Bijlage bij beantwoording techn vragen ChristenUnie over Nota Parkeernormen - Omgevingsverordening Prov ZH.pdf
Tekst van het document
3
In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ toelaten, als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen volgens het bevoegd gezag prevaleren.
Artikel 7.68b (bescherming archeologische waarden binnen de Neder-Germaanse Limes verwachtingszone) 1
Een omgevingsplan voor Neder-Germaanse Limes verwachtingszone, bevat regels die de verwachte archeologische waarden beschermen.
2
De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval de voorwaarde van archeologisch onderzoek bij activiteiten waarbij de grond voor een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, en de voorwaarde dat gehandeld wordt in overeenstemming met de uitkomsten van dat onderzoek, tenzij: a. b.
het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten, of de grond al eerder is geroerd.
§ 7.3.18 Archeologie Artikel 7.69 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met bekende archeologische waarden) Gebieden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.70 (bescherming bekende archeologische waarden) 1
Een omgevingsplan voor een gebied met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde bevat regels die de bekende archeologische waarden beschermen.
2
De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in een verbod op activiteiten waarbij de grond dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a. b. c.
3
door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast; het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten, of de grond al eerder is geroerd.
In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’, toelaten als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen volgens het bevoegd gezag prevaleren.
§ 7.3.19 Traditionele windmolens Artikel 7.71 (aanwijzing en geometrische begrenzing molenbiotopen) 1
Molenbiotopen zijn de locaties rondom traditionele windmolens, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
2
Bijzondere molenbiotopen zijn de locaties binnen de molenbiotopen van incomplete, heropgebouwde of verplaatste traditionele windmolens, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.72 (bescherming molenbiotoop) 1
Een omgevingsplan voor een molenbiotoop als bedoeld artikel 7.71, eerste en tweede lid, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en neemt de volgende waarden in acht: a. b.
77
binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen bebouwing of beplanting toegelaten, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wieken; binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting:
○
○
2
1°. voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wieken; 2°. voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wieken.
In afwijking van het eerste lid is bebouwing mogelijk ten behoeve van: a.
b.
een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop als bedoeld in artikel 7.71, tweede lid, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast.
§ 7.3.20 Landgoederen en kastelen Artikel 7.73 (aanwijzing en geometrische begrenzing landgoed- en kasteelbiotopen) 1
Landgoedbiotopen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
2
Kasteelbiotopen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.74 (bescherming landgoed- en kasteelbiotoop) 1
Een omgevingsplan voor een landgoedbiotoop of kasteelbiotoop kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover: a. b.
2
geen aantasting plaatsvindt van de waarden van de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop; of de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de waarden van de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop.
Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop wordt beschreven. Naast de analyse van de cultuurhistorische kwaliteiten en waarden van het landgoed of het kasteel gaat deze paragraaf in op de wijze waarop de kenmerken en waarden van de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop beschermd of versterkt worden. Het gaat in ieder geval om de volgende kenmerken en waarden: a.
de buitenplaats, bestaande uit het hoofdhuis met bijgebouwen en het bijbehorende park of tuin, of het kasteel of kasteelterrein in de vorm van ruïne, muurrestanten, één of meer bijgebouwen, omgracht terrein, de functionele en visuele relaties tussen de verschillende onderdelen; b. de basisstructuur waaraan het landgoed of de kasteellocatie bewust direct is gekoppeld: een weg, een waterloop, of beide of in geval van een buitenplaats ook indirect door zichtlijnen; c. het blikveld: de vrije ruimte die nodig is om de historische buitenplaats of het kasteel in het landschap te herkennen. Naast deze kenmerken en waarden kunnen er voor zowel de landgoedbiotoop als de kasteelbiotoop afzonderlijke kenmerken en waarden aan de orde zijn. 3
Afwijking van het eerste lid is alleen mogelijk als sprake is van het noodzakelijk continueren van bouw- en gebruiksrechten uit het voorgaande omgevingsplan of als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. De motivering van het omgevingsplan bevat hierover een verantwoording.
§ 7.3.21 Energie Artikel 7.75 (aanwijzing en geometrische begrenzing locaties windenergie) Locaties voor windenergie zijn de locaties waarvan de geometrisch begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.76 (windenergie) 1
78
Een omgevingsplan laat windturbines alleen toe binnen de locaties voor windenergie.
2
In het omgevingsplan kan de begrenzing van de in het eerste lid bedoelde locaties worden aangepast, waarbij rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden, ten behoeve van de ruimtelijke inpassing van de locatie in de omgeving, of ten behoeve van de uitbreiding van deze locatie mits de locatie een samenhangende eenheid vormt in het landschap. Daarbij geldt dat de locatie voor windenergie kan worden uitgebreid met een capaciteit van: a. b.
maximaal 5 MW; of meer dan 5 MW in het geval gedeputeerde staten op grond van artikel 9c, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 van oordeel zijn dat het project met toepassing van artikel 5.55 van de Omgevingswet kan worden uitgevoerd door het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente, en dat bevoegde bestuursorgaan daarmee heeft ingestemd.
3
In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan voor een gebied buiten het bestaand stadsen dorpsgebied kleine windturbines met een ashoogte tot 15 m toelaten en kan een omgevingsplan voor een gebied binnen het bestaand stads- en dorpsgebied of voor een locatie binnen het glastuinbouwgebied als bedoeld in artikel 7.53, eerste lid, kleine en middelgrote windturbines met een ashoogte tot 45 m toelaten, voor zover dat passend is bij de lokale situatie.
4
Een omgevingsplan dat een bouwactiviteit toelaat voor een windturbine en andere bouwwerken gericht op de opwekking van energie uit wind verzekert de sloop van de bouwwerken na het beëindigen van die opwekking.
Artikel 7.76a (zonnevelden) 1
Dit artikel is van toepassing op een nieuw zonneveld buiten bestaand stads- en dorpsgebied.
2
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een nieuw zonneveld, laat het omgevingsplan dit alleen toe op de volgende locaties: a. b. c. d.
e. f.
agrarische bouwpercelen; locaties met een functie verkeersinfrastructuur of een locatie ten dienste daarvan; slibdepots, waterbassins, spaarbekkens, bergingsgebieden en voormalige stortplaatsen; glastuinbouwgebied mits er sprake is van meervoudig ruimtegebruik en aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied; een locatie waar een stedelijke functie is toegedeeld, maar waar die functie nog niet is gerealiseerd; een windpark.
3
In afwijking van het tweede lid kan een omgevingsplan in zoekgebieden voor zon uit Regionale Energie Strategieën die door provinciale staten zijn vastgesteld zonnevelden toelaten mits het zoekgebied verder is uitgewerkt en regionaal is afgestemd.
4
Het omgevingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, bevat, in aanvulling op paragraaf 7.3.7, een motivering over: a. b.
5
de bijdrage die wordt geleverd aan het behouden en versterken van de biodiversiteit en een zorgvuldige landschappelijke inpassing; het combineren met andere relevante opgaven.
Een omgevingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, verzekert: a. b.
de realisatie en de instandhouding van inrichtingsmaatregelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing en het behouden en versterken van de biodiversiteit; dat het zonneveld en de bijbehorende andere bouwwerken na afloop van de opwekking van energie worden gesloopt.
§ 7.3.22 Provinciale vaarwegen Artikel 7.77 (vrijwaringszone provinciale vaarwegen) 1
79
Een omgevingsplan voor een gebied binnen de vrijwaringszone provinciale vaarwegen, bedoeld in artikel 2.7, houdt rekening met het voorkomen van belemmeringen voor:
a. b. c. d. e.
de vlotte en veilige doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; de toegankelijkheid van de provinciale vaarweg voor hulpdiensten; en het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de provincial vaarweg.
2
Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het eerste lid wordt advies gevraagd aan de vaarwegbeheerder.
3
De breedte van de vrijwaringszone provinciale vaarweg gemeten vanuit de oever, bedraagt: a. b. c.
10 m aan weerszijden van een recht vaarwegvak; 15 m in een buitenbocht; 25 m in een binnenbocht.
§ 7.3.23 Recreatietoervaartnet Artikel 7.78 (aanwijzing en geometrische begrenzing recreatietoervaartnet) Het recreatietoervaartnet is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.79 (bescherming recreatietoervaartnet) Een omgevingsplan voor het recreatietoervaartnet houdt rekening met het voorkomen van belemmeringen van de recreatieve bevaarbaarheid van de vaarweg en is zo mogelijk gericht op verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recreatieve waarden van de vaarweg.
§ 7.3.23a Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden Artikel 7.79a (aanwijzing en geometrische begrenzing hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden) 1
Het hoofdfietsnetwerk is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
2
Lange afstands wandelpaden zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.79b (behoud en verbetering hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden) Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met het belang van de instandhouding en zo mogelijk de verbetering van het hoofdfietsnetwerk en de lange afstands wandelpaden.
§ 7.3.24 Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur) Artikel 7.80 (aanwijzing vitale infrastructuur openbare drinkwatervoorziening) De vitale infrastructuur openbare drinkwatervoorziening zijn locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Artikel 7.81 (beschermingszone drinkwatervoorziening)
80
1
Een omgevingsplan waarin een leiding, behorend tot de vitale infrastructuur openbare drinkwatervoorziening, bedoeld in artikel 7.80, aanwezig is, wijst een zone van minimaal 5 m aan weerszijden van de leiding aan als beschermingszone drinkwatervoorziening.
2
Het omgevingsplan laat nieuwe ontwikkelingen binnen de beschermingszone drinkwatervoorziening slechts toe voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het functioneren, het onderhoud en de veiligheid van de drinkwatervoorziening.
3
Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het tweede lid, wordt tijdig advies gevraagd aan het drinkwaterbedrijf dat beheerder is van de leiding.
§ 7.3.25 Ontheffing en afwijken Artikel 7.82 (ontheffingsbevoegdheid gedeputeerde staten) Gedeputeerde staten kunnen op verzoek ontheffing verlenen van de regels in afdeling 7.3.
Artikel 7.83 (indieningsvereisten ontheffing) Een verzoek om een ontheffing, wordt ingediend met gebruikmaking van het daarvoor door gedeputeerde staten vastgestelde e-formulier en gaat vergezeld van de daarin aangegeven bescheiden en bevat, als het verzoek is gedaan door het college van burgemeester en wethouders, een motivering dat het verzoek is gedaan in overeenstemming met de gemeenteraad.
Artikel 7.84 (motivering omgevingsplan) De motivering van een omgevingsplan dat ook wordt gebaseerd op een verleende ontheffing, bevat een afschrift van de beschikking van die ontheffing en de in artikel 7.83 bedoelde bescheiden.
Artikel 7.85 (intrekking ontheffing) Gedeputeerde staten kunnen een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken als binnen twee jaar na verlening van de ontheffing, geen omgevingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van die ontheffing.
Artikel 7.86 (afwijkingsmogelijkheid - balansregeling) Een omgevingsplan kan voorzien in activiteiten waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de bepalingen in afdeling 7.3 van deze verordening, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelen van deze bepalingen.
Afdeling 7.4 Waterschapsverordening § 7.4.1 Waterkeringen Artikel 7.87 (profiel van vrije ruimte) In een waterschapsverordening wordt het profiel van vrije ruimte voor een toekomstige versterking of uitbreiding van een waterkering, die in beheer is bij het waterschap, aangewezen en geometrisch begrensd.
§ 7.4.2 Grondwaterkwaliteit Artikel 7.88 (beoordelingsregels activiteit met gevolgen voor een waterlichaam) 1
Dit artikel is van toepassing op een waterschapsverordening die bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam.
2
Een waterschapsverordening bepaalt dat het verlenen van de omgevingsvergunning er in ieder geval niet toe mag leiden dat: a. b.
de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends als bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang en het streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
Artikel 7.89 (voorschriften omgevingsvergunning activiteit met gevolgen voor een waterlichaam) Een waterschapsverordening bepaalt dat aan de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, bedoeld in artikel 7.88, eerste lid, voorschriften worden verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.
81
Artikel 7.90 (beoordelingsregels omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit) 1
Dit artikel is van toepassing op een waterschapsverordening die bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning de volgende wateronttrekkingsactiviteiten te verrichten: a. b.
het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening; het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening.
2
Een waterschapsverordening bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in het eerste lid alleen wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met de dragende functie van het watersysteem.
3
Een waterschapsverordening bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in het eerste lid, onder b, alleen wordt verleend als, in het in de bodem te brengen water, stoffen voorkomen: a. b.
4
in lagere concentraties dan in bijlage XIX, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor die stoffen is aangegeven; of als bedoeld in bijlage XIX, onder B, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als die stoffen niet zijn aangegeven in bijlage XIX, onder A, van dat besluit, en die stoffen in zulke geringe hoeveelheden en concentraties aanwezig zijn dat gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van het grondwater is uitgesloten.
Een waterschapsverordening kan, in afwijking van het derde lid, bepalen dat de omgevingsvergunning kan worden verleend en kan voor één of meer stoffen een hogere concentratie als bedoeld in dat onderdeel toestaan voor een in de omgevingsvergunning aan te geven periode, als: a.
b.
de bodemgesteldheid of de bodemsoort zodanig is dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van het grondwater, als water in de bodem wordt gebracht waarin die stoffen voorkomen in hogere concentraties; of aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die het gevaar voor verontreiniging van het grondwater, dat ontstaat door het in de bodem brengen van water waarin die stoffen voorkomen in die hogere concentraties, opheffen.
§ 7.4.3 Wateronttrekkingsactiviteit Artikel 7.93 (wateronttrekkingsactiviteit in grondwaterbeschermingsgebied) De waterschapsverordening bepaalt dat het in grondwaterbeschermingsgebieden als bedoeld in artikel 2.2 verboden is om zonder omgevingsvergunning een permanente wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, te verrichten voor zover het gaat om andere dan de in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen gevallen.
Artikel 7.94 (vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteit) 1
Dit artikel is van toepassing op een waterschapsverordening die bepaalt dat voor een wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, geen omgevingsvergunning is vereist.
2
De waterschapsverordening bevat voor wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in het eerste lid met een omvang van meer dan 12.000 m³ per jaar en tijdelijke wateronttrekkingsactiviteiten met een omvang van in totaal meer dan 12.000 m³ regels inhoudende: a. b. c. d.
82
een verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden voor aanvang van de wateronttrekkingsactiviteit bij het waterschapsbestuur; een meetverplichting van de onttrokken hoeveelheid grondwater en geïnfiltreerde water; een meetverplichting van de kwaliteit van het geïnfiltreerde water; een opgaveplicht van de in een kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerde water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water;
e.
3
voorschriften over de gegevens en bescheiden die voor het bepaalde onder a tot en met d verstrekt moeten worden.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een permanente wateronttrekkingsactiviteit met een omvang van minder dan 12.000 m³ per jaar die voor andere doeleinden dan genoemd in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verricht in een grondwaterbeschermingsgebied.
Afdeling 7.5 Omgevingsvergunningen § 7.5.1 Algemeen Artikel 7.95 (oogmerk beoordeling aanvraag omgevingsvergunning) 1
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een vergunningplichtige activiteit die is aangewezen in een afdeling van hoofdstuk 3, wordt die omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de in die afdeling van hoofdstuk 3 genoemde oogmerken.
2
Een omgevingsvergunning wordt niet geweigerd als door het stellen van voorschriften het te beschermen belang gelijkwaardig kan worden gediend.
Artikel 7.96 (bevoegdheid tot wijziging voorschriften en intrekking omgevingsvergunning) 1
Gedeputeerde staten kunnen de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen of een omgevingsvergunning intrekken op de in deze afdeling aangegeven gronden waarop die omgevingsvergunning had kunnen worden geweigerd.
2
Gedeputeerde staten geven alleen toepassing aan de intrekkingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, als niet kan worden volstaan met wijziging van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
§ 7.5.2 Omgevingsvergunning stiltegebiedactiviteit Artikel 7.97 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningplichtige stiltegebiedactiviteit die is aangewezen in artikel 3.16.
Artikel 7.98 (beoordelingsregels stiltegebiedactiviteit) Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een stiltegebiedactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend: a. b.
in een individueel geval; en als het belang van het voorkomen en beperken van geluidbelasting niet onevenredig wordt geschaad.
§ 7.5.3 Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit in grondwaterbeschermingsgebieden Artikel 7.99 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningplichtige milieubelastende activiteit in grondwaterbeschermingsgebieden die is aangewezen in afdeling 3.3.
Artikel 7.100 (beoordelingsregels milieubelastende activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden)
83
1
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in afdeling 3.3, zijn op de beoordeling van de aanvraag de artikelen 8.9, 8.10 en 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.
2
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in afdeling 3.3, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:
a. b.
c.
er vindt geen achteruitgang van de kwaliteit van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater plaats; er is rekening gehouden met de kwetsbaarheid van dit gebied en er is zekerheid verkregen dat het verlenen, ook gelet op daarbij te stellen voorschriften, niet strijdig is met de belangen, bedoeld in artikel 3.19. het nut en de noodzaak van de milieubelastende activiteit zijn voldoende aangetoond en er zijn geen redelijke alternatieven voorhanden.
§ 7.5.4 Omgevingsvergunning activiteit in verband met verontreiniging van het grondwater Artikel 7.101 (toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningplichtige grondwatersanering die is aangewezen in artikel 3.134.
Artikel 7.102 (beoordelingsregels grondwatersanering met gevolgen voor een waterlichaam) 1
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een grondwatersanering die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van: a. b. c.
2
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
3
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat: a.
b.
c.
4
b.
5
niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
Het derde lid is niet van toepassing: a.
voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van: ○ 1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en ○ 2°. toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval ook niet toe leiden dat de doelstelling van: a.
b.
84
het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.
het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; het ombuigen van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt; en
c.
6
het voorkomen van achteruitgang en streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
In afwijking van het vijfde lid wordt een omgevingsvergunning verleend als: a. de aanvraag betrekking heeft op de gevallen waarin het niet voorkomen van die achteruitgang het gevolg is van: ○ 1°. nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam; ○ 2°. wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of ○ 3°. het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten; b. aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en c. de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.
Artikel 7.102a (voorschriften activiteit met gevolgen voor een waterlichaam) Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.102, worden voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.
§ 7.5.5 [Vervallen]
Artikel 7.103 [Vervallen]
Artikel 7.104 [Vervallen]
§ 7.5.6 Omgevingsvergunning activiteit op of rond gesloten stortplaatsen Artikel 7.105 (toepassingsbereik en oogmerk) Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningplichtige activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, die is aangewezen in artikel 3.155, eerste lid.
Artikel 7.106 (beoordelingsregels over de activiteit in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats) Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de belangen, genoemd in artikel 3.149.
Artikel 7.107 (voorschriften over de activiteit in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats) Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd kunnen voorschriften worden verbonden over: a. b. c.
de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen; het voorkomen dat de werking van de nazorgvoorzieningen nadelig wordt beïnvloed; het voorkomen dat de uitvoering van de nazorg op een andere manier wordt belemmerd.
Afdeling 7.6 Projectbesluiten
85
Artikel 7.108 (instructieregels projectbesluit) 1
Afdeling 7.3 is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, vierde lid, van de Omgevingswet, dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap.
2
In afwijking van het eerste lid is paragraaf 7.3.4 niet van toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld voor de aanleg, verlegging of versterking van een regionale waterkering.
Artikel 7.109 (instructieregels voor natuurnetwerk Nederland) Er wordt geen projectbesluit door gedeputeerde staten vastgesteld voor het uitvoeren van een project binnen het natuurnetwerk Nederland dat nadelige gevolgen kan hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk, bedoeld in artikel 7.60, eerste lid, tenzij verzekerd is dat deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.
Artikel 7.110 (instructieregels voor werelderfgoed en erfgoed op de Voorlopige Lijst werelderfgoed) Er wordt geen projectbesluit door gedeputeerde staten vastgesteld voor het uitvoeren van een project dat de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst werelderfgoed, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 7.65, aantast.
Artikel 7.111 (ontheffing instructieregels projectbesluit door waterschappen) Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van het dagelijks bestuur van een waterschap ontheffing verlenen van de regels in afdeling 7.3 voor het vaststellen van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, vierde lid, van de Omgevingswet.
HOOFDSTUK 8 FAUNABEHEEREENHEID EN -PLANNEN Afdeling 8.1 Faunabeheereenheid Artikel 8.1 (Faunabeheereenheid Zuid-Holland) 1
Er is één faunabeheereenheid, genaamd: Faunabeheereenheid Zuid-Holland.
2
Het werkgebied van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland omvat de gehele provincie.
3
De Faunabeheereenheid Zuid-Holland bevordert de uitvoering van passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van het Omgevingsbesluit.
4
De Faunabeheereenheid Zuid-Holland is verantwoordelijk voor de coördinatie van de uitvoering van de door haar vastgestelde faunabeheerplannen.
5
De Faunabeheereenheid Zuid-Holland bevordert het naar behoren uitoefenen van de aan haar toegestane handelingen in het kader van populatiebeheer of in het kader van de bestrijding van schadeveroorzakende soorten.
6
De faunabeheereenheid legt de door haar uit te voeren werkzaamheden vast in een werkplan voor minimaal drie en maximaal 6 jaren.
Artikel 8.2 (bestuurssamenstelling Faunabeheereenheid Zuid-Holland) 1
In het bestuur van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland zit ten minste een vertegenwoordiger van hierna genoemde entiteiten, zijnde jachthouders of jachtaktehouders, werkzaam binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid: a. b. c. d.
86
agrariërs; particuliere grondeigenaren; terreinbeherende organisaties; vereniging van jachtaktehouders.
2
Naast de vertegenwoordigers, bedoeld in het eerste lid, zit in het bestuur van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland een vertegenwoordiger van een of meer maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in Zuid-Holland, waarbij deze vertegenwoordiger spreekt namens een gezamenlijke achterban van ten minste 2.500 leden of donateurs woonachtig in de provincie.
3
De voorzitter van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland is niet als bestuurslid of werknemer verbonden aan de organisaties, genoemd in het eerste of tweede lid.
4
De voorzitter van de faunabeheereenheid wordt benoemd door het bestuur van de faunabeheereenheid, op voordracht van gedeputeerde staten.
Artikel 8.3 (informatie en verantwoording) 1
De Faunabeheereenheid Zuid-Holland informeert de achterban van alle organisaties, genoemd in artikel 8.2, eerste en tweede lid, over de uitvoering van haar werkzaamheden.
2
Het jaarlijks verslag van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van het Omgevingsbesluit, bevat in ieder geval de volgende gegevens: a.
b. c.
cijfermatige rapportages over de uitvoering van populatiebeheer, schadebestrijding en jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren, onderverdeeld naar diersoort, wildbeheereenheid en, voor zover van toepassing, Natura 2000-gebied; kwantitatieve gegevens voor de populatie van iedere in het faunabeheerplan beschreven diersoort, waarbij wordt aangegeven op welke wijze deze gegevens zijn verzameld; beschrijving van populatieontwikkelingen die een risico vormen voor de belangen, bedoeld in de artikelen 8.74j, eerste lid, onder b, 8.74k, eerste lid, onder b en 8.74l, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die ten grondslag kunnen worden gelegd aan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.
Artikel 8.4 (registratie gebruikers omgevingsvergunning) De Faunabeheereenheid Zuid-Holland houdt een registratie bij van alle gebruikers van de aan de Faunabeheereenheid Zuid-Holland verleende omgevingsvergunningen. Deze registratie is altijd ten behoeve van toezicht of handhaving op verzoek inzichtelijk voor gedeputeerde staten.
Afdeling 8.2 Faunabeheerplan Artikel 8.5 (toepassingsbereik) Deze afdeling gaat over de faunabeheerplannen van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland.
Artikel 8.6 (algemene eisen aan faunabeheerplannen)
87
1
Een faunabeheerplan bevat een kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven.
2
Een faunabeheerplan beschrijft aan welke voorwaarden moet worden voldaan voordat de handelingen ter voorkoming of bestrijding van schade kunnen worden uitgevoerd die in de artikelen 3.186, 3.187 en 3.188 als vergunningvrij zijn aangewezen.
3
Een faunabeheerplan geeft inzicht in het verband tussen de jacht, het beheer van populaties en het bestrijden van schadeveroorzakende soorten.
4
Een faunabeheerplan beschrijft op welke wijze rekening wordt gehouden met de Natura 2000-gebieden en de door gedeputeerde staten aan te wijzen rustgebieden voor de trekganzen.
5
Bij het opstellen van een faunabeheerplan wordt een vertegenwoordiger vanuit de wetenschap betrokken.
6
Een faunabeheerplan bevat op basis van gevalideerde gegevens en de daaruit voortvloeiende inzichten, een onderbouwing waaruit blijkt dat de staat van instandhouding niet significant negatief wordt beïnvloed door de uitvoering van het faunabeheerplan.
7
Een faunabeheerplan beschrijft op welke wijze invulling is gegeven aan de escalatieladder: als eerste moeten diervriendelijke methodes worden toegepast om schade of risico’s te voorkomen, pas als dat onvoldoende effect heeft wordt afschot toegestaan.
Artikel 8.7 (faunabeheerplan duurzaam beheer van populaties) In aanvulling op artikel 8.6 bevat een faunabeheerplan over duurzaam beheerde populaties in ieder geval per diersoort: a. b. c.
d. e.
f. g.
een beschrijving van het planmatige, gecoördineerde en duurzame beheer dat zal worden uitgevoerd; kwantitatieve gegevens over de aanwezigheid van de populatie in het betrokken gebied gedurende het jaar; een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer, waaronder een onderbouwing van de schade aan de belangen, bedoeld in de artikelen 8.74j, eerste lid, 8.74k, eerste lid en 8.74l, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan; de gewenste stand, inclusief de onderbouwing daarvan; per gebied een beschrijving van de handelingen die in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht om schade aan de belangen, bedoeld in onderdeel c te voorkomen, en voor zover die kwantitatieve gegevens redelijkerwijs kunnen worden verkregen, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; een beschrijving van de locatie, periode, aard, omvang en noodzaak van de activiteiten die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel d, te bereiken; en voor damherten of reeën: een beschrijving van het natuurlijke voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie, en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen.
Artikel 8.8 (faunabeheerplan schadebestrijding) In aanvulling op artikel 8.6 bevat het faunabeheerplan over bestrijding van schadeveroorzakende dieren in ieder geval per diersoort: a.
b. c. d.
e. f. g.
een beschrijving van de wijze van planmatige en gecoördineerde bestrijding, inclusief een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van deze bestrijding, voor zover daarover gegevens beschikbaar zijn; kwantitatieve gegevens over de aanwezigheid van de populatie binnen de provincie gedurende het jaar; een beschrijving van de door deze diersoort veroorzaakte schade of risico’s, in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan; per gebied een beschrijving van de handelingen die in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om schade als bedoeld in onderdeel c te voorkomen, en voor zover die kwantitatieve gegevens redelijkerwijs kunnen worden verkregen, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen; een beschrijving van de locatie, periode, aard, omvang en noodzaak van de bestrijding van schadeveroorzakende dieren; een omschrijving van passende en doeltreffende preventieve maatregelen en de mate waarin deze maatregelen moeten worden ingezet voordat mag worden overgegaan tot schadebestrijding; en voor zover daarover gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de bestrijding, bedoeld in onderdeel a.
Artikel 8.9 (faunabeheerplan uitoefening jacht) In aanvulling op artikel 8.6 bevat het faunabeheerplan over de uitoefening van de jacht: a. b. c. d.
een beschrijving van de vormen van jacht die in Zuid-Holland worden beoefend; kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarop wordt gejaagd, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden; een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden; en een overzicht van de gerealiseerde schade per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeel per werkgebied van de te onderscheiden wildbeheereenheden.
Artikel 8.10 (geldigheidsduur faunabeheerplan) Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste tien jaren.
88
Artikel 8.11 (afwijkingsbevoegdheid) Gedeputeerde staten kunnen de bepalingen van afdeling 8.2 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, naar hun oordeel tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden.
Afdeling 8.3 Wildbeheereenheden Artikel 8.12 (statuten en verplichtingen wildbeheereenheden) 1
Het bestuur van een wildbeheereenheid bevordert dat haar leden handelen volgens de geldende wettelijke kaders, deze verordening, de verleende omgevingsvergunningen voor flora- en faunaactiviteiten, de weidelijkheid en het faunabeheerplan.
2
De statuten van een wildbeheereenheid bevatten in ieder geval de bepaling dat het lidmaatschap van de wildbeheereenheid kan worden opgezegd wanneer het lid bij de uitoefening van de jacht, schadebestrijding of populatiebeheer niet handelt conform de faunabeheerplannen of vergunningen, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord de faunabeheereenheid.
3
De wildbeheereenheid stelt een geschillenregeling in over geschillen die voortvloeien uit opzegging van een lidmaatschap als bedoeld in het tweede lid.
4
Het bestuur van een wildbeheereenheid informeert de leden van de wildbeheereenheid op adequate wijze over het faunabeheer en de schadebestrijding door de wildbeheereenheid.
5
Het bestuur van een wildbeheereenheid bevordert voor haar leden een gecoördineerde uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 6.3, vierde lid, van het Omgevingsbesluit.
Artikel 8.13 (omvang en begrenzing werkgebied wildbeheereenheid) 1
De begrenzing van een wildbeheereenheid wordt door de wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een kaart.
2
Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een oppervlakte van ten minste 5.000 ha binnen de provincie.
3
Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt.
4
Een wildbeheereenheid kan, in afstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzing van haar werkgebied wijzigen.
5
De betrokken wildbeheereenheden informeren gedeputeerde staten schriftelijk als de begrenzing, bedoeld in het vierde lid, wordt gewijzigd.
Artikel 8.14 (verplicht lidmaatschap wildbeheereenheid) 1
Op grond van artikel 8.2, vijfde lid, onder b, van de Omgevingswet worden geen uitzonderingen gemaakt op de wettelijke verplichting voor jachthouders aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend om zich te organiseren in een wildbeheereenheid.
2
Alleen aan de volgende personen is het toegestaan om binnen het werkgebied van de wildbeheereenheid uitvoering te geven aan het faunabeheerplan: a. b. c. d.
3
de jachthouder in zijn jachtveld; personen met schriftelijke toestemming van de jachthouder, mits de jachthouder lid is van de wildbeheereenheid; leden van de wildbeheereenheid; personen in het gezelschap van de personen, bedoeld in onderdeel a, b of c.
Het tweede lid geldt niet voor het bewerken van eieren en nesten door grondgebruikers.
HOOFDSTUK 9 SCHADE
89
Afdeling 9.1 Nadeelcompensatie Artikel 9.1 (toepassingsbereik) Deze afdeling heeft betrekking op aanvragen om vergoeding van de schade als bedoeld in artikel 15.1 van de Omgevingswet.
Artikel 9.2 (heffen van een recht voor het in behandeling nemen van de aanvraag) Voor het in behandeling nemen van de aanvraag om schadevergoeding wordt een recht van € 300,- geheven.
Artikel 9.3 (aanvraagvereiste) De aanvrager maakt gebruik van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier.
Artikel 9.4 (vereenvoudigde behandeling van de aanvraag) Gedeputeerde staten wijzen de aanvraag zonder nader onderzoek af indien de aanvraag kennelijk ongegrond is.
Artikel 9.5 (de adviseur) 1
Gedeputeerde staten kunnen een of meerdere adviseurs in de zin van afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht benoemen.
2
De adviseur heeft tot taak gedeputeerde staten van onpartijdig en deskundig advies te dienen over de op de aanvraag te nemen beslissing.
3
De adviseur maakt geen deel uit van: a. de bestuurlijke of ambtelijke organisatie van de provincie; b. de bezwarencommissie van de provincie.
4
Gedeputeerde staten stellen de volgende partijen in kennis van het voornemen om een adviseur aan te stellen: a. de aanvrager; b. degene die de activiteit verricht en met wie een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.3c, eerste lid, van de Omgevingswet is gesloten; en c. als sprake is van een schadeveroorzakend besluit naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in artikel 13.3d van de Omgevingswet, de aanvrager van dat besluit of degene die de toegestane activiteit verricht, tenzij: ○ 1°. de schadevergoeding redelijkerwijs voor rekening behoort te blijven van gedeputeerde staten; of ○ 2°. de schadevergoeding voldoende op een andere manier is verzekerd.
5
Partijen als bedoeld in het vierde lid kunnen binnen twee weken na verzending van de kennisgeving, schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs indienen bij gedeputeerde staten.
6
Gedeputeerde staten beslissen binnen twee weken na ontvangst van een wrakingsverzoek over het ingediende verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs.
Artikel 9.6 (procedure advisering)
90
1
De adviseur stelt de aanvrager en belanghebbenden in kennis van de te volgen procedure.
2
Gedeputeerde staten en de aanvrager stellen de adviseur de gegevens en bescheiden ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van zijn taak.
3
De adviseur kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Indien met het verstrekken van inlichtingen of het verlenen van adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de adviseur deze bevoegdheid pas uit na instemming van gedeputeerde staten.
4
De adviseur stelt de aanvrager, gedeputeerde staten en belanghebbenden in de gelegenheid om een toelichting te geven dan wel een standpunt over de aanvraag kenbaar te maken. Partijen kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een gemachtigde.
5
De adviseur stelt een verslag op van de toelichting, bedoeld in het vierde lid, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies.
6
De adviseur bezichtigt de situatie ter plaatse, indien dit voor het uitbrengen van het advies nodig is. De adviseur bepaalt het tijdstip waarop deze plaatsopneming plaatsvindt.
7
De adviseur stelt een conceptadvies op voorafgaande aan het definitieve advies. Dit conceptadvies wordt uiterlijk zestien weken nadat de adviseur is ingesteld, aan de aanvrager, gedeputeerde staten en indien aan de orde de belanghebbende toegezonden. Indien niet binnen deze termijn een conceptadvies opgemaakt kan worden, deelt de adviseur de aanvrager en gedeputeerde staten gemotiveerd mede, waarom deze termijn overschreden wordt. Hij geeft daarbij een termijn aan waarbinnen het conceptadvies aan aanvrager, gedeputeerde staten en de belanghebbende zal worden toegezonden.
8
De aanvrager, gedeputeerde staten en de belanghebbende maken eventuele bedenkingen tegen het conceptadvies, uiterlijk vier weken na de datum van verzending daarvan, schriftelijk aan de adviseur kenbaar.
9
In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. De adviseur kan deze termijn, onder opgaaf van redenen, eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.
10
In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit.
HOOFDSTUK 10 PROCEDURES Afdeling 10.1 Programma's Artikel 10.1 (voortgangsrapportage uitvoering waterbeheerprogramma) 1
Het waterschapsbestuur rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de als gevolg daarvan voorgestelde maatregelen.
2
Met betrekking tot de vorm en inhoud van de rapportage over de voortgang zijn de regels in bijlage X, onder A, van toepassing.
Afdeling 10.2 Omgevingsvergunning: betrokkenheid Artikel 10.2 (advies omgevingsvergunning activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden) In het geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in afdeling 3.3, stellen gedeputeerde staten in de gelegenheid om advies uit te brengen naar aanleiding van die aanvraag a. b. c.
het waterschapsbestuur; burgemeester en wethouders; en het drinkwaterbedrijf.
Afdeling 10.3 Projectbesluiten Artikel 10.3 (projectbesluit van waterschappen) Een aan gedeputeerde staten ter goedkeuring toegezonden projectbesluit als bedoeld in artikel 5.46, tweede lid, van de Omgevingswet dat betrekking heeft op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijktraject die bovendien is gelegen op het grondgebied van een andere provincie, wordt door het waterschapsbestuur ook ter kennisneming toegezonden aan gedeputeerde staten van die andere provincie.
Afdeling 10.4 Verstrekken en beschikbaar stellen van gegevens
91
Artikel 10.4 (verstrekken gegevens wateronttrekkingsactiviteit) 1
Het waterschapsbestuur verstrekt aan gedeputeerde staten ten behoeve van het grondwaterregister: a.
b.
een overzicht van de vergunningen en gegevens en bescheiden op basis waarvan de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, plaatsvindt. de gegevens die in het kader van de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, door de houder van de omgevingsvergunning of door degene op wie een informatieplicht rust aan het waterschapsbestuur worden verstrekt.
2
De opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt.
3
Op het verstrekken van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, zijn de regels in bijlage X, onder B, van toepassing.
Afdeling 10.5 Procedures schade door in het wild levende dieren Artikel 10.5 (aanvraag tegemoetkoming) 1
Een aanvraag om een tegemoetkoming faunaschade als bedoeld in artikel 15.53, eerste lid, van de Omgevingswet wordt langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daarvoor vastgesteld formulier met bijlagen.
2
De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen zeven werkdagen, nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.
3
Schade die niet binnen zeven werkdagen na constatering door de aanvrager via het formulier met bijlagen, bedoeld in het eerste lid, bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.
Artikel 10.6 (taxatie schade) 1
De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of op een andere manier van zijn bedrijf afvoeren, dan nadat de schade is getaxeerd door de taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.
2
Als de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen na ontvangst van het formulier per e-mail of per post naar BIJ12.
Afdeling 10.6 Aanvraag luchthavenbesluit of luchthavenregeling Artikel 10.7 (aanvraag om een luchthavenbesluit of luchthavenregeling) 1
Een luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 8.43, eerste en tweede lid, van de Wet luchtvaart of luchthavenregeling als bedoeld in artikel 8.64, eerste lid, van de Wet luchtvaart, wordt ook op aanvraag genomen.
2
De aanvraag om een luchthavenbesluit of luchthavenregeling wordt ingediend bij gedeputeerde staten.
3
Bij de aanvraag om een luchthavenbesluit of luchthavenregeling worden de gegevens en bescheiden uit bijlage X, onder C, verstrekt.
HOOFDSTUK 11 ADVIESORGANEN
92
Artikel 11.1 (adviescommissie detailhandel) Gedeputeerde staten stellen een adviescommissie detailhandel Zuid-Holland in die adviseert over omgevingsplannen van Zuid-Hollandse gemeenten of projectbesluiten van de provincie.
HOOFDSTUK 12 HANDHAVING EN UITVOERING Afdeling 12.1 Handhaving § 12.1.1 Aanwijzing en bevoegdheid toezichthouders Artikel 12.1 (toezicht en opsporing provinciale vaarwegen en provinciale wegen) 1
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Scheepvaartverkeerswet en Wegenverkeerswet 1994 in deze verordening zijn de door gedeputeerde staten aangewezen personen belast.
2
Met de opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens de Wet op de economische delicten, zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen, de op grond van het eerste lid aangewezen personen belast, die in het bezit zijn van de buitengewone opsporingsbevoegdheid.
Artikel 12.2 (toezichthouders luchtvaart) Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wet luchtvaart gegeven regels en voorschriften over de aan provinciale staten en gedeputeerde staten gegeven taken en bevoegdheden zijn de door gedeputeerde staten aangewezen toezichthouders belast.
Afdeling 12.2 Kwaliteit uitvoering en handhaving Artikel 12.3 (doelen uitvoerings- en handhavingsstrategie) De uitvoerings- en handhavingsstrategie, bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, van het Omgevingsbesluit bevat doelen die betrekking hebben op: a. b. c.
de dienstverlening; de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; de financiën.
Artikel 12.4 (kwaliteitscriteria uitvoering en handhaving) 1
In bijlage XI staan de kwaliteitscriteria voor de uitvoeringstaak en handhavingstaak.
2
Op de uitvoeringstaak en handhavingstaak van de Omgevingswet en de Wet milieubeheer door omgevingsdiensten in opdracht van gedeputeerde staten zijn de kwaliteitscriteria van toepassing.
3
Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen gedeputeerde staten jaarlijks mededeling aan provinciale staten.
HOOFDSTUK 12a BEVOEGDHEDEN IN BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN Afdeling 12a.1 Toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater Artikel 12a.1 (toepassingsbereik) 1
Deze afdeling is van toepassing als naar het oordeel van gedeputeerde staten: a. b.
93
ten minste een redelijk vermoeden bestaat van een toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater; en onmiddellijk tijdelijke beschermingsmaatregelen, met inbegrip van onderzoek naar de aard en omvang van de risico's van de verontreiniging van grondwater, noodzakelijk zijn om onaanvaardbare risico's van verspreiding van de verontreiniging in of naar het grondwater te voorkomen of te beperken.
2
Van onaanvaardbare risico's voor het grondwater is in ieder geval sprake wanneer uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.4.2, blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c.
3
Tijdelijke beschermingsmaatregelen strekken niet tot het ongedaan maken van de aangetroffen verontreiniging in het grondwater.
4
Deze afdeling is niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater valt onder een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem als bedoeld in afdeling 19.2a van de Omgevingswet en daarvoor de benodigde tijdelijke beschermingsmaatregelen worden getroffen.
Artikel 12a.2 (treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen) 1
Gedeputeerde staten verplichten de eigenaar of erfpachter tot het onmiddellijk treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen om onaanvaardbare risico's voor het grondwater te voorkomen of te beperken, op de locatie waar de verontreiniging zich bevindt of waar de directe gevolgen van verspreiding van de verontreiniging, al dan niet indirect vanuit de bodem, naar het grondwater zich voordoen, voor zover die maatregelen redelijkerwijs van hem gevraagd kunnen worden.
2
Gedeputeerde staten kunnen aanwijzingen geven over het treffen van tijdelijke beschermingsmaatregelen.
3
Als de eigenaar of erfpachter niet of niet tijdig de vereiste tijdelijke beschermingsmaatregelen treft, kunnen gedeputeerde staten die maatregelen treffen of laten treffen.
Artikel 12a.3 (kostenverhaal getroffen maatregelen) 1
Als gedeputeerde staten tijdelijke beschermingsmaatregelen treffen of laten treffen door derden, kunnen de kosten van die maatregelen op de eigenaar of erfpachter worden verhaald onverminderd artikel 13.3a van de Omgevingswet.
2
De artikelen 5:10, tweede lid, en 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK 13 MONITORING EN INFORMATIE Afdeling 13.1 Monitoring omgevingswaarden en verslaglegging § 13.1.1 Veiligheid regionale waterkeringen Artikel 13.1 (monitoring omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen) 1
Monitoring voor de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 5.3, vindt plaats door bepaling van het waterkerend vermogen van een regionale waterkering in de actuele toestand door metingen, berekeningen en modellen volgens: a. b.
2
een in bijlage XII, onder A, bepaalde methode en frequentie; of een door het waterschap, in overleg met gedeputeerde staten, te bepalen methode.
Het waterschapsbestuur is belast met de uitvoering van de monitoring.
Artikel 13.2 (verslag veiligheid regionale waterkeringen) 1
Het waterschapsbestuur stelt op het in bijlage XII, onder A, bepaalde tijdstip een verslag op over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkering die bij het waterschap in beheer is en verstrekt dit verslag aan gedeputeerde staten.
2
Het verslag bevat: a. b. c.
94
de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.3; een beoordeling van de resultaten van monitoring en de toetsing of aan deze omgevingswaarden wordt voldaan in het licht van de methode en frequentie in bijlage XII, onder A; en als uit de beoordeling van de resultaten van de monitoring blijkt dat niet wordt voldaan of zal worden voldaan aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen
een omschrijving van de maatregelen die op een daarbij aangegeven termijn nodig worden geacht.
§ 13.1.2 Kans op overstroming regionale wateren Artikel 13.3 (monitoring omgevingswaarden kans op overstroming regionale wateren) 1
Monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 5.8 en 5.9, vindt plaats door bepaling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren in de actuele stand door metingen, berekeningen en modellen volgens: a. b.
2
een in bijlage XII, onder B.1, bepaalde methode en frequentie; of een door het waterschapsbestuur, in overleg met gedeputeerde staten, te bepalen methode.
Het waterschapsbestuur is belast met de uitvoering van de monitoring.
Artikel 13.4 (verslag kans op overstroming regionale wateren) 1
Het waterschapsbestuur stelt op het in bijlage XII, onder B.1, bepaalde tijdstip een verslag op over de algemene waterstaatkundige toestand van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren die bij het waterschap in beheer zijn en verstrekt dit verslag aan gedeputeerde staten.
2
Het verslag bevat: a. b. c.
de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 5.8 en 5.9; een beoordeling van de mate waarin aan deze omgevingswaarden is voldaan; als de beoordeling daarvoor aanleiding geeft, ook een omschrijving van de maatregelen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.
3
Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 5.8 en 5.9, kan een gedeelte van de totale oppervlakte van het gebied waarvoor de omgevingswaarde geldt overeenkomstig de percentages, genoemd in bijlage XII, onder C, buiten beschouwing worden gelaten.
4
In afwijking van het derde lid, gelden voor de gebieden met afwijkende maaiveldcriteria, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, de maaiveldcriteria zoals die daar zijn aangegeven.