1 Stationsstraat 23 t_m 27, Hardinxveld-Giessendam_Toelichting.pdf
Tekst van het document
De verantwoording van het groepsrisico is toegevoegd als Bijlage 7 bij de toelichting. Uit de Quickscan externe veiligheid is gebleken dat: De risico's als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over water dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. De risico's als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over de weg (toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. De risico's als gevolg van transporten met gevaarlijke stoffen (toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een verantwoording van de hoogte van het groepsrisico De risico's als gevolg van transporten van gevaarlijke stoffen door buisleidingen dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoordingsplicht. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
31
bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) (alsmede het Besluit externe veiligheid inrichtingen) geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. Het advies van de regionale brandweer/ Veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. De verantwoording van het groepsrisico heeft betrekking op de in de quickscan beschreven relevante risicobronnen (zie paragraaf 5.3.1). Aspecten in de verantwoording die bij alle risicobronnen van toepassing zijn, zijn zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In notitie verantwoording groepsrisico zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico. De gemeente Hardinxveld-Giessendam dient in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij de Veiligheidsregio en een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico.
5.3.4 Conclusie Het voorontwerpbestemmingsplan wordt in het kader van het vooroverleg toegestuurd aan de Veligheidsregio Zuid-Holland-Zuid. Met inachtneming van het advies van de Veiligheidsregio kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid (inclusief de beoordeling van het groepsrisico) geen belemmering vormt voor de planontwikkeling.
5.4
Geluid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder te worden onderzocht of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer, spoor of bedrijven. In de Wet geluidhinder is bepaald dat ten aanzien van zogenaamde 'geluidgevoelige objecten' wettelijke eisen gelden ten aanzien van de maximale belasting. Het woonzorggebouw en de reguliere woningen van het appartementengebouw worden aangemerkt als geluidgevoelige objecten. De op te richten (zorg)woningen liggen niet binnen de richtafstand van geluid van omliggende bedrijven. Het aspect industrielawaai hoeft daarom niet nader te worden onderzocht. 5.4.1 Weg- en spoorwegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Stationsstraat en de spoorweg Merwede-Lingelijn. Daarom is door Aelmans Ruimte, Omgeving en Mlieu B.V. een akoestisch onderzoek (spoor)wegverkeerslawaai uitgevoerd (rapportnr. M201781.001.001.R2/GGO, d.d. 20 juli 2021). Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8 bij de toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt: Wet geluidhinder: Uit de toets in het kader van de Wet geluidhinder kan worden geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden voor meerdere appartementen. In de onderstaande tabellen zijn de conclusies in het kader van de Wet geluidhinder uitsplitst per eenheid en per bron:
32
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
Conclusies Wet geluidhinder Stationsstraat (wegverkeer)
Conclusies Wet geluidhinder spoorweg Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) of het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
33
overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, civieltechnische, verkeerskundige en financiële aard. Derhalve wordt onderbouwd verzocht hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Conform het reductie- en maatregelpuntensysteem kan een scherm nog als doelmatig worden beschouwd mits er geen overige bezwaren zijn. In onderhavige situatie zijn er echter wel bezwaren van stedenbouwkundige aard om een scherm volledig langs de voorgevels van beide complexen te realiseren. Volledige onderbouwing is weergegeven in paragraaf 4.3 van het onderzoeksrapport. Daarnaast is in paragraaf 4.4 van het onderzoeksrapport te zien dat cumulatief ook sprake is van een geluidluwe gevel/ruimte. Cumulatie: Wet geluidhinder: Ter bepaling van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110 g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. In het onderhavige geval betreft dit de Stationsstraat en het spoortraject Hardinxveld-Giessendam - Hardinxveld Blauwe Zoom. Goede ruimtelijke ordening: In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de 'methode Miedema'.
De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Stationsstraat bedraagt 62 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie 'tamelijk slecht' en daarmee dient te worden bezien of maatregelen mogelijk zijn. Daar maatregelen aan de bron en overdrachtsmaatregelen op overwegende bezwaren stuiten, dient de oplossing gezocht te worden in geluidwerende maatregelen in de gevel en/of dak. Bij de toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Karkateristieke geluidwering van de gevel: Aangezien de cumulatieve geluidbelasting hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Conclusies karakteristieke geluidwering van de gevel 5.4.2 Hogere waardeprocedure Uit het bovenstaande volgt dat een hogere waardeprocedure noodzakelijk is. Initiatiefnemers verzoeken de gemeente Hardinxveld-Giessendam onderbouwd een hogere waarde te verlenen conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder. Voor het verlenen van een hogere waarden dient te worden getoetst aan het gemeentelijk hogere waardebeleid van de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Hogere waarden worden vastgesteld per geluidbron (wegverkeer, railverkeer en industrie). Voor één woning kunnen dus meerdere hogere waarden worden vastgesteld. De vaststelling van meerdere hogere waarden mag conform het gemeentelijk beleid niet leiden tot een onaanvaardbare cumulatieve geluidbelasting (alle geluidbronnen opgeteld). Daarom beoordeelt de gemeente verzoeken om hogere waarden op basis van de cumulatieve geluidsbelasting. In het gemeentelijk beleid wordt onderscheid gemaakt in de beoordeling van grootschalige en kleinschalige initiatieven. Er is sprake van twee kleinschalige ontwikkelingen (één initiatief met 24 woonzorgeenheden en één initiatief met vijftien appartementen). Gezamenlijk is conform het gemeentelijk beleid wel sprake van een grootschalige ontwikkeling (meer dan 25 wooneenheden), waarbij moet worden beschouwd of maatregelen
34
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
bij de bron, in de overdracht of bij de ontvanger mogelijk zijn. Wanneer het mogelijk is om maatregelen te treffen kan de geluidbelasting worden gereduceerd tot de voorkeursgrenswaarde. Nader onderzoek naar bronmaatregelen is niet zinvol omdat er al stil asfalt ligt op de Stationsstraat (dunne deklagen type A). Nog stiller asfalt zal te weinig winst opleveren om de overschrijding teniet te doen. Nader onderzoek in de overdrachtssfeer zoals een geluidsscherm is ook niet zinvol. De stedenbouwkundige en verkeerssituatie leent zich niet voor het plaatsen van schermen of wallen langs de Stationsstraat in verband met de geringe afstand tot de woongebouwen. Afscherming van de bovenste verdiepingen is hierdoor uit praktische overwegingen niet of slechts met extreem hoge schermen mogelijk. Bij de zes reguliere appartementen die worden gerealiseerd aan de zijde van de Stationsstraat wordt een scherm toegepast om een geluidluw balkon te realiseren. Er kan worden gesteld dat nadere maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn om de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde te reduceren. Wanneer een hogere waarde wordt verleend bij een cumulatieve geluidbelasting tussen 54 dB en 64 dB, is een geluidluwe gevel of buitenruimte een voorwaarde. Aan de zuidzijde van het gebouw kunnen geluidluwe gevels en/of buitenruimtes worden gerealiseerd.
Voor de appartementen die aan de voorzijde van het appartementengebouw worden gerealiseerd, is in het kader van de geluidluwe buitenruimte rekening gehouden met een buitenruimte aan de west- en oostzijde van het gebouw. In het akoestisch onderzoek is aangetoond dat sprake is van een geluidluwe buitenruimte. Voor zowel wegverkeer (56 dB) als railverkeer (56 dB) blijft de berekende geluidwaarde ruimschoots onder de maximale ontheffingswaarde van respectievelijk 63 dB en 68 dB. Op basis van het gemeentelijk beleid hogere waarden kan het college van B&W instemmen met een hogere waarde voor het woonzorggebouw en het appartementengebouw. 5.4.3 Conclusie Er wordt onderbouwd verzocht om een hogere waarde te verlenen. Deze hogerewaardeprocedure loopt parallel aan de bestemmingsplanprocedure en vormt een separaat besluit op basis van de Wet geluidhinder. In het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt te zijner tijd een aanvullend onderzoek verricht naar de karakteristieke gevelwering van het woonzorggebouw en het appartementengebouw. Met het verlenen van de hogere waarde, vormt het aspect geluid geen belemmering voor het voorliggend plan.
5.5
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Met de Wet geurhinder en veehouderij geldt één toetsingskader voor vergunningplichtige veehouderijen in de hele gemeente. Voor niet vergunningplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningplichtige bedrijven is het Activiteitenbesluit het toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij bevat normen en afstanden die bedrijven moeten aanhouden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarnaast geeft de Wet geurhinder en veehouderij gemeenten de beleidsvrijheid om maatwerk te leveren dat is afgestemd op de ruimtelijke en milieuhygiënische feiten en omstandigheden in een concreet gebied en de gewenste (toekomstige) ruimtelijke inrichting. Ter plaatse van geurgevoelige objecten dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Er is sprake van de oprichting van nieuwe geurgevoelige objecten. Indien het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ligt dient de afstand tot een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld minimaal 100 meter te bedragen. De melkveehouderij op locatie Spoorweg 40 is gelegen op meer dan 140 meter van het plangebied en vormt daarmee geen belemmering.
Bovendien is inmiddels bekend dat deze melkveehouderij op termijn wordt beëindigd voor de ontwikkelingen van de stedelijke uitbreidingslocatie 't Oog. Ten aanzien van de achtergrondbelasting kan op basis van de zeer beperkte aanwezigheid van
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
35
veehouderijbedrijven in de directe omgeving worden gesteld dat sprake is van een acceptabel achtergrondniveau voor geur. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het aspect geur niet leidt tot belemmering van het voornemen.
5.6
Luchtkwaliteit
In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm), zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. 5.6.1 Bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de luchtkwaliteit Indien een project aangeduid kan worden als Niet in betekende mate (NIBM) vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex artikel 5.16 Wm. In het besluit NIBM (niet in betekenende mate) wordt gesteld dat een project NIBM is wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide in de lucht.
Aangezien het hier gaat om het oprichten van 24 woonzorgeenheden en vijftien appartementen kan worden gesteld dat het voornemen ruim onder de NIBM-grens blijft. Het planvoornemen is aan te duiden als Niet In Betekenende Mate. 5.6.2 Luchtkwaliteit ter plekke van de voorgenomen ontwikkeling Toetsingskader: Naast het feit dat de bijdrage van de ontwikkeling zelf aan de concentraties PM1 0 en NO2 , dient te worden beschouwd of ter plekke van de nieuwe gevoelige functies (appartementen en woonzorgeenheden) sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van de omliggende veehouderijen. De wettelijke normen (Wet milieubeheer) voor PM1 0 zijn: Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3 ; Maximaal 35 overschrijdingsdagen van 50 µg/m3 . Bij PM2,5 zijn de fijnstof deeltjes kleiner dan 2,5 micrometer. Fijnstof met een diameter kleiner dan 2,5 µm (PM2,5) is een deel van fijnstof met een diameter kleiner dan 10 µm (PM1 0). De concentratie PM2,5 kan nooit groter zijn dan de concentratie PM1 0. De Europese aanpak van PM2,5 richt zich op vermindering van concentraties in stedelijke gebieden. De achtergrondconcentratie voor PM2,5 in Nederland ligt ruimschoots onder de grenswaarde. Naast de wettelijke normen heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gezondheidskundige advieswaarden voor fijnstof.
Het gaat hier om waarden waarop beleid zich zou moeten richten (inspanningsplicht) om schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en/of het milieu te vermijden, te voorkomen of te verminderen. De geadviseerde streefwaarde stelt een jaargemiddelde van 20 µg/m3 . In Nederland werken de Rijksoverheid, provincies en lokale overheden samen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Zij doen dat binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL heeft twee belangrijke doelen: De luchtkwaliteit verbeteren voor de volksgezondheid: mensen leven langer en zijn minder ziek als zij
36
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
schonere lucht inademen. Ruimte bieden aan maatschappelijk gewenste ruimtelijke ontwikkelingen zoals woningbouw en nieuwe wegen. Om de verbetering van de luchtkwaliteit in kaart te brengen is de NSL Monitoringstool ontwikkeld. De NSL Monitoringstool bestaat uit een landelijk netwerk van rekenpunten. In het plangebied voor het voorliggend bestemminsgplan liggen drie rekenpunten (zie onderstaande afbeelding). De maximale jaargemiddeleconcentraties en het maximum aantal overschrijdingsdagen voor PM1 0 en PM2,5 worden niet overschreden. Daarnaast blijft de jaargemiddeldeconcentratie onder de WHO-advieswaarde. Ook voor NO2 wordt de grenswaarde voor de jaargemiddeldeconcentratie (40 µg/m3 ) niet overschreden (max. 19,7 µg/m3 ). De luchtkwaliteit ter plekke is geschikt voor de beoogde functie.
NSL Monitoringstool (geraadpleegd, 9 maart 2021) 5.6.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet voor het toekennen van een nieuwe woon(zorg)functie. Daarmee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor het voorliggend plan.
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
37
5.7
Hoogspanningslijn
Uit de risico-inventarisatie Giessendam (paragraaf 1.6) komt naar voren dat binnen het inventarisatiegebied een bovengrondse hoogspanningslijn aanwezig is (150kV lijn Papendrecht - Arkel). Internationaal onderzoek wijst erop dat kinderen die bij bovengrondse hoogspaningslijnen wonen - waar het magnetische veld sterker is dan vander van de hoogspanningslijn - meer kans hebben om leukemie te krijgen. Voor andere aandoeningen is niet aangetoond dat de kans is verhoogd. Gemeenten en netbeheerders worden geadviseerd nieuwe situaties te vorkomen waarin kinderen langdurig worden blootgesteld aan een veldsterkte die (jaargemiddelde) hoger is dan 0,4 microtesla. Het woonzorggebouw en het appartementengebouw worden gerealiseerd op circa 950 m afstand van de hoogspanningslijn, ruim buiten de 'indicatieve zone'. Deze indicatieve zone (betreffende een magneetveldzone met een veldsterkte van 0,4 iT gemiddeld per jaar) is 2 x 80 meter breed (aan weerszijden van de hoogspanningslijn). Dit betekent niet dat automatisch de effecten van de hoogspanningslijn gereduceerd zijn tot nul, maar wel dat er wordt vermeden dat personen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen de sterkte van het magneetveld hoger is dan 0,4 iT op jaarbasis. Vanwege de ruime afstand tot de hoogspanningslijn blijkt dat dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.8
Trillingshinder
Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillingshinder, dient het aspect trillingen in het kader van de goede ruimtelijke ordening en de zorgvuldige voorbereiding van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan wel te worden afgewogen indien een trillingsbron aanwezig is. Op basis van de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen wordt geadviseerd om het aspect trillingen te betrekken bij de planvorming voor ontwikkelingen binnen 100 m van een spoorweg. De voorgenomen woon(zorg)gebouwen liggen op circa 35 m van het spoorwegtraject Hardinxveld-Giessendam - Hardinxveld Blauwe Zoom. Bij de beoogde ontwikkeling dient daarom rekening te worden gehouden met het optreden van eventuele trillingshinder, veroorzaakt door voorbijrijdende treinen op het naastgelegen spoorwegtraject. Bij de ontwikkeling van de beoogde woon(zorg)gebouwen wordt rekening gehouden met het aspect trillingshinder. In het bestemmingsplan worden geen aanvullende regels voor trillingshinder opgenomen. Bij de ontwikkeling dient te worden voldaan aan de SBR-richtlijn (meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen). Om aan te tonen dat kan worden voldaan aan de SBR-richtlijn wordt een quickscan trillingen uitgevoerd. Deze quickscan wordt vóór vaststelling toegevoegd aan het ontwerpbestemmingsplan.
Zodoende kan de gemeenteraad bij vaststelling een zorgvuldig besluit nemen en is voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een uitvoerbaar bestemmingsplan.
5.9
Verkeer en parkeren
5.9.1 Verkeer De planlocatie is goed ontsloten met het openbaar vervoer en via de weg. Het plangebied ligt direct aan de Stationsstraat (maximum snelheid 50 km/u). Hardinxveld-Giessendam is goed bereikbaar het het openbaar vervoer via het eigen station 'Hardinxveld-Giessendam' dat direct tegenover de projectlocatie ligt. Het station ligt aan de lijn Dordrecht-Gorinchem. Direct langs de Stationsstraat ligt de bushalte met rechtstreekse busverbindingen naar Sliedrecht, Boven-Hardinxveld en Giessenburg. Woonzorggebouw: Het woonzorggebouw wordt ontsloten aan de zijde van de Molenstraat. De Molenstraat betreft een erftoegangsweg, gelegen in een verblijfsgebied. De toegestane maximum snelheid is hier 30 km/u. De hoofdentree van het gebouw voor voetgangers wordt noordelijk ontsloten aan de zijde van de Stationsstraat. Aan deze zijde is ook een halteplaats voor de bus gelegen.
38
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
Daarnaast geldt dat het bij de beoogde woonzorgeenheden om een minder verkeersaantrekkende functie gaat, dan het gezondheidscentrum dat was voorzien in het oorspronkelijke plan. Daarmee is met het voornemen sprake van een beoogde afname van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de geldende planologische situatie. Appartementengebouw: Voor het appartementengebouw wordt gebruik gemaakt van de bestaande in- en uitrit op de Stationsstraat, die voorheen werd gebruikt voor de huisartsenpraktijk. Het betreft een toerit naar de negen parkeerplaatsen op eigen terrein. Voor het bereiken van de overige parkeerplaatsen zal gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur aan de overzijde van de Stationsstraat. Samenvattend: Uit het bovenstaande kan worden gesteld dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de verkeersveiligheid en de verkeersafwikkeling in de Stationsstraat. 5.9.2 Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoerplan (GVVP) van de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Het GVVP is een beleidsdocument, waarin onder andere het parkeerbeleid is verankerd. In geval van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten, op basis van de parkeerkencijfers van het CROW, voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd; deels op eigen terrein bij woningtypen in het hogere segment.
Hierbij wordt tevens rekening gehouden met het type bedrijven dat zich hier vestigen; arbeidsintensief of arbeidsextensief. De gemeente toetst nieuwe ontwikkelingen aan de maximale normen voor een ‘weinig stedelijk gebied‘ zoals opgenomen in de meest recente publicatie van het CROW: publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Woonzorggebouw: Op basis van het GVVP wordt voor een verzorgingstehuis een parkeernorm van 0,5 tot 0,7 parkeerplaatsen per zorgeenheid gerealiseerd. Gemotiveerd kan, in overleg met de gemeente, hiervan worden afgeweken en een lagere norm worden toegepast. Ter motivatie van de parkeernorm is door Empaction Parkeerprofessionals een parrkeeronderzoek uitgevoerd bij de andere, reeds gerealiseerde, locaties van het zorgconcept 'Wonen bij September' (rapport versie 1.0, d.d. 8 januari 2020). Het parkeeronderzoek is toegevoegd als Bijlage 13 bij de toelichting. Dit onderzoek wijst uit dat de parkeerdruk bij de woonzorgfuncties van September relatief laag is. Op basis van het uitgevoerde parkeeronderzoek is gebleken dat een norm van 0,6 of 0,7 parkeerplaatsen per wooneenheid te hoog is voor kleinschalige zorg gericht op ouderen met dementie. Dat wordt onderschreven doordat de zorglocaties met een relatief groot aantal parkeerplaatsen (0,7 á 0,8), veel leegstand hebben.
Bij zorglocaties met 0,3 á 0,4 parkeerplaatsen per wooneenheid sluit het aanbod van parkeerplaatsen veel beter aan op de vraag. Dit onderschrijft dat volstaan kan worden met een lagere parkeernorm. Een parkeernorm van 0,5 parkeerplaatsen wordt daarbij als passend beschouwd. Hierbij wordt aangesloten bij de minimale bandbreedte van de CROW-cijfers en de minimale norm uit het GVVP. Bij het hanteren van een parkeernorm van 0,5 parkeerplaatsen per woonzorgeenheid is bij het realiseren van 24 woonzorgeenheden sprake van een parkeerbehoefte van 12 parkeerplaatsen. Het planvoornemen bestaat daarom uit de aanleg van 12 parkeerplaatsen. In de inrichting van het terrein (zie ook Bijlage 1) is ruimte voor de realisatie van deze parkeervoorzieningen. Met de realisatie van deze parkeerplaatsen wordt voorzien in de parkeerbehoefte van de woonzorgvoorziening. De parkeerbehoefte is bepaald op basis van de parkeernorm van 0,5 parkeerplaatsen per woonzorgeenheid. Deze norm wordt gehanteerd naar aanleiding van de resultaten van het uitgevoerde parkeeronderzoek. Mocht in de toekomst blijken dat toch sprake is van een grotere parkeerdruk bij de woonzorgvoorziening, kunnen twee extra parkeerplaatsen worden aangelegd.
Er is, wanneer daar vanuit de woonzorgvoorziening behoefte aan is, op eigen terrein voldoende ruimte om twee extra parkeerplaatsen aan te leggen en in totaal te voorzien in 14 parkeerplaatsen. Appartementengebouw: Voor het appartementengebouw wordt aangesloten bij de parkeernormen uit het
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
39
GVVP. Op elke woonlaag worden twee appartementen gerealiseerd in de categorie 'duur' en drie appartementen in de categorie 'goedkoop'. Voor beide categorieën wordt aangesloten bij de maximale bandbreedte van de CROW en het GVVP. 6 appartementen (duur) * 2,2 = 13,2 parkeerplaatsen 9 appartementen (goedkoop) * 1,7 = 15,3 parkeerplaatsen Totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee 29 parkeerplaatsen. Er worden op eigen terrein 9 parkeerplaatsen gerealiseerd. Omdat op eigen terrein niet voldoende ruimte is voor het realiseren van de parkeerbehoefte, wordt voor het realiseren van voldoende parkeervoorzieningen aan de overzijde van de Stationsstraat een uitbreiding gerealiseerd van de bestaande parkeerplaats. De bestaande parkeerplaats van het station wordt uitgebreid met 20 parkeerplaatsen in westelijke richting. Daarvoor worden de percelen Hardinxveld, sectie I, nummers 487 en 2392 aangewend (zie ook onderstaande afbeelding en Bijlage 2 voor de parkeerinrichting). Deze percelen liggen op loopafstand van de te realiseren appartementen en in het verlengde van de reeds bestaande parkeervoorziening ten behoeve van het station. Daarmee worden in totaal 29 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarmee ruimschoots wordt voorzien in de parkeerbehoefte. De bestaande watergang wordt aangepast (zie paragraaf 5.17 Waterhuishouding).
Parkeerinirichting voor het appartementengebouw (totaal 29 plaatsen) 5.9.3 Conclusie Uit het bovenstaande kan worden opgemaakt dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
40
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
5.10
Natuur
Voor de planologische procedure dient te worden vastgelegd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de geldende natuurwetgeving. De Wet natuurbescherming maakt onderscheid tussen beschermde gebieden en beschermde soorten. Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden, zijn hieronder de beschermde gebieden en beschermde soorten beschouwd. 5.10.1 Beschermde gebieden Er dient aannemelijk te worden gemaakt dat het plan geen negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Europees beschermde Natura2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Als een (bouw)project significant negatieve effecten veroorzaakt op stikstofgevoelige habitattypen en soorten in een Natura2000-gebied als gevolg van stikstofemissie of andere effecten is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming vereist (zie artikel 2.7 en 2.8 van de Wet natuurbescherming). Vanwege de nabije ligging van het Natura2000-gebied 'Biesbosch' is een effect op het gebied niet zonder meer uit te sluiten en is een stikstofonderzoek verricht. Voor de nieuwe ontwikkeling is beoordeeld of sprake is van effecten op omliggende Natura2000-gebieden. Het onderzoek is toegevoegd als Bijlage 9 bij de toelichting.
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat het voornemen niet leidt tot een overschrijding van de drempelwaarde van 0,00 mol/ha op stikstofgevoelige habitats. Het planvoornemen leidt daarmee niet tot een significante toename van stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden op basis van het onderzoek met zekerheid worden uitgesloten. Daarmee kan tevens met zekerheid worden gesteld dat het bestemmingsplan 'Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam' niet leidt tot negatieve gevolgen voor omliggende Natura2000-gebieden. Uit de kaart NatuurNetwerk Nederland op de website van de provincie Zuid-Holland, blijkt dat het plangebied geen deel uitmaakt van het NNN. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNN ligt op circa 825 meter ten zuiden van het plangebied. Dit betreft de rivier de Beneden Merwede met de oevers. Gezien de relatief grote afstand tussen het plangebied en het NNN, en de kleinschalige aard van de voorgenomen plannen is het uit te sluiten dat de voorgenomen plannen een (significant) negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN (zie ook Bijlage 10 bij de toelichting).
5.10.2 Beschermde soorten Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden is door Staro B.V. een quickscan flora en fauna uitgevoerd (rapportnr. 20-0259, 5 januari 2021). Het onderzoek richt zich op beschermde gebieden en beschermde soorten. Het rapport is tevens bijgevoegd als Bijlage 10 bij de toelichting. Geconcludeerd kan worden dat de volgende maatregelen genomen dienen te worden om overtreding van de Wet natuurbescherming te kunnen voorkomen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
Nader onderzoek uitvoeren naar huismus, huiszwaluw, gierzwaluw en vleermuizen; Voorkomen dat rugstreeppad het plangebied koloniseert; Bomen en struiken kappen buiten het broedseizoen en wanneer geen broedgeval aanwezig is; Voorzichtig werken in de groenstrook op het land, zeker tijdens de overwinteringsperiode van egel, bladen takkenhopen worden buiten de periode november tot april verwijderd. Het dempen van watergangen wordt in beginsel uitgevoerd in de periode tussen 1 oktober en 15 februari, dat wil zeggen na de voortplantingsperiode en voor de winterrust van vissen en amfibieën. Oevervegetatie wordt voorafgaand aan de werkzaamheden aan de sloot (maar buiten het broedseizoen)
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
41
gemaaid, waardoor aanwezige fauna zich elders zal gaan ophouden; Bij het dempen van een watergang wordt het water één richting uitgedreven (naar open water), opdat aanwezige vissen en amfibieën kunnen ontsnappen. 8. Bij leegpompen van een watergang worden aanweizge vissen en amfibieën tijdig weggevangen en elders uitgezet. Met inachtneming van de bovenstaande adviezen en aanbevelingen met betrekking tot soortenbescherming, zal het plan niet leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Het vervolgonderzoek naar verblijfplaatsen van de huismus, huiszwaluw, gierzwaluw, en vleermuis zal worden ingepland en uitgevoerd. 7.
Met inachtneming van de door de ecoloog opstelde conclusies en aanbevelingen, kan worden gesteld dat sprake is van een uitvoerbaar planvoornemen. Vóór vaststelling van het bestemmingsplan zal het vervolgonderzoek worden toegevoegd aan het ontwerpbestemmingsplan, waarmee wordt aangetoond dat geen sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming. Vóór het nemen van een besluit kan worden geborgd dat het voornemen geen negatief effect heeft op beschermde flora en fauna. 5.10.3 Conclusie Uit het bovenstaande kan worden opgemaakt dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
5.11
Archeologie
In Europees verband is als wettelijk toetsingskader het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. De gemeente Hardinxveld-Giessendam neemt met het oog op de nationale wet- en regelgeving haar verantwoordelijkheid ten aanzien van de bescherming van archeologische waarden. De gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft daarom in augustus 2010 samen met de samenwerkende gemeenten van de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden de Beleidsnota Archeologie laten opstellen. Daarbij hoort ook een archeologische waardenkaart en een verwachtingen en beleidsadvieskaart. Op 26 mei 2012 is voor het plangebied door ArcheoPro een archeologisch inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek en karterend booronderzoek.
Hieruit is geconcludeerd dat, gezien de aard van de aangetroffen afzettingen en het ontbreken hierin van archeologische indicatoren, de resultaten van het onderzoek geen aanleiding geven om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. Naar aanleiding van dit archeologisch onderzoek is het perceel door het bevoegd gezag vrijgegeven en heeft het perceel geen dubbelbestemming voor de bescherming van archeologische waarden. Daarmee kan geconcludeerd wordne dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
42
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
5.12
Cultuurhistorie
Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Om cultuurhistorische waarden te beschermen heeft de provincie Zuid-Holland een cultuurhistorische atlas opgesteld. Hierin is aangegeven dat op de planlocatie 'geen tot lage trefkans op archeologische sporen' is. Verder zijn voor de locatie geen andere cultuurhistorische waarden opgenomen.
Uitsnede cultuurhistorische atlas Zuid-Holland met ligging planlocatie De Damstraat en de Kerkweg liggen aan beide kanten van de veenrivier de Giessen en vormen gezamenlijk een cultuurhistorisch lint tussen Giessen-Oudekerk en Hardinxveld-Giessendam. De Peulenstraat vormt midden in het dorp de verbinding tussen beide linten en vormt met de Damsluis in de Giessen het historisch hart van het dorp. De planlocatie aan de Stationsstraat ligt in de tweede lijn bebouwing achter de Damstraat en heeft geen directe invloed op de cultuurhistorische kenmerken van het lint. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor het onderhavig voornemen.
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
43
5.13
Waardevolle bomen
De gemeente Hardinxveld-Giessendam heeft ter bescherming van waardevolle bomen het Bomenbeleidsplan 2012-2021 opgesteld. In het bomenbeleidsplan heeft de gemeente van tevoren vastgesteld welke bomen beschermwaardig zijn. Dit zijn de bomen die zich binnen de belangrijkste boomstructuren van de gemeente bevinden en bomen met een bijzondere status. De laatste genoemde bomen staan op de lijst waardevolle bomen. Deze bomen worden beschermd in de APV. 5.13.1 Waardevolle boom binnen het plangebied De waardevolle bomen met een bijzondere status zijn inzichtelijk gemaakt op de Groene Kaart, die als bijlage onderdeel uitmaakt van het Bomenbeleidsplan. Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Groene Kaart met de ligging van het plangebied weergegeven.
Uitsnede van de Groene Kaart met ligging planlocatie en waardevolle boom Binnen het plangebied bevindt zich een waardevolle plataan (boom nummer 74 uit het bomenregister). De waardevolle plataan geniet bescherming door de omgevingsvergunningplicht voor het onderdeel ‘kappen’. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning zal een belangenafweging gemaakt worden tussen alle relevante aspecten op basis van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) en het Bomenbeleidsplan. Het college van B&W heeft in het kader van deze waardevolle boom reeds in 2012 een besluit genomen tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het onderdeel 'kappen'. Deze omgevingsvergunning is gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor bouwen van het gezondheidscentrum met 26 zorgwoningen. De eerder verleende kapvergunning is van rechtswege komen te vervallen, doordat daarvan door de rechthebbende geen gebruik is gemaakt in samenhang met de bouw van het gezondheidscentrum. Daarom zal door het college van B&W opnieuw een omgevingsvergunning voor het onderdeel 'kappen' moeten worden verleend.
44
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
5.13.2 Afweging Voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het onderdeel 'kappen' is een zorgvuldige afweging noodzakelijk. In het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is onderstaand deze afweging gemaakt. Daarmee kan worden aangenomen dat het college van B&W een omgevingsvergunning voor het onderdeel 'kappen' kan afgeven, waarmee de uitvoerbaarheid van het voorliggend bestemmingsplan is aangetoond. In de afweging die dient te worden gemaakt voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het kappen van een waardevolle boom, moeten in elk geval de volgende aspecten aan bod komen: Alternatieven, waarbij het kappen van de boom kan worden voorkomen, moeten onderzocht zijn; Het algemeen maatschappelijk belang moet zwaarder wegen dan het duurzaam behoud van de beschermde houtopstand. Om deze afweging te kunnen maken is het noodzakelijk om het maatschappelijk belang en de natuurwaarde en levensduur van de waardevolle boom in beeld te brengen. Alternatieven: Bij de totstandkoming van het voorliggend plan is zorgvuldig gekeken naar verschillende alternatieven. In de zoektocht naar een goede stedenbouwkundige opzet is gezocht naar een alternatieve opzet van het woonzorggebouw, waarbij de waardevolle boom behouden zou kunnen worden. De variantenstudie die in dit kader is uitgevoerd is als Bijlage 11 toegevoegd bij de toelichting.
Bij het beoordelen van de alternatieven is gebruik gemaakt van een aantal criteria, die voortkomen vanuit de wensen vanuit het zorgconcept en de uitstraling naar de omgeving. Er is daarbij gekeken naar de volgende criteria: Vanuit het zorgconcept voor de doelgroep bij voorkeur tweelaags bouwen, maar in verband met de grootte van het perceel is de uitwerking drielaags; Realiseren van afgesloten grote tuin met mogelijkheid tot rondgang; Aansluiting stedenbouwkundige context gebouwspecifiek: 1. Zichtlijnen 2. Karakter Stationsstraat Gebouwvolume in het plangebied zo compact mogelijk om voldoende ruimte voor de tuin over te houden (keuze voor een enkel woonhuis); Parkeeroplossing op eigen terrein; Afstand tot bestaande bebouwing vergroten; Buitenruimte aan geluidluwe gevel. In de onderstaande tabel is elke variant uit Bijlage 11 beoordeeld op de bovengenoemde criteria.
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
45
Beoordeling varianten Kijkende naar de verschillende aspecten blijkt variant 4 het meest gunstig en passend voor het woonzorggebouw. In deze variant blijft voldoende afstand tot de bestaande bebouwing. Het gebouw volgt de rooilijn en heeft een duidelijk adres aan de Stationsstraat. De knik in de weg zorgt voor een zichtlijn vanaf de Stationsstraat op de locatie. De kopgevel bevindt zich aan het einde van die zichtlijn. Met deze positie van het woonzorggebouw wordt deze as gemarkeerd. De tuin bevindt aan de geluidsluwe zijde, waardoor een intieme rustige buitenruimte ontstaat voor de bewoners. Met inachtneming van de bovenstaande beoordelingscriteria en de uitkomsten van de uitgevoerde variantenstudie, kan worden gesteld dat voldoende alternatieven zijn afgewogen. Daarbij is geen van de varianten met behoud van de waardevolle boom als reële optie uit de studie is gekomen. Er kan worden geconcludeerd dat het oprichten van een woonzorggebouw voor ouderen met dementie, vanuit het voorgesteld woonzorgconcept, alleen haalbaar is, wanneer de waardevolle boom kan worden verwijderd. Bij de eerdere planvorming in 2012 is eveneens onderzocht of alternatieven denkbaar waren voor het oprichten van een gezondheidscentrum met 26 zorgwoningen.
In 2012 is ook geconcludeerd dat het bouwen van een maatschappelijke voorziening met grote bouwmassa, in combinatie met behoud van de waardevolle boom geen reële optie was. Daarmee heeft ook eerder een zoektocht naar alternatieven geleid tot dezelfde conclusie, waardoor destijds al een maatschappelijke bestemming is toegekend aan de locatie. Deze conclusie wordt bevestigd door het stedenbouwkundig advies van de gemeente Hardinxveld-Giessendam (zie het advies van SpaceValue, d.d. 23 februari 2021, Bijlage 3). In het advies wordt geconcludeerd dat "de positie van deze boom dusdanig is (dat ook uit eerdere studies bleek), dat het vrijwaren van de boomkroon en het handhaven van voldoende ondergrondse groeiruimte te veel beperkend zouden zijn voor het realiseren van een bouwvolume, waarin de verhouding van het gebouw tussen de plattegrond en de hoeveelheid geveloppervlak efficiënt is." Daarmee kan worden gesteld dat in voldoende mate alternatieven zijn onderzocht. Uit deze studies kan worden geconcludeerd dat, met inachtneming van de cultuuhistorisch en landschappelijke waarden van de waardevolle boom, de voorliggende variant als voorkeursvariant naar voren is gekomen. Maatschappelijkbelang: Het voornemen tot de oprichting van een nieuwe woonzorgvoorziening voor ouderen met dementie is van maatschappelijk belang voor de gemeenschap van Hardinxveld-Giessendam.
Hardinxveld-Giessendam heeft behoefte aan voorzieningen van ouderen met dementie, zodat zij in hun vertrouwde, lokale omgeving de zorg kunnen genieten die zij nodig hebben. Het gaat om de bouw van een woonzorggebouw waar zorg wordt geboden aan ouderen vanaf 65 jaar met een zorgindicatie, waarvoor 24
46
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
uur per dag zorg beschikbaar is. Het plan voorziet hiermee in een concrete zorgbehoefte. Het voorzieningsniveau van het zorgconcept 'Wonen bij September' (zie paragraaf 3.1.1) is van regionaal niveau, waardoor sprake is van een regionaal maatschappelijk belang. Natuurwaarde van de boom: Uit een uitgevoerde boomeffectanalyse blijkt dat de boom in gezonde staat verkeerd en in de huidige toestand een leeftijdsverwachting heeft van meer dan 15 jaar. Conclusie van de afweging: Op basis van het bovenstaande kan worden gesteld dat alternatieven voldoende zijn onderzocht. Het college van B&W acht het maatschappelijk belang van de voorliggende ontwikkeling groter dan het duurzaam behoud van de waardevolle boom, met inachtneming dat de landschappelijke waarde van de waardevolle boom wordt gecompenseerd. 5.13.3 Compensatie Uit de bovenstaande afweging is geconcludeerd dat de waardevolle boom niet behouden kan blijven op de huidige locatie. In het kader van de compensatie van de waardevolle boom is allereerst onderzocht of het mogelijk is om de waardevolle boom in zijn geheel te verplaatsen naar een andere locatie. In de afweging is gekeken naar de risico's van verplaatsing op de gesteldheid van de boom en de waarde van het behoud voor de gemeenschap anderzijds. Het verplaatsbaarheidsonderzoek is toegevoegd als Bijlage 12 bij de toelichting.
Het college van B&W acht de ingeschatte kosten van € 50.985,00 voor het verplaatsen van de boom onverantwoord hoog en heeft daarom besloten de plataan niet te verplaatsen. De gemeente en initiatiefnemer hebben afspraken gemaakt over de compensatie van de landschappelijke waarden van de boom in de vorm van meerdere bomen in de tuin van het woonzorggebouw. Deze bomen zijn onderdeel van de groene inrichting (zie paragraaf 3.1.2 en Bijlage 1 bij de toelichting). De herplant van deze bomen is juridisch vastgelegd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting. De voorwaardelijke verplichting is opgenomen in artikel 3.2.4 onder b. In deze voorwaardelijke verplichting wordt verwezen naar het beplantingsplan, dat als Bijlage 1 onderdeel is van de regels. De omgevingsvergunning voor het kappen van de waardevolle boom zal worden gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor bouwen van het woonzorggebouw, zodat de boom alleen kan worden gekapt in combinatie met de bouw van het woonzorggebouw. De voorwaardelijke verplichting voor de herplant van bomen ter compensatie zal eveneens worden gekoppeld aan het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen, zodat het kappen van de waardevolle boom en de herplantplicht onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
5.13.4 Resumé Na het voeren van een zorgvuldige afweging en het opnemen en borgen van een gedegen landschappelijke compensatie in het bestemmingsplan, kan aannemelijk worden gemaakt dat de omgevingsvergunning voor het onderdeel 'kappen' kan worden verleend door het college. Het kappen van de boom leidt daarnaast niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming (zie ook paragraaf 5.10.2 en Bijlage 10). Daarmee kan worden gesteld dat het aspect 'waardevolle bomen' niet leidt tot een belemmering van het planvoornemen. Het voorliggend bestemmingsplan is uitvoerbaar.
5.14
Leidingen
De gemeentelijke riolering bevindt zich grotendeels op openbaar terrein. Voor de percelen binnen het plangebied zijn in het verleden verschillende aftakkingen aangelegd. De gebouwen op de percelen Stationsstraat 23 t/m 25 hebben een bestaande rioolaansluiting op het gemeentelijk riool. Er ligt ook een aansluiting op het gemeentelijk riool op het adres Stationsstraat 27. Deze leiding is voorheen gebruikt als aansluiting voor het voormalige schoolgebouw. Daarnaast loopt een oude rioolleiding vanaf het perceel Hardinxveld F 2380 (adres Molenstraat 12) over het zuidelijk gedeelte van het plangebied richting het oosten. Tussen Stationsstraat 21 en 23 sluit deze leiding
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
47
aan op het gemeentelijk riool. De exacte ligging van deze leiding is niet bekend. Er moet bij grondwerkzaamheden binnen het plangebied rekening gehouden worden met de aanwezigheid van deze leiding. De leiding vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Daarnaast ligt op korte afstand van het plangebied een hogedruk aardgasleiding. Hiervoor is een CAROLA-berekening uitgevoerd. Zie hiervoor paragraaf 5.3 Externe veiligheid. De aanwezigheid van deze leiding vormt geen verdere belemmering. Het aspect leidingen vormt geen belemmering voor het voornemen.
5.15
Laagvliegroute
Het plangebied ligt binnen de zone van de laagvliegroute VO (voor helikopters en lichte vliegtuigen). Voor militaire laagvliegoefeningen worden vaste routes en gebieden gebruikt. De hartlijn van de route ligt over Hardinxveld-Giessendam. Daarnaast is aan beide zijden van de hartlijn sprake van een navitgatiezone. Het laagvliegen is een kleine, maar voor de opleiding en training van militaire vliegers belangrijke activiteit. De toename van windturbines, telecommasten, hoogspanningsverbindingen en andere hoge bouwwerken maakt het ongestoord oefenen op deze route steeds moeilijker. Ter plaatse van Hardinxveld en Sliedrecht moeten de vliegers al van de hartlijn afwijken in verband met de windturbines langs de A15 en ze moeten omhoog vanwege de grote hoogspanningsmasten die de Merwede kruisen. De laagvliegroute kent tegenwoordig geen bouwhoogtebeperkingen meer, maar is als signalering op de verbeelding opgenomen.
Laagvliegroute VO met ligging plangebied (bron: Luchtverkeersleiding Nederland) De gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - laagvliegroute' is uit het geldend bestemmingsplan overgenomen (zie verbeelding en artikel 9.1 van de regels). De maximale bouwhoogte die is opgenomen in het voorliggend bestemmingsplan (10 m) is ruim lager dan de (voormalige) ondergrens van 30 m voor de laagvliegroute en lager dan de geldende maximale bouwhoogte (11 tot 14 m). De laagvliegroute vormt daarom geen belemmering voor het planvoornemen.
48
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
5.16
Niet-gesprongen explosieven
Het gebied ligt in een gebied met kans op de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. De veiligheid ten opzichte van explosieven moet altijd verzekerd zijn voordat er bodemroerende werkzaamheden verricht worden. Voor de Duitse bezetter waren de spoorwegen cruciaal voor de bevoorrading van hun troepen. Dat maakte trein en spoor aantrekkelijke doelwitten voor de geallieerden. Meerdere malen is het spoor bij Hardinxveld en Giessendam beschoten en gebombardeerd. De meest beruchte van deze bombardementen vonden plaats bij het station van Giessendam. Door T&A is een historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven ter plaatse van Spoortracé Dordrecht – Leerdam (2012). Op basis van de beschikbare archiefgegevens, literatuur en luchtfotomateriaal is in november 2020 een risicokaart opgesteld door BeoBOM (BB19-112_OT-01, d.d. 6 november 2020).
Risicokaart niet-gesprongen explosieven Op basis van deze risicokaart kan worden gesteld dat binnen het plangebied, in de niet-naoorlogs geroerde bodem, niet-gesprongen explosieven kunnen zijn achtergebleven. Uit de resultaten blijkt dat een klein deel aan de oostzijde van de te ontwikkelen locatie verdacht is op het voorkomen van afwerpmunitie (geallieerd, 500-1000 lbs). Voordat de (bouw)werkzaamheden aanvangen, zal explosievenonderzoek worden uitgevoerd. Een voorwaarde hiervoor is dat het gehele terrein braakliggend is. Het perceelgedeelte dat verdacht is op explosieven betreft het oostelijk gedeelte van de deellocatie van het appartementengebouw. Om de risico's te minimaliseren wordt geadviseerd om voorafgaand aan de voorgenomen bodemroerende werkzaamheden een opsporingsproces uit te voeren. Na vrijgave van het perceel door de gemeente Hardinxveld-Giessendam kan het perceel bouwrijp worden gemaakt voor de bouw van het appartementengebouw.
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
49
Initiatiefnemer dient in het kader van de financiële uitvoerbaarheid van het plan rekening te houden met onderzoekslasten. Voor het eventueel ruimen en opsporen van explosieven kan door de gemeente subsidie worden aangevraagd bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Met inachtneming van de bovenstaande aanpak, kan een zorgvuldig besluit worden genomen. Met inachtneming van de bijbehorende financiële onderzoekslasten, leidt het aspect niet-gesprongen explosieven niet tot aantasting van de uitvoerbaarheid van het plan.
5.17
Waterhuishouding
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De waterparagraaf geeft een beschrijving van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivering van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. 5.17.1 Beschrijvingvan het watersysteem Binnen het plangebied liggen geen watergangen. Aangrenzend aan de beoogde parkeervoorziening ligt een B-watergang met beschermingszone. Voorheen was hier sprake van een A-watergang met duiker onder de parkeerplaats. De watergang ten noorden van de spoorlijn is opgewaardeerd tot A-watergang, waardoor de watergang grenzend aan het parkeerterrein kon worden afgewaardeerd. De B-watergang heeft een beschermingszone van 1 m (zie onderstaande afbeelding).
Uitsnede vastgestelde legger wateren Waterschap Rivierenland met ligging planlocatie (ten zuiden van de Stationsstraat) en de nieuwe parkeervoorziening (ten noorden van de Stationsstraat)
50
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
5.17.2 Waterbeleid Waterbeheerplan 2016 - 2021: Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Zo is het van belang dat er bij nieuwe ruimtelijke plannen voldoende waterberging wordt gecreëerd om wateroverlast bij hevige regenval te voorkomen. De benodigde ruimte voor compenserende waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging. Keur waterkeringen en wateren: In de Keur waterkeringen en wateren (Waterschap Rivierenland) staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. In de navolgende paragraaf 5.17.4 worden de gevolgen van de plannen op de waterhuishouding omschreven en de wijze waarop met de Keur wordt omgegaan. Voor de vergunningplichtige werkzaamheden wordt bij het Waterschap Rivierenland een watervergunning aangevraagd.
5.17.3 Toekomstige situatie Het voornemen bestaat uit het oprichten van een woonzorggebouw op een onbebouwd perceel, een appartementengebouw op de locatie van de huisartsenpraktijk en de oprichting van een nieuwe parkeervoorziening met 20 parkeerplaatsen op het perceel Hardinxveld, sectie I, nummer 487. 5.17.4 Gevolgen voor de waterhuishouding Wateroverlast: Inrichting en beheer van het waterhuishoudkundig systeem op de locatie dient te zijn gericht op het voorkomen van wateroverlast voor wegen en bebouwing en het voorkomen van schade aan de volksgezondheid door bijvoorbeeld vochtige kruipruimten, stilstaand water en onveilige oevers. Zo nodig dient de drooglegging of ontwatering te worden verbeterd (bijvoorbeeld bij lage ligging plangebied of hoge grondwaterstanden). Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlakte waterpeil ligt. De gemeente Hardinxveld-Giessendam hanteert ter plekke van het plangebied een aanlegpeil van -0,85 m +NAP voor de kruin van de weg en -0,60 m +NAP voor het vloerpeil (onderkant fundering). Oppervlaktewater: De bestaande B-watergang aan de noordzijde van de Stationsstraat (ten noorden van Stationsstraat 4) wordt met het voornemen aangepast in verband met de aanleg van nieuwe parkeervoorzieningen (voor de parkeerinrichting, zie ook paragraaf 5.9.2 Parkeren).
Een gedeelte van de B-watergang wordt gedempt en wordt in de vorm van nieuw oppervlaktewater gecompenseerd. Daarnaast wordt de watercompensatieopgave (zie kopje hemelwater) ook gedeeltelijk binnen oppervlaktewater gerealiseerd. De watergang wordt met de uitvoering van het planvoornemen bereikbaar voor onderhoud vanaf het nieuwe parkeerterrein. Op de onderstaande afbeelding is schematisch de nieuwe situatie weergegeven.
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
51
Aanpassingen watergang (donkerblauw = bestaand water; lichtblauw = nieuw water; arcering = te dempen water) Bij het realiseren van de watercompensatie van de parkeerplaats enerzijds en het dempen van (een deel van) de bestaande B-watergang anderzijds is het van belang algemene regel WT 9 van het waterschap te volgen. Initiatiefnemer verzorgt een melding van de werkzaamheden bij het Waterschap Rivierenland. Er kan worden voldaan aan de voorwaarden van het waterschap. Hemelwater: In het plangebied is sprake van herontwikkeling, waarbij sprake is van een aanpassing in de verwerking van het hemelwater. Bestaand verhard oppervlak is of wordt verwijderd en nieuw verhard oppervlak wordt aangelegd. Om hydrologisch neutraal te kunnen ontwikkelen en het hemelwater gescheiden af te kunnen voeren, worden watercompenserende maatregelen genomen. Het waterschap hanteert beleidsregels met betrekking tot het toevoegen van nieuwe oppervlakteverharding. Daarnaast hanteert de gemeente Hardinxveld-Giessendam het 'Handboek Openbare Ruimte' (d.d. 2 november 2018), op basis waarvan het totaal aan toekomstig verhard oppervlak binnen het plangebied grondslag is voor de berekening van de benodigde waterberging.
Om aan te tonen dat op de verschillende deellocaties voldoende ruimte beschikbaar is om hemelwaterberging te realiseren om de toename van verhard oppervlak te compenseren, is door BOOT Ingenieursbureau een nadere uitwerking van de watercompensatie uitgewerkt. Deze uitwerking is toegevoegd als Bijlage 14 bij de toelichting. Met de uitwerking is aangetoond dat binnen het plangebied voldoende ruimte is voor het aanleggen van waterbergende voorzieningen, waarmee kan worden voldaan aan de vereisten van het waterschap en de gemeente. Er is sprake van een uitvoerbaar plan. Vóórdat het plan wordt gerealiseerd dient op basis van artikel 5.16 van de Beleidsregels bij de Keur een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Aangezien het waterschapsbelang geborgd is in de Keur, is verankering in het bestemmingsplan niet noodzakelijk. Vuilwater: Het afvalwater wordt op doelmatige wijze afgevoerd via de riolering. Het water wordt opgevangen en aangesloten op de bestaande rioolleiding onder de Stationsstraat. De gemeente Hardinxveld-Giessendam maakt met de initiatiefnemers afspraken over de aansluiting op de riolering. 5.17.5 Digitale watertoets Voor het planvoornemen is de digitale watertoets uitgevoerd.
De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen meer waterbestendig te maken, waarbij wateraspecten vroegtijdig en expliciet worden meegenomen in ruimtelijke plannen en bij locatiekeuzen. De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). De rapportage is als Bijlage 15 opgenomen bij de toelichting.
52
bestemmingsplan Stationsstraat 23 t/m 27, Hardinxveld-Giessendam
Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat mogelijk invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap (vanwege de ligging van het plangebied nabij de B-watergang en de toename aan verhard oppervlak). Dit ruimtelijk plan dient dan ook de normale watertoetsprocedure te volgen. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met het Waterschap Rivierenland. Het plan is in het kader van het vooroverleg toegezonden aan het waterschap Rivierenland (zie ook paragraaf 8.1 Voorontwerpbestemmingsplan). Het waterschapsbelang is voldoende geborgd. 5.17.6 Conclusie Realisatie van onderhavig plan leidt, met inachtneming van de voorwaarden van het waterschap, niet tot negatieve effecten op de aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor het voorgenomen initiatief. Wel is vanwege de schaal, aard en ligging van het planvoornemen contact met het Waterschap Rivierenland noodzakelijk.
5.18
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 Wet milieubeheer (Wm). Naast de Wet milieubeheer is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Op 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De Europese Unie heeft in de richtlijn m.e.r. reeds aangegeven bij welke activiteiten er zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze activiteiten zijn door de Nederlandse regering overgenomen en verwerkt in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Voor deze activiteiten geldt direct een m.e.r.-plicht. Ook zijn in het Besluit m.e.r. activiteiten aangewezen waarvoor het niet zeker is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden.