CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Zuidelijke Stadsrand_Toelichting.pdf

Commissie Ruimte 5 januari 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Bestemmingsplan zuidelijke stadsrand30.887 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Zuidelijke Stadsrand

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

5

Inleiding

1.1

Aanleiding

5

1.2

Doel

5

1.3

Plangebied

6

1.4

De bij het plan behorende stukken

6

1.5

Leeswijzer

6

Hoofdstuk 2

Huidige situatie

9

2.1

Ontstaansgeschiedenis

9

2.2

Beschrijving bestaande functies

10

Hoofdstuk 3

Beleidskader

15

3.1

Algemeen

15

3.2

Ruimtelijk beleid

15

3.3

Woonbeleid

18

3.4

Archeologie en monumentenbeleid

20

3.5

Welstandsbeleid

20

3.6

Milieubeleid

21

3.7

Bodembeleid

21

3.8

Waterbeleid

21

3.9

Groenbeleid

24

3.10 Verkeers- en vervoersbeleid

25

3.11 Economisch beleid

25

Hoofdstuk 4

Planbeschrijving

27

4.1

Inleiding

27

4.2

Uitgangspunten

27

4.3

Gewijzigde bestemmingen in dit bestemmingsplan

27

Hoofdstuk 5

Onderzoek

31

5.1

Algemeen

31

5.2

Cultuurhistorie en archeologie

31

5.3

Ecologie

33

5.4

Watertoets

34

5.5

Milieu

35

5.6

Kabels en leidingen

44

2

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 Hoofdstuk 6

Juridische aspecten

47

6.1

Inleiding

47

6.2

Algemene uitgangspunten

48

6.3

Verantwoording Handboek Harderwijk

48

6.4

Bestemmingsbepalingen

49

6.5

Handhaving

52

Hoofdstuk 7

Economische uitvoerbaarheid

55

Hoofdstuk 8

Inspraak en overleg

57

8.1

Inspraak

57

8.2

Vooroverleg

57

8.3

Zienswijzen

57

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1

Milieugebiedsvisie Tonsel

Bijlage 2

Milieugebiedsvisie Zuidelijke Stadsrand

Bijlage 3

Themakaart Water

Bijlage 4

Karterend archeologisch onderzoek Boekhorstlaan

Bijlage 5

Rapport externe veiligheid

Bijlage 6

Advies externe veiligheid

Bijlage 7

Nota Inspraakreacties

Bijlage 8

Nota Vooroverlegreacties

Bijlage 9

Eindverslag zienswijzen

3

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

4

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Toelichting Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

De gemeente Harderwijk is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht om voor haar hele grondgebied bestemmingsplannen vast te stellen. Het bestemmingsplan is een bijzonder plan. Het is namelijk een bindend plan voor zowel overheid als burgers. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. Ze wijst daarin de bestemming, ofwel functie van de grond aan. Ook geeft het bestemmingsplan regels over het gebruik van de grond en hetgeen daarop gebouwd is (bouwwerken). Bouwvergunningen moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan bepaalt daardoor mede of ergens gebouwd mag worden. Harderwijk werkt aan een actualisering van haar bestemmingsplannen. De huidige bestemmingsplannen zijn op onderdelen verouderd en sluiten niet meer goed aan op nieuwe (maatschappelijke) ontwikkelingen en nieuwe inzichten ten aanzien van plan methodiek en bestemmingsplanregeling. Met de actualisatie wordt het mogelijk de planologische regels af te stemmen op de huidige en toekomstige situatie en te uniformeren door middel van standaardisatie. Hiermee wordt de lappendeken aan plannen en regelingen (veelal binnen dezelfde wijk) opgeruimd en ontstaat uiteindelijk meer rechtsgelijkheid en rechtszekerheid voor de bewoners van Harderwijk. Ten behoeve van de actualisering is het "Handboek actualisering bestemmingsplannen" opgesteld.

Dit Handboek reikt een algemene plansystematiek aan, op basis waarvan de nieuwe bestemmingsplannen kunnen worden opgesteld. Na de woonwijken en bedrijventerreinen is het bestemmingsplan "Zuidelijke Stadsrand" een volgend plan binnen dit actualiseringsproces. De actualisering van de bestemmingsplannen wordt tevens aangegrepen om de bestemmingsplannen te digitaliseren. Met de digitalisering worden de mogelijkheden voor burgers om de plannen te raadplegen verbeterd. Verder wordt hierdoor het uitwisselen van plannen binnen de gemeente en met andere overheden sterk vereenvoudigd. Van het bestemmingsplan wordt een digitale kaart gemaakt. Het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO) is hiervoor de standaard. Door deze kaart te koppelen aan de planregels, kan het bestemmingsplan, zowel (digitaal) aan de balie als va het internet, direct worden geraadpleegd.

1.2

Doel

Het belangrijkste doel van het op te stellen bestemmingsplan "Zuidelijke Stadsrand" is het scheppen van een actueel, helder en toegankelijk ruimtelijk kader. Binnen dit kader is een balans gevonden tussen enerzijds het creëren van voldoende mogelijkheden om de woon en/of werkomgeving en openbare ruimte flexibel in te richten en anderzijds het bieden van voldoende rechtszekerheid ten behoeve van de handhaving van bestaande gebruik- en bouwrechten. Het bestemmingsplan is in hoofdzaak conserverend van karakter.

Het bestemmingsplan "Zuidelijke Stadsrand" vervangt bij inwerkingtreding delen van de onderstaande bestemmingsplannen:

Naam bestemmingsplan

Datum onherroepelijk

Drielanden 1989

01-12-1993

Geluidwerende voorzieningen Rijksweg 28, deel 1

onbekend

Hoofdwegenstructuur (deelplan Harderwijkerweg-verlengde Ceintuurbaan)

06-09-1999

Drielanden Oost

17-04-2000

Stadsweiden

17-06-2011

5

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 Buitengebied der gemeente Ermelo

onbekend

Omgeving Groene Zoomweg - Harderwijkerweg

16-12-2005

Tweelingstad 1973

19-02-1975

Buitengebied 2005

09-11-2005

N302

16-06-2008

Buitengebied - Hotel Van der Valk

29-11-2012

Leuvenumseweg - Noord

05-07-1999

Walstein 2B

19-09-1990

Stationsomgeving

14-01-2015

1.3

Plangebied

Het plangebied omvat de A28 en aangrenzende gronden, zoals het woongebied Weisteeg, locatie Post en omgeving, de woningen aan de Fazantlaan en Eekhoornlaan, Hotel Van der Valk, locatie Boekhorstlaan en de ten noorden van de A28 gelegen omgeving Zandlaan. De recreatieterreinen die ten zuiden van de Ceintuurbaan zijn gelegen en die in particulier eigendom zijn vallen buiten het plangebied. MS

.v-*-

Ž İķ'rj

y?'~fīčZ

'į ^

1.4

'Ma ..

WēĒĒĒĒĒİ

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Zuidelijke Stadsrand" heeft als IMRO-idn NL.IMRO.0243.BP00163-0003 en bestaat uit een gml-bestand, regels en een toelichting. Het gml-bestand kent een analoge en digitale verbeelding. De analoge versie van het plan betreft een boekje met kaarten (PDF of hardcopy). De digitale versie is te raadplegen via de landelijke voorziening (www.ruimtelijkeplannen.nl). De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in samenhang gelezen te worden. Indien er verschil bestaat tussen de analoge en de digitale verbeelding, gaat de digitale verbeelding voor. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld. De toelichting van dit bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een onderdeel van het plan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen en doet verslag van het onderzoek dat aan het bestemmingsplan vooraf is gegaan. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

1.5

Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan "Zuidelijke Stadsrand" bestaat uit de volgende hoofdstukken: * * *

in hoofdstuk 2 wordt de huidige situatie beschreven. Achtereenvolgens komen de ontstaansgeschiedenis en de bestaande functies aan bod. in hoofdstuk 3 wordt een schets gegeven van het beleidskader dat van belang is voor het functioneren van het plangebied; in hoofdstuk 4 wordt de planopzet behandeld. Hierin wordt beschreven welke ruimtelijke visie de gemeente voorstaat met de "Zuidelijke Stadsrand" en hoe dat wordt vertaald in het

6

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

» «

» »

bestemmingsplan. Hier wordt aangegeven hoe met de bestaande situaties wordt omgegaan en welke ontwikkelingen eventueel nog mogelijk zijn; in hoofdstuk 5 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan bod; Aan de orde komen zaken als archeologie, ecologie, water en milieu; in hoofdstuk 6 worden kort de verschillende neergelegde bestemmingen, de juridische planopzet, behandeld en wordt verantwoording gegeven van het gebruik van de standaarden voor bestemmingsplannen in Harderwijk; in hoofdstuk 7 wordt ingegaan op het kostenverhaal en de economische uitvoerbaarheid van het plan; de toelichting wordt afgesloten met hoofdstuk 8 waarin wordt ingegaan op het proces van inspraak en vooroverleg in relatie tot dit bestemmingsplan.

7

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

8

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige situatie

Ontstaansgeschiedenis

Harderwijk en omgeving worden sinds de prehistorie bewoond. De geschiedenis en ontwikkeling van Harderwijk laat veel aspecten en perioden zien. Zo verleende Graaf Otto van Gelre en Zutphen al op 11 juni 1231 stads- en marktrechten aan 'Herderewich'. Harderwijk groeide uit van agrarische nederzetting tot handelsplaats. Aan de handel, industrie en het toerisme dankt Harderwijk zijn snelle groei. Het plangebied lag een eeuw geleden nog ruim buiten de bebouwde kom van Harderwijk aan de zuidzijde van de in 1864 geopende spoorlijn Utrecht-Kampen. Het stedelijk gebied van Harderwijk bestond tot en met de tweede wereldoorlog bijna uitsluitend uit het gebied dat "binnen de wallen en de stadsmuur" is gelegen; dus de huidige binnenstad. Daarna zijn langzaamaan de omliggende wijken gerealiseerd. Met betrekking tot de aanleg van de A28 kan worden vermeld dat het traject tussen Amersfoort en Zwolle het oudste deel is. Het allereerste 2x2-deel van de A28 opende op 22 oktober 1962 tussen Harderwijk en Elspeet. Dit was het eerste snelwegtraject van de gehele rijksweg 28 tussen Utrecht en Groningen. Het deel tussen Nijkerk - Harderwijk is geopend in 1967. Later is parallel aan de A28 de Ceintuurbaan gerealiseerd als verbinding tussen de provinciale wegen N302 en N303. De steeds maar toenemende automobiliteit heeft veel negatieve milieueffecten voor bewoners van het gebied.

Onderstaande foto's geven een beeld van Harderwijk in 1961 en 1981.

Wåå

9

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 “ļP"

USB a m*

wm sas?

2.2 Beschrijving bestaande functies 2.2.1

Wonen en werken

In het gebied zijn verschillende woon en werkfuncties aanwezig. De woonhuizen staan voornamelijk aan de oude wegenstructuren van voor de aanleg van de Ceintuurbaan en/of A28, te weten de Weisteeg, Eekhoornlaan, Fazantlaan en de Boekhorstlaan. De Weisteeg is een beeldbepalende weg geflankeerd door bijzondere bomen en vrijstaande woningen op ruime kavels. De karakteristieke villa's aan de Eekhoornlaan/ Fazantlaan bevinden bevnden zich in een bosachtige setting. De woningen aan de Boekhorstlaan zijn van oorsprong agrarische bedrijfswoningen die veelal niet meer als zodanig in gebruik zijn. Daarnaast bevinden zich nog enkele bedrijfsfuncties in het plangebied, zoals opslag- en transportbedrijf Post met omliggende gronden, de 'Stadsentree Boekhorstlaan' tussen de Ceintuurbaan en de oprit naar de A28 en de bij het kruispunt N302/A28 gesitueerde carpoolterrein/transferium P-Veluwe. Bij de aansluiting van de Eekhoornlaan op de Strokelweg bevindt zich nog het eethuisje 'De Bosrand'. Aan de overzijde van de gerealiseerde ovatonde ligt hotel Van der Valk en het buiten het plangebied liggende Bouw- en Infrapark. De strook grond tussen de Ceintuurbaan en de A28 bestaat voornamelijk uit bos met een paar weilandjes alwaar vanaf de A28 de Veluwe duidelijk waarneembaar is.

Tenslotte bevindt zich ten noorden van de A28 aan de Zandlaan nog een terrein met enkele houthandelsbedrijven en kantoren ten behoeve van nutsbedrijven (voormalig Vitensterrein). De bereikbaarheid van dit gebied is momenteel slecht aangezien de enige mogelijkheid om de Zandlaan te bereiken via de woonwijk Wittenhagen is.

2.2.2 Verkeer en Vervoer Ceintuurbaan Alle wegen buiten de bebouwde kom in eigendom van de gemeente Harderwijk zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen buiten de bebouwde kom (verblijfsgebied met een 60 km/uur-regime), met uitzondering van de Ceintuurbaan en de Groene Zoomweg. Deze wegen zijn gecategoriseerd als ‘gebiedsontsluitingsweg verbijzonderd’ (die weliswaar ook een 60 km/uur-regime kennen maar die niet tot het verblijfsgebied kunnen worden gerekend). De Ceintuurbaan vormt een erfontsluitingsfunctie voor de aanliggende percelen. Het snelheidsregime is hierop afgestemd en bedraagt 60 km/u. De gemeten gemiddelde rijsnelheid bedraagt tussen 61 en 70 km/u.

10

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 Werkdagsnelheid 31 t/m SCI

VV&büíglaâft

Harderwijk

Mfíl*'enbįį

15Ü yd |®2űi5To

Dat betekent dat een deel van de weggebruikers te hard rijdt op deze weg. Naast de erfontsluitingsfunctie vormt deze route door zijn ligging een verbinding tussen de Deventerweg/ N302/ Leuvenumseweg en de Harderwijkerweg/ N303. De route vormt hierdoor ook een schakel in de gemeentelijke wegenstructuur. Tevens wordt de route ook gebruikt voor (boven) regionale ontsluiting. Deze mix van functies vormt een spanningsveld. De uiteindelijke keuze voor de categorisering als erfontsluitingsweg in plaats van een gebiedsontsluitingsweg heeft te maken met het borgen van: » « » » » «

de verkeersveiligheid; huidige vormgeving/ruimte beslag; huidig gebruik door verschillende verkeersdeelnemers; aanwezigheid van verschillende erfaansluitingen en fietsoversteken; aanwezigheid van landbouwverkeer/brommobielen; terugdringen van de barrière functie.

In de huidige categorisering wordt voorkomen dat de Ceintuurbaan een barrière vormt tussen de stad en de Veluwe en het sportpark Strokel. Barrièrewerking van een weg wordt bepaald door de verkeersintensiteit en rijsnelheid. Door de keuze voor een 60 km/u weg wordt voorkomen dat er te hoge snelheidsverschillen bij de aansluitingen optreden onder het gemotoriseerde verkeer of op de wegvakken onderling in het geval van landbouwverkeer en brommobielen. Naast een vrijliggend fietspad zijn er op twee locaties gelijkvloerse fietsoversteken, waaronder een oversteek die een onderdeel vormt van de hoofdfietspadenstructuur in Harderwijk. Een fietstunnel verbindt het fietsverkeer op de Ceintuurbaan met de wijk Wittenhagen. De weg vormt een route voor landbouwverkeer omdat een ander veilig alternatief niet voorhanden is. Voor brommobielen is er een alternatieve route door Harderwijk aanwezig. De N302/ Leuvenumseweg is een belangrijke provinciale weg die Gelderland met Flevoland verbindt. De capaciteit van de weg is in 2010 vergroot. Deze weg heeft vrij liggende fietspaden.

Zandlaan In de huidige vormgeving wordt de Zandlaan ontsloten via de Heemskerklaan en/of Van Speyklaan. Een alternatief qua ontsluiting van de Zandlaan (Parallelweg) is een aansluiting op de N302/ A28.

11

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Alternatieve aansluitingen Het aansluiten van de Zandlaan op de rijksweg A28 is een optie die niet erg haalbaar wordt geacht. Immers hanteert Rijkswaterstaat (RWS) het beleid om geen nieuwe aansluitingen aan te leggen of een nieuwe aansluiting enkel aan te leggen indien een bestaande aansluiting vervalt. Bij de ontwikkeling van de N302 is beoordeeld in de MER of een doortrekking van de Newtonweg naar de N302 een alternatief was op een verdubbeling van de huidige verkeerscapaciteit N302. Uit verkeersonderzoek bleek destijds dat slechts een klein deel van het verkeer door de genoemde route wordt afgevangen en dus daarmee geen alternatief. (Dit nog los van de problematiek/ toezeggingen aan de inwoners van Hierden). Een aansluiting van de Zandlaan en/of Parallelweg op de N302 vraagt het nodige ruimtebeslag, aanpassing aan de (spoor)viaducten en dus de nodige kosten. Om deze reden en om de reden dat een aansluiting dicht op de op- en afritten van de A28 de verkeersdoorstroming frustreert op de hoofdroute N302, maakt een aansluiting minder kansrijk. Nader verkeersonderzoek op basis van het verkeersmodel en ontwerp (qua ruimtebeslag) brengen de consequenties van een aansluiting op de N302 in beeld.

Parkeren De in het plangebied aanwezige woningen en bedrijven moeten op eigen terrein in de parkeerbehoefte voorzien.

Fietsen Het plangebied kent veel vrijliggende fietsverbindingen. Vrijwel geen enkele weg heeft trottoirs. Het langzaam verkeer kan de A28 passeren bij de Oranjelaan, de tunnel in het verlengde van de Beukenlaan en Korhoenlaan en de Deventerweg. Met de reconstructie van de N302 heeft er een verbetering van de fiets- en voetgangersontsluiting van het gebied (ter plaatse van Deventerweg/ N302) plaatsgevonden met: » » »

de aanleg van de parallelfietsroute N302 (Harderwijk-Apeldoorn-Flevoland); de opname in het fietsknooppuntennetwerk; de bewegwijzering van de toeristische route Harderwijk-Hierden (Beekhuizerzand en realisatie fietsbrug Parallelweg).

Ontsluiting door openbaar vervoer Het dichtstbijzijnde treinstation is station Harderwijk. Op de N302 en de N303 rijden verschillende buslijnen. Op de N302 rijdt lijn 513. Deze halteert bij Hotel Van der Valk (Leuvenumseweg 7). Op de N303 rijden de lijnen 205 en 104. Beide lijnen halteren bij de kruising Fokko Kortlanglaan/ Harderwijkerweg (N303). Stadsbus 1 en 2 halteren op de Naussaulaan (wijk Tweelingstad), vanaf daar is het nog 16 minuten lopen naar de Ceintuurbaan.

12

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

2.2.3

Groen

Het gebied van de Zuidelijke Stadsrand vormt de overgang van de stad naar de Veluwe aan de zuidzijde van Harderwijk. Dat is nog steeds zichtbaar in de aanwezigheid van stroken bos, afgewisseld met open weitjes, die tussen Ceintuurbaan en A28 zijn overgebleven. In het meest westelijke deel grenst de Zuidelijke Stadsrand aan de randmeren en vormt daar juist de overgang van de wijk Drielanden naar het Wolderwijd. Hoewel doorsneden door A28 en Ceintuurbaan, is een aantal laanstructuren die van oudsher aanwezig waren in het gebied nog duidelijk zichtbaar, mede doordat deze wegen worden begeleid door monumentale bomen (beuken en eiken). De Fazantlaan en Eekhoornlaan zijn daar voorbeelden van. Ook de Boekhorstlaan is een oude weg die door de aanleg van Ceintuurbaan en A28 is afgesneden van de stad Harderwijk. Hierdoor is een geïsoleerd gebied ontstaan dat nog redelijk lang een landelijke sfeer had, maar langzamerhand steeds rommeliger is geworden. Ook hier is nog een uitloper van de Veluwe aanwezig. Meer westelijk vormt de Weisteeg een fraaie laan. Deze was ooit de zuidelijke begrenzing van het gebied Slingerbos, een landgoed of park aangelegd in de zogenaamde Engelse landschapsstijl. Dat is aan weerszijden van de huidige A28 nog herkenbaar door de aanwezigheid van bosjes met slingerende paden, afgewisseld met meer open gebieden.

De nog aanwezige structuur is van elkaar gescheiden door de A28, maar met name ten noorden van de weg is dit beplantingspatroon nog goed te zien in de aanwezigheid van een aantal bosstroken in de wijk Slingerbos, die naar dit voormalige landgoed is genoemd. Aan de oostkant doorsnijdt de A28 de Veluwe. Aan weerszijden bestaat de bodem uit stuifzand, dat zich aan de zuidzijde laat zien in het Beekhuizerzand. Aan de noordzijde liggen onder andere de Zandlaan en een deel van het woongebied Walstein. Grote delen van het oorspronkelijk verkavelingspatroon met bijbehorende landschapsstructuur zijn dus nog herkenbaar. Juist doordat de A28 en Ceintuurbaan een barrière vormen, is dit deel van de stadsrand minder rommelig geworden dan op andere plaatsen. Wel zijn de structuren rigoureus doorbroken door de aanleg van beide wegen.

2.2.4 Water Beschrijving van het watersysteem Het grond- en oppervlaktewatersysteem van het plangebied wordt gekenmerkt door de stroming van het neerslagoverschot vanuit het Veluwemassief richting de Randmeren. Het neerslagoverschot infiltreert grotendeels en stroomt via het grondwater naar de Randmeren. Het langgerekte en smalle plangebied ligt dwars over een zandrug (uitloper van het Veluwemassief) wat tot uiting komt in het maaiveldverloop dat van de oostelijke grens geleidelijk oploopt van 1,20+ m NAP tot 9,30+ m NAP nabij kruising Deventerweg-A28, om daarna te dalen tot 5+ m NAP en daarna weer geleidelijk op te lopen tot ca. 7J0+ m NAP ter hoogte van de westelijke plangrens. De rijbanen van de A28 liggen over het algemeen (aanzienlijk) hoger dan het omliggende maaiveld. De grondwaterstanden kenmerken zich in het westen door een beperkte ontwateringsdiepte (nat en drassig) met een kleine bandbreedte tussen lage en hoge grondwaterstanden en in het oosten tot een grote ontwateringsdiepte (droog) en forse bandbreedte tussen hoge en lage grondwaterstanden in het oosten (van westelijke plangrens tot de kruising N303-A28: grondwatertrappen IIIb, II, IIb, IV, VI; vanaf deze kruising oostwaarts: grondwatertrappen VII, VIII). Volgens de bodematlas liggen er in de uiterste westhoek van het plangebied kalkarme poldervaaggronden met zavel.

In oostwaartse richting tot 300 m voorbij de kruising van de N303-A28 komen de volgende bodemtypen voor: Beekeerdgronden; Gooreerdgronden en Hoge zwarte enkeerdgronden. Vanaf dit punt tot aan de oostelijke plangrens liggen Duinvaaggronden. In het algemeen kan gesteld worden dat de (oorspronkelijke) bodem van het plangebied gekenmerkt kan worden door leemarm en zwak lemig fijn zand die zich met name ten oosten van de N303 redelijk tot goed lenen voor infiltratie van hemelwater. Het ondiepe grondwater wordt sterk beïnvloed door de lokale situatie; in het westen van het plangebied komt het grondwater deels aan de oppervlakte als kwel, stroomt af naar de randmeren of stroomt onder

13

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 de Randmeren door naar de IJsselmeerpolders. Kwel op de Noord-Veluwe wordt afgevoerd via beken. Door het plangebied stromen drie beken die de drainagebasis vormen voor het gebied: ten westen van de N303 de Beek van de Hoge Geest en de Tonselsebeek en aan de oostelijke grens van het plangebied de Hierdense Beek. De rijksweg A28 vormt een barrière voor deze watergangen die door middel van drie lange duikers onder deze weg door zijn geleid. Hetzelfde geldt voor een duikerverbinding tussen de watergang langs de Drielandendreef en de Weibeek in de woonwijk Stadsweiden. Parallel aan het bebouwde deel langs de Weisteeg ligt een watergang die de drainagebasis vormt voor een bebouwd deelgebied dat wordt ingesloten deel tussen de hoger gelegen A28, de N303, de Groene Zoomweg en de spoorlijn Amersfoort Zwolle.

Riolering In de bebouwde delen van het plangebied zijn liggen (onderbemalen) vuilwaterstelsels zonder reguliere overstortvoorzieningen. Onder vuilwater wordt in dit geval alleen het huishoudelijke afvalwater verstaan. Het is niet de bedoeling dat overtollig hemelwater en/of grondwater op deze vuilwaterstelsels wordt geloosd. Vanwege beperkt bergend volume en afvoercapaciteit zou dit immers kunnen leiden tot overbelasting en noodoverstorten van ongezuiverd vuilwater op kwetsbaar oppervlaktewater. Het vuilwater uit het plangebied wordt geloosd op het gemeentelijk gemengde vrijvervalstelsel. Het ingezamelde stedelijke afvalwater wordt uiteindelijk gezuiverd op RWZI Harderwijk. Het hemelwater van de wegen en daken en overig verhard oppervlak in het plangebied wordt in de directe omgeving in de bodem geïnfiltreerd. Ten westen van de N303 wordt afstromend hemelwater van de A28 opgevangen in bermsloten die afwateren op het Wolderwijd via een van de beken. Ten oosten van de N303 wordt afstromend hemelwater van de A28 opgevangen in (ondergrondse) bodeminfitratiesystemen. Door het plangebied lopen een aantal transportriolen waar het waterschap (mede) eigenaar van is: » » »

hoofdtransportriool Ermelo-Harderwijk persriool recreatiegebieden persriool Garderen-RWZI

Waterveiligheid Het plangebied ligt op hoge zandgronden waarvoor geen overstromingsnormen gelden. Dit houdt onder andere verband met het conservatieve escalatiemodel van een eventuele overstroming (extreme peilstijgingen zijn goed te voorspellen en verlopen geleidelijk, bovendien is er altijd ruim voldoende vluchtmogelijkheid naar hoger gelegen gronden). In het kader van het Nationaal Deltaprogramma wordt gewerkt aan een voorstel om te komen tot vernieuwing van de veiligheidsnormen voor overstromingen (deelprogramma Veiligheid). Werd van oudsher vooral een norm voor de overstromingskans gehanteerd, tegenwoordig wordt het economisch doelmatiger geacht om het begrip van overstromingsrisico te hanteren (kans x effect). Binnen datzelfde Deltaprogramma wordt tevens onderzocht welke ontwikkeling verwacht wordt ten aanzien van de peilstijging van het IJsselmeer (deelprogramma Zoetwater). In het Deltaprogramma 2015 is vastgelegd dat het peil van de Veluwerandmeren in de toekomst ontkoppeld gaat worden van het peil van het IJsselmeer, waarmee de kans op overstroming van delen van het plangebied waarschijnlijk gunstig beïnvloed wordt. Op het moment van schrijven van dit bestemmingsplan, is nog onduidelijk wat de geactualiseerde overstromingskans is voor het betreffende buitendijks gebied (volgens de website “www.overstroomik.nl” is er geen overstromingsrisico).

14

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Algemeen

Het (inter)nationale en provinciale beleid is neergelegd in verschillende nota's betreffende de ruimtelijke ordening, alsmede in de verschillende structuurvsies. Een "doorzetting" van dit beleid vndt veelal plaats in verschillende gemeentelijke en provinciale uitwerkingsnota's, beleidsplannen en bestemmingsplannen. Ook binnen de gemeente Harderwijk is dit het geval. Het beleid zoals dat door de hogere overheden wordt voorgestaan, is veelal van een andere schaal en aard dan de schaal die noodzakelijk is voor het opstellen van een (kleinschalig) bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt dan ook uitsluitend ingegaan op de voor de ontwikkeling van het plangebied relevante beleid.

3.2

Ruimtelijk beleid

3.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is van kracht sinds 13 maart 2012. Deze structuurvisie vormt sindsdien het integrale kader voor het rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR vervangt de Nota Ruimte uit 2005. De SVIR geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vormt het kader voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Nederland heeft ruimte nodig om te leven en te bewegen, om economisch te kunnen blijven groeien en voor burgers en bedrijven om initiatief te nemen. Het Rijk kan en wil niet alles zelf doen, en geeft daarom meer ruimte aan provincies en gemeenten om in te spelen op de eigen situatie, zelf beslissingen te nemen en geven ruimte aan burgers en bedrijven voor initiatief en ontwikkeling. Infrastructuur en ruimte worden door alle overheden in samenhang opgepakt. Om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden zijn in de SVIR drie hoofddoelen voor de voor de middellange termijn (2028) benoemd: » » »

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven.

De drie rijksdoelen zijn in het SIVR uitgewerkt tot dertien (thematische) 'onderwerpen van nationaal belang'. In het SIVR worden geen beleidsuitspraken gedaan die specifiek van toepassing zijn voor de omgeving van Harderwijk of voor het plangebied.

3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. In het bestemmingsplan voor het buitengebied dient met name rekening te worden gehouden met de door het Rijk geformuleerde belangen inzake natuur (Ecologische Hoofdstructuur en Natura 2000-gebieden).

15

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

Op 1 oktober 2012 is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is opgezet met als primair doel het tot stand brengen van een goede ruimtelijke ordening, door middel van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Concreet houdt dit in dat de ladder als ondersteuning dient voor decentrale overheden (provincies en gemeenten) bij de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Hierdoor kan er een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming plaatsvinden bij ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Daarbij mogen dus enkel criteria een rol spelen die ruimtelijk relevant zijn. De juridische grondslag van de ladder voor duurzame verstedelijking ligt in het Bro (artikel 3.1.6 lid 2), beleidsmatig is de ladder geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De ladder is daarmee kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van de decentrale overheden, zoals de gemeentelijke bestemmingsplannen en de provinciale inpassingsplannen. Voorheen bestond de ladder uit drie treden die doorlopen moesten worden ter verantwoording van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, maar per 1 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen van kracht geworden. Eén van de belangrijkste is dat de drie treden worden losgelaten.

Feitelijk is er nog maar één trede: "er dient gemotiveerd worden dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte." Het betreft ontwikkelingen zowel binnen als buiten stedelijk gebied. Het realiseren van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied moet nadrukkelijk gemotiveerd worden. Bij de motivering moet een goede ruimtelijke ordening het oogpunt zijn. Dit betekent concreet het tegengaan van ongewenste leegstand en het stimuleren van zorgvuldig ruimtegebruik. De behoefte moet worden onderbouwd op het niveau van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling zelf. Bij de ene ontwikkeling is het ruimtelijk verzorgingsgebied groter dan bij de andere ontwikkeling. Bij elk plan hoort met andere woorden een bij die ontwikkeling passende onderbouwing Daarbij moet opgemerkt worden dat als de stedelijke ontwikkeling ziet op de vestiging van een dienstenactiviteit, het onderzoek naar de actuele regionale behoefte geen betrekking mag hebben op de economische behoefte, de marktvraag, de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen of een beoordeling in relatie tot de door de gemeenteraad vastgestelde doelen van economische planning. Het onderzoek heeft slechts tot doel om na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

De Laddertoets kan bij een wijzigingsbevoegdheid worden doorgeschoven van de vaststelling van het moederplan naar de vaststelling van het wijzigingsplan. Wel moeten op het niveau van het moederplan de behoefte en uitvoerbaarheid in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden gemotiveerd, maar dit is een lichtere toets dan de Laddertoets.

3.2.4

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en Omgevingsverordening Gelderland

Op 1 maart 2019 is de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland in werking getreden. De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn: 1. 2.

een duurzame economische structuur; het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

De provinciale hoofddoelen zijn vervolgens vertaald in provinciale ambities. Afhankelijk van het accent van de ambitie zijn ze opgenomen onder het deel 'Divers', 'Dynamisch' of 'Mooi' Gelderland. Per ambitie is de aanpak op hoofdlijnen beschreven. De nadere invulling vindt plaats va provinciale uitvoeringsprogramma's en samenwerking met partners. Daarmee is de Omgevingsvisie een 'plan' dat richting geeft en ruimte biedt; geen plan met exacte antwoorden. Ofwel: 'de Omgevingsvisie gaat over het speelveld en de spelregels, niet over de uitkomst van het spel. In de omgevingsvisie is opgenomen dat het een provinciale ambitie is om de regionale centrumfunctie van Harderwijk het versterken. Op 1 maart 2019 is de meest recente versie van de Omgevingsverordening Gelderland in werking getreden. In de Omgevingsverordening zijn regels (randvoorwaarden) opgenomen passend bij de provinciale aanpak van ambities en doelen in de Omgevingsvisie. Veel van deze regels waren eerder in

16

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 diverse andere verordeningen van de provincie opgenomen. De provincie trekt deze oude verordeningen in en brengt de Omgevingsverordening ervoor in de plaats. De regels in de Omgevingsverordening zijn zodanig dat zij goed passen bij de accenten in de aanpak van de Omgevingsvisie. De provincie heeft enkele wijzigingen van de Omgevingsvisie en -Verordening doorgevoerd. Doel van deze wijzigingen is dat de provincie een sterkere rol kan vervullen bij regionale programmering voor m.n. werken en winkelen. De belangrijkste wijzigingen in de verordening zijn: »

in elke regio moet binnen 2 jaar (na vaststelling Verordening) een Regionaal Programma Werklocaties (RPW) komen. Werklocaties betreffen bedrijventerreinen, kantoren en perifere detailhandel;

» » « »

er moet regionale afstemming zijn over het RPW; in het RPW moeten afspraken staan over deprogrammeren; uitwerkings- en wijzigingsplannen moeten passen in het RPW; supermarkten die mogelijk gemaakt kunnen worden als kruimelgeval, moeten voor goedkeuring langs de provincie; solitaire bedrijvigheid in buitengebied is uitsluitend onder voorwaarden toegestaan.

»

De aangepaste visie en verordening zijn op 13 december 2017 door Provinciale Staten vastgesteld en op 5 januari 2018 in werking getreden. Voor het plangebied geldt dat de locatie van hotel Van der Valk en de directe omgeving is aangewezen als een onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Er is sprake van Natura 2000-gebied en Groene Ontwikkelingszone. In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het GNN kan uitbreiding van bestaande functies mogelijk worden gemaakt indien in de toelichting bij het plan wordt aangetoond dat de kernkwaliteiten van het gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo worden versterkt en deze versterking planologisch is verankerd in hetzelfde dan wel een ander, gelijktijdig vast te stellen bestemmingsplan. Daarnaast geldt voor het plangebied dat de gronden in de omgeving van transportbedrijf Post zijn aangeduid als Intrekgebied Water. In een bestemmingsplan mogen Intrekgebieden geen bestemming krijgen die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt.

3.2.5

Structuurvisie Harderwijk 2031

De structuurvsie Harderwijk 2031 is op 20 december 2012 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze integrale structuurvisie is een uitwerking van de in juni 2010 door de gemeenteraad vastgestelde stadsvisie. In de structuurvisie wordt aangegeven wat in de periode tot 2031 voor de gemeente Harderwijk de belangrijkste thema's zijn waar integraal aan gewerkt gaat worden door de gemeente, het bedrijfsleven, de maatschappelijke organisaties en door inwoners zelf. De visie is een document waar het economische, sociale en ruimtelijke beleid met elkaar in verband is gebracht. Het betreft een vsie waarin kaders zijn gesteld met doelstellingen om de in de Stadsvisie verwoorde ambitie te verwezenlijken. Deze doelstellingen zijn ondergebracht in 4 ontwikkelsporen: Zorgzame stad, Ondernemende stad, Aantrekkelijke stad en Verbindende stad. De structuurvsie zal fungeren als beoordeling- en sturingsinstrument op alle gemeentelijke beleidsterreinen. Het is daarmee een beleidsdocument dat de gemeente bindt. De gemeente kan daar alleen van afwijken indien daar een goede motivering voor is. Daarnaast wordt richting gegeven aan te verrichten inspanningen en te nemen maatregelen die moeten leiden tot de realisatie en totstandkoming van de in het beleid nagestreefde doelen. De structuurvisie vervangt hiermee het structuurplan Harderwijk 2020 en is daarmee: » » »

een visie op de sociale, economische en ruimtelijke ontwikkelingen in Harderwijk voor de middellange en lange termijn; een integrale visie met de hoofdlijnen van voorgenomen ontwikkelingen betreffende het leven, werken en verblijven in Harderwijk; de wijze waarop de gemeente de doelstellingen denkt te realiseren.

17

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 In de verschillende visiekaarten in de structuurvisie wordt de hoofdwegenstructuur en het fietsnetwerk aangegeven. Daarnaast is het plangebied als volgt aangeduid: Op de vsiekaart 'Aantrekkelijke stad' is het plangebied deels aangeduid als 'groene stadsrand', 'cultuur-historisch lint' en 'verbinding Natura 2000-gebieden)'. Op de vsiekaart 'Ondernemende stad' is het plangebied deels aangeduid als 'recreatie', 'kantoorlocatie' (driehoeklocatie nabij transportbedrijf Post), 'leisurelocatie' (Boekhorstlaan) en 'studiegebied distributie en logistiek en/of recreatie' (Zandlaan). Op de vsiekaart 'Zorgzame stad' is het plangebied aangeduid als 'aandachtsgebied kwetsbare objecten in relatie tot luchtkwaliteit groene stadsrand', 'cultuur-historisch lint' en 'verbinding Natura 2000-gebieden'

3.3 Woonbeleid 3.3.1

Regionaal woonbeleid

De gemeenten in de regio Noord-Veluwe werken samen op het terrein van wonen. Dikwijls neemt ook de gemeente Epe deel aan de samenwerking. Regio Noord-Veluwe (RNV) heeft een regionale woonvisie opgesteld die als uitgangspunt dient voor de lokale woonvisies. Doel van deze woonvisie is om vraag en aanbod op de woningmarkt zo goed mogelijk op elkaar aan te sluiten. Eén van de conclusies is dat een kwaliteitsslag in de huur- en koopvoorraad voor wat betreft levensloopbestendigheid en energetische kwaliteit noodzakelijk is. Een ander belangrijk onderdeel van het regionale woonbeleid is de verdeling van de regionale woningbouwopgave. In 2014 heeft de provincie de totale kwantitatieve opgave voor de regio Noord-Veluwe vastgesteld op 8.880 woningen voor de periode 2013-2025. De regiogemeenten hebben een verdeling afgesproken volgens onderstaand schema. In december 2016 is de ingecalculeerde reserve naar rato verdeeld. Voor Harderwijk betekende dit een toename van 262 woningen. Besloten is dit aantal te reserveren voor de omzetting van recreatiewoningen in het kader van het project Vitale vakantieparken.

Bandbreedte lokale behoefte

Eerdere verdeling (2014/2015)

Laatste verdeling (december 2016)

Elburg

580 - 790

685

754

Ermelo

1.030 - 1.350

1.190

1.309

Harderwijk

2.170 - 3.060

2.615

2.877

Hattem

430 - 520

475

523

Heerde

620 - 750

685

754

Nunspeet

830 - 940

885

974

Oldebroek

560 - 850

705

776

Putten

650 - 1.010

830

913

Reserve

Totaal

810

6.870 - 9.270

8.880

8.880

Regionale woonopgave (bron: Regio Noord-Veluwe) Begin 2017 heeft de provincie een nieuwe bevolkings- en huishoudensprognose vastgesteld. Voor de regio Noord-Veluwe wijkt de daaruit resulterende kwantitatieve woningbehoefte nauwelijks af van de eerder vastgestelde opgave. In het portefeuillehoudersoverleg van 2 mei 2017 is daarom besloten om de hierboven genoemde aantallen aan te houden. Kwalitatief is de nieuwe bevolkings- en huishoudensprognose aanleiding om kritisch te kijken naar woningbouwplannen die niet meer aansluiten bij de huidige en toekomstige vraag. Aansluitend bij de veranderende woonwensen gaan de

18

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 regiogemeenten de komende periode inzetten op flexibele woonvormen en transformatie van bestaand vastgoed. In het voorliggende plangebied Zuidelijke Stadsrand wordt geen ontwikkeling van woningbouw mogelijk gemaakt.

3.3.2

Woonvisie Harderwijk

De uitgangspunten van het woonbeleid staan geformuleerd in de Woonvisie 2017-2027. Deze is op 25 april 2018 door de gemeenteraad vastgesteld. Met het woonbeleid werkt de gemeente Harderwijk aan de balans tussen vraag en aanbod op de woningmarkt. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de huidige bewoners, maar ook naar die van de toekomst. Uitgangspunt is dat iedereen in Harderwijk een woning kan vinden die past bij zijn of haar wensen en behoeften op het gebied van betaalbaarheid, toegankelijkheid en woonmilieu. Door natuurlijke aanwas en migratie zal Harderwijk naar verwachting de komende decennia blijven groeien. Voor 2040 wordt een bevolkingstoename van 10.000 personen verwacht. Om deze groei te faciliteren wil de gemeente voor die tijd nog 4.000 woningen bijbouwen. 3.400 woningen zijn reeds in plannen belegd. Qua woningbouwtypes wordt ingezet op variatie en aanpasbaarheid. Tijdelijke woningen om pieken in de vraag op te vangen. Aanpasbare woningen om flexibel mee te bewegen met veranderende wensen en behoeften. En gevarieerde woonwijken voor een vitale mix van bewoners. Op deze manier blijft Harderwijk ook naar de toekomst betaalbaar en aantrekkelijk voor een breed publiek. Op dit moment worden uitbreidingswijken Waterfront en Drielanden in hoog tempo volgebouwd. De toekomstige nieuwbouwopgave zal grotendeels in de bestaande stad worden gerealiseerd.

Binnenstedelijk bouwen brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Denk aan hogere bouwkosten, veel direct belanghebbenden en een meer complexe ruimtelijke inpassing. Het wordt een uitdaging om voldoende woningen te bouwen in de lagere prijssegmenten, draagvlak te creëren onder omwonenden en de ruimtelijke kwaliteit hoog te houden. Naast nieuwbouw wordt ook gewerkt aan de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Samen met de partners in het woondomein staat de gemeente voor een aantal grote maatschappelijke opgaven. Op het gebied van duurzaamheid wordt onder andere gestreefd naar een forse reductie van het energieverbruik, duurzame energie opwekking en ruimte voor klimaatadaptatie. Betaalbaarheid is daarbij een belangrijk aandachtspunt. Een andere opgave is de voortschrijdende vergrijzing. Om de veiligheid en het comfort van oudere bewoners te borgen, is het noodzakelijk om de toegankelijkheid van bestaande woningen te verbeteren. Ook moeten woningen geschikt worden gemaakt voor zorg- en dienstverlening aan huis. Daarbij gaat het niet alleen om individuele woningen maar ook om de woonomgeving en infrastructuur van de wijk. Samenvattend zijn de belangrijkste opgaven in het woondomein: Nieuwbouw » » » » »

Uitbreiding van het aanbod goedkope en middeldure woningen Terugdringen van de wachttijd in de sociale huursector Her- en deprogrammering in het dure segment Tijdelijke woonruimte om pieken in de vraag op te vangen Inbreiding en transformatie

Bestaande woningvoorraad » » «

Bevorderen van doorstroming op de woningmarkt Verduurzaming van de bestaande woningvoorraad Bestaande woningvoorraad toekomst- en zorgbestendig maken

Wijken en buurten » »

Ontwikkelen van woonzorgzones Gemixte en inclusieve wijken en buurten

Het voorliggende plangebied Zuidelijke Stadsrand is in de woonvisie niet als gebied opgenomen waarin

19

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 ontwikkeling van woningbouw is voorzien.

3.4

Archeologie en monumentenbeleid

3.4.1

Nota Cultuurhistorie

In 2008 heeft de gemeente de nota Cultuurhistorie vastgesteld. Uitgangspunt in de nota is om de fysieke cultuurhistorie te behouden en te beschermen. Cultuurhistorische waardevolle panden zijn aangewezen als rijks- of gemeentelijke monumenten. Deze worden sectoraal beschermd door de Monumentenwet 1988 en de monumentenverordening. Bijzonder Cultuurlandschap wordt beschermd bij bestemmingsplan.

3.4.2

Archeologienota

Op basis van de Monumentenwet 1988 en de Wet op de archeologische monumentenzorg 2007 moet de gemeente bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. Het gemeentelijk archeologisch beleid is verwoord in het in april 2011 vastgestelde archeologiebeleid 2011-1015. Hieraan is de beleidskaart archeologie gekoppeld. De Beleidskaart Archeologie is tot stand gekomen door onderzoek van archeologisch adviesbureau RAAP (RAAP- rapport 2050 "Een actualisatie en herziening van de archeologische verwachting"). In de beleidskaart Archeologie is aangeven wanneer bij nieuwe planontwikkelingen archeologisch vooronderzoek plaats dient te vinden. Op grond van artikel 40 van de Monumentenwet 1988 kan bij bestemmingsplan worden bepaald, dat een aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit (voorheen bouwvergunning), of een aanlegactiviteit van werken geen bouwwerken zijnde (voorheen aanlegvergunning), een rapport over de archeologische waarden dient te overleggen. Aan de omgevingsvergunning kunnen indien nodig archeologische voorschriften worden verbonden. Op grond van artikel 41a van de Monumentenwet 1988 geldt deze verplichting niet bij projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2. De gemeenteraad kan hiervan een afwijkende oppervlakte (zowel naar boven als naar beneden) vaststellen.

Op de beleidskaart archeologie zijn per waarde- of verwachtingsgebied de vrijstellinggrenzen aangeven. Het beleid is om in bestemmingplannen een dubbelbestemming "Waarde - archeologie" op te nemen met bijhorende bouwregels en aanlegvergunningstelsel met inachtneming van de vrijstellinggrenzen.

3.5

Welstandsbeleid

Een bestemmingsplan is erg belangrijk voor het bouwen op en gebruiken van gronden. Vergunningsaanvragen worden immers getoetst aan de regels uit het bestemmingsplan. Naast de bestemmingsplanbepalingen en de bouwtechnische eisen waaraan een bouwwerk moet voldoen, is het uiterlijk ervan erg belangrijk. Hiervoor is een welstandsnota opgesteld. In de welstandsnota van Harderwijk wordt invulling gegeven aan de esthetische aspecten van het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. De welstandsnota gaat daarbij vooral in op de architectonische aspecten van bouwwerken, zoals massa, vorm, positionering, kleur- en materiaalgebruik en detaillering. In stedenbouwkundige zin spreekt de welstandsnota zich uit over de uitstraling en ligging van de bebouwing in relatie tot de omgeving. In de welstandsnota zijn regels opgenomen voor: » » » »

kleine bouwinitiatieven die welstandsvrij zijn; kleine bouwinitiatieven waarvoor de zogenaamde 'sneltoetscriteria' gelden (criteria voor meest voorkomende kleine bouwactiviteiten); grote bouwinitiatieven waarvoor lichte, gemiddelde en zware welstandstoets gelden; grote bouwinitiatieven voor ontwikkelingslokaties, die in aparte beeldkwaliteitsplannen zijn vervat.

Kleine bouwinitiatieven in het plangebied kunnen welstandsvrij zijn of zullen aan de hand van de criteria voor de meest voorkomende bouwactiviteiten worden beoordeeld.

20

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 Voor bouwinitiatieven op de Zandlaan geldt een lichte welstandstoets. Voor bouwinitiatieven die gekeerd zijn naar de invalswegen/dragers (Ceintuurbaan, N302, N303 en de A28) geldt een zogenaamde zware toets. Voor deze gebieden gelden de zwaarste welstandscriteria uit de welstandsnota, omdat deze bebouwingen in belangrijke mate bepalend zijn voor de beeldkwaliteit van de gemeente. Harderwijk wordt immers vooral beleefd vanaf en vanuit deze belangrijkste invalswegen. Daarom richt het beleid zich op het versterken en verbeteren van de beeldkwaliteit langs invalswegen/dragers, maar ook in het beschermd stadsgezicht en wijkwinkelcentra.

3.6

Milieubeleid

3.6.1

Milieubeleidsplan Harderwijk 2009-2012

De gemeente Harderwijk streeft naar samenhang in het bestaande veelomvattende milieubeleid. Het milieubeleidsplan 2009-2012 maakt inzichtelijk waar Harderwijk voor staat, geeft richting aan het beleid voor de komende periode en vervult een aanjaagfunctie om verbeteringen te realiseren. Vanuit deze gedachte worden twee speerpunten benoemd waarbij rekening is gehouden met de landelijke beleidsontwikkeling: klimaatbeleid en een gebiedsgericht milieubeleid. Het zorgdragen voor een duurzame leefomgeving is het hoofddoel van dit milieubeleid. Onder een duurzame leefomgeving verstaan we het voorzien in onze behoeften, zonder de toekomstige generaties de mogelijkheden voor dezelfde behoeftes te ontnemen. Dit milieubeleidsplan geeft kaders voor beleid en laat de bevolking van Harderwijk en Hierden zien hoe de gemeente zich inzet om de lokale milieuproblemen op te lossen. Binnen de gemeentegrenzen bestaat een grote diversiteit in gebieden, met elk hun eigen kenmerken en functies. Bij ruimtelijke ontwikkeling streven we naar een optimale leefomgevingskwaliteit. Door gebieden te onderscheiden wordt duidelijk welke milieukwaliteit gewenst is en of een ontwikkeling in het desbetreffende gebied past. Deze gebiedsgerichte benadering biedt ruimte om milieubeleid beter te laten aansluiten bij de dynamiek van ruimtelijke ontwikkelingen.

3.6.2

Milieugebiedvisie

In het milieubeleidsplan zijn voor verschillende delen van Harderwijk milieugebiedsvisies opgesteld. Door het opstellen van een milieugebiedsvisie komen de specifieke kwaliteiten, knelpunten, de milieubelasting en de milieuambities van het gebied in beeld. Voor delen van het voorliggende plangebied zijn milieugebiedsvisies opgesteld. Omdat het plangebied zo langgerekt is en een groot deel van het plangebied uitsluitend rijksweg A28 omvat, zijn uitsluitend de milieugebiedsvisies opgenomen waarin de woningen aan de Weisteeg zijn opgenomen (zie Bijlage Milieugebiedsvisie Tonsel) alsmede het gebied tot aan de kruising van de N302 met de A28 (zie Bijlage Milieugebiedsvisie Zuidelijke Stadsrand).

3.7

Bodembeleid

De gemeente Harderwijk heeft samen met de omliggende gemeenten Elburg, Ermelo, Nunspeet, Elburg, Oldebroek en Putten een bodemkwaliteitskaart en bodembeheernota opgesteld. De Nota bodembeheer regio Noord Veluwe is vastgelegd in het document met kenmerk R002-1206995LNH-baw-V02-Nl d.d 21 januari 2014 (Tauw). In deze nota is omschreven welke keuzes de gemeenten hebben gemaakt ten aanzien van generiek en gebiedsspecifiek beleid en onder welke voorwaarden grond en bagger mag worden toegepast binnen de regio.

3.8

Waterbeleid

Het belang van water als ordenend principe binnen de ruimtelijke planvorming neemt snel toe. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten hebben in 2001 een startovereenkomst getekend met als doel de watersystemen op orde te krijgen en te houden. De startovereenkomst voorziet in de opstelling van regionale stroomgebiedsvisies, waarin het toekomstige waterbeheer, in relatie tot de ruimtelijke ordening, wordt aangegeven.

21

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

3.8.1

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Ook is de saneringsregeling voor waterbodems verhuisd van de Wet bodembescherming naar de Waterwet. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de voormalige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld: zes vergunningen uit de voorgaande 'waterbeheerwetten' zijn opgegaan in één watervergunning. Voor de gebruiker betekent dit vooral minder administratieve handelingen. Voor het bevoegde gezag betekent het dat de vergunning aan álle aspecten van het waterbeheer moet worden getoetst.

3.8.2

Bestuursakkoord Water

Op 23 mei 2011 zijn op landelijk niveau afspraken gemaakt over verdergaande samenwerking tussen gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven om kostenbesparingen in waterbeheer te realiseren (kostenstijging in de toekomst beperken). Aandachtspunten voor gemeenten uit het bestuursakkoord zijn met name benchmarking, intergemeentelijke samenwerking (bundeling van kennis en capaciteit) en structurele samenwerking met het waterschap. Gemeenten kunnen zelf de meest geschikte aanpak kiezen om doelmatigheid en transparantie te verhogen, zodat zij kunnen aansluiten bij de specifieke lokale situatie. Ook wordt aangegeven dat de afstemming tussen rioleringsbeheer en het beheer van de openbare ruimte gehandhaafd blijft, omdat daarmee fors op kosten kan worden bespaard en overlast voor burgers en bedrijven beperkt wordt.

3.8.3

Nationaal Waterplan 2009-2015

Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma. Dit programma is gericht op duurzame veiligheid en zoetwatervoorziening.

3.8.4

Omgevingsvisies Gelderland

Zonder water zou Gelderland er minder aantrekkelijk uitzien. Maar water is niet alleen mooi, tegen een overvoed ervan willen we beschermd worden. Natuurlijk is er ook voldoende schoon water nodig om te drinken, te recreëren, voor de industrie, de landbouw en de natuur. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. Vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water is voor bepaalde oppervlaktewateren vastgelegd of het een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewater is. Ook zijn voor die oppervlaktewateren ecologische doelen geformuleerd. Voor verbetering van de grondwaterkwaliteit zijn maatregelen opgenomen.

22

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

3.8.5

Nationaal bestuursakkoord Water 2011

Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Het rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven, hebben besloten maatregelen voor een doelmatiger waterbeheer overeen te komen in dit Bestuursakkoord Water. Het waterschap gaat zich inzetten voor een mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van het watersysteem en de waterketen. Het doel is om de kwaliteit van het beheer te vergroten tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. De burger laten zien wat wordt bereikt en transparant zijn over de kosten. Dat doen de partijen vanuit eigen verantwoordelijkheden waarbij we de expertise en deskundigheid met elkaar delen.

3.8.6

Waterbeheerprogramma 2016-2021

In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan wordt concreet invulling gegeven aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen.

3.8.7

Keur Waterschap Vallei en Veluwe

Op 1 januari 2014 is de nieuwe Keur met de Algemene - en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt deze regels vast ter behartiging van de waterschapstaak en het bereiken van de doelstelling zoals genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst.

Algemene regels Om zijn taak uit te kunnen oefenen, maakt het waterschap gebruik van de Keur en de Legger. De Keur is een door het waterschapsbestuur vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers. De Legger bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhouds- en beschermingszones. In de Legger wijst het waterschap tevens aan wie het onderhoud van een watergang, dijk of constructie moet uitvoeren. Ook wordt bepaald of er controle (schouw) wordt gedaan. De legger bepaalt samen met de keur welke regels er voor inwoners en gebruikers gelden en wordt daarom door het bestuur van het waterschap gesteld. Het waterschap levert de gemeente deze gegevens aan, teneinde de hoofdwatergangen en waterkeringen, inclusief de onderhouds- en beschermingszone in het bestemmingsplan te regelen en de bouwmogelijkheden, voor zover noodzakelijk, te kunnen regelen. Waterschap Vallei en Veluwe is beheerder en bevoegd gezag voor zowel waterkwantiteit als -kwaliteit van de primaire watergangen (voor gemeente Harderwijk ook de watergangen in het stedelijk gebied). Voor werkzaamheden op, aan of in nabijheid van watergangen en waterkeringen geldt de Keur en heeft het waterschap algemene regels opgesteld.

3.8.8 « » «

«

Waterplan Harderwijk 2013-2018

Ruimte voor water: bij ontwikkelingen uitvoering zo kiezen dat er geen negatieve effecten optreden voor het watersysteem. Gemeente Harderwijk en Waterschap Vallei en Veluwe willen goed op de hoogte blijven van de beleidsontwikkeling over toekomstige peilstijging in de Randmeren. De gemeente wil meer informatie verzamelen over grondwaterstanden en -problemen door te meten en te rekenen. Samen met de provincie en het waterschap wordt een visie ontwikkeld op het oplossen van de toekomstige grondwaterproblemen, vooral in de zogenaamde 'grondwaterfluctuatiezone'. Gemeente en waterschap willen zich op verschillende manieren inspannen om de waterkwaliteit in

23

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 de gemeente verder te verbeteren. Er is onderzoek gedaan naar de huidige en de potentiële watergebonden natuurwaarden binnen de gemeente (waterkwaliteitsspoor). Ook de uitloging van bouwmaterialen wil men verder beperken. De gemeente en het waterschap willen gericht voorlichting geven aan bewoners over water in de wijk en de effecten van ongewenst gedrag. Daar waar »

mogelijk, wil de gemeente de natuur bij de watergangen verbeteren, in overleg met de wijkbewoners. Gemeente en waterschap willen wijkbewoners meer betrekken bij het water in hun wijk om hen bewuster te maken van de lusten (en lasten) van het water in hun omgeving.

Voor dit plan is de Grondwaterfluctuatiezone van belang Midden over de kern Harderwijk, op de overgang van de hogere Veluwe naar de lager gelegen gebieden, ligt de 'grondwaterfluctuatiezone'. Dit is het gebied waarvoor extra aandacht nodig is, omdat de in de toekomst te verwachten hogere grondwaterstanden hier voor problemen kunnen zorgen. Naar verwachting zijn ook maatregelen nodig. De provincie houdt rekening met een stijging van het grondwater met 80 cm in 2050. Een klein deel van het plangebied (tussen spoorlijn Amersfoort-Zwolle en N303) ligt in de grondwaterfluctuatiezone.

3.8.9

Zuiveringskring Afvalwaterketenplan WHEP 2015 - 2020 (opvolger GRP)

Stedelijk afvalwater en hemelwater Het gezamenlijk beleid van gemeente en Waterschap Vallei en Veluwe is dat zo min mogelijk (schoon) hemelwater rechtstreeks afgevoerd wordt naar de zuivering. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen zal schoon hemelwater daarom lokaal en apart worden opgevangen, ingezameld en verwerkt. Een bodempassage is gewenst -en in sommige gevallen vereist- voordat overtollig hemelwater op oppervlaktewater wordt geloosd. De eisen voor ontwerp, beheer en onderhoud van de waterhuishouding in het Buitengebied is dat gemiddeld niet vaker dan 1x per 2 jaar water op straat staat als gevolg van overbelasting van de riolering (norm stedelijk gebied is 1x per 5 jaar).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=3b6352dc-7422-4a58-8e99-b89d0f8234ef