CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - BP Parallelweg 106 & 107 Toelichting en Regels.pdf

Gemeenteraad GHG 20 oktober 2022, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 15: Vaststellen Bestemmingsplan Parallelweg 106 & 107 - Raadsvoorstel23.974 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Parallelweg 106 en 107 te Hardinxveld-Giessendam Gemeente Hardinxveld-Giessendam Vastgesteld

Bestemmingsplan Parallelweg 106 en 107 te Hardinxveld-Giessendam Gemeente Hardinxveld-Giessendam Vastgesteld

Rapportnummer:

P04696

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.0523.BP2022PARALLEL106-VAO1

Datum:

26 augustus 2022

Opdrachtgever:

Particulier

Projectteam BRO:

WdR, LvK

Concept:

januari 2022

Voorontwerp:

--

Ontwerp:

februari 2022, maart 2022

Vaststelling:

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

TOELICHTING

Inhoudsopgave

pagina

1.INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 4 6 7

2.PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

8 8 8

3.BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

11 11

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

11 12 12 13

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 3.3 Regionaal beleid

13 15 16

3.3.1 Woonvisie 2017‐2031 'Goed wonen in de Drechtsteden’ 3.4 Gemeentelijk beleid

16 17

3.4.1 Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam 3.4.2 Nota Wonen 2012-2022 gemeente Hardinxveld-Giessendam

17 18

4.MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding 4.2 Verkeer en parkeren

20 20 20

4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.3 Geluid

20 20 21

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Luchtkwaliteit

21 22 23 24

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie

24 24 25

Inhoudsopgave

1

4.5 Bedrijven en milieuzonering

25

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid

25 25 27 28 28

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Verantwoording groepsrisico 4.7.4 Conclusie 4.8 Natuur

28 29 30 31 31

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Stikstof

31 33 34 36

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Bodem

36 36 36 37

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Water

37 37 38 38

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Archeologie

38 39 42 43

4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Cultuurhistorie

43 43 44 44

4.13.1 Toetsingskader 4.13.2 Onderzoek 4.13.3 Conclusie 4.14 Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling

44 44 45 45

4.14.1 Doorwerking en conclusie

45

5.JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

Inhoudsopgave

46 46 46 48

2

6.UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid

49 49

6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49 49 50

6.2.1 Participatie 6.2.2 Vooroverleg 6.2.3 Vaststellingsprocedure 6.2.4 Beroep / hoger beroep

50 50 50 51

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Stikstofonderzoek Bijlage 4: Wateraspect Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens op het perceel Parallelweg 106 en 107 te Hardinxveld-Giessendam twee aaneengebouwde woningen op te richten. De bouw hiervan is op basis van het geldende bestemmingsplan niet mogelijk. Burgemeester en wethouders van Hardinxveld-Giessendam hebben (onder voorwaarden) op 23 september 2021 een positief principebesluit genomen ten aanzien van het initiatief. De voorgestane ontwikkeling dient mogelijk te worden gemaakt door middel van een herziening van het bestemmingsplan. Hiertoe is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied van Giessendam – Neder-Hardinxveld in de gemeente Giessendam – Hardinxveld. Giessendam – Neder-Hardinxveld is een dubbeldorp in de Alblasserwaard, dat sinds 1957 samen met het dorp Boven-Hardinxveld de gemeente Hardinxveld-Giessendam vormt. De gemeente ligt in de provincie Zuid-Holland ten oosten van gemeente Dordrecht en ten westen van de gemeente Gorinchem en telt ongeveer 17.800 inwoners. Ten noorden van het plangebied loopt de Merwede-Lingelijn (spoorlijn) en de watergang Giessen en ten zuiden van het plangebied de A15 (Rijksweg), rivier Beneden Merwede en het Kanaal van Steenenhoek. Het plangebied zelf maakt deel uit van de tuin van de woning Parallelweg 109. In het noorden wordt het plangebied begrensd door een sloot die parallel aan de Parallelweg loopt. In het oosten wordt het plangebied begrensd door het zijdelingse perceel Parallelweg 109. Ten westen van het plangebied bevindt zich de toegangsweg naar de woning Parallelweg 108. Deze woning bevindt zich ten zuiden van het plangebied. Het plangebied maakt deel uit van het kadastrale perceel Hardinxveld-Giessendam, sectie L, nummer 366. Het plangebied beslaat een oppervlak van circa 1.250 m 2. Luchtfoto’s met de ligging en de grenzen van het plangebied zijn weergegeven in figuur 1.1 en 1.2. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.

Hoofdstuk 1

4

Hardinxveld-Giessendam

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: PDOK Viewer)

Figuur 1.2: Globale begrenzing plangebied (bron: PDOK Viewer)

Hoofdstuk 1

5

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor onderhavig plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld d.d. 28 april 2016) vigerend. In dit bestemmingsplan zijn voor onderhavig plangebied de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ opgenomen. Daarnaast heeft het gebied deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 5’ en deels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch verwachting 9’. Een uitsnede van de verbeelding is weergegeven in figuur 1.3.

Figuur 1.3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’

In dit bestemmingsplan is opgenomen dat binnen de bestemming ‘Wonen’ alleen hoofdgebouwen gerealiseerd mogen worden binnen het bouwvlak. De geplande twee woningen op dit perceel vallen niet binnen de grenzen van het bestaande bouwvlak, waardoor ze niet gerealiseerd kunnen worden binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast worden de woningen deels voorzien binnen de bestemming ‘Tuin’. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a) Tuinen en erven; b) Parkeren op eigen terrein c) Water en voorzieningen voor de waterhuishouding d) Het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van cultuurhistorische waarden ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarden’; e) Een openbaar toegankelijk wandelpad ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – wandelpad’; f) Bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het is dus niet mogelijk om binnen deze bestemming woningen te realiseren. Om onderhavig plan juridisch-planologisch mogelijk te maken is dus een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Onderhavig document geeft hier invulling aan.

Hoofdstuk 1

6

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Hardinxveld-Giessendam, aan de Parallelweg. De Parallelweg is een karakteristiek, beeldbepalend lint in de gemeente. Een ‘lint’ is een lijnvormig bebouwingspatroon langs wegen, water of dijken met een sterke relatie tot het omliggende landschap. Karaktereigenschap van linten is, dat de bebouwing zich geleidelijk en over vele jaren heeft ontwikkeld waardoor de historie erin is af te lezen. Bepalend voor de ruimtelijke kwaliteit van het lint is een bepaalde (maximale) korrelgrootte van bebouwing, een typisch profiel met beperkte bandbreedte in de positie van bebouwing ten opzichte van de weg, transparantie tussen de bebouwing waardoor het achterliggend landschap ervaarbaar is en een bebouwingsopzet en -typologie die in lijn is met het ontstane (historische) patroon. Het plangebied is momenteel in dienst als tuin voor de woning Parallelweg 109. Momenteel bevindt er zich op het plangebied een vijver en schapenweide. Het plangebied wordt deels door een aftakking van de voor het plangebied gelegen sloot gescheiden van de gronden waarop de woning Parallelweg 109 is gelegen. In figuur 2.1 is een impressie van de huidige situatie weergegeven.

Figuur 2.1 Huidige situatie

2.2 Toekomstige situatie De gewenste ontwikkeling betreft de realisatie van een twee aaneengebouwde woningen met bijbehorende bijgebouwen en parkeervoorzieningen. De bestaande vijver zal worden gedempt om ruimte te maken voor de woningen.

Hoofdstuk 2

8

Ontwikkelingen aan de Parallelweg dienen in overleg met de gemeente tot stand te worden gebracht, waarbij de stedenbouwkundige aanvaardbaarheid van elk initiatief individueel wordt afgewogen. De afwegingscriteria hebben betrekking op:  de ruimtelijke opzet van het lint;  voldoende afstand tot belendende percelen en afstemming daarmee;  de bebouwingsopzet (typologie, volume, hoogte);  kapvorm en richting;  erftoegang en (voldoende) parkeren op eigen terrein. Ruimtelijke opzet van het lint Het lint wordt ter hoogte van de locatie gekenmerkt door de afwisseling van een clustering aan gebouwen en open ruimtes die zicht geven op het achterliggende landschap. Parallelweg 109 vormt samen Parallelweg 110 en 111 als het ware een cluster. Het initiatief zou de open ruimte tussen dit cluster en de Parallelweg 105 opvullen. Op de locatie wordt het zicht op het achterliggende landschap al doorbroken door een achterliggende schuur. De twee aaneengebouwde woningen zijn zo gepositioneerd dat de nog aanwezige zichtlijn zoveel mogelijk wordt gehandhaafd. Voldoende afstand tot belendende percelen en afstemming daarmee Het perceel wordt in het westen, noorden en (deels) oosten begrensd door water. Dit zorgt voor een eerste aanzet voor voldoende afstand met de belendende percelen.

Hiermee wordt voldaan aan het advies om vanaf de westelijk en oostelijk gelegen perceelgrenzen minimaal 3 meter afstand te houden. De bebouwingsopzet (typologie, volume, hoogte) De gemeente heeft geadviseerd om een maximale goothoogte van 6 meter en een maximale nokhoogte van 10 meter te hanteren. Daarnaast is in overleg goedgekeurd om een maximaal totaal volume van 1.275 m3 voor de woningen aan te houden. Voor bijbehorende bouwwerken wordt voor overkappingen 30m2 oppervlakte en voor bijgebouwen 80m 2 oppervlakte aangehouden. Het gehele bouwblok zal daarbij een maatvoering hebben van 14 meter diep en 16 meter breed. Deze maatgevingen zijn in acht genomen voor het ontwerp van de twee aaneengebouwde woningen. Eventuele afwijkingen van deze maten worden in overleg met de gemeente en stedenbouwkundige vastgelegd. Kapvorm en de richting Geadviseerd is, gezien de te handhaven zichtlijn op het achterliggende landschap, om de kopgevel naar de straat te richten. Hieraan wordt voldaan. De kap betreft een asymmetrische dwarskap die op de hoogste, gelijke dakvoet geschakeld is. De gemeente heeft aangegeven dat, alhoewel deze samengestelde kapvorm momenteel niet voorkomt in het lint van de Parallelweg, er wel een rijke diversiteit in kapvormen en afwisseling van langs- en dwarskappen is waar deze opzet in past.

Erftoegang en (voldoende) parkeren op eigen terrein Het plangebied zal worden ontsloten via een nieuw te realiseren brug. Deze brug (inclusief nieuw aan te leggen nutsvoorzieningen) zal zo worden gerealiseerd dat een minimale doorvaartbreedte van 2,25 meter in stand wordt gehouden en een minimale doorvaarthoge van 0,9 meter (zomerpeil). Daarnaast wordt ook voorzien in voldoende parkeren op eigen terrein. In figuur 2.2 is een aantal beelden van het planvoornemen weergegeven.

Hoofdstuk 2

9

Figuur 2.2 Toekomstige situatie

Hoofdstuk 2

10

3.

BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Deze is vastgesteld op 9 september 2020. De NOVI is vastgesteld op grond van de huidige regelgeving (dus als structuurvisie) en zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden als Nationale omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die met uitzondering van paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone is komen te vervallen. Daarnaast vervangt de NOVI delen van het Nationaal Waterplan, de Natuurvisie en het Nationaal Milieubeleidsplan. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving.

Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1) combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2) kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3) afwentelen wordt voorkomen. Doorwerking plangebied Het toestaan van twee aaneengebouwde woningen in het buitengebied van Hardinxveld-Giessendam heeft geen nationaal belang en het rijksbeleid vormt dan ook geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

Hoofdstuk 3

11

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavig bestemmingsplan is dus in overeenstemming met het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen.

De ladder ziet toe op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling moet een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een tweetal opeenvolgende treden (de “ladder voor duurzame verstedelijking”): 1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten; 2. indien uit de beschrijving, bedoeld in trede 1, blijkt dat sprake is van een behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Doorwerking plangebied Bij onderhavig plan worden twee woningen mogelijk gemaakt.

Aangezien de omvang erg beperkt is, is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening. Om deze reden is de ladder van duurzame verstedelijking niet van toepassing op onderhavig plan.

Hoofdstuk 3

12

3.2 Provinciaal beleid Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen.

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden (en sindsdien voor het laatst 7 augustus 2021 is geconsolideerd), omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd:  Naar een klimaatbestendige delta.  Naar een nieuwe economie: the next level.  Naar een levendige meerkernige metropool.  Energievernieuwing.  Best bereikbare provincie.  Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid, per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Doorwerking plangebied Op basis van de Omgevingsvisie Zuid-Holland is er aantal thema’s waarbinnen het plangebied valt. Onderstaande thema’s zijn relevant voor onderhavige ontwikkeling. Kaart 45: Toekomstbestendig bouwen De provincie wil zorgen voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied dat zorgt voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving.

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient (in toenemende mate):  energieneutraal te zijn, door optimaal in te zetten op besparing van elektriciteits- en warmte/koeltevraag, het benutten van rest- en aardwarmte en zoveel mogelijk in eigen (lokale) hernieuwbaar opgewekte elektriciteit te voorzien.

Hoofdstuk 3

13

 

klimaatbestendig en waterrobuust te zijn ook op slappe ondergrond. Daarmee wordt bedoeld dat het nieuw ingerichte gebied en de omgeving goed blijft functioneren in extreme weersomstandigheden. Klimaatadaptief bouwen is daarom de norm in Zuid-Holland. uit te gaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteiten variatie aan biotopen voor de stedelijke soorten in het bebouwde gebied duurzaam te behouden en te versterken. circulaire oplossingen te bieden bij realisatie en beheer door een verantwoord materiaalgebruik en het hanteren van de ontwerpprincipes modulariteit en losmaakbaarheid, zodat er kan worden ingespeeld op een veranderde behoefte in de toekomst. gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen; die een gezonde leefstijl ondersteunt, met een beweegvriendelijke leefomgeving voor sport en beweging stimuleert en waarin een goede milieukwaliteit wordt beschermd en bevorderd.

In ruimtelijke visies en plannen wordt opgenomen hoe ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering en invulling wordt gegeven aan energieneutraliteit, natuurinclusiviteit, circulariteit en een gezonde bebouwde leefomgeving. Doorwerking In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuhygienische randvoorwaarden die van toepassing zijn op de ontwikkeling. Hieruit kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van de planontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat en daarmee een gezonde bebouwde leefomgeving. Tevens wordt klimaatneutraal te bouwen door de toenemende verharding te compenseren en mogelijkheden in te passen om het hemelwater te bergen. Kaart 54: Stedelijke ontwikkeling De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid.

De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen:  Bouw naar behoefte ;  Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied;  Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties  Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten;  Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving. Als een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ doorlopen. Toepassing van de ladder is ook van provinciaal belang. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Het eindoordeel over stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied ligt bij de provincie. Deze worden door de provincie afgewogen en afhankelijk daarvan opgenomen op de 3 hectare kaart.

Hoofdstuk 3

14

Doorwerking De ontwikkeling wordt gerealiseerd in het bestaande bebouwingslint aan de Parallelweg met inachtneming van de landelijke kwaliteiten en bebouwingsprincipes die ter plaatse gelden (zie paragraaf 2.2). Kaart 58: Wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van woningcorporaties. Gemeenten maken daartoe in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's. Tot de doelgroepen van woningcorporaties behoren personen die door hun lage inkomen (primaire en secundaire doelgroep) of andere omstandigheden (bijzondere doelgroep) moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting. Tot de bijzondere doelgroep behoren tenminste mensen met een laag inkomen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang of beschermd wonen, urgent woningzoekenden, ouderen, vergunninghouders, arbeidsmigranten, ex-gedetineerden, jongeren en studenten en woonwagenbewoners. Doorwerking In de paragrafen 3.3.1 en 3.4.2 wordt het regionaal en gemeentelijk woonbeleid uitgewerkt. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen woningbouwontwikkeling binnen de kaders en randvoorwaarden van het beleid valt.

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 20 februari 2019 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 april 2019 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:  De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is.

In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.  Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is.

Hoofdstuk 3

15

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1) Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2) Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3) Transformatie.

Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Doorwerking plangebied Gelet op het beoogde plan is hier sprake van een aanpassing als bedoeld in artikel 6.9 van de omgevingsverordening Zuid-Holland. Zoals in paragraaf 2.2 toegelicht wordt rekening gehouden met (bestaande) kwaliteit van het plangebied en worden de ruimtelijke afwegingskaders in acht genomen.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Woonvisie 2017‐2031 'Goed wonen in de Drechtsteden’ Eind 2017 is de regionale ‘Woonvisie 2017-2031 – goed wonen in de Drechtsteden’ vastgesteld. In deze visie worden op grond van verschillende onderzoeken de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwopgaven benoemd. De Drechtstedengemeenten hebben in de regionale woonvisie twintig afspraken gemaakt. In hoofdlijn gaat het om de volgende uitgangspunten:  we bouwen 10.000 woningen voor de autonome huishoudensgroei  we bouwen 15.000 woningen voor de groeiopgave  we zetten in op de groei van het duurdere segment  we kiezen voor de sociale huurwoningvoorraad voor een pas-op-de-plaatsbeleid  we ontwikkelen een gezamenlijke strategie om beleggers te stimuleren om in de vrije huursector te investeren  we realiseren onderscheidende woonmilieus  in 2035 is de gebouwde omgeving in de Drechtsteden energieneutraal  we werken samen met betrokken partners aan het duurzaam huisvesten van kwetsbare huishoudens.

Hoofdstuk 3

16

Doorwerking plangebied Met de voorgestane ontwikkeling worden twee woningen in een rustige groene omgeving mogelijk gemaakt. Hiermee wordt invulling gegeven aan de woningbouwopgave in de regio alsmede de ambitie om woningen te realiseren binnen onderscheidende woonmilieus. Ter plaatse is sprake van een onderscheidend woonmilieu, waarbij twee woningen in het landelijk gebied aan de bebouwingslint Parallelweg worden gerealiseerd. De woningen zullen aan het water komen te liggen, met een brug ter ontsluiting.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam De gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft op 19 januari 2015 de ‘Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam’ vastgesteld. In deze structuurvisie laten de burgemeester en wethouders zien hoe zij de toekomstige inrichting van de gemeente zien. Doorwerking plangebied Onderdeel van deze structuurvisie is de structurenkaart. Een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 3.1. Op de kaart is te zien dat het plangebied binnen de structuur ‘Wijken en buurten’ is gelegen. Binnen deze structuur wil de gemeente de woningvraag opvangen. Dit onderdeel zal dus geen belemmeringen hebben voor de ontwikkeling van onderhavig plan.

Figuur 3.1 Uitsnede Structuurvisiekaart

Hoofdstuk 3

17

3.4.2 Nota Wonen 2012-2022 gemeente Hardinxveld-Giessendam Op 23 februari 2012 heeft de gemeente Hardinxveld-Giessendam de Nota Wonen 2012-2022 vastgesteld. De Nota Wonen 2012-2022:  is bedoeld om een zo actueel mogelijk woonbeleid te formuleren;  geeft inzicht in ontwikkelingen en trends op de lokale woningmarkt;  formuleert ambities voor het woonbeleid voor de periode 2012-2022;  bevat een (flexibel) bouwprogramma;  bevat een uitvoeringsparagraaf, waarin de doelen SMART worden geformuleerd;  besteedt integraal aandacht aan wonen, welzijn en zorg;  is een toetsingskader voor projecten;  fungeert als basis voor de op te stellen structuurvisie en de nieuwe prestatieafspraken met Omnivera;  maakt het mogelijk dat de Nota Wonen jaarlijks eenvoudig kan worden geactualiseerd. Het gewenste beeld voor de gemeente Hardinxveld-Giessendam op het gebied van wonen wordt als volgt geformuleerd: Hardinxveld-Giessendam is in 2022 een gemeente die voorziet in de behoefte van de lokale bevolking. De gemeente staat ook open voor de opvang van de behoefte van de gemeenten in de regio die hun lokale behoefte onvoldoende kunnen opvangen. Met de hulp van Omnivera worden de bijzondere doelgroepen adequaat gehuisvest. Dit betekent dat ook de minder krachtige doelgroepen, die niet zelfstandig in goede huisvesting kunnen voorzien, veilig en prettig in de gemeente kunnen wonen.

Door een groter aanbod van betaalbare woningen is het voor jongeren en jonge gezinnen die dat willen, mogelijk om in de gemeente te (blijven) wonen. De beperking van het vertrek van deze groepen uit de gemeente heeft geleid tot meer draagvlak voor de voorzieningen. De beide kernen van de gemeente zijn leefbaar omdat de gemeente oog heeft voor duurzaamheid en leefbaarheid van de kernen. De nieuwbouw van woningen is een belangrijk instrument om de knelpunten van de diverse groepen te verminderen. Het woningbouwprogramma voor de komende vijf jaar wordt als volgt vastgesteld:  De omvang bedraagt gemiddeld per jaar tussen de 50 en 100 woningen. De ondergrens vloeit voort uit Primos 2009.

De argumenten voor de bovengrens zijn: o voorsorteren op een mogelijk tekort aan woningbouwmogelijkheden van de gemeente Sliedrecht; o het eventueel aantrekken van de woningmarkt; o het eventueel huisvesten van arbeidsmigranten, na het vaststellen van de behoefte; o mogelijkheden die worden geboden in de provinciale structuurvisie en de positie van Hardinxveld-Giessendam in de structuurvisie;  Van dit totale programma behoren tussen de 30 woningen (bij het totaal van 50 woningen) en 50 woningen (bij het totaal van 100 woningen) tot de sociale sector;  Binnen de sociale sector zijn de huurwoningen en (goedkope) koopwoningen uitwisselbaar;  Het percentage meergezinswoningen bedraagt maximaal 20%16. Deze woningen worden vooral gebouwd in de woonzorgzones.

Hoofdstuk 3

18

Het jaarlijkse woningbouwprogramma van de gemeente Hardinxveld-Giessendam ziet er dus als volgt uit:

Figuur 3.4: Jaarlijks woningbouwprogramma

Doorwerking plangebied In de Nota Wonen wordt de invulling van de Parallelweg niet direct genoemd. Wel kan de inbreidingslocatie op de Parallelweg 106 en 107 worden gebruikt om de woningbouwbehoefte voor een deel op te lossen. De gemeente wil namelijk jaarlijks zo’n 100 woningen realiseren. De ontwikkeling die met onderhavig plan wordt mogelijk gemaakt geeft hier voor een deel invulling aan. Tevens wordt er voorzien in een woning voor een jonge doelgroep (jonge gezinnen) die anders de gemeente zouden moeten verlaten. Op basis van het bovenstaande is het plan in lijn met de uitgangspunten van de Nota Wonen 2012-2022 van de gemeente Hardinxveld-Giessendam.

Hoofdstuk 3

19

4.

MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE ASPECTEN 4.1 Inleiding Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. Hierbij dient te worden onderzocht welke milieuhygiënische aspecten daarbij een rol spelen. In dit hoofdstuk worden de verschillende voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten behandeld.

4.2 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader Op 8 mei 2012 is in opdracht van de gemeente Hardinxveld-Giessendam het ‘Verkeer- en Vervoersplan 2012-2022’ opgesteld. Hierin is o.a. de ontstaansgeschiedenis en de huidige situatie van het verkeer in de gemeente beschreven, maar ook de ambities, het programma en het beleid van de gemeente Hardinxveld-Giessendam op het gebied van verkeer en parkeren. In dit verkeer- en vervoersplan is geen beleid opgenomen wat specifiek betrekking heeft op onderhavig plangebied. Wel zal bij alle ruimtelijke ontwikkelingen gekeken moeten worden wat dit voor invloed kan hebben op de verkeersdrukte op de ontsluitingswegen en of voldaan kan worden aan de parkeernorm. In het GVVP is opgenomen, dat de actuele parkeernormen moeten worden gehanteerd conform de CROW publicatie 381 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Voor woningen gelegen in ‘weinig stedelijk gebied’ c.q. ‘buitengebied’ geldt een parkeernorm van maximaal 2,7 parkeerplaatsen per woning. In het verkeer- en vervoersplan zijn geen kengetallen opgenomen voor de verkeersgeneratie van een bepaalde functie. Om te weten te komen wat de toename van het verkeer zal zijn door onderhavige ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de CROW kengegevens. 4.1.2 Onderzoek Verkeer In de huidige situatie is binnen de grenzen van het plangebied één vrijstaande woning toegestaan.

In de nieuwe situatie komen hier twee woningen bij. Om te weten te komen wat de toename van het verkeer zal zijn door onderhavige ontwikkeling is gebruik gemaakt van de CROW kengegevens. Voor de twee aaneengebouwde woningen in het buitengebied in een weinig stedelijk gebied geldt een verkeersgeneratie van gemiddeld 7,8 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. In totaal worden afgerond 16 motorvoertuigbewegingen gegenereerd. Aangezien dit een zeer beperkte toename betreft kan het omliggend wegennetwerk deze extra bewegingen goed opvangen. Een toename van 16 motorvoertuigenbewegingen per etmaal zal niet tot nauwelijks merkbaar zijn. De toename is zo beperkt

Hoofdstuk 4

20

dat geen maatregelen aan de weg getroffen hoeven worden. De Parallelweg is namelijk een erftoegangsweg, is gelegen buiten de bebouwde kom en kent een maximumsnelheid van 60 km/h. De woningen zullen via een nieuw aan te leggen brug worden ontsloten op de openbare weg. Parkeren Op basis van de CROW kencijfers zijn maximaal 2,7 parkeerplaatsen per woning benodigd. In totaal zijn er dan (afgerond) 6 parkeerplaatsen benodigd. Op het eigen terrein is voldoende ruimte beschikbaar om in deze parkeerplaatsen te voorzien. Op onderstaande afbeelding is te zien dat in totaal 6 parkeerplaatsen op het terrein worden voorzien en waar deze parkeerplaatsen zich zullen bevinden.

Figuur 4.1 Parkeerplaatsen

4.3 Geluid 4.3.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg.

Hoofdstuk 4

21

De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Aantal rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient via een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie

Maximale ontheffingswaarde

Artikel

Stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

63 dB

Artikel 83, lid 2 Wgh

Vervangende nieuwbouw

68 dB

Artikel 83, lid 5 Wgh

Buiten stedelijk gebied 

Nieuwe woningen

53 dB

Artikel 83, lid 1 Wgh

Agrarische bedrijfsbebouwing

58 dB

Artikel 83, lid 4 Wgh

Vervangende nieuwbouw

58 dB

Artikel 83, lid 7 Wgh

Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van

63 dB

Artikel 83, lid 6 Wgh

een autoweg of autosnelweg

*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.

4.3.2 Onderzoek Initiatiefnemer heeft het voornemen om ter plaatse van het perceel aan de Parallelweg naast nummer 109 een tweetal woningen te realiseren. De gewenste woningen vormen (nieuwe) geluidgevoelige objecten, waardoor een onderzoek naar het railverkeerslawaai en het wegverkeerslawaai afkomstig van de (spoor)wegen in de omgeving nodig is. Dit onderzoek is uitgevoerd door de Roever. Er is onderzocht wat de geluidbelasting door het railverkeer en wegverkeer in de omgeving op de te realiseren woningen is. Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Voor het gehele onderzoek wordt naar de bijlagen verwezen.

Hoofdstuk 4

22

Dove gevels Uit het onderzoek is gebleken dat de voorgevels van de gewenste woningen (alle verdiepingen) uitgevoerd moeten worden als ‘dove’ gevels. Dit is noodzakelijk omdat niet aan de maximaal te ontheffen grenswaarde van 53 dB vanwege de Parallelweg kan worden voldaan. De benodigde dove gevels (voorgevels) van de woningen zullen worden geborgd in het bestemmingsplan (regels). Hogere waarden Een hogere waarde is nodig voor de nieuwe woningen vanwege het geluid afkomstig van de spoorlijn Merwede-Lingelijn (railverkeerslawaai) en de Parallelweg (wegverkeerslaai). Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig. Daarnaast blijkt dat aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid kan worden voldaan. Het verlenen van hogere waarden wordt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten in dit akoestisch onderzoek, mogelijk geacht. Cumulatie Aangezien voor zowel railverkeerslawaai als wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, is cumulatie op basis van de wet Wgh nader onderzocht. Hieruit blijkt een gecumuleerde geluidbelasting van maximaal 64 dB. Benodigde gevelwering De gecumuleerde geluidbelasting van weg- en railverkeer bedraagt ten hoogste 64 dB ter plaatse van de voorgevels van de gewenste woningen. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 64 – 33 = 31 dB.

De gevelwering per geveldeel kan berekend worden door de geluidbelasting te verminderen met het gewenste binnen niveau (33 dB). Het bevoegd gezag zal bepalen of een nader onderzoek naar de geluidwering van de desbetreffende gevels noodzakelijk is. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit voor de beoogde woningen wordt geclassificeerd als ‘goed’ tot ‘tamelijk slecht’. Er kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting van weg- en railverkeer een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Daarnaast wordt voldaan aan de gestelde eisen uit het gemeentelijk beleid. 4.3.3 Conclusie Er kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting van weg- en railverkeer een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.

Hoofdstuk 4

23

4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;  het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.4.2 Onderzoek Regeling NIBM De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling (twee woningen) valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). De onderhavige ontwikkeling is dan ook niet in betekenende mate van invloed op de omgeving. Dat betekent, dat een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk is en er voor wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn voor de voorgestane ontwikkeling. Achtergrondconcentraties Om aan te tonen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat is gekeken naar de achtergrondwaarden ter plaatse van het plangebied. Deze waarden kunnen achterhaald worden middels de NSLmonitoringstool. De achtergrondwaarden van de dichtstbijzijnde meetpunten zijn in onderstaande tabel weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden aan stikstof en fijnstof ruim onder de norm liggen. Er is dan ook sprake van een goed leef- en verblijfsklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10 overschrij-

PM2.5 μg/m3

Jaar

dingsdagen 716983

26.9

19.1

6.9

11.5

2020

727773

28.2

19.2

7.0

11.6

2020

696119

26.1

18.8

6.7

11.4

2020

687576

27.2

19.0

6.8

11.5

2020

Norm

40

40

35

25

Hoofdstuk 4

24

4.4.3 Conclusie Wat betreft de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte initiatief.

4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.5.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 1. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.5.2 Onderzoek Invloed omgeving op initiatief In de huidige situatie heeft het plangebied de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’. In de toekomstige situatie zal een deel van de bestemming ‘Tuin’ worden herbestemd tot ‘Wonen’ ten behoeve van de twee nieuwe woningen die hier gerealiseerd worden. Hierdoor wordt het bestemmingsvlak met de geluidsgevoelige woningen groter.

Om deze reden is naar de omliggende bedrijven en de desbetreffende richtafstanden gekeken. De ligging van de bedrijven in de omgeving is weergegeven in figuur 4.2. 1

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

25

16

Figuur 4.2 Ligging bedrijven in omgeving (plangebied rood omrand)

In totaal zijn er 16 verschillende bedrijfslocaties in de omgeving die milieucontouren kunnen hebben die binnen het plangebied vallen. Deze bedrijven zijn in de navolgende tabel weergegeven. Hierin is de feitelijke functie van het bedrijf genoemd en de milieucategorie van hetgeen wat hier planologisch mogelijk is. Vervolgens is hieraan een minimaal aan te houden afstand gekoppeld en is de daadwerkelijke afstand weergegeven. Onderhavig plangebied valt onder het gemengd gebied, waardoor de milieucontouren met een trap kunnen worden verlaagd. Het dichtstbijzijnde bedrijf is het agrarische (graasdieren)bedrijf aan de Parallelweg 108 op ongeveer 32 meter. Uit de volgende tabel is af te leiden dat alle milieucontouren onder de daadwerkelijke afstand blijven, met uitzondering van het bedrijf aan de Parallelweg 108. Inrichting

Adres

Milieucategorie

Min. af-

Daadw. afstand **

1

Caravanstalling

Binnendamseweg 84

2

10

740

2

Transportbedrijf de Bruijn B.V.

Binnendamseweg 74

3.2

30

680

Opslag

Binnendamseweg 64

2

10

440

Veehouderij

Binnendamseweg 64

4.1

100

440

4

Handelsonderneming

Binnendamseweg 50

2

10

330

5

Manege

Binnendamseweg 28

2

10

290

Boxman / Van Wijk

Binnendamseweg 26

Bedrijf

Binnendamseweg 20

stand*

3

6

Hoofdstuk 4

330 2

10

360

26

Inrichting

Adres

Milieucategorie

Min. af-

Daadw. afstand **

7

Paardenhouderij

Binnendamseweg 18

3.1

30

370

8

Autobedrijf

Binnendamseweg 4

2

10

540

9

Nu Buiten Houthandel

Giessenzoom 15

2

10

65

10

Verhuurbedrijf JM Trai-

stand*

lers

Parallelweg 79

2

10

450

11

Groothandel Bongers

Rijshaak 14

3.2

50

540

12

Gemeentewerkplaats

Schrank 6

3.2

50

430

13

Verschillende bedrijven

Stek / Rijshaak

4.1

100

610

14

Verschillende bedrijven

Houtschelf

4.1

100

540

15

Telecommunicatie

Sluisweg 142

3.1

30

450

16

Agrarisch (graasdieParallelweg 108

3.2

50

32

ren)bedrijf

* dit is de minimale afstand in meters in een gemengd gebied ** dit is de daadwerkelijke afstand in meters (naar beneden afgerond)

Parallelweg 108 Ter plaatse van het adres Parallelweg 108 geldt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Op basis van deze bestemming is onder andere het houden van graasdieren en het exploiteren van grondgebonden graasdierbedrijven mogelijk. Op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient er voor graasdieren rekening gehouden te worden met een milieucategorie 3.1 met bijbehorende richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. In casu liggen zowel de nieuwe woning als de bestaande woning op het perceel Parallelweg 109 op ongeveer 32 meter vanaf de grens van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. De bestaande woning is reeds bepalend voor de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf. Het onderhavige plan zal niet leiden tot (verdere) beperking van de bedrijfsvoering van het betreffende agrarische bedrijf. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat er geen belemmering bestaat voor het planvoornemen ten opzichte van de bedrijfsvoering op het perceel Parallelweg 108. Volkstuinen complex De nieuw te bebouwen kavels liggen in de nabijheid van een volkstuinencomplex met een parkeerterrein. De volkstuinen worden verhuurd aan particulieren. Het gaat hier om hobbymatig gebruik. Een dergelijk complex is niet opgenomen in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Er zijn dus geen richtlijnen over aan te houden afstanden. Momenteel grenst al een woning aan de volkstuinen.

Er zijn geen berichten bekend dat het woonklimaat wordt geschaad door de volkstuinen dan wel de gebruikers van volkstuinen door de nabijheid van de woning beperkt worden in het tuinieren. Gelet op het hobbymatige gebruik en dat er geen klachten bekend zijn over overlast kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. En de tuinders worden onevenredig beperkt in de mogelijkheden om te tuinieren. 4.5.3 Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen.

Hoofdstuk 4

27

4.6 Kabels en leidingen Over de percelen loopt een tracé van een rioolpersleiding. Dit tracé bevindt zich buiten de bouwvlakken van het hoofdgebouw. De bescherming van deze leiding is privaatrechtelijk geregeld via een zakelijk recht overeenkomst. Voor het overige wordt verwezen naar de volgende paragraaf 4.8 ‘Externe veiligheid’.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

Hoofdstuk 4

28

4.7.2 Onderzoek De eventuele risicobronnen rondom het plangebied zijn in kaart gebracht in de Risicokaart. Een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het plangebied is in figuur 4.3 weergegeven. Het plangebied is hierop weergegeven met een blauwe stip.

1

2

3

4 5

Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart

Op de kaart in figuur 4.3 is te zien dat er één inrichting rondom het plangebied liggen met gevaarlijke stoffen. Daarnaast loopt er één spoorlijn ten noorden van het plangebied en één weg ten zuiden van het plangebied waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Tevens lopen er twee (buis)leidingen waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Hieronder worden de eigenschappen van deze risicobronnen beschreven. 1

2

Basisnet Spoor Naam: Spoortrajectnummer PR-plafond (m): GR=plafond 10-7 (m): GR-plafond 10-8 (m): Afstand tot plangebied (m):

Betuwelijn 202E1.1 30 280 1298 568

Buisleiding Type: Lengte transportdeel (m):

Aardgasleiding NEN 3650-leiding 539

Hoofdstuk 4

29

3

4

5

Uitwendige diameter (inch): Wanddikte buisleiding (inch): Maximale werkdruk (bar): 1% letaliteit bij (m): 100% letaliteit bij (m): Afstand tot plangebied (m):

12,76 0,28 40 150 80 83

Buisleiding Type: Lengte transportdeel (m): Uitwendige diameter (inch): Wanddikte buisleiding (inch): Maximale werkdruk (bar): 1% letaliteit bij (m): 100% letaliteit bij (m): Afstand tot plangebied (m):

Aardgasleiding NEN 3650-leiding 610 6,6 0,20 40 100 50 300

Inrichting Adres: Hoofdactiviteit inrichting: Categorie installatie: Soort installatie: Bepaling PR: Werkdruk inlaatzijde > 16 bar: Werkdruk inlaatzijde > 8 bar: Diameter (m): Type station: Risicoafstand (m): Afstand tot plangebied (m):

Sluisweg 67 Productie en distributie van elektriciteit, aardgas, stoom en water Gasdrukregel- en meetstations Regelmeet Generiek J J 0 C 618

Basisnet weg Naam: Wegvak: PR_plafond (m): GR_plafond (m): Afstand tot plangebied (m):

A15 Z79 46 0 600

Zoals uit de bovenste analyse blijkt, valt het plangebied binnen de GR10-8 -contour van de Betuwelijn en de invloedszone van een aardgasleiding. Deze risicobronnen liggen echter wel nog op grote afstand van het plangebied. De veiligheidsrisico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en via de buisleiding hoeven niet kwantitatief inzichtelijke gemaakt te worden. De risico’s dienen wel meegewogen te worden in de verantwoordingsplicht groepsrisico, omdat de Betuwelijn binnen de GR10-8-contour ligt en het plangebied binnen de 1% letaliteitscontour van de buisleiding, maar buiten de 100% letaliteitscontour. 4.7.3 Verantwoording groepsrisico Op grond van artikel 7 van het Bevt moet in dergelijke gevallen worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

Hoofdstuk 4

30

 de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en  de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan de ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De nieuw te realiseren woningen voldoen aan deze voorwaarden. 4.7.4 Conclusie Het aspect externe veiligheid is relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Betuwelijn en door een aardgasleiding.

Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op de Betuwelijn of een brand in de buisleiding. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

4.8 Natuur 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, af-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/715/documents/23190