000-BOPA Parallelweg 112 Hardinxveld-Giessendam.pdf
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing ‘Naast parallelweg 112 Hardinxveld-
Giessendam’
Ruimtelijk onderbouwing ‘Naast Parallelweg 112 Hardinxveld-Giessendam’
Opgesteld door: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Lekdijk 44 2967 GB Langerak Datum 25-03-2025
2
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
4.
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding .................................................................................................. 5
1.2
Plangebied .................................................................................................. 6
1.3
Kader .......................................................................................................... 6
1.4
Leeswijzer................................................................................................... 7
Planbeschrijving ....................................................................................................................... 8 2.1
Bestaande situatie ....................................................................................... 8
2.2
Nieuwe situatie ........................................................................................... 8
Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 10 3.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 10
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 12
3.3
Waterschapsbeleid .................................................................................... 17
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 19
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu .................................................................. 21 4.1
Milieueffectrapportage .............................................................................. 21
4.2
Verkeer en parkeren ................................................................................. 22
4.3
Geluid ....................................................................................................... 23
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 24
4.5
Geur ......................................................................................................... 25
4.6
Bodem ...................................................................................................... 26
4.7
Water ........................................................................................................ 28
4.8
Omgevingsveiligheid (externe veiligheid) .................................................. 31
4.9
Archeologie .............................................................................................. 34
4.10 Milieuzonering .......................................................................................... 36 4.11 Natuur ...................................................................................................... 37 4.12 Trillingen .................................................................................................. 39 5.
Financiële haalbaarheid ..................................................................................................... 40
6.
Participatie en overleg ........................................................................................................ 41 6.1
Participatie................................................................................................ 41
6.2
Bestuurlijk vooroverleg ............................................................................. 41
3
# Bijlage 1 Tekeningen 2 Akoestisch onderzoek 3 Verkennend bodemonderzoek 4 Onderzoek omgevingsveiligheid 5 Ecologische quickscan 6 Stikstofdepositie onderzoek
Auteur Ziggurat Voortman Ingenieurs ADCIM DGMR Blom Ecologie De Roever
Kenmerk 24.14680 R-2420842123-V1 20240423-DVO-1.0 M.2024.1442 .N001 2024-1879 20241636. v01
Datum 24-02-2025 18-03-2025 20-02-2025 13-01-2025 22-01-2025 22-01-2025
4
1.
Inleiding
1.1 Aanleiding Naast de Parallelweg 112 te Hardinxveld-Giessendam is een braakliggend stuk grasland gelegen (zie afbeelding 1). Ter plaatse is sprake van een agrarische bestemming (zie afbeelding 2). Het plan is om ter plaatse een twee-onder-eenkapvolume (twee wooneenheden) te realiseren. Het idee is een kwantitatieve en kwalitatieve bijdrage te leveren in het woningaanbod, aan te sluiten op de bestaande bebouwing in de directe omgeving en daarmee de ruimtelijke samenhang te ondersteunen. Ten behoeve van het plan is in mei 2024 een principeverzoek ingediend bij de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Op september 2024 heeft de gemeente laten weten in principe mee te willen en kunnen werken aan het plan. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een aanvraag omgevingsvergunning ingediend op grond van artikel 5.1 lid 1 onder a Omgevingswet (omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)). Een omgevingsvergunning kan alleen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt onderbouwd dat hier sprake van is.
Afbeelding 1: Uitsnede luchtfoto (plangebied indicatief weergegeven)
5
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen direct ten oosten van de Parallelweg 112 te HardinxveldGiessendam (zie afbeelding 1). Verder naar het westen is de kern van HardinxveldGiessendam gelegen. Ten noorden de Betuwelijn en daarachter de Giessen. Ten zuiden is agrarisch lang gelegen. Kadastraal betreft het plangebied een deel van het perceel HDV00-L-571.
1.3 Kader Bestemmingsplannen maken sinds 1 januari 2024 onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Op het plangebied zijn oude bestemmingsplannen daarmee nog vigerend. Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (zie afbeelding 2) welke door de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam in 2016 is vastgesteld. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 9’. Binnen deze bestemming is het niet direct toegestaan nieuwe woningen te realiseren. Gezien deze strijdigheid wordt het plan middels onderhavige onderbouwing en een BOPAprocedure gefaciliteerd.
Afbeelding 2: Uitsnede vigerende bestemmingsplankaart (plangebied indicatief weergegeven)
Bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’ Op 26 november 2020 heeft de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam het bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’ vastgesteld. Het veegplan heeft niet geleid tot wijzigingen op de verbeelding ter plaatse van het plangebied. In het veegplan zijn verder wel regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid.
6
Paraplubestemmingsplan Wonen en Huishouden Op 16 december 2021 heeft de gemeenteraad het ‘Paraplubestemmingsplan Wonen en Huishouden’ vastgesteld. De Wet ruimtelijke ordening biedt de gemeente de mogelijkheid om bestemmingsplannen vast te stellen voor haar grondgebied. Daarbij is het gebruikelijk om begripsbepalingen op te nemen voor woningen en aanverwante begrippen. Gebleken is dat bij een aantal bestemmingsplannen in de gemeente Hardinxveld-Giessendam deze begrippen niet op elkaar aansluiten en aanscherping behoeven. Het begrip 'wonen' en daaraan verwante begrip 'huishouden' worden in nieuwe bestemmingsplannen wel opgenomen om bovenstaande zaken te verhelderen. De doelstelling van dit paraplubestemmingsplan is de diverse begrippen (wonen, wooneenheid en huishouden) duidelijk te omschrijven en te verankeren in alle bestemmingsplannen in de gemeente Hardinxveld-Giessendam. Hiermee wordt de begripsbepaling voor het gehele gemeentelijke grondgebied gelijkluidend op elkaar afgestemd.
1.4 Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • • • •
Hoofdstuk 1: Inleiding; Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskader; Hoofdstuk 4: Aspecten fysieke leefomgeving en milieu; Hoofdstuk 5: Financiële haalbaarheid; Hoofdstuk 6: Participatie en overleg.
7
2.
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ruimtelijke structuur Hardinxveld-Giessendam is ontstaan als een van de oudste ontginningscentra van de Alblasserwaard. Deze bewoning heeft zich ontwikkeld langs de Giessen en heeft geleid tot de karakteristieke lintbebouwing op de oeverwallen: een reeks boerderijen die het ontgonnen land aan de achterzijde gebruikten voor agrarische productie. In de loop van de eeuwen is de ruimte tussen de boerderijen en de Giessen ingevuld met bebouwing. Op de dijken van de Merwede werd ook gebouwd. Uit deze linten is Hardinxveld ontstaan, genoemd naar de heerlijkheid ‘Hertingsvelt’. HardinxveldGiessendam bestaat uit twee kernen: Boven-Hardinxveld en NederHardinxveld/Giessendam (genoemd naar de ligging bovenstrooms en benedenstrooms van de rivier). De historische ontwikkeling van Hardinxveld-Giessendam is nog steeds goed te zichtbaar. Het ontginningslint Damstraat-Binnendams en de dijklinten Buitendams, de Rivierdijk en de Peulenstraat zijn als uitgestrekte ensembles duidelijk herkenbaar en vormen een typerend verschil met de projectmatige woongebieden. Het plangebied is gelegen in de karakteristieke lintbebouwing langs de Parallelweg. In de loop van de tijd is een bebouwingspatroon langs de weg en het water ontstaan, waarbij de woningen veelal op een kleine afstand van de weg en het water zijn gebouwd.
De kaprichting van de hoofdgebouwen zijn vaak parallel aan de Parallelweg georiënteerd. De hoofdgebouwen zijn voorop het perceel gebouwd en bijgebouwen achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw. De percelen worden ontsloten via een brug over het water op de Parallelweg. Achter de woonpercelen is het open polderlandschap gelegen, welke duidelijk wordt begrensd door de rijksweg A15.
2.1.2 Huidige status/gebruik Het plangebied betreft een braakliggend stuk grasland naast de Parallelweg 112 te Hardinxveld-Giessendam gelegen (zie afbeelding 1). Ter plaatse is sprake van een agrarische bestemming. Het grasland staat niet in verbinding met omliggende agrarische gronden, maar staat gezien het karakter en de (water)afscheidingen meer op zichzelf.
2.2 Nieuwe situatie Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden) naast de Parallelweg 112 te Hardinxveld-Giessendam. In de bijlagen treft u het tekenwerk van het plan en onderstaand enkele uitsneden hiervan. Het idee is om met de woningen aan te sluiten op de bestaande bebouwing en daarmee de ruimtelijke samenhang te ondersteunen. Zo wordt de voorgevelrooilijn van de nabijgelegen bebouwing aangehouden en de bestaande brug gebruikt ter ontsluiting. Het parkeren wordt volledig op eigen terrein opgelost.
8
Afbeelding 3: Nieuwe situatie
9
3.
Verantwoording beleidskader
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven als de ondergrond. Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden) en is hiermee kleinschalig van aard.
Er worden geen rijksbelangen geschaad.
3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 5.129g van het Bkl is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden aan de behoefte van de stedelijke ontwikkeling. Indien de stedelijke ontwikkeling wordt gerealiseerd buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied, dan moet ook rekening gehouden worden met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied of -groen in die behoefte te voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Onder de nieuwe Omgevingswet is er nog geen jurisprudentie 10
beschikbaar, maar in beginsel was onder de oude wet een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voor wonen is dus de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het plan betreft de toevoeging van twee wooneenheden. Er is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bkl. Toetsing aan de ladder is daardoor niet nodig.
11
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 1 januari 2024 is een geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie in werking getreden. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6.
Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Conform de Omgevingsvisie kunnen kleinschalige stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten (in de bebouwde ruimte).
Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden) in het bestaande bebouwingslint langs de Parallelweg te 12
Hardinxveld-Giessendam. De locatie is gelegen strak aan de rand van het BSD. Middels het plan wordt deze ruimte aan een bestaand bebouwd perceel beter benut. Er is sprake van een stukje inbreiding aan de rand van het BSD in het lint. Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag.
Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Hierin wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat.
Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en 13
bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassing – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie. Het plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassing’. Het plan is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van het gebied.
Er wordt aangesloten bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap en het dorp. Het plan is op kavelniveau, waardoor bestaande structuren niet veranderen.
3.2.2 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) Op 1 januari 2024 is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) in werking getreden. In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn de regels over de fysieke leefomgeving van de provincie opgenomen. Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 7.3.7 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 7.43). Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Dit plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’, zie paragraaf 3.2.1. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 7.3.8 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 7.45). Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking) 1.
Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame 14
verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Het plan betreft geen stedelijke ontwikkeling, zie paragraaf 3.1.2. Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen In paragraaf 7.3.6a van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen (artikel 7.41). Artikel 7.41b (risico’s van klimaatverandering) In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: 1. wateroverlast door overvloedige neerslag; 2. overstroming; 3. hitte; 4. droogte; alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s. Wateroverlast door overvloedige neerslag Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen.
Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om te infiltreren in de bodem. Deze uitdaging wordt de nieuwe bewoners van de woningen meegegeven. Rondom het plangebied is meer dan voldoende oppervlaktewater aanwezig om hemelwater naar af te voeren. Het streven is het erf en de tuin rondom de woningen zoveel mogelijk zacht en groen uit te voeren, zodat het water kan infiltreren in de bodem. Tevens zal de oprit middels halfverharding worden gerealiseerd, hetgeen gunstiger is voor de waterhuishouding dan een volledig verharde oprit. Overstroming In samenspraak met de gemeente en het waterschap wordt er in het plan voldoende rekening gehouden met drooglegging in het plan. Dit mede door het bouwpeil en straatpeil voldoende hoog te realiseren (zie waterparagraaf in deze onderbouwing). Hitte en droogte In relatie met het eerst punt, wordt het erf en de tuin rondom de woningen zo groen als mogelijk ingericht. Groen levert een positieve bijdrage aan het tegengaan van hittestress en droogte. Groen creëert schaduw en is minder gevoelig voor hitte. Daarnaast wordt water in natte periodes beter vastgehouden, hetgeen langer aanwezig blijft bij droge periodes dan het geval bij een volledig verhard terrein. De 15
installaties in de woningen worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Bodemdaling In relatie met het voorgaande punt wordt in samenspraak met de gemeente en het waterschap voldoende drooglegging bepaalt, waarmee gelijktijdig voldoende en gelijkmatig kan worden opgehoogd om in te spelen op eventueel toekomstige bodemdaling.
16
3.3 Waterschapsbeleid 3.3.1 Waterschapsverordening Rivierenland De waterschapsverordening is een uitwerking van artikel 2.5 van de Omgevingswet. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar in ons gebied mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De verordening bevat de regels van het Waterschap Rivierenland over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de watersystemen, de zuiverings-technische werken en de wegen die in beheer zijn bij het waterschap. Ook bevat de verordening regels over lozingen. Het waterschap werkt met het 'ja, mits'-principe. Dit betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan de in de waterschapsverordening genoemde voorwaarden. Daarnaast is voor gebieden waar in de toekomst specifieke ontwikkelingen gaan plaatsvinden een uitzondering gemaakt voor de toepassing van de waterschapsverordening. Deze gebieden zijn gereserveerd voor het verruimen, verleggen of wijzigen van waterstaatswerken. Zo wordt voorkomen dat initiatieven worden uitgevoerd die op een later moment, door de aanleg op wijziging van een waterstaatswerk, weer ongedaan moet worden gemaakt. Onderdeel van de waterschapsverordening is de digitale kaart. Deze kaart geeft aan waar en welke regels van de waterschapsverordening gelden. Deze regels op de kaart worden werkingsgebieden genoemd.
De werkingsgebieden zijn gekoppeld aan de regels uit de verordening. De digitale kaart is op onderstaande afbeelding weergegeven. Hierop is te zien dat het plangebied is gelegen in de nabijheid van een primaire watergang (donkerblauw) met een beschermingszone (groen) en een tertiaire watergang (lichtblauw). Hoe het plan zich verder verhoudt tot het aspect water is beschreven in paragraaf 4.7 van deze onderbouwing.
Afbeelding 4: Uitsnede waterschapsverordeningkaart (plangebied indicatief weergegeven)
17
3.3.2 Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. In paragraaf 4.7 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt ingegaan op de voor dit plan relevante wateraspecten.
18
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Hardinxveld-Giessendam 2030 Op 19 februari 2015 heeft de gemeenteraad van Hardinxveld-Giessendam de structuurvisie Hardinxveld-Giessendam 2030 vastgesteld. De gemeentelijke structuurvisie is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter die integrale keuzes bevat voor de hoofdlijnen van beleid voor de komende periode. De structuurvisie bouwt voort op de Visie HardinxveldGiessendam, die op 22 maart 2012 na een zeer interactief traject met de bevolking is vastgesteld. De structuurvisie vertaalt deze visie naar de ruimtelijke ontwikkeling van Hardinxveld-Giessendam. De structuurvisie, die vooruitkijkt tot 2030, is eveneens een integraal document en heeft als doel om de verschillende belangen, bijvoorbeeld tussen landschap, woningbouw, maatschappelijke voorzieningen en werkgelegenheid zorgvuldig af te wegen. De structuurvisie biedt een kader waarin aanspraken op de ruimte kunnen worden afgestemd en gecombineerd. Deze structuurvisie is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke en sociale kwaliteiten. Daarnaast is de structuurvisie gericht op het versterken en behouden van de leefbaarheid. Op de woningmarkt van Hardinxveld-Giessendam is sprake van een beperkte doorstroming. Op 27 juni 2019 heeft de raad de Lokale paragraaf Wonen vastgesteld.
Hierin staan vier overkoepelende thema’s centraal: 1. Voldoende woningen bouwen: de inzet is minimaal voldoende bouwen voor de lokale behoefte, maar liefst meer om bij te dragen aan de kwalitatieve regionale ambitie. De groei moet aansluiten bij de schaal van HardinxveldGiessendam. 2. Kwalitatief goede woningen toevoegen: de gemeente meer doen voor middenen hoger opgeleiden door het aanbod van kwalitatief hoogwaardige woonmilieus en duurdere koopwoningen. 3. Langer thuis: voor mensen met een zorgvraag faciliteert de gemeente dat zij lang thuis kunnen wonen. 4. Energie- en klimaatbestendig: de gemeente levert onze bijdrage aan minder energieverbruik in de woningvoorraad, door bij nieuwbouw het maximale te doen en in de bestaande voorraad noodzakelijke stappen voorwaarts zetten. In 2035 wil de gemeente aardgasvrij, in 2050 energieneutraal. Het toevoegen van voldoende kwalitatief goede woningen is van belang voor de leefbaarheid, voor de kenmerkende sociale cohesie van Hardinxveld-Giessendam en voor het behoud van werkgelegenheid. Om de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen, zet de gemeente waar mogelijk en gewenst in op herstructurering van bestaande wijken. Naast de grote uitbreidingslocaties komen er met regelmaat inbreidingslocaties vrij, bijvoorbeeld door het uitplaatsen van bedrijvigheid.
In en rond het centrum van Hardinxveld-Giessendam liggen een aantal locaties die aantrekkelijk zijn om te wonen, maar nu nog worden bezet door milieuhinderlijke bedrijven. Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden) in een bestaand woonlint. Het betreft een kleinschalige en organische ontwikkeling aan de rand van de kern. De woningen zijn geschikt voor zowel jonge gezinnen als senioren en hierdoor flexibel bruikbaar voor verschillende doelgroepen. Er wordt daarmee een bijdrage geleverd aan de doelstelling voor 19
voldoende gevarieerd woonaanbod. Het plan levert kansen voor doorstroming op de markt, maar zal gezien de kleinschaligheid niet concurreren met andere grote bouwplannen. Het plan zorgt voor zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve bijdragen op de woningmarkt binnen Hardinxveld-Giessendam. 3.4.1 Omgevingsplan gemeente Hardinxveld-Giessendam Per 1 januari 2024 is vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet het Omgevingsplan gemeente Hardinxveld-Giessendam in werking getreden. Het Omgevingsplan betreft een vooraf door het rijk opgesteld omgevingsplan dat ook wel bekend staat als ‘de bruidsschat’ en is voor iedere gemeente identiek bij inwerktreding. Op dit moment is de gemeente Hardinxveld-Giessendam bezig met het opstellen van een eigen omgevingsplan. Tot het omgevingsplan is vastgesteld gelden de bestemmingsplannen en de bruidsschat als één omgevingsplan. In paragraaf 1.3 is het vigerend bestemmingsplan uiteengezet.
20
4.
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
4.1 Milieueffectrapportage Beleidskader De wetgeving rond de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in Afdeling 16.4. Milieueffectrapportage van de Omgevingswet (artikel 16.34 Omgevingswet). Artikel 16.34. (reikwijdte, bevoegd gezag plan-mer) 1. Deze paragraaf gaat over de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s als bedoeld in artikel 2, onder a, van de smb-richtlijn, waarvan de vaststelling is geregeld in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen en waarin het voor de vaststelling van die plannen en programma’s bevoegde bestuursorgaan en de procedure voor de opstelling ervan is vastgelegd. 2. In deze paragraaf wordt onder een plan of programma in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Onder de Omgevingswet geldt een plan-mer-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een mer-(beoordelings) plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het plan-mer brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving.
Hiermee draagt het plan-mer ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan gevallen genoemd waarvoor een merplicht (kolom 2) of een mer-beoordelingsplicht (kolom 3) geldt. Indien het plan valt binnen kolom 2, dan dient direct een milieueffectrapportage opgesteld te worden, omdat het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Voor projecten die vallen binnen kolom 3 is op voorhand nog niet duidelijk dat het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Daarom dient het project eerst beoordeeld te worden aan de hand van de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn. Indien uit de beoordeling blijkt dat het project voorziet in negatieve milieueffecten, dan geldt alsnog de verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Als uit de beoordeling blijkt dat het project niet voorziet in milieueffecten, dan is een milieueffectrapportage niet nodig. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden). Het plan betreft geen ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (J11). Ook valt het plan niet onder andere categorieën die zijn genoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Conclusie Er geldt geen mer-(beoordelings)plicht voor dit plan.
Verder blijkt uit de volgende paragrafen dat het plan ook niet zal voorzien in significante negatieve effecten op het milieu zoals omschreven in artikel 16.34 lid 2 Omgevingswet. 21
4.2 Verkeer en parkeren Beleidskader Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. Verder dient rekening te worden gehouden met bestaand beleid. Onderzoek Verkeersafwikkeling / ontsluiting Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden). De woningen zullen gebruik blijven maken van de bestaande ontsluiting ter plaatse. Er wordt geen nieuwe ontsluiting gerealiseerd. Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van Beleidsregels parkeernormen Hardinxveld-Giessendam 2022. Hierin is vastgelegd dat de parkeerbehoefte van een nieuwbouwproject wordt berekend op basis van de parkeernormen in het meest recente landelijke parkeerkencijfers van het CROW, de CROW-publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). De stedelijkheidsgraad wordt bepaald op basis van de adressendichtheid. Op basis van gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) valt Hardinxveld-Giessendam binnen de categorie 'weinig stedelijk' in het ‘buitengebied’. De CROW hanteert voor parkeerkencijfers een bandbreedte met een minimum en een maximum. De gemeente Hardinxveld-Giessendam hanteert als uitgangspunt voor de toe te passen parkeernormen de maximale bandbreedte van de CROW-parkeerkencijfers.
Voor de woningen van twee keer ‘koop, huis, twee-onder-een-kap’, is daarmee een parkeerbehoefte van twee keer 2,3 parkeerplaatsen, in totaal 4,6 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied worden er minimaal 5 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Verkeersgeneratie Middels dezelfde bovenstaande uitgangspunten brengt elke woning 8,2 verkeersbewegingen per etmaal me zich mee. Gezien het karakter van de Parallelweg en omliggende wegen wordt ervan uitgegaan dat deze wegen voldoende capaciteit hebben om hetgeen op te vangen. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft verkeer en parkeren geen belemmeringen.
22
4.3 Geluid Beleidskader Op grond van paragraaf 22.3.4 Omgevingswet en paragraaf 3.5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Daarom moet rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein en de geluiduitstraling door wegen en spoorwegen. Als geluidgevoelige gebouwen zijn woon-, onderwijs- en gezondheidsfuncties en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangewezen. Hieronder vallen niet alleen gebouwen die al gebouwd zijn, maar ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn maar wel planologisch zijn toegestaan. Ten aanzien van wegverkeerslawaai richt de instructieregel zich op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar, groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden). In het kader van de wet en gezien de ligging binnen geluidsaandachtsgebieden van autowegen en spoorweg dient voor de realisatie van de woningen een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. Dit onderzoek is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs en toegevoegd in de bijlage van deze onderbouwing. De conclusies uit het onderzoek zijn als volgt: •
•
•
•
• •
‘De berekende geluidbelasting ten gevolge van rijkswegen ten hoogste 58 dB Lden bedraagt. Deze geluidbelasting is hoger dan de standaardwaarde van 50 dB Lden, maar niet hoger dan de grenswaarde van 60 dB Lden; De berekende geluidbelasting ten gevolge van gemeentewegen ten hoogste 60 dB Lden bedraagt. Deze geluidbelasting is hoger dan de standaardwaarde van 53 dB Lden, maar niet hoger dan de grenswaarde van 70 dB Lden; De berekende geluidbelasting ten gevolge van hoofdspoorwegen (Lingelijn traject tussen Gorinchem en Hardinxveld-Giessendam) ten hoogste 59 dB Lden bedraagt. Deze geluidbelasting is hoger dan de standaardwaarde van 55 dB Lden, maar niet hoger dan de grenswaarde van 65 dB Lden; De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM) ten gevolge de gemeentewegen en de ontsluitingsweg ten hoogste 60 dB Lden bedraagt. Deze geluidbelasting kan conform de methode “Miedema” als “matig” geclassificeerd worden. Bevoegd gezag dient te beoordelen of de gecumuleerde geluidbelasting aanvaardbaar is; De gezamenlijke geluidbelasting (Lg) ten gevolge van gemeentewegen, rijkswegen en hoofdspoorwegen ten hoogste 63 dB Lden bedraagt. De woningen niet over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte beschikken. Bij de verdere uitwerking van het ontwerp van de woningen dient onderzocht te worden op welke wijze geluidluwe gevels en geluidluwe buitenruimten gerealiseerd kunnen worden.’
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen. Wel dient er een geluidsluwe gevel en buitenruimte te worden gerealiseerd.
23
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de daarin opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt, of voorzien wordt in activiteiten die een toename in de verkeersintensiteiten veroorzaken. In onderstaande tabel zijn de omgevingswaarden opgenomen. Tabel 1: Omgevingswaarden luchtkwaliteit (artikel 5.50 lid 2 Bkl) Artikel Bkl Stof Toetsing van Grenswaarde 2.4 lid 1 sub b Stikstofdioxide (NO2) kalenderjaar40 µg/m3 gemiddelde 2.5 lid 1 sub a Fijnstof (PM10) 24Max. 35 keer per jaar uurgemiddelde meer dan 50 µg/m³ 2.5 lid 1 sub b Fijnstof (PM10) kalenderjaar40 µg/m³ gemiddelde
Indien een plan voorziet in activiteiten die leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m³ of minder, dan draagt de activiteit niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en is toetsing niet nodig. In artikel 5.54 Bkl zijn standaardgevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen. Voor woonfuncties gaat het bijvoorbeeld om gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden). Daarmee voorziet het plan niet in de aanleg of het wijzigen van een ontsluitingsweg of de toename van meer dan 1.500 woningen. Er wordt gesteld dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Bkl is daardoor geen toetsing nodig. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen.
24
4.5 Geur Beleidskader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het plangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het plangebied, optreedt. In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau aanvaardbaar is. In deze instructieregels zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moeten voldoen. In het Bkl worden geurgevoelige gebouwen beschermd tegen onevenredige geurhinder. Als geurgevoelige gebouwen zijn woon-, onderwijsen gezondheidsfuncties en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangewezen. Delen van een gebouw waar deze functies niet zijn toegelaten, worden niet aangemerkt als geurgevoelig. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden). In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waterzuiveringsinstallaties of (agrarische) bedrijven aanwezig waar de nieuwe woningen binnen de geurcirkel vallen.
Daarmee kan gesteld worden dat er geen (agrarische) bedrijven worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en dat het woonen leefklimaat ten behoeve van de nieuwe woningen acceptabel is wat betreft geur. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geur geen belemmeringen.
25
4.6 Bodem Beleidskader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl instructieregels opgenomen voor het aspect bodem. De regels bepalen voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: • landbouw/natuur; • wonen; • industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Deze niveaus zijn opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden). Ten behoeve van de functiewijziging en de bouw dient er een bodemonderzoek te worden verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen. Dit onderzoek is uitgevoerd door Adcim en toegevoegd in de bijlage van deze onderbouwing. De conclusies uit het onderzoek zijn als volgt: • •
• •
‘De bovengrond bestaat uit matig siltig sterk humeuze klei met in de ondergrond zwak kleiig veen. Tijdens de uitvoering van het onderzoek zijn geen zintuigelijke waarnemingen gedaan aan de uitkomende grond die een aanwijzing zouden kunnen vormen voor bodemverontreiniging. In de bodem is geen bijmenging aangetroffen. De voormalige watergang ter plaatse van boring 01, 02 en 03 zijn in een tweetal raaien 3 boringen geplaatst. In de boorprofielen en op tekening is slechts 1 boorprofiel weergegeven omdat er geen aanwijzingen zijn dat de voormalige watergang gedempt is met bodemvreemde materialen. Ook is geen slib of zijn slib verdachte lagen aangetroffen.
Uit de analyseresultaten blijkt het volgende: • Zowel de boven- als ondergrond is niet tot hoogstens licht verontreinigd met PAK en/of molybdeen en voldoet bij indicatieve toetsing aan Regeling bodemkwaliteit 2022 aan klasse landbouw/natuur. • Het grondwater is gelegen op ca. 0.35-0.50 m-mv en is licht verontreinigd met barium er zijn geen verhoogde concentraties ten opzichte van de signaleringsparameters. (…) De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd gezien de aangetroffen lichte verontreinigingen. Voor de voorgenomen werkzaamheden vormt de bodemkwaliteit 26
op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering. Bij het samenstellen van de mengmonsters is voor de onverdachte grond afgeweken van de strategie verdachte locatie. De resultaten van de analyses bevestigen het beeld van de onverdachte grond. Nader onderzoek met een gewijzigde onderzoeksinspanning wordt niet noodzakelijk geacht.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bodem geen belemmeringen.
27
4.7 Water Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW043 (zie onderstaande afbeelding). Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,25 m NAP en een winterpeil van -1,28 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil van drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.
Afbeelding 5: Uitsnede peilgebiedenkaart
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. • Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2; 28
•
Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht.
Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden) op een kaal stuk grasland. De bebouwing en verharding neemt hierdoor toe. In onderstaande tabel is de verhardingsbalans weergegeven. Het plan voorziet in een toename van ca. 399 m2 aan verharding. Deze toename valt ruimschoots onder de eenmalige particuliere vrijstelling. De initiatiefnemer is voornemens gebruik te maken van deze vrijstelling. De afdeling vergunningen van het Waterschap zal beoordelen of men hier gebruik van kan maken. Tabel 2: Verhardingsbalans Bestaande situatie Verharding
(Circa) Oppervlakte 0 m2
Totaal bestaande situatie
0 m2
Nieuwe situatie Nieuwe twee-onder-een kapwoning (incl. garage en levensloopbestendige aanbouw) Veranda Terras Toegangsweg + parkeerplaatsen (halfverharding, 50% van 314 m2)
196,77 m2 16,8 m2 18,4 m2 157 m2
Totaal nieuwe situatie Verschil
388,97 m2 Toename 388,97 m2
Afbeelding 6: Uitsnede legger wateren (plangebied indicatief weergegeven)
Watergangen Ten noorden is de primaire watergang 111966 gelegen en ten oosten de tertiaire watergang 049270 (zie bovenstaande afbeelding). Langs de primaire watergang zit
29
een beschermingszone van 5m (groene zone). De bebouwing wordt volledig buiten deze watergangen en beschermingszones gerealiseerd. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een waterkering. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het Waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Het vuilwater van de woningen wordt gescheiden afgevoerd op het rioolstelsel. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het waterhuishoudkundige systeem geen belemmeringen.
30
4.8 Omgevingsveiligheid (externe veiligheid) Beleidskader De Omgevingswet is in vier AMvB’s uitgewerkt: 1. Omgevingsbesluit; 2. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); 4. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bij het beschouwen van omgevingsveiligheid/externe veiligheid bij ruimtelijke plannen is zonder meer het Bkl van toepassing. Het Bal en het Bbl kunnen aanvullend ook van toepassing zijn. Het Bkl: kwaliteitseisen Het Bkl stelt vergelijkbare eisen als het voormalige Bevi, Bevt en Bevb. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met risicobronnen, waarbij plannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Deze grenswaarde staat voor de meeste activiteiten voorgeschreven in het Bal, maar moet voor een aantal activiteiten rekenkundig worden bepaald. Daarnaast moet het bevoegd gezag rekening houden met de kans op 10 of meer slachtoffers (groepsrisico), maar hoeft deze kans niet per se kwantitatief te worden bepaald. Als hulpmiddel bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden straks drie typen aandachtsgebieden: • Brandaandachtsgebied (BAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 is.
Voor de nabijgelegen Betuweroute en snelweg A15 geldt een brandaandachtsgebied van 30 meter. Langs deze twee transportroutes, met relatief hoge vervoersintensiteiten, wordt het BAG van rechtswege omgezet in een brandvoorschriftengebied. • Explosieaandachtsgebied (EAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: ▪ een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; ▪ een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. • Gifwolkaandachtsgebied (GAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling. Het gifwolkaandachtsgebied wordt bij bedrijven per milieubelastende activiteit bepaald en wordt begrensd op maximaal 1.500 meter. Mogelijk gaat op termijn voor het spoor een GAG gelden; dit GAG wordt 300 meter. Het Bbl: eventuele maatregelen met betrekking tot Omgevingsveiligheid Het Bbl schrijft de bouwkundige maatregelen voor die gelden in een brandvoorschriftengebied en in een explosievoorschriftengebied.
• Voor brandaandachtsgebieden zijn de maatregelen gericht op de beperking van brandoverslag door aanstraling en op vluchtmogelijkheden: ▪ Een uitwendige scheidingsconstructie heeft een brandwerendheid van minstens 60 minuten; ▪ de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2; 31
het dak is bedekt met constructiematerialen die voldoen aan brandklasse A2; ▪ vluchtmogelijkheden van de bron af; ▪ het gebouw moet voldoen aan een bepaalde sterkte in geval van brand. Voor een explosieaandachtsgebied geldt artikel 4.96 Bbl. Dit betekent dat in een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing zodanig moet worden uitgevoerd, dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen. Voor gifwolkaandachtsgebieden geldt geen voorschriftengebied en gelden dus ook geen specifieke voorschriften. Wel geldt, net als in het Bouwbesluit, het algemene voorschrift dat mechanische ventilatie moet kunnen worden uitgeschakeld. ▪
•
•
Het Bal: activiteiten Het Bal beschrijft de voorschriften voor milieubelastende activiteiten. Met betrekking tot het plaatsgebonden risico staan voor activiteiten met een omgevingsrisico, zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl, afstanden opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Binnen deze afstand zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare terreinen niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare terreinen geldt deze afstand als een richtwaarde. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een twee-onder-een-kapvolume (twee wooneenheden) in de nabijheid van enkele voor de externe veiligheid relevante risicobronnen. Daarom is aan DGMR gevraagd deze bronnen de inventariseren en het plan te beoordelen in relatie met deze bronnen. Dit onderzoek is toegevoegd in de bijlage van deze onderbouwing. DGMR concludeert dat de meest relevante risicobronnen de Merwede-Lingelijn en aardgasleiding (W-528-01) zijn. Overige bronnen als de snelweg zijn op zo een afstand gelegen dat deze met hun aandachtsgebieden niet rijken tot het plangebied. Daarnaast doet DGMR een adviesvoorstel wat betreft de waarborging van de veiligheid, hierin wordt het volgende geconcludeerd: ‘4.1 Externe risico’s Het externe risico’s van beide risicobronnen is relatief laag.
De spoorlijn wordt niet of nauwelijks gebruikt voor het vervoer van geklasseerde stoffen, waardoor de ongevalskans zeer laag is. Aan het plaatsgebonden risico wordt voldaan en de kans op 10 of meer slachtoffers is minimaal. Voor de buisleiding W-528-01 wordt aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico voldaan en volgt uit een risicoberekening voor een nabijgelegen bestemmingsplan een groepsrisico van 0,027 keer de oriëntatiewaarde. 4.2 Bestrijdbaarheid De risicobronnen liggen beide aan de noordzijde van de Parallelweg. De nieuwe woningen vormen daarmee geen belemmering om het spoor of de gasleiding te bereiken. Omdat de enige ontsluiting van het perceel via de Parallelweg is, kunnen hulpdiensten bij een calamiteit echter de locatie niet bereiken over de weg. Onder de Parallelweg ligt een bluswaterleiding met op meerdere locaties aansluitingen, zodat een brand effectief kan worden bestreden. De meest nabijgelegen hydrant is ter plaatse van Parallelweg 112. Voor een fakkelbrand aan een hogedruk 32
aardgasleiding is bestrijding niet mogelijk vanwege de hitte in de omgeving van de ongevalslocatie. 4.3 Zelfredzaamheid De planlocatie ligt op een zodanige afstand van het spoor en de gasleiding dat er drie externe risico’s zijn: • een fakkelbrand van hogedruk aardgasleiding W-528-01; • een BLEVE als gevolg van een transport van gassen onder druk over het spoor; • een toxisch wolk als gevolg van een transport van giftige stoffen over het spoor. Bij ongunstige wind zou een toxische wolk afkomstig van het vervoer over de A15 of de Betuweroute ook tot de planlocatie kunnen reiken. In geval van een brand of een toxische wolk moet men naar binnen vluchten, ramen en deuren sluiten en ventilatie uit schakelen. Vanuit het Bbl is het kunnen uitschakelen van de ventilatie voorgeschreven. De woningen komen buiten de house burning distance te staan. De kans op brandoverslag bij een fakkelbrand aan de buisleiding is daardoor minimaal. Mocht het gebouw alsnog in brand geraken, kan men in de schaduw van de woning van de buisleiding af vluchten naar het zuiden. De mogelijkheden daarvoor zijn afhankelijk van de inrichting van het gebied ten zuiden van de planlocatie. Een explosie verloopt meestal zodanig snel dat er geen handelingsmogelijkheden zijn. Bij een dreigende BLEVE is de situatie afhankelijk van de afstand tot de ongevalslocatie.
Bij een korte afstand dient men te vluchten; bij 200 meter of meer kan men inpandig schuilen. Voor zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen is het van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet. De planlocatie ligt binnen het dekkingsgebied van het WAS. 4.4 Afweging bouwkundige maatregelen Omdat de twee-onder-één-kap woning binnen een brandaandachtsgebied en een explosieaandachtsgebied staat, moet het bevoegd gezag een afweging maken of zij het brandvoorschriftengebied en het explosievoorschriftengebied aanwijst. Omdat de woningen geen zeer kwetsbaar gebouw betreffen is zij niet verplicht het voorschriftengebied aan te wijzen. Rekening houdend dat: • het gebruik van de spoorlijn minimaal is en daardoor ook het externe risico; • de woningen buiten de house burning distance worden gerealiseerd. Stellen wij voor om zowel het brandvoorschriftengebied als het explosievoorschriftengebied niet aan te wijzen.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen.
33
4.9 Archeologie Beleidskader In paragraaf 5.1.5.5 en specifiek artikel 5.130 van het Bkl zijn regels opgenomen ten aanzien van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed wordt in een plan rekening gehouden met de bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde (archeologische) monumenten. Daarnaast is in het Bkl opgenomen dat het gebruik van monumenten wordt bevorderd en archeologische monumenten in stand gehouden moeten blijven, bij voorkeur in situ. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem).