CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Toelichting en Regels bestemmingsplan Buitendams 348-350.pdf

Gemeenteraad GHG 27 juni 2024, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 6: Vaststellen bestemmingsplan Buitendams 348-350 - Raadsvoorstel25.365 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

26

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

Niet-concentratiegebied

diercategorieën Rgv

max. 3 ouE/m³

max. 2 ouE/m³

andere diercategorieën

min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object

min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object

diercategorieën Rgv

max. 14 ouE/m³

max. 8 ouE/m³

andere diercategorieën

min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid.

Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

27

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving van het plangebied, met een geurcontour die (deels) over het plangebied ligt. Bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Het aspect 'geurhinder' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoordworden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.

28

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Op 1 april 2015 is de Wet basisnet in werking getreden. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording). 4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering) Inrichtingen c.q. bedrijven In de directe omgeving van het plangebied zijn geen relevante risicovolle inrichtingen of bedrijven aanwezig. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting of bedrijf. Vervoer van gevaarlijke stoffen De Rijksweg A15 betreft een transportroute van gevaarlijke stoffen en is gelegen op circa 450 m van het plangebied. Daarmee ligt het plangebied binnen het invloedsgebied, maar buiten de 200 m zone. Vandaar dat kan worden volstaan met een standaard verantwoording van het groepsrisico. De A15 heeft een PR 10-6 contour van 46 m gemeten vanuit het hart van de weg. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Ook geldt langs de Rijksweg een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 m aan weerszijden van de rand van de weg. Zowel de PR 10-6 contour, als de PAG zone zijn niet binnen het plangebied gelegen.

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

29

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding De kortste afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde hogedrukaardgastransportleiding betreft circa 380 m. De woningen zijn daarmee buiten de invloedssfeer van deze leiding gelegen. Zodoende is geen verantwoording van het groepsrisico benodigd. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.

Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Waterhuishouding

4.8.1

Regelgeving

Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing:  Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water;  Provinciaal beleid: Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant en Provinciaal Milieu- en Waterplan;  Waterschapsbeleid: Waterbeheerplan 2022-2027 en de Keur voor waterkeringen en wateren; Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, wordt door de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water gehanteerd. Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van het “hydrologisch neutraal” bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is.

30

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bij de inrichting, het bouwen en het beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem te worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen dienen te worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap In de brochure “Partners in Water” is het beleid van het waterschap Rivierenland verwoord. De brochure gaat in op de inhoud van de watertoets en behandeld de volgende thema’s:  Waterneutraal inrichten;  Schoon inrichten;  Veilig inrichten;  Bijzondere wateren en voorzieningen. Ten aanzien van het thema Waterneutraal inrichten wordt ingegaan op de benodigde waterberging bij verschillende projecten. Voor projecten tot 1.500 m2 aan extra verharding mag de compensatie via een waterbergingsbank worden gerealiseerd. Als dat niet mogelijk is of als de verharding met meer dan 1.500 m2 toeneemt of als de ontwikkeling is gelegen buiten stedelijk gebied, dan moet de benodigde waterberging in principe binnen het plangebied worden gerealiseerd. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Versterken, verbinden, vergroenen' Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de periode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het programma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.

De visie van het waterschap is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. 4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Waterkeringen In het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Watergangen Langs de noordzijde van het plangebied ligt een B-watergang en langs de west- en oostzijden liggen C watergangen. Aanpassingen aan deze watergang zijn niet toegestaan zonder melding en/of vergunning van het waterschap. Het plangebied ligt binnen de beschermingszone van 1,0 m breed van de B-watergang. De aangrenzende perceeleigenaren zijn verantwoordelijk voor het onderhoud. Voor C-watergangen geldt in de Alblasserwaard eveneens een onderhoudsverplichting voor de perceeleigenaren langs de watergang. Op verzoek van het waterschap worden de watergangen met een C-status gewijzigd in een B-status. Binnen het plangebied is rekening gehouden met een beschermingszone van 1,0 m breed ten behoeve van onderhoud. Hierbinnen is het niet mogelijk om enige bijgebouwen in de achtertuin te plaatsen. Een aanvraag voor de wijziging naar een B-watergang zal worden ingediend. De watergangen worden met een duiker verbonden. Het openbaar gebied binnen het plangebied zal in het eigendom van de gemeente komen. Onderhoud aan de wateren grenzend aan het openbaar gebied zullen hiermee voor rekening van de gemeente komen.

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

31

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Uitsnede legger Waterschap Rivierenland met aanduiding plangrens (rode arcering) Watercompensatie Het plangebied kent hoogteverschillen door de aanwezigheid van de Buitendams. Om wateroverlast in het nieuwe woongebied en de aangrenzende percelen te voorkomen dient het klimaatbestendig te worden ingericht. Het plan geeft ruimte aan een groene invulling in het openbaar gebied en er is rekening gehouden met diverse hoogtes om wateroverlast te voorkomen. De woningen krijgen een vloerpijl op NAP -0,6m. De kruin van de rijbaan komt te liggen op NAP -0,85m. Voor de inrichting van het watersysteem is de lijn ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ het vertrekpunt, door:  gebiedseigen (neerslag)water zo lang mogelijk vast te houden;  neerslagwater zoveel mogelijk in het eigen gebied te bergen;  hemelwater vertraagd af te voeren. De hemelwater (hwa) en vuilwater / droogweerafvoer (dwa) systemen moeten voldoen aan de eisen die het waterschap en de gemeente daaraan stellen. De belangrijkste randvoorwaarden voor het hwa-systeem zijn: voldoende bergingscapaciteit om te voorkomen dat het probleem van wateropvang afgewenteld wordt op een ander gebied en het systeem moet zo functioneren dat niemand in het gehele gebied, bestaand en nieuw, overlast van hemelwater gaat ondervinden.

De maximale afvoer van water uit het plangebied mag niet meer zijn dan 1,5 l/s/ha (landelijke afvoernorm) en er moet voldoende berging zijn bij extremere omstandigheden. Er wordt gerekend met twee ontwerpbuien. Voor deze locatie is de ontwerpbui T=10+10%-neerslag maatgevend. De vuistregel is: 436 m 3 berging per hectare verhard oppervlak bij een maximale peilstijging van 0,2 m. De verhardingsbalans voor het onderhavige plan is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. Op basis van deze balans omvat het planvoornemen een netto verhard oppervlak van 6.798 m 2. Het verhard oppervlak dat in de toekomstige situatie geborgen kan worden op oppervlaktewater bedraagt 4.596 m2 en dat geborgen kan worden in de bergende fundering bedraagt 2.253 m2, tezamen 6.884 m2. Daarmee wordt voldaan aan de bergingseisen. In het plangebied wordt de relatie tot het water op twee verschillende manieren vormgeven: met een natuurlijk talud en een talud van 1:2 met lage beschoeiing. Voor het realiseren van een natuurvriendelijke oever hanteert het waterschap enkele uitgangspunten, die te vinden zijn in de Keur. Zo dient een talud van minimaal 1:2 te worden gehanteerd. Hieraan wordt voldaan. Grondwater Het plan is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. In en om het plangebied is geen grondwateroverlast bekend.

Ingrepen voorkomend uit dit plan zullen het functioneren van het grondwatersysteem niet beïnvloeden. 32

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Riolering en hemelwaterafvoer Voor de afvoer van het afvalwater is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de rioolaansluiting. Het hemelwater wordt niet gekoppeld aan het rioolsysteem, maar wordt op het eigen perceel verwerkt. Het plangebied biedt, met aanleg van de nodige voorzieningen, voldoende ruimte om het hemelwater te verwerken. Niet alleen de toename verhard oppervlak wordt gecompenseerd, maar het totale oppervlak aan verharding kan worden opgevangen in aan te leggen berging in combinatie met open water. Dit is berekend volgens de rekenregels voor berging in open water en in een voorziening, respectievelijk 436 m3/ha en 664 m3/ha. Door het plangebied te belasten met een restzettingseis van maximaal 10 cm in 30 jaar, in voldoende berging te voorzien en door het aan te leggen met voldoende drooglegging ten opzichte van polderpeil (0,90 voor de weg en 1,15 m voor de woningen) wordt een klimaatbestendige situatie gecreëerd. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.

Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Klimaatadaptatie In het Deltaprogramma is bepaald dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Overheden gaan ervoor zorgen dat schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen zo min mogelijk toeneemt en letten daarop bij de aanleg van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen, het opknappen van bestaande bebouwing, vervanging van rioleringen en wegonderhoud etc.In het onderhavige plan is hiermee rekening gehouden. Het hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak zal niet worden gekoppeld aan het rioolsysteem, waardoor overbelasting van het riool wordt voorkomen. Daarnaast wordt op diverse plekken (openbaar)groen ingepast, waardoor hittestress wordt beperkt. Ook zal door het beperken van terreinverharding en het toepassen van halfverharding het grondwater aangevuld blijven worden met regenwater, zodat droogteschade wordt voorkomen.

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9

Ecologie

4.9.1

Regelgeving

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen.

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

33

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming De Wnb brengt voor de bescherming van soorten in ieder geval de volgende drie voor de praktijk belangrijke wijzigingen met zich: 1. Allereerst is onder de Wnb niet langer de minister van Economische Zaken, maar zijn gedeputeerde staten van de provincies het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffingen. 2. Ten tweede kunnen de in de praktijk gehanteerde 'tabelsoorten' niet langer gebruikt worden. In plaats daarvan wordt met de nieuwe indeling van de Wnb gewerkt. 3. Ten derde is de inhoud van de verboden en de ontheffingsgrondslagen gewijzigd. In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wnb geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. 4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In het kader van de beoogde herontwikkeling van het plangebied is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De quickscan is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd. Uit deze quickscan is gebleken dat: Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, 'Biesbosch' ligt op circa 1,0 km van het plangebied.

34

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Vanwege de aard van de ontwikkeling, de afstand tussen het plangebied en het Natura2000-gebied en de tussenliggende infrastructuur (A15), worden geen significante nadelige effecten, als gevolg van verstoring door geluid, licht, trillingen en dergelijke, op de aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit Natura 2000-gebied verwacht. Voor deze storingsfactoren is daarom geen verdere toetsing aan de natuurwetgeving nodig. Ditzelfde geldt voor beschermde gebieden onder de Provinciale Verordening Zuid-Holland. Ten aanzien van stikstofdepositie naar de Natura 2000-gebieden is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd. Voor de aanleg- en gebruiksfase is doormiddel van de AERIUS calculator vastgesteld of er sprake is van een melding- of vergunningplicht. Uit de berekeningen blijkt dat het projecteffect op de omliggende Natura 2000gebieden kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een significante toename in stikstofdepositie en negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Soortenbescherming Negatieve effecten op de volgende beschermde soorten en functies niet op voorhand zijn uit te sluiten:  Huismus: vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied.  Gierzwaluw: vaste rust- en verblijfplaatsen.

 Steenuil: vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied.  Kerkuil: vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied.  Vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en meervleermuis): vaste rust- en verblijfplaatsen (zomerverblijfplaats, paarverblijfplaats, kraamverblijfplaats en winterverblijfplaats).  Steenmarter: vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel functioneel leefgebied.  Negatieve effecten op overige soorten die vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, of die nationaal beschermd zijn kunnen op voorhand worden uitgesloten Om vast te stellen of deze potentiële natuurwaarden aanwezig zijn binnen het plangebied is een nader ecologisch onderzoek uitgevoerd voor de huismus, gierzwaluw, steenuil, kerkuil, vleermuizen en steenmarter. Dit onderzoek is als bijlage 7 bij de toelichting gevoegd. Op basis van het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied de volgende verblijfplaatsen aanwezig zijn:  1 vaste rust- en verblijfplaats (nestplaats) van de huismus;  essentieel functioneel leefgebied (foerageergebied en kwetterplaatsen) van de huismus (ca. 280 m2);  2 vaste rust- en verblijfplaatsen (nestplaatsen) van de gierzwaluw;  5 zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis; en  2 paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis.

Door de werkzaamheden worden de de bovengenoemde verblijfplaatsen weggenomen. Hierdoor is sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Ontheffing op de Wet natuurbescherming is nodig, evenals het treffen van mitigerende maatregelen om de functionaliteit van het gebied te blijven behouden. De ontheffing is aangevraagd. In het kader van de resultaten van de quickscan is een aannemelijkheidsparagraaf opgesteld, zie bijlage 8. Het doel van deze paragraaf is beoordelen of een ontheffing Wet natuurbescherming kan worden verleend voor de beoogde ruimtelijke ingrepen. Uit deze notitie volgt dat het aannemelijk is dat een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming wordt verleend voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied: Buitendams 348-350 te Hardinxveld-Giessendam. Er wordt voldaan aan alle aspecten van het toetsingskader van de Wnb. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

35

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

4.10

Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.

Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussenliggende periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument 'Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)'. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende 'Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland' zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Gemeentelijk archeologisch beleid Voor het beschermen van de verwachtingswaarden heeft de gemeenteraad de Beleidsnotitie Archeologie vastgesteld op 17 augustus 2010, evenals de bijbehorende 'Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, Gemeente Hardinxveld-Giessendam'.

Het zuidelijk deel van het plangebied is aangeduid als een zone met een middelmatige archeologische verwachting voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Dat betekent dat bij ingrepen die groter dan 100 m2 zijn en dieper reiken dan 30 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Meer naar het noorden geldt een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Dat betekent in dit geval dat bij ingrepen die groter dan 250 m2 zijn en dieper reiken dan 30 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het overige deel van het plangebied heeft een lage verwachting. Voor dergelijke gebieden is archeologisch onderzoek noodzakelijk wanneer de ingreep groter is dan 10.000 m 2 en dieper reikt dan 30 cm.

36

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie Er is in het kader van de geplande woningbouw een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 9 bij de toelichting gevoegd. Het plangebied is gelegen in binnendijks gebied, waardoor de natuurlijke afzettingen sterk verschillen. Zo is in het midden en noordelijke deel van het plangebied de rivierkom van de Merwede aanwezig. In het zuiden is in het verleden de dijk opgebracht. Aan de voet van deze dijk zijn resten van bebouwing uit de Nieuwe tijd aangetroffen in de boring. Het is mogelijk dat resten uit de Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd nog in de ondergrond aanwezig zijn. In dat geval is het mogelijk om in het overige deel van het plangebied resten van erfbebouwing en menselijke activiteiten aan te treffen. Derhalve wordt geadviseerd om voor deze locatie een aanvullend proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren. Aangezien ter plaatse van het plangebied sprake is van meerdere gevallen van ernstige bodemverontreiniging, zie subparagraaf 4.2, is het niet mogelijk om voorafgaand aan de bodemsanering een aanvullend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek zal in combinatie met de sanering van de bodem worden uitgevoerd. Om de eventueel aanwezige archeologische waarden te beschermen zijn in het voorliggende bestemmingsplan de geldende archeologische dubbelbestemmingen opgenomen.

Zodoende vormt het aspect ‘archeologie’ geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Cultuurhistorie Uit de kaart van de CHS Zuid-Holland blijkt in het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten aanwezig zijn. Wel is de Buitendams, waaraan het plangebied is gelegen, aangeduid als historisch landschappelijke lijn van hoge waarde. Teneinde het cultuurhistorische karakter van het dijklint te waarborgen, zijn aan de Buitendams dijkwoningen voorzien. Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.11

Leidingen

4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones dienen te worden opgenomen.

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

37

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

4.12

Vormvrije MER-beoordeling

4.12.1 Regelgeving Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. 4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van maximaal 24 woningen. Woningbouwontwikkelingen zijn opgenomen in de eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. De realisatie van de woningen in het voorliggende plangebied blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria:  Kenmerken van het project;  Plaats van het project;  Kenmerken van het potentiële effect. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is daarom een zogenaamde aanmeldnotitie m.e.r.beoordeling opgesteld. De rapportage hiervan is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Ook heeft het plan geen negatieve effecten op een goede ruimtelijke ordening zoals beschreven in de milieuparagrafen en de toelichting.

De ontwikkeling is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Er zijn geen ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken een m.e.r.-beoordelingsprocedure te volgen.

38

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht. 5.1.1

Inleidende regels

Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. 5.1.2

Bestemmingsregels

In het tweede hoofdstuk komen de bestemmingen aan de orde. Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In deze bepaling zijn voor een bepaald gebruik speciale regels gegeven, bijvoorbeeld ten aanzien van strijdig gebruik.

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

39

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 5.1.3

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent onder andere ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent strijdig gebruik. Algemene afwijkingsregels Deze bepaling bevat algemene regels om af te wijken van het plan. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. 5.1.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsregels Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2

Bestemmingsplan

In het plangebied komen de volgende (dubbel)bestemmingen voor: Groen Voor structureel groen is de bestemming ‘Groen’ opgenomen. Aangeven is dat ter plaatse geen gebouwen mogen worden opgericht, met uitzondering van straatmeubilair. Het groene karakter van deze gronden dient, binnen in het plan gestelde voorwaarden, zoveel mogelijk behouden te blijven. Binnen de bestemming is onder andere de aanleg mogelijk van groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen, straatmeubilair, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Verkeer - Verblijfsgebied De in het plangebied voorkomende erftoegangswegen en parkeervoorzieningen zijn bestemd als ‘Verkeer - Verblijfsgebied’. Binnen deze bestemmingen zijn onder andere parkeer-, groen- en speelvoorzieningen alsmede waterberging en watergangen mogelijk.

40

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Water De bestemming “Water” is opgenomen voor de watergangen en oppervlaktewateren in het plangebied. Ten behoeve van de bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht zoals duikers, bruggen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. De in het plangebied beoogde brug is voorzien van de bestemming ‘Water’ met de nadere aanduiding ‘brug’. De in het plangebied beoogde steigers zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van water - oeverzone’. Wonen De gronden ter plaatse van de beoogde woningen zijn voorzien van de bestemming 'Wonen', met bouwvlakken. Ten opzichte van de stedenbouwkundige verkaveling, zijn de bouwvlakken met een marge van circa 0,5 m ingetekend, om nog enige flexibiliteit te hebben in de verdere planuitwerking. Het maximum aantal woningen, het woningtype en de maximale goot- en bouwhoogtes van de nieuwe woningen zijn specifiek in de bouwvlakken opgenomen. Waarde - Archeologische verwachting 2, 4 en 9 De dubbelbestemmingen ‘Waarde – archeologische verwachting’ is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Voor de verschillende verwachtingswaarden zijn verschillende bestemmingen opgenomen.

Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden. De voorwaarden voor wanneer een omgevingsvergunning is vereist is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarden en gedifferentieerd in de verschillende dubbelbestemmingen.

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

41

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro):  de bouw van één of meer woningen;  de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een hoofdgebouw met tenminste 1.000 m² of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van het bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer.

Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Daarmee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

6.2

Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het plan besproken met de volgende partijen:  Provincie Zuid-Holland;  Waterschap Rivierenland. De ingediende vooroverlegreacties zijn in de Nota van Beantwoording in bijlage 11 bij de toelichting van een gemeentelijke reactie voorzien.

6.3

Inspraak

De verkaveling zoals opgenomen in dit plan is bekend bij omwonenden. Afstemming in de vorm van informele gesprekken hebben op diverse momenten plaatsgevonden. Dit contact is geweest met vijf omwonenden/huishoudens. Een opmerking die in deze gesprekken naar voren is gekomen is dat de rijwoningen in bouwveld 2 voor de omwonende erg massief oogt. Een meer open structuur met onderbreking van deze rij is naar hun mening meer wenselijk. Vanuit stedenbouwkundig en programmatisch oogpunt is de keuze gemaakt deze aanpassing niet in het plan te implementeren. Tevens is er in 2017 een fysieke bijeenkomst geweest, georganiseerd ten kantore van Gebroeders Blokland, waar er met bewoners van de omliggende woningen is gesproken. Ten behoeve van het formele inspraaktraject is het stappenplan verder gevolgd zoals opgenomen in het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE). Het voorontwerpbestemmingsplan heeft op grond van de gemeentelijke inspraakverordening ter inzage gelegen. Binnen de termijn van terinzagelegging zijn vijf inspraakreacties ontvangen. De binnengekomen inspraakreacties zijn in de Nota van Beantwoording in bijlage 11 bij de toelichting samengevat en beantwoord.

42

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

6.4

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 2 november tot en met woensdag 13 december voor een ieder ter inzage gelegen. Binnen de termijn zijn vier zienswijzen ontvangen. De binnengekomen zienswijzen zijn in de Nota van Beantwoording in bijlage 12 bij de toelichting samengevat en van een reactie voorzien.

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

43

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

44

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

45

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 1

46

Stedenbouwkundig Programma van Eisen

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 2

Verkennend en aanvullend bodemonderzoek

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

47

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 3

48

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 4

Waterbergingsberekening

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

49

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 5

50

Quickscan flora en fauna

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 6

Stikstofdepositieonderzoek

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

51

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 7

52

Nader onderzoek flora en fauna

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 8

Aannemelijkheidsparagraaf flora en fauna

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

53

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 9

54

Archeologisch onderzoek

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 10

Aanmeldnotitie m.e.r. beoordeling

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

55

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 11

56

Nota van Beantwoording - Inspraakreacties

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Bijlage 12

Nota van Beantwoording - Zienswijzen

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

57

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

58

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Regels

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

59

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 Plan het bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam met identificatienummer NL.IMRO.0523.BP2022BUITENDAM348-VG01 van de gemeente Hardinxveld-Giessendam; 1.2 Bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels; 1.3 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4 aaneengebouwde woning een woning waarvan het hoofdgebouw onderdeel uitmaakt van (een rij van) minimaal drie hoofdgebouwen, die minimaal aan één zijde met het naastgelegen hoofdgebouw zijn verbonden; 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aan huis verbonden bedrijf een bedrijf dat in (een gedeelte van) of bij een woning wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door de bewoner van de woning; 1.7 aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de

woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.8 achtererfgebied erf aan de achterkant en de niet naar de openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw; 1.9 afwijken het afwijken van de planregels, als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid onder c van de Wet ruimtelijke ordening juncto 2.12 lid 1 onder a sub 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.10 archeologische verwachtingswaarde de aan een gebied toegerekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische relicten; 1.11 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten; 1.12 archeologisch deskundige een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige met een aantoonbare specifieke deskundigheid op het gebied van de archeologische monumentenzorg; 1.13 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.14 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;

60

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

1.15 bestaand a. bij bouwwerken: bebouwing aanwezig of legaal in aanbouw ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan dan wel bebouwing die nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend; b. bij gebruik: het gebruik dat bestaat ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; 1.16 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.17 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.18 bijbehorende bouwwerken Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak; 1.19 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.20 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.21 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.22 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.23 bouwperceelsgrens een grens van een bouwperceel; 1.24 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid,

waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.25 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; 1.26 buitenopslag het in open lucht opslaan of opgeslagen houden van gerede of ongerede goederen, materialen, werktuigen, machines of gebruiksklare of onklare voer- of vaartuigen of onderdelen hiervan; 1.27 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.28 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord worden gestaan en geholpen; 1.29 erf het al dan niet bebouwde deel van een perceel dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en dat binnen het bestemmingsvlak, maar buiten het bouwvlak ligt;

bestemmingsplan "Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam" (definitief)

61

bestemmingsplan Buitendams 348 en 350, Hardinxveld-Giessendam

1.30 erker een grondgebonden uitbouw van het hoofdgebouw van een woning, gelegen aan en vóór het (verlengde van) een aan openbaar toegankelijk gebied gelegen gevel van het hoofdgebouw; 1.31 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.32 gebruik(-en) gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven; 1.33 handel in en verkoop van goederen en diensten via internet bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder niet begrepen de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegen anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waar vrijwel uitsluitend een elektronische transactie tot stand komt, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.34 hoofdgebouw een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming van een perceel en door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als belangrijkste gebouw valt aan te merken; 1.35 huishouden een persoon of groep personen, die een duurzame, gemeenschappelijke huishouding voer(t)(en) en wil(len) voeren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/907/documents/29218