Bestemmingsplan De Blauwe Zoom Toelichting.pdf
Tekst van het document
4.3
Conclusie
De autobereikbaarheid via de A15 is niet optimaal, met name door de al bestaande structurele filevorming op deze snelweg. Doordat de ontwikkeling van De Blauwe Zoom hier slechts gering aan bijdraagt, is Rijkswaterstaat akkoord met het plan. De bereikbaarheid van de De Blauwe Zoom per openbaar vervoer is goed. Op ongeveer 350 meter afstand van het plangebied ligt het station Hardinxveld - Blauwe Zoom van de MerwedeLingelijn. Daarnaast rijdt buurtbus 707 van de Peulenlaan, via de Zwijnskade, over Schapedrift naar dit station. Het parkeren in het nieuwe woongebied moet in dit woongebied worden opgelost. Er moet worden voldaan aan de Beleidsregels Parkeernormen Hardinxveld-Giessendam 2022. Voor het gebied met de aanduiding wonen1 volstaat het aantal parkeerplaatsen dat past bij het gemiddelde van de bandbreedte van de CROW richtilijn (publicatie 381).
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
Hoofdstuk 5 Natuur en landschap 5.1
Kader
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.
Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing is, en geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: a. de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of b. de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: 1. er geen andere bevredigende oplossing is, en De Blauwe Zoom - West vast te stellen
27
2. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Hardinxveld-Giessendam is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. De provincie handhaaft in haar Verordening Ruimte de vrijstelling voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden voor de soorten die ook al vielen onder de vrijstelling in de Flora- en faunawet voor algemeen voorkomende soorten. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).
Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.
5.2
Onderzoek
Soortenbescherming Ecologisch onderzoek In 2017, 2019 en 2020 is in het westelijke deel van het gebied onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van strikt beschermde soorten (Wet natuurbescherming). Dit onderzoek bestond uit een verkennend veldonderzoek en een aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de Bever, de Steenuil, de Rugstreeppaden de Grote modderkruiper. in 2020 is door het Natuur-Wetenschappelijk Centrum (NWC) gevraagd om de missende schakels in het aanvullend onderzoek uit te voeren voor de gehele Blauwe Zoom-West naar de aanwezigheid van (strikt)beschermde soorten, een beoordeling van de effecten in het kader van de Wet natuurbescherming te maken en te adviseren ten aanzien van onder andere de wettelijke verplichtingen.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
Uit dit aanvullend onderzoek (Bijlage 13) is gebleken dat voor verschillende soorten ontheffing nodig is. Het gaat om de Rugstreeppad, de Grote modderkruiper, de Kerkuil en de Oeverzwaluw. Als gevolg van de ontwikkeling van de Blauwe Zoom zal er essentiële functionele leefomgeving van deze soorten verloren gaan en kunnen individuen verstoord worden. Er is derhalve een ontheffing aangevraagd en verleend (zaaknummer 00585049) voor de 72 woningen in deelgebied Ons Dorp. Onderdeel van deze ontheffing is de realisatie van een extern compensatiegebied. Voor de ontwikkeling van een dergelijk compensatiegebied heeft de gemeente Hardinxveld-Giessendam agrarisch gebied aangekocht om deze tot compensatiegebied te ontwikkelen. Het compensatiegebied zal zodanig worden ingericht en beheerd dat deze geschikt is om te fungeren als onderdeel van de functionele leefomgeving van de Rugstreeppad, de Heikikker, de Grote modderkruiper, de Kerkuil, de Oeverzwaluw. Daarnaast wordt bij het beheer rekening gehouden met overige beschermde soorten die het terrein als functionele leefomgeving kunnen benutten zoals de Waterspitsmuis, de Noordse woelmuis en verschillende soorten vleermuizen. Er is in juni 2021 een compensatieplan opgesteld waarin de (her)inrichtingsmaatregelen staan beschreven voor het compensatiegebied.
De bovengenoemde compensatie is uitgewerkt in een compensatieplan en voorziet in voortplantingsen overwinteringsbiotoop voor de Rugstreeppad, nestgelegenheid voor de Oeverzwaluw en leefgebied voor de Grote modderkruiper. De gedempte watergangen in het plangebied van 'Ons Dorp' zijn daarom ten zuiden van de waterplas gecompenseerd en geschikt gemaakt als voorplantingsgebied voor de Rugstreeppad waarbij zandige oevers en tijdelijke wateren gerealiseerd zijn. Ook de Grote modderkruiper vindt hier geschikt leefgebied door de realisatie van watergangen met verschillende diepten waarbij er ook verlandingszones gecreëerd zijn waar veel vegetatie kan groeien. Daarnaast is er ten zuiden van 'Ons Dorp' een grondwal gerealiseerd worden die dienst doet als overwinteringslocatie voor de rugstreeppadden. In deze grondwal zijn ook twee steile wanden gerealiseerd om nestlocaties aan de Oeverzwaluw te bieden. De effectiviteit van de alternatieve grondwal, de watercompensatie en de voortplantingspoel voor de Rugstreeppad, de Grote modderkruiper en de Oeverzwaluw worden gemonitord om te onderzoeken of de getroffen maatregelen het verwachte resultaat geven of dat verdere optimalisatie of extra maatregelen benodigd zijn. In het monitoringsrapport over 2022 is aangegeven op welke momenten het plangebied is bezocht en welke soorten daarbij zijn gemonitord.
Tevens bevat het rapport conclusies en aanbevelingen voor komend jaar. Ten aanzien van de rugstreeppad wordt aangeraden enkele plassen te dempen. Voor de overige soorten zijn geen extra maatregelen nodig. Vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming Op 11 februari 2022 is een ontheffingsaanvraag als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming ingediend. Op 13 september 2022 is de aanvraag definitief in behandeling genomen. De aanvraag heeft betrekking op de realisatie van 276 nieuwe woningen binnen de daarvoor bestemde ontwikkelingslocatie De Blauwe Zoom. Voorliggend project betreft de laatste fase van de ontwikkeling in het westelijk en zuidelijk deelgebied. De ontwerpbeschikking en de relevante documenten liggen vanaf 15 december 2022 tot en met 25 januari 2023 ter inzage.
Gebiedsbescherming inclusief stikstofdepositie Het plangebied is niet gelegen op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren en toetsing aan de wet- en regelgeving is niet aan de orde.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
29
In 2020 is - in het kader van de bredere ontwikkeling van de Blauwe Zoom door KuiperCompagnons een stikstofdepositieberekening voor de resterende woningbouw in de Blauwe Zoom uitgevoerd, zie bijlage 4. Naast 72 woningen in Ons Dorp zijn ook de woningen 276 in deelgebied 'De Rest van West'' hierin meegenomen. In deze notitie is de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase voor de bouw en het gebruik van deze nieuwe woningen beschouwd en afgezet tegen de depositie als gevolg van het huidige gebruik. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. Uit het onderzoek is geconcludeerd dat er sprake is van een geringe toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats van Natura 2000-gebied de Biesbosch door de aanleg en het gebruik van deze 349 woningen. In deze berekening is uitgegaan van een aanlegfase van 9 jaar waarbij in het maatgevende jaar 2022 een stikstofemissie optreedt van 684,74 kg NOx wat leidt tot een depositie van 0,11 mol/ha/j in de Biesbosch gedurende het maatgevende jaar en 0,01 mol/ha/j in de gebruiksfase. Vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming Om te kunnen voorzien in de voorgenomen ontwikkeling is een vergunning, als bedoeld in artikel 2.7 tweede lid van de Wet natuurbescherming, benodigd.
Als gevolg van de snelheidsverlaging op de snelwegen per 16 maart 2020 is beperkte ruimte ontstaan voor woningbouw. Deze depositieruimte is opgenomen in het stikstofregistratiesysteem (SSRS). Op 24 april 2020 is een aanvraag om een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming ingediend, waarbij aanspraak is gedaan op een gedeelte van de beschikbate depositieruimte uit het SSRS. De ontwerpbeschikking heeft ter inzage gelegen van 18 augustus 2020 tot 28 september 2020. Op 1 oktober heeft het college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de definitieve vergunning verleend. Inmiddels is de vergunning onherroepelijk. Wet stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering ingegaan. Het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt kent een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten waarvan de emissies tijdelijk en beperkt zijn. Een stikstofberekening of vergunning voor de bouwactiviteiten in de aanlegfase is dus niet meer nodig. Aangezien het aantal woningen niet hoger ligt dan het aantal woningen dat in de vergunning is opgenomen heeft deze wijziging geen gevolgen voor de reeds vergunde situatie.
5.3
Conclusie
Soortenbescherming Ter bescherming van beschermde soorten is een compensatieplan opgesteld. Uit het monitoringsrapport blijkt dat er geen bijzonderheden zijn. Een ontwerpbeschikking voor de benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is afgegeven en ligt ter inzage. Gebiedsbescherming inclusief stikstofdepositie Het plangebied is niet gelegen binnen beschermde natuurgebieden of NNN-gebied. De gebruiksfase is reeds vergund.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
Hoofdstuk 6 Water Dit hoofdstuk, de 'watertoets', heeft betrekking op het gebied De Blauwe Zoom als geheel. Er is dus geen onderscheid gemaakt in deelgebieden zoals bij de verschillende bestemmingsplannen (bedrijventerrein, woongebied - oost en woongebied - west) is gebeurd. Waar in dit hoofdstuk wordt gesproken over 'plangebied', wordt dus het hele gebied De Blauwe Zoom bedoeld. Voor het plangebied inclusief het aangrenzende bedrijventerrein De Blauwe Zoom, en de strook tussen het plangebied en de spoorlijn, is een waterbalans opgesteld. Het vertrekpunt hiervoor is de verkaveling zoals gebruikt bij het opgestelde waterhuishoudingsplan. Het waterhuishoudingsplan is opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting. Gedurende de organische ontwikkeling van het plangebied wordt de waterbalans bijgehouden. De plannen zullen zo worden ontwikkeld dat de balans voor de benodigde waterberging op nul uit komt. Bij het opstellen van het Waterhuishoudingsplan heeft afstemming plaatsgevonden met waterschap Rivierenland.
6.1
Kader
Rijksbeleid De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld.
Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
31
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een "goede ecologische toestand" (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een "goed ecologisch potentieel" (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Provinciaal beleid Op 29 juni is het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 in werking getreden. Het plan is een herziening van het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015. Op grond van artikel 4.8 Waterwet dient het waterplan eens in de zes jaar door Provinciale Staten te worden herzien. Het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 van het college van Gedeputeerde Staten schetst de ambitie om beleid zo veel mogelijk integraal vorm te geven en te anticiperen op de visie die ten grondslag ligt aan de Omgevingswet. Specifiek voor het regionale waterbeleid is hieraan voldaan met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) en de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water. Dit maakt een volledig nieuw regionaal waterplan overbodig. Het planherzieningsbesluit bevat geen nieuw beleid. Het verwijst naar de diverse vastgestelde beleidsdocumenten waarin het waterbeleid inmiddels geactualiseerd is opgenomen. Verder benoemt het besluit op welke onderdelen het beleid van het Provinciaal waterplan Zuid-Holland 2010 - 2015 van kracht blijft. Het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021 bestaat uit de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2015 en het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015. In de Verordening Ruimte is regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen.
Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
Beleid waterbeheerder Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld, met als titel “Koers houden, kansen benutten”. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met de (klimaat)veranderingen om ons heen en benut zij de kansen die zich voordoen in de regio. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016-2021) wil bereiken en hoe zij dat willen bewerkstelligen. De drie speerpunten van het Waterbeheerprogramma zijn:
Veel dijkverbeteringen: in het waterbeheerprogramma staat bescherming tegen overstromingen voorop. In de komende jaren zullen veel dijkverbeteringen in het rivierengebied plaatsvinden. Daarbij houdt het waterschap rekening met nieuwe normen voor waterveiligheid en met de belangen van de omgeving. Dijkverbeteringen worden op veel plaatsen innovatief uitgevoerd. Hierdoor kan het waterschap de overlast voor de omgeving beperken en efficiënter werken. Innovatie bij zuivering afvalwater: rioolwater is niet langer alleen maar afvalwater; het is ook een bron van nuttige energie en grondstoffen. In het waterbeheerprogramma neemt het waterschap zich voor steeds meer technieken toe te passen om grondstoffen en energie terug te winnen uit het afvalwater. Klimaatbestendig watersysteem: het klimaatbestendig maken van het watersysteem is een van de aandachtspunten in het beheerprogramma.
Gemeentelijk beleid In 2003 hebben gemeente en Waterschap een stedelijk waterplan voor Hardinxveld-Giessendam opgesteld. In het waterplan staan maatregelen beschreven om het oppervlaktewater te verbeteren. Na vaststelling van het waterplan in 2003 zijn diverse projecten gestart. Deze projecten zijn inmiddels allemaal afgerond. In 2010 en 2011 hebben gemeente en waterschap het waterplan geëvalueerd. De doelen uit het plan uit 2003 zijn behaald. Met het afronden van het waterplan is het niet zo dat hiermee de taken van gemeente en waterschap zijn afgerond. Er is gewerkt aan een verdere verbetering van de waterhuishouding op straat- en wijkniveau. Waterschap en gemeente hebben begin 2016 beiden extra geld beschikbaar gesteld om aanvullende maatregelen om wateroverlast te beperken en om de (water)systemen robuuster te maken en beter te laten functioneren. Deze maatregelen zijn inmiddels afgerond.
6.2
Onderzoek
6.2.1
Huidige situatie
Hieronder wordt een korte beschrijving gegeven van het plangebied in de huidige situatie en een beschrijving van de beoogde ontwikkelingen. Ligging plangebied De Blauwe Zoom is gelegen in een weidegebied met een (vrij) ondiepe grondwaterstand, ingesloten door bestaand stedelijk gebied van Hardinxveld-Giessendam en de spoorlijn. Het gebied is momenteel grotendeels onverhard, met uitzondering van de reeds ontwikkelde gebieden.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
33
Oppervlaktewaterpeil Het plangebied is gelegen in het beheergebied van het waterschap Rivierenland, in het peilgebied Giessendam dat onderdeel is van het peilbesluit Nederwaard-Giessendam. Het zomerpeil van het open water in dit peilgebied is NAP -1,75 m, het winterpeil ligt op NAP -1,80 m. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland varieert de maaiveldhoogte van NAP -1,80 m tot NAP 2,00 m. Waterstructuur Binnen het plangebied bevinden zich meerdere watergangen. In het noorden van het plangebied, langs de Schapedrift, bevindt zich een watergang met A-status. Deze watergang zorgt voor de hoofdafvoer. A-Watergangen worden door het waterschap onderhouden. Voor het onderhoud en bescherming van A-Watergangen, kennen deze watergangen een beschermingszone van vijf meter langs de boveninsteek. Het betreft een strook langs de watergang waarbij de oever niet worden meegerekend. Deze zone moet in principe obstakelvrij blijven. De overige watergangen, voornamelijk noord-zuid georiënteerd, hebben een B- en C-status en lozen uiteindelijk het water op de watergang langs de Schapedrift. Veiligheid Het plangebied bevindt zich niet binnen een beschermingszone van een waterkering. Vanuit het aspect veiligheid zijn er derhalve geen beperkingen. Kwel en wegzijging Het plangebied staat momenteel voortdurend onder invloed van kwel omdat de grondwaterstand niet onder het oppervlaktewaterpeil komt.
De invloed van de Boven-Merwede op de kwel is beperkt omdat de deklaag de weerstand beperkt. Waterkwaliteit In de watergangen is een goede waterkwaliteit een vereiste. Het gaat daarbij om een goede fysisch-chemische waterkwaliteit en een goede ecologische kwaliteit. De chemische waterkwaliteit komt onder andere tot uitdrukking in de concentratie van opgeloste stoffen in het water. Voor alle watergangen gelden zogenaamde MTR-waarden. De MTR-waarden zijn maximaal aanvaardbare stoffenconcentraties die niet mogen worden overschreven. In het nationale waterbeleid (Vierde Nota Waterhuishouding) zijn voor allerlei stoffen MTR-waarden aangegeven. De concentraties worden gemeten op bepaalde meetpunten. Meetpunt ALBL0104 is het meest representatief voor het plangebied. Op meetpunt ALBL0020 zijn veel meer chemische analyses uitgevoerd. Voor dit meetpunt geldt echter dat lozingen uit de gemengde stelsels vanuit onder meer de wijk Over 't Spoor en afstromend water uit de landbouwgebieden dit meetpunt kunnen beïnvloeden. De grootte van de overstorten is echter beperkt. Doordat de watergang rond de wijk Over 't Spoor is verbreed, en door een verbeterde doorspoeling vanuit de Giessen, wordt de waterkwaliteit wel verbeterd. Het oppervlaktewater binnen het plangebied bevat hoge gehalten aan stikstof en fosfor.
Voor de jaren 2005 en 2006 is op meetpunt ALBL0020 de zomergemiddelde concentratie stikstof en fosfor gemeten. Beide waarden voldoen niet aan de MTR. In 2007 is voor meetpunt ALBL0104 de gemiddelde zomerconcentraties van fosfaat en stikstof gemeten. De gemeten waarden zijn te hoog voor de MTR maar voldoen wel aan de KRW-doelen voor het waterlichaam NL09_28. De exacte concentraties van de stoffen zijn terug te vinden in het Waterhuishoudingsplan.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
De hoge concentraties stikstof en fosfor zijn mogelijk deels te verklaren door de graafwerkzaamheden die zijn uitgevoerd voor het bouwrijp maken van de eerste fase van De Blauwe Zoom. Dit is een tijdelijk proces dat na beëindiging van de werkzaamheden ophoudt. Naast de hoge nutriëntenconcentraties zijn ook de lage zuurstofconcentraties een probleem voor de ecologie. In heel Hardinxveld-Giessendam komen structureel lage zuurstofconcentraties voor. Dit wordt veroorzaakt door de venige grondslag of snelle opwarming door ondiepe watergangen. De venige waterbodem verbruikt in combinatie met de hoge nutriëntenconcentraties veel zuurstof.
6.2.2
Ontwikkelingen
Het bestemmingsplan schept het planologisch en juridisch kader voor de realisatie van het westelijke deel van het woongebied. Door middel van eisen en regels in het exploitatieplan, het document “Locatie-eisen De Blauwe Zoom” en het “Handboek Openbare Ruimte” wordt richting gegeven aan de toekomstige invulling van het gebied. Voorgenomen bouwplannen of uitwerkingen van ontwikkelingsvelden dienen voorzien te zijn van een verkavelingsplan welke voldoet aan het gestelde in het document “Locatie-eisen De Blauwe Zoom”. Naast deze stedenbouwkundige eisen is het van belang dat er voldoende water aangelegd wordt ter compensatie van de verharding als gevolg van de ontwikkeling. Om deze reden wordt gewerkt met een zogenaamde waterbalans. Waterbalans Vanuit het proces-instrument 'waterbalans' wordt per uitwerking van een ontwikkelingsveld of bouwplan bekeken en getoetst of een goed functionerend watersysteem wordt aangelegd, rekening houdend met de beginbalans (bestaand verhard oppervlak en wateroppervlak) en de nieuw aan te leggen verhardingen en wateroppervlak. Hierdoor voldoet het watersysteem ten tijde van de ontwikkeling van het plangebied ten allen tijde aan de eisen van het waterschap. De waterstructuur in het noordelijk deel van het plangebied is specifiek bestemd als 'Water'.
Voor het zuidelijk deel van het plangebied is de waterstructuur niet specifiek bestemd op de verbeelding van het bestemmingsplan, maar is geregeld dat binnen de bestemming 'Woongebied' de aanleg van het benodigde water voor een functionerend watersysteem mogelijk is. Als blijkt dat gedurende de planperiode ruimte ontstaat om buiten de plangrenzen water te bergen en het watersysteem als geheel goed blijft functioneren kan ervoor gekozen worden de benodigde bergingscapaciteit buiten het plangebied op te lossen. Zoals aangegeven wordt per uitwerking van een ontwikkelingsveld of bouwplan bekeken of deze voldoet aan de eisen van het waterschap. Voor de waterbalans is het van belang om uit te gaan van een beginbalans, oftewel uitgangssituatie. In de volgende alinea zijn de eisen van het waterschap ten aanzien van waterberging opgenomen. Waterberging Waterschap Rivierenland hanteert vuistregels voor compenserende waterberging:
Het oppervlak open water van te dempen watergangen dient 1:1 gecompenseerd te worden door de aanleg van open water. Bij toename van verhard oppervlak geldt 436 m3 extra waterberging per hectare toename van verhard oppervlak indien dat verhard oppervlak loost op open water. Voor de verhardingen die lozen op een waterdoorlatende verhardingen (kunstmatige bergingsvoorzieningen) hanteert het waterschap een compensatie van 664 m3/ha.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
35
Voor plannen met meer dan 5 hectare nieuwe verharding wordt een aanvullende modelberekening gevraagd. Hierbij worden de volgende berekeningsuitgangspunten gehanteerd:
de maatgevende afvoer door de watergangen is 1,5 l/s/ha. Dit is ook de afvoer die de watergangen in het landelijk gebied nog net aankunnen. Een afvoer van 1,5 l/s/ha komt overeen met 13 mm/dag; bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen met 10% opslag vanwege de klimaatsverandering mag er geen inundatie optreden (NBW-norm); bij een regenbui die eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% opslag vanwege klimaatsverandering moet er voor het straatpeil nog een drooglegging van 0,7 m zijn ten opzichte van zomerpeil (norm waterschap Rivierenland).
Kwel en wegzijging Het waterschap hanteert voor nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen strikte uitgangspunten die zijn gebaseerd op de wettelijke taken van een waterschap. Door het realiseren van De Blauwe Zoom mag de kwel en wegzijging niet noemenswaardig toenemen. Riolering en volksgezondheid Het afvalwater en het regenwater dienen binnen het woongebied gescheiden ingezameld en afgevoerd te worden. Het afvalwater wordt via een droogweerafvoerstelsel (DWA) naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Sliedrecht gepompt en het regenwater komt uiteindelijk op het oppervlaktewater terecht. Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico's van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Om dergelijke risico's verder te verkleinen, dienen de waterlopen goed door spoelen; ze mogen dus niet doodlopend zijn. Waterkwaliteit Uit berekeningen blijkt dat de belasting van stikstof en fosfor als gevolg van de aanleg van verhardingen kleiner wordt dan de belasting vanuit het landbouwgebied was. Dit is te verklaren doordat er in een woonwijk weinig meststoffen kunnen afspoelen naar het oppervlaktewater. De totale belasting op het wateroppervlak zal in de uiteindelijke definitieve situatie lager uitvallen dan in de huidige situatie.
Dit is te verklaren door een afname van de belasting van emissies en het vergroten van het wateroppervlak. De afkoppeling van hemelwater zal er in de toekomst voor zorgen dat het aantal riooloverstorten wordt verminderd. Bij volledige afkoppeling (wat het streven is) is de overstortfrequentie zelfs nihil. Dit komt de waterkwaliteit ten goede. Natte natuur Momenteel heeft het te ontwikkelen gebied voornamelijk een agrarische functie. Mogelijk worden natuurvriendelijke oevers aangelegd. Hierdoor kunnen de natuurwaarden vergroot worden. Het gebied is niet gelegen in of nabij een (nat) natuurgebied of (natte) ecologische verbindingszone. Bovendien zal alleen schoon hemelwater het plangebied verlaten (afgezien van de vuilwaterafvoer via de DWA), waardoor natte natuurwaarden op afstand niet via het oppervlaktewater kunnen worden aangetast. Verdroging zal niet optreden door de voorgestane ontwikkeling, omdat het grondwaterpeil niet zal worden aangepast.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
Beheer en onderhoud Bij het realiseren van nieuwe watergangen is het van belang om afspraken te maken over de onderhoudsplicht. Er zijn twee mogelijkheden:
A-watergangen: Het waterschap heeft het natte profiel in onderhoud. De taluds (die lopen tot aan de bodem) van de A-watergang zijn in onderhoud van de aanliggende eigenaren. Gemeten vanaf de insteek geldt een beschermingszone van 5 meter. B-watergangen: Het onderhoud aan B-watergangen wordt uitgevoerd door de aanliggende eigenaren. Wanneer sprake is van twee eigenaren aan beide zijden betekent dit dat beiden tot de helft van de watergang onderhoudsplichtig zijn. Het waterschap voert geen onderhoud uit aan B-watergangen. Gemeten vanuit de insteek geldt een beschermingszone van 1 meter.
Door rekening te houden met de bovengenoemde beschermingszones in de bouwplannen worden de belangen vanuit de keur nageleefd.
6.3
Conclusie
In overleg met het waterschap Rivierenland wordt in De Blauwe Zoom ingezet op een alternatieve aanpak wat betreft de toetsing van het onderhavige bestemmingsplan aan de richtlijnen van het waterschap. Gekozen is voor een zogenaamde waterbalans. De voorwaarde om te voldoen aan de waterbalans is juridisch afgedwongen in de regels van dit bestemmingsplan en in het exploitatieplan. De waterbalans is een momentopname en wordt continue bijgesteld. Door te werken middels een waterbalans zal bij de invulling van het woongebied per uitwerking van een ontwikkelingsveld of bouwplan getoetst worden of voldaan wordt aan de eisen van het waterschap ten aanzien van het watersysteem. Hierdoor is een goed functionerend watersysteem gewaarborgd. Deze waterparagraaf wordt in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan het waterschap Rivierenland. Diens reactie zal in de waterparagraaf worden verwerkt.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
37
Hoofdstuk 7 Archeologie en cultuurhistorie 7.1
Archeologie
7.1.1
Kader
Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals dit in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. Het gaat daarbij om de volgende zaken:
Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; Bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Gemeentelijk archeologiebeleid In oktober 2010 is het in regionaal verband opgestelde archeologiebeleid van (onder meer) de gemeente Hardinxveld-Giessendam vastgesteld. Het beleid bestaat uit een beleidsnota waarbij een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart hoort. Het beleid vormt in feite een nadere uitwerking c.q. detaillering van het provinciale beleid. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening, waarin het bestemmingsplan het centrale instrument vormt.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
7.1.2
Onderzoek
Afbeelding 8.1: Uitsnede CHS provincie Zuid-Holland inclusief legenda
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
39
Afbeelding 8.2: Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingenkaart inclusief legenda Waardering CHS Uit afbeelding 8.1 blijkt dat de kans op het aantreffen van archeologische sporen in heel De Blauwe Zoom laag wordt geacht. Er gelden vanuit de provinciale cultuurhistorische waardenkaart geen beperkende maatregelen. Waardering gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart Zoals blijkt uit afbeelding 8.2 heeft het gebied De Blauwe Zoom in het gemeentelijk beleid een specifiekere en meer gedetailleerde waardering gekregen dan de wat globalere provinciale kaart. De volgende aanduidingen gelden voor De Blauwe Zoom:
Hoofdzakelijk heeft De Blauwe Zoom een 'hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden maaiveld' ("Waarde - Archeologie 7"): archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 500 cm; Het westelijk deel van De Blauwe Zoom heeft een 'lage verwachting' (“Waarde – Archeologie 9”): archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm; De zuidwestelijke punt van De Blauwe Zoom heeft een 'hoge verwachting aan of nabij het oppervlak' ("Waarde - Archeologie 4"): archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm.
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek In opdracht van de gemeente Hardinxveld-Giessendam is in 2011 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek met behulp van boringen (verkennende fase) uitgevoerd in het totale plangebied van De Blauwe Zoom. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 3.1 (SIKB 2006a), de provinciale richtlijnen, het vigerende gemeentelijke beleid en het onderzoeksspecifieke plan van aanpak (Emaus, 2011). De rapportage van het archeologisch onderzoek is als Bijlage 2 bij deze toelichting toegevoegd. Het onderzoeksgebied van dit onderzoek wordt omgrensd door de Schapedrift in het noorden en het westen en de bebouwing aan de straat Buitendams in het zuiden. In het oosten wordt het onderzoeksgebied begrensd door een reeds opgehoogd terrein. De oppervlakte van het De Blauwe Zoom - West vast te stellen
onderzoeksgebied bedraagt ca. 12 ha. In de rapportage wordt geconcludeerd dat er geen bekende archeologische waarden in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Met betrekking tot toekomstige bodemverstoringen wordt aanbevolen om bij verstoringen dieper dan 1,4 m vervolgonderzoek door middel van karterende boringen in te zetten. Ook bij het zetten van de boringen voor de heipalen en de lussen voor het eventueel te realiseren systeem voor duurzame energieopslag, dient te worden opgelet dat de verstoring hierbij niet groter is dan 1% van het totale oppervlak. De initiatiefnemer dient dan ook voorafgaand aan de vergunningsaanvraag een voorlopig palenplan op te stellen, zodat aan de hand daarvan bepaald kan worden wat de verstoringsgraad zal worden die samenhangt met dat palenplan. Archeologisch booronderzoek Naast het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uit 2011 is in 2015 een archeologisch booronderzoek uitgevoerd. De resultaten van het booronderzoek worden hieronder beknopt weergegeven, de volledige rapportage is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Uit het booronderzoek blijkt dat in het plangebied een noordwest-zuidoost geörienteerde band met beddingen geulafzettingen van de Wijngaardense meandergordel (ca. 5.420 - 4.320 v. Chr.) aanwezig is. Ten noorden en ten zuiden hiervan zijn oeverafzettingen aangetroffen.
De afzettingen van de Wijngaardense meandergordel bevinden zich beneden 6,5 m -NAP. In het noordoosten van het plangebied is een humeuse laag met daarin een vuursteenafslag in de oeverafzettingen aanwezig. De vuursteenafslag is bewerkt en dateert waarschijnlijk uit het neolithicum. In het noordoosten van het plangebied kunnen dus archeologische waarden uit het neolithicum in de oeverafzettingen van de Wijngaardense meandergordel aanwezig zijn. In de overige delen van het plangebied zijn in de oeverafzettingen geen archeologische indicatoren of archeologische potentiele lagen aangetroffen. Waarschijnlijk zijn in het plangebied geen rivierduinafzettingen aanwezig. Boven 6,5 m -NAP zijn in het plangebied voornamelijk komafzettingen aangetoffen, bestaande uit klei- en veenlagen. Waarschijnlijk vond na de sedimentatie van de Wijngaardense meandergordel een grootschalige vernatting van het gebied plaats. De komafzettingen hebben een lage archeologische verwachting. Omdat in het noordoosten van het plangebied waarschijnlijk nog archeologische waarden aanwezig zijn in de oeverafzettingen van de Wijngaardense meandergordel, wordt geadviseerd om in fase 1 een beperkt heipalenplan te hanteren. Beperkt betekent in dit geval dat 2% van de oppervlakte van het gebied of minder door heipalen verstoord zal worden.
Als het niet mogelijk is om een beperkt heipalenplan te hanteren, wordt geadviseerd om in het noordoosten van het plangebied een machinaal karterend booronderzoek uit te voeren om zo de verspreiding, diepteligging en complextype van de mogelijk archeologische waarden beter in kaart te brengen. De overige delen van het plangebied kunnen zonder verder archeologisch onderzoek plaatsvinden voor de voorgenomen ontwikkeling. In deze gebieden kunnen echter nog wel archeologische resten aanwezig zijn, zoals losse vondsten of structuren die niet door het booronderzoek gevonden zijn. Indien toch archeologische resten worden gevonden kan dit gemeld worden bij de gemeente. 7.1.3
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is niet langer nodig om een dubbelbestemming voor archeologie op te nemen.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
41
7.2
Cultuurhistorie
7.2.1
Kader
In de Erfgoedwet is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. Er zijn rijks-, provinciale en gemeentelijke monumenten. Uitgangspunt is dat een monument slechts op één lijst voorkomt: Rijksmonumenten zijn terug te vinden in het Monumentenregister. Namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wijst de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beschermde rijksmonumenten aan. Stads- en dorpsgezichten worden mede door de minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen. De Rijksdienst wijst nog maar heel beperkt nieuwe monumenten aan. Op dit moment zijn dat vooral gebouwen uit de wederopbouwperiode. Provinciale monumenten hebben een gemeentelijke monumentenlijst, op basis van een gemeentelijke erfgoedverordening. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 7.1.1 waarin de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland reeds beschreven wordt. Regioprofielen Cultuurhistorie De provincie Zuid-Holland wil waardevolle cultuurhistorische elementen behouden of inpassen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Om dit richting te geven, zijn Regioprofielen Cultuurhistorie opgesteld. De zestien regioprofielen dienen als een handreiking en sturingskader voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en adviesbureaus om cultuurhistorie op te nemen in ruimtelijke plannen.
Ze zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in ruimtelijke plannen zoals die staan in de provinciale Structuurvisie. 7.2.2
Onderzoek
Ontstaansgeschiedenis Hardinxveld en Giessendam behoren tot de oudste ontginningscentra van de Alblasserwaard. Vanuit de oeverwal aan de benedenloop van het veenriviertje de Giessen zijn in noordwestelijke richting de afwateringssloten gegraven. Aangenomen wordt dat het gebied rond Hardinxveld-Giessendam al in 1270 geheel was ontgonnen. Archeologische vondsten op de oevers van de Giessen geven aan dat de eerste intensieve bewoning al plaatsvond in de 11e eeuw. Deze bewoning heeft zich ontwikkeld langs de Giessen en heeft geleid tot de karakteristieke lintbebouwing op de oeverwallen: een reeks boerderijen die het ontgonnen land aan de achterzijde gebruikten voor agrarische productie. In de loop der eeuwen is de ruimte tussen de boerderijen en de Giessen ingevuld met bebouwing. Door inklinking van de polders en verzanding van de rivier ontstond de noodzaak om het ontgonnen land te beschermen tegen overstromingen bij hoogtij. De rivier de Merwede werd bedijkt en in de Giessen werd een dam aangelegd om de rivier buiten de getijden van de rivier te houden: Giessendam was een feit.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
Hardinxveld-Giessendam maakt deel uit van een langs de rivier gelegen 'verstedelijkingsreeks' vanaf Gorinchem tot aan Rotterdam. De ontwikkeling van deze 'bandstad' kan gerelateerd worden aan de aanleg van de infrastructuur aan het eind van de 19e en in de loop van de 20e eeuw. De belangrijke economische aders zijn de spoorlijn, de auto(snel)wegen en de Merwede. De kernen hebben zich vanaf hun ontstaan in de 13e eeuw tot de 20e eeuw nauwelijks ontwikkeld. Er heeft voornamelijk verdichting plaatsgevonden in de lintbebouwing. De industrialisatie en de mobiliteitstoename hebben Hardinxveld en Giessendam in de 20e eeuw explosief doen groeien. De kernen van Giessendam en Neder-Hardinxveld zijn aan elkaar gegroeid, terwijl Boven-Hardinxveld een kleine afzonderlijke kern is gebleven. In 1957 zijn de gemeentes samengevoegd tot de gemeente Hardinxveld-Giessendam. De historische ontwikkeling is nog steeds goed waarneembaar en dit bepaalt in grote mate het karakter van de gemeente. Het ontginningslint Damstraat-Binnendams en de dijklinten Buitendams en de Peulenstraat en Rivierdijk zijn als uitgestrekte ensembles duidelijk herkenbaar en vormen een typerend verschil met de woongebieden. Het gebied De Blauwe Zoom is gelegen direct ten noorden van het lint Buitendams. Door de historische groei kennen de linten een sterke functiemenging. Dit levert een divers en levendig beeld op.
Sommige bedrijven zijn echter zodanig gegroeid dat ze hinder ondervinden van of hinder veroorzaken naar de omgeving. De specifieke situatie van de linten, met name de dijklinten, heeft voor veel woningen een specifieke typologie opgeleverd. Binnendams en Buitendams waren samen met de Damstraat lange tijd de belangrijkste straten in de kern Neder-Hardinxveld/Giessendam. In de naamgeving van deze straten wordt het belang dat de dam had voor de waterhuishouding nog steeds benadrukt. Buitendams maakte tot 1940 onderdeel uit van de hoofdwaterkering van de Alblasserwaard. De rijksweg A15 heeft deze functie overgenomen. Buitendams kan vanaf de Molenstraat worden beschouwd als verlaten waterkering omdat deze geen waterkerende functie meer heeft. Binnendams en de Damstraat hebben die functie nog wel. Na de aanleg van de spoorlijn Dordrecht - Geldermalsen is het gebied tussen Buitendams, de Damstraat en de spoorlijn gedeeltelijk volgebouwd. Aan de noordzijde van de spoorlijn is het woongebiedje 'Over 't Spoor' gebouwd. Vervolgens hebben de uitbreidingen in oostelijke richting (Wielwijk), maar ook in westelijke richting plaatsgevonden. Zo zijn West I en II ontwikkeld, waarbij Buitendams de zuidelijke en de spoorlijn de noordelijke grenzen vormen. De Blauwe Zoom, met daartussen nog de Scholenstrook, is een logische volgende stap.
Cultuurhistorische waardering Uit de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur blijkt dat ten zuiden van De Blauwe Zoom een historische landschappelijke lijn van hoge waarde aanwezig is. Het betreft de dijk Buitendams en de Zwijnskade. Dit gegeven komt ook terug in de gemeentelijke archeologienota. Het lint is echter niet binnen onderhavig plangebied gelegen. De verschijningsvorm van dit lint blijft dan ook ongeschonden. De Blauwe Zoom is op het Regioprofiel voor de Alblasserwaard Vijfheerenlanden niet als bijzonder cultuurhistorisch gebied aangemerkt. Binnen het bestemmingsplangebied bevinden zich geen monumenten. 7.2.3
Conclusie
Gelet op het bovenstaande vorm het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
43
Hoofdstuk 8 Milieu 8.1
Algemeen
In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden inzichtelijk gemaakt. Waar nodig dient een vertaling plaats te vinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
8.2
M.e.r-beoordeling
Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. De realisatie van de maximaal 276 nieuwe woningen kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria:
Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van het potentiële effect.
Dit kan niet uitsluitend in de vorm van een paragraaf in de toelichting, maar daarvoor dient door de initiatiefnemer een 'aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling' te worden opgesteld. Door de wetswijziging van die datum geldt dit voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Voor de realisatie van de 276 woningen is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld waarbij kort is samengevat wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn op de verschillende milieuaspecten. Deze aanmeldnotitie is opgenomen in Bijlage 10. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er sprake is of kan zijn van nadelige milieueffecten. Deze effecten zijn weloverwogen beoordeeld en waar compensatie gevraagd is zal worden gecompenseerd. Maatregelen zullen worden gevoerd om deze effecten te beperken. Er kan worden geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een m.e.r.-beoordeling in deze niet noodzakelijk is.
8.3
Bodemkwaliteit
8.3.1
Kader
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem.
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen.
Die voorschriften dienen in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Gemeentelijk of regionaal bodembeleid Op de interactieve bodemkwaliteitskaart van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) heeft de locatie grotendeels de kwaliteitsklasse “Achtergrondwaarde” waarbinnen grondverzet mogelijk is. Voor een kleiner deel is de klasse "Industrie Heterogeen" en "Wonen". De kaart geeft de gemiddelde bodemkwaliteit voor onverdachte locaties binnen een zone. Verkennend bodem onderzoek is noodzakelijk. 8.3.2
Onderzoek
Ten behoeve van de voorliggende ontwikkeling zijn een verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5740 en NEN 5707) en een waterbodemonderzoek (conform NEN 5720) uitgevoerd. De resultaten worden hieronder beknopt weergegeven, de volledige rapportages zijn als bijlage 4 en 5 bij deze toelichting gevoegd. Verkennend bodemonderzoek Ter plaatse van het plangebied is een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en een bodemonderzoek, naar asbest in bodem NEN 5707 uitgevoerd. Voor de uitvoer van het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek is de onderzoeksstrategie bepaald. Doel van het onderzoek is om aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. De aanleiding voor het bodemonderzoek naar asbest in de bodem wordt gevormd doordat de locatie als verdacht op het voorkomen van asbest moet worden beschouwd op basis van het aantreffen van puin in de bodem tijdens eerder uitgevoerde bodemonderzoeken. NEN 5740
De Blauwe Zoom - West vast te stellen
45
Op basis van de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de grond verhogingen van molybdeen, nikkel, lood en kobalt ten opzicht van de achtergrondwaarde worden aangetroffen. In het grondwater worden verhogingen van barium, naftaleen en minerale olie ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. NEN 5707 Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat zowel zintuiglijk als analytisch op de locatie geen asbest in de bodem wordt aangetroffen. Aanvullend bodemonderzoek ten behoeve van inkadering Op basis van het uitgevoerde aanvullend onderzoek kan worden geconcludeerd dat de eerder aangetroffen verontreiniging te plaatse van B105 (B39 in voorgaande onderzoek) voldoende is ingekaderd. De verontreiniging betreft een spot van minder dan 25 m3 met een verhoging ten opzichte van de tussenwaarde tot 1,0 m - mv. Er is geen sprake van een ernstige bodemverontreiniging waarvoor een saneringsplicht van toepassing is. In de omliggende boringen worden analytisch enkel verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. In het grondwater ter plaatse van PB38 wordt de verhoging van nikkel in onderhavig onderzoek niet meer aangetroffen. Vermoedelijk betrof de eerder aangetroffen verhoging een eenmalig verhoogde concentratie veroorzaakt door verhoogde achtergrondconcentraties in het grondwater.
De resultaten van het bodemonderzoek geven geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van dit bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot de geplande ontwikkelingen. Waterbodemonderzoek Het doel van dit onderzoek is om aan te tonen of in de waterbodem verontreinigende stoffen worden aangetroffen en het bepalen van de milieuhygienische kwaliteit van de waterbodem en de eventueel daaruit vrijkomende baggerspecie. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat verhogingen van diverse parameters ten opzichte van de achtergrondwaarde worden aangetroffen. De locatie kan daarom niet meer als onverdacht worden beschouwd, de resultaten van het bodemonderzoek geven echter geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Bij het dempen van sloten moet rekening worden gehouden met de kwaliteitsklasse van sloot 3, 4 en 8. 8.3.3
Conclusie
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er geen belemmeringen bestaan ten aanzien voor voorliggend plan.
8.4
Akoestische aspecten
8.4.1
Kader
Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat er akoestisch onderzoek verricht dient te worden gedurende de bestemmingsplanprocedure, indien het bestemmingsplan het volgende mogelijk maakt:
nieuwe infrastructuur; nieuwe geluidsgevoelige functies. De Blauwe Zoom - West vast te stellen
De Wgh geeft aan dat wegen, met een rijsnelheid van 50 km/uur of hoger, wettelijke onderzoekszones hebben. Indien er binnen deze zones een nieuwe geluidgevoelige functie juridisch-planologisch wordt mogelijk gemaakt, dient er een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Het plangebied is gelegen binnen de wettelijke zone van de Rijksweg A15, de route Zwijnskade/Rivierdijk, de Sportlaan, de Spoorweg en de Peulenlaan. Vanuit de Wet geluidhinder is een onderzoek naar wegverkeerslawaai benodigd. Daarnaast is het plangebied gelegen in de wettelijke zone van de spoorlijnen Betuweroute en de spoorverbinding tussen Dordrecht en Geldermalsen (Arriva). Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient ook aandacht te worden besteed aan de mogelijke geluidhinder van het wegverkeer op de 30 km/uur-wegen. In de volgende paragraaf zijn de resultaten voor de aspecten wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai beschreven. 8.4.2