262 Raad van State - Kennisgeving beroepschrift n.a.v. Omgevingsplan Hardinxveld-Giessendam (geanonimiseerd) .pdf
Tekst van het document
Vulstoffen en toeslagmaterialen zijn beide anorganische grondstoffen voor het maken van een vormgegeven bouwstof zoals bijvoorbeeld beton of asfalt. Zij zijn beide van Invloed op eigenschappen van de bouwstof zoals verwerkbaarheid, dichtheid, druksterkte, thermisch gedrag, slijtweerstand, kleur, etc. en worden ook beide gebruikt om deze eigenschappen te kunnen beïnvloeden. De grens tussen beide is niet scherp maar vulstoffen zijn in het algemeen fijner dan toeslagmateriaal. De korrels zijn in het algemeen kleiner dan 63 um en vullen vooral de poriën op. Ondanks de naam is de invloed van een vulstof op een bouwstof groter dan alleen het opvullen van poriën.
Toeslagmaterialen worden in het algemeen in grotere hoeveelheden gebruikt dan vulstoffen; tot wel 75% van de bouwstof en meer. Zij worden wel het dragend skelet van de bouwstof genoemd. Binnen beide categorieën bestaat een grote variëteit.
?
?
Voorbeelden van primaire vulstoffen zijn kalksteenmeel en kwartsmeel. Deze inerte vulstoffen worden toegepast om betonspecies meer samenhang en stabiliteit te geven of om de structuur en de dichtheid van het beton te verbeteren. Er zijn ook vulstoffen met een bindende werking en die voor een deel ook als bindmiddel zijn te beschouwen. Een voorbeeld van het laatste is poederkoolvliegas. Dit laatste is ook een voorbeeld waar een afvalstof als vulstof wordt toegepast en daarmee primaire grondstoffen (vulstof of bindmiddel) vervangt. In Nederland bestaat primair toeslagmateriaal in beton meestal uit zand en grind, maar afhankelijk van de prestatie-eisen en de beschikbaarheid van deze materialen, kan ook basalt, graniet, kalksteen of kwarts worden gebruikt. Afvalstoffen kunnen ook als toeslagmaterialen worden ingezet. Een voorbeeld daarvan is het vervangen van de deel van de toeslagmaterialen zand en grind door betongranulaat.
In dit hoofdstuk wordt in meer detail Ingegaan op het inzetten van afvalstoffen, en dan met name AVIreststoffen, als vul- of toeslagmateriaal in bouwstoffen (zoals beton of asfalt). Naast inzet van afvalstoffen als vulstof of toeslagmateriaal wordt in dit CMP ook gesproken over inzet in, of als, Immobilisaat. In het laatste geval wordt de afvalstof niet ingezet ter vervanging van één of meerdere primaire grondstoffen in bijvoorbeeld beton of asfalt. De afvalstof wordt als geheel met een bindmiddel gemengd om de aanwezige verontreinigingen te binden en de afvalstof als geheel om te zetten in een vormgegeven bouwstof. Het kan ook gaan om mengsels van afvalstoffen. Zo bevat immobilisaat van AVIbodemas ook vaak verontreinigde grond, soms wel enkele tientallen procenten. Ook straalgrit, zeefzand en staalslakken worden wel als afvalstof of als mengsel van aantal afvalstoffen verwerkt tot immobilisaten. Bij het gebruik van een afvalstof als vulstof of toeslagmaterieel, is het hoofddoel vooral het uitsparen van primaire grondstof zonder nadelige effecten op de civieltechnische eigenschappen van de geproduceerde bouwstof. In het algemeen maken de afvalstoffen In dat geval tot enkele tientallen procenten uit van de geproduceerde bouwstof. Immobilisaten bestaan overwegend, tot wel meer dan 80% , uit afvalstoffen.
Ontwerp Circulair Materialenplan | Ministerie van lenW | 2
Door een goede combinatie van afvalstoffen kunnen de civieltechnische kenmerken van het immobilisaat worden gestuurd. Bij Immobiliseren is het vastleggen van in de afvalstof aanwezige verontreinigingen een belangrijk doel. Immobilisaten worden veelal toegepast als fundatielagen, talud versteviging en grondkerende constructies. Voor constructieve toepassingen gaat het eerder om inzet als vul- of toeslagstof.
1.
Doelgroep Dit hoofdstuk is als eerste van belang voor alle bedrijven die afvalstoffen verwerken in of als een immobilisaat, vulstof of toeslagmateriaal of die dat overwegen. •
•
Een voorbeeld hiervan zijn bedrijven die afvalstoffen geschikt maken voor gebruik in of als immobilisaat, vulstof, of toeslagmateriaal door ze te verkleinen, zeven of het afscheiden of vernietigen van verontreinigingen. Daarnaast zijn dit bedrijven die de geschikt gemaakte afvalstoffen daadwerkelijk toepassen in vormgegeven bouwstoffen (waaronder immobilisaten). Dit kunnen bedrijven zijn die het produceren van immobilisaten uit afvalstoffen als hoofdactiviteit hebben. Het kan ook gaan om als bedrijven die reguliere bouwstoffen maken - denk aan de producenten van bijvoorbeeld beton of asfalt - en die deze afvalstoffen als een alternatieve grondstof zien.
Al deze bedrijven lezen in dit hoofdstuk wanneer deze activiteiten vanuit de transitie naar een circulaire economie wel of niet voor een vergunning in aanmerking komen. Ook bevat dit hoofdstuk een schets van toekomstige ontwikkelingen die voor deze bedrijven van belang kunnen zijn bij het maken van keuzes voor toekomstige bedrijfsactiviteiten.
In het verlengde hiervan is dit hoofdstuk ook relevant voor vergunningverleners van al deze bedrijven. Specifiek voor hen gaat dit hoofdstuk ook expliciet in op het al dan niet vergunningplichtig zijn van deze activiteiten en in welke gevallen vergunningen wel of juist niet kunnen worden verleend.
2.
Belang voor circulaire economie Uitgangspunt bij de transitie naar een circulaire economie is zorgen dat grondstoffen zoveel mogelijk behouden blijven voor een volgende toepassing zonder dat hierbij onaanvaardbare risico's ontstaan voor milieu en volksgezondheid. Dit uitgangspunt komt voort uit de doelstellingen van het afvalbeleid op Europees (Kaderrichtlijn afvalstoffen) en nationaal (Wet milieubeheer) niveau.
Door afvalstoffen in te zetten in en als vormgegeven bouwstoffen, blijven deze materialen in de keten en vermindert het gebruik van primaire materialen. Dit is vanuit een circulaire economie een positief punt en in lijn met efficiënt gebruik van grondstoffen. Aandachtspunt is echter dat met het gebruik van afvalstoffen voor gebruik in en als immobilisaat, vulstof, of toeslagmateriaal ook verontreinigingen die in het afval zitten in de bouwstoffen terechtkomen. Dit kan mogelijk leiden tot diffuse verspreiding daarvan en mogelijke risico's voor het milieu en de volksgezondheid. Ook zou dit in potentie kunnen leiden tot vervuiling van de grondstoffen van de toekomst bij een hernieuwde toepassing. Het is belangrijk dat bij het recyclen en (hernieuwd) toepassen van afvalstoffen het beperken van risico's voor milieu en volksgezondheid tot een verwaarloosbaar niveau is meegenomen, ook bij de vergunningverlener. We gaan hier in dit hoofdstuk verder op in.
3.
Beleid en wetgeving In deze paragraaf wordt eerst (subparagraaf 3.1 'Wet- en regelgeving’) ingegaan op voor dit hoofdstuk relevante regelgeving. Hier komt met name aan de orde bij welke handelingen in de keten sprake is van vergunningplicht, omdat het CMP het toetsingskader is voor het verlenen van deze vergunningen. In de tweede subparagraaf 3.2 'Inzet van afvalstoffen als of bij de productie van bouwstoffen' wordt het beleid voor het gebruik van afvalstoffen ten behoeve van het toepassen als vul- of toeslagmateriaal in en immobilisatie tot vormgegeven bouwstoffen beschreven. Ontwerp Circulair Materialenplan | Ministerie van lenW | 3
3.1
Wet- en regelgeving
3.1.1
Besluit bodemkwaliteit
Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en bijhorende de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk2022) stellen voor de bescherming van de bodem kwaliteitseisen aan toe te passen bouwstoffen. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wijst het toepassen van bouwstoffen (zoals gedefinieerd in het Bbk) aan als een milieubelastende activiteit (artikel 3.48m Bal) en stelt daaraan regels (paragraaf 4.123 Bal). Bouwstoffen, al dan niet gemaakt uit afvalstoffen, mogen op grond van artikel 4.1264 Bal alleen worden toegepast als deze voldoen aan de kwaliteitseisen uit de Rbk2022. Voor de productie van een bouwstof kunnen ook afvalstoffen worden gebruikt. Daarvoor kan het nodig zijn dat afvalstoffen met andere afvalstoffen, bouwstoffen of materialen worden gemengd. Het Bal wijst mengen van afvalstoffen met afvalstoffen of andere materialen aan als milieubelastende activiteit waarvoor in bepaalde gevallen een vergunning nodig is (zie volgende paragraaf).
3.1.2
Vergunningplicht
Bevoegde gezagen moeten volgens artikel 10.14 van de Wet milieubeheer (Wm) rekening houden met het CMP bij het nemen van besluiten die betrekking hebben op afvalstoffen. Een besluit waarvoor dit 'rekening houden met' bijvoorbeeld geldt is het verlenen van vergunningen voor het verwerken of toepassen van afvalstoffen (artikel 8.9 Besluit kwaliteit leefomgeving). Voor het gebruik van afvalstoffen als immobilisaat, vulstof of toeslagmateriaal speelt dit op twee momenten in de keten.
3.1.2.1 Vergunningplicht voor het reinigen van afvalstoffen Om afvalstoffen geschikt te maken voor immobilisatie of inzet als vul- of toeslagmateriaal is vaak een bewerking nodig om aanwezige verontreinigingen te verwijderen of te vernietigen. Het kan dan gaan om het zogenoemde wassen van de afvalstof, om een thermische behandeling, om het fysisch/mechanisch afscheiden van metalen of niet inerte delen, etc. Al deze handelingen zijn vergunningplichtig (artikel 3:189 Besluit activiteiten leefomgeving). Voor het verlenen van vergunningen voor deze reinigingshandelingen is het CMP dus het toetsingskader. Naast de minimumstandaarden en dit hoofdstuk over immobiliseren, toeslag- en vulstoffen, moet dan bijvoorbeeld ook rekening worden gehouden met [hoofdstuk mengen van afvalstoffen] en [hoofdstuk ZZS en overige zorgstoffen].
3.1.2.2 Vergunningplicht voor het produceren van bouwstoffen Ook het mengbeleid van het CMP werkt door in vergunningen. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wijst het mengen van afvalstoffen met andere afvalstoffen of met andere materialen aan als een milieubelastende activiteit. Het mengen van bedrijfsafvalstoffen met nietafvalstoffen tijdens recycling (zoals mengen met cement en andere materialen voor verwerken in beton) is alleen vergunningplichtig als de opslag van de afvalstoffen vergunningplichtig is (artikel 3.195 lid 3 onder a Bal). Voor dit hoofdstuk van het CMP is daarbij het volgende van belang: •
•
Als het gaat om materialen die op grond van paragraaf 3.2.25 Bal mogen worden toegepast d.w.z. materialen die voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 - is dit mengen alleen vergunningplichtig bij opslag van 10.000 ton van die materialen of meer (artikel 3.185 lid 3 onder q sub 1 Bal). Als het gaat om materialen die niet voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022, dan is mengen altijd vergunningplichtig ongeacht de hoeveelheid afvalstoffen die op het terrein wordt opgeslagen.
Met dit als basis is in paragraaf 4 'Toetsingskaders CMP’ een kader opgenomen voor het al dan niet verlenen van dergelijke vergunningen.
Ontwerp Circulair Materialenplan | Ministerie van lenW | 4
3.2
Inzet van afvalstoffen als of bij de productie van bouwstoffen
3.2.1
Voorkomen van risico's voor milieu en volksgezondheid
In paragraaf 2‘Belang voor circulaire economie' staat het uitgangspunt dat wordt gehanteerd bij de transitie naar een circulaire economie. Het recyclen van afvalstoffen in en als bouwstof wordt vanwege de bijdrage aan het sluiten van materiaalkringlopen ondersteund. Voor de meeste inerte afvalstoffen staat de minimumstandaard in het betreffende afval- en ketenplan deze vorm van recyclen ook toe. In een aantal gevallen wordt hieraan toch beperkingen gesteld om risico's voor milieu en volksgezondheid te voorkomen. Deze beperkingen worden hieronder uitgewerkt en zijn ook terug te vinden in de voor die afvalstoffen geldende afval- of ketenplannen. Tegen de achtergrond van het voorkomen van risico's voor milieu en volksgezondheid is in het [MER dat voor het CMP is opgesteld] ook inzet van afvalstoffen als of in bouwstoffen gekeken. Specifiek is gekeken naar het immobiliseren van afvalstoffen en het toepassen van een afvalstof als vul- of toeslagmateriaal in een bouwstof. De conclusie is dat opties die uitgaan van alleen immobiliseren of inzetten als vulstof/toeslagmateriaal als het materiaal zelf al voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen
• • •
het beste scoren op het vermijden van risico's op verspreiding van schadelijke stoffen, en goed scoren op een bijdrage aan een circulaire economie, maar wel leiden tot iets meer storten van een residu dat ontstaat bij de reiniging.
Gelet op eerdergenoemd uitgangspunt (paragraaf 2‘Belang voor circulaire economie') en de uitkomst van het MER zal het terug in de keten brengen van relatief vuile materialen worden beperkt. Wel wordt dit beleid gefaseerd ingevoerd, te beginnen met afvalstoffen waarvoor al beperkingen van toepassing zijn (zie toelichting onder de figuur in de volgende paragraaf), aangevuld met AVI-bodemas. Andere afvalstoffen volgen mogelijk bij een toekomstige wijziging van het CMP.
3.2.2
Relatie met hoofdstuk mengen van afvalstoffen
Basis van mengen en bouwstoffen Het gebruik van afvalstoffen in of als immobilisaat, vulstof of toeslagmateriaal betekent in praktijk altijd dat deze afvalstoffen worden gemengd met andere afvalstoffen of met nietafvalstoffen (denk aan bindmiddelen). In het [hoofdstuk mengen van afvalstoffen] is [1] het algemene beleid met betrekking tot het mengen van afvalstoffen beschreven en [2] het algemene uitgangspunt voor het mengen tot een bouwstof. Dit hoofdstuk is dit laatste aspect verder uitgewerkt tegen de achtergrond van het algemene mengbeleid in de onderstaande Figuur 1.
Ontwerp Circulair Materialenplan | Ministerie van lenW | 5
Figuur 1: Aandachtspunten bij het mengen van afvalstoffen ten behoeve van productie van bouwstoffen
Nee Bevat de te mengen afvalstof een stof die Is gereguleerd in de POPverordening?
Nee
Mengen kan niet worden vergund.
Is voldaan aan het toetsingskader 'mengen van POP-houdende af valstoffen’ (§4.2.4)?
Is de POP aanwezig In een concentratie > waarde in bijlage IV van de POPverordening?
Mengen kan worden vergund.
Nee
Nee Is voldaan aan bet toetsingskader 'mengen en minimumstandaard’ (§4.2.1)?
Bevat de te mengen afvalstof een ZZS (een andere dan een POP-stof)?
Mengen kan niet worden vergund.
Is de ZZS een PBT-. zPzB-stofof een stofvan gelijkwaar dige zorg?
Is voldaan aan het toetsings kader ‘mengen van afvalstoffen die PBT- of zPzB-stoffen of stoffen van gelijkwaardige zorg bevatten' (§4.2.3)?
Is de ZZS aanwezig In een concentratie >0,1%?
Nee Nee
Is de afvalstof gevaarlijk afval?
Is voldaan aan het toetsings kader 'mengen van gevaarlijk afval (54.2.2)7
Mengen kan niet worden vergund, tenzij het afval- of ketenplan het mengen wel toestaat.
Mengen kan niet worden vergund.
Nee
Nee Betreft het mengen tot een bouwstof?
Is voldaan aan het toetsingskader 'mengen en bouw stoffen’ §(4.2.6)?
Is een uitzondering toegestaan op basis van CMP hoofdstuk 'immobilisaat, vul stof en toeslagstof?
Mengen kan niet worden vergund.
K Y
Mengen kan worden vergund tenzij het
K 7
afval- of ketenplan aanvullende voorwaarden telt waar niet aan is voldaan.
Geldigheid van het algemene mengbeleid betekent dat de vergunningverlener altijd: A) eerst toetst of een vergunning voor mengen moet worden geweigerd vanwege de aanwezigheid van POP-stoffen die zijn gereguleerd in de PQP-verordening. Zie ook [paragraaf 4.2.4 'Mengen van POP-houdende afvalstoffen'] van hoofdstuk 'mengen van afvalstoffen'. B) als tweede toetst of de beoogde handeling met de afvalstof wel in overeenstemming Is met de minimumstandaard (zie [paragraaf 4.2.1 'De minimumstandaard en mengen (basis)’] van hoofdstuk 'mengen van afvalstoffen en de van toepassing zijnde [afval- of ketenplannen] van het CMP).
Ontwerp Circulair Materialenplan | Ministerie van lenW | 6
o
Voor een aantal afvalstoffen bevat de minimumstandaard een expliciet verbod op nuttige toepassing wat ook betekent dat mengen met het oog op de productie van een bouwstof niet kan worden vergund. Het betreft • residu van extractief reinigen van grond, zeefzand, steenachtig materiaal of baggerspecie, • residu van het opwerken van AVI-bodemas, verpakkingsglas of grotendeels (>50 gew.%) uit metalen bestaande vaste afvalstoffen, • ONO-filterkoek, • rookgasreinigingsresidu, • actief kool, • grond of baggerspecie dat bepaalde organische verontreinigingen bevat in een hoeveelheid van meer dan 120% van de referentiewaarde kwaliteitsklasse 'Industrie'. Het is toegestaan dat uit deze afvalstoffen metalen worden teruggewonnen ten behoeve van recycling, onder voorwaarde dat via de resterende afvalstoffen niet alsnog diffuse verspreiding van de zware metalen plaatsvindt en de zware metalen ook niet worden verdeeld over een substantieel groter volume.
o
Daarnaast is voor opgewerkte AVI-bodemas die zelf niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022: • inzet als vul- of toeslagmateriaal in vormgegeven bouwstoffen niet toegestaan vanaf het moment dat het CMP in werking treedt. ■ immobilisatie tot een vormgegeven bouwstof niet toegestaan vanaf de dag dat het CMP twee jaar in werking is. Hiermee worden de voorwaarden voor de toepassing van AVI-bodemas als immobilisaat, als vulstof of als toeslagstof in lijn gebracht met de bevindingen van de milieueffectrapportage (MER), namelijk dat reinigen van de afvalstof bijdraagt aan het vermijden van de risico's voor het verspreiden van schadelijke stoffen en aan de kwaliteit en terugneembaarheid van het secundaire materiaal ten behoeve van een eventuele volgende gebruikscyclus.
-
Voor bepaalde zorgstoffen aanwezig in afvalstoffen is in de bijbehorende keten- en afvalplannen expliciet geregeld dat het gebruik als bouwstof niet is toegestaan, ook niet na immobilisatie. Dit geldt in ieder geval voor: • asbest ([Afvalplan asbesthoudend afval]), • kwik (tenzij inzet als bouwstof is toegestaan op basis van het Bal en Bbk; [Afvalplan kwik en kwikhoudend afval]), • arseen ([Afvalplan reststoffen drinkwaterbereiding]) en [afvalplan residuen divers]), en • PAK (boven bepaalde grenswaarde; o.a. [Afvalplan zeefzand] en [Afvalplan asfalt]).
C) als derde nagaat of een vergunning voor mengen moet worden geweigerd vanwege de aanwezigheid van PBT of vPvB, of stoffen van gelijkaardige zorg in een gehalte hoger dan 0,1%. Dit betekent dat er ook bij het verwerken van afvalstoffen in of als bouwstoffen altijd een toetsing wordt uitgevoerd aan [paragraaf 4.2.3 'Mengen van afvalstoffen die PBT- of zPzB-stoffen of stoffen van 'gelijkwaardige zorg' bevatten'] van hoofdstuk 'mengen van afvalstoffen'. D) als vierde beoordeelt of het gaat om gevaarlijk afval. Is dit het geval, dan volgt uit [paragraaf 4.2.2 'Mengen van gevaarlijk afval'] van hoofdstuk 'mengen van afvalstoffen' dat het mengen van gevaarlijk afval met niet-afval alleen doelmatig is als de gevaarlijke stoffen worden afgescheiden voor vernietiging, worden omgezet of de hele afvalstof wordt verwijderd. Omdat dat bij inzet in bouwstoffen niet gebeurt, is het verwerken van gevaarlijke afvalstoffen ten behoeve van immobilisaat, vulstof, toeslagmateriaal niet toegestaan. Hebben voorgaande vier aspecten niet geleid tot de conclusie dat de vergunning voor het mengen van de afvalstof met andere afvalstoffen of niet-afvalstoffen moet worden geweigerd, dan wordt het specifieke beleid voor mengen tot een bouwstof relevant. Het algemene uitganspunt staat in [paragraaf 4.2.6 'Mengen en bouwstoffen'] van hoofdstuk 'mengen van afvalstoffen'.
Kort samengevat is dit uitgangspunt: "Het is niet toegestaan om afvalstoffen die afzonderlijk niet voldoen aan de kwaliteitskwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen van de Regeling bodemkwaliteit 2022, via mengen alsnog aan deze kwaliteitseisen te laten voldoen. Bedoeling hiervan is om vanuit een doelmatig beheer van afvalstoffen ongewenst wegmengen van verontreinigingen te Ontwerp Circulair Materialenplan | Ministerie van lenW | 7
voorkomen. Dit is een aanvulling op hetgeen in Besluit bodemkwaliteit is geregeld ten aanzien van de kwaliteit van de eindproducten."
Voor het mengen ten behoeve van de inzet als of de productie van bouwstoffen wordt echter op twee punten een uitzondering gemaakt.
Uitzondering 1;
functionele hoeveelheden als vul- of toeslagmateriaal in vormgegeven bouwstoffen
In afwijking van het algemene uitgangspunt van [paragraaf 4.2.6 'Mengen en bouwstoffen'] van hoofdstuk 'mengen van afvalstoffen' kunnen afvalstoffen die op zichzelf niet voldoen aan de kwaliteitskwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen van de Regeling bodemkwaliteit 2022 onder voorwaarden toch worden gebruikt voor de productie van een bouwstof. Het moet dan wel gaan om het vervangen van primaire grondstoffen die anders waren gebruikt om het product (de bouwstof) de voor haar inzet noodzakelijke eigenschappen te geven. Ook moet niet meer van de afvalstof worden gebruikt dan noodzakelijk is om het product (de bouwstof) deze eigenschappen te geven. We spreken dan over functionele hoeveelheden (zie ook kader). Alle voorwaarden waaronder het gebruik van afvalstoffen die op zichzelf niet voldoen aan de kwaliteitskwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen van de Regeling bodemkwaliteit 2022 toch worden gebruikt voor de productie van een bouwstof staan in paragraaf 4 'Toetsingskaders CMP'.
Tot slot is het belangrijk te benadrukken dat deze beoordeling van geval tot geval moet plaatsvinden. In de vergunning waarin een dergelijke menghandeling wordt toegestaan zullen de voorwaarden hiertoe moeten zijn geborgd. Toepassen van 'functionele hoeveelheden' verontreinigde afvalstoffen Bij 'functionele hoeveelheden' wordt maximaal zoveel materiaal gebruikt als nodig voor een goede werking van het product. Dit begrip speelt alleen een rol bij de uitzondering om partijen afval (waaronder begrepen vrijkomende grond) die individueel niet voldoen aan de kwaliteitskwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen van de Regeling bodemkwaliteit 2022 toch in beperkte mate in te zetten als een component (vulstof, toeslagmateriaal) van een te produceren bouwstof. Het speelt dus geen rol bij het mengen van afvalstoffen die ieder apart ook als vrij toepasbare bouwstof geschikt zouden zijn en ook niet bij processen, gericht op het door reiniging geschikt maken van dergelijke partijen afval.
Met de beperking tot het inzetten van 'functionele hoeveelheden' wordt beoogd om enerzijds de toepassing van afvalstoffen mogelijk te maken die eigenlijk te verontreinigd zijn, maar anderzijds te voorkomen dat hiermee een route ontstaat om dergelijke vervuilde afvalstoffen op een eenvoudige en goedkope manier weg te mengen en af te zetten.
Van belang is dat toepassen van 'functionele hoeveelheden' verontreinigde afvalstoffen pas aan de orde kan zijn wanneer aan eerdergenoemde aspecten A) t/m D) is voldaan.
Uitzondering 2;
mengen ten behoeve van de productie van immobilisaten (vormgegeven bouwstof)
In afwijking van het algemene uitgangspunt van [paragraaf 4.2.6 'Mengen en bouwstoffen'] van hoofdstuk ’mengen van afvalstoffen' mogen ook afvalstoffen die afzonderlijk niet voldoen aan de kwaliteitskwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 - in een aantal gevallen - toch gerecycled worden tot een vormgegeven bouwstof via immobilisatie. Dit kan bijdragen aan de doelstelling om afval zoveel als mogelijk nuttig toe te passen en om storten te verminderen. Een aandachtspunt hierbij is dat hiermee ook verontreinigingen die in het afval zitten mogelijk terugkeren in de keten en kunnen leiden tot diffuse verspreiding daarvan. Juist hierom is er voor AVI-bodemas nu voor gekozen om vanaf de onder B) genoemde termijn de inzet als of in bouwstoffen niet meer toe te staan als het materiaal te veel verontreinigingen bevat. Voor andere afvalstoffen volgt dit mogelijk later. Voor deze andere afvalstoffen kan het bevoegd gezag verder alleen een vergunning verlenen voor het maken van immobilisaten van afvalstoffen die zelf niet voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022, wanneer dat op basis van de toetsing aan de algemene uitgangspunten van het mengbeleid (zie punten A t/m D onder Figuur 1) niet is verboden.
Ontwerp Circulair Materialenplan | Ministerie van lenW | 8
Voorbeelden mengen van 'functionele hoeveelheden' als vul- of toeslagmateriaal in vormgegeven bouwstoffen en ten behoeve van de productie van immobilisaten Wat wel en niet is toegestaan ten aanzien van mengen bij de productie van een (grondstof voor een) bouwstof roept soms vragen op. Daarom wordt het beleid met een aantal voorbeelden geïllustreerd (zie kader). Voorbeelden van mengen t.b.v. de productie van bouwstoffen Voorbeeld 1 Een partij sterk uitlogende afvalstoffen:
•
•
mag niet door immobilisatie geschikt gemaakt worden om als bouwstof te worden ingezet wanneer het gaat om [1] afvalstoffen die het resultaat zijn van het concentreren van vervuiling, of [2] opgewerkte AVI-bodemas die niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. mag wel door Immobilisatie geschikt gemaakt worden om als bouwstof te worden ingezet wanneer het gaat om andere afvalstoffen. Het gaat om de verwerking van een verontreinigde afvalstof op zich met een bindmiddel en niet om het mengen van een kleine hoeveelheid van een verontreinigde afvalstof met een grotere hoeveelheid minder verontreinigde afvalstof om zo primair materiaal uit te sparen. De vraag welke hoeveelheden hier 'functioneel' zijn, is daarom hier niet aan de orde.
Voorbeeld 2 Bij de productie van asfalt of beton kan een deel van het normaal daarvoor gebruikte primair gewonnen zand of grind worden vervangen door (in bepaalde mate verontreinigde) uit afvalstoffen teruggewonnen materialen.
•
•
•
Betreft het stromen die zelf als bouwstof voldoen aan de kwaliteitskwaliteitseisen voor nietvormgegeven bouwstoffen van de Regeling bodemkwaliteit 2022, dan gelden verder geen beperkingen qua In te zetten hoeveelheden. Betreft het [1] afvalstoffen die het resultaat zijn van het concentreren van vervuiling of [2] opgewerkte AVI-bodemas die niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 dan is dit niet toegestaan. Inzet van andere meer verontreinigde materialen is in beginsel toegestaan tenzij de aanwezigheid van [1] gereguleerde POP-stoffen, [2] PBT of vPvB in een gehalte hoger dan 0,1% of [3] zorgwekkende stoffen die leiden tot de kwalificatie als gevaarlijk afval dit in de weg staan. Van geval tot geval moet in het kader van vergunningverlening worden beoordeeld hoeveel primair materiaal normaal wordt ingezet en wat dat betekent voor de hoeveelheden verontreinigd materiaal die als 'functioneel' kunnen worden aangemerkt. Dit hoeft niet zondermeer één op één te zijn, maar gebruik van onnodig veel van de verontreinigde stromen is niet toegestaan.
Voorbeeld 3 Poederkoolvliegas! wordt ingezet bij de productie van beton en composietcementen. Ook wordt poederkoolvliegas gebruikt voor de productie van portlandklinker. Hierdoor worden primaire grondstoffen uitgespaard.
• •
•
Bij het verwerken van poederkoolvliegas in cement of beton, is geen sprake van immobilisatie (al kan hier sprake zijn van een immobiliserend effect), maar van gebruik als vul- of toeslagmateriaal. Voor poederkoolvliegassen die voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit het de Regeling bodemkwaliteit 2022 gelden op dit punt geen beperkingen qua in te zetten hoeveelheden. Partijen die niet aan deze kwaliteitseisen voldoen, kunnen 'in functionele hoeveelheden' in cementovens worden ingezet. Hierbij moet worden beoordeeld hoeveel primaire vulstoffen daarmee worden bespaard en hoeveel poederkoolvliegas een vergelijkbare functie heeft. Dit hoeft niet zondermeer één op één te zijn, maar gebruik van onnodig veel vliegas is ongewenst.
3.2.3
Afzet van secundaire materialen
In een circulaire economie is het van belang dat er afzet is van secundaire materialen die veilig zijn voor milieu en volksgezondheid. •
Lokale effecten van het toepassen van secundaire bouwstoffen zijn ter beoordeling van het lokale gezag. Bevoegde gezagen kunnen als maatwerk lokale regelgeving maken waarin zij beperkingen opleggen aan het gebruik van secundaire bouwstoffen. Lokale overheden moeten zich hierbij wel conformeren aan nationale regelgeving. De
1
Poederkoolvliegas wat uit Nederlandse kolengestookte e-centrales vrijkomt is vaak een bijproduct en geen afvalstof voor zover voldaan wordt aan de daarvoor geldende voorwaarden gesteld in artikel 1.1 lid 4 Wm. Ontwerp Circulair Materialenplan | Ministerie van lenW | 9
•
•
kwaliteitseisen voor bouwstoffen in het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit 2022 zijn er voor de bescherming van het milieu. Ze bieden een voldoende generiek beschermingsniveau. Daarom is maatwerk alleen aan de orde in specifieke situaties waar bijzondere bescherming nodig is. Een generieke beperking voor gebruik van secundaire materialen die voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling past hier niet bij. Die belemmert de noodzakelijke afzet van secundair materiaal en leidt bovendien tot een ongelijk speelveld binnen Nederland. Voor opgewerkte AVI-bodemas die niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 is zowel [1] inzet als vul- of toeslagmateriaal in vormgegeven bouwstoffen als [2] immobilisatie tot een vormgegeven bouwstoffen niet toegestaan (zie paragraaf 3.2.1 'Voorkomen van risico's voor milieu en volksgezondheid'). Marktpartijen hebben echter enige tijd nodig om alle bodemas te kunnen reinigen tot een kwaliteit die voldoet aan deze kwaliteitseisen. Ook is immobilisatie nu een belangrijke afzetroute en kost het enige tijd om voldoende alternatieven te vinden.
Om die reden is specifiek voor immobilisatie van AVI-bodemas die niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 een overgangstermijn opgenomen in paragraaf 4‘Toetsingskaders CMP.'. Hierbij wordt uitgegaan van een overgangstermijn van 2 jaar. Maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI) kan door het inkoopvolume van de overheid een krachtig instrument zijn om de markt voor bepaalde recyclaten te vergroten. MVI betekent dat bij de inkoop door overheden van producten, diensten en werken de effecten op mensen, de planeet en het milieu, en winst en welvaart worden meegenomen. Binnen deze elementen is onder meer aandacht voor het specifieke thema circulair inkopen. Bij circulair inkopen borgt de inkopende partij dat de producten of materialen aan het einde van de levens- of gebruiksduur weer optimaal in een nieuwe cyclus worden ingezet. Cruciaal hierbij is waardebehoud van producten en materialen: waardevemietiging door recycling van het oorspronkelijke functionele materiaal in een niet gelijke of vergelijkbare toepassing moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Door middel van MVI worden leveranciers aangemoedigd en/of uitgenodigd om zo duurzaam mogelijke producten en diensten te leveren. In onderstaande kader een voorbeeld hoe het gebruik van recyclaat wordt meegewogen bij aanbestedingen van bouwprojecten.
Het gebruik van de Milieu-Kosten-Indicator (MKI)
Bij het aanbesteden van bouwprojecten wordt vaak gebruik gemaakt van de Milieu-Kosten-Indicator (MKI). De MKI is gebaseerd op de methodiek van de levenscyclusanalyse (LCA). In deze methode worden diverse mogelijkheden voor een meer duurzame uitvoering van het project betrokken. Denk hierbij aan de keuze voor specifieke bouwmaterialen, logistieke optimalisatie, reductie energie- en waterverbruik, ontwerp met minder materialen, minder afvalproductie en hergebruik/recycling aan het einde levensduur. De MKI resulteert uiteindelijk in een score uitgedrukt in euro's die bij aanbestedingen kan worden betrokken.
Over het algemeen geeft het toepassen van secundaire grondstoffen in de productie of bouwfase een lagere MKI dan wanneer bij het project primaire grondstoffen worden ingezet. Hiermee kan een aannemer dus voordeel bij de aanbesteding behalen door het gebruik van meer gerecyclede materialen. Zo heeft bij het gebruik als ophoogmateriaal gewassen AVI-bodemas bijvoorbeeld aan lagere MKI dan primair zand of klei. Ook gereinigde grond scoort bijvoorbeeld beter dan deze primaire ophoogmaterialen. Hierbij is er gerekend met forfaitaire of standaardtansportafstanden. Per specifieke situatie kan de feitelijke transportafstand voor secundaire materialen en de daardoor uitgespaarde primaire materialen leiden tot een ander resultaat.
4. Toetsingskaders CMP 1. Voor vergunnen van mengen ten behoeve van de productie van of inzet in een vormgegeven bouwstof van afvalstoffen die zelf niet voldoen aan de kwaliteitskwaliteitseisen voor nietvormgegeven bouwstoffen van de Regeling bodemkwaliteit 2022 met-niet afvalstoffen wordt in ieder geval ook getoetst aan het toetsingskader uit hoofdstuk mengen van het CMP. Het betreft dan beperkingen die volgen uit de aanwezigheid van [1] gereguleerde POP-stoffen, [2] PBT of vPvB in een gehalte hoger dan 0,1% of [3] stoffen die leiden tot de kwalificatie als gevaarlijk afval. 2. Vergunnen van mengen ten behoeve van de productie van of inzet in een vormgegeven bouwstof van afvalstoffen die zelf niet voldoen aan de kwaliteitskwaliteitseisen voor nietOntwerp Circulair Materialenplan | Ministerie van lenW | 10
vormgegeven bouwstoffen van de Regeling bodemkwaliteit 2022 met niet-afvalstoffen is niet toegestaan wanneer de minimumstandaard nuttige toepassing, waaronder productie van een bouwstof al dan niet via immobilisatie, voor die afvalstof expliciet uitsluit. 3. Vergunningen voor het mengen van AVI-bodemas met niet-afvalstoffen met als doel de bodemas in te zetten als vulstof/toeslagmateriaal in vormgegeven bouwstoffen worden niet verleend wanneer de AVI-bodemas niet voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Voor gebruik van AVI-bodemas als vul- of toeslagmateriaal in vormgegeven bouwstoffen gaat dit direct met inwerkingtreden van het CMP in (zie ook [Afvalplan van AVI's] en [Ketenplan beton] van het CMP). Vergunningen voor het mengen van AVI-bodemas met niet-afvalstoffen met als doel de bodemas als immobilisaat in te zetten worden verleend met een maximale geldigheidsduur tot de dag dat het CMP twee jaar in werking is.
»
o
Beide beperkingen gelden niet voor gereinigde AVI-bodemas die voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. 4. Vergunningen voor het mengen afvalstoffen met niet-afvalstoffen met als doel de productie van vormgegeven bouwstoffen worden niet verleend voor
residu van extractief reinigen van grond, zeefzand, steenachtig materiaal of baggerspecie, residu van het opwerken van AVI-bodemas, verpakkingsglas of grotendeels (>50 gew.%) » uit metalen bestaande vaste afvalstoffen, o ONO-filterkoek, o rookgasreinigingsresidu, o actief kool, » bepaalde PAK-rijke, Arseenrijke of kwikhoudende afvalstoffen, en o grond of baggerspecie dat bepaalde organische verontreinigingen bevat in een hoeveelheid van meer dan 120% van de referentiewaarde kwaliteitsklasse ' Industrie' ?
Zie de betreffende afvalplannen voor details. 5. Vergunningen voor het mengen van andere dan in punt 4 genoemde afvalstoffen met nietafvalstoffen met als doel gebruik van deze afvalstoffen als vul- of toeslagmateriaal in vormgegeven bouwstoffen worden uitsluitend verleend wanneer cumulatief: De inzet draagt bij aan de voor het product en zijn functie noodzakelijke eigenschappen; Het inzetten van de afvalstof moet dus bijdragen aan de voor de betreffende bouwstof en beoogde inzet daarvan noodzakelijke eigenschappen als druksterkte, vormvastheid etc. b) Door de inzet van de afvalstof wordt de inzet van primaire grondstoffen die anders zouden zijn gebruikt om het product de betreffende eigenschappen te geven verminderd; c) Bijmenging van de afvalstof blijft beperkt tot functionele hoeveelheden; Bij het proces wordt maximaal zoveel materiaal gebruikt als nodig voor een goede werking van het product - toepassen van meer afvalstof dan nodig is om de geproduceerde bouwstof aan de kwaliteitseisen te laten voldoen is niet toegestaan. d) Bij het proces ontstaan geen ongewenste reacties tussen de verschillende afvalstoffen en gebruikte materialen; en e) Het product dat het resultaat is van het mengen voldoet aan de geldende kwaliteitseisen om als bouwstof te worden toegepast.
a)
6. Punt 5 geldt niet voor afvalstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit het de Regeling bodemkwaliteit 2022. 7. Bij lokale regelgeving met beperkingen aan het gebruik van secundaire bouwstoffen nemen bevoegde gezagen geen generieke beperkingen op voor materiaal dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Lokale regelgeving waarin dit wel gebeurt wordt binnen een jaar na inwerkingtreding van het CMP aangepast.
Ontwerp Circulair Materialenplan | Ministerie van lenW | 11
5. Toekomstplannen Het beleid en de kennis over circulaire economie is in ontwikkeling. Nieuwe beleidsintenties, wijzigingen van bestaand beleid of wijzigingen in wet- en regelgeving kunnen allemaal leiden tot aanpassingen van het CMP. Het CMP wordt daarom regelmatig geactualiseerd.
In het CMP is een verplichting opgenomen voor het reinigen van AVI-bodemas tot materiaal dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 ([Afvalplan van AVI's]). Ook zijn beperkingen opgenomen voor het toepassen in/als vormgegeven bouwstof van AVI-bodemas die niet aan deze kwaliteitseisen voldoet (dit hoofdstuk van het CMP). Overwogen wordt om dit bij toekomstige wijzigingen van het CMP ook voor andere afvalstoffen te gaan doen. Hierbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan reinigbare grond, reinigbaar straalgrit, zeefzand en staalslakken. Voor die afvalstoffen wordt eerst nog beter in kaart gebracht in welke mate sprake is van reinigbaarheid en tot hoeveel te storten niet reinigbare partijen en reinigingsresiduen dit kan leiden. Meer informatie over de ontwikkeling van het CMP en hoe stakeholders daarbij worden betrokken leest u in het [hoofdstuk wat is het CMP].
6.
Hulpmiddelen en meer informatie Bekijk voor meer informatie:
? RoyalHaskoningDHV (2021). Feitenonderzoek Immobilisaten . ? [MER dat voor het CMP is opgesteld] ? Twee ILT-signaalrapportages over bodemas (2019 en 2022) 1. https://www. lent.nl/documenten/leefomgevinq-en-
wonen/bodem/bodemtoezicht/zienswijzen/analyse-risicos-in-de-keten-van-bodemas 2. https://www.ilent.nl/onderwerpen/bodemtoezicht/documenten/leefomgeving-enwonen/bodem/bodemtoezicht/signaalrapportages/milieurisicos-bodemas-verschuiven-naareen-andere-afzetmarkt
? Brief aan de Tweede Kamer van 11 december 2018 over de Visie op duurzaam hergebruik van grond.
Ontwerp Circulair Materialenplan | Ministerie van IenW | 12
Productie
Circulariteit beton met gewassen en ongewassen AEC granulaat Rapport SGS INTRON B.V.
Status: Datum: Documentnummer:
Eindrapport (revisie A) 29 augustus 2025 A161210/R20242057A
WHEN
TO BE SURE
SGS INTRON B.V. A161210/R20242057A Eindrapport (revisie A)
Colofon Opdrachtgever:
Email adres:
Vereniging Afvalbedrijven t.a.v. Postbus 2184 5202 CD DEN BOSCH
@vereniginqafvalbedriiven.nl @heros.nl
Offerte:
Datum:
Prijsopgaaf per mail
27 november 2024
Inkooporder:
Datum:
Mondeling akkoord
27 november 2024
Opdrachtnemer.
Contactpersoon:
SGS INTRON B.V.
Telefoonnummer:
Mobiel nummer:
Email adres:
@sgs.com
Auteur:
Autorisator:
Handtekening:
Handtekening:
Datum:
Reden van wijziging:
3 februari 2025
29 augustus 2025
Verwerking ontvangen commentaar
Disclaimer Tenzij anders overeengekomen worden de opdrachten uitgevoerd op basis van de meest recente versie van de algemene voorwaarden van SGS INTRON B.V. Op eenvoudig verzoek worden deze voorwaarden opnieuw aan u toegezonden. Uw aandacht wordt gevraagd voor de beperking van aansprakelijkheid en de vergoedings- en bevoegdheidskwesties bepaald door deze voorwaarden. Elke houder van dit document dient te weten dat de informatie vervat in dit document uitsluitend is gebaseerd op de bevindingen van SGS INTRON B.V. op het ogenblik van haar tussenkomst en binnen de grenzen van de eventuele instructies van de opdrachtgever. SGS INTRON B.V. kan enkel aansprakelijk zijn jegens haar opdrachtgever. Dit document stelt de bij een handelstransactie betrokken partijen niet vrij van hun plicht al hun rechten en verplichtingen uit te oefenen voortspruitend uit de bij die transactie betrokken documenten. Elke niet toegestane wijziging, evenals de namaak of vervalsing van de inhoud of het uiterlijk van dit document, is onrechtmatig en overtreders zullen worden vervolgd. © SGS INTRON B.V. 2 | 35
SGS INTRON B.V. A161210/R20242057A Eindrapport (revisie A)
Inhoudsopgave Colofon....................................................................................................................................................................................... 2
Inleiding...................................................................................................................................................................... 5
1.
1.1.
Algemeen.............. ................................................................................................................................................ 5
1.2.
Regelgeving.......................................................................................................................................................... 5
1.3.
Nederlandse praktijk............................................................................................................................................ 5
1.4.
Probleemstelling................................................................................................................................................... 6
1.5.
Beoordeling grondstoffen op geschiktheid voor circulair beton................................................................. 6
1.6.
Verantwoording.................................................................................................................................................... 6
1.7.
Leeswijzer..............................................................................................................................................................6
Uitgevoerd onderzoek.............................................................................................................................................. 7
2.
Onderzoek 2021 aan betontegels met 18%V/V AEC-granulaat [4].......................................................... 7
2.1. 2.1.1.
Uitgangsmaterialen......................................................................................................................................... 7
2.1.2.
Productie en karakterisering betongranulaten......................................................................................... 7
2.1.3.
Beton tweede leven........................................................................................................................................ 8
2.1.4.
Beton derde leven........................................................................................................................................... 8 CROW-onderzoek 2024 met 25%v/v en 40%v/vAEC-granulaat [5]......................................................... 9
2.2. 2.2.1.
Karakterisering ongewassenen gewassen AEC-granulaat................................................................... 9
2.2.2.
Productie en karakterisering betongranulaten......................................................................................... 9
2.2.3.
Beton tweede leven...................................................................................................................................... 10
2.2.4.
Poederfractie van innovatief
breken................................................................................................ 10
Onderzoek 2024 naar alternatieve referentie [6]........................................................................................ 11
2.3. 2.3.1.
Grondstoffen.................................................................................................................................................. 11
2.3.2.
Productie en karakterisering betongranulaten....................................................................................... 11
2.3.3.
Beton tweede leven...................................................................................................................................... 12
Resultaten onderzoek beton tweede leven......................................................................................................13
3.
3.1.
Karakterisering betongranulaten................................................................................................................... 13
3.1.1.
Onderzoek 2021 aan betontegels............................................................................................................ 13
3.1.2.
CROW onderzoek 2024 aan betontegels............................................................................................... 14
3.1.3.
Onderzoek 2024 naar alternatieve referentie........................................................................................ 14
3.2.
Uitloging betongranulaat................................................................................................................................. 15
3.2.1.
Onderzoek 2021 aan betontegels............................................................................................................ 15
3.2.2.
CROW onderzoek 2024 aan betontegels...............................................................................................16
3.3.
Eigenschappen beton tweede leven........................................................................................................... 16
3.3.1.
Onderzoek 2021 aan betontegels........................................................................................................... 16
3.3.2.
CROW onderzoek 2024 aan betontegels............................................................................................... 17
3.3.3.
Onderzoek 2024 naar alternatieve referentie........................................................................................ 19 3 [ 35
SGS INTRON B.V. A161210/R20242057A Eindrapport (revisie A)
Beton derde leven.............................................................................................................................................. 20
3.4.
3.4.1.
Karakterisering betongranulaten............................................................................................................... 20
3.4.2.
Uitloging betongranulaat............................................................................................................................ 21
Poederfractie van innovatief breken.............................................................................................................. 22
3.5.
Evaluatie resultaten................................................................................................................................................ 26
4. 4.1.
Materiaaltechnische eisen betongranulaat................................................................................................... 26
4.2.
Uitloging betongranulaat.................................................................................................................................. 27
4.3.
Eigenschappen beton tweede leven..............................................................................................................27
4.4.
Toetsing (splijt)treksterkte aan Eurocode 2.................................................................................................. 28
4.5.
Poederfractie van innovatief breken............................................................................................................... 28
5.
Conclusies en aanbevelingen.............................................................................................................................. 30
6.
Documenten............................................................................................................................................................ 31
Bijlage A
Karakterisering AEC-granulaat CROW onderzoek [5].......................................................................... 32
Bijlage B
Samenstelling beton tweede leven [6]..................................................................................................... 34
4 | 35
SGS INTRON B.V. A161210/R20242057A Eindrapport (revisie A)
1.
Inleiding
1.1.
Algemeen
De bodemas die traditioneel vrijkomt bij afvalenergiecentrales (AEC), voorheen genaamd afvalverbrandingsinstallaties (AVI), kan door aanvullende bewerking geschikt worden gemaakt voor
toepassing als toeslagmateriaal voor beton (AEC-granulaat). Deze bewerking bestaat uit diverse
opwerkingsstappen zoals zeven en het verwijderen van metalen en brandbare resten. Zowel gewassen als ongewassen AEC-granulaat worden toegepast in beton. Gewassen AEC-granulaat bevat lagere gehaltes
aan alkaliën, chlorides en sulfaten dan ongewassen AEC-granulaat.
1.2.
Regelgeving
De toepassing van AEC-granulaat in beton is mogelijk onder de vigerende Europese en nationale normen voor beton en toeslagmaterialen, waarbij CUR-Aanbeveling 116:2017 [1] in aanvullende technische
regelgeving voorziet. Voor de toepassing van AEC-granulaat in beton dient gebruik gemaakt te worden van gecertificeerd materiaal. De grondslag voor certificering is de beoordelingsrichtlijn (BRL) 2507 [2].
CUR-Aanbeveling 116 maakt het mogelijk om onder voorwaarden AEC-granulaat toe te passen in zowel niet-constructief, ongewapend beton als in constructief, gewapend beton. Toepassing in niet-constructief, ongewapend beton is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
a)
maximaal vervangingspercentage van het toeslagmateriaal door AEC-granulaat bedraagt 50%(V/V).
b)
een maximaal gehalte aan metallisch aluminium in het beton van 6 kg/m3 voor consistentieklassen S2 (half plastisch) t/m SF3 (zelfverdichtend) en 10 kg/m3 voor consistentieklassen CO (droog) en C1 (aardvochtig).
Toepassing in constructief, gewapend beton is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a) maximaal vervangingspercentage van het toeslagmateriaal door AEC-granulaat bedraagt 20%(V/V); b)
een maximaal gehalte aan metallisch aluminium in het beton van 3 kg/m3,
c) d)
in de sterkteklassen C12/15 tot en met C30/37; in alle milieuklassen volgens NEN-EN 206 + NEN 8005, waarbij in milieuklasse XA enkel XA1 is toegestaan. In milieuklasse XD en XS dient als cementsoort CEM II/B-V of CEM Ill/B of een bindmiddel met een gelijkwaardige weerstand tegen chloridenindringing te worden toegepast;
e)
toepassing in voorgespannen beton is niet toegestaan.
Verder stelt CUR-Aanbeveling 116 dat AEC-granulaat dient te worden beschouwd als potentieel ASRreactief.
1.3.
Nederlandse praktijk
Vier leden van de Vereniging Afvalbedrijven (Blue Phoenix Group, Heros, Mineralz en Rocksolid)
produceren al vele jaren AEC granulaten voor toepassing in beton. Volgens opgaaf van de Vereniging Afvalbedrijven (VA) geldt voor de Nederlandse praktijk:
•
Jaarlijks wordt circa 250 kiloton AEC-granulaat in beton toegepast.
•
Deze hoeveelheid AEC-granulaat wordt (vrijwel) volledig toegepast in ongewapend beton.
•
De toepassing betreft met name bestratingsmaterialen (circa 90%) zoals tegels, straatstenen en trottoirbanden en megablokken (circa 10%).
•
Het vervangingspercentage van het toeslagmateriaal door AEC-granulaat is in bestratingsmaterialen
nooit hoger dan 40%(V/V).
5| 35
SGS INTRON B.V. A161210/R20242057A Eindrapport (revisie A)
1.4.
Probleemstelling
Volgens opgaaf van de VA bestaat er in de markt onduidelijkheid over de geschiktheid van AEC-granulaat als grondstof voor circulair beton, ondanks dat hiernaar reeds veel onderzoek is verricht. Deze
onduidelijkheid is ondermeer ontstaan door positionering van AEC-granulaat door derden en door een gebrek aan overzicht van de beschikbare relevante informatie.
Dit rapport bundelt daarom beschikbare actuele resultaten uit onderzoek naar de prestatie van AECgranulaat in beton, waarbij tevens is gekeken naar de geschiktheid voor circulair beton (“2e leven”).
De VA was ook mede initiatiefnemer voor het instellen van de werkgroep voor het opstellen van CROW-CUR Richtlijn 2 “Beoordelingssystematiek grondstoffen op geschiktheid voor circulair beton".
1.5.
Beoordeling grondstoffen op geschiktheid voor circulair beton
Begin 2022 is CROW-CUR Richtlijn 2 “Beoordelingssystematiek grondstoffen op geschiktheid voor circulair beton" [3] verschenen1. De scope van deze Richtlijn betreft de grondstof voor gebruik in beton, opdat deze voor circulair gebruik van dat beton geen belemmering vormt, dus ‘beton blijft herbruikbaar in (alle) beton’.
Voor toeslagmateriaal vormt de basis van de beoordeling materiaaltechnisch en milieuhygiënisch onderzoek
aan betongranulaat met de te beoordelen grondstof.
Sinds 2020 zijn meerdere onderzoeken verricht door SGS INTRON naar de circulariteit van beton met AECgranulaat:
1.
Bij het opstellen van Richtlijn 2 zijn de bevindingen van onderzoek aan beton met AEC-granulaat gebruikt om de geformuleerde systematiek en eisen in de praktijk te toetsen. Het betreft onderzoek
(4] aan betongranulaat verkregen door breken van KOMO-gecertificeerde betontegels die 16%m/m (= ca. 18%V/V) AEC-granulaat op totaal toeslagmateriaal bevatten.
2.
In 2022 is de CROW-werkgroep ‘Toetsen AEC-granulaat op circulariteit’ ingesteld. In dit kader is
onderzocht of bij hogere doseringen van AEC-granulaat in beton voldaan wordt aan de eisen van Richtlijn 2. Betongranulaat vervaardigd uit beton met 25%VN ongewassen AEC-granulaat en uit beton met 40%V/V gewassen AEC-granulaat (op totaal toeslagmateriaal) is betrokken in dit onderzoek. Verder is ook onderzoek gedaan naar de poederfractie (< 125 um) die vrijkomt bij
innovatief breken van betonpuin. In mei 2024 is het eindrapport [5] verstuurd aan de werkgroep2. 3.
In Richtlijn 2 wordt regulier betongranulaat uit de markt als referentie gebruikt bij de beoordeling van
het beton tweede leven. In 2024 heeft SGS INTRON in opdracht van Heros onderzoek [6] gedaan naar een alternatieve referentie, nl. betongranulaat vervaardigd van in het laboratorium vervaardigd beton met als doel een betrouwbaardere beoordeling mogelijk te maken.
1.6.
Verantwoording
De Vereniging Afvalbedrijven heeft SGS INTRON opdracht verstrekt om de uitgevoerde onderzoeken naar de geschiktheid van AEC-granulaat als grondstof voor circulair beton samen te vatten. Het vooriiggende
rapport bevat deze samenvatting en kan aan partijen ter beschikking gesteld worden, die inzicht wensen te verkrijgen in dit onderwerp. Het onderzoek is door SGS INTRON onafhankelijk en objectief uitgevoerd.
1.7.
Leeswijzer
Het door SGS INTRON uitgevoerde onderzoek, zoals gerapporteerd in [4] t/m [6], wordt samengevat in de
volgende hoofdstukken. Hoofdstuk 2 vermeldt de uitgangsmaterialen en de opzet van het onderzoek.
Hoofdstuk 3 geeft de resultaten van het onderzoek bondig weer. In hoofdstuk 4 worden de resultaten geëvalueerd en in hoofdstuk 5 de conclusies getrokken. 11n 2025 is een CROW-werkgroep gestart met de herziening van Richtlijn 2. 2 Dit eindrapport is confidentieel. SGS INTRON heeft echter van CROW toestemming verkregen om de onderzoeksresultaten te mogen gebruiken voor het voorliggende rapport. 6 | 35
SGS INTRON B.V. A161210/R20242057A Eindrapport (revisie A)
2.
Uitgevoerd onderzoek
2.1.
Onderzoek 2021 aan betontegels met 18%V/V AEC-granulaat [4]
2.1.1.
Uitgangsmaterialen
Betontegels met AEC-granulaat
Als uitgangsmateriaal voor dit onderzoek is een pallet betontegels 30x30x8 cm (zie foto 1) afgeleverd op het SGS INTRON laboratorium te Sittard, geproduceerd door een KOMO gecertificeerde producent van betontegels. De toplaag (deklaag) van deze tegels bevat geen AEC-granulaat, het onderbeton (kernlaag)
bevat 296 kg/m3 AEC-granulaat (0-11 mm). Dit gehalte AEC-granulaat komt overeen met 16 %m/m (ca. 18%V/V) van het totale toeslagmateriaal (580 kg/m3 grind, 958 kg/m3 zand en 296 kg/m3 AEC-granulaat) in
het onderbeton. Als cement is 258 kg/m3 CEM III/A toegepast en 18 kg/m3 poederkoolvliegas als vulstof. De dikte van de toplaag is ca. 1 cm (ca. 15% van totale dikte tegel).
Foto 1. Afgeleverde pallet met betontegels.
Traditioneel betongranulaat als referentie Als referentiemateriaal is een partij traditioneel betongranulaat 0-40 mm bemonsterd op 17-03-2021 bij een
gecertificeerd recyclingbedrijf door een erkende monsternemer van SGS INTRON.
2.1.2.
Productie en karakterisering betongranulaten
De hierboven beschreven partij betontegels van bekende samenstelling en vervaardigd met AEC-granulaat van Heros is bij SGS INTRON in een grote kaakbreker gebroken tot een fractie 0-22 mm. De aldus
vervaardigde partij betongranulaat is gehomogeniseerd en vervolgens door zeving gescheiden in de fracties
0-4 mm en 4-22 mm. Beide fracties AEC-betongranulaat zijn afzonderlijk gekarakteriseerd wat betreft de volgende eigen schappen:
•
Korrelverdeling (NEN-EN 933-1), inclusief fractie < 63 pm.
•
Korreldichtheid en waterabsorptie (NEN-EN 1097-6), waarbij van de fractie 0-4 mm eerst de fractie
•
Gehalte aan sulfaat, chloride en natriumoxide-equivalenten (respectievelijk NEN-EN 1744-1 en
<63 um wordt verwijderd ten behoeve van een correcte uitvoering van de meetmethode bijlage F van CUR-Aanbeveling 89).
•
Invloed op bindtijd (NEN-EN 1744-6). 7 | 35
SGS INTRON B.V. A161210/R20242057A Eindrapport (revisie A)
•
Weerstand tegen verbrijzeling (LA-coëfficiënt; NEN-EN 1097-2), enkel van de grove fractie 10-14 mm.
•
Vlakheidsindex (NEN-EN 933-3), enkel van de grove fractie.
•
Gehalte aan metallisch Al + Zn (bijlage A van CUR-Aanbeveling 116), enkel van totaal monster 0-22 mm.
•
Uitloging met de koiomproef (NEN 7383) op alle 19 componenten aan één mengmonster van de
0-4 mm fractie en de tot kleiner dan 4 mm gebroken 4-22 mm fractie.
In het betononderzoek is traditioneel fijn en grof betongranulaat als referentie gebruikt. Beide fracties traditioneel betongranulaat zijn afzonderlijk gekarakteriseerd wat betreft de volgende eigenschappen:
•
Korrelverdeling (NEN-EN 933-1), inclusief fractie <63 pm.
•
Korreldichtheid en waterabsorptie (NEN-EN 1097-6), waarbij van de fractie 0-4 mm eerst de fractie
<63 um wordt verwijderd ten behoeve van een correcte uitvoering van de meetmethode. •
Gehalte aan sulfaat, chloride en natriumoxide-equivalenten (respectievelijk NEN-EN 1744-1 en bijlage F van CUR-Aanbeveling 89).
•
Weerstand tegen verbrijzeling (LA-coëfficiënt; NEN-EN 1097-2), enkel van de grove fractie 10-14 mm.
•
Gehalte aan metallisch Al + Zn (bijlage A van CUR-Aanbeveling 116), enkel van totaalmonster 0-22
mm. 2.1.3.
Beton tweede leven
De vervaardigde fracties AEC-betongranulaat 0-4 mm en 4-22 mm zijn gebruikt om beton te maken met als samenstelling: 320 kg/m3 CEM I 42,5N, effectieve wcf = 0,50, rivierzand met 20%V/V vervanging door AECbetongranulaat 0-4 mm en riviergrind met 50%V/V vervanging door AEC-betongranulaat 4-22 mm. Als referentie is eenzelfde betonsamenstelling gebruikt maar waarbij het rivierzand en -grind is vervangen door
dezelfde percentages traditioneel fijn en grof betongranulaat (= afkomstig van grindbeton zonder AECgranulaten). Beide betonmengsels zijn met een superplastificeerder op een consistentieklasse S3 (zetmaat 100-150 mm) ingesteld. De samenstelling van beide betonmengsels is conform Richtlijn 2.
Na het ontkisten zijn de proefstukken opgeslagen in een waterbad van 20°C tot een ouderdom van 28 dagen. De proefstukken voor onderzoek 3e leven (uitloging) zijn hierbij in plastic folie ingepakt en opgeslagen bij 20°C en >95%RV om uitloging tijdens de conditionering te voorkomen.
Na deze conditionering zijn de volgende eigenschappen van beide betonmengsels bepaald: •
Druksterkte (NEN-EN 12390-3) in drievoud.
•
Splijttreksterkte (NEN-EN 12390-6) in drievoud.
•
Waterindringing onder druk (NEN-EN 12390-8) in drievoud.
•
Volumieke massa (NEN-EN 12390-7) van voorgenoemde 9 proefstukken.
2.1.4.
Beton derde leven
De restanten van de proefstukken voor het bepalen van bovengenoemde betoneigenschappen zijn afzon derlijk voor beide betonmengsels in een kaakbreker verkleind tot < 22 mm en na homogeniseren door zeving gescheiden in de fracties 0-4 mm en 4-22 mm.