CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - BP Parallelweg 106 & 107 Toelichting en Regels.pdf

Gemeenteraad GHG 20 oktober 2022, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 15: Vaststellen Bestemmingsplan Parallelweg 106 & 107 - Raadsvoorstel23.974 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hoofdstuk 4

31

zonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.

Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven

Hoofdstuk 4

32

in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Er is door BRO een quickscan uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Natura 2000 gebieden Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Biesbosch”, bevindt zich op circa 1,5 kilometer afstand ten zuiden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden, waarbij een partiële vrijstelling geldt voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Daardoor hoeft in beginsel alleen voor de gebruiksfase een berekening te worden uitgevoerd; een berekening voor de aanlegfase kan achterwege blijven.

Daar de voorgenomen ontwikkeling de bouw van een twee onder een kapwoning betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening dient uit te wijzen of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. De uitkomsten van dit vervolgonderzoek zijn beschreven in paragraaf 4.10 ‘Stikstof’. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 290 meter ten zuidoosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Toetsing beschermde houtopstanden Aangezien het groen binnen het plangebied bestaat uit erfbeplanting is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten.

In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Hoofdstuk 4

33

Tabel 4.1 Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen

Uit bovenstaande tabel is af te leiden dat de voorgenomen plannen mogelijk effect kunnen hebben op de rugstreeppad, poelkikker en heikikker aangezien een afname van voortplantingshabitat kan worden veroorzaakt. Ook kunnen negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen kunnen niet worden uitgesloten. Vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad, poelkikker en heikkikker dient uit te wijzen of deze in de sloot ten oosten van het plangebied aanwezig zijn, en daarmee het plangebied gebruiken als landhabitat. Ook dient er vervolgonderzoek te worden uitgevoerd naar de modderkruiper. Hieruit moet duidelijk worden of de grote modderkruiper gebruik maakt van het open water binnen het plangebied. Een toelichting op het vervolgonderzoek is onderstaand beschreven.

4.8.3 Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen;  Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of de rugstreeppad, poelkikker, heikikker en grote modderkruiper gebruik maakt van het open water binnen het plangebied;  Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de bomenrij aan de noordkant van het plangebied te worden vermeden;  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Vervolgonderzoeken flora en fauna Middels het verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) is vastgesteld dat de vijver binnen het plangebied potentieel leefgebied kan zijn voor poelkikker, rugstreeppad, heikikker en grote modderkruiper. Naar aanleiding hiervan is verdiepend onderzoek uitgevoerd in het seizoen van 2022, om

Hoofdstuk 4

34

functionaliteit van benoemde soorten binnen het plangebied vast te stellen dan wel met voldoende zekerheid uit te sluiten. Het rapport voor de vervolgonderzoeken is tevens opgenomen in de bijlagen. Resultaten Poelkikker, heikikker en rugstreeppad De gevonden resultaten wijzen niet op een mogelijke aanwezigheid van poelkikker, heikikker of rugstreeppad binnen of rond het plangebied. De aanwezigheid van in gebruik zijnde leefgebied voor deze soort binnen het plangebied is hiermee redelijkerwijs uitgesloten. Een overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot deze soorten is daarmee uitgesloten. Grote modderkruiper Uit de resultaten blijkt dat environmental DNA van de grote modderkruiper in de vijver aanwezig is. Dit houdt in dat de soort aanwezig is in de vijver en/of de direct aansluitende sloot. Omdat het water stilstaand is, is het onwaarschijnlijk dat het DNA van verder uit het watersysteem is gekomen. De grote modderkruiper is een soort welke beschermd is conform artikel 3.10 lid 1 van de Wet natuurbescherming (nationaal beschermde soorten). Het is verboden in het wild levende grote modderkruiper te doden of te vangen, en het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soort opzettelijk te beschadigen of vernielen.

In het Kennisdocument Grote Modderkruiper staat beschreven waar voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van deze soort aan voldoen. Vaste voortplantingsplaatsen zijn sterk begroeid met onderwatervegetatie en helofyten. De te dempen vijver bevat deze vegetatie niet. Vaste rustplaatsen zijn er in verschillende vormen. Omdat de vijver niet diep is zal het niet als winterverblijfplaats dienen. Schuilplekken voor overdag zijn in dikke sliblagen of tussen dichte watervegetatie. Deze zijn beide tevens niet aanwezig. Daarnaast zal de aanwezigheid van drinkende schapen aan de oever er voor zorgen dat er regelmatige verstoring plaatsvindt. Gezien er aansluitend in de sloten veel vegetatie aanwezig is zijn in de directe omgeving wel verblijfplaatsen aanwezig. De vijver zal daarmee redelijkerwijs binnen het leefgebied van de soort vallen. Door de afwezigheid van waterplanten en zeer sterke voedselrijkheid is het echter minimaal geschikt voor de grote modderkruiper. De vijver is daarmee niet essentieel voor het functioneren van het leefgebied van deze soort. Bij het dempen hiervan gaan daarmee geen beschermde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen verloren. Bij het dempen van de watergang kan het doden van individuen aan de orde zijn. Door het nemen van maatregelen gericht op de grote modderkruiper kan dit worden voorkomen.

Dit betreft:  Werken buiten kwetsbare periode (bij voorkeur in september/oktober)  Wegvangen en verplaatsen van grote modderkruipers.  Wegscheppen modder en controleren op aanwezige exemplaren grote modderkruiper.  Zo snel mogelijk terugzetten grote modderkruiper in aansluitende watergangen.  Dempen in de richting van open water en met lage snelheid

Hoofdstuk 4

35

4.9 Stikstof 4.9.1 Toetsingskader Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verder geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1 Wet natuurbescherming). Voor alle Natura 2000-gebieden geldt verder, op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden.

Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. 4.9.2 Onderzoek Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze berekening is opgenomen in de bijlagen. Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is “Biesbosch” op circa 1,5 kilometer afstand. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Vanwege de realisatie van twee woningen zijn eventuele effecten vanwege stikstof niet uit te sluiten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er geen depositie is hoger dan 0,00 mol / ha / jaar bij omliggende Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000 kunnen worden uitgesloten.

4.9.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen vanuit het aspect ‘stikstof’.

Hoofdstuk 4

36

4.10 Bodem 4.10.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.10.2 Onderzoek Vanwege de voorgenomen geplande nieuwbouw op het terrein is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door ADCIM en is opgenomen in de bijlagen. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd:  De bovengrond bestaat uit matig siltige klei met in de ondergrond vanaf 0,70 tot 1,00m-mv zwak kleiig veen.  Ter plaatse van boring 06 is op een diepte van 0,70 tot 1,00m-mv een kleilaag met een zwakke bijmenging aan slib waargenomen.

Waarschijnlijk heeft hier in het verleden een watergang gelegen.  De voormalige watergang aan de westzijde van het perceel is niet aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen dat hier een voormalige watergang gelegen heeft danwel gedempt is met bodemvreemde materialen. Ook is geen slib of zijn slibverdachte lagen aangetroffen.  Tijdens de uitvoering van het onderzoek zijn geen zintuigelijke waarnemingen gedaan aan de uitkomende grond die een aanwijzing zouden kunnen vormen voor bodemverontreiniging. In de bodem is geen bijmenging of asbestverdacht materiaal aangetroffen.  De kleiige bovengrond is licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PAK. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet deze grond aan klasse wonen.  De ondergrond met een zwakke slib bijmenging is licht verontreinigd met cadmium, koper, kwik, molybdeen, lood, zink en PAK. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet deze grond aan klasse industrie.  De onverdachte ondergrond is niet verontreinigd en voldoet bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit aan AW2000.  Het grondwater is gelegen op ca. 0,30-0,60 m-mv en is licht verontreinigd met barium. De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen. Voor de voorgenomen werkzaamheden vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering.

Nader onderzoek met een gewijzigde onderzoeksinspanning wordt niet noodzakelijk geacht.

Hoofdstuk 4

37

Bij het samenstellen van de mengmonsters is voor de onverdachte grond afgeweken van de strategie verdachte locatie. De resultaten van de analyses bevestigen het beeld van de onverdachte grond. Nader onderzoek met een gewijzigde onderzoeksinspanning wordt niet noodzakelijk geacht. 4.10.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande zijn er geen belemmeringen te verwachten vanuit het aspect ‘bodem’. De grond is van voldoende kwaliteit voor de functie ‘wonen’.

4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Beleidskaders Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal, waterschapsnaar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het Waterplan ZuidHolland 2016-2021 welke recent vervangen is door zijn opvolger voor de periode 2022-2027. De wijzigingen zijn voornamelijk van toepassing op de regionale waterkeringen, verhoogde duurzaamheid en klimaatadaptatie.

Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het Waterschap Rivierenland het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met o.a. het schone hemelwater. Het bestuur van Waterschap Rivierenland stelt hiertoe een Waterbeheerprogramma op. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat het waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerplan zijn de kaders voor het waterbeheer gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van het waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.

Hoofdstuk 4

38

Daarnaast beschikt het waterschap over een verordening, de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op waterkeringen en watergangen. Voor het uitvoeren van deze werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden worden getoetst aan de daarvoor geldende beleidsregels. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Voor kleine planontwikkelingen is de gemeente het bevoegd/toetsend gezag. In 2003 heeft de gemeente in samenwerking met het waterschap een stedelijk waterplan voor Hardinxveld-Giessendam opgesteld. Het doel van het plan met bijbehorende maatregelen was de verbetering van de waterkwaliteit in de woonomgeving en het water meer zichtbaar te maken in de omgeving. Na de vaststelling van het stedelijk waterplan zijn diverse projecten gestart. Deze projecten zijn inmiddels allemaal afgerond. Op een aantal punten in de gemeente wordt door het waterschap de waterkwaliteit gemonitord. Hieruit moet blijken of de uitgevoerde maatregelen het gewenste effect hebben gehad. Indien dat niet zo zou zijn, dan zal mogelijk een tweede generatie waterplan opgesteld gaan worden.

De eerste afstemming voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets. Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap door de ligging nabij een gezoneerde C- en A-watergang. Voor de verhardingstoename kan door de aanvrager eenmalig gebruik gemaakt worden van een vrijstelling tot hemelwatercompensatie. In alle andere gevallen zijn compenserende maatregelen noodzakelijk. Het definitieve bouwplan dient rekening gehouden te worden met de genoemde aandachtspunten in de rapportage. 4.11.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een watertoets uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Waterhuishoudkundig systeem Voor de nieuwbouw is voldoende ontwateringsdiepte benodigd om grondwateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Het plangebied ligt in het laaggelegen poldergebied buiten de bebouwde kom. De onbebouwde gedeeltes van het plangebied liggen op ca. -0,8, -0,7 m NAP. Rondom de bestaande woning ligt het maaiveld tussen de -0,2 en 0,0 m NAP. Grondwater In het Dinoloket is binnen het plangebied de bodem beschreven tot circa 9 meter onder maaiveld.

Uit het profiel kan worden geconcludeerd dat er een slecht doorlatende bodem aanwezig is waarin klei- en veenlagen elkaar afwisselen. Op basis van grondwatermeetgegevens bij het Dino-loket in de omgeving van het plangebied wordt de grondwaterstand ingeschat op ca. -1,3 m NAP. Dit komt overeen met een drooglegging rond de 0,6 meter voor de onbebouwde gedeeltes van het plangebied. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn

Hoofdstuk 4

39

geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in (een beschermingszone behorend bij) een (grond)waterbeschermingsgebied. Oppervlaktewater Door het gebruik en de ligging is in het gebied veel oppervlaktewater aanwezig. Noordelijk van het plangebied ligt een A-watergang (111966) die het water afvoert in oostelijke richting. Deze A-watergang heeft een beschermingszone van 5 meter waarbinnen niet gebouwd mag worden. Voor een nieuwe ontsluiting over een A-watergang is toestemming noodzakelijk van het waterschap. Aan de westzijde van het plangebied ligt een gezoneerde C-watergang (050760). Centraal binnen het plangebied is een niet gezoneerde C-watergang en overig oppervlaktewater aanwezig zonder leggerstatus van het waterschap. In onderstaande figuur is een afbeelding opgenomen van de bestaande situatie. Deze bestaande situatie is anders dan is ingetekend op de verbeelding, op de verbeelding is namelijk meer water op het perceel getekend. Waterschap Rivierenland heeft recentelijk goedkeuring gegeven op het verkleinen van de wateroppervlakte, waardoor voor de bestaande situatie rekening gehouden dient te worden met onderstaande weergave.

Figuur 4.5 Bestaande situatie

Hoofdstuk 4

40

Afvalwater De bestaande panden in de omgeving zijn aangesloten op het huidige gemeente drukrioolstelsel onder de Parallelweg. Het afvalwater wordt middels een gemaal naar de RWZI te Hardinxveld-Giessendam getransporteerd. Hemelwater dient niet afgevoerd te worden naar het gemeentelijk rioolstelsel, maar naar het lokaal aanwezige oppervlaktewater. Hemelwater Momenteel is binnen het perceel reeds verhard oppervlak aanwezig. Deze verharding betreft de (naastgelegen) woning en bijgebouw van nummer 109. Het aanbrengen van extra verharding leid tot versnelde afstroom van hemelwater, waardoor de kans op wateroverlast en ongewenste peilstijgingen toenemen. Over het algemeen dient hiervoor gecompenseerd te worden, bij voorkeur middels bijkomend oppervlaktewater. Planvoornemen en afweging Men is voornemens om langs de Parallelweg in Hardinxveld-Giessendam een nieuwe twee-onderéén-kap woning met parkeerplaatsen en bergingen te realiseren. De huidige bebouwing binnen het perceel blijft ongewijzigd. De aansluiting van het afvalwater van de woning vormt geen probleem. Hiervoor dient een aansluiting bij de gemeente aangevraagd te worden. Het uitgangspunt van waterschap Rivierenland is dat bij nieuwbouw geen permanente grondwaterafvoer mag plaatsvinden. Hiervoor dient voldoende drooglegging aanwezig te zijn.

Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. De minimale drooglegging dient 0,70 meter te zijn voor het maaiveld, 1,00 meter voor het straatpeil en 1,30 meter voor het bouwpeil. Voor het plangebied komt dit uit op een bouwpeil van minimaal +0,05 m NAP. Hiervoor is het noodzakelijk om het plangebied plaatselijk licht op te hogen. Ter plaatse van de tuin is de drooglegging afdoende (0,6 m-mv). Om de nieuwe ontsluiting vanuit het plangebied naar de parallelweg te realiseren, is het noodzakelijk om een kunstwerk (brug) te plaatsen binnen de A-watergang. Door de voorgenomen woningbouw zal er tevens bestaand oppervlaktewater worden gedempt. Het te dempen oppervlaktewater heeft een oppervlak van circa 66,5 m 2 welke 1 op 1 gecompenseerd dient te worden. Door het planvoornemen zal het verhard oppervlak binnen het plangebied toenemen. Insteek is om de oprit halfverhard aan te leggen. Hiermee is rekening gehouden in onderstaande overzichtstabel. Hieronder is een overzicht van de verwachte verharding op basis van het laatste planontwerp.

Tevens is op basis van de gewenste invulling op de grotere kavel (zoals huidig in de directe omgeving aanwezig) ook een maximale verhardingsvariant van 30% berekend (eventueel opnemen in bestemmingsregels als maximale variant voor verharding binnen bestemming Wonen en de halfverharde tuin).

Hoofdstuk 4

41

Op basis van de huidige plantekening dient ter plaatse ca. 84+66,5= 150,5 m 2 bijkomend water aangelegd te worden. Als maximale variant kan in de regels een borging opgenomen worden (bijvoorbeeld 30% verharding bij de bestemming Wonen en halfverharding bij de bestemming Tuin). Hiervoor is dan een bijkomend wateroppervlak van ca. 93+66,5= 159,5 m 2 benodigd. De demping van het oppervlaktewater is reeds oostelijk gepland en aangegeven met de bestemming Water. De resterende waterberging kan op de kavelgrens bij worden gegraven. Op de kavel is ruimte aanwezig om dit bijkomend water aan te leggen. De bijkomende waterberging voor het toekomstig verhard oppervlak dient op het definitief planontwerp nader uitgewerkt te worden. Afhankelijk van de werkzaamheden is hiervoor tevens een watervergunning benodigd. Naast bijkomend open water kan ook gekozen worden voor alternatieve vormen van waterberging. Hiervoor is dan wel een grotere waterbergingsopgave van 664 m3/ha van toepassing. Het waterschap kent echter vrijstellingen toe voor ontwikkelingen met een toenemende verharding van 500 m2 of minder. Deze vrijstelling kan éénmalig worden verleend. Het waterschap heeft aangegeven deze vrijstelling te verlenen voor onderhavige ontwikkeling. Dit betekent dat enkel nog het te dempen water dient te worden gecompenseerd (te weten 66,5 m2).

Met het planvoornemen zal geen toename aan verharding van meer dan 500 m 2 plaats vinden. Dit wordt mede bewerkstelligd doordat ter plaatse van de toekomstige tuinbestemming enkel halfverharding wordt aangelegd (dit is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels). Verder dient het omliggend terrein zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar het oppervlaktewater en niet naar de panden. Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de bepaalde verhardingstoename, de ruimte op de kavel voor het bijkomende oppervlaktewater en door rekening te houden met de overige genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien neutraal ontwikkeld en is geen verhoogd risico op wateroverlast te verwachten door de voorgenomen planontwikkeling. Bij het definitieve bouwplan dienen de uiteindelijke waterhuishoudkundige voorzieningen opgenomen te zijn. Voorts dient het nieuwe oppervlaktewater nader uitgewerkt te worden met een dwarsprofiel zodat aantoonbaar de benodigde waterberging aangelegd wordt. 4.11.3 Conclusie Bovenstaand is beschreven hoe, conform het geldend beleid, om wordt gegaan met het bestaand watersysteem en toekomstige afvoer van water. Er dient gecompenseerd te worden voor het te dempen wateroppervlak. Voor de toenemende verharding hoeft niet gecompenseerd te worden. Het Waterschap heeft een éénmalige vrijstelling verleend voor de toename in verharding.

Hoofdstuk 4

42

4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.12.2 Onderzoek In figuur 4.6 is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Hardinxveld-Giessendam weergegeven.

Figuur 4.6 Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart

Hoofdstuk 4

43

Op de kaart is te zien dat het plangebied binnen een zone valt met een hoge verwachtingswaarde m.b.t. archeologie tussen 1,5 en 5 meter beneden maaiveld en een lage verwachtingswaarde. Er wordt gesteld dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij ingrepen in de bodem die dieper reiken dan 1,5 m én groter zijn dan 250 m2 ter plaatse van de hoge verwachtingswaarde. Ter plaatse van de lage verwachtingswaarde wordt gesteld dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij ingrepen in de bodem die dieper reiken dan 1,5 m én groter zijn dan 10.000 m2. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 2 woningen. Voor de realisatie van deze woningen zullen ingrepen in de bodem worden verricht. Deze ingrepen vallen echter binnen de gestelde onderzoeksgrenzen en archeologisch onderzoek is dan ook niet benodigd. 4.12.3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen vanuit het aspect ‘archeologie’.

4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.13.2 Onderzoek Om te bepalen wat de cultuurhistorische waarden binnen en rondom het plangebied zijn is allereerst gekeken naar de cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van Zuid-Holland. Op de kaart is te zien dat er binnen het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. In de omgeving zijn wel enkele cultuurhistorische elementen, zoals de Tiendwegse Molen met een molenbiotoop, de beschermde dorpskern van Giessenburg, enkele woonheuvels en een Donk met bewoningssporten met een provinciaal belang. Onderhavig plan heeft hier geen invloed op.

Daarnaast zijn er geen Rijksmonumenten binnen het plangebied en heeft het plan geen invloed op Rijksmonumenten in de omgeving. In het gebiedsprofiel Alblasserwaard-Vijfheerenlanden wordt aangegeven dat de linten in de Alblasserwaard veelal compact zijn en begrensd worden door het water. Daarbij zijn er zowel enkele linten, met de bebouwing aan één zijde van het water, als dubbele linten, waarbij de bebouwing aan beide zijden van het water staat. In sommige linten is de bebouwing op het water georiënteerd terwijl op andere locaties de bebouwing juist met de rug naar het water staat. Ze kennen een sterke oost-west orientatie. De nieuw te bouwen woningen en invulling van de kavels is conform de stedenbouwkundige richtlijn

Hoofdstuk 4

44

ontwikkelingsmogelijkheden Parallelweg, die mede gebaseerd is op het gebiedsprofiel Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. 4.13.3 Conclusie Het plangebied heeft geen cultuurhistorische waarde als gekeken wordt naar de CHW-kaart. Onderhavig plan heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden in de omgeving zoals aangegeven op deze kaart. De plannen voldoen aan het gebiedsprofiel Alblasserwaard-Vijfheerenlanden en de stedenbouwkundige richtlijn ontwikkelingsmogelijkheden Parallelweg. Het aspect ‘cultuurhistorie’ zal niet voor belemmeringen zorgen.

4.14 Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die worden genoemd in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport gemaakt moet worden. 4.14.1 Doorwerking en conclusie In voorgaande paragrafen zijn de voorgenomen activiteit en bijbehorende milieueffecten beschreven. De uitkomsten zijn zodanig dat geconcludeerd kan worden, dat een vormvrije m.e.r. beoordeling niet noodzakelijk is.

Hoofdstuk 4

45

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkelingen zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De regels zijn volledig gebaseerd op het geldende bestemmingsplan Buitengebied. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages, hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels.

Hoofdstuk 5

46

Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten):  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven. In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven.

Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen:  anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen met bijbehorende maatvoering. Daarnaast zijn regels opgenomen ten aanzien van bestaande afstanden en andere maten ingeval van strijdigheid met de nieuwe bestemmingsregels. Ook is hierin geregeld wanneer overschrijding van bouw- en bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwdelen is toegestaan. Tenslotte zijn regels opgenomen over parkeren.  algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd.  algemene aanduidingsregels: hier zijn regels opgenomen, die van toepassing zijn ter plaatse van enkele in het plan opgenomen gebiedsaanduidingen. Het gaat hier om de ‘Vrijwaringszone – laagvlieggebied’.

 algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van nietingrijpende gebruiks- en/of bouwactiviteiten. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.  algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen. De criteria,

Hoofdstuk 5

47

die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor elk bestemmingsplan verplichte overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de slotregel met daarin de citeertitel van de planregels.

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Tuin Deze bestemming betreft de voortuin van de kavel. Binnen deze bestemming zijn de gronden o.a. bestemd voor tuinen en erven, parkeren op eigen terrein, water en voorzieningen voor de waterhuishouding met bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De mogelijkheden om te bouwen zijn hier beperkt. Water De bestaande watergang in het plangebied heeft de bestemming ‘Water’ gekregen. Binnen deze bestemming zijn gronden bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging, watergangen etc. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd, maar uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals bruggen of watergebonden voorzieningen. Wonen De bestemming ‘Wonen’ is opgenomen voor de rest van het plangebied bedoeld voor de bouw van twee aaneengesloten woningen. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor wonen (met aan huis verbonden beroep), water, tuinen, erven, paden, parkeren en bijbehorende bouwwerken. Het hoofdgebouw is alleen toegestaan binnen het bouwvlak. In de bouwregels zijn eisen met betrekking tot de goot- en bouwhoogten, afstanden tot de perceelsgrenzen e.d. opgenomen. Waarde - Archeologische verwachting 5 De dubbelbestemming ‘Archeologische verwachting 5’ is opgenomen in het overgrote deel van het plangebied.

Deze dubbelbestemming beschermt de archeologische waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in verschillende gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig. Waarde - Archeologische verwachting 9 De dubbelbestemming ‘Archeologische verwachting 9’ is opgenomen in het noordoostelijke deel van het plangebied. Deze dubbelbestemming beschermt de archeologische waarden in het plangebied. Bij ingrepen in de bodem is in verschillende gevallen een aanvullende omgevingsvergunning nodig

Hoofdstuk 5

48

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid De ontwikkelaar beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. De planologische ontwikkeling leidt tot een waardevermeerdering van de grond. De kosten die initiatiefnemer maakt zijn een investering ten einde de waardevermeerdering te kunnen realiseren. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd is er sprake van een positief saldo. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. 6.1.2 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro.

Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Als sprake is van een bouwplan en kostenverhaal dus verplicht is, moet gelijktijdig met het besluit een exploitatieplan vastgesteld worden. Deze plicht vervalt als het gemeentelijk kostenverhaal anderszins is verzekerd. Artikel 6.12 lid 2 Wro bepaalt dat de gemeenteraad kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien: a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte of een anterieure overeenkomst over grondexploitatie) b.

het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen

Hoofdstuk 6

49

c.

het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is.

In voorliggend geval is sprake van een bouwplan en is kostenverhaal dus verplicht. Het kostenverhaal is geregeld via een anterieure overeenkomst.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro). 6.2.1 Participatie In het kader van participatie heeft overleg plaatsgevonden met de eigenaren van het perceel Parallelweg 108, waarop een agrarische bestemming rust. Uit dit gesprek is gebleken dat de eigenaren de mogelijkheden verkennen om het perceel te ontwikkelen ten behoeve van niet-agrarisch gebruik zonder hinder voor derden. In het kader van de Regionale Energie Strategie wordt beoogd de agrarische gronden ten zuiden van de Parallelweg 106,107 en 108 te gebruiken ten behoeve van een zonnepark. Op dit moment vind, vanuit een positieve intentie, een verdere verkenning van die mogelijkheden plaats in gesprekken tussen betreffende eigenaren, de gemeente en andere stakeholders (in het bijzonder het Waterschap). Eigenaren hebben geen bezwaren tegen de bouw van de nieuwe woningen als de huidige agrarische gebruiksrechten maar behouden blijven en er geen beperkingen optreden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.

Verwezen wordt naar paragraaf 4.5 waar is geconcludeerd dat het onderhavige plan niet zal leiden tot (verdere) beperking van de bedrijfsvoering van het betreffende agrarische bedrijf. Ook vormt het onderhavige plan geen belemmering voor de komst van een zonnepark. 6.2.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan heeft 6 weken ter inzage gelegen voor zienswijzen en wordt aan de Raad aangeboden ter vaststelling.

Hoofdstuk 6

50

6.2.4 Beroep / hoger beroep Het bestemmingsplan wordt na vaststelling voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden, die een zienswijze hebben ingediend tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Hoofdstuk 6

51

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Stikstofonderzoek Bijlage 4: Wateraspect Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek

Parallelweg 106 en 107

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 11

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

13

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7

Tuin Water Wonen Waarde - Archeologische verwachting 5 Waarde - Archeologische verwachting 9

13 15 16 19 21

Hoofdstuk 3

Algemene regels

23

Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels

23 24 25 26 27 28 29

Hoofdstuk 4

Overgangs- en Slotregels

30

Artikel 15 Artikel 16

Overgangsrecht Slotregel

30 31

2

Bestemmingsplan "Parallelweg 106 en 107" (vastgesteld)

REGELS

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Begrippen

plan

het bestemmingsplan 'Parallelweg 106 en 107' van de gemeente Hardinxveld-Giessendam. 1.2

bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0523.BP2022PARALLEL106-VA01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen); Verdere begrippen in alfabetische volgorde: 1.3

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4

aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5

aan huis verbonden bedrijf

een bedrijf dat in een (gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten door de bewoner van de woning; 1.6

aan huis gebonden beroep

een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. In bijlage 1 staat beschreven welke beroepen hier onder worden verstaan; 1.7

achtererfgebied

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijke gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.8

afwijking

het afwijken van de planregels, als bedoeld in artikel 3.6 eerste lid onder c van de Wet ruimtelijke ordening;

4

Bestemmingsplan "Parallelweg 106 en 107" (vastgesteld)

1.9

archeologisch deskundige

een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige met een aantoonbare specifieke deskundigheid op het gebied van de archeologische monumentenzorg; 1.10

archeologische verwachtingswaarde

de aan een gebied toegerekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten; 1.11

archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten; 1.12

bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.13

bebouwingspercentage

het percentage, dat de grootte van (een deel van) het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd; 1.14

bestaand

a. bij bouwwerken: bebouwing aanwezig of legaal in aanbouw ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel bebouwing die nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend; b. bij gebruik: het gebruik dat bestaat ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; 1.15

bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak; 1.16

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17

bijbehorende bouwwerken

uitbreiding van een hoofgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.18

bijgebouw

een op zich zelfstaand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

Bestemmingsplan "Parallelweg 106 en 107" (vastgesteld)

5

1.19

bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.20

bouwgrens

de grens van een bouwvlak; 1.21

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.22

bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel; 1.23

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.24

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.25

buitenopslag

het in open lucht opslaan of opgeslagen houden van gerede of ongerede goederen, materialen, werktuigen, machines of gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan; 1.26

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.27

erf

het al dan niet bebouwde perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en binnen het bestemmingsvlak, maar buiten het bouwvlak ligt; 1.28

erker

een grondgebonden uitbouw van het hoofdgebouw van een woning gelegen in of vóór het verlengde van de voorste bouwgrens van het hoofdgebouw;

6

Bestemmingsplan "Parallelweg 106 en 107" (vastgesteld)

1.29

evenement

een voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak van maximaal 7 dagen, die in de openbare ruimte wordt gehouden; 1.30

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.31

gebruik(-en)

gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven; 1.32

halfverharding

Water doorlatende verharding, bestaande uit onsamenhangend materiaal. Voorbeelden van verhardingsmaterialen zijn grind, gebroken puin (menggranulaat) en gebroken natuursteen. Naast steen komen zand, grind, leem, hout, houtsnippers, boomschors en schelp voor in de samenstelling van halfverhardingen. 1.33

hoofdgebouw

een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.34

horecabedrijf

een bedrijf dat of instelling die in zijn algemeenheid is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, op het ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en/of op het exploiteren van zaalaccommodatie, een en ander al dan niet in combinatie . In deze regels worden onder horecabedrijf uitsluitend de volgende specifieke vormen daarvan begrepen: a. hotel: een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is; b. restaurant: een bedrijf gericht op het voor gebruik ter plaatse verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren alsmede het verstrekken van alcoholische dranken; het accent ligt op het ter plaatse nuttigen van ter plaatse bereide etenswaren; c. dagzaak: een bedrijf, dat qua openingstijden vergelijkbaar is met detailhandelsvestigingen, althans geen latere sluitingstijd dan 22.00 uur heeft, en dat is gericht op het ter plaatse rechtstreeks aan de verbruiker verstrekken van niet-alcoholische dranken alsmede de verkoop van al dan niet ter plaatse bereide, kleine etenswaren, waarbij het accent ligt op de verkoop van niet-alcoholische dranken, zoals een dagcafé, lunchroom, koffiehuis of theehuis en ijssalon; d.

afhaalcentrum: een bedrijf gericht op het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereide etenswaren; het accent ligt op de verkoop van ter plaatse bereide etenswaren; e. cafetaria/snackbar: een bedrijf gericht op het verstrekken aan de verbruiker van en het al dan niet ter plaatse gebruiken van al dan niet ter plaatse bereide, kleine etenswaren; het accent ligt op de verkoop van al dan niet ter plaatse bereide, kleine etenswaren; f. cafés, bars, avond- en nachtgelegenheid: een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en waarvan het sluitingsuur later dan 22.00 uur ligt; g. discotheek: een bedrijf, dat in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en/of het gelegenheid bieden voor dansen en waarvan het sluitingsuur later dan 22.00 uur

Bestemmingsplan "Parallelweg 106 en 107" (vastgesteld)

7

ligt; h. zalencentrum: een bedrijf gericht op het verhuren van zalen ten behoeve van congressen, seminars, bruiloften en partijen of daarmee gelijk te stellen activiteiten. 1.35

huishouden

een persoon of groep personen, die een duurzame, gemeenschappelijke huishouding voer(t)(en) en wil(len) voeren. Hierbij moet sprake zijn van onderlinge, met een gezinsverband vergelijkbare, verbondenheid en continuïteit in de samenstelling. kamer(ver)huur wordt hieronder niet begrepen; 1.36

kampeermiddel

tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.37

kruin van de weg

het hoogste punt in het dwarsprofiel van de weg ten tijde van de aanleg van de weg, dan wel na reconstructie van de weg; 1.38

normaal onderhoud, gebruik en beheer

een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt; 1.39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/715/documents/23190