CConstaterende datHardinxveld-Giessendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan De Rokerij.pdf

Gemeenteraad GHG 21 januari 2021, gemeente Hardinxveld-GiessendamBij agendapunt: 7: Bestemmingsplan 'De Rokerij' - Raadsvoorstel30.676 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Conclusie Het ontwerpbestemmingsplan is conform het gestelde in ex artikel 3.1.1. van het Bro, aan het Waterschap voorgelegd. De zienswijze van het Waterschap gaf aanleiding tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Daarnaast is het waterhuishoudkundig plan voorgelegd aan en goedgekeurd door het Waterschap. Het aspect water vormt hiermee geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

28

6

ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE

6.1

Archeologie Voor het beschermen van de verwachtingswaarden is aangesloten op de Beleidsnotitie Archeologie van de gemeente zoals vastgesteld op 17 augustus 2010 door de gemeenteraad en de bijbehorende “Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, Gemeente Hardinxveld-Giessendam” (zie ook paragraaf 3.6). Het plangebied herbergt verschillende archeologische zones. Het is gedeeltelijk aangeduid als een zone met een zeer hoge archeologische verwachting dieper dan 30 centimeter beneden maaiveld voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Dat betekent dat bij ingrepen die groter zijn dan 500 m2 en dieper reiken dan 30 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Onderzoek en conclusie Op grond van het vigerende bestemmingsplan en de Beleidsnotitie Archeologie geldt voor deze locatie een archeologische verwachtingswaarde. Een archeologisch onderzoek is derhalve voor het westelijk deel van het perceel benodigd bij werkzaamheden groter dan 30 m2. De voorliggende ontwikkeling is groter dan dat. In het kader van de ontwikkelingen is door Bureau voor Archeologie een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de richtlijnen van de KNA protocollen 4002 en 4003. In het kader van het onderzoek zijn kaarten, databases en literatuur geraadpleegd om te komen tot een gespecificeerde archeologische verwachting van het gebied.

Uit bureauonderzoek blijkt dat het plangebied ligt in de uiterwaarden van de Merwede, een rivier die zijn oorsprong kent in de Romeinse tijd. Langs deze rivier zijn oevers ontstaan, die relatief hoger lagen en daarmee bewoonbaar waren voor samenlevingen in de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen. In het zuidwestelijk deel van het plangebied is geen bebouwing aanwezig op historische kaarten. In het noordwesten is op deze kaarten wel bebouwing , dat zich concentreerde rond de (oude) rivierdijk. Het archeologisch relevante niveau wordt gevormd door de top van eventuele oeverafzettingen en/of top van de uiterwaardafzettingen van de Merwede stroomrug. In de top van de oeverafzettingen kunnen sporen van bodemvorming en rijping aanwezig zijn, die indicatief zijn voor zowel de verwachte aanwezigheid van archeologische resten. Op grond van eerder uitgevoerd onderzoek en de hoogtekaart is het plangebied opgehoogd. Het archeologisch niveau bevindt zich derhalve op ca. 1,7 tot 4,0 meter onder maaiveld. In het plangebied zijn acht boringen gezet tot maximaal 400 cm – mv. Bovendien heeft gelijktijdig milieukundig onderzoek plaatsgevonden. De milieukundige boringen zijn gebruikt ter indicatie en aanvulling. Uit het booronderzoek blijkt dat het plangebied ca.

1,80 tot 3,0 meter is opgehoogd met een heterogeen pakket bestaande uit een afwisseling van zwak tot sterk zandige klei (met bijmengingen aan puin en baksteen) en matig grof zand. Onder dit pakket is slappe, sterk ziltige klei aangetroffen met plantenresten en schepfragmenten. Het betreft waarschijnlijk uiterwaardafzettingen. Er zijn geen aanwijzingen voor archeologische waarden in het plangebied. Het gebied was mogelijk te nat en laaggelegen voor bebouwing en/of een oorspronkelijk bodemprofiel is opgenomen in het opgebrachte pakket, waarbij eventueel aanwezige behoudenswaardige archeologische resten zijn verstoord geraakt dan wel vernietigd. Er wordt daarom geadviseerd het gehele plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

29

Te alle tijden blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Vooralsnog zijn de vigerende dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting 2’ en ‘Waarde – Archeologische verwachting 8’ opgenomen, waarmee de archeologische verwachting is beschermd. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling. 6.2

Cultuurhistorie

6.2.1

Kader Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2016. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaalculturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in deze vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Regioprofielen Cultuurhistorie De provincie Zuid-Holland wil waardevolle cultuurhistorische elementen behouden of inpassen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Om dit richting te geven, zijn Regioprofielen Cultuurhistorie Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

30

opgesteld. De zestien regioprofielen dienen als een handreiking en sturingskader voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en adviesbureaus om cultuurhistorie op te nemen in ruimtelijke plannen. Ze zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in ruimtelijke plannen zoals die staan in de provinciale Structuurvisie. De regioprofielen ‘Herkenbaar waterrijk veenweide’, ‘Onderscheidend rivierengebied, Werkgebieden met karakter’ en ‘identiteitsdragers van Zuid-Holland’ zijn van toepassing op het gebied. Deze zijn eerder besproken in ‘3.7 Groen- en waterstructuur. 6.2.2

Conclusie Uit de kaart van de CHS Zuid-Holland blijken er in het plangebied geen belangrijke cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten aanwezig te zijn. In de omgeving van het plangebied is De Buurt aangewezen als Historisch landschappelijke lijn van hoge waarde en de Merwede als historisch landschappelijk vlak van hoge waarde. Met de ontwikkeling van de Rokerij wordt geen afbreuk gedaan aan cultuurhistorische waarden.

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

31

7.

MILIEUASPECTEN

7.1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het gewijzigde besluit Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast, waardoor drempelwaarden nu indicatief zijn. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich met die toets ervan vergewissen dat er door het initiatief geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zullen worden veroorzaakt. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject van 100 hectare of meer en een aaneengesloten gebied met 2000 woningen of meer geldt er een beoordelingsplicht. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.

De achterliggende gedachte bij de mer beoordelingsplicht is dat ook voor de gevallen die (ver) onder de drempelwaarden liggen moet worden bezien of aanzienlijke gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).

Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld. Door de initiatiefnemer moet (vanwege een recente wijziging van het Besluit m.e.r.) een ‘aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ worden opgesteld. Dit geldt voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst die onder de drempelwaardes vallen. Aan de hand van de aanmeldnotitie besluit het bevoegd gezag of er wel of geen m.e.r. voor het initiatief wordt opgesteld (m.e.r.beoordelingsbeslissing). De initiatiefnemer moet het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de aanvraag om vergunning voegen. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 17. Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

32

Tevens zijn in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. 7.2

Akoestisch onderzoek

7.2.1

Kader Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is er langs wegen en spoorwegen een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. De Wgh verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals woningen. De woningen zijn ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de Rivierdijk en de invloedssfeer van een aantal 30 km/h wegen. Het plangebied is ten aanzien van industrielawaai gelegen binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein “Langs de Merwede” dat ten westen van de planlocatie ligt.

7.2.2

Onderzoek Uit akoestisch onderzoek naar wegverkeer en industrielawaai is gebleken dat ter plaatse van de toekomstige gevels hoge geluidbelastingen optreden. Bij de uitwerking van de plannen wordt gekeken naar de benodigde maatregelen. De initiatiefnemer treedt hierover in overleg met de gemeente Hardinxveld-Giessendam en Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een verkennend akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. Het doel van het onderzoek is om de geluidsbelasting op de appartementen en woningen ten gevolge van industrie-, weg-, en scheepvaartlawaai te bepalen in het kader van een goede ruimtelijke ordening en te toetsen aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting ten gevolge van het gezoneerde industrieterrein ‘’Langs de Merwede’’ is bepaald aan de hand van het door de omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid verstrekte zonemodel. De verkeersgegevens van de omliggende wegen zijn eveneens modelmatig verstrekt door de omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid voor het referentiejaar 2030. In het in 2018 vastgestelde gemeentelijk geluidbeleid van de gemeente Hardinxveld-Giessendam is aangegeven dat scheepvaartlawaai onderzocht moet worden, ondanks dat er nog geen wettelijke rekenmethode beschikbaar is.

Uitgangspunt voor de berekeningen zijn de door de omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid beschikbaar gestelde scheepvaartpassages op de beneden Merwede, boven Merwede en Nieuwe Merwede voor het peiljaar 2030. Voor de bronvermogens zijn de gegeven zijn de gegevens en uitgangspunten uit de memo van Rijkswaterstaat inzake ‘’Plan van aanpak contourenkaart scheepvaartlawaai’’ van Rijkswaterstaat van 28 maart 2012 gehanteerd. Rekenmethode De geluidbelasting ten gevolge van industrielawaai, wegverkeerslawaai en scheepvaartlawaai op de woningen is berekend volgens Standaard Rekenmethode II van respectievelijk bijlage 2, 3 en 4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid (RMG 2012). Vanwege het niet beschikbaar zijn van een wettelijke rekenmethode voor scheepvaartlawaai, is deze geluidbelasting als spoorweglawaai beoordeeld. De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van het modelleringsprogramma Geomilieu (versie V4.50) waarbij rekening wordt gehouden met afstandsreducties, reflecties, afschermingen, bodem- en

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

33

luchtdemping, relevante kruispuntcorrecties.

hoogteverschillen

tussen

weg-

en

waarneempunt

en

eventuele

Berekend zijn de invallende geluidsniveaus, dus zonder reflectie van het achter het immissiepunt gelegen gevelvlak. Gerekend is met één reflectie en een sectorhoek van 2 graden; De wegen, verharde bouwvlakken en wateroppervlakten zijn als akoestisch hard gebied (bf = 0,0) gemodelleerd. Het overige bodemgebied is als halfhard bodemgebied (bf = 0,5) ingevoerd; De beoordelingspunten op de woningen (3 bouwlagen) en appartementen (maximaal 6 bouwlagen) zijn op respectievelijk 8,8 m, 11,8 m, 14,8 m, 17,8 m, 20,8 m 23,8 m hoogte boven NAP gemodelleerd en representeren het midden van de desbetreffende bouwlaag. Onderzoeksresultaten Hieronder worden de onderzoeksresultaten op de aspecten industrielawaai, wegverkeerslawaai en scheepvaartlawaai toegelicht. Industrielawaai Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 50dB(A) op woontorens 1, 2 en 3 en de grondgebonden woningen door industrielawaai wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt alleen ter plaatse van de westgevel van woontoren 1 overschreden. Alle appartementen en woningen beschikken over een geluidluwe achtergevel en geluidluwe buitenruimte, zodat aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.

De 1e bouwlaag boven de gemeenschappelijk parkeerkelder onder de woontorens kan in drie afzonderlijke appartementen (schema A,B, C in woontoren 1 van onderstaande afbeelding) worden opgedeeld. Door het toepassen van een geluidscherm (van bijvoorbeeld 6 mm gelamineerd glas of gelijkwaardig) met een hoogte van 2 m en een lengte van 5 m wordt ter plaatse van de zijgevels een geluidluwe gevel en buitenruimte gecreëerd. Ter plaatse van de appartementen kan worden gekozen voor een inpandige loggia of een buitenruimte direct achter het “oortje”, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding en de principeplattegronden in bijlage 1 van het onderzoeksrapport.

Afbeelding 7.1: overzicht geluidschermen ten bate van geluidluwe gevel en buitenruimte 1e bouwlaag.

Wegverkeerslawaai Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de hoogste berekende geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai 53 dB, inclusief aftrek artikel. 110 Wgh bedraagt. Deze waarde is hoger dan de

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

34

voorkeursgrenswaarde van 48 dB maar lager dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh voor woningen in stedelijk gebied. Scheepvaartlawaai Zoals eerder benoemd is in het in 2018 vastgestelde gemeentelijk geluidbeleid aangegeven dat scheepvaartlawaai onderzocht moet worden ondanks dat er geen wettelijke rekenmethode beschikbaar is. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van scheepvaartlawaai ten hoogste 56 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt alleen ter plaatse van de zuidgevel van de woontorens op de hogere verdiepingen met ten hoogste 1 dB overschreden. 7.2.3

Conclusie Uit de plattegrond blijkt dat alle grondgebonden woningen beschikken over geluidluwe gevels en geluidluwe buitenruimten. In verband met de geluidbelasting ten gevolge van industrielawaai van het gezoneerde industrieterrein “Langs de Merwede” wordt de volledige westgevel van woontoren 1 doof uitgevoerd en worden aan de noordwestzijde van de woontorens 3 meter uitstekende “oortjes” in het basis ontwerp meegenomen. Burgemeester en wethouders van de gemeente Hardinxveld-Giessendam hebben ten behoeve van de voorbereiding van het bestemmingsplan De Rokerij de onderstaande hogere waarden vastgesteld:

Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen moet een onderzoek worden gevoegd waarbij de karakteristieke geluidwering van de gevels is bepaald, zodat kan worden getoetst of wordt voldaan aan de wettelijke eisen van het Bouwbesluit 2012. Daarnaast is de toepassing van dove gevels in de regels van dit bestemmingsplan verankerd. 7.3

Luchtkwaliteit

7.3.1

Kader De kern van de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer) is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van het NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen, waarvan stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste zijn. Met het van kracht worden van het NSL per 1 augustus 2009 zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 van 40 µg/m3 aangepast. Naast de introductie van het NSL is de invoering van het begrip “niet in betekenende mate bijdragen” (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als zowel de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 als PM10 niet meer toeneemt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van die stof. Dit betekent, kortweg, dat als de toename van de beide

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

35

jaargemiddelde concentraties kleiner is of gelijk is aan 1,2 µg/m3 (3% van 40 µg/m3) een ontwikkeling kan worden beschouwd als een project dat NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. NIBM-projecten (kleine projecten) In de bijlagen van de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)” (ook wel: regeling NIBM) zijn functiecategorieën of combinaties van functiecategorieën aangegeven waarbij sprake is van een NIBM-project. In de Regeling NIBM is voor een woningbouwlocatie een cijfermatige kwantificatie opgenomen wanneer een woningbouwproject als NIBM kan worden beschouwd. Momenteel bedraagt de cijfermatige kwalificatie 1.500 nieuwe woningen bij één ontsluitingsweg of 3.000 nieuwe woningen bij twee ontsluitingswegen, waarbij het wegverkeer zich evenredig over de beide ontsluitingswegen verdeeld. 7.3.2

Onderzoek Volgens artikel 5 van het besluit NIBM dienen (verschillende) NIBM-ontwikkelingen die gebruikmaken van dezelfde ontsluitingswegen en binnen een afstand van 1 km liggen, als één ontwikkeling te worden beschouwd. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woningbouwlocatie mogelijk. Een nieuwe woningbouwontwikkeling van deze omvang valt binnen de NIBM-regeling van de Wet luchtkwaliteit. Om deze reden is niet noodzakelijk onderzoek naar het effect op de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is dit toch gedaan. Voor dit onderzoek is de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe woningen relevant. In het hoofdstuk Mobiliteit is de verkeersaantrekkende werking voor deze ontwikkeling berekend. Goede ruimtelijke ordening Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of ter plaatse van het plangebied, mogelijke hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen aanwezig zijn. Langs wegen zijn met name de stoffen NO2, PM10 en PM2,5 van belang. Om de luchtkwaliteit op deze locatie te kunnen beoordelen is gebruik gemaakt van de NSLmonitoringstool. In deze tool zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen opgenomen. Op de volgende afbeelding zijn de jaarconcentraties NO 2, PM10 en PM2,5 weergegeven voor het peiljaar 2020.

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

36

Afbeelding 7.2: jaargemiddelde concentratie NO2, PM10 en PM2,5 (peiljaar 2020).

Uit de bovenstaande afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentratie NO2, PM10 en PM2,5 in het jaar 2017 niet hoger is dan de gestelde grenswaarde. Voor de stoffen NO2 is de waarde maximaal 21,4 µg/m3 en voor PM10 is die waarde 18,6 µg/m3. Voor PM2,5 bedraagt deze waarde 11,3 µg/m3. De trend is dat de emissies en de achtergrondconcentraties voor de voorgenoemde stoffen in de toekomst zullen afnemen, waardoor in de toekomst dan ook geen overschrijdingssituaties zijn te verwachten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is berekend welke bijdrage het voorliggende plan levert aan de concentratie van fijnstof. Op basis van de ingevoerde gegevens is de bijdrage van het extra verkeer mogelijk in betekenende mate. In de rekentool zijn 387 extra verkeersbewegingen ingevoerd, met een percentage van 3% vrachtverkeer, conform de standaarden van het CROW. De verkeersgeneratie die is aangehouden komt uit het verkeersonderzoek dat als bijlage 7 bij deze toelichting is gevoegd. Omdat in dat onderzoek met 59 woningen is gerekend in plaats van 60 zit er een miniem verschil in de verkeersgeneratie tussen de NIBM-tool in het verkeersonderzoek en het onderstaande. Vanwege de extra woning zijn er 7 extra verkeersbewegingen opgenomen. Uit beide berekeningen blijkt de ontwikkeling niet in betekenende mate. Er is hierdoor geen nader onderzoek nodig.

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

37

7.3.3

Conclusie De toegestane ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan ‘De Rokerij’ past mogelijk binnen de cijfermatige kwantificatie zoals genoemd in de regeling NIBM. Daardoor is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Uit de berekening met de NIBM-rekentool blijkt dat de grens van 1,2 µg/m3 niet wordt overschreden. De bijdrage bedraagt 0,39 µg/m3. Hiermee levert het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm).

7.4

Stikstofdepositie

7.4.1

Kader In de nabijheid van het plangebied is een Natura 2000-gebied gelegen, te weten de Biesbosch. Hiervoor kunnen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de habitats op de beschermde gebieden door bijvoorbeeld stikstof op voorhand niet worden uitgesloten. De wettelijke grondslag waarop toetsing van de planontwikkeling noodzakelijk is, betreft de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze toets dient om vast te stellen of, en zo ja, onder welke voorwaarden een menselijke activiteit in en rondom een Natura 2000-gebied kan worden toegelaten. Meer concreet heeft deze toets de volgende twee doelen: 1. Zekerheid bieden dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast; 2. Zekerheid bieden dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel een verstoring van soorten niet optreedt. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Indien ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen de Natura 2000-gebieden geen stikstofdepositie wordt berekend, kunnen negatieve gevolgen in die gebieden worden uitgesloten.

7.4.2

Bestaande situatie In de huidige situatie is sprake van een bedrijfsterrein met bedrijfsloodsen, opslag en een vrijstaande bungalow. Door de initiatiefnemer is een inventarisatie gemaakt van het gebruik van deze panden en het aantal verkeersbewegingen. In de AERIUS-berekeningen zijn de volgende bronnen opgenomen. De complete berekeningen zijn opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. Omschrijving

Invoer

Emissie kg N per jaar

Bungalow

1 vrijstaande woning

3,0

Loodsen (3 stuks)

Equivalent van max 3 vrijstaande woningen

9,0

Verkeersbewegingen

78 lichte verkeersbewegingen

3,73

38 middelzware verkeersbewegingen

17,14

0 zware verkeersbewegingen Tabel 1. Inputgegevens huidige gebruik

7.4.3

Aanlegfase In de aanlegfase wordt de stikstofemissie voornamelijk gegenereerd door de (mobiele)werktuigen op de bouwplaats en de verkeersbewegingen van en naar de bouwplaats. De totale emissie tijdens de aanlegfase is bepaald door een inschatting van het in te zetten materieel en aantal draaiuren. Het materieel betreft modern materieel met een Stage IV-klasse. Door de leverancier van het materieel is een opgave gedaan van het dieselverbruik van de verschillende machines. Dit loopt uiteen van 8 liter Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

38

per uur voor materieel uit 2011 tot 6,3 en 6,5 uit respectievelijk 2015 en 2019. Voor de berekening is worst-case uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 10 liter per uur. De ontwikkeling zal gedurende 2 jaar plaatvinden. In het eerste jaar wordt de bestaande bebouwing gesloopt en wordt de locatie bouwrijp gemaakt. In jaar 2 start de bouw en wordt het gebied woonrijp gemaakt. In onderstaande tabel is aangegeven welk materieel in welke fase wordt ingezet. Type werktuig

Dagen

Uren

Brandstofverbruik

Brandstofverbruik

Emissie

liter per uur

aantal liter

Kg NOx

Fase 1

16,84

Graafmachines

90

720

10 l/uur

7200

8,71

Trilplaten/stampers

28

224

10 l/uur

2240

2,71

Hijskranen

28

224

10 l/uur

2240

2,71

Shovel

28

224

10 l/uur

2240

2,71

Graafmachines

110

880

10 l/uur

8800

10,64

Trilplaten/stampers

34

272

10 l/uur

2720

3,29

Hijskranen

110

880

10 l/uur

8800

10,64

Shovel

42

336

10 l/uur

3360

4,06

Heimachine

20

160

10 l/uur

1600

1,94

Fase 2

30,58

Tabel 2. Inzet materieel en emissie in fase 1 en fase 2

Naast materieel op de bouwplaats is sprake van bouwverkeer. Het verkeer is uitgesplitst in licht, middelzwaar en zwaar verkeer. Voor de verdeling van het verkeer is van 50% in oostelijke richting en 50% in westelijke richting. Het verkeer is ingevoerd over de Rivierdijk tussen de aansluitingen met de Nassaustraat en Rembrandtstraat. Vanaf daar is het verkeer opgegaan in het heersende verkeersbeeld. Aantal

Aantal

Per

Emissie

voertuigen

bewegingen

richting

Kg NOx

Licht verkeer

370

740

370

0,1

Middelzwaar verkeer

24

48

24

0,0

Zwaar verkeer

188

376

188

0,7

Fase 1

0,8

Fase 2

2,4

Licht verkeer

2700

5400

2700

0,8

Middelzwaar verkeer

-

-

-

-

Zwaar verkeer

430

860

430

1,6

Tabel 3. Bouwverkeer en emissie in fase 1 en fase 2 (aantallen per jaar)

Zowel jaar 1 als jaar 2 van de aanlegfase veroorzaakt een stikstofdepositie op habitat-type (H6510A) Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver), waarbij een depositie van 0,01 mol/ha/j in jaar 1 en 0,03 mol/ha/j in jaar 2 optreedt. Daarnaast veroorzaken beide jaren van de aanlegfase een stikstofdepositie op habitattype (H6120) Stroomdal-graslanden, met een depositie van 0,01 mol/ha/j in jaar 1 en 0,02 mol/ha/j in jaar 2. Op het leefgebiedtype (Lg11) Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied wordt alleen in het 2e jaar van de aanlegfase een stikstofdepositie veroorzaakt, van 0,01 mol/ha/j.

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

39

Tijdens het 1e jaar van de aanlegfase betreft het een stikstofdepositie op 27 hexagonen, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) (nog) niet is of bijna wordt overschreden. Tijdens het 1e jaar van de aanlegfase betreft het een stikstofdepositie op 55 hexagonen, waarvan de KDW (nog) niet is of bijna wordt overschreden. Ecologische voortoets Omdat als gevolg van de voorgenomen plannen mogelijk beschermde natuurwaarden en habitattypen van dit Natura 2000-gebied significant negatief beïnvloedt worden, dient in het kader van de natuurwetgeving (Wet natuurbescherming, Natura 2000) een beoordeling van de effecten op deze natuurwaarden gemaakt te worden. Ook maatregelen om eventuele schade en verstoring te verzachten en er zorg voor te dragen dat de functionaliteit van het gebied voor aanwezige beschermde soorten gewaarborgd blijft zullen worden onderzocht. Hiervoor is een ecologische voortoets uitgevoerd. Er is onderzocht of er mogelijk nadelige effecten te verwachten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van de Biesbosch voor de aangewezen habitattypen en doelsoorten van dit gebied. De ecologische toets is opgenomen als bijlage 19 bij deze toelichting.

Uit een stikstofberekening blijkt dat de voorgenomen plannen een stikstofdepositie tussen de 0,01 – 0,03 mol/ha/j veroorzaken op het habitattype (H6510A) Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver), tussen de 0,01 – 0,02 mol/ha/j op het habitattype (H6120) Stroomdalgraslanden en 0,01 mol/ha/j op het leefgebiedtype (Lg11) Kamgras-weide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivierenen zeekleigebied binnen de Biesbosch. Omdat er bij de hexagonen die resultaat geven tijdens het 1e en 2e jaar van de aanlegfase geen sprake is van een overbelasting van de KDW en effecten op het foerageergebied van de Bruine kiekendief uitgesloten zijn, zijn negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van verzuring of vermesting door stikstofdepositie met voldoende zekerheid uitgesloten. 7.4.4

Gebruiksfase Voor de gebruiksfase is uitsluitend de emissie van de verkeersbewegingen van belang. Gerekend is met een toename van 380 verkeersbewegingen overeenkomstig het uitgevoerde verkeersonderzoek. Aangenomen is dat het verkeer 50% in oostelijke richting rijdt en 50% in westelijke richting. Aantal

Emissie

bewegingen

Kg NOx

Westelijke richting

13,8

Licht verkeer

181

8,9

Middelzwaar verkeer

6

2,4

Zwaar verkeer

4

2,5

Oostelijke richting

17,0

Licht verkeer

181

10,9

Middelzwaar verkeer

6

3,0

Zwaar verkeer

4

3,1

Tabel 4. Verkeer en emissie in de gebruiksfase (aantallen per etmaal)

Het voorgaande betekent dat de gebruiksfase een stikstofemissie genereert van 30,75 kg NO x. Uit de uitgevoerde Aerius-verschilberekening blijkt dat deze emissies niet leiden tot toename van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarom kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten.

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

40

7.4.5

Conclusie In dit onderzoek is beoordeeld of de aanleg- en de gebruiksfase van de bouw en het gebruik van de 60 nieuwe woningen in het project De Rokerij leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. De gebruiksfase genereert een stikstofemissie van 30,75 kg NO x. Uit de uitgevoerde Aeriusverschilberekening blijkt dat deze emissies niet leiden tot toename van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarom kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten. De aanlegfase genereert een stikstofdepositie tussen de 0,01 – 0,03 mol/ha/j op verschillende habitaten leefgebiedtypen. Hiervoor is een ecologische voortoets uitgevoerd. Omdat er bij de hexagonen die resultaat geven tijdens het 1e en 2e jaar van de aanlegfase geen sprake is van een overbelasting van de KDW en effecten op het foerageergebied van de Bruine kiekendief uitgesloten zijn, zijn negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van verzuring of vermesting door stikstofdepositie met voldoende zekerheid uitgesloten. Op basis van deze berekeningen en onderzoeken kan worden geconcludeerd dat significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. De Wet natuurbescherming leidt daarom niet tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan.

7.5

Externe veiligheid

7.5.1

Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.

Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

41

Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Bij complexe projecten ligt doorgaans een proces van overleg met veiligheidsdeskundigen ten grondslag. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen.

Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) hanteert een vaste afstand van 200 meter, gemeten vanaf de buitenrand van de transportroute, voor het verantwoordingsgebied. Binnen dit gebied dient de hoogte van het GR inzichtelijk te worden gemaakt. Het invloedsgebied is afhankelijk van de afstand van de 1% letaliteitsgrens van de verschillende stoffen over de transportroute. Voor de meest bepalende stofcategorie GF3 (zoals LPG) is dat 355 meter, gemeten vanaf de as van de transportroute. Binnen het invloedsgebied dient een motivering te worden opgesteld over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als in het Bevb, onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. d.

Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden (PAG) benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen. Voor transportroutes over de weg bedraagt het PAG 30 meter, gemeten vanuit de rand van de transportroute.

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

42

7.5.2

Onderzoek Risicobronnen Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Op circa 50 meter ten zuiden van het plangebied stroomt de Beneden Merwede. Deze rivier is opgenomen in het Basisnet water als binnenvaartroute voor transport van gevaarlijke stoffen. Op onderstaande afbeelding is de globale ligging van het plangebied ten opzichte van deze risicobron weergegeven.

Afbeelding 7.3: Globale ligging van het plangebied t.o.v. risicobron Beneden Merwede

Het plangebied grenst aan de rivierdijk van de Beneden-Merwede. Deze rivier is volgens de risicokaart van provincie Zuid-Holland aangewezen als vaarroute voor gevaarlijke stoffen. De Beneden-Merwede is onderdeel van de binnenvaartroute Corridor Rotterdam – Duitsland. In onderstaande tabel zijn de aantallen gevaarlijke stoffen die over deze route vervoerd worden weergegeven. Stofgroep Omschrijving Jaarintensiteit Invloedsgebied (m) LF1 Brandbare vloeistof 9.882 35 LF2 Brandbare vloeistof 13.958 35 LT1 Toxische vloeistof 146 600 GF3 Brandbaar gas 2.135 90 GT3 Toxisch gas 196 1.070 Tabel: Transporthoeveelheden en invloedsgebieden gevaarlijke stoffen Beneden-Merwede

Bij de analyse van vaarwegen worden volgens de “Handleiding Risicoanalyse Transport” drie routetypen onderscheiden. De vaarwegen zijn ingedeeld in bevaarbaarheidsklassen of CEMT-klassen. De CEMTklasse legt de maximale afmetingen vast van een schip dat op de vaarweg is toegestaan. De BenedenMerwede heeft de bevaarbaarheidsklasse 6.

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

43

Aangezien met onderhavig bestemmingsplan de ontwikkeling van nieuwe kwetsbare objecten, zoals woningen, mogelijk wordt gemaakt, zijn met behulp van de HART-methode de externe veiligheidsrisico’s bepaald. Toetsing plaatsgebonden risico Vuistregel 1: Een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 heeft geen PR 10-6 contour. Toetsing oriëntatiewaarde groepsrisico Vuistregel 1: Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde groepsrisico Vuistregel 1: Langs een vaarweg bevaarbaarheidsklasse 6 wordt 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico alleen mogelijk overschreden wanneer binnen 200 meter van de oever aanwezigheidsdichtheden voorkomen groter dan 500 /ha en LT2+GT3>1000 per jaar. Er worden over de Beneden-Merwede geen stoffen uit de categorie LT2 vervoerd en het aantal GT3 transporten is slechts 196, waardoor de 10% van de oriëntatiewaarde groepsrisico niet wordt overschreden. Plasbrandaandachtzone Vanwege het transport van licht ontvlambare vloeistoffen dient rekening te worden gehouden met een plasbrandaandachtszone. Deze is gelegen op 25 meter landinwaarts, gemeten vanaf de oeverlijn. Het plangebied bevind zich buiten deze plasbrandaandachtzone.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals kinderen van 0 tot 4 jaar, ouderen, gehandicapten of gevangenen. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen. Vanuit volkshuisvestelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig ‘verspreiden’ tussen de reguliere doelgroepen. Scenario’s vaarweg BLEVE Het maatgevende scenario voor een vaarweg is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion). Door een incident op het water kan een breuk ontstaan in de grootste toevoerleiding boven de waterlijn van een gastanker met LPG, waardoor het gas uitstroomt en verdampt. Een ontsteking kan leiden tot een gaswolkontbranding en vervolgens een fakkelbrand op het schip. of een toxische wolk.

Plasbrand Door een incident op de vaarweg met een schip met benzine (LF2) kan de tankwand scheuren boven de waterlijn waardoor een groot deel van de benzine in korte tijd uitstroomt. De brandbare vloeistof vormt een plas op het water en kan direct een korte, hevige brand veroorzaken en tevens secundaire branden in de omgeving. Aanwezigen binnen de vloeistofplas hebben geen mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Aanwezigen in de zone aangrenzend aan de vloeistofplas hebben nauwelijks Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

44

mogelijkheden tot zelfredzaamheid vanwege de grote hittestraling. Buiten deze zone kan geschuild of gevlucht worden. Toxische gassen Door een incident op de vaarweg met een schip met toxische gassen van acrylnitril (LT1) of ammoniak (GT3) kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van het toxische gas in korte tijd ontsnapt en meegevoerd wordt door de wind. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied moeilijk worden ingeschat. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Vluchtmogelijkheden De rivier Beneden Merwede stroomt aan de zuidkant langs het plangebied in oost- westelijke richting. Aangeraden wordt om ervoor te zorgen dat de te realiseren gebouwen aan meerdere zijdes entrees hebben, zodat er meerdere mogelijkheden zijn om de panden te ontvluchten tijdens een incident. Hierbij is in het geval van de Beneden-Merwede vooral een entree aan de noordzijde (of oost- en westzijde) van belang. Via de geplande wegen in het plangebied kan men via twee routes het plangebied verlaten. Via de hoofdontsluitingsroute kan men aan de westzijde het plangebied ontvluchten, om vervolgens richting het noorden over de Rivierdijk van de bron af te vluchten. Tevens is er een toegang aan de oostzijde gerealiseerd. Men kan via deze route vervolgens verder vluchten over de weg De Buurt richting het noorden.

Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte dient rekening te worden gehouden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van gebouwen. Het is van belang dat bij de inrichting van de openbare ruimte een mogelijkheid wordt gecreëerd voor de brandweer om alle gebouwen aan alle zijdes te kunnen bereiken. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van de gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Het plangebied kan door de hulpverlenende instanties vanuit twee routes worden betreden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Ook is risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners zeer belangrijk. Bij aankoop van een woning of het sluiten van een huurcontract kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden.

Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. Het is wellicht wenselijk om een kettingbepaling af te dwingen, zodat toekomstige gebruikers ook van de situatie op de hoogte zijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. 7.5.3

Conclusie Het aspect externe veiligheid leidt niet tot belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling.

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

45

7.6

Milieuhinder bedrijven

7.6.1

Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

7.6.2

Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de aanduiding ‘Geluidzone – industrie’. Binnen deze zones als bedoeld in artikel 40 van de Wet geluidhinder mag de geluidsbelasting vanwege het nabijgelegen industrieterrein de waarde van 50 dB(A) niet overschrijden. Omdat de locatie binnen deze zone is gelegen en er gevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt moet met een akoestisch onderzoek de geluidsbelasting van industrielawaai inzichtelijk worden gemaakt. De onderzoeken moeten ter beoordeling worden voorgelegd aan de zonebeheerder. Om te voorkomen dat de woningbouwontwikkeling negatieve effecten veroorzaakt op de gevoelige functies rondom de locatie, gebaseerd op de richtafstanden van de VNG-brochure. Ten aanzien van het bedrijventerrein ‘Langs de Merwede’ is onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai. In paragraaf 7.2 is dit onderzoek beschreven. Voor de afstand tussen inrichtingen en gevoelige functies gelden de volgende richtafstanden: Milieucategorie 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1

Richtafstand Rustige woonwijk 30 50 100 200 300 500

Richtafstand Gemengd gebied 10 30 50 100 200 300

Aan noord en oostzijde van het plangebied ligt woonlint De Buurt met naast woningen een aantal detailhandelsvestigingen. Aan de westzijde is (maritieme) bedrijvigheid op het gezoneerde industrieterrein ‘Langs de Merwede’ aanwezig. Op het meest oostelijke gedeelte van het terrein is bedrijvigheid tot en met categorie 3.2 toegestaan. Meer naar het westen is tot categorie 5.1 toegestaan. Het plangebied kan worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’. Gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Onder gemengd gebied vallen ook gebieden die direct langs hoofdinfrastructuur liggen. Omdat het plangebied is gelegen in gebied met meerdere functies kan worden gesproken over een gemengd gebied. Bij een gemengd gebied mag één afstandsstap terug worden gedaan. De richtafstand behorend bij categorie 3.2 en 5.1 in een gemengd gebied bedragen respectievelijk 50 meter en 300 meter. De voorliggende ontwikkeling ligt binnen de richtafstand van de bedrijvigheid op het naastgelegen gezoneerde industrieterrein ‘Langs de Merwede’. De bestaande woning ‘De Buurt 30’ ligt dichterbij dan Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

46

de geplande ontwikkeling, echter de geplande ontwikkeling wordt wat betreft bouwhoogte hoger dan de bestaande woning. 7.6.3

Conclusie Het plangebied is gelegen binnen de richtafstand van industrieterrein ‘Langs de Merwede’. Er is daarom een nadere beschouwing van de situatie ter plaatse benodigd, zodat kan worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat en dat bestaande bedrijvigheid niet wordt gehinderd in de bedrijfsvoering. Dit onderzoek is in paragraaf 7.2 beschreven.

7.7

Flora en Fauna

7.7.1

Kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn.

Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren

Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

47

opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

In HardinxveldGiessendam is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties.

Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. 7.7.2

Onderzoek Soortenbescherming In 2014 werd onder de voormalige flora- en faunawet een quickscan opgesteld door Van der Helm milieubeheer BV. De gegevens in het rapport zijn verouderd en inmiddels is de nieuwe Natuurbeschermingswet 2017 van kracht geworden. In 2018 werd een quickscan opgesteld door Arda advies voor natuur en landschap en tevens vervolgonderzoek gedaan naar het voorkomen van vleermuizen. De quickscan en het vleermuizen onderzoek zijn opgenomen als bijlagen 5 en 6 bij deze toelichting. Bestemmingsplan “’De Rokerij” Toelichting Vaststelling

48

Begin 2020 heeft in het voormalige parkbos een noodkap plaatsgevonden tussen de Stormen Claire en Dennis in. De noodkap luidde een grote verandering in van het plangebied en daarmee verviel ook een belangrijk deel van de inhoud van de voorgaande quickscan en het vleermuisonderzoek. In 2020 is de quickscan dan ook geactualiseerd, deze is opgenomen als bijlage 11. Het betreft een aanpassing op de eerdere quickscan en het vleermuisonderzoek en betreft het deel van het plangebied dat door de kap van de bomen is getroffen; het voormalige parkbos. Voor de overige delen en elementen van het plangebied blijven de onderzoeken, rapportage, conclusie en aanbevelingen uit de oude quickscan en het vleermuisonderzoek ongewijzigd. De belangrijkste resultaten zijn opgenomen in deze paragraaf. Zoogdieren Door kappen van de bomen verdwenen er twee paarverblijven en niet essentieel foerageergebied van vleermuizen. Effecten op andere beschermde zoogdieren zijn niet te verwachten. Voor de overige zoogdieren geldt de algemene zorgplicht. Vogels Er zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig en ook niet te verwachten. Eenden en ganzen kunnen tijdens de broedtijd gebruik maken van de rietkragen en ruigte waardoor bij werkzaamheden en herinrichting verstoring en vernietiging van nesten kan optreden tijdens de broedtijd. Amfibieën en reptielen De aanwezigheid van bruine kikker is niet uitgesloten.

De kans op verstoring en doden is groot indien de werkzaamheden tijdens de winterslaap en voortplantingsperiode worden uitgevoerd. Bruine kikker is beschermd maar vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkeling. Wel geldt de algemene zorgplicht voor deze soort. Reptielen komen in het plangebied niet voor en zijn niet te verwachten. Verstoring op deze groep is daarom uitgesloten. Insecten en overige dieren Van de voorgenomen/uitgevoerde werkzaamheden zijn geen directe effecten te verwachten op deze diergroep. Van aantasting van leefgebied of directe (opzettelijke) sterfte is geen sprake. Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een beschermd gebied in het kader van de Wet natuurbescherming , maar bevindt zich wel in de directe omgeving ervan. Het gaat om het Habitatrichtlijn- + Vogelrichtlijngebied ‘Biesbosch’. Het plangebied is gelegen op ca 300 meter. Omdat het plangebied in de voormalige situatie ook reeds een stedelijke functie had en bedrijventerrein Langs De Merwede op gelijke afstand ligt, worden (extra) effecten op de doelen die zijn bepaald voor de aangewezen habitattypen en doelsoorten niet verwacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel onderzoek gedaan naar stikstofdepositie (zie hiervoor hoofdstuk 7.4). Compenserende maatregelen Er wordt gebouwd volgens het principe “natuur inclusief”.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: http://raad.hardinxveld-giessendam.nl/api/v1/meetings/497/documents/15634