CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan IJzergieterij - versie april tbv gewijzigde vaststelling.pdf

Gemeenteraad GHG 27 mei 2021, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 13: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'IJzergieterij' - Raadsvoorstel34.833 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

De Beneden Merwede is geheel aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen, maar in de rivier zijn strekdammen geplaatst met een lengte van circa 165 meter ter hoogte van het plangebied. Dit betekend dat de werkelijke afstand van de schepen tot de bebouwing in het plangebied minimaal 200 meter bedraagt. Bij een incident bevindt het plangebied zich daarmee buiten de meest kritieke zone. Maatgevende scenario Autoweg BLEVE Het maatgevende scenario voor een autoweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Door een incident op de weg kan een brand ontstaan waarbij een tankwagen met LPG is betrokken. Vanwege stijgende temperaturen kan de druk toenemen en binnen circa 20 minuten leidt het vrijkomen en het ontsteken van het LPG tot overdrukeffecten en een grote vuurbal, een BLEVE. Ontvluchting in het geval van een BLEVE is mogelijk, mits er geen bijzondere beperkingen zijn ten aanzien van zelfredzaamheid van aanwezigen. Een beginnende brand is zichtbaar voor de aanwezigen. Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

46

Maatgevende scenario plasbrand Door een incident op de weg met een tankwagen met benzine kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de benzine in korte tijd uitstroomt. De brandbare vloeistof vormt een plas en kan direct een korte, hevige brand veroorzaken en tevens secundaire branden in de omgeving. Aanwezigen binnen de vloeistofplas hebben geen mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Aanwezigen in de zone aangrenzend aan de vloeistofplas hebben nauwelijks mogelijkheden tot zelfredzaamheid vanwege de grote hittestraling. Buiten deze zone kan geschuild of gevlucht worden. Maatgevende scenario toxische vloeistoffen/gassen Door een incident op de weg met een tankwagen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied moeilijk worden ingeschat. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden De rijksweg A15 loopt aan de noordkant langs het plangebied in west-oostelijke richting. De rivier de Beneden-Merwede loopt aan de Zuidkant langs het plangebied.

Aangeraden wordt om ervoor te zorgen dat de te realiseren gebouwen aan meerdere zijdes entrees hebben, zodat er meerdere mogelijkheden zijn om de panden te ontvluchten tijdens een incident. Hierbij is in het geval van de Beneden-Merwede vooral een entree aan de noordzijde (of oost- en westzijde) van belang en in het geval van de A15 een entree aan de zuidzijde (of oost- en westzijde). In het stedenbouwkundig plan zijn vier wegen ontworpen in noord-zuid richting. In het geval van een incident op de rivier kan men via deze wegen van de bron af kan vluchten richting de Rivierdijk. Vervolgens kan men verder vluchten via de Rivierdijk/Tiendweg, of de rijksweg A15 oversteken via de Peulenstraat zuid. In het geval van een incident op de A15 kan men via de wegen in het plangebied naar het fietspad vluchten dat ten zuiden van het plangebied, over de dijk loopt. Dit fietspad komt aan de westkant uit op de Tiendweg en aan de oostkant op de Rivierdijk. In het kader van de zelfredzaamheid bij genoemde scenario’s adviseert de VRZHZ om bij het ontwikkelen van gebouwen in het plangebied de volgende maatregelen te creëren: 1. Gebouwen zodanig inrichten dat de vluchtwegen van de risicobronnen aflopen; 2. Het toepassen van zo min mogelijk glas aan de risicozijde; 3.

De gebouwen dusdanig ontwerpen zodat niet-verblijf ruimten als bergingen, keukens, wc’s en trappenhuizen aan de gevaarszijde zijn geplaatst; 4. Gebouwen loodrecht projecteren ten opzichte van de risicobronnen. Zoals hierboven is beschreven wordt aan punt 1 voor de beide risicobronnen voldaan. Punt 2 en 3 dient in een nader stadium als aandachtspunt meegenomen te worden. Aan punt 4 wordt voor de Beneden Merwede redelijk voldaan. In het geval van de Rijksweg staan de woningen echter circa 65 graden gedraaid ten opzichte van deze bron geprojecteerd. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. Het is van belang dat bij de inrichting van de openbare ruimte een mogelijkheid wordt gecreëerd voor de brandweer om alle gebouwen aan alle zijdes te kunnen bereiken. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

47

Brandkranen dienen nabij de entrees van het gebouw en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. De aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening dienen te voldoen aan de richtlijnen zoals beschreven in de “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019” (Brandweer Nederland, 2020). Door het open karakter van de verkaveling kan het plangebied door de hulpverlenende instanties vanuit meerdere routes worden betreden. De veiligheidsregio wil betrokken zijn bij het inrichtingsplan om de bereikbaarheid van de objecten en de aanwezigheid bluswatervoorziening te borgen. Ook is risicocommunicatie naar de toekomstige huurders / gebruikers van de gebouwen zeer belangrijk. Bij aankoop van een woning of het sluiten van een huurcontract kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. Het is wellicht wenselijk om een kettingbepaling af te dwingen, zodat toekomstige gebruikers ook van de situatie op de hoogte zijn. De gemeente is wettelijk verantwoordelijk voor risicocommunicatie. Rijksweg A15 Alle LPG-tankwagens in Nederland zijn voorzien van een hittewerende bekleding. De uitvoering en de keuring van de hittewerende bekleding is geregeld in de NTA 8820:2015.

Deze maatregel is overigens alleen effectief tegen het optreden van een warme BLEVE. Bestrijding van een dreigende BLEVE vereist veel bluswater bedoeld voor het koelen van de LPG-tank. Bij voldoende koeling zal een BLEVE worden voorkomen. Hiervoor wordt (vanwege de snelheid die is geboden) gebruik gemaakt van primaire bluswatervoorzieningen (in het voertuig aanwezige water en brandkranen op het openbaar waterleidingnet). De aanwezigheid van effectieve grootschalige bluswatervoorziening is hierbij een belangrijk aandachtspunt. 7.4.4

Conclusie De Beneden-Merwede vormt geen belemmering voor het plan. Het plangebied is gelegen binnen de PR 10-6 contour en de PAG zone van de Rijksweg A15. De nieuw te realiseren bebouwing komt echter niet binnen deze zones, waardoor dit geen belemmering vormt voor het plan. Het groepsrisico komt zowel in de huidige als de plansituatie boven de oriëntatiewaarde uit en in de plansituatie vindt een lichte stijging plaats. De VRZHZ adviseert dat het glas in verblijfsruimtes aan de risicozijde van woningen binnen 90 meter van het midden van de rijksweg A15 een drukbelasting van 10 kPA moet kunnen weerstaan. Nadere toelichting met betrekking tot externe veiligheid is te vinden in het onderzoekrapport dat is opgenomen als bijlage 8 bij de toelichting. In de regels van dit bestemmingsplan zijn regelingen opgenomen om de veiligheid te borgen (zie regel 20.1 Nadere eisen).

7.5

Milieuhinder bedrijven

7.5.1

Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

48

Voor de afstand tussen inrichtingen en gevoelige functies gelden de volgende richtafstanden: Milieucategorie 2 3.1 3.2 4.1 4.2 7.5.2

Richtafstand Rustige woonwijk 30 50 100 200 300

Richtafstand Gemengd gebied 10 30 50 100 200

Onderzoek Door de omgeving, tot aan de gevoelige functies aan de andere zijde van de A15 en het woongebied ten oosten van de locatie, kan het plangebied worden gezien als een ‘gemengd gebied’, op basis van de brochure van de VNG. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging of een gebied dat gelegen is nabij hoofdinfrastructuur. Het plangebied is gelegen in een gebied met verscheidene functies, waaronder de Rijksweg A15, een ontsluitingsweg (Rivierdijk naar de Nieuweweg en Peulenstraat-zuid), wonen, maatschappelijke voorzieningen en bedrijvigheid. Kenmerkend voor het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. Omdat er sprake is van het omgevingstype 'gemengd gebied' kan de richtafstand terug worden gebracht met één afstandsstap. De gereduceerde richtafstand staat aangegeven in de 3e kolom van bovenstaande tabel. Er is onderzocht of de inrichtingen rondom het plangebied van invloed zijn op de toekomstige functies en andersom. In de nabijheid van de locatie bevindt zich een rioolwaterzuiveringsinstallatie waarvan de milieucontour tot over het plangebied reikt. Rioolwaterzuiveringsinstallatie De rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) ligt ten westen van de locatie. De RWZI heeft een milieucontour waarbij geur het maatgevende aspect is.

Qua geluid geldt er een richtafstand van circa 50 meter, die niet reikt tot het plangebied. Uit geurberekeningen van het waterschap blijkt dat indien er sprake is van nieuwbouw, er moet worden uitgegaan van de 1 g.e./m3 als 98 percentiel als contourwaarde. Deze ligt op circa 255 meter. Een deel van het projectgebied valt binnen deze contour. In overleg met waterschap Rivierenland is daarom onderzocht of er maatregelen te treffen zijn om de geurhinder te verminderen. De grootste geuremissie is afkomstig van het verdeelwerk. Door deze af te dekken en te voorzien van een geurfilter kan de geuremissie aanzienlijk worden beperkt. Aangezien het verdeelwerk één geheel vormt met het ontvangwerk, roostergoedverwijdering en retourslibgemaal, dienen deze alle voorzien te worden van afdekking. De memo betreffende de geuremissie is opgenomen als bijlage 16 bij de toelichting. Door het aanbrengen van afdekmaatregelen is het dus mogelijk de emissie zodanig te verlagen dat de geurcirkel niet meer over de toekomstige bebouwing van het plangebied ligt. Waterschap Rivierenland is bereid om - onder voorwaarden – medewerking te verlenen aan het nemen van deze maatregelen zodat bebouwing kan worden gerealiseerd zoals beoogd. Hiervoor is een overeenkomst opgesteld tussen ontwikkelende partij en het waterschap. Deze maatregelen moeten nog genomen worden.

Om te verzekeren dat er geen gevoelige bebouwing wordt gerealiseerd voordat de beschreven maatregelen zijn getroffen is in de planregels een gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – geurzone’ opgenomen. Binnen deze zone mogen geen nieuwe geurgevoelige objecten worden gerealiseerd, tenzij is aangetoond dat Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

49

maatregelen aan de RWZI zijn getroffen waardoor de geurcontour niet langer over de betreffende bestemming reikt. 7.5.3

Conclusie Vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering is onderzoek gedaan naar de richtafstanden behorende bij de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. In de nabijheid van de locatie bevindt zich een rioolwaterzuiveringsinstallatie waarvan de milieucontour tot over het plangebied reikt. Door het waterschap worden maatregelen genomen waardoor de contour in de toekomst niet langer over de geurgevoelige bestemmingen binnen het plangebied reikt. In de planregels is geborgd dat er totdat de maatregelen getroffen zijn, geen geurgevoelige objecten mogen worden gerealiseerd.

7.6

Flora en Fauna

7.6.1

Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn.

Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

50

opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

In Hardinxveld-Giessendam is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties.

Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. In het kader van de realisatie van een nieuwbouwproject, bestaan er plannen om een gedeelte van de bebouwing in het gebied “IJzergieterij”, in de bebouwde kom van gemeente Hardinxveld-Giessendam, te slopen. Bij dergelijke werkzaamheden dient, in het kader van de Wet natuurbescherming, onderzoek verricht te worden naar mogelijk aanwezige beschermde natuurwaarden en dient een beoordeling gemaakt te worden van eventuele negatieve effecten van sloopwerkzaamheden op deze waarden.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

51

7.6.2

Soortenbescherming Onderzoeksbureau Ecoresult heeft een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder worden de conclusies beschreven. Het volledig rapport is als bijlage 2 opgenomen bij de toelichting. Vogels met jaarrond beschermde nesten De voorgenomen ontwikkelingen kunnen leiden tot schadelijke effecten op potentieel aanwezige verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van de huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil. Aanvullend veldonderzoek is nodig. Indien één of meerdere van de genoemde soorten aanwezig is en een overtreding van een verbodsbepaling niet kan worden voorkomen, dient een ontheffing of vergunning te worden aangevraagd. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk. Algemene vogels en vogels met niet- jaarrond beschermde nesten Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 1 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord.

Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk. Vleermuizen De voorgenomen ontwikkelingen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (baardvleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis). Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 van de Wnb worden overtreden. Aanvullend onderzoek is nodig. Indien voortplantings- en vaste rusten verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart. De doorlooptijd van de ontheffingsaanvraag is maximaal 6 maanden. Tevens dienen dan mitigerende maatregelen te worden getroffen, zoals het plaatsen van tijdelijke voorzieningen. Deze dienen aanwezig te zijn tenminste 3 maanden voor de start van het werk, maar hier zijn striktere uitzonderingen op mogelijk. Overige Habitatrichtlijnsoorten worden niet verwacht.

Nationaal beschermde soorten In het plangebied bestaan potenties voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van Nationaal beschermde soorten, te weten steenmarter. Nader onderzoek met cameravallen is noodzakelijk voor de sloop van de panden. Wanneer de aanwezigheid van steenmarter wordt vastgesteld, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Verder is het plangebied enkel geschikt voor verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van Nationaal beschermde soorten die met een provinciale vrijstelling, o.a. diverse algemene (spits)muissoorten, egel en konijn, wezel, bunzing, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijke effecten zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het werken in één richting waarbij de dieren een vlucht mogelijkheid hebben. Aanvullend onderzoek Onderzoeksbureau Kingfischer Natuurprojecten heeft in winter, voorjaar en zomer 2020 een nader onderzoek gedaan naar de huismus, gierzwaluw, vleermuizen, steenuil, kerkuil en de steenmarter. Dit Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

52

onderzoek is in oktober 2020 afgerond. Een aantal van de aanwezige gebouwen in het plangebied zijn onderzocht op vleermuizen door onderzoeksbureau NWC. Deze onderzoeksrapporten zijn opgenomen als bijlage 3 en 4 bij deze toelichting. Tijdens het onderzoek zijn geen huismussen, gierzwaluwen of steenuilen in het plangebied waargenomen. Op de locaties zijn geen kleine marters en of steenmarters waargenomen, op een van de locaties (in de oude schuur) is een laagvliegende gewone grootoor vleermuis waargenomen, meerdere egels en een zwarte roodstaart. Tijdens het steenmarter onderzoek zijn egels waargenomen, deze zijn vrijgesteld maar vallen onder de algemene zorgplicht. De waargenomen zwarte roodstaart is wel beschermd, hiervoor dienen maatregelen genomen te worden. Voor de zwarte roodstaart kunnen natuurinclusieve maatregelen getroffen worden zoals inbouwnestgelegenheid. Tijdens alle uitgevoerde onderzoeken door Kingfischer Natuurprojecten zijn geen vleermuizen waargenomen. Uit de inventarisaties door NWC blijkt echter dat er vaste verblijfplaatsen van de Gewone dwergvleermuis en Gewone grootoorvleermuis aanwezig zijn in de te slopen gebouwen op het terrein. Het gaat hierbij om één paarverblijfplaats en drie zomerverblijfplaatsen van de Gewone dwergvleermuis en om een verblijfplaats van een Gewone grootoorvleermuis.

Voor deze soorten moet een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Uit de uitgevoerde nadere onderzoeken komt naar voren dat meerdere gewone dwergvleermuizen de dijk grenzend aan de Beneden Merwede gebruiken als vlieg- en of foerageerroute. Ook andere soorten als laatvlieger en watervleermuis zijn hier waargenomen, aan de binnenkant van dijk staat een rij bomen (essen) deze vallen in principe buiten het plangebied, echter is bij de nieuwbouw de bedoeling het terrein op te hogen tot aan de bovenkant van de dijk. Hierdoor komen deze bomen ter vervallen een mogelijke essentiële vlieg- en foerageerroute komt hierdoor in het geding. Een ontheffing voor de wet natuurbescherming en passende maatregelen in de vorm van een tijdelijke nieuwe vliegroute is noodzakelijk. Voorbeelden van maatregelen om overtreding te voorkomen zijn: • Aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen; • werken in de minst kwetsbare periode; • ongeschikt maken verblijfplaats voorafgaand aan slopen; • ecologische begeleiding. 7.6.3

Gebiedsbescherming In de nabijheid van het plangebied is een Natura 2000-gebied gelegen, te weten de Biesbosch. Hiervoor kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de habitats op de beschermde gebieden door bijvoorbeeld stikstof op voorhand niet worden uitgesloten. Een (wijziging van een) bestemmingsplan kan alleen worden vastgesteld als het plan geen significant effect heeft op de Natura 2000-gebieden ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie. Dit is voor wat betreft stikstof het geval indien uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar). Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) op reeds overbelaste habitattypen is net als bij projecten meestal een passende beoordeling nodig en tenminste een voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat significante gevolgen zijn uitgesloten, kan het bestemmingsplan worden vastgesteld. De Wet natuurbescherming staat dan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan. Door onderzoeksbureau SWECO zijn stikstofberekeningen uitgevoerd met de AERIUS-Calculator. De berekeningen zijn uitgevoerd voor de bouw- en gebruiksfase. Op basis van de uitkomsten uit de Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

53

berekeningen heeft een ecologische beoordeling plaatsgevonden. Hieronder zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten weergegeven. De volledige rapportage, inclusief AERIUS-berekeningen, is opgenomen in bijlage 5 behorende bij deze toelichting. Gebruiksfase Met de woningbouwplannen worden in totaal 150 woningen en 1 commerciële ruimte gerealiseerd. De woningen en de commerciële ruimte worden niet aangesloten op het gasnet, maar worden op een duurzame manier verwarmd. Hierdoor ontstaan bij de verwarming van deze woningen geen emissies van stikstof. Op basis van de toekomstige verkeersbewegingen is de stikstofdepositie berekend. De berekeningen zijn uitgevoerd voor het jaar 2024, het eerste jaar dat de woningen opgeleverd kunnen worden. De maximale toename gedurende de gebruiksfase ten opzichte van de referentiesituatie is 0,00 mol/ha/jaar. Bouwfase De bouwfase kan tot extra stikstofdepositie leiden door de in te zetten voertuigen en mobiele werktuigen. Op basis van de huidige kennis omtrent de bouwfase, is door de opdrachtgever een inschatting gemaakt van de inzet van materieel en transport. De uitgangspunten voor de bouwfase zijn ingevoerd in AERIUS Calculator 2020. De berekeningen zijn uitgevoerd voor alle drie de jaren van de bouwfase en het totaal van de gehele bouwfase.

Voor de specificering van de berekening wordt verwezen naar de export van de AERIUS-berekening in bijlage 5. De maximale toename gedurende de bouwfase ten opzichte van de referentiesituatie is afgerond 0,04 mol/ha/jaar. De maximale cumulatieve toename in de drie jaar is afgerond 0,08 mol/ha. Er is tijdens de bouwfase dus een toename van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Biesbosch. Op basis van de redeneerlijn zoals beschreven in de rapportage kan bij een tijdelijke totale toename van de stikstofdepositie van maximaal 0,10 mol/ha gedurende de bouwfase negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. De totale maximale toename van de stikstofdepositie tijdens de bouwfase van dit project is kleiner dan 0,10 mol/ha. Tijdens de gebruiksfase van het project is er ook geen toename van de stikstofdepositie op een door stikstof overbelaste locatie in een Natura 2000-gebied. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ook uitgesloten. 7.6.4

Conclusie Het plangebied is potentieel geschikt voor verblijfplaatsen van een aantal beschermde diersoorten en vogels met een jaarrond beschermd nest. Een ontheffing voor de Wet natuurbescherming en passende maatregelen zijn noodzakelijk. Vaak is een combinatie van maatregelen nodig om overtreding daadwerkelijk te voorkomen. Deze maatregelen dienen opgenomen te worden in een ecologisch werkprotocol en dient uitgevoerd te worden door of onder begeleiding van een ecologisch deskundige. Als dit niet mogelijk is, dient er ontheffing aangevraagd te worden Op dit moment wordt er gewerkt aan een ontheffingsaanvraag. Deze wordt ingediend ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning. Voor het verkrijgen van deze ontheffing worden de negatieve effecten op de soorten zo beperkt mogelijk gehouden. Met het treffen van de noodzakelijke maatregelen ligt het in de lijn der verwachting dat de ontheffing wordt verleend. De Wet natuurbescherming staat dan ook niet in de weg aan de vaststelling van dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan IJzergieterij geeft een tijdelijke kleine toename van de stikstofdepositie van maximaal 0,04 mol/ha/jaar in de bouwfase. Voor de gebruiksfase geldt dat er geen toename is van de stikstofdepositie. In de ecologische beoordeling is aangegeven dat de toename in de bouwfase gering Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

54

is en niet leidt tot aantoonbare negatieve effecten. Het uitvoeren van een passende beoordeling of aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Het aspect stikstofdepositie is daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 7.7

Bodem Er is sprake van bodemverontreiniging op het terrein, als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten in het verleden. De bodemsanering valt onder het regime van de Wet Bodembescherming. De Provincie is voor bodemsanering bevoegd gezag. Door middel van bodemsanering wordt het terrein geschikt gemaakt voor het beoogde nieuwe gebruik. Op dit terrein bestaat de bodemsanering uit twee onderdelen. Als eerste worden de sterke verontreinigingen die ook in grondwater aanwezig zijn gesaneerd (zogenaamde mobiele verontreinigingen). Dat gebeurt door middel van ontgraven en afvoeren van de grond. Ten tweede worden de verontreinigingen die alleen in grond aanwezig zijn (en niet in grondwater) afgedekt. Het afdekken vindt plaats met een laag geschikte grond en/of een verhardingslaag. Afdekken is een volwaardige en beproefde saneringsmaatregel. Voorafgaand aan het ophogen en verharden wordt het terrein eerst in profiel gebracht, zodat overal een voldoende dikke afdeklaag gewaarborgd is. In navolgende paragrafen 7.7.1 t/m 7.7.3 worden achtergronden en nadere uitleg gegeven.

7.7.1

Kader Wet bodembescherming Als sprake is van een geval van bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken. Op 1 januari 2006 is de Wbb ingrijpend aangepast omdat het beleid met betrekking tot bodemsaneringen veranderde. De Wbb kent nu een viertal regelingen die alle vier een ander onderdeel van bodembescherming voor hun rekening nemen: Een regeling voor de bescherming van de bodem waarin ook staat dat degene die de bodem verontreinigt, zelf verantwoordelijk is voor het verwijderen van de vervuiling. De overheid kan dwingen tot sanering als de verontreiniging na 1987 is ontstaan of als deze verontreiniging na 1987 is ontstaan, maar als “spoedeisend” is aangemerkt. Een bijzondere regeling voor de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging die is ontstaan als gevolg van een ongewoon voorval (calamiteit). Een regeling voor de verontreiniging die is ontstaan voor de Wbb in werking trad in 1987 (historische bodemverontreiniging). Ook in die gevallen geldt dat de vervuiler zelf de verontreiniging verwijdert.

Als er geen vervuiler (meer) is (omdat het bedrijf niet meer bestaat en er geen rechtsopvolger is) en als de nieuwe eigenaar niet kan worden aangesproken, zal de sanering door de overheid worden uitgevoerd. Een regeling voor de aanpak van verontreiniging in de waterbodem. Rijkswaterstaat heeft vooral met deze regeling te maken. De regeling geldt voor alle waterbodemverontreiniging, of de vervuiling nu voor of na 1987 is ontstaan. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

55

Het is bij het opstellen van een bestemmingsplan – nog – niet nodig dat alle procedures die voortkomen uit de Wbb volledig zijn afgerond. De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn – zoals hierboven beschreven - geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die in het kader van het bestemmingsplan niet ter beoordeling staan. Bij het vaststellen van het bestemmingsplan is van belang dat de raad het plan pas kan vaststellen, indien eventueel aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Zoals hierna zal blijken, staat de Wbb de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Het besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof maar vallen niet onder dit besluit.

Voor grond en baggerspecie in oppervlaktewater en op landbodems gelden aparte regels die ook in het Besluit bodemkwaliteit zijn opgenomen; in tegenstelling tot bouwstoffen kunnen ze weer definitief deel gaan uitmaken van de bodem. Tot slot zijn in het Besluit bodemkwaliteit de kwaliteitsregels voor, onder meer, bodemonderzoek, bodemsanering en laboratoriumanalyses die worden uitgevoerd door adviesbureaus, laboratoria en aannemers (bodemintermediairs) vastgelegd. Deze regels zijn bekend onder de naam Kwalibo (kwaliteitsborging in het bodembeheer). Kwalibo bevat ook maatregelen om de kwaliteit van ambtenaren die bodembeleid maken of uitvoeren en het toezicht en de handhaving te verbeteren. Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Deze afstemmingsregeling is opgenomen in artikel 6.2c van de Wabo. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen.

Die voorschriften dienen op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. 7.7.2

Onderzoek Bij een woonbestemming dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Er is een actualiserend en nader bodemonderzoek, inclusief asbestonderzoek uitgevoerd door Grondslag BV. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij de toelichting. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten uit het onderzoek opgenomen. Vooronderzoek In 2010 is door Verhoeven Milieu een uitgebreid historisch onderzoek uitgevoerd. De bodembedreigende activiteiten en calamiteiten die uit dit historisch onderzoek naar voren zijn gekomen zijn onderzocht tijdens de verkennende onderzoeken die aansluitend in 2010 zijn uitgevoerd. De voorgaande onderzoeken zijn weliswaar formeel verouderd, maar wel uitgebreid en compleet. De Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

56

onderzoeken zijn daarom geactualiseerd en er is in het aanvullend onderzoek voortgeborduurd op de resultaten. Voor de onderzoekslocatie werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen. Uit aanvullend bestudeerd oud kaartmateriaal is aan de westzijde nog een extra slootdemping naar voren gekomen en ook het zuidwestelijke deel van perceel D3322 lijkt te zijn gedempt. De oostelijke slootdemping lijkt verder richting de Rivierdijk te hebben doorgelopen en iets in westelijke richting te zijn afgebogen. Aanvullend onderzoek De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de olieverontreinigingen, dempingen, puinverharding en puinhoudende bodem op de locatie Rivierdijk 827 e.o. te Hardinxveld-Giessendam (project de IJzergieterij) is vastgelegd. Behalve de chemische kwaliteit is tevens de aanwezigheid van asbest in de bodem onderzocht. Olieverontreiniging ter hoogte van loods C. den Dikken Met het voorgaand onderzoek van Verhoeven Milieu was ter plaatse van peilbuis 141, nabij de loods van Verhuis- en transportbedrijf C. den Dikken een verontreiniging met minerale olie en PAK aangetoond. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek lijkt er sprake van twee olieverontreinigingen die mogelijk in elkaar overlopen.

Ter plaatse van de boringen/peilbuizen 209 en 213 is sprake van een verontreiniging met een lichtere oliecomponent, waarschijnlijk diesel. Ter plaatse van beide boringen is sprake van lichte verontreinigingen met minerale olie in zowel grond als grondwater. Ter plaatse van boring 218 en sleuf 08 (beide op circa 20 meter afstand) is zintuiglijk geen olie meer waargenomen. Ter plaatse van de boringen/peilbuizen 211 en 212 is sprake van een verontreiniging met een zwaardere oliecomponent, waarschijnlijk bitumen. Ter plaatse van beide boringen zijn sterke verhogingen aan minerale olie in grond aangetoond. In zuidelijke richting is deze afgeperkt door boring/peilbuis 227 en sleuf 06. Met het onderzoek van Verhoeven Milieu zijn in oostelijke richting, ter plaatse van Rivierdijk 213 inpandig een boring (B086) en een peilbuis (pb087) verricht ter plaatse van de aanwezige smeerkuil. Beide staan op nog geen 10 meter afstand en in beide zijn zowel zintuiglijk als analytisch geen verontreinigingen met minerale olie aangetoond. In westelijke richting zijn geen boringen aanwezig die tot in het grondwater zijn doorgezet. In het grondwater afkomstig uit de peilbuizen 211 en 212 zijn maximaal lichte verhogingen aan minerale olie en aromaten aangetoond. Voor naftaleen zijn respectievelijk geen en een lichte verhoging aangetoond.

Naftaleen is de meest mobiele en ook enige goed oplosbare component in de individuele PAK’s. Door het aantreffen van monocyclische aromatische koolwaterstoffen zijn de overige PAKverbindingen in het grondwater niet geanalyseerd. Naftyaleen maakt in dit verband deel uit van de monocyclische aromatische koolwaterstoffen. De verontreinigingen met minerale olie zijn (groten)deels in kaart gebracht. De kern van de sterke verontreiniging in grond bevindt zich ter plaatse van de boringen 211 en 212. De verontreiniging wordt hier aangetroffen vanaf 0,6 tot 2,2 m-mv. Het oliechromatogram wijst op een zwaardere oliesoort waarschijnlijk bitumen. De sterke olieverontreiniging heeft een oppervlakte van circa 150 m2. De dikte van het pakket sterk met olie verontreinigde grond bedraagt gemiddeld 1,3 meter. Het totale volume sterk verontreinigde grond Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

57

wordt geraamd op circa 195 m3. Dit komt overeen met circa 310 ton (bij een soortelijk gewicht van 1,6 ton/m3). Rondom de sterke verontreiniging bevindt zich nog een schil met licht en matig met olie verontreinigde grond. Aangezien de omvang van de sterke verontreiniging in de grond groter is dan 25 m3, is er sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’. De verontreiniging is ontstaan voor 1987, waardoor er geen sprake is van een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’. De zorgplicht is daarom van niet van toepassing. PFAS Voor PFAS zijn maximaal lichte verhogingen aangetoond onder de hergebruikswaarde. Eén monster is beoordeeld als Niet verontreinigd, twee monsters zijn beoordeeld als Achtergrondwaarde en twee monsters voldoen aan de normen voor klasse Wonen/Industrie. Eventuele voornemens om de locatie te gaan gebruiken als toepassingslocatie voor PFAS-houdende grond is alleen toegestaan wanneer deze grond de kwaliteit van de ontvangende bodem niet significant verslechtert en past bij de toekomstige functie. Voor het bepalen van de toepassingsnorm wordt geadviseerd om uit te gaan van de hoogste gemeten gehalten per parameter, mits de normen voor bodemfunctieklasse Wonen niet worden overschreden (3-7- 3-3 μg/kg ds). Een definitief oordeel hieromtrent is echter aan het bevoegd gezag.

Asbestonderzoek In/op de aanwezige opstallen op het terrein en op het maaiveld is asbest aangetroffen. Met de voorgaande onderzoeken is ook op enkele locaties asbest in de bodem aangetroffen. Met onderhavig onderzoek zijn 12 proefsleuven gegraven. In 10 van de 12 proefsleuven is visueel asbestverdacht materiaal aangetroffen, waarbij in twee sleuven sprake was van een asbestnest. Ter plaatse van beide asbestnesten kan geconcludeerd worden dat sprake is van een overschrijding van de grens- of interventiewaarde van 100 mg/kg ds. In de overige acht proefsleuven waarin asbestverdacht materiaal is aangetroffen is ook daadwerkelijk asbest aangetoond, maar wordt deze grens- of interventiewaarde niet overschreden. Geconcludeerd kan worden dat over het algemeen sprake is van asbest onder de interventiewaarde met zeer plaatselijk een asbestnest. 7.7.3

Conclusie Op basis van de verschillende onderzoeken kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met minerale olie (plaatselijk) en met zware metalen, PAK en asbest (gehele locatie heterogeen matig en sterk verontreinigd). In verband met de voorgenomen ontwikkeling van het terrein en de eis van het Waterschap dat de onderzijde van de fundatie minimaal op 3.00+NAP moet komen te liggen, zal het gehele terrein één meter opgehoogd moeten worden. Hiermee zouden de aanwezig immobiele verontreinigingen met zware metalen, PAK en asbest in één keer zijn afgedekt met een leeflaag en geïsoleerd (functioneel gesaneerd). Het eventueel nauwkeuriger in kaart brengen van de immobiele verontreinigingen door mogelijk ‘schone’ gebieden op te sporen en/of het verticaal afperken heeft daarom geen toegevoegde waarde. In verband met de voorgenomen ontwikkelingen zullen de aangetroffen verontreinigingen gesaneerd moeten worden. Voor de benodigde sanering is een saneringsplan opgesteld door bodemkwaliteitsbureau Grondslag. Dit saneringsplan wordt ingediend bij het bevoegd gezag. Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

58

Gedurende het opstellen van het saneringsplan is gebleken dat een deel van het plangebied, dat eigendom is van het waterschap, niet nader is onderzocht. In het kader van een aangrenzende bestemmingsplanprocedure is er echter wel onderzoek gedaan naar dit gebied. Het gaat om een drietal boorpunten ter plaatse van een vroegere watergang. In dit onderzoek is op deze plaats een verontreiniging aangetroffen. Deze verontreiniging wordt momenteel nader onderzocht en meegenomen in het saneringsplan. Ten tijde van het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning dient dit onderzoek gereed te zijn. Hiermee staat de Wbb de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. 7.8

Verkeer

7.8.1

Verkeersafwikkeling en verkeersaantrekkende werking De ontwikkeling zal, als gevolg van het realiseren van de nieuwe woningen en functies leiden tot een toename van de verkeersgeneratie. In de periode tussen oktober 2015 en mei 2018 is door De Graaff Traffic onderzoek gedaan naar verschillende mobiliteitsaspecten. Een belangrijke aanleiding daarvoor was de constatering dat de toename van het verkeer mogelijk een probleem kan vormen bij de aansluiting Rivierdijk – Nieuweweg. Deze onderzoeken zijn in september 2020 geactualiseerd. Huidige situatie Met behulp van de CROW-publicatie 381 is de verkeersgeneratie van de bedrijven gevestigd in 2018 op de locatie ‘IJzergieterij’ bepaald. De totale oppervlakte en de functieaanduiding per gebied zijn afkomstig van het vigerende bestemmingsplan “Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied”. Aan de hand van luchtfoto’s van Ruimtelijke Plannen zijn de vierkante meters bepaald van de gebouwen en opstallen van het industrieterrein. Het totaal aantal autobewegingen komt uit op 361 voertuigbewegingen per etmaal. Uit verkeerstellingen uit 2018 blijkt dat hiervan 23 middelzware en 8 zware voertuigen zijn.

Naast de situatie op basis van de gebouwde voorzieningen in 2018 is ook onderzocht dat op basis van de voorwaarden in het huidige bestemmingsplan hogere verkeersbelastingen mogelijk zijn: • Scenario 1 waarbij rekening is gehouden met een hoge verkeersgeneratie met vrachtverkeer (deze is vooral voor milieueffecten van belang); • Scenario 2, waarbij rekening is gehouden met een hoge verkeersgeneratie met personenautoverkeer (deze is vooral voor acceptatie binnen 30 km/u gebied van belang). Voor scenario 1 is berekend welke hoge vrachtverkeersgeneratie mogelijk is op basis van het bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied’. Daarvoor is gebruik gemaakt van de totale oppervlakte en het maximale bebouwingspercentage. Bij relatief veel industrie zal het aantal autobewegingen ongeveer 1100 per etmaal bedragen. Uitgaande van dezelfde verhouding vrachtverkeer zijn er qua ritgeneratie ongeveer 100 vrachtwagens te verwachten per dag. Voor scenario 2 is een gedeelte van de totale oppervlakte, het maximale bebouwingspercentage en mogelijk bebouwingshoogte ingevuld met meer kantoren en minder met (zware) industrie. De verkeersgeneratie in deze situatie met meer kantoorinvulling bedraagt ruim 2.000 autobewegingen per etmaal. In dit scenario zal vooral personenautoverkeer rijden.

Dit wordt nader toegelicht in de actualisatie van het verkeersonderzoek, dat is opgenomen als bijlage 11 van de toelichting. Door het verschillende gebruik van het terrein in het verleden zal het aantal verkeersbewegingen waarschijnlijk ergens tussen deze twee scenario’s in hebben gelegen, maar op basis van het voorgaande bestemmingsplan is het dus mogelijk om ruim 2.000 verkeersbewegingen per etmaal te genereren. Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

59

Toekomstige situatie Met de bouw van de 150 woningen zoals beschreven in het woningbouwprogramma is een verkeersgeneratie van 1110 autobewegingen per etmaal gemoeid. Naast 150 woningen komt er ook nog een commerciële ruimte op de locatie ‘IJzergieterij”. Het omvat een oppervlak van 570 vierkante meter BVO. Naast een kleine horecagelegenheid wordt de ‘commerciële ruimte’ mogelijk ook ingevuld met sociaal/medisch doeleinden. De totale verkeersgeneratie van de commerciële en sociaal/medische voorzieningen bedraagt circa 469 autobewegingen per etmaal. In totaal komt dit neer op een verkeersgeneratie van 1.579 autobewegingen per dag. Deze berekeningen zijn opgenomen in bijlage 11 bij de toelichting. Belangrijk is hierbij de verkeersafwikkeling via de Rivierdijk en de aansluiting Rivierdijk op de Nieuweweg. Door de toename van het verkeer blijkt uit onderzoek dat er maatregelen moeten worden genomen om te zorgen voor een vlotte en veilige afwikkeling van het verkeer. In eerste instantie is gekeken naar de aanleg van een rotonde bij het kruispunt Rivierdijk - Nieuweweg. Op basis van een doorstromingsonderzoek blijkt dat een rotonde qua doorstroming niet nodig is, maar dat een brede middenbermconstructie ook zorgt voor veilige afwikkeling op de kruising. De keuze voor een middeneiland in plaats van een rotonde heeft ook te maken met de beschikbare ruimte.

Deze is voor een rotonde te krap. De oplossing met middeneiland is te realiseren binnen de huidige verkeersbestemming uit het geldende bestemmingsplan ‘Hardinxveld-Giessendam, bebouwd gebied’. Door de aanleg van een middeneiland wordt de wachttijd korter en is men minder geneigd risico's te nemen bij het oversteken. Het kruispunt Peulenstraat-zuid – Wieling is al voorzien van een middeneiland en kunnen fietsers in twee keer oversteken. Het ontwerp voor een kruising met middeneiland is inmiddels besproken met de verkeerscommissie en transportbedrijven. Met de reconstructie van de kruising Rivierdijk – Nieuweweg ontstaat een verbeterde verkeerssituatie waarmee het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorliggende ontwikkeling. 7.8.2

Parkeren Ten aanzien van het aspect parkeren zijn in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan 2012-2022 (GVVP) parkeerrichtlijnen opgenomen. In geval van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten, op basis van de parkeerkencijfers van het CROW, voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd; deels op eigen terrein bij woningtypen in het hogere segment. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met het type bedrijven dat zich hier vestigen; arbeidsintensief of arbeidsextensief. De gemeente toetst nieuwe ontwikkelingen aan de maximale normen voor een ‘weinig stedelijk gebied‘ zoals opgenomen in de meest recente publicatie van het CROW. Gemotiveerd kan hiervan worden afgeweken en een lagere norm worden toegepast. Voor de IJzergieterij wordt uitgegaan van de gemiddelde parkeernorm op basis van weinig stedelijk, rest bebouwde kom, conform de CROW-publicatie 381. In het plangebied wordt uitgegaan van relatief veel openbaar toegankelijke parkeerplaatsen, onder andere in de gebouwde parkeervoorziening onder de appartementen en binnen de verschillende parkeerkoffers. Hierdoor is het mogelijk de maximale parkeernorm terug te brengen naar een norm die tussen de minimale en maximale norm ligt. Voor het woongebied IJzergieterij gelden volgens het SPvE de volgende parkeernormen: Vrijstaande woningen (koop): 2,3 p.p. per woning Twee-onder-één kapwoningen (koop): 2,2 p.p.

per woning Rijwoningen (koop): 2,0 p.p. per woning Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

60

-

Appartementen (koop): 2,1 p.p. per woning Appartementen (sociale huur/studio’s): 1,2 p.p. per woning

De extra functies die worden toegevoegd dienen deze conform de CROW-publicatie 381 te worden genormeerd. Concreet voor de IJzergieterij gelden hierbij onderstaande normen: horecavoorzieningen 7 p.p. per 100 m2 bvo commerciële voorzieningen 5 p.p. per 100 m2 bvo waterbus 5 p.p. Type

Aantal

Parkeernorm

Benodigd aantal plekken

Haakblok sociale huur app

16

1,2

19,2

Studios app

6

1,2

7,2

Appartementen inclusief penthouse

77

2,1

161,7

Rijwoningen

34

2

68

2 kappers

12

2,2

26,4

Vrijstaande woningen

5

2,3

11,5

Horeca

140 m2

8 per 100m2

11,2

Commercieel

430 m2

5 per 100m2

21,5

Waterbus

-

5 pp

5

Totaal

150

331,7

Rekening houdend met de parkeernorm van de woningen en de benodigde parkeerplaatsen voor de eventuele extra functies komt het aantal benodigde parkeerplaatsen uit op 332. Voor de verschillende woningtypen geldt een totaalaantal parkeerplaatsen van 294. De overige parkeerplaatsen zijn gereserveerd voor horecamogelijkheden, commerciële voorzieningen en de eventuele waterbus. Er worden in totaal 102 parkeerplaatsen in de parkeerbak gerealiseerd. De overige parkeerplaatsen worden gerealiseerd in de openbare ruimte, in parkeerkoffers en in de woonstraten. De parkeerplaatsen ten behoeve van de tweekappers en vrijstaande woningen worden gerealiseerd op eigen terrein. 7.9

Duurzaamheid

7.9.1

Duurzaamheid Bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw verdient het aanbeveling zoveel mogelijk rekening te houden met duurzaamheidsaspecten zoals duurzaam bouwen, duurzame energievoorzieningen, bevordering van fietsverkeer en openbaar vervoer, duurzaam ruimtegebruik en dergelijke. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woongebied. Hiervoor zijn een aantal handvatten op zowel Rijks- als regionaalniveau.

7.9.2

Wet voortgang energietransitie De Wet Voortgang Energietransitie (VET) regelt onder andere de aansluitverplichting van nieuwbouw op het gasnet zal verdwijnen. Op 1 juli 2018 is er een aardgasverbod ingegaan. De Wet voorziet in hoofdzaak in een aantal wijzigingen van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet teneinde de transitie naar een duurzame energievoorziening verder te faciliteren. De aanpassingen hebben met name invloed op de netten die essentieel zijn om de energietransitie verder te ondersteunen.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

61

De Wet Vet is op 30 januari 2018 door de Tweede Kamer en op 3 april door de Eerste Kamer aangenomen. Per 1 juli 2018 is de wet inwerking getreden. 7.9.3

Energiestrategie Drechtsteden Bedrijven, gemeentes, bewoners en organisaties in de regio hebben samen de 'Energiestrategie Drechtsteden' opgesteld. Het is een ambitieus plan van aanpak om te komen tot een energie neutrale regio vóór 2050. De regio wil op deze manier haar bijdrage leveren aan het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 dat Nederland heeft ondertekend. Met de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van gasloos bouwen is het van belang hier in vroeg stadium rekening mee te houden. De woonwijk zal gasloos worden aangelegd.

7.9.4

Lokale Energieagenda In december 2018 is de Lokale Energieagenda Hardinxveld-Giessendam opgesteld. De opgaven die genoemd worden sluiten voor een groot deel aan bij de landelijke opgaven. Daarnaast zijn er nog een aantal gemeentelijke doelstellingen opgenomen op het gebied van energiebesparing, uitfaseren van aardgas en energieopwekking. Bij de uitwerking van de openbare ruimte wordt de Aanpak duurzaam GWW toegepast. Deze werkwijze maakt duurzaamheid in GWW-projecten concreet zonder vooraf voor te schrijven hoe de duurzaamheidswinst behaald wordt. Dat kan per project verschillen. In het SPvE is hiervoor een ambitiekader opgenomen. Uitgangspunt is om voor de accenten groen, klimaatadaptatie en ecologie minimaal ambitieniveau 2 te halen. Deze ambities gaan onder andere in op variaties in groenzones door hoogteverschillen, hemelwaterafwatering, hitte-effecten en aantasting van ecologische structuren en de biodiversiteit. Bij het opstellen van de uitwerkingsplannen zal concreet worden ingegaan op de duurzaamheidsmaatregelen in het betreffende gebied.

7.9.5

Duurzaamheidsambities SPvE Bij de ontwikkeling van de IJzergieterij wordt integraal omgegaan met duurzaamheid. Concreet zijn er voor de nieuw te bouwen woningen en het ruimtelijk ontwerp van de nieuwe wijk vier aandachtspunten benoemd, energie, ruimtelijke inrichting, toekomstwaarde en gebruikskwaliteit. Energie In lijn met de toekomstige landelijke ontwikkelingen, zal in de IJzergieterij geen gasinfrastructuur worden aangelegd. In de planvorming wordt gestreefd naar compact bouwen en de inzet van dakvlakken die geschikt zijn voor het opwekken van zonne-energie. Er wordt gebruik gemaakt van energiezuinige openbare verlichting. Ruimtelijke inrichting en klimaatadaptatie De groenstructuur wordt verder uitgewerkt als drager van het gebied. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van inheemse, streekeigen boom- en plantensoorten in de inrichting van de openbare ruimte. Er wordt een robuust groenplan voor de openbare ruimte en de private tuinen uitgewerkt en de afwatering van het hemelwater wordt oppervlakkig over het verhoogde maaiveld bij de appartementen geleid naar de Merwede. De bestaande hoogteverschillen worden benut en op een toegankelijke manier op elkaar afgestemd. Er is aandacht voor de beeldkwaliteit van de parkeeroplossingen.

Ook bij de inrichting van de openbare ruimte en de bebouwing wordt de schade die gepaard kan gaan met klimaatveranderingen beperkt en worden de kansen die de klimaatveranderingen bieden benut. Gebruikskwaliteit In de IJzergieterij wordt ingezet op multimodale bereikbaarheid. Er wordt naast autotoegankelijkheid ook geïnvesteerd in fietsroutes, wandelpaden en de (mogelijke) komst van het veer aan de oever van de dijk. Hierbij wordt ook gestreefd kindervriendelijke straten aan te leggen, een heldere hoofdstructuur Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

62

met een uitnodigende oriëntatie op de rivier en een relatie met het water. Aan de boulevard wordt gestreefd naar enige vorm van functiemenging in de plint. Daarnaast worden enkele speelvoorzieningen aangebracht. 7.10

Overige belemmeringen

7.10.1 Kabels en leidingen Naast de in het kader van externe veiligheidsaspecten relevante leidingen, kunnen er ook andere leidingen zijn die planologisch relevant zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om drinkwaterleidingen of riool(pers)leidingen. In het voorliggende plangebied liggen geen kabels en leidingen die planologische relevant zijn. 7.10.2 Explosieven In het kader van het lopende gemeente brede vooronderzoek Conventionele Explosieven (hierna: CE) van de gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft de gemeente Hardinxveld-Giessendam de locatie ‘IJzergieterij’ aangemerkt als ‘Prio locatie’, een locatie die prioriteit moeten krijgen bij het onderzoek. Om deze reden is onderzoek verricht door onderzoeksbureau BeoBom. Uit het archief- en literatuuronderzoek is gebleken dat er binnen het huidige grondgebied van de gemeente Hardinxveld-Giessendam gedurende de Tweede Wereldoorlog verscheidene oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden die CE achtergelaten kunnen hebben. Het betreft hier met name enkele bombardementen en beschietingen door geallieerde vliegtuigen. Grondgevechten hebben niet plaats gevonden. Op verscheidene locaties binnen de gemeente zijn door Duitse troepen verdedigingswerken aangelegd, waaronder verschillende loopgraven, wapenopstellingen en stellingen voor luchtdoelgeschut.

Uit het bronnenmateriaal is niet gebleken dat ter plaatse van het projectgebied IJzergieterij oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden waardoor mogelijk sprake is van het achterblijven van CE. Het geraadpleegde bronnenmateriaal biedt onvoldoende aanleiding voor de (gegronde) afbakening van een verdacht gebied als gevolg van deze, of andere, oorlogshandelingen binnen de gemeente HardinxveldGiessendam. Op basis van het geheel van geraadpleegde bronnen kan worden geconcludeerd dat er géén feitelijke aanwijzingen zijn gevonden voor de aanwezigheid van CE binnen het projectgebied. De binnen het projectgebied geplande werkzaamheden kunnen vanuit OCE-oogpunt op reguliere wijze plaatsvinden.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

63

8

JURIDISCHE OPZET

8.1

Inleiding In deze paragraaf wordt toegelicht op welke wijze de hiervoor beschreven, gewenste ontwikkelingen juridisch zijn vertaald. Ingegaan wordt op de juridische opzet van het bestemmingsplan (het karakter van het plan, de geometrische plaatsbepaling (verbeelding) en de regels. Karakter van het plan Voor de ontwikkeling van het gebied is gekozen voor een globale bestemmingsmethodiek. De beoogde bouwvelden hebben de bestemming ‘Wonen - 1’ en ‘Wonen – 2’ gekregen, waarbinnen globale bouwvlakken zijn ingetekend. Binnen de contouren van deze bouwvlakken mag een maximaal aantal woningen en met een maximale bouwhoogte gebouwd worden. Hiermee vormt het bestemmingsplan een helder ruimtelijk kader waarin de hoofdstructuur is vastgelegd, maar waarin binnen de bestemming wonen een flexibele invulling mogelijk is. Het onderhavige plan is opgesteld conform het gestelde in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) die door het rijk is opgesteld in het kader van het project Digitale Uitwisseling van Ruimtelijke Plannen (DURP), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) die bindende afspraken en aanbevelingen bevat, en het coderingssysteem Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/565/documents/17786