onderwijs, voorschoolse voorzieningen en kinderopvang combineren. Dit moet resulteren in een toegankelijk aanbod van kindervoorzieningen. De scholen zijn verantwoordelijk voor het betrekken van een kinderopvangpartner en de gemeente heeft geen rol in de huisvesting.
1 Bron: Onderwijsconsument d.d. 7 juni 2024 (https://www.onderwijsconsument.nl/wat-is-inclusief-onderwijs/) 2 Onder andere het VN-verdrag over de Rechten van Personen met een Handicap (juli 2016) 2 en de werkagenda route naar inclusief onderwijs
2035 van het ministerie van OCW. 3 Opgenomen in bijlage 2 van het bijlagenboek van het IHP
22400547 | www.icsadviseurs.nl
4/18
De gemeente heeft een wettelijke zorgplicht voor de huisvesting van onderwijsinstellingen, wat betekent dat zij verantwoordelijk zijn voor het voorzien in adequate schoolgebouwen. Dit geldt voor het primair en voortgezet onderwijs, waarbij de gemeente moet zorgen voor passende en veilige accommodaties. Kinderopvang daarentegen valt niet onder deze zorgplicht, omdat dit wordt gezien als een commerciële voorziening waarvoor de financiering primair bij ouders, kinderopvangorganisaties en de Rijksoverheid ligt. Er zijn in beginsel twee mogelijke routes om gezamenlijke huisvesting te realiseren: (1) investering door de maatschappelijke partner zelf4 of (2) investering door de gemeente, met een kostprijsdekkende huurovereenkomst. De tweede mogelijkheid is echter voor de gemeente geen optie. De gemeente ondersteunt de ambitie voor het realiseren van een kindcentrum, maar draagt daar financieel niet aan bij. In een kindcentrum bundelen onderwijs en kinderopvang hun krachten om de consistente, individuele en sociale groei van kinderen van 0 tot 12 jaar te ondersteunen. Afhankelijk van de lokale behoeften kan dit worden uitgebreid met zorg en ondersteuning voor zowel kinderen als ouders. Door verschillende voorzieningen op één locatie te huisvesten, kan er efficiënt gebruik worden gemaakt van de ruimte en elkaars expertise.
Onderwijs en opvang werken in een kindcentrum aan een doorgaande leerlijn op basis van een gedeeld pedagogisch en educatief concept. Gelijkwaardigheid, wederzijds vertrouwen en nauwe samenwerking zijn essentieel voor continuïteit. Schoolbesturen bepalen zelf met welke partners zij samenwerken. Een gezamenlijke aanpak is alleen succesvol met breed draagvlak, waarbij ouders een belangrijke rol spelen in het creëren van een samenhangend netwerk rondom het kind. Idealiter gebeurt dit in één gebouw of in de directe omgeving. Bij (vervangende) nieuwbouw kan, waar planologisch mogelijk, worden gekeken naar het reserveren van extra ruimte voor kinderopvang. Dit biedt de mogelijkheid om, indien daar behoefte aan is, een school te laten uitgroeien tot een integraal kindcentrum (IKC). De gemeente zal dan ook geen voorfinanciering of investeringen doen ten behoeve van kinderopvang. De gemeente bouwt alleen een school en als schoolbesturen behoefte hebben aan een kindcentrum en kinderopvang bij hun school willen toevoegen dan zullen zij hier zelf een partner voor moeten vinden. Bij bestaande gebouwen kunnen de mogelijkheden voor het realiseren van een kindcentrum worden onderzocht binnen de bestaande gebouwstructuur. Bijvoorbeeld als er een ruimteoverschot in het gebouw is, of het gebruik van ruimten na schooltijd.
Hierbij geldt dat schoolbesturen ruimten in medegebruik kunnen geven of verhuren aan partijen en dat bij verhuur toestemming nodig is van de gemeente. Uitgangspunten voor IHP: ▪ ▪ ▪
▪
Bij (vervangende) nieuwbouw wordt alleen een school gerealiseerd en waar planologisch mogelijk en wenselijk rekening gehouden met aanvullende ruimten voor kinderopvang; De eventuele kinderopvang partner dient zelf te investeren in huisvesting; In bestaande onderwijsgebouwen (onderwijscapaciteit) vinden ten behoeve van Kindcentra geen investeringen plaats. Leegstand in een gebouw kan worden benut voor de diverse vormen van kinderopvang; De keuze voor een kinderopvangorganisatie ligt bij het schoolbestuur.
Verder maken gemeente, schoolbestuur en eventuele opvangorganisatie per project een maatwerkafspraak waarbij bovenstaande aspecten worden geborgd.
4 Investering door de kindpartner is een keuze, geen voorwaarde voor samenwerking. Vanuit de inhoud kiest de onderwijsorganisatie de
samenwerkingspartner.
22400547 | www.icsadviseurs.nl
5/18
2.3
Duurzaamheid
2.3.1
Energie
De Nederlandse overheid heeft met het Klimaatakkoord 2019 de doelen voor verduurzaming duidelijk gemaakt. In 2050 moet Nederland energieneutraal en gasloos zijn. Daarop volgden Regionale Energie Strategieën (RES) die voor verschillende regio’s keken naar de vertaling van dit akkoord. Gemeenten zijn hier vervolgens mee aan de slag gegaan. Definities BENG: Bijna Energieneutraal Gebouw BENG is van toepassing op de gebouwgebonden energie. De gebruikgebonden energie zoals energie voor smartboards, laden van ICT-apparatuur en keukenfaciliteiten wordt buiten beschouwing gelaten. De energieprestaties voor BENG-gebouwen worden vastgelegd aan de hand van drie eisen: ▪ ▪ ▪
De maximale energiebehoefte per kWh/m2/jaar; Het maximaal primair fossiel energiegebruik in kWh/m2/jaar; Het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten.
Het is per project maatwerk hoe aan deze prestatie-eisen kan worden voldaan. Meer informatie is te vinden op de website van RVO. ENG: Energieneutraal gebouw Ook hier draait het om gebouwgebonden energie. De gebruikgebonden energie wordt buiten beschouwing gelaten. Het verschil met BENG is dat het saldo energieverbruik en opbrengst, ten aanzien van de gebouwgebonden energie, nul is. Zero Emission Building (ZEB) Voor publieke gebouwen, waaronder schoolgebouwen, wordt voor (vervangende) nieuwbouw 5 vanaf 1 januari 2028 het verplicht om te voldoen aan ‘Zero Emission Building’6. De exacte definitie van een ZEB-gebouw is nog niet uitgewerkt voor de Nederlandse context. Vanwege de reikwijdte van een IHP (periode van 16 jaar) is het wel noodzakelijk om een tussentijdse werkdefinitie op te nemen om te anticiperen op deze toekomstige regelgeving. Vanuit de huidige wet- en regelgeving (Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)) is het verplicht om een bijna energieneutraal gebouw (BENG) te realiseren en ook dat dit gebouw aardgasvrij is. Met de aanstaande wetswijziging is de ambitie om in het IHP alvast te anticiperen op ZEB. Een ZEB-gebouw is op hoofdlijnen te definiëren als een ENG-gebouw dat ook aardgasvrij is, met dien verstande dat het energieverbruik ook laag moet zijn.
De ZEB-regelgeving stuurt op reducties van emissies door energie-efficiëntie én dat op de gebouwlocatie géén emissies uitgestoten mogen worden. ZEB gaat daarbij alleen om de gebouwgebonden energie en nog niet over de gebruikgebonden energie. Het IHP hanteert als uitgangspunt dat (vervangende) nieuwbouw moet voldoen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bouwbesluit)l en dus aan BENG en aardgasvrij. Wanneer de wetswijziging wordt vastgesteld zal (vervangende) nieuwbouw moeten voldoen aan ENG. Deze wetswijziging richt zich op passief bouwen en het gebruik van energiezuinige apparatuur. In het ontwikkelproces van gebouwen is het doel een gebouw A0 (emissievrij) te ontwerpen en vroegtijdig slimme keuzes ontwikkelproces toe te voegen, waarbij gedacht kan worden aan: ▪
Passiefbouwen;
Uiteindelijk zullen ook de eisen voor bestaande gebouwen en daarmee bij renovatie van toepassing zijn. Het wanneer en de eisen zijn op dit moment nog onbekend. 6 De bron van deze verplichting komt voor uit de EPBD-IV (Energy Performance Building Directive 4) (EU/2024/1275) en is aangenomen in mei 2024. 5
22400547 | www.icsadviseurs.nl
6/18
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Isoleren, isoleren en isoleren; Toepassen van een water-water warmtepomp; Nadenken over oriëntatie van het gebouw en positionering van ruimten; Toepassen van groen rondom een gebouw ter voorkoming van hitte rondom de gevel; Slim toepassen van vormfactoren die van invloed zijn op energieverbruik; Het slim compartimenteren van deelgebruik; Het toepassen van laag temperatuurverwarming;
Het toepassen van ‘Phase Changing Materials’ (PCM) in de luchtbehandeling (eerste ervaring leren dat dit een enorme energiebesparing oplevert). Netcongestie Een belangrijk aandachtspunt is de beschikbaarheid van aansluitingen op het energienet (netcongestie). In de praktijk blijkt dat er nu vaak onvoldoende capaciteit is om (vervangende) nieuwbouw te realiseren, aansluitwaarde te vergroten of om duurzaamheidsopties (onder andere zonnepanelen) te kunnen realiseren. Het is niet wenselijk dat projecten vertraging oplopen. Er zijn alternatieven beschikbaar die als oplossing kunnen dienen voor de netcongestie. In de praktijk vraagt dit om extra budget. Binnen het IHP wordt een stelpost meegenomen per project om het vraagstuk van netcongestie te overbruggen. Per project wordt bij uitvoering gekeken naar de meest passende oplossing, ook financieel.
Uitgangspunt voor het IHP: ▪ ▪ ▪
▪
▪
Bij vervangende nieuwbouw wordt uitgegaan van een BENG en aardasvrij gebouw; In het IHP worden de financiële consequenties in beeld gebracht voor het voorsorteren op de verwachte wetswijziging richting ENG. Schoolbesturen onderzoeken bij vervangende nieuwbouw door middel van een businesscase wat de mogelijkheden zijn voor het realiseren van hogere ambities op het gebied van duurzaamheid (energieprestatie). In de deze businesscase worden naast de meerinvestering, ook de effecten op de exploitatie in beeld gebracht (o.a. energie en onderhoud). Schoolbesturen stellen een duurzaam meerjaren onderhoudsplan op (DMJOP) op. Hierin wordt er op natuurlijke momenten onderzocht of bij vervanging of herstel een duurzamere oplossing kan worden toegepast. Schoolbesturen en gemeenten maken zo veel gebruik van verschillende subsidies om te investeren in de verduurzaming van het schoolgebouw.
2.3.2
Circulariteit
Het streven naar een toekomstbestendige samenleving vraagt om een bewust en verantwoordelijk gebruik van grondstoffen. De ontwikkeling naar een circulaire economie, een economie zonder verspilling van grondstoffen en uitputting van de hulpbronnen van de aarde, vormt hiervoor de basis. Nederland wil in 2050 een volledig circulaire economie zijn. Het realiseren en gebruiken van schoolgebouwen maakt onderdeel uit van de ontwikkeling naar een circulaire economie en levert hieraan een bijdrage. Gemeente en schoolbesturen zien diverse kansen om circulariteit te integreren in projecten, maar ook in het gebruik van de schoolgebouwen. Circulaire principes worden zoveel mogelijk toegepast binnen bouwprojecten. Denk daarbij aan het gebruik van hergebruikte materialen, biobased grondstoffen en demontabele bouwmethodes. Bij circulair bouwen behouden de gebouwen een zekere restwaarde, omdat bouwmaterialen na een levenscyclus herbruikbaar zijn. Materialen krijgen een toekomstwaarde. Daarmee wordt het mogelijk om restwaarde toe te kennen aan het gebouw en de investering niet volledig naar nul af te schrijven.
22400547 | www.icsadviseurs.nl
7/18
De gemeente Hardinxveld-Giessendam geeft in haar Economische visie 2020-2024 aan een ondernemende gemeente te zijn en daarom groene en duurzame innovaties dan ook zoveel mogelijk wil aanjagen en faciliteren7. Uitgangspunt voor het IHP: ▪ ▪
Bij vervangende nieuwbouw wordt circulair aanbesteed, waardoor circulariteit in alle fasen van de bouw een rol speelt. In projecten wordt de mogelijkheid van restwaarde onderzocht om hogere circulaire ambities te realiseren. Hierbij wordt de combinatie van restwaarde en een hogere investeringen geanalyseerd. Dit gebeurt onder de voorwaarde dat het effect op de begroting kostenneutraal blijft.
Gezondheid
2.3.3
Gezondheid
Een optimaal binnenklimaat is essentieel voor goede leerprestaties. Een gezonde school combineert een laag energieverbruik met een prettig en gezond binnenklimaat, waarbij factoren zoals luchtkwaliteit, temperatuur, comfort, licht en geluid een cruciale rol spelen. Dergelijke scholen dragen bij aan duurzaamheid door het energieverbruik te verminderen en de CO₂-uitstoot te beperken.
In de praktijk blijken vooral de CO₂-concentratie en binnentemperatuur vaak te hoog door onvoldoende ventilatie. Een gezond binnenklimaat helpt niet alleen om dit te verbeteren, maar draagt ook bij aan betere leerprestaties en minder gezondheidsklachten. Volgens het Bouwbesluit (Besluit bouwwerken leefomgeving) moeten scholen wettelijk voldoen aan Frisse scholen klasse C. Dit is dan ook het minimale wat wordt aangehouden in de gemeente. Bij nieuwbouw, onderhoud of grootschalige renovatie van schoolgebouwen is het doel om binnen de beschikbare budgetten en in samenwerking met de schoolbesturen ten minste een goed binnenklimaat te realiseren en waar mogelijk te streven naar Frisse Scholen Klasse B. Voor bestaande schoolgebouwen, waarbij geen levensduurverlengende renovatie plaatsvindt, is het doel om binnen de beschikbare budgetten en in samenwerking met de schoolbesturen ten minste een goed binnenklimaat te realiseren en waar mogelijk te streven naar Frisse Scholen Klasse B. Investeringen in een gezond binnenklimaat worden zorgvuldig afgewogen en gekoppeld aan de resterende levensduur van het gebouw. De verantwoordelijkheid voor het behalen van deze ambitie ligt bij zowel de gemeente als de schoolbesturen, die gezamenlijk zorgen voor een gezonde leeromgeving, ook in bestaande gebouwen.
Wanneer een investering in het binnenklimaat bij een bestaand gebouw aan de orde is (niet zijnde een levensduurverlengende renovatie), ligt de eerste verantwoordelijkheid bij het schoolbestuur, eventueel in samenwerking met de kinderopvang. Hierbij wordt onderzocht of zij de investering kunnen financieren. Hierna komen schoolbesturen, gemeente en eventueel kindpartner gezamenlijk tot een weloverwogen beslissing op basis van gedegen argumenten en belangenafweging. Uitgangspunt voor het IHP: ▪ ▪
Bij vervangende nieuwbouw is Frisse Scholen Klasse C het minimum en is het doel om binnen de beschikbare budgetten en in samenwerking tussen gemeente en schoolbesturen te streven naar klasse B. Voor bestaande bouw is Frisse Scholen Klasse C het minimum en is het doel om binnen de beschikbare budgetten en in samenwerking tussen gemeente en schoolbesturen te streven naar klasse B.
7 Economische visie - Gemeente Hardinxveld-Giessendam
22400547 | www.icsadviseurs.nl
8/18
2.3.4
Gemeentelijke Prestatie Richtlijn (GPR)
Om de mate van duurzaamheid in twee projecten in gemeente Hardinxveld-Giessendam te monitoren is gewerkt met de GPR-gebouwen tool. GPR is een meetinstrument dat helpt bij het beoordelen van gebouwen op de volgende vijf duurzaamheidsthema's: 1. 2. 3. 4. 5.
Energie – Lage energievraag en inzet van duurzame energiebronnen. Milieu – Circulair materiaalgebruik en beperking van milieubelasting. Gezondheid – Binnenklimaat, luchtkwaliteit, daglichttoetreding en akoestiek. Gebruikskwaliteit – Functionaliteit, toegankelijkheid en toekomstbestendigheid. Toekomstwaarde – Flexibiliteit, onderhoudskosten en levensduur.
In de voorgaande paragrafen zijn op een aantal van de bovenstaande duurzaamheidsthema’s ambities ten aanzien van het IHP geformuleerd. Voor het IHP is het belangrijk om de GPR te gebruiken als tool om de doelen te behalen maar niet als toetsingskader.
2.4
Bewegen, buitenruimte en bewegingsonderwijs
Bewegingsonderwijs is een vast onderdeel van het regulier onderwijs én van de gemeentelijke zorgplicht voor onderwijshuisvesting. Kinderen maken hierbij op een gestructureerde manier kennis met sport en beweging, wat essentieel is voor hun fysieke en motorische ontwikkeling. Voor kinderen tot 6 jaar kan dit plaatsvinden in een speellokaal, afgestemd op hun behoefte aan een veilige en stimulerende omgeving. Voor kinderen vanaf 6 jaar is een (gym)zaal vereist, die meer ruimte en voorzieningen biedt voor intensievere en gevarieerdere bewegingsactiviteiten. Sinds 2023 zijn basisscholen verplicht om 1,5 klokuren bewegingsonderwijs per week aan te bieden, verdeeld over twee lesuren van elk 45 minuten. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat leerlingen tussen 2 en 2,5 uur per week lichamelijke opvoeding hebben. Dit zorgt voor regelmatige fysieke activiteit, wat bijdraagt aan de gezondheid, concentratie en leerprestaties van kinderen. Daarnaast is het van belang dat kinderen ook buiten de lessen voldoende beweging krijgen, zowel binnen als buiten de school. Een stimulerende leer- en ontwikkelomgeving helpt hierbij, bijvoorbeeld door het plaatsen van klimmuren, hoogteverschillen en beweegvriendelijk meubilair.
De gemeente en schoolbesturen onderschrijven dat de leerlingen in het primair onderwijs wekelijks minimaal 1,5 klokuur per week bewegingsonderwijs moeten krijgen en brengen dit in de praktijk. Dit kan plaatsvinden in de gymzaal, op het schoolplein of in een buitengymzaal.
2.4.1
Omvang buitenruimte
Voor de omvang van de buitenruimte geldt voor het basisonderwijs conform de gemeentelijke huisvestingsverordening een norm van 3 m² verhard speelterrein per leerling met een maximum van 600 m² per school. Daarnaast is er ook een minimum van 2 m2 onverhard speelterrein per leerling. Voor het voortgezet onderwijs zijn geen normen geformuleerd in de huisvestingsverordening. Daarom houden wij hier het kwaliteitskader van Ruimte-OK aan. Hierbij wordt er een minimum van 0,8 m2 per leerling aangehouden met een maximum van 600 m2 in stedelijk gebied. Als uitgangspunt voor het IHP wordt voorgesteld om de huisvestingsverordening en daarmee 3 m² verhard terrein per leerling en school voor het PO als minimum te hanteren. Deze norm is exclusief bedoeld voor speelen beweegruimte van de leerlingen. Voor het VO wordt 0,8 m2 per leerling gehanteerd.
22400547 | www.icsadviseurs.nl
9/18
De gemeente is waar mogelijk bereid om ten behoeve van het onderwijs te investeren in de openbare groenstrook in de directe omgeving van de scholen. Tijdens schooltijd kunnen de scholen hier gebruik van maken en hierna is dit toegankelijk voor de kinderen in de wijk. Indien bij nieuwbouw op een locatie meer buitenruimte beschikbaar om te realiseren is (dan de norm uit de huisvestingsverordening), maken gemeente en schoolbesturen afspraken over de eventuele aanvullende investering en het beheer en onderhoud, niet zijnde de openbare ruimte. Bij de inrichting van een gezonde buitenruimte is aandacht voor veiligheid, uitdaging, spel, ontwikkeling, beweging en ontdekking. Daarnaast draagt een groene en natuurlijke uitstraling bij aan een prettige en gezonde omgeving. De buitenruimte speelt een belangrijke rol in het bevorderen van beweging en gezondheid. Bij bestaande locaties wordt gekeken naar manieren om de buitenruimte groener te maken. Er wordt onderzocht welke subsidies kunnen bijdragen aan de financiering van de groene pleinen. Bij nieuwbouw of renovatie is de omvang van de buitenruimte een essentiële factor, waarbij de meest recente modelverordening als uitgangspunt geldt. Het schoolbestuur heeft de verantwoordelijkheid om zowel de binnen- als buitenruimte op een pedagogisch en educatief verantwoorde manier in te richten. Een veilige omgeving is daarbij cruciaal.
De school en haar omgeving moeten toegankelijk zijn en een veilige uitstraling hebben. Ook is er aandacht voor de zelfstandige mobiliteit van leerlingen, zowel te voet als per fiets naar school. Uitgangspunt voor het IHP: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪
PO leerlingen hebben minimaal 1,5 klokuur bewegingsonderwijs per week. VO leerlingen hebben tussen de 2 en 2,5 uur lichamelijke opvoeding per week. Voor de omvang van de buitenruimte van PO wordt 3 m2 verhard terrein per leerling aangehouden, met een maximum van 600 m2. Voor de omvang van de buitenruimte van VO wordt 0,8 m2 terrein per leerling aangehouden, met een maximum van 600 m2. Als er bij nieuwbouw meer terrein beschikbaar is om buitenruimte te realiseren, maken gemeente en schoolbesturen afspraken over eventuele aanvullende investeringen en het beheer en onderhoud. Daarnaast is de gemeente waar mogelijk bereid om ten behoeve van het onderwijs te investeren in de openbare ruimtes in de omgeving van de scholen, die hier onder schooltijd gebruik van kunnen maken. Bij bestaande locaties wordt gekeken naar manieren om de buitenruimte groener te maken, mits dit niet de 3 m2 verhard terrein verkleind. Om dit te realiseren wordt ingezet op het verkrijgen van provinciale of landelijke subsidies.
2.5
Flexibiliteit
Om in te kunnen spelen op groei en krimp van de leerlingenaantallen en mogelijke veranderingen in gebruik is het de ambitie om flexibele huisvesting te realiseren. Flexibele schoolgebouwen zijn gebouwen die eenvoudig aanpasbaar zijn aan een veranderende ruimtevraag. Het zijn gebouwen die over ruimten beschikken die voor verschillende doeleinden kunnen worden ingezet en waar verschillende gebruikers multifunctioneel gebruik van maken. Flexibele gebouwen vragen om een flexibele inrichting die aanpasbaar is aan het type gebruik door bijvoorbeeld de BSO of andere gebruikers na schooltijd. Een manier om flexibiliteit te realiseren is gebruik maken van modulair bouwen. Het is van belang om een gebouw te hebben dat aanpasbaar is én zonder moeite verandering in de leerlingenaantallen kan opvangen, dat is een schoolgebouw wat later ingezet kan worden voor een andere functie. Met de geplande woningbouw, in het achterhoofd kunnen deze aantallen aanzienlijk stijgen. Bij het ontwerpen van een schoolgebouw wordt al nagedacht over maatregelen die een gebouw toekomstbestendig maken.
22400547 | www.icsadviseurs.nl
10/18
In het IHP is het van belang dat het realiseren van flexibele schoolgebouw wordt gerealiseerd binnen het budget, hier zal dus geen extra budget beschikbaar voor worden gemaakt. Het realiseren van flexibele huisvesting vraagt in de planvormingsfase van (vervangende) nieuwbouw of levensduurverlengende renovatie rekening te houden met de: ▪
▪
▪
Uitbreidbaarheid van het gebouw. Dit kan in de vorm van een grondgebonden aanbouw of als verdieping op het bestaande gebouw. In de ruimtelijk-planologische zin dient hier rekening mee gehouden te worden, door in het bestemmingsplan en bij het bepalen van het terreinoppervlak te anticiperen op een toekomstige uitbreiding met behoud van onderwijs-/opvangconcept. (Interne) aanpasbaarheid. Bij planvorming rekening houden met toekomstige aanpasbaarheid om groei, krimp, technische vernieuwing en/of onderwijsontwikkeling (flexibel) op te vangen. Het gebouw faciliteert daarmee de gebruikers en niet andersom. Transformatie mogelijkheden van (een deel) van het gebouw. De mogelijkheid het schoolgebouw in de toekomst te transformeren naar een andere functie, zonder dat het ten koste gaat van de functionaliteit voor het onderwijs.
Uitgangspunt voor het IHP: ▪
Bij vervangende nieuwbouw of een levensduurverlengende renovatie wordt vanuit het beschikbare normbudget ingezet op een zo flexibel mogelijk schoolgebouw.
22400547 | www.icsadviseurs.nl
11/18
2.6 Type maatregelen binnen het IHP Voor elke onderwijsvoorziening wordt binnen het IHP een maatwerkscenario beschreven dat leidend is voor de maatregelen en investeringen die de komende jaren door gemeente en schoolbesturen gepleegd worden. In het IHP wordt onderscheid gemaakt tussen schoolgebouwen die de komende periode in stand worden gehouden en gebouwen waar de noodzaak tot vervanging of een maatregel aanwezig is. In het IHP hanteren we daarom de volgende huisvestingsscenario’s: 1. 2. 3. 4.
(Vervangende) nieuwbouw; Levensduurverlengende renovatie; In stand houden; Afstoten.
Hieronder wordt de definitie en het afwegingskader van de huisvestingsscenario’s verder uitgewerkt. Per scenario wordt een nadere toelichting gegeven. Hierbij wordt gesproken over gemeente en schoolbesturen vanuit hun positie als mogelijke bouwheren. In beginsel is het schoolbestuur bouwheer tenzij gemeente en schoolbestuur anders overeenkomen.
1. (Vervangende) nieuwbouw Onder nieuwe gebouwen worden de schoolgebouwen verstaan waarvoor in het IHP een noodzaak tot vervanging wordt aangetoond. Deze gebouwen krijgen binnen afzienbare tijd een grootschalige ingreep in de vorm van (vervangende) nieuwbouw met een levensduur van 40 jaar. Bij nieuwe schoolgebouwen wordt gestreefd naar een maximale bijdrage aan de verduurzamingsopgave. Boven op de bestaande wetgeving om BENG te realiseren, is de ambitie uitgesproken om de (vervangende) nieuwbouw, waar mogelijk met investering van de schoolbesturen, op den duur te laten voldoen aan ENG8. Spelregels IHP – (vervangende) nieuwbouw Voor de oplossingsrichting (vervangende) nieuwbouw zijn de volgende spelregels van toepassing: ▪ Een businesscase toont of nieuwbouw een beter alternatief is dan levensduurverlengende renovatie, wanneer daar geen direct uitsluitsel over wordt gegeven op basis van bepaalde context. ▪ De businesscase dient in gezamenlijke opdracht van gemeente en schoolbestuur te worden gemaakt om eenzijdige sturing te voorkomen. ▪ Het uitgangspunt voor nieuwbouw is BENG en Frisse Scholen Klasse C. ▪ De gemeente financiert het vastgestelde ambitieniveau BENG en Frisse Scholen Klasse C. Voor het budget wordt uitgegaan van realistische investeringsbedragen, maar past wel binnen de financiële kaders die er in de meerjarenbegroting van de gemeente zijn opgenomen.
▪ Het schoolbestuur kan ervoor kiezen om aanvullende investeringen te doen die in de exploitatieperiode zorgen voor een gunstigere exploitatie. ▪ De omschreven ambities voor inclusie, circulariteit en flexibiliteit dienen bij (vervangende) nieuwbouwprojecten zoveel als mogelijk te worden geïntegreerd, passend binnen het budget. ▪ Maatwerk: Het realiseren van ruimten voor installaties mag niet ten koste gaan van de onderwijskundige (binnen)ruimte. Indien nodig worden extra vierkante meters aan het project toegevoegd.
8 Op dit moment loopt een Europees wetgevingstraject waarbij mogelijk ENG per 2027 voor nieuwbouw verplicht gaat worden.
22400547 | www.icsadviseurs.nl
12/18
2. Levensduurverlengende renovatie Voor levensduurverlengende renovatie gelden twee varianten. Deze zijn: ▪ ▪
2A: levensduurverlengende renovatie met scope voor 40 jaar 2B: levensduurverlengende renovatie met scope voor 25 jaar
2A: levensduurverlengende renovatie met scope 40 jaar Deze ingreep wordt beschouwd als een volwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw. Hierbij wordt het bestaande gebouw aanzienlijk verbeterd, met als doel de levensduur met minstens 40 jaar te verlengen. Tegelijkertijd wordt het gebouw duurzamer en vereist het minder onderhoud. Daarnaast wordt ook een adequaat binnenklimaat meegenomen volgens de vereisten van Frisse Scholen klasse C. Omdat levensduurverlengende renovatie als een gelijkwaardig alternatief wordt beschouwd, worden dezelfde doelstellingen nagestreefd als bij (vervangende) nieuwbouw. Bij levensduurverlengende renovatie wordt gekeken naar: ▪ ▪ ▪ ▪
Functionele staat: verbeteren van de functionaliteit (flexibiliteit, multifunctionaliteit en aansluiten onderwijsen kinderopvangconcept); Technische staat: levensduurverlenging door investering in bouwkundige en installatietechnische ingrepen; Ruimtelijke staat: optimaliseren van de indeling, grootte, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de ruimtes om beter aan te sluiten bij de behoeften van de gebruikers.; Verduurzaming van het gebouw (benaderen ambitie BENG).
Voor de maatregel levensduurverlengende renovatie 2A zijn de volgende spelregels van toepassing: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪
▪
Een businesscase toont of levensduurverlengende renovatie een beter alternatief is dan (vervangende) nieuwbouw, wanneer daar geen direct uitsluitsel over wordt gegeven op basis van bepaalde context. De gemeente en het schoolbestuur stellen gezamenlijk de businesscase op om te voorkomen dat er eenzijdige sturing plaatsvindt en de financiële consequenties vooraf in beeld te brengen. De bijdrage vanuit de gemeente en aanvullende bijdrage vanuit het schoolbestuur is vergelijkbaar met de spelregels voor (vervangende) nieuwbouw. Het budget wordt bepaald op basis van de benodigde ruimtebehoefte van de school, niet op de capaciteit van het gebouw en bedraagt 100% van het nieuwbouwbudget. De schoolbesturen blijven verantwoordelijk voor de bekostiging van de onderhoudswerkzaamheden zoals opgenomen in het MJOP. Op het moment dat helder is dat er een ingreep komt, wordt getracht de onderhoudswerkzaamheden zoveel mogelijk te clusteren in combinatie met de ingreep. Er wordt gerekend met één investeringsbedrag voor zowel levensduurverlengende renovatie als (vervangende) nieuwbouw. De ruimtebehoefte van de school vormt de basis voor de indicatieve investeringskosten van de levensduurverlengende renovatie. Schoolbestuur en gemeente bepalen in gezamenlijkheid de toekomstige gewenste omvang.
In het afwegingskader binnen de businesscase dienen de volgende afwegingen ten grondslag te liggen aan de motivatie om te kiezen voor levensduurverlengende renovatie in plaats van (vervangende) nieuwbouw: ─ Het gebouw heeft een monumentale waarde, goede uitstraling, ligging en/of functionaliteit, en/of; ─ Het gebouw heeft verschillende bouwdelen, met bouwdelen die nog in goede staat zijn en/of; ─ Het gebouw heeft een hoge boekwaarde, en/of; ─ De exploitatie vormt geen probleem, en/of; ─ Levensduurverlengende renovatie vormt een duurzamer alternatief dan nieuwbouw, circulaire maatregelen worden hierin meegenomen, en/of; ─ Er ruimte is in het gebouw of op het terrein om het gewenste aanbod te realiseren, en/of; ─ Het gebouw dusdanig flexibel is dat er multifunctioneel gebruik van ruimten kan worden gemaakt en aanpassingen/uitbreidingen in de toekomst mogelijk zijn (indien gewenst); ─ Wel of geen inzet van tijdelijke huisvesting benodigd is. Hierbij is leidend dat kinderen rust nodig hebben om tot goede ontwikkelprestaties te komen.
22400547 | www.icsadviseurs.nl
13/18
▪
De omschreven ambities voor inclusie, circulariteit en flexibiliteit dienen bij levensduurverlengende renovatieprojecten zoveel mogelijk te worden geïntegreerd passend binnen het beschikbaar gestelde budget.
2B: levensduurverlengende renovatie met scope voor 25 jaar In uitzonderlijke gevallen kan er sprake zijn van een aangepaste levensduurverlengende renovatie variant. Voor scholen waarvan het toekomstperspectief onzeker is (vanwege leerlingenaantal, ruimtelijke ontwikkeling, et cetera), maar het gebouw vanuit kwalitatief oogpunt om een ingreep vraagt of een gebouw met bouwdelen uit verschillende bouwjaren, kan een levensduurverlenging van 25 jaar passend zijn. Voor de maatregel levensduurverlengende renovatie 2B zijn de volgende spelregels van toepassing: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
▪
Bij een aangepaste variant wordt het gebouw verduurzaamd, het binnenklimaat verbeterd en worden beperkte ingrepen gedaan om de onderwijskundige kwaliteit te verbeteren. De gemeente is verantwoordelijk voor het bekostigen van de kwaliteit verhogende (en levensduurverlengde) ingrepen. Het budget wordt bepaald op basis van de capaciteit van het gebouw en bedraagt maximaal 50% van het nieuwbouwbudget. Uitgangspunt is dat de ingrepen die met deze vergoeding te bekostigen zijn ervoor zorgen dat de levensduur van het totale pand met minimaal 25 jaar wordt verlengd. De schoolbesturen blijven verantwoordelijk voor de bekostiging van de onderhoudswerkzaamheden zoals opgenomen in het MJOP. Op het moment dat helder is dat er een ingreep komt, wordt getracht de onderhoudswerkzaamheden zoveel mogelijk te clusteren in combinatie met de ingreep. De haalbaarheid van de ambities op het gebied van flexibiliteit, inclusie en circulariteit worden onderzocht, maar zijn geen doel op zich. Binnen de mogelijkheid van het beschikbare budget wordt hier invulling aan gegeven. Wetgeving rond renovatie Voor renovatie als voorziening in de onderwijshuisvesting is door het Rijk wetgeving in de maak. De verwachting is dat deze eind 2025 een feit wordt en aansluit bij optie 2A. Optie 2B kan in dit licht worden beschouwd als aanvullend lokaal beleid om maatwerk te kunnen leveren.
3. In stand houden Het in stand houden van een schoolgebouw betekent het uitvoeren van alle werkzaamheden die nodig zijn, zodat het gebouw zijn functie kan blijven vervullen. Ook het vervangen van bestaande elementen van een bouwwerk of installaties valt onder deze activiteit. Hoewel deze gebouwen geen grootschalige ingreep krijgen, binnen de looptijd van het IHP (ongeveer 16 jaar) is ook voor deze categorie aandacht voor hoe kan worden bijgedragen aan de verduurzaming en het verbeteren van het binnenklimaat in lijn met de landelijke klimaatdoelstellingen. In 2050 dienen namelijk alle gebouwen CO 2 neutraal te zijn. Voor bestaande gebouwen (niet zijnde levensduurverlengende renovatie of (vervangende) nieuwbouw) is het streven minstens een goed binnenklimaat. Waarbij de vereisten van Frisse scholen klasse C zoveel als mogelijk worden benaderd. De investeringen die nodig zijn voor een gezond binnenklimaat worden zorgvuldig afgewogen en gekoppeld aan de resterende levensduur van het gebouw Het in stand houden en onderhouden van schoolgebouwen is een verantwoordelijkheid van het schoolbestuur, die hiervoor een meerjaren onderhoudsplan (MJOP) opstelt. Bij het planmatig onderhoud wordt ingezet op minimaal het conditieniveau 3 van in stand houding en op een sober en doelmatig niveau (NEN2767)
22400547 | www.icsadviseurs.nl
14/18
gehanteerd9. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de handhaving van dit niveau en de uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden, tenzij binnen afzienbare tijd vervangende nieuwbouw is gepland. Het schoolbestuur is ook verplicht om de Erkende Maatregelen (Wet Milieubeheer) uit te voeren. Dit betreft duurzame maatregelen met een terugverdientijd van maximaal 5 jaar. Voor het onderhouden en het uitvoeren van de Erkende Maatregelen zet het schoolbestuur een deel van de bekostiging die zij vanuit het Rijk ontvangt in. Deze regeling blijft gehandhaafd. Toch vraagt het behalen van de doelstellingen uit het Klimaatakkoord om aanvullende maatregelen voor bestaande gebouwen. Mocht een school nieuwbouw krijgen binnen een periode van 5 jaar zal de school geen groot onderhoud meer hoeven plegen. Hieronder zijn spelregels opgenomen hoe hiermee om te gaan. Spelregels IHP – in stand houden ▪ Voor alle schoolgebouwen wordt, indien dit nog niet is uitgevoerd, een scan uitgevoerd om inzicht te krijgen in aanvullende maatregelen bovenop het Activiteitenbesluit. Deze maatregelen zijn gericht op verbetering van het binnenklimaat, vermindering van CO₂-uitstoot, energiebesparing en het gereedmaken voor een aardgasvrije toekomst.
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen verschillende categorieën van gebouwen: ─ Leeftijd 25 jaar of ouder: voor deze gebouwen is het aannemelijk dat er binnen afzienbare tijd door middel van levensduurverlengende renovatie of (vervangende) nieuwbouw (na afweging in een haalbaarheidsonderzoek) de CO2-uitstoot wordt gereduceerd. Met een light scan wordt inzichtelijk gemaakt welke duurzame maatregelen binnen de resterende levensduur van het gebouw haalbaar en verantwoord zijn. Voor gebouwen die binnen nu en 5 jaar in het IHP staan voor een ingreep, wordt geen scan uitgevoerd; ─ Leeftijd jonger dan 25 jaar: deze gebouwen verwachten noch binnen het IHP noch voor 2050 een grootschalige ingreep. Een uitgebreide scan maakt inzichtelijk welke maatregelen zorgen voor een substantiële verduurzaming voor deze categorie gebouwen. ▪ De gemeente bekostigt de scan gezamenlijk met het schoolbestuur (voorstel: 50-50 verhouding). In het IHP wordt opgenomen voor welke gebouwen een scan noodzakelijk is. ▪ Als de uitkomsten van de scan aanleiding geven tot het doorvoeren van maatregelen zijn de schoolbesturen verantwoordelijk voor bekostiging daarvan. Het uitvoeren van de maatregelen wordt zoveel mogelijk gekoppeld aan natuurlijke momenten in het MJOP (koppeling verduurzamingsmaatregelen aan investeringen vanuit onderhoud). ▪ Binnen een gebouw kan sprake zijn van huurinkomsten.
Deze opbrengsten kunnen ingezet worden voor verduurzamingsmaatregelen en de bekostiging daarvan.
4. Afstoten Dit betreft gebouwen die niet langer als schoolgebouw in gebruik blijven en teruggegeven worden volgens verordening Onderwijshuisvesting aan de gemeente. Vervolgens wordt bepaald of het schoolgebouw wordt onttrokken aan de onderwijsbestemming of wordt ingezet als zogenaamde ‘wissellocatie’ om scholen te huisvesten tijdens bouwactiviteiten.
9 Bij conditie onder deze score, ook als het partieel is, dient dit te worden hersteld.
22400547 | www.icsadviseurs.nl
15/18
2.7 Bekostiging en verantwoordelijkheden visie In de voorgaande paragrafen zijn de visie en uitgangspunten voor onderwijshuisvesting op verschillende onderwerpen beschreven. Per onderwerp zijn voorstellen gedaan voor uitgangspunten voor het IHP. In deze paragraaf is per voorstel vanuit de visie aangegeven wie verantwoordelijk is voor de uitvoering. Daarnaast is per voorstel aangegeven of dit te bekostigen is uit het reguliere budget voor onderwijshuisvesting of dat dit tot meerkosten leidt. Voorstel visie IHP De gemeente en schoolbesturen gaan samen onderzoeken hoe er op een creatieve manier passend en inclusief onderwijs kan worden aangeboden binnen de beschikbare onderwijscapaciteit. Per situatie wordt gekeken wat mogelijk is op basis van de gewenste vorm van inclusie, waarbij gezamenlijk maatwerk per project wordt geleverd. (2.1) Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt alleen een school gerealiseerd en waar planologisch mogelijk rekening gehouden voor een eventuele kinderopvang (2.2)
Te bekostigen uit regulier budget of meerkosten
Verantwoordelijk heid
Regulier budget
Schoolbestuur
Regulier budget
Gemeente (school)
De eventuele kinderopvang of maatschappelijke partner dient zelf te investeren in huisvesting (2.2)
Meerkosten
Leegstand in een gebouw kan worden benut voor de diverse vormen van kinderopvang (2.2)
Meerkosten
De keuze voor een kinderopvangorganisatie ligt bij het schoolbestuur (2.2) Bij vervangende nieuwbouw wordt uitgegaan van een BENG gebouw. (2.3.1) In het IHP worden de financiële consequenties in beeld gebracht voor het voorsorteren op de verwachte wetswijziging richting ENG. (2.3.1) Schoolbesturen onderzoeken bij vervangende nieuwbouw door middel van een businesscase wat de mogelijkheden zijn voor het realiseren van hogere ambities op het gebied van duurzaamheid (energieprestatie). In de deze businesscase worden naast de meerinvestering, ook de effecten op de exploitatie in beeld gebracht (o.a. energie en onderhoud). (2.3.1) Schoolbesturen stellen een duurzaam meerjaren onderhoudsplan op (DMJOP) op. Hierin wordt er op natuurlijke momenten onderzocht of bij vervanging of herstel een duurzamere oplossing kan worden toegepast. (2.3.1) Bij vervangende nieuwbouw wordt circulair aanbesteed, waardoor circulariteit in alle fasen van de bouw een rol speelt. (2.3.2) In projecten wordt de mogelijkheid van restwaarde onderzocht om hogere circulaire ambities te realiseren. Hierbij wordt de combinatie van restwaarde en een hogere investeringen geanalyseerd. Dit gebeurt onder de voorwaarde dat het effect op de begroting kostenneutraal blijft.
(2.3.2) Bij vervangende nieuwbouw is Frisse Scholen Klasse C het minimum en is het doel om met beschikbare budgetten en samenwerking tussen gemeente en schoolbesturen te streven naar klasse B. (2.3.3) Voor bestaande bouw is Frisse Scholen Klasse C het minimum en is het doel om binnen de beschikbare budgetten en in
22400547 | www.icsadviseurs.nl
Niet van toepassing
Kinderopvang of maatschappelijk e partner Kinderopvang of maatschappelijk e partner Niet van toepassing
Regulier budget
Gemeente
Meerkosten
Gemeente
Meerkosten (kostendekkend)
schoolbestuur
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Regulier budget
Gemeente
Regulier budget
Gemeente
Regulier budget
Gemeente
Regulier budget
Schoolbestuur
16/18
samenwerking tussen gemeente en schoolbesturen te streven naar klasse B. (2.3.3) Voor de omvang van de buitenruimte van PO wordt 3 m2 verhard terrein per leerling aangehouden, met een maximum van 600 m 2. (2.4.1) Voor de omvang van de buitenruimte van VO wordt 0,8 m2 terrein per leerling aangehouden, met een maximum van 600 m2. (2.4.1)
Regulier budget
Gemeente
Regulier budget
Gemeente
Meerkosten
Gemeente (investering), schoolbestuur (onderhoud)
Meerkosten
Gemeente (investering en onderhoud)
Meerkosten (Subsidie)
Gemeente
Regulier budget
Gemeente
Levensduurverlengende renovatie als maatregel in het IHP (2.6)
Regulier budget (% nieuwbouw)
Gemeente
Voor gebouwen die geen ingreep in het IHP krijgen wordt een duurzaamheidsscan uitgevoerd. In het IHP wordt opgenomen voor welke gebouwen een scan noodzakelijk is. (2.6)
Niet van toepassing
50/50 gemeente en schoolbesturen
Als er bij nieuwbouw meer ruimte beschikbaar of te realiseren is, maken gemeente en schoolbesturen afspraken over eventuele aanvullende investeringen en het beheer en onderhoud. (2.4.1) Daarnaast is de gemeente waar mogelijk bereid om ten behoeve van het onderwijs te investeren in de openbare ruimtes in de omgeving van de scholen, die hier onder schooltijd gebruik van kunnen maken.(2.4.1) Bij bestaande locaties wordt gekeken naar manieren om de buitenruimte groener te maken, mits dit niet de 3 m2 verhard terrein verkleind. Om dit te realiseren wordt ingezet op het verkrijgen van provinciale of landelijke subsidies. (2.4.1) Bij vervangende nieuwbouw of een levensduurverlengende renovatie wordt ingezet op een zo flexibel mogelijk schoolgebouw. (2.5)
22400547 | www.icsadviseurs.nl
17/18
Bijlage 2
22400547 | www.icsadviseurs.nl
3/5
1
‘Want een schoolgebouw zou nooit een reden mogen zijn om een leerling niet aan te kunnen nemen’.
Handreiking inclusieve onderwijshuisvesting voor de gemeenten Altena, Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Molenlanden, Vijfheerenlanden en West Betuwe, de samenwerkingsverbanden Driegang, Munio, Berséba en RefsVO en hun schoolbesturen
Deze handreiking is een conceptversie. Voordat dit document breed wordt gedeeld, zal het na bespreking in de werkgroep onderwijshuisvesting eerst ter vaststelling in de REA geagendeerd worden (via het ambtelijke coördinatieteam).
Handreiking inclusieve onderwijshuisvesting – april 2025
2
Over deze handreiking Deze handreiking ondersteunt bij het voeren van gesprekken over inclusieve onderwijshuisvesting. Het document biedt een praktische voorbereiding voor gesprekken tussen gemeenten en school(bestuur). Het combineert achtergrondinformatie over inclusieve onderwijshuisvesting met concrete handvatten om samen tot constructieve oplossingen te komen. Waar nodig kunnen andere partijen betrokken worden (denk aan samenwerkingsverband) maar het zijn gemeente en schoolbestuur die de afspraken met elkaar maken. Dit document bestaat uit twee onderdelen. Op de eerste pagina is de gespreksleidraad te vinden. Daarna volgt de achtergrondinformatie met voorbereidende vragen over inclusieve onderwijshuisvesting.
Handreiking inclusieve onderwijshuisvesting – april 2025
3 Gespreksleidraad tussen gemeente en school(bestuur)* over toepassing inclusie in bestaande onderwijshuisvesting of nieuwbouw *In de gespreksleidraad is gebruik gemaakt van school als gesprekspartner. Hier kan ook het schoolbestuur mee worden bedoeld. Ter voorbereiding: 1. Achtergrondinformatie school & gemeente a. Informatie over school. Denk aan: leerlingaantallen, doelgroep school, visie en ervaring over inclusief onderwijs, informatie over personeel b. Informatie over gemeente. Denk aan: ervaring en kennis beleidsmedewerkers over inclusieve onderwijshuisvesting, jeugdbeleid en integraal huisvestingsplan (IHP). ➢ Aanleveren documenten. Denk aan: visiedocument school op inclusief onderwijs(huisvesting), ondersteuningsplan samenwerkingsverband, overzicht van functies in de school op dit moment, …) 2. Gesprekspartners a. Wie zijn aanwezig en wat is hun rol/verantwoordelijkheid? b. In hoeverre is er al eerder contact geweest met de betrokkenen? c. Ontbreken er nog mensen? (denk aan samenwerkingsverband, jeugdhulp en andere huidige samenwerkingspartners) 3. Doel van gesprek helder hebben a. Is het doel van het gesprek helder voor alle aanwezigen partijen? Denk aan: oriënterend gesprek of gesprek gericht op besluitvorming. Tijdens het gesprek A. Visie op inclusief onderwijs a.
School licht visie op inclusief onderwijs toe, vertelt waar de school nu staat en waar ze naartoe willen werken. i. School geeft hierbij ook aan op welke manier het samenwerkingsverband hierbij betrokken is. b. Gemeente licht jeugdbeleid en integraal huisvestingsplan (IHP) toe. B. Inclusieve onderwijshuisvesting a. School licht toe welke functies vragen om meer inclusieve onderwijshuisvesting en linkt elke functie aan visie op inclusief onderwijs i. Wat heb je nodig? ii. Waarom heb je het nodig? iii. Voor wie is het nodig? (link met doelgroep) iv. Wat wordt er beter als dit er komt? v. Wat zijn de gevolgen als het er niet komt? b. School vertaalt functies naar hoe het concreet in en om het gebouw vertaald kan worden. c. Gemeente vertelt wat zij tot op heden hebben gedaan/zien op scholen met betrekking tot inclusieve onderwijshuisvesting C. Uitdagingen en belemmeringen? a. Wat zijn mogelijke uitdagingen en belemmeringen voor de school? b. Wat zijn mogelijke uitdagingen en belemmeringen voor de gemeente? D. Eerstvolgende acties/wensen uitspreken en vastleggen. E. Afronding gesprek a. Eventueel maken van vervolgafspraak.
Handreiking inclusieve onderwijshuisvesting – april 2025
4
Aanleiding handreiking en gespreksleidraad inclusieve onderwijshuisvesting Een regio waar we trots zijn op ons inclusief onderwijs In onze regio worden minder leerlingen doorverwezen naar het gespecialiseerd onderwijs (zie tabel 1). Een resultaat om trots op te zijn! Dit betekent dat meer leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften binnen het reguliere onderwijs kunnen blijven. Dit is alleen haalbaar en houdbaar als scholen toegankelijk blijven voor alle leerlingen, waarbij inclusieve onderwijshuisvesting en het goede gesprek daarover een cruciale rol speelt. Tabel 1: overzicht percentage doorverwijzingen in de regio
SBO SO Pro LWOO VSO
Landelijk percentage 2,46% 2,04% 3,02% 2,60% 3,89%
Berseba
Driegang
2,10% 1,44%
1,13 % 0,83 %
Munio
RefSVO
3,17% 0% 3,03%
2,93& 0% 1,86%
Bron: Dienst Uitvoering Onderwijs (1 februari 2024) – www,samenwerkingsverbandenopdekaart.nl
Uitwerking van de uitvoeringsagenda In juni 2021 is in de regio het visiedocument over méér inclusief onderwijs, met daarbij een uitvoeringsagenda voor de regio, vastgesteld. Dit document biedt inzicht in het samenhangend geheel van factoren die bijdragen aan de realisatie van méér inclusief onderwijs. Uiteindelijk zijn vijf deelgebieden uitgewerkt waarin onderwijs, gemeente en (jeugd)hulp samenwerken. Onderwijshuisvesting is er daar een van. Daarnaast is het mooi om te zien dat bijna alle gemeenten in de regio inmiddels een Lokale Inclusie Agenda (LIA) hanteren (of in ontwikkeling is) waarin ze op basis van het VN-verdrag zorgen dat iedereen in de gemeente mee kan doen. Eind juni 2024 heeft er een conferentie plaatsgevonden met scholen en gemeenten over onderwijshuisvesting. Met als doel om te komen tot gezamenlijke regionale afspraken over het faciliteren van de beweging naar meer inclusie met passende onderwijshuisvesting in en om de school. Voorafgaand hieraan zijn voorbereidende gesprekken gevoerd met diverse scholen. Aan de slag met het voeren van inhoudelijke gesprekken over inclusieve onderwijshuisvesting Deze handreiking bundelt de eerder verzamelde input en dient als ondersteuning om gesprekken tussen gemeenten en scholen op basis van gedeelde voorkennis te starten. Dit document moedigt aan om het gesprek vooral te richten op de inhoud.
Vaak zien we dat gesprekken over onderwijshuisvesting snel gaan over de beperkingen van financiering en regelgeving, zoals de vierkante meter-normen waardoor het gesprek over wat wel mogelijk is nauwelijks op gang komt. Door juist eerst te praten over de inhoud en gezamenlijke visie, denken we dat kansen zichtbaar worden waar eerder beperkingen werden gezien. In dit document krijg je daarom antwoord op onderstaande vragen. Na beantwoording van de vragen worden er vraag-suggesties gegeven om aan jezelf te stellen ter voorbereiding op het de inhoudelijke gesprekken. De vraag-suggesties estaan in de groene blokken. ♦
Wat verstaan we onder inclusie en inclusieve onderwijshuisvesting?
Handreiking inclusieve onderwijshuisvesting – april 2025
5 ♦ ♦ ♦ ♦ ♦
Hoe relateert inclusieve onderwijshuisvesting aan de andere deelgebieden van de ontwikkelagenda? Welke wensen en oplossingsrichtingen worden er genoemd door het onderwijsveld uit de regio? Wat zegt onderzoek over inclusieve onderwijshuisvesting? Een voorbeeld van inclusieve onderwijshuisvesting uit de eigen regio Hoe pakken andere scholen in Nederland inclusieve onderwijshuisvesting aan? (drie voorbeelden uit de praktijk).
1. Wat verstaan we onder inclusie en inclusieve onderwijshuisvesting? •
In hoeverre ben jij al betrokken geweest bij het thema inclusieve onderwijshuisvesting? En wat is jouw specifieke rol hierin?
Visie rijksoverheid De rijksoverheid omschrijft de inclusieve school als de basis die wordt gelegd voor een inclusievere samenleving. Dit houdt in dat: A. Iedereen welkom is, zich ontwikkelt en erbij hoort. Daarvoor is nodig: a. Thuisnabij onderwijs b. Gewaardeerd en gezien worden c. Een schoolgebouw en leermiddelen die toegankelijk zijn voor iedereen d. Specifieke ruimtes (bijvoorbeeld om je even terug te trekken) B. Er goede ondersteuning is voor iedereen waarbij een schoolteam multidisciplinair is (naast leraren ook ondersteunend personeel en bijvoorbeeld jeugdhulp). C. Alle leerlingen leren meedoen en zich zo goed mogelijk (op hun eigen niveau) ontwikkelen. Het onderwijsveld in de regio (opgehaalde input van conferentie en voorbereidende gesprekken) In de interviewgesprekken die voorafgaand aan de conferentie over onderwijshuisvesting zijn gehouden, werd inclusief onderwijs als volgt beschreven: Een plek die: A. In principe toegankelijk is voor alle leerlingen (gelijk aan punt 1). B. Thuisnabij is (met name voor de PO scholen in de dorpen) (gelijk aan punt 1) C. Zoveel mogelijk aansluit op de ontwikkeling van de leerlingen (gelijk aan punt 3) D. Leerlingen in zijn of haar eigen sociale context houdt en inspeelt op verschillen (gelijk aan punt 1 en 3) E. Leerlingen in contact brengt met de buitenwereld (thuis en vrije tijd) en andersom.
Bovenstaande sluit grotendeels aan bij hoe de overheid inclusief onderwijs beschrijft. Scholen hechten veel waarde aan het werken aan meer inclusie. Sommige scholen zijn hier wat idealistischer in en geven aan dat alle leerlingen welkom zijn, terwijl andere scholen ook kijken naar wat haalbaar en wenselijk is.
Handreiking inclusieve onderwijshuisvesting – april 2025
6
• •
Hoe zou je jouw/jullie visie op inclusief onderwijs omschrijven? Waar staan jullie als school nu met inclusief onderwijs en waar willen jullie naar toe?
2. Hoe relateert inclusieve onderwijshuisvesting aan de andere thema’s/deelgebieden van de uitvoeringsagenda? De andere thema’s/deelgebieden uit de uitvoeringsagenda die relateren aan onderwijshuisvesting zijn: preventie, jeugdhulp en leerlingenvervoer. Hieronder wordt per deelonderwerp toegelicht hoe het relateert aan inclusieve onderwijshuisvesting. Bij preventie gaat het om het voorkomen van dure zorg door preventief te handelen waarbij het uitgangspunt is dat normaliseren waar het kan wordt toegepast. Hierbij is vroegtijdig signaleren essentieel. Waar preventie voorheen bestond uit een schakel tussen de school en de zorg, beweegt preventie zich steeds naar een gezamenlijke aanpak ín de school Denk hierbij aan specifiek preventief aanbod tijdens en na schooltijd. Aansluitend op preventie is er voor sommige leerlingen toch specifieke zorg nodig vanuit jeugdhulp. Hierbij is het belangrijk dat onderwijs en jeugdhulp samen optrekken. Vanuit dit principe zien we dat jeugdhulp een vast onderdeel aan het worden is van het werken ín en om scholen. De schoolbesturen en hun samenwerkingsverbanden werken toe naar steeds inclusiever onderwijs. Zij zoeken gezamenlijk naar manieren om jeugdhulp gebundeld in te zetten aansluitend op het onderwijs en preventiever te werken, conform de opdracht uit de landelijke hervormingsagenda jeugd en de routekaart naar inclusief onderwijs.
In de regio wordt hier al op verschillende manieren vorm aan gegeven, onder andere via het jeugd- en jongerenwerk, het sociaal team of de vaste schakel op school, de pilot YOUZ (jeugd-GGZ gekoppeld aan de basisschool), en jeugdhulp gekoppeld aan de OPDC's. Zonder geschikte ruimte zouden deze initiatieven niet plaats kunnen vinden. Reguliere scholen zouden kinderen met een fysieke beperking geen onderwijs kunnen bieden in het eigen dorp. De jeugdhulpbegeleiding op de OPDC's zou in het klaslokaal ten overstaan van alle leerlingen moeten plaatsvinden in plaats van dat het mogelijk is om een kind even apart te nemen. Welk kind durft zich daar ten overstaan van alle klasgenootjes nog voor open te stellen? Sommige leerlingen kunnen vanwege specifieke ondersteuningsbehoeften niet naar een school in de wijk en moeten dan reizen met het leerlingenvervoer. Dit brengt hoge kosten met zich mee. Hoe ‘inclusiever’ de school (en daarmee ook de huisvesting) in de wijk wordt, hoe minder leerlingen vervoerd hoeven te worden. Uit de jaarlijkse analyse van de leerlingvervoerstromen blijkt dat ruim de helft van de leerlingen die gebruik maken van aangepast vervoer buiten de regio naar school gaan. Ook blijken de aantallen leerlingen die vervoerd worden de afgelopen jaren behoorlijk stabiel (al fluctueert dit per gemeente).
Er is dus meer nodig om thuisnabij onderwijs te organiseren en huisvesting is een belangrijk hulpmiddel daarbij.
Handreiking inclusieve onderwijshuisvesting – april 2025