CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan IJzergieterij - versie april tbv gewijzigde vaststelling.pdf

Gemeenteraad GHG 27 mei 2021, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 13: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'IJzergieterij' - Raadsvoorstel34.833 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Gemeentelijk beleid In 2003 hebben gemeente en Waterschap een stedelijk waterplan voor Hardinxveld-Giessendam opgesteld. In het waterplan staan maatregelen beschreven om het oppervlaktewater te verbeteren. Na vaststelling van het waterplan in 2003 zijn diverse projecten gestart. Deze projecten zijn inmiddels allemaal afgerond. In 2010 en 2011 hebben gemeente en waterschap het waterplan geëvalueerd. De doelen uit het plan uit 2003 zijn behaald. Met het afronden van het waterplan is het niet zo dat hiermee de taken van gemeente en waterschap zijn afgerond. Op dit moment wordt gewerkt aan een verdere verbetering van de waterhuishouding op straat- en wijkniveau. Waterschap en gemeente hebben begin 2016 beiden extra geld beschikbaar gesteld om aanvullende maatregelen om wateroverlast te beperken en om de (water)systemen robuuster te maken en beter te laten functioneren. 5.3

Onderzoek Planlocatie De herontwikkelingslocatie is gelegen aan de zuidoostelijke zijde van Hardinxveld-Giessendam, aan de Merwede en was in het verleden een buitendijks gebied. Tegenwoordig is er een nieuwe dijk aangelegd tussen het plangebied en Merwede waardoor het terrein binnendijks is komen te liggen en rondom is omsloten door dijklichamen. Het plangebied bestaat momenteel uit oude bedrijfsbebouwing. Het maaiveld in het plangebied varieert tussen de 2.00 en 5.50m NAP (dijk). De gemiddelde hoogte bedraagt ca. 2.80m NAP waarbij de dijken hoger gelegen zijn. De laagstgelegen percelen rondom het plangebied liggen op ca. 2.45m NAP. Het gehele gebied gelegen tussen de Rivierdijk en de nieuwe dijk van de Merwede wordt beschouwd als één hydrologisch geheel. Dit betekent dat niet alleen de bouwkavels maar ook de omliggende gronden meegenomen moeten worden bij het berekenen van de wateropgave. Al het regenwater dat er van deze gronden afstroomt moet binnen het plangebied geborgen worden. De woonarken worden hierin buiten beschouwing gelaten. Dit is namelijk een ander ontwikkelingsgebied en moet in de toekomst het regenwater op eigen terrein bergen.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

25

Ontwikkeling De ontwikkeling omvat de ontwikkeling van een woongebied. De toename van het verhard oppervlak en de vuilwaterafvoer heeft gevolgen voor de waterhuishouding. Tevens gaat de ontwikkeling van dit plangebied gepaard met een lichte ophoging van het bestaande maaiveld waardoor de grondwaterstanden kunnen stijgen. Oppervlaktewatersysteem In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook wordt er geen (nieuw) oppervlaktewater aangelegd.

Afbeelding 5.1: uitsnede Legger Wateren Waterschap Rivierenland

Het toekomstig rioolsysteem bestaat uit een vuilwater riool, twee regenwaterriolen incl. ondergrondse waterbergingen, persleiding en een gemaal. Er worden twee aparte regenwater rioolsystemen aangelegd, zodat de systemen elkaar niet nadelig kunnen beïnvloeden. Eén voor de nieuwe woningen in het plangebied en één voor de bestaande woningen aan de Rivierdijk. Deze krijgen beide twee ondergrondse waterbergingen welke het regenwater tijdelijk zullen bergen. Regenwater Voor de nieuw te realiseren woningen wordt binnen het plangebied rwa-riolering aangelegd. In de riolering moet 66,4 mm water geborgen worden. Hiervoor wordt op twee locaties in het plangebied een ondergrondse waterberging aangelegd. In verband met de maaiveldhoogte (3,25 m NAP) en de benodigde dekking op de berging (om opdrijven tegen te gaan) komt de onderkant van de waterberging op 1,20 m NAP te liggen. Bij deze hoogte liggen de berging in de wintermaanden gedeeltelijk lager dan de grondwaterstand. Om te voorkomen dat de waterbergingen zich vullen met grondwater worden ‘waterdichte’ bergingen aangelegd. De rwa-riolering wordt aangesloten op een bestaand rwa-riool onderaan de dijk. Deze ligt diep genoeg om de rwa-voorzieningen van het plangebied onder vrijverval leeg te kunnen laten stromen en voert het regenwater af naar het oppervlaktewater “De Peulen”.

Om water in het rioolsysteem en de waterbergingen vast te kunnen houden wordt er een noodoverlaat geplaatst. De noodoverlaat wordt Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

26

voorzien van een knijpconstructie die ervoor zorgt dat het rioolsysteem langzaam leegloopt (en daarmee piekbelastingen op de Peulen wordt voorkomen) en de ondergrondse berging voor regenwater weer beschikbaar wordt. De noodoverlaat gaat dienen als escape bij neerslagextremen. De noodoverlaat zal aangebracht worden op een hoogte van 2,60 m NAP; zodat de waterberging volledig wordt benut. De appartementen en het verhoogde plein voor de appartementen lozen direct op de Merwede. Het plein wordt op afschot richting de Merwede gelegd. In de verharding komt een gootconstructie die het regenwater van de appartementen en de verhardingen (plein) richting de Merwede afvoert. De constructie over het dijklichaam wordt in overeenstemming met Rijkswaterstaat vastgesteld. Deze constructie mag uiteraard geen nadelige gevolgen hebben voor de waterkering. De bestaande woningen aan de Rivierdijk, aan planzijde, zijn nu aangesloten op het bestaande regenwaterriool onderaan de dijk (afvoerleiding naar “De peulen”). De bestaande woningen en de nieuwe woningen kunnen niet op hetzelfde rioolsysteem aangesloten worden. De noodoverlaat van rioolsysteem A komt hoger te liggen dan de laagst gelegen bestaande percelen. Indien de bestaande woningen/percelen op dit systeem worden aangesloten ontstaat er wateroverlast op de laagstgelegen bestaande percelen; het water loopt de kolken/putten uit.

Om dit te voorkomen wordt er daarom langs de noordoostzijde van de plangrens een separaat rioolsysteem (rioolsysteem B) aangelegd. De twee rioolsystemen staan dan ook niet met elkaar in verbinding. Het bestaande regenwaterriool wordt ter hoogte van het plangebied onderbroken en via het plangebied omgelegd en aangesloten op de 2 ondergrondse waterbergingen. De voorzieningen kunnen bergen van 1.10m NAP tot een niveau van 1,80m NAP. Bij deze hoogten liggen ook deze ondergrondse bergingen in natte perioden geheel of gedeeltelijk in het grondwater en worden als ‘waterdichte’ bergingsvoorziening aangelegd. Ook dit rioolsysteem krijgt een eigen noodoverlaat (overstortmuur) op de bestaande afvoerleiding onderaan de dijk. Onderin de noodoverlaat wordt weer een knijpconstructie (maximale b.o.b. 1.10m NAP) aangebracht welke zorgt voor het leeglopen van de waterbergingen. De overstortdrempel komt op een hoogte van 1,80m NAP. Tussen de plangrenzen en erfgrenzen van de bestaande woningen worden drainkoffers aangelegd. Regenwater dat op de percelen van de bestaande bebouwing valt wordt hiermee opgevangen en afgevoerd. De drainkoffers worden aangesloten op het aparte regenwaterstelsel. Op dit rioolsysteem worden ook de regenwateraansluitingen van de bestaande percelen aangesloten. Aan de oostzijde van het plangebied liggen de woningen 689 t/m 693.

Ook deze woningen behoren tot hetzelfde hydrologische gebied. Het maaiveld in de achtertuinen/in de teen van de dijk ligt plaatselijk lager dan de hoogte van de noodoverlaat van de nieuwe regenwaterriolering in het plangebied. Het bestaande regenwaterriool vanaf deze woningen wordt daarom op het rioolsysteem (B) van de bestaande bebouwing aangesloten. Het riool van deze woningen wordt opgepakt ter hoogte van Rivierdijk 748 (zuidoostelijke hoek plangebied). Omdat het bestaande regenwaterriool in de Rivierdijk bovenstrooms van dit punt ligt, gaat ook de bestaande wegverharding van de Rivierdijk afvoeren naar hetzelfde regenwaterstelsel. Vuilwater Binnen het plangebied wordt een vrijverval vuilwaterstelsel, gemaal aangebracht en persleidingen worden omgelegd. Het vrijverval vuilwaterstelsel gaat zowel het afvalwater uit het plangebied en van de omliggende woningen Rivierdijk 748 t/m 830 afvoeren. Overbodige persleidingen worden verwijderd en bestaande pompputten worden omgebouwd naar vrijverval en aangesloten op het vuilwaterriool in het plan. Het vuilwater voert af naar een nieuw gemaal in het westen van het plan. Vanaf dit gemaal wordt Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

27

het afvalwater verpompt naar de RWZI van het waterschap. Dit wordt gerealiseerd door de persleiding van het nieuwe gemaal aan te sluiten op de bestaand persleiding onderaan de dijk. De bestaande persleiding ter hoogte van de appartementen/verhoogde plein wordt verwijderd en omgelegd via het plangebied. Deze gaat lozen op het nieuwe gemaal. Dit geldt ook voor de pompputten/ persleidingen vanaf de “Woonarken” en woningen Rivierdijk 689 t/m 693. Dit voorkomt verdringing van kleinere pompputten door het nieuwe gemaal. Hoe de hiervoor beschreven systemen er precies uit zullen komen te zien, en welke berekeningen hiervoor zijn gebruikt, is beschreven in het waterhuishoudkundig plan dat is opgesteld door KPM Civiel. Deze rapportage is opgenomen als bijlage 13 bij de toelichting. Waterkwantiteit Voor plannen met een toename van verhard oppervlak zijn compenserende maatregelen nodig. Bij toename van verharding tot 5.000 m2 is stedelijk en landelijk gebied geldt de vuistregel: 436 m3 waterberging per hectare verharding. Bij een toename van meer dan 5.000 m2 verharding in stedelijk of landelijk gebied is maatwerkberekening nodig. In het voorliggende geval is een maatwerkberekening nodig. Door KPM Civiel is een waterhuishoudkundig plan opgesteld waarin de waterhuishouding en riolering is toegelicht.

Aan de bergingseis zal worden voldaan doormiddel van bergingssystemen onder parkeerkoffers. De gedetailleerde berekeningen zijn opgenomen in het waterhuishoudkundig plan. De rapportage, inclusief berekeningen, is opgenomen als bijlage 13 bij de toelichting. Waterkwaliteit Voor de nieuwbouw van woningen en andere bebouwingen gaan het waterschap en de gemeente uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Voor een goede waterkwaliteit is het van belang dat er bij de bouw geen uitlogende materialen gebruikt worden, om te voorkomen dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Het gebruik van (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen is niet toegestaan op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Als dergelijke materialen toch gebruikt worden, dient het regenwater te worden gezuiverd alvorens het wordt afgevoerd; daarbij valt te denken aan bodempassages, lamellenfilters en bermpassages (van belang is een voldoende zuiveringsrendement).

Hemelwater moet in ieder geval op deze wijze gezuiverd worden voordat het wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Veiligheid Het plan ligt grotendeels in de beschermingszone en de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Tevens ligt een gedeelte van het plangebied ook in de kernzone van de waterkering. Deze zones worden gerespecteerd in het toekomstige plan en de regels die hierbij gelden worden overgenomen in dit bestemmingsplan. Natte natuur/ verdroging Het plangebied is niet gelegen in een (nat) natuurgebied of (natte) ecologische verbindingszone. Doordat alleen schoon hemelwater het plangebied verlaat (met uitzondering van het vuilwater dat via het riool wordt afgevoerd), kunnen natte natuurwaarden op afstand niet via het oppervlaktewater worden Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

28

aangetast. Verdroging zal niet optreden door de voorgestane ontwikkelingen, omdat het grondwaterpeil niet zal worden aangepast. Kwel en hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen is een belangrijk uitgangspunt van het waterschap. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extra) kwel aantrekken. Hydrologisch neutraal betekent dat de grondwateroverlast en kwel niet mogen toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Als het aantrekken van kwel door bouwactiviteiten onvermijdelijk is, dan zijn compenserende maatregelen nodig. (Grond)wateroverlast Binnen het project worden maatregelen getroffen om ongewenst hoge grondwaterstanden te voorkomen. Het plangebied wordt opgehoogd naar ca. +3.25 c.q. 3.50m NAP. Zonder maatregelen leidt dit tot een kleine grondwaterstandverhoging. Door het gehele plangebied te voorzien van een drainage stelsel worden ongewenste grondwaterstanden voorkomen. Onder de woningen en wegen worden drainagebuizen aangelegd. Bevoegd gezag eist een drooglegging van minimaal 0.80m ten opzichte van straatpeil. Dit wil zeggen dat het grondwater tot maximaal 0.80m onder toekomstig maaiveld mag stijgen. De drainage zorgt ervoor dat deze grondwaterstand niet hoger kan worden. De drainage wordt aangebracht op ca. 1.00 minus toekomstig straatpeil.

De drainage wordt aangesloten op het hemelwaterriool van het plangebied en wordt tijdelijke geborgen waarna het via de knijpconstructie afvoert op “De Peulen”. De drainage langs de plangrenzen (tegen bestaande percelen aan) hebben als hoofddoel het opvangen van regenwater dat over maaiveld afstroomt. In de bestaande situatie stroomt bij extreme buien een deel van het regenwater dat op de bestaande percelen valt naar de laaggelegen delen van de IJzergieterij. In de toekomst komt het maaiveld van het plangebied hoger te liggen en is dit niet meer mogelijk. Om dit afstromende regenwater af te voeren worden er tussen de plangrenzen en grenzen bestaande woningen Rivierdijk grindkoffers aangebracht. Deze grindkoffers zijn voorzien van drainage welke het water afvoeren naar het waterbergingssysteem in het plangebied. Deze constructie is enkel bedoeld voor het opvangen van regenwater dat over het maaiveld afstoomt en niet voor onttrekken van grondwater. De drainage dan ook boven de maximale gemeten grondwaterstand aangebracht. De waterberging in dit rioolsysteem is voldoende groot om een bui T=100+10% te kunnen opvangen (66.4mm). Daarna gaat het regenwater via de overstorten in het rioolsysteem richting het oppervlaktewater “De Peulen”. Om het hoogteverschil op te vangen tussen plan en bestaande percelen worden bij een hoogteverschil keerwanden geplaatst.

Achter deze keerwanden/taluds (tegen perceelsgrenzen bestaande woningen) worden de grindkoffers aangelegd. De drainage wordt voorzien van doorspuitputten zodat deze beheersbaar/te reinigen is. Uit berekeningen blijkt dat bij een bui 10 (bij een gevulde berging) nog steeds geen water op straat komt te staan en het water via de noodoverlaat wordt afgevoerd. Desniettemin worden maatregelen getroffen waardoor er water op straat kan staan en hemelwater niet direct over maaiveld naar de laagstgelegen percelen toestroomt. Dit zijn de bestaande woningen aan de Rivierdijk en het terrein van de woonarken. Door een hol profiel aan te brengen kan er nog enigszins hemelwater geborgen. Door rondom het plangebied een kerende hoogte te creëren op +3.40m NAP wordt ca. 0.10m extra berging op straat gecreëerd. Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

29

Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen is een vergunning benodigd. De Legger is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Ontwerpnormen In de Beleidsregels voor de Keur van het waterschap zijn ontwerpnormen voor het watersysteem opgenomen. Verder zijn er Algemene regels, bijvoorbeeld voor het planten van bomen langs sloten. Stilstaand water moet zoveel mogelijk worden voorkomen, door het onderling verbinden van sloten of bij doodlopende wateren door het plaatsen van lozingspunten vanuit het regenwaterriool. 5.4

Conclusie Het ontwerpbestemmingsplan is conform het gestelde in ex artikel 3.1.1. van het Bro, aan het Waterschap voorgelegd. De reacties van het Waterschap zijn meegenomen in het bestemmingsplan en het waterhuishoudkundig plan. Het Waterschap is akkoord met de wijzigingen, waardoor het aspect water geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

30

6

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

6.1

Archeologie

6.1.1

Kader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft kaarten vervaardigd waarin de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) van Zuid-Holland is vastgelegd. Dit project is opgezet om het beleid en alle verantwoordelijkheden die de provincie heeft op het gebied van cultureel erfgoed - archeologie, nederzettingsgeschiedenis en landschapsbehoud - te onderbouwen en te integreren. Zo kan de waardering, de toetsing en de actieve bescherming van historische kwaliteiten worden verbeterd. De kaarten vestigen de aandacht op onder meer de landschapsvorming in het poldersysteem.

Afbeelding 6.1: uitsnede uit de CHS Zuid-Holland – landschap (plangebied in zwart)

Afbeelding 6.2: uitsnede uit de CHS Zuid-Holland – Archeologie (plangebied in zwart)

Uit de kaart van de CHS Zuid-Holland blijkt dat aan de noordrand van het plangebied een rivierdijk met een hoge waarde aanwezig is. Deze historische waardevolle lijn wordt echter door de planontwikkelingen niet aangetast. Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

31

Uit de bovenstaande kaart van de CHS Zuid-Holland valt af te leiden dat er voor grote delen van het plangebied een zeer grote kans op het aantreffen van archeologische sporen geldt. Gemeentelijke Beleidsnotitie Archeologie Op de Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente HardinxveldGiessendam (BAAC 2009) is een verfijning gegeven van de archeologische (verwachtings)waarden. Uitgangspunt is het zoveel mogelijk behouden van archeologische waarden ‘in situ’ door deze in te passen in de ontwikkeling. Het plangebied herbergt verschillende archeologische zones. Het is in het uiterste noorden en zuiden aangeduid als een zone met een hoge archeologische verwachting dieper dan 1,5 meter beneden maaiveld voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Dat betekent dat bij ingrepen die groter zijn dan 250 m2 en dieper reiken dan 150 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Daarnaast ligt een gedeelte een hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden het maaiveld. In overige gedeelten van het plangebied ligt een lage verwachting. Waarbij onderzoek nodig is bij ingrepen groter of gelijk aan 10.000m2 en dieper dan 30 centimeter.

Afbeelding 6.3: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Hardinxveld-Giessendam, BAAC 2009

Regioprofielen Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft de regio ingedeeld in gebiedsprofielen. Een gebiedsprofiel beschrijft en visualiseert kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn. Gemeente Hardinxveld-Giessendam valt onder het gebiedsprofiel Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. De ambities die zijn gesteld in dit gebiedsprofiel zijn beschreven in paragraaf 4.2 van deze toelichting.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

32 6.1.2

Onderzoek Voor het beschermen van de verwachtingswaarden is aangesloten op de Beleidsnotitie Archeologie van de gemeente zoals vastgesteld op 17 augustus 2010 door de gemeenteraad en de bijbehorende “Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, Gemeente Hardinxveld-Giessendam” (zie ook paragraaf 3.6). Het plangebied herbergt verschillende archeologische zones. Het is gedeeltelijk aangeduid als een zone met een hoge archeologische verwachting dieper dan 1,5 meter beneden maaiveld voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Dat betekent dat bij ingrepen die groter zijn dan 250 m 2 en dieper reiken dan 150 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Daarnaast ligt in het zuidelijk gedeelte een hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden het maaiveld. In het noordoostelijk gedeelte van het plangebied ligt een lage verwachting. Waarbij onderzoek nodig is bij ingrepen groter of gelijk aan 10.000m2 en dieper dan 30 centimeter. Op grond van het vigerende bestemmingsplan en de Beleidsnotitie Archeologie geldt voor deze locatie een archeologische verwachtingswaarde. Een archeologisch onderzoek is derhalve voor een deel van het perceel benodigd bij werkzaamheden groter dan 250 m2.

IDDS Archeologie heeft in oktober 2013 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan vier locaties in Hardinxveld-Giessendam, gemeente Hardinxveld-Giessendam. De aanleiding voor dit onderzoek is de geplande herinrichting van de vier locaties, waarbij de huidige bebouwing wordt gesloopt en wordt vervangen door nieuwbouw. Het plangebied in dit bestemmingsplan is in het archeologisch onderzoek aangeduid als locatie 4. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 6 bij de toelichting. Het onderzoek heeft uitgewezen dat locatie 4 (net als locatie 1 en 2) in het buitendijkse gebied ligt. De natuurlijke afzettingen, bestaande uit gorzen, hebben een lage verwachting omdat ze zijn gevormd door regelmatige overstromingen van de Merwede. Over de natuurlijke afzettingen is een ophoogpakket aanwezig, voornamelijk bestaande uit zand maar in locatie 4 ook vaak uit opgebracht puin van de IJzergieterij. Omdat deze locatie ook buitendijks lag en pas bruikbaar werd na ophoging, geldt voor dit gebied een lage verwachting voor alle perioden en wordt geadviseerd hier geen nader onderzoek uit te laten voeren. In verband met de eventuele verouderde onderzoeksgegevens heeft onderzoeksbureau Vestigia in september 2020 een second opinion uitgevoerd (bijlage 18).

Hieruit blijkt dat het archeologiebeleid sinds de rapportage uit 2013 niet is veranderd. Het archeologisch onderzoek uit 2013 is destijds uitgevoerd conform de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) versie 3.2. Inmiddels wordt in Nederland gewerkt met versie 4.1. Om te bepalen of het onderzoek nog steeds voldoet aan de huidige richtlijnen, is het betreffende rapport getoetst aan de KNA versie 4.1. Op basis van deze second opinion kan worden geconcludeerd dat het archeologisch onderzoek uit 2013 is uitgevoerd op een wijze, die eigenlijk alleen op administratieve details afwijkt van de geldende kwaliteitsrichtlijnen KNA versie 4.1. De werkwijze van het onderzoek is afdoende herleidbaar.

6.1.3

Conclusie Met het toevoegen van de second opinion is het rapport uit 2013 geactualiseerd en geldt het als inhoudelijke onderbouwing van het aspect archeologie. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

33

6.2

Cultuurhistorie

6.2.1

Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2016. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In 2017 heeft de Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ een doorstart gekregen. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaalculturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het Rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in deze vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.

6.2.2

Conclusie Uit de kaart van de CHS Zuid-Holland blijken in het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten aanwezig te zijn. Het gebied herbergt geen waardevolle aspecten. Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

34

7.

MILIEUASPECTEN

7.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

7.1.1

Kader Het gewijzigde besluit Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast, waardoor drempelwaarden nu indicatief zijn. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich met die toets ervan vergewissen dat er door het initiatief geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zullen worden veroorzaakt. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject van 100 hectare of meer en een aaneengesloten gebied met 2000 woningen of meer geldt er een beoordelingsplicht. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.

De achterliggende gedachte bij de mer beoordelingsplicht is dat ook voor de gevallen die (ver) onder de drempelwaarden liggen moet worden bezien of aanzienlijke gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).

Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Door de initiatiefnemer moet (vanwege een recente wijziging van het Besluit m.e.r.) een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden opgesteld. Dit geldt voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst die onder de drempelwaardes vallen. Aan de hand van de aanmeldnotitie besluit het bevoegd gezag of er wel of geen m.e.r. voor het initiatief wordt opgesteld (m.e.r.beoordelingsbeslissing). De initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de aanvraag om vergunning voegen. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 12. Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

35

Tevens zijn in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. 7.2

Akoestisch onderzoek

7.2.1

Kader Op de locatie IJzergieterij binnen de gemeente Hardinxveld-Giessendam is het voornemen woningbouw te realiseren. Deze nieuwe woningen zijn gelegen binnen de in de Wet geluidhinder vastgelegde onderzoekszone van de Rijksweg A15, de route Peulenstraat-Zuid/Rivierdijk en de Nieuweweg. Dit betekent dat op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd en moet worden getoetst aan de normen uit deze wet. De gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft het ‘Beleid Hogere Waarden’ vastgesteld op 3 april 2012. In dat beleid zijn voorwaarden opgenomen waaronder een hogere grenswaarde kan worden vastgesteld. Op 21 augustus 2018 is het rapport ‘Geluidbeleid Goede Ruimtelijke Ordening’ vastgesteld. De hoofdlijnen van het beleid zijn vergelijkbaar met het oude beleid. In dit beleid is beschreven dat elke woning met een geluidsbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde een geluidsluwe gevel en buitenruimte moet hebben. Er is sprake is van een geluidluwe gevel en buitenruimte als de geluidbelasting gelijk of lager is dan 50 dB (exclusief aftrek) door het verkeer op de A15. Onderbouwde afwijkingen van het beleid zijn toegestaan. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast de geluidsbelasting beoordeeld voor het scheepvaartverkeer over de Beneden-Merwede ten zuiden van deze locatie.

De locatie is niet gelegen binnen de onderzoekszone van een spoorweg of gezoneerd industrieterrein. Deze geluidsaspecten zijn daarom verder buiten beschouwing gelaten.

7.2.2

Onderzoek Binnen het bestemmingsplan IJzergieterij wordt de bouw van nieuwe woningen toegestaan. Omdat deze locatie direct ten zuiden van de Rijksweg A15 is gelegen, is geluid een belangrijk aspect geweest bij de voorbereiding van het verkavelingsplan en het bestemmingsplan. In de afgelopen jaren zijn diverse onderzoeken uitgevoerd waardoor de geluidssituatie gedetailleerd in beeld is gebracht. De bevindingen van deze onderzoeken zijn samengevat in de oplegnotitie ‘Onderbouwing Hogere Waarden IJzergieterij van 26 september 2018 (bijlage 7 bij de toelichting). Uit de onderzoeken blijkt dat de maximale ontheffingswaarde van 53 dB door het verkeer op de A15 wordt overschreden. Uit het verrichte akoestisch onderzoek blijkt dat het niet mogelijk is om alle woningen in het plan een geluidsluwe gevel en buitenruimte te bieden. Dit wordt met name veroorzaakt door het diffuse geluidveld van de A15 over het bestaande geluidsscherm. Omdat het scherm langs de A15 bovendien vooral een afschermend effect heeft op de lagere verdiepingen is een geluidsluwe gevel niet op alle verdiepingen te realiseren. Op de overzichtskaarten dove gevels is aangegeven welke grondgebonden woningen, met het bestaande geluidsscherm, niet voldoen aan de voorwaarden uit het gemeentelijke beleid voor wat betreft de aanwezigheid van een geluidsluwe buitenruimte.

Deze overzichtskaarten is opgenomen als bijlage 6 bij de regels. Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

36

Conform het hogere waardenbeleid is nagegaan of geluidreducerende maatregelen kunnen worden getroffen, ondermeer door het realiseren van een nieuw, hoger of langer geluidsscherm. Geoordeeld is dat het slopen van het bestaande geluidsscherm en het bouwen van een nieuw, hoger of langer scherm niet doelmatig is (het verhogen van het bestaande scherm is niet uitvoerbaar). Er is op basis van de afwegingen in deze notitie gekozen voor een gesloten verkaveling in het westelijke deel van het plan en voor de toepassing van dove gevels waar dat nodig is in de zone van de A15. De overzichtskaart waar een dove gevel moet worden toegepast is opgenomen als bijlage 6 bij de regels. Voor het grootste deel van de appartementen wordt de buitenruimte aan de zuidzijde van het gebouw gepositioneerd (zijde Beneden Merwede). Door de buitenruimte inpandig of afgeschermd uit te voeren maakt de realisatie van een geluidsluwe buitenruimte en een geluidsluw geveldeel in deze buitenruimte voor een deel van de woningen mogelijk. Voor de gestapelde woningen die (éénzijdig) georiënteerd zijn op het westen zijn aanvullende (bouwkundige) maatregelen noodzakelijk. De uitgevoerde onderzoeken en haalbaarheidsstudies zijn samengevat in de eerdergenoemde oplegnotitie “Onderbouwing hogere waarden Wgh bestemmingsplan IJzergieterij”.

De notitie vormt de onderbouwing voor de vaststelling van deze hogere waarden gebaseerd op de uitgevoerde onderzoeken. In de bijlagen van de notitie zijn het akoestisch rapport en twee eerdere notities bijgevoegd op basis waarvan de onderbouwing is geschreven. De onderzoeken zijn gebaseerd op een enigszins gedateerde verkaveling. Onafhankelijk van de verkaveling wordt evenwel geconcludeerd dat voor alle woningen een hogere waarde nodig is ten behoeve van het verkeer op de A15. Voor het wettelijk kader en de uitgangspunten bij deze onderzoeken wordt verwezen naar deze rapporten. In bijlage 6 van de regels zijn de meest recente dove gevelkaarten opgenomen die zijn gebaseerd op de meest recente verkaveling. In de regels van het bestemmingsplan is verankerd dat slechts indien de op de bedoelde kaart aangeduide dove gevels zijn gerealiseerd, de woningen mogen worden gebruikt.. Als vervolg op deze onderzoeken is een hogere waarden procedure in het kader van de Wet geluidhinder doorlopen. 7.2.3

Conclusie De bouw van woningen op deze locatie is mogelijk in het geval voor een deel van de gevels van de woningen een dove gevel wordt toegepast. Deze dove gevel is noodzakelijk omdat de maximale grenswaarde van 53 dB voor het verkeer op de A15 wordt overschreden. In de regels is verankerd dat deze voorzieningen ook daadwerkelijk worden toegepast. Uit het onderzoek blijkt verder dat niet kan worden voldaan aan de voorwaarde dat elk van de woningen een geluidsluwe gevel en buitenruimte heeft. Een deel van de woningen heeft geen geluidsluwe luwe en/of buitenruimte. Uit onderzoek is gebleken dat door inpandige of afgeschermde buitenruimten te maken, een geluidsluwe buitenruimte en een geluidsluw geveldeel in deze buitenruimte voor een deel van de woningen wel mogelijk is. Een hogere waarde besluit is noodzakelijk in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan ‘IJzergieterij’ voor het verkeer op de A15. Dit besluit is inmiddels genomen. Motivering afwijken geluidbeleid IJzergieterij In het Geluidbeleid Goede Ruimtelijke Ordening Hardinxveld-Giessendam 2018 (hierna te noemen 'geluidbeleid')is vastgelegd dat bij het vaststellen van hogere waarden onder meer een afweging gemaakt moet worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat als een woning beschikt over een geluidsluwe gevel én een geluidsluwe buitenruimte.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

37

Met betrekking tot het woningbouwproject de IJzergieterij is uit akoestisch onderzoek gebleken dat een gedeelte van de woningen niet voldoet aan deze eis. Er is echter vanuit het geluidbeleid een mogelijkheid om hiervan af te wijken, mits dit gemotiveerd gebeurt. Het college van B&W heeft ervoor gekozen om bij het bestemmingsplan van de IJzergieterij van deze afwijkingsmogelijkheid gebruik te maken. De volgende motivering ligt hieraan ten grondslag. Uit het akoestisch onderzoek is gebleken dat het treffen van maatregelen bij de geluidsbron of in de overdracht onvoldoende doeltreffend zijn en/of financieel onhaalbaar zijn. Tijdens het proces is daarom gekeken in hoeverre veranderingen in stedenbouwkundige opzet, als ook het nemen van bouwkundige maatregelen bijdragen aan het verbeteren van de akoestische situatie. Daarbij zijn er op enkele punten verbeteringen gerealiseerd. Zo is de toepassing van het aantal meters dove gevels aanzienlijk verminderd. Op andere punten bleken aanpassingen en verbeteringen niet of nauwelijks mogelijk. Veranderingen in opzet hangen daarbij ook nauw samen met andere aspecten van het plan. Zo is er meer ruimte gerealiseerd tussen de huidige bebouwing en toekomstige woningen en is er een extra lus voor het verkeer toegevoegd om de Rivierdijk te ontlasten. Verder is gekeken naar de grootte van de afwijking.

Een groot gedeelte kent een minimale afwijking van het geluidbeleid (1-3 dB). Op dit moment is de gemeente in gesprek met Rijkswaterstaat over het saneringsplan geluid voor de A15. Deze gesprekken alsmede de toekomstige verbreding van de A15 bieden kansen voor het nemen van maatregelen die een positief effect kunnen hebben. Met name voor woningen die nu minimaal afwijken zou de akoestische situatie dusdanig kunnen verbeteren dat er alsnog sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Enkele woningen hebben een grotere afwijking (5dB). Wanneer er naar het plangebied gekeken wordt valt op dat dit voornamelijk woningen zijn in het gebied dat het meest nabij de A15 ligt. Op deze plek zouden in het oorspronkelijke plan grondgebonden woningen komen. De gemeente heeft echter de wens uitgesproken om in dit plangebied ook ruimte te creëren voor starterswoningen. De grondgebonden woningen zijn daarom in het huidige plan vervangen voor een appartementencomplex dat voorziet in deze behoefte. De keuze om af te wijken is daarbij niet enkel naar het geluidsaspect als zodanig gekeken, maar ook naar het bredere maatschappelijke belang van dit woningbouwproject. Daarbij spelen de ambities en afspraken met betrekking tot de Groeiagenda 2030 en de Regiodeal Drechtsteden-Gorinchem een belangrijke rol.

In de gemeente Hardinxveld-Giessendam liggen de komende jaren de nodige plannen om woningen toe te voegen en zo bij te dragen aan de lokale en regionale groeiopgave. De gemeente zet hierbij in op minimaal de lokale behoefte en een organische groei ten behoeve van de regionale behoefte. Volgens de prognose (april 2019) zijn voor de lokale behoefte tot 2030 jaarlijks ruim 80 woningen nodig in Hardinxveld-Giessendam. Daarbovenop bouwen we extra woningen in het duurder segment, om aan de doelstellingen vanuit de regio Drechtsteden te voldoen: meer midden- en hoogopgeleiden aantrekken. Het woningbouwproject IJzergieterij in de gemeente Hardinxveld-Giessendam is noodzakelijk om aan de lokale en regionaal ambities te voldoen. In het jaar 2020 ligt de woningbouwproductie onder het gewenste niveau van minimaal 80 woningen per jaar. Voor 2021 is het vooruitzicht dat deze gewenste woningbouwproductie ook niet wordt gehaald. Ook zet de gemeente Hardinxveld-Giessendam in op doorstroming door kwalitatief goede woningen toe te voegen. Zo kunnen doorstromers een stap zetten in hun wooncarrière en laten zij woningen achter voor starters op de woningmarkt. Daarnaast is er een grote krapte op de woningmarkt omdat er een stapeling is van opgave op het gebied van wonen, bovenop de al bestaande opgave.

Het gaat hierbij onder andere om de extramuralisering van de zorg, de opgave van huisvesting voor dak- en thuislozen en huisvesting voor arbeidsmigranten. Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

38

Alles overziende is het college van B&W van mening dat de akoestische situatie niet optimaal is, maar dat er alles aan gedaan is om het woningbouwproject binnen de gegeven context te optimaliseren. Wel is het college van B&W van mening dat toekomstige bewoners goed geïnformeerd moeten worden over de akoestische situatie. Met de ontwikkelaar zal worden afgesproken dat er een passage in de koopovereenkomst komt te staan. 7.3

Luchtkwaliteit

7.3.1

Kader Op grond van de Wet milieubeheer dienen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst te worden aan de Wet luchtkwaliteit. Een ruimtelijke ontwikkeling mag volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsbeleid Luchtkwaliteit (NSL); de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

7.3.2

Onderzoek Een nieuw woongebied waarin ook (commerciële) voorzieningen mogelijk worden gemaakt valt niet binnen de NIBM-regeling van de Wet luchtkwaliteit. Om deze reden is onderzoek noodzakelijk naar het effect op de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen. Voor dit onderzoek is de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe woningen en voorzieningen relevant. In het hoofdstuk Mobiliteit is de verkeersaantrekkende werking berekend. Uitgangspunt is een maximale verkeersgeneratie van circa 1.579 motorvoertuigen per etmaal. Deze verkeersgeneratie is gebaseerd op het verkeersonderzoek door GraaffTraffic. Goede ruimtelijke ordening Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of ter plaatse van het plangebied, mogelijke hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen aanwezig zijn. Langs wegen zijn met name de stoffen NO2, PM10 en PM2,5 van belang. Om de luchtkwaliteit op deze locatie te kunnen beoordelen is gebruik gemaakt van de NSLmonitoringstool. In deze tool zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Op de volgende afbeelding zijn de jaarconcentraties NO 2, PM10 en PM2,5 weergegeven voor het peiljaar 2020.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

39

Afbeelding 7.3: jaargemiddelde concentratie NO2, PM10 en PM2,5 (peiljaar 2020).

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 25,4 μg/m3, 19,7 μg/m3 en 11,7 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. De trend is dat de emissies en de achtergrondconcentraties voor de voorgenoemde stoffen in de toekomst zullen afnemen, waardoor in de toekomst dan ook geen overschrijdingssituaties zijn te verwachten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is berekend welke bijdrage het voorliggende plan levert aan de concentratie van fijnstof. Op basis van de ingevoerde gegevens is de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate. In de rekentool zijn 1.218 extra verkeersbewegingen ingevoerd, op basis van het verkeersonderzoek. De huidige situatie (361 verkeersbewegingen) is hier van het totaal aantal verkeersbewegingen (1.579) afgehaald, het gaat immers op de toename van het verkeer door het plan. Volgens het verkeersonderzoek gaat er geen extra vrachtverkeer over de weg.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2020

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

1218

Aandeel vrachtverkeer

0.0%

3

NO2 in μg/m

0.97

3

0.19

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer

PM10 in μg/m Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

3

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

7.3.4

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

1.2

40

7.4

Externe veiligheid

7.4.1

Inleiding Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, zoals woningen. In de omgeving van de locatie zijn de volgende risicobronnen aanwezig: - Transportroute voor gevaarlijke stoffen A15 - Transportroute voor gevaarlijke stoffen Beneden-Merwede

7.4.2

Wettelijk kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten (en de gevolgen daarvan) die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.

Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Bij complexe projecten ligt doorgaans een proces van overleg met veiligheidsdeskundigen ten grondslag. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) hanteert een vaste afstand van 200 meter, gemeten vanaf de buitenrand van de transportroute, voor het verantwoordingsgebied. Binnen dit gebied dient de hoogte van het GR inzichtelijk te worden gemaakt. Het invloedsgebied is afhankelijk van de afstand van de 1% letaliteitsgrens van de verschillende stoffen over de transportroute.

Voor de meest bepalende stofcategorie GF3 (zoals LPG) is dat 355 meter, gemeten vanaf de as van de transportroute. Binnen Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

41

het invloedsgebied dient een motivering te worden opgesteld over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als in het Bevb, onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. d. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes.

Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen. Voor transportroutes over de weg bedraagt het PAG 30 meter, gemeten vanuit de rand van de transportroute. Een overzicht van de opgenomen populatie in de rekenmodellen is te vinden in het onderzoekrapport dat is opgenomen als bijlage 8 bij de toelichting. 7.4.3

Onderzoek Transportroute voor gevaarlijke stoffen Beneden-Merwede Het plangebied grenst aan de rivierdijk van de Beneden-Merwede. Deze rivier is volgens de risicokaart van provincie Zuid-Holland aangewezen is als vaarroute voor gevaarlijke stoffen. De Beneden-Merwede is onderdeel van de binnenvaartroute Corridor Rotterdam – Duitsland. Bij de analyse van vaarwegen worden volgens de “Handleiding Risicoanalyse Transport” drie routetypen onderscheiden. De vaarwegen zijn ingedeeld in bevaarbaarheidsklassen of CEMTklassen. De CEMTklasse legt de maximale afmetingen vast van een schip dat op de vaarweg is toegestaan. De BenedenMerwede heeft de bevaarbaarheidsklasse 6. Aangezien met onderhavig bestemmingsplan de ontwikkeling van nieuwe kwetsbare objecten, zoals woningen, mogelijk wordt gemaakt, zijn met behulp van de HART-methode de externe veiligheidsrisico’s bepaald. Toetsing plaatsgebonden risico Vuistregel 1: Een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 heeft geen PR 10-6 contour. Toetsing oriëntatiewaarde groepsrisico Vuistregel 1: Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

42

Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde groepsrisico Vuistregel 1: Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico alleen mogelijk overschreden wanneer binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden voorkomen groter dan 500 /ha en LT2+GT3>1000 per jaar. Er worden over de Beneden-Merwede geen stoffen uit de categorie LT2 vervoerd en het aantal GT3 transporten is slechts 196, waardoor de 10% van de oriëntatiewaarde groepsrisico niet wordt overschreden. Plasbrandaandachtzone Vanwege het transport van licht ontvlambare vloeistoffen dient rekening te worden gehouden met een plasbrandaandachtszone. Deze is gelegen op 25 meter landinwaarts, gemeten vanaf de oeverlijn. Gebouwen die binnen deze zone gebouwd worden, dienen te voldoen aan de bouwkundige eisen die gesteld zijn in artikel 2.5 tot en met 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012. Het plangebied bevind zich binnen de plasbrandaandachtzone, maar de geplande bebouwing is buiten deze zone gelegen. Transportroute voor gevaarlijke stoffen Rijksweg A15 Ten noorden van het plangebied bevindt zich de rijksweg A15 op enkele meters van het plangebied. De nieuwe bebouwing die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is gelegen op minimaal 32 meter van de rand van de weg.

Aangezien de ontwikkellocatie binnen de 200 meter basisnetafstand van de Rijksweg A15 is gelegen, dient er een verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. Plaatsgebonden risico en PAG zone De A15 heeft een PR 10-6 contour van 46 meter gemeten vanuit het hart van de weg. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Langs de Rijksweg geldt een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter aan weerszijden van de rand van de weg. Als rand van de weg wordt de buitenste kantstreep aangehouden. Het PAG omvat ook het gebied boven de rijksweg. Voor zover binnen de PR 10-6 contour en het PAG gebouwd mag worden, moeten op grond van het Bouwbesluit 2012 aanvullende bouwtechnische maatregelen worden getroffen die vooral gericht zijn op vergroting van de zelfredzaamheid. Zowel de PR 10-6 contour en de PAG zone zijn deels binnen het plangebied gelegen. De nieuw te realiseren bebouwing komt echter niet binnen deze zones. Groepsrisico Op onderstaande afbeelding is het resultaat van de groepsrisicoberekening in de huidige en plansituatie weergegeven.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

43

Afbeelding 7.4 FN-curve groepsrisico huidige situatie (blauw) en plansituatie (roze)

Het groepsrisico is berekend met het softwarepakket RBM II. RBM II is het voorgeschreven rekenpakket voor het berekenen van de omgevingsveiligheidsrisico’s van vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Met RBM II kan worden bepaald of voldaan wordt aan de risiconormen zoals die zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes. RBM II berekent het groepsrisico voor het totale ingevoerde traject en voor het kilometer deeltraject waar het groepsrisico het hoogst is. Het groepsrisico komt in de huidige situatie boven de oriëntatiewaarde uit met een normwaarde (N:F) van 0,02049. In de plansituatie wordt de oriëntatiewaarde eveneens overschreden en neemt licht toe. De normwaarde (N:F) in de plansituatie is 0,02098. In afbeelding 7.5 is met geel weergegeven op welk punt op het traject het groepsrisico het hoogst is. Dit is zowel in de huidige als de plansituatie op de A15 ter hoogte van de kerk aan de Breedewaij 1a in Hardinxveld. Deze kerk is zeer dicht op de weg gebouwd en bevindt zich zelfs binnen de PR 10-6 contour van de Rijksweg. Het gebouw heeft daarom een zeer groot effect op het groepsrisico. Met cyaan is de maatgevende kilometer aangegeven.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

44

Afbeelding 7.5 Geografische weergave punten met hoogste groepsrisico voor de huidige situatie en plansituatie.

Zowel in de huidige als in de plansituatie is er een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. In de plansituatie is er echter een lichte toename te zien. Deze toename van het groepsrisico kan verklaard worden doordat het aantal aanwezigen in de zowel in de dag- als de nachtperiode toeneemt in het plangebied. De toename is relatief klein aangezien in de plansituatie de grotere aanwezigheidsaantallen (appartementen en mogelijkheid tot commerciële functies) zich op grotere afstand van de A15 bevinden. Een deel hiervan bevindt zich zelfs buiten de basisnetafstand van 200 meter, waardoor dit minder zwaar meetelt in de berekening. Planologische en (steden)bouwkundige mogelijkheden Gebiedsvisie en ontwikkelkader De ontwikkeling van de locatie ‘IJzergieterij’ past binnen de ambitie van de gemeente HardinxveldGiessendam om een verstedelijkingsopgave te realiseren binnen de gemeente. In de structuurvisie van de gemeente Hardinxveld-Giessendam wordt de IJzergieterij aangemerkt als potentiële woningbouwlocatie. Momenteel zorgt de A15 voor een grote fysieke barrière tussen het dorp en de Beneden-Merwede. Met de ontwikkeling van de IJzergieterij wil de gemeente Hardinxveld-Giessendam een nieuwe verbinding tussen het dorp met de rivier realiseren.

De nieuwbouw in het plan sluit aan op de dijk, waarmee een Merwede-boulevard ontstaat die Hardinxveld-Giessendam een nieuw gezicht aan de rivier geeft. Naast deze locatie heeft de gemeente Hardinxveld- Giessendam eveneens woningbouwplannen op onder andere de locaties ‘Blauwe Zoom’ en ‘Woongebied ’t Oog’. Aangezien het grondgebied van de gemeente in oost-west richting doorsneden wordt door de vier risicobronnen Betuweroute, A15, hogedruk aardgastransportleiding W-528 en de rivier de Beneden Merwede, zijn er weinig mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico. Stedenbouwkundige afwegingen Vanwege de reden dat de kans op overlijden aanzienlijk groter is als men zich dichterbij de risicobron bevindt, is op stedenbouwkundig niveau rekening gehouden met de afstand tot de overheersende risicobron de A15 door meer aanwezigen te plaatsen op een grotere afstand van deze transportroute.

Bestemmingsplan “IJzergieterij” Toelichting Vastgesteld

45

Er is bewust voor gekozen om overgrote deel van de appartementengebouwen en de commerciële/ maatschappelijke functies op een grotere afstand van de A15 te positioneren. Op deze manier wordt de bevolkingsdichtheid lager naarmate men dichter bij de A15 komt. Bouwkundige afwegingen De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) heeft advies uitgebracht op 16 juli 2020. De adviezen van de VRZHZ zijn overgenomen in de deze rapportage. Het advies is te vinden in bijlage 20. De VRZHZ adviseert om, gelet op de afstand van de geplande woongebieden tot de A15, een aanvullende bouwkundige maatregel toe te passen. Het glas in verblijfsruimtes aan de risicozijde van woningen binnen de 90 meter van het midden van de rijksweg A15 moet een drukbelasting van 10 kPA kunnen weerstaan, berekent op basis van de rekenmethode PGS1 deel 2, met behulp van de Eindige Elementen Methode. Maatregelen aan de risicobron Aangezien de A15 een hoofdtransportroute van vervoer van gevaarlijke stoffen vormt en opgenomen is in het basisnet weg is het in de nabije toekomst niet mogelijk om de vervoersaantallen van gevaarlijke stoffen over deze route te verminderen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting.

Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Op de begane grond van de appartementencomplexen worden commerciële functies mogelijk gemaakt. Het is nog niet bekend of deze ruimten eventueel specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals kinderen van 0 tot 4 jaar, ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen. Vanuit volkshuisvestelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Maatgevende scenario vaarweg Het maatgevende scenario voor een vaarweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Door een incident op het water kan een breuk ontstaan in de grootste toevoerleiding boven de waterlijn van een gastanker met LPG, waardoor het gas uitstroomt en verdampt. Een ontsteking kan leiden tot een gaswolkontbranding en vervolgens een fakkelbrand op het schip. Andere scenario’s zijn een plasbrand met benzine (LF2) of een toxische wolk van acrylnitril (LT1) of ammoniak (GT3).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/565/documents/17786