Zuidelijke Stadsrand_Regels.pdf
Tekst van het document
Ad. 7.3.5 Hobbymatige activiteit Het hobbymatig houden van dieren kenmerkt zich onder andere door het ontbreken van een winstoogmerk en beperkte omvang van het aantal dieren. Het is niet mogelijk om op voorhand vast te stellen welke situatie als hobby- of bedrijfsmatig aangemerkt dient te worden. Het benoemen van een aantal dieren als grens tussen hobby- en bedrijfsmatig houden van dieren is een bestuurlijke keuze en blijft arbitrair. Dit maakt dat per concrete situatie steeds opnieuw moet worden beoordeeld en gemotiveerd of het houden van dieren als hobbymatige activiteit aangemerkt dient te worden.
Ad. 7.3.6 Hoogte omheining De hoogte van een omheining voor paardenbakken verschilt in de praktijk. Volgens het Handboek Veilig Paardrijden dient de omheining van de buitenrijbaan ten minste 1 meter hoog te zijn. De afrastering kan schuin naar buiten worden geplaatst en is functioneel aan de buitenrijbaan. Een maximale hoogte van 1.50 meter is ruimtelijk gezien aanvaardbaar.
Ad. 7.3.7 Landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuur waarden Om specifieke gebiedskenmerken te beschermen is het niet wenselijk dat paardenbakken overal in het buitengebied mogen worden opgericht. De beleidsregel verruimt de mogelijkheid om paardenbakken op te richten in het buitengebied, maar verbindt hier wel strikte voorwaarden aan.
17
Gelders Natuurnetwerk Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. De ontwikkeling van het GNN is in het bestemmingsplan verwerkt door de gronden te bestemmen met de dubbelbestemming ‘Waarde - Natuurnetwerk’. Paardenbakken zijn op de gronden die ook de dubbelbestemming ‘Waarde - Natuurnetwerk’ niet toegestaan. Groene ontwikkelingszone, Waarde Openheid landschap, Hierdense enk en Mheenlanden In de Groene ontwikkelingszone (GO) worden geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied. Ter bescherming van de GO zijn deze gebieden in het bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming Waarde - Groene ontwikkelingszone’ met bijbehorende regels. In het buitengebied bevinden zich landschappelijke waarden en historische karakteristieken van het landschap die bijzonder waardevol zijn, zoals houtopstanden, verkavelingspatronen en de enken. Om de openheid niet aan te tasten zijn deze gebieden in het bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming Waarde - Openheid landschap’ met bijbehorende regels.
Daarnaast zijn in het bestemmingsplan regels opgenomen die zien op de instandhouding van natuur- en landschapswaarden ter bescherming van de Hierdense enk en Mheenlanden, zoals weergeven in Bijlage 1 Landschapstypen. De kwetsbaarheid van het landschap verschilt per locatie en daarom zal per geval beoordeeld moeten worden of ter plaatse van de dubbelbestemmingen Waarde - Groene ontwikkelingszone’, Waarde Openheid landschap’ en de Hierdense enk en Mheenlanden zoals weergeven in Bijlage 1 Landschapstypen van het bestemmingsplan een paardenbak mag worden opgericht. Hier zijn strikte regels aan verbonden. Zo is de oprichting van een paardenbak enkel mogelijk indien sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Verder dienen de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk beperkt te worden. Tenslotte mogen de (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast. Een en ander betekent dat een paardenbak op bijvoorbeeld de Hierdense enk nog steeds niet is toegestaan, indien geen goede landschappelijke inpassing van de schuilstal kan plaatsvinden in het open landschap. Het kan er evenwel ook toe leiden dat in een uitzonderlijk geval toch medewerking kan worden verleend aan de oprichting van een paardenbak op de Hierdense enk.
Aan de hand van de opgenomen voorwaarden kan gestuurd worden op ruimtelijke kwaliteit.
18
Ad. 7.3.8 Lichtmasten Lichtmasten hebben 's avonds een behoorlijk effect op de omgeving en zijn daardoor niet wenselijk in het buitengebied. De vraag is echter gerezen of het nog haalbaar is om vast te houden aan het beleid dat paardenbakken wel worden toegestaan, maar geen lichtmasten ten behoeve van deze paardenbakken. Zonder lichtmasten kan er 's avonds en in de wintermaanden niet worden gereden. De voorliggende beleidsregel biedt de mogelijkheid om lichtmasten ten behoeve van paardenbakken te realiseren. Omdat lichtmasten 's avonds een behoorlijk effect hebben op de omgeving, is een aantal voorwaarden opgenomen die in de eerste plaats zien op de wijze waarop de verlichting mag worden uitgevoerd en de invloed ervan op de omgeving. Zo dient lichthinder voor de omgeving voorkomen te worden dan wel beperkt en dient dit te blijken uit een verlichtingsrapport van een ter zake deskundige. Het gebruik van bijvoorbeeld speciale LED-verlichting met minder intensiteit kan leiden tot beperkte hinder. De in deze beleidsregel al eerder aangehaalde richtafstanden in de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van de Nederlandse Gemeenten kunnen eveneens worden toegepast om te bepalen op welke afstand lichtmasten geplaatst kunnen worden en of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van omwonenden gewaarborgd kan worden.
Daarnaast is het belangrijk dat door een ter zake deskundige dient te zijn aangetoond dat de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt voor de oprichting van lichtmasten. Een ecologisch deskundige kan het best vaststellen of er beschermde planten of dieren aanwezig zijn op de locatie waar lichtmasten worden opgericht. Tenslotte geldt ook voor de plaatsing van lichtmasten dat deze niet tot gevolg mogen hebben dat (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden onevenredig worden aangetast. Hieronder is een voorbeeld opgenomen van verlichting bij een paardenbak in de avonduren, waarop goed is te zien dat de verlichting is afgesteld op de paardenbak.
19
Ad. 7.3.9 Oppervlakte paardenbak Een paardenbak heeft in de regel een standaardafmeting van 20 x 40 meter. Deze omvang is afgestemd op de Handreiking Paardenhouderij en ruimtelijke ordening van de SRP en VNG (versie 2014). Dit betreft de inwendige maatvoering. Hiermee wordt bedoeld de maatvoering gemeten op de bodem onderaan de hoefslagkering. De ruitersport is in de afgelopen járen veranderd en er is vraag ontstaan naar paardenbakken met een inwendige maatvoering van 1200 m2. Deze inwendige maatvoering van paardenbakken is op grond van de beleidsregel enkel toegestaan indien met een deskundigenrapport wordt aangetoond dat een grotere maatvoering in verband met het type paardensport en het daarmee samenhangende niveau noodzakelijk is. Dit zal per situatie beoordeeld worden. Een grotere oppervlakte kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn in verband met een hoger spring of dressuur niveau.
Ad. 7.3.10 Bakdrainage Het is toegestaan om bakdrainage toe te passen, mits overleg heeft plaatsgevonden met het waterschap bij lozing op oppervlaktewater en/of de gemeente bij lozing op de riolering. Een omgevingsvergunning kan niet verleend worden indien bakdrainage leidt tot ongewenste effecten voor het oppervlaktewater en/of de riolering.
20
9. Inwerkingtreding en overgangsrecht 9.1 Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na publicatie op de gemeentepagina in ‘Het Kontakť.
9.2 Overgangsrecht Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze beleidsregel een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt deze beleidsregel daarop toegepast.
10.
Procedure en zienswijzen
De ontwerp beleidsregel schuilstallen en paardenbakken heeft met ingang van 17 januari 2019 gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn is iedereen in de gelegenheid gesteld schríftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken. Van deze gelegenheid is door vijf reclamanten gebruik gemaakt. De ingekomen zienswijzen zijn samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. De commentaarnota zienswijzen maakt als bijlage 1 onderdeel uit van de beleidsregel Schuilstallen en paardenbakken.
11.
Handhaving
De beleidsregel Schuilstallen en paardenbakken stelt regels voor het realiseren van schuilstallen en paardenbakken zonder dat de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied wordt aangetast. In dit beleid zijn zowel de ruimtelijke belangen van het buitengebied als de belangen van de dieren en hun eigenaren meegenomen. Zowel de in het buitengebied aanwezige schuilstallen en paardenbakken als ook de nieuw te bouwen schuilstallen en paardenbakken moeten in overeenstemming zijn met het beleid. In de gevallen waarin sprake is van een met het beleid strijdige situatie wordt een handhavingstraject ingezet waarbij gevraagd wordt het bouwwerk aan te passen ofte verwijderen en verwijderd te houden.
21