Zuidelijke Stadsrand_Toelichting.pdf
Tekst van het document
In het centrale deel van het plangebied is een vondstcluster aangetroffen uit de prehistorie. Hier zijn meerdere vuursteenafslagen, een vuursteenkling, een decortificatieafslag en een fragment handgevormd aardewerk uit het Neolithicum of de Bronstijd gevonden. In dit gebied wordt een vindplaats uit de prehistorie verwacht. Tijdens het karterende booronderzoek is in het centrale deel van het plangebied een mogelijke archeologische vindplaats uit de prehistorie aangetroffen (afb. 5). In dit gebied is de podzolbodem relatief goed bewaard gebleven en kan een vondstspreiding van (vuursteen)artefacten verwacht worden. ADC ArcheoProjecten adviseert om, afhankelijk van de geplande verstoring in de mogelijke vindplaats, op twee methodes de mogelijke vindplaats te behouden, of anders te waarderen en verder te onderzoeken: »
»
Als in het gebied van de mogelijke vindplaats de bodemverstoringen beperkt blijven tot maximaal 40 cm -mv, kan de mogelijke vindplaats in situ behouden blijven. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door het familierestaurant en de boerenbongerd ca. 5 m in westelijke richting naar de Boekhorstlaan te verplaatsen, geen kabels- en leidingensleuven in het gebied aan te leggen en om het terrein niet te egaliseren. Als in het gebied van de mogelijke vindplaats verstoringen dieper dan 40 cm -mv plaatsvinden adviseert ADC ArcheoProjecten op de locaties die verstoord zullen worden een inventariserend veldonderzoek door middel van een waarderend booronderzoek uit te voeren. Zo kan bepaald kan worden tot waar de vindplaats zich uitstrekt en of er sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. Voor de uitvoering van het waarderend booronderzoek is een Plan van Aanpak noodzakelijk. Als er een behoudenswaardige vindplaats aangetroffen wordt en deze vindplaats zal verstoord worden, is een aanvullend waarderend onderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk (IVO-P). Hiermee wordt door middel van gravend onderzoek de mogelijke vindplaats verder onderzocht. De exacte invulling van het proefsleuvenonderzoek dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).
Buiten het gebied wat als vindplaats wordt aangemerkt zijn tijdens het karterende booronderzoek geen vondstclusters aangetroffen en worden geen archeologische vindplaatsen verwacht (afb. 5). Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen dit deel van het plangebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zo als aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
5
Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode
Afkorting
Tijd in jaren
Nieuwe tijd
NT XME LME VME ROM ROML ROMM ROMV IJZ IJZL IJZM IJZV BRONS BRONSL BRONSM BRONSV NEO NEOL NEOM NEOV MESO MESOL MESOM MESOV PALEO PALEOL PALEOM PALEOV
1500 - heden 450 - 1500 na Chr.
Middeleeuwen:
Late Middeleeuwen Vroege Middeleeuwen Romeinse tijd:
Laat-Romeinse tijd Midden-Romeinse tijd Vroeg-Romeinse tijd Ijzertijd:
Late IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege IJzertijd Bronstijd:
Late Bronstijd Midden-Bronstijd Vroege Bronstijd Neolithicum (jonge Steentijd):
Laat-Neolithicum Midden-Neolithicum Vroeg-Neolithicum Mesolithicum (Midden-Steentijd):
Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum Paleolithicum (Oude Steentijd):
Laat-Paleolithicum Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum Bron: Archeologisch Basis Register 1992
1050 - 1500 na Chr. 450 - 1050 na Chr. 12 voor Chr. - 450 na Chr. 270 - 450 na Chr. 70 - 270 na Chr. 12 voor Chr. - 70 na Chr. 800 - 12 voor Chr. 250 - 12 voor Chr. 500 - 250 voor Chr. 800 - 500 voor Chr. 2000 - 800 voor Chr. 1100 - 800 voor Chr. 1800 - 1100 voor Chr. 2000 - 1800 voor Chr. 5300 - 2000 voor Chr. 2850 - 2000 voor Chr. 4200 - 2850 voor Chr. 5300 - 4200 voor Chr. 8800 - 4900 voor Chr. 6450 - 4900 voor Chr. 7100 - 6450 voor Chr. 8800 - 7100 voor Chr. tot 8800 voor Chr. 35.000 - 8800 voor Chr. 300.000 - 35.000 voor Chr. tot 300.000 voor Chr.
6
1
Inleiding en administratieve gegevens In opdracht van Veluwe T ransferium Boekhorst B.V. heeft ADC ArcheoProjecten in september en oktober 2016 een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor de herontwikkeling van het gebied rondom de Boekhorstlaan te Harderwijk (gemeente Harderwijk). Het onderzoek bestond uit een karterend booronderzoek en betrof een vervolg op het in 2015 uitgevoerde bureau- en verkennend booronderzoek.1 Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door de A28 en de carpoolplaats Veluwe (zie fig. 1 en 2). De oostgrens van het plangebied wordt gevormd door de N302 en de zuidgrens door de Deventerweg. Het zuidwestelijk deel van het plangebied is een bosgebied. In het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied bevinden zich langs de Boekhorstlaan woningen en bijgebouwen met ten oosten daarvan graslanden. Het gebied zal worden herontwikkeld (afb. 3). Eerst zal de bestaande bebouwing gesloopt worden en wordt de huidige perceleringsstructuur gewijzigd. In het zuidwestelijke deel van het plangebied zal het huidige bosgebied gehandhaafd blijven. In dit deel van het plangebied zal een klimbos gerealiseerd worden met een nieuwe stalling voor fietsen en in het noordoosten van het bosgebied enkele boomhutten. In het gebied tussen de Boekhorstlaan en de snelweg zal een bedrijfsgebouw gebouwd worden.
Ten noorden van de entreelaan naar de carpoolplaats worden een familierestaurant en enkele andere gebouwen met een horecafunctie gebouwd. In het uiterste noordoosten van het plangebied is een kinderspeelterrein voorzien. In het centrale dele van het plangebied zal een zuidwest-noordoost georiënteerde parkeerplaats aangelegd worden. Haaks op de parkeerplaats is een grasveld voorzien. De verstoringsdiepte ter plaatse van de nieuwe bebouwing is nog niet precies bekend, maar bedraagt waarschijnlijk tussen de 30 en 70 cm -mv. Het plangebied ligt in een gebied waar een gemeentelijk archeologisch beleid is vastgesteld.2 Het westelijke en zuidelijke deel van het plangebied maakt op de archeologische beleidskaart van de gemeente Harderwijk deel uit van een zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In dit gebied is archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -mv. Het noordoostelijke deel van het plangebied maakt deel uit van een zone met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
In dit gebied is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm -mv.3 Ten behoeve van het verkrijgen van een omgevingsvergunning dient de initiatiefnemer een rapport te overleggen waarin naar oordeel van de bevoegde overheid de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld. In het kader van dit proces heeft het in dit rapport beschreven onderzoek plaatsgevonden. In Nederland dient het vaststellen van de archeologische waarde van een plangebied te gebeuren op grond van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 3.3).4
1 Archis-onderzoeksmeldingsnummer 3981801100, Goossens 2016.. 2 Boshoven, et al. 2010. 3 Ibid. 4 SIKB 2010.
7
De volgende administratieve gegevens zijn van toepassing: Opdrachtgever:
Fase AMZ-cyclus: Aanleiding: Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie: Kaartblad: Oppervlakte plangebied Coördinaten:
Bevoegde overheid met contactgegevens:
Deskundige namens de bevoegde overheid met contactgegevens:
ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer (CIS code): ADC-projectcode: Auteur: Projectmedewerker(s): Autorisatie: Periode van uitvoering: Beheer en plaats documentatie: Beheer en plaats digitale documentatie (edepot):
MLO Vastgoed BV Dhr. M. Lorist Louis Pasteurlaan 8 8271 CV IJsselmuiden 06-51850247 mark@mlovastgoed.nl Handelend namens: Veluwe Transferium Boekhorst B.V. Celsiusstraat 2 1704 RW Heerhugowaard inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek herontwikkeling Boekhorstlaan Harderwijk Harderwijk Gelderland 26H circa 4,3 ha NO: 172.560 Z 483.190 Z: 172.240 Z 482.840 ZW: 172.170 Z 482.870 W: 172.260 Z 483.020 Gemeente Harderwijk Mevr. C. van der Meulen 0341-414468 csvandermeulen@gmail.com Postbus 149 3840 AC Harderwijk Dhr. M. Wispelwey 0341 -474414 Z 06-12233533 mwispelwey@regionoordveluwe.nl Regio Noord Veluwe Postbus 271 3840 AG Harderwijk 4017238100 4180714 I.S.J. Beckers I.S.J. Beckers. R.M. van der Zee september en oktober 2016 ADC ArcheoProjecten bv, Amersfoort http:ZZdx.doi.orgZ10.17026Adans-x74-erw7
8
2
Vooronderzoek 2.1
Inleiding
In november en december 2015 is door RAAP Archeologisch Adviesbureau een gecombineerd bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd.5 Het bureauonderzoek heeft tot het volgende gespecificeerde verwachtingsmodel geleid (samengevat): In de top van de natuurlijke afzettingen (B- en C-horizont van het dekzand) geldt op basis van de ligging van het plangebied in een dekzandgebied een hoge archeologische verwachtingswaarde voor archeologische waarden uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen. Waarschijnlijk ligt de top van de natuurlijke afzettingen onder een esdek of cultuurdek op een diepte van 50 tot 100 cm -mv. De archeologische waarden uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum werden in de vorm van een jachtkampement verwacht, archeologische vindplaatsen uit de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen betreffen waarschijnlijk agrarische nederzettingen. Omdat op het historisch kaartmateriaal geen bebouwing in het plangebied is afgebeeld werden in het plangebied geen archeologische waarden uit de Nieuwe tijd verwacht. Om deze gespecificeerde verwachting in het veld te testen en om de intactheid van de bodem in het plangebied te onderzoeken is in het plangebied aansluitend aan het bureauonderzoek een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
2.2
Resultaten booronderzoek
Het booronderzoek is uitgevoerd op de locaties waar gebouwen gepland waren en bestond uit tien boringen, verspreid over het plangebied. Er waren in het noordoosten van het plangebied twee boringen gepland maar deze boringen konden niet uitgevoerd worden in verband met de daar aanwezige oppervlakteverharding. In de ondergrond van het plangebied is tijdens het booronderzoek dekzand aangetroffen. In het zuidwestelijke, beboste deel van het plangebied is een ca. 40 cm dik stuifzandpakket boven het dekzand aanwezig. In de meeste boringen is een (restant van een) intacte podzolbodem in de vorm van een A- of B-horizont aangetroffen, afgedekt door een ca. 20 cm dikke uitspoelingslaag en een ca. 20 cm dikke bouwvoor. In het gedeelte van het plangebied tussen de Boekhorstlaan en de snelweg was de bodem verstoord. Hoewel de opgeboorde grond is onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren, zijn bij het onderzoek geen archeologische resten aangetroffen.
2.3
Conclusies en advies
Op basis van de resultaten van het booronderzoek is geadviseerd om, als de bodemverstoring in het plangebied beperkt blijft tot 40 cm -mv, geen nader archeologisch onderzoek uit te voeren. Het gedeelte van het plangebied tussen de Boekhorstlaan en de snelweg lijkt verstoord te zijn geraakt en er is daarom geadviseerd om dit gedeelte van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Als het niet mogelijk was om de verstoringsdiepte aan te passen tot minder dan 40 cm -mv, werd geadviseerd om in het plangebied een karterend booronderzoek uit te voeren, volgens methode E1 uit de leidraad karterend booronderzoek.6 De bevoegde overheid is in haar selectiebesluit met het advies van het rapport akkoord gegaan.7
5 Goossens 2016 6 Tol, et al. 2012. 7 Informatie dhr. Wispelwey.
9
3
Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) 3.1
Plan van Aanpak
3.1.1 Inleiding Het doel van het inventariserende veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de resultaten van het voorgaande gecombineerde bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, zoals deze is geformuleerd in de paragrafen 2.2 en 2.3. Op maandag 25 september werd een Plan van Aanpak opgesteld, waarin de werkwijze van het onderzoek werd vastgelegd. Het karterende booronderzoek heeft als doel het plangebied systematisch te onderzoeken op het voorkomen van één of meerdere typen archeologische vindplaatsen. Het leidt tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen: » Zijn er indicatoren aangetroffen die verband houden met het verwachte type archeologische vindplaatsen? Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? » Alhoewel niet het doel van dit type kartering, zijn er bij toeval indicatoren aangetroffen die verband houden met andere typen vindplaatsen? Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? » In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische
verwachting worden bijgesteld? » In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? » Welke mogelijkheden zijn er voor behoud in situ? Wat zijn daarvoor de randvoorwaarden? » Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? 3.1.2 Uitvoeringsplan veldwerkzaamheden Voor het beantwoorden van de in par. 3.1.1 genoemde onderzoeksvragen is de volgende onderzoeksmethode toegepast Aantal boringen: Boorgrid: Diepte boringen: Boormethode: Bemonstering:
45 25 x 20 m grid tot 30 cm in de C-horizont Edelman met een diameter van 15 cm De podzolbodem (A-, E-, B- horizonten) en de basis van het cultuurdek worden bemonsterd. De genomen monsters worden gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 3 mm.
Deze methode is gebaseerd op de Leidraad inventariserend veldonderzoek, deel karterend booronderzoek van de SIKB methode E1, en heeft een betrouwbaarheid van 750Zo voor het opsporen van vindplaatsen met een brede archeologische verwachting qua datering en verschillende vondstcomplexen, een matig hoge vondstdichtheid en een oppervlakte van 500 m2 of meer. Vindplaatsen met een lage vondstdichtheid, een kleinere omvang, alsmede lineaire vindplaatsen en puntelementen kunnen hiermee niet worden gekarteerd.8
Versie 1.0 van deze leidraad is op 30 maart 2006 vastgesteld door het CCvD Archeologie. De geactualiseerde versie is op 4 december 2012 door Tol et al. 2012 gepubliceerd.
10
De bodemtextuur en archeologische indicatoren worden beschreven volgens SBB 5.1 van het NITG-TNO waarin ondermeer de standaard classificatie van bodemmonsters volgens NEN5104 wordt gehanteerd.9 De X- en Y-coördinaten worden ingemeten met een GPS met een nauwkeurig heid van 2 m. De hoogte van het maaiveld ter plaatse van de boringen is bepaald aan de hand van AHN-beelden. 3.1.3 Monsternameplan De podzolbodem (A-, E-, B- horizonten) en de basis van het cultuurdek worden bemonsterd. De genomen monsters worden gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Relevante archeologische indicatoren zullen worden bemonsterd en indien mogelijk globaal worden gedetermineerd.
3.2
Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)
3.2.1 Omstandigheden Het onderzoek is uitgevoerd aan het einde van een droge periode in september. De delen van het plangebied met veel vegetatie waren tijdens het booronderzoek sterk verdroogd. Het betreft hier voornamelijk het bosgebied in het zuidwesten van het plangebied. Door de relatief droge bovengrond was het moeilijk om in het sediment lagen te herkennen; vaak is alleen de overgang van de humeuze bovengrond naar de gele C-horizont herkend. Het is daarom mogelijk dat dit gebied niet zo verstoord is als in het booronderzoek geconstateerd is. Boring 35 kon vanwege de hier aanwezige asfaltverharding niet gezet worden. Op basis van de aangrenzende boorpunten wordt verwacht dat dit gebied verstoord is geraakt. 3.2.2 Lithologische beschrijving en interpretatie De locatie van de boringen is weergegeven in afb. 4. De boorgegevens worden gepresenteerd in bijlage 1. In een groot deel van het plangebied is (een restant van) een podzolbodem in de top van het dekzandpakket aangetroffen. De ondergrond van het plangebied bestaat uit een lichtgrijze tot gele C-horizont. De basis van de podzolbodem bestaat uit een ca. 10 cm dikke geelbruine BC-horizont met enkele roestvlekken. Boven de BC-horizont is een 10 tot 25 cm dikke B-horizont of inspoelingshorizont aangetroffen. De B-horizont heeft een bruine kleur, is sterk roestig en zwak humeus.
De top van de podzolbodem bevindt zich beneden ca. 35 tot 90 cm -mv. De oorspronkelijk aanwezige E-horizont (uitspoelingshorizont) en de A-horizont (oorsponkelijke humeuze bovengrond) zijn in een groot deel van het plangebied verstoord geraakt. De E-horizont heeft een lichtgrijze kleur en is 10 tot 25 cm dik. De A-horizont is donkergrijs en sterk humeus. In de boringen 13, 14 en 24 is de E-horizont aangetroffen In de boringen 14 en 16 is een intacte Ahorizont waargenomen. In de boringen 21 en 22 zijn in de A-horizont uitgeloogde zandkorrels aangetroffen waardoor deze laag als een AE-horizont geïnterpreteerd wordt. In het zuidwestelijke deel van het plangebied is een laag stuifzand boven op het dekzandpakket aangetroffen. Deze laag stuifzand reikt tot 70 á 90 cm -mv. In de boringen 17 en 18 ligt de laag stuifzand direct op de C-horizont van het dekzand. Hier is sprake van een erosie van de oorspronkelijke podzolbodem. In de bovengrond is een homogeen, donkergrijs gekleurd matig humeuze zandlaag aangetroffen. Deze zandlaag is geïnterpreteerd als omgewerkte grond. In de humeuze laag zijn baksteenfragmenten, puinresten en een fragment recent vensterglas aangetroffen. In het zuidelijke en noordelijke deel en langs de westelijke rand van het onderzochte gebied is de laag omgewerkte grond boven de C-horizont aangetroffen (afb. 4). In deze gebieden is de podzolbodem verstoord geraakt.
Bosch 2005; Normalisatie-Instituut 1989.
11
3.2.3 Archeologische indicatoren De podzolbodem (A-, E-, B- horizonten) en de basis van het cultuurdek zijn per boring bemonsterd. De genomen monsters zijn gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Het zeefresidu is doorzocht op de aanwezigheid van determineerbare archeologische indicatoren. Tijdens het onderzoek zijn een aantal archeologische indicatoren aangetroffen (tabel 2 en afb. 4); Tabel 2. Archeologische indicatoren en vondsten Oorsprong
Diepte cm-
x
mv
(mRD)
Boring 7 Boring 8 Boring 9
60 tot 90 55 tot 80 50 tot 70
Boring 21 Boring 22
Boring 33 Boring 41
Omschrijving10
Datering
172399 483104 172330 482984 172345 483003
Vuursteenafslag, oranjebruine vuursteen Vuursteenafslag, grijze vuursteen Wandfragment Siegburg-steengoed
50 tot 100
172400 483040
65 tot 100
172415 483059
Vuursteenafslag en kling, oranjebruine vuursteen Twee vuursteenafslagen en een decortificatieafslag, oranjebruine vuursteen Handgevormd aardewerk, kwartsmagering Twee fragmenten roodbakkend, geglazuurd aardewerk
Prehistorie Prehistorie Late Middeleeuw en Prehistorie
50 tot 80 35 tot 50
y (mRD)
172454 483076 172478 483074
Twee vuursteenafslagen, grijze vuursteen Wandfragment roodbakkend, ongeglazuurd aardewerk
Prehistorie
Neolithicum -Bronstijd Late Middeleeuw en-Nieuwe tijd Prehistorie Nieuwe tijd
In het plangebied is een relatief groot aantal vuursteenartefacten aangetroffen. Het betreft hier voornamelijk kleine fragmenten en het is daarom niet mogelijk om de artefacten nader te dateren dan de prehistorie. Er is een cluster van vuursteenartefacten van oranjebruine en grijze vuursteen aanwezig rondom de boringen 21, 22 en 33. Waarschijnlijk is hier nog een vindplaats uit de prehistorie aanwezig. In het zeefmonster van boring 22 is een fragment handgevormd aardewerk met een kwartsmagering uit het Neolithicum of uit de Bronstijd aangetroffen. De vuursteenartefacten zijn mogelijk gelijktijdig aan het fragment handgevormd aardewerk. In boring 7 is een vuursteenafslag aangetroffen en omdat het hier een fragment oranjebruine vuursteen betreft strekt de vindplaats zicht mogelijk ook tot in dit gebied uit. In dit gebied bevindt de top van de podzolbodem zich op een diepte variërend van 50 tot 65 cm -mv (6,46-6,97 m + NAP). Het vuursteenfragment in boring 8 bevindt zich in een grotendeels verstoord gebied en maakt geen deel uit van een vondstcluster. In dit deel van het plangebied wordt daarom geen vindplaats verwacht. In de zeefmonsters zijn ook nog enkele aardewerkfragmenten uit de Late Middeleeuwen (fragment Siegburg-steengoed) en de Nieuwe tijd (roodbakkend aardewerk) aangetroffen. Deze vondsten maken geen deel uit van een cluster.
Waarschijnlijk zijn deze aardewerkfragmenten uit de afdekkende omgewerkte laag afkomstig. Waarschijnlijk is de omgewerkte laag door bewerking van de bovengrond (ploegen etc.) ontstaan.
10
Determinatie I.S.J. Beckers en A. Muller
12
3.3
Conclusies
De in paragraaf 3.1.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: »
Zijn er indicatoren aangetroffen die verband houden met het verwachte type archeologische vindplaatsen? Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren?
In het centrale deel van het plangebied is een cluster met vuursteenartefacten aangetroffen. Deze cluster bevindt zich rondom de boringen 21, 22 en 33 met een mogelijke uitbreiding in noordelijke richting naar boring 7. De vuursteenartefacten bestaan voornamelijk uit afslagen, maar ook een kleine kling en een decortificatieafslag. In dit gebied is een fragment handgevormd aardewerk uit het Neolithicum of de Bronstijd aangetroffen. De vuursteenartefacten kunnen vanwege de relatief kleine omvang niet nader gedateerd worden dan uit de prehistorie. In dit gebied bevindt de top van de podzolbodem zich op een diepte variërend van 50 tot 65 cm -mv (6,46-6,97 m + NAP). De podzolbodem is in dit deel van het plangebied relatief goed bewaard is gebleven en daarom kan in dit deel van het plangebied een vondstspreiding van (vuursteen)artefacten verwacht worden. Tijdens het onderzoek zijn ook enkele aardewerkfragmenten aangetroffen uit de Late middeleeuwen of Nieuwe tijd, deze fragmenten lijken echter geen deel uit te maken van een vondstcluster en/of een vindplaats. »
Alhoewel niet het doel van dit type kartering, zijn er bij toeval indicatoren aangetroffen die verband houden met andere typen vindplaatsen? Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Tijdens het onderzoek zijn ook enkele aardewerkfragmenten aangetroffen uit de Nieuwe tijd. Op basis van het bureauonderzoek werd in het plangebied geen vindplaats uit de Nieuwe tijd verwacht.11 Waarschijnlijk is de bovengrond tijdens de Nieuwe tijd of recent omgewerkt en zijn de aardewerkfragmenten uit de Nieuwe tijd tijdens bemesting in het gebied opgebracht.
»
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De hoge archeologische verwachtingswaarde op basis van het verkennende booronderzoek is terecht; in het centrale deel van het plangebied is een vondstcluster van vuursteenartefacten en dus een vindplaats uit de prehistorie aangetroffen. Het noordelijke, zuidelijke deel en de westrand van het onderzochte gebied zijn waarschijnlijk verstoord geraakt. Hier kan de archeologische verwachtingswaarde naar laag worden bijgesteld. Buiten de vondstcluster in het centrale deel van het plangebied zijn geen andere vondstclusters aangetroffen en daarom worden buiten de vondstcluster geen archeologische waarden verwacht. »
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De aangetroffen resten en de verwachte vondstspreiding van vuursteenartefacten bevinden zich beneden 50 cm -mv. Op afb. 5 is de locatie van de vindplaats ten opzichte van de geplande ontwikkeling weergegeven. In dit gebied zijn voornamelijk parkeerplaatsen gepland, maar in het zuidwestelijke deel van het cluster zal het familierestaurant gebouwd worden met ten noorden Goossens 2016
13
daarvan een boerenbongerd (boomgaard). Als in het gebied bouwactiviteiten ontplooid worden, bomen worden geplant of kabels- en leidingensleuven gegraven worden, kan de vindplaats verstoord worden. Waarschijnlijk zal het plaatsen van een asfaltverharding niet diep genoeg reiken om de archeologische waarden te verstoren. Dit is wel afhankelijk van of het gebied voor de plaatsing van de parkeerplaatsen nog geëgaliseerd gaat worden, dan kan er wel een verstoring aan de vindplaats plaatsvinden. » Welke mogelijkheden zijn er voor behoud in situ? Wat zijn daarvoor de randvoorwaarden? Als het familierestaurant en de boerenbongerd ca. 5 m in westelijke richting naar de Boekhorstlaan verplaatst wordt, onder de parkeerplaatsen op de locatie van de vindplaats geen kabels- en leidingensleuven gegraven worden, en als het terrein voor het aanbrengen van een asfaltverharding niet geëgaliseerd gaat worden, kan de vindplaats in situ bewaard blijven (afb. 5). »
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Als op de locatie van de vindplaats bodemverstoringen dieper dan 40 cm -mv plaats zullen vinden, is verder archeologisch onderzoek noodzakelijk. Een goede onderzoeksmethode is het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek om te achterhalen of de verwachte archeologische vindplaats goed bewaard is gebleven, wat voor type vindplaats verwacht kan worden en wat de datering van de vindplaats is. Op basis van het karterende booronderzoek is al een goede begrenzing van de vindplaats mogelijk, als echter op een specifieke plaats (zoals bijvoorbeeld het familierestaurant) de begrenzing van de vindplaats precies bepaald moet worden, kan een waarderend booronderzoek uitgevoerd worden.
4
Aanbeveling Tijdens het karterende booronderzoek is in het centrale deel van het plangebied een mogelijke archeologische vindplaats uit de prehistorie aangetroffen (afb. 5). In dit gebied is de podzolbodem relatief goed bewaard gebleven en kan een vondstspreiding van (vuursteen)artefacten verwacht worden. ADC ArcheoProjecten adviseert om, afhankelijk van de geplande verstoring in de mogelijke vindplaats, op twee methodes de mogelijke vindplaats te behouden, of anders te waarderen en verder te onderzoeken: »
»
Als in het gebied van de mogelijke vindplaats de bodemverstoringen beperkt blijven tot maximaal 40 cm -mv, kan de mogelijke vindplaats in situ behouden blijven. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door het familierestaurant en de boerenbongerd ca. 5 m in westelijke richting naar de Boekhorstlaan te verplaatsen, geen kabels- en leidingensleuven in het gebied aan te leggen en om het terrein niet te egaliseren. Als in het gebied van de mogelijke vindplaats verstoringen dieper dan 40 cm -mv plaatsvinden adviseert ADC ArcheoProjecten op de locaties die verstoord zullen worden een inventariserend veldonderzoek door middel van een waarderend booronderzoek uit te voeren. Zo kan bepaald kan worden tot waar de vindplaats zich uitstrekt en of er sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. Voor de uitvoering van het waarderend booronderzoek is een Plan van Aanpak noodzakelijk. Als er een behoudenswaardige vindplaats aangetroffen wordt en deze vindplaats zal verstoord worden, is een Inventariserend VeldOnderzoek door middel van een Proefsleuvenonderzoek noodzakelijk (IVO-P). Hiermee wordt door middel van gravend onderzoek de mogelijke vindplaats verder onderzocht. De exacte invulling van het proefsleuvenonderzoek dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).
Buiten het gebied wat als vindplaats wordt aangemerkt zijn tijdens het karterende booronderzoek geen vondstclusters aangetroffen en worden geen archeologische vindplaatsen verwacht (afb. 5). Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen dit deel van het plangebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zo als aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
14
Literatuur Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport NITG 05-043-A). Boshoven, E.H., L.J. Keunen & E. Goossens, 2010: Gemeente Harderwijk, een actualisatie en herziening van de archeologische verwachtings- en beleidskaart. Weesp (RAAP-rapport 2050). Goossens, E., 2016: Plangebied Boekhorstlaan, gemeente Harderwijk; archeologisch vooronderzoek: een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek. Weesp (RAAPnotitie 5410). Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. SIKB, 2010: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Landbodems. Gouda. Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen & M. verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend booronderzoek; Deel: karterend booronderzoek.
Geraadpleegde websites http://www.ahn.nl/pagina/apps-en-tools/viewer.html
Lijst van afbeeldingen en tabellen Afb. 1 Locatie van het plangebied Afb. 2 Detailkaart van het plangebied Afb. 3 Geplande ontwikkelingen Afb. 4 Boorpuntenkaart Afb. 5 Locatie van de verwachte vindplaats ten opzichte van de geplande ontwikkelingen. Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Tabel 2. Archeologische indicatoren en vondsten
15
HULSHORST HIERDEN
HARDERWIJK
2500 m
'©•A0G-2O1:euīien 165000
170000
175000
180000
Afb. 1 Locatie van het plangebied
16
vTLT?**.
«pm
Û 172200
172300
172400
172500
172600
Legenda Grens van het plangebied
^řb. 2 Detailkaart van het plangebied
17
Is. klim-bos, zip line adventure
*T.4
11
«ş *»
INDICATIEVE VERBEELC
at.*.
VOORLOPIG INRICHTINC De Reqt Danz ARCHITECTUUR tt LANDS
©ADC 2016 172200
72300
172400
72500
Legenda Grens van het plangebied
Afb. 3 Geplande ontwikkelingen
482900
483000
483100
483200
18
©ADC 2016 172200
172300
172400
172500
Legenda Verstoorde bodem
Intacte podzol bodem
Eén of meerdere vuursteenfragmenten
Vuursteenfragmenten, handgevormd (waarsch. Bronstijd) en roodbakkend aardewerk (Nieuwe tijd)
Aardewerkfrag ment uit de Late Middeleeuwen (Siegburg) of uit de Nieuwe tijd (roodbakkend)
Boring niet uitvoerbaar vanwege oppervlakteverharding
Grens van het plangebied
Zone waarin een vindplaats uit de prehistorie verwacht wordt
Afb. 4 Boorpuntenkaart
19
ĴSP Is. klim-bos. zip line adventure
i*. **** íikťi »x.. .
INDICATIEVE VERBEELC VOORLOPIG INRICHTINC De Reqt Danz ARCHITECTUUR Ã LANDS
© ADC 2016 172200
172300
17240:
72500
Legenda Grens van het plangebied Locatie van de vindplaats uit de prehistorie
Afb. 5 Locatie van de verwachte vindplaats ten opzichte van de geplande ontwikkelingen.