CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Zuidelijke Stadsrand_Regels.pdf

Commissie Ruimte 5 januari 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Bestemmingsplan zuidelijke stadsrand19.218 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

13.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 13.2 onder a. voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld.

13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.

b.

c.

d.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden uit te voeren: 1. het ophogen van de bodem; 2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen; 3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 4. het verlagen of het verhogen van het (grond)waterpeil; 5. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie leidingen of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; 6. het bebossen van gronden die op het tijdstip inwerkingtreding van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; 7. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. Geen omgevingsvergunning als bedoeld onder a is vereist voor: 1. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden als de oppervlakte waarop de activiteiten betrekking hebben kleiner is dan 50 m2 en de activiteit op minder dan 0,3 m diepte wordt uitgevoerd; 2. activiteiten, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; 3. activiteiten die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.

Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken en kan voor dit totaal van werken en/of werkzaamheden één vergunning worden verleend. De onder a bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien geen onevenredige afbreuk

34

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 wordt gedaan aan het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden op grond waarvan de volgende bepalingen van toepassing zijn: 1. de aanvrager dient een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld; 2.

aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: « de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; » »

de verplichting tot het doen van opgravingen of; de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

35

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Artikel 14 Waarde - Archeologie2 14.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

14.2

Bouwregels

In het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en onder de voorwaarde dat de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan 100 m2 en de activiteit op een grotere diepte dan 0,3 m wordt uitgevoerd: a.

b.

dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; kunnen aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

14.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.2 onder a. voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld.

14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.

b.

c.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden uit te voeren: 1. het ophogen van de bodem; 2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen; 3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 4. het verlagen of het verhogen van het (grond)waterpeil; 5. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie leidingen of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; 6. het bebossen van gronden die op het tijdstip inwerkingtreding van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; 7. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. Geen omgevingsvergunning als bedoeld onder a is vereist voor: 1. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden als de oppervlakte waarop de activiteiten betrekking hebben kleiner is dan 100 m2 en de activiteit op minder dan 0,3 m diepte wordt uitgevoerd; 2. activiteiten, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; 3.

onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen waarbij niet dieper wordt gegraven dan de reeds uitgegraven diepte; 4. activiteiten die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in

36

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

d.

één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken en kan voor dit totaal van werken en/of werkzaamheden één vergunning worden verleend. De onder a bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden op grond waarvan de volgende bepalingen van toepassing zijn: 1. de aanvrager dient een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld; 2.

aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: » de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; » »

de verplichting tot het doen van opgravingen of; de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

37

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Artikel 15 Waarde - Archeologie3 15.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

15.2

Bouwregels

In het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en onder de voorwaarde dat de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan 1.000 m2 en de activteit op een grotere diepte dan 0,3 m wordt uitgevoerd: a.

b.

dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; kunnen aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

15.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 15.2 onder a. voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld.

15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.

b.

c.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden uit te voeren: 1. het ophogen van de bodem; 2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen; 3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 4. het verlagen of het verhogen van het (grond)waterpeil; 5. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie leidingen of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; 6. het bebossen van gronden die op het tijdstip inwerkingtreding van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; 7. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. Geen omgevingsvergunning als bedoeld onder a is vereist voor: 1. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden als de oppervlakte waarop de activiteiten betrekking hebben kleiner is dan 1.000 m2 en de activiteit op minder dan 0,3 m diepte wordt uitgevoerd; 2. activiteiten, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; 3.

onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen waarbij niet dieper wordt gegraven dan de reeds uitgegraven diepte; 4. activiteiten die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in

38

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

d.

één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken en kan voor dit totaal van werken en/of werkzaamheden één vergunning worden verleend. De onder a bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden op grond waarvan de volgende bepalingen van toepassing zijn: 1. de aanvrager dient een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld; 2.

aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: » de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; » »

de verplichting tot het doen van opgravingen of; de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

39

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Artikel 16 Waarde - Archeologie4 16.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

16.2

Bouwregels

In het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en onder de voorwaarde dat de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan 5.000 m2 en de activteit op een grotere diepte dan 0,3 m wordt uitgevoerd: a.

b.

dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; kunnen aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

16.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.2 onder a. voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld.

16.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.

b.

c.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden uit te voeren: 1. het ophogen van de bodem; 2. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen; 3. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 4. het verlagen of het verhogen van het (grond)waterpeil; 5. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie leidingen of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; 6. het bebossen van gronden die op het tijdstip inwerkingtreding van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; 7. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. Geen omgevingsvergunning als bedoeld onder a is vereist voor: 1. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden als de oppervlakte waarop de activiteiten betrekking hebben kleiner is dan 5.000 m2 en de activiteit op minder dan 0,3 m diepte wordt uitgevoerd; 2. activiteiten, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; 3.

onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels en leidingen waarbij niet dieper wordt gegraven dan de reeds uitgegraven diepte; 4. activiteiten die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning. Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in

40

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

d.

één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken en kan voor dit totaal van werken en/of werkzaamheden één vergunning worden verleend. De onder a bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden op grond waarvan de volgende bepalingen van toepassing zijn: 1. de aanvrager dient een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld; 2.

aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: » de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; » »

de verplichting tot het doen van opgravingen of; de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

41

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Artikel 17 Waarde - Archeologie 5 17.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

17.2

Bouwregels

In het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en onder de voorwaarde dat de oppervlakte waarop de aanvraag betrekking heeft groter is dan 0 m2 en de activiteit op een grotere diepte dan 0,4 m wordt uitgevoerd: a.

b.

dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; kunnen aan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen of; 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.

17.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 17.2 onder a. voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld.

17.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.

b.

c.

d.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakte verhardingen; 2. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 3. het verlagen of het verhogen van het (grond)waterpeil; 4. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie leidingen of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies; 5. het bebossen van gronden die op het tijdstip inwerkingtreding van dit plan niet als bosgrond kunnen worden aangemerkt; 6. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen. Geen omgevingsvergunning als bedoeld onder a is vereist voor: 1. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden als de activiteit op minder dan 0,4 m diepte wordt uitgevoerd; 2. activiteiten, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer; 3. activiteiten die op het moment van inwerkingtreding van het plan in uitvoering waren of konden worden uitgevoerd krachtens een vóór dat tijdstip geldende of aangevraagde vergunning.

Voorzover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken en kan voor dit totaal van werken en/of werkzaamheden één vergunning worden verleend. De onder a bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden op grond waarvan de volgende bepalingen van toepassing zijn:

42

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003 1.

de aanvrager dient een rapport over te leggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld;

2.

aan de omgevingsvergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: » de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; « »

de verplichting tot het doen van opgravingen of; de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

43

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

44

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Hoofdstuk 3

Algemene regels

Artikel 18 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

45

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Artikel 19 Algemeneaanduidingsregels 19.1 Veiligheidszones - Ipg, CNG en waterstof 19.1.1 Omschrijving gebiedsaanduiding Ter plaatse van de gebiedsaanduidingen 'Veiligheidszone - Ipg' , 'Veiligheidszone CNG' en 'Veiligheidszone - waterstof mogen, in afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemmingen, geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd.

19.1.2 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en Wethouders kunnen het bestemmingsplan wijzigen in die zin dat: a.

de gebiedsaanduiding “Veiligheidszone - lpg” en/of 'Veiligheidszone - CNG' en/of 'Veiligheidszone waterstof van de verbeelding wordt verplaatst, verkleind of verwijderd, indien de vergunning van de betreffende risicovolle inrichting is gewijzigd of de betreffende risicovolle inrichting ter plaatse is beëindigd;

b.

burgemeester en wethouders kunnen toepassing geven aan de in 19.1.2 onder a bedoelde wijzigingsbevoegdheid indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de veiligheid van personen.

46

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Artikel 20 Algemene gebruiksregels 20.1 Strijdig gebruik 20.1.1 Algemeen Het is verboden gronden en/of bouwwerken te (laten) gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming(en).

20.1.2 Sek sinrichting Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt in ieder geval verstaan het (laten) gebruik(en) van de gronden en/of bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

20.2 a.

b.

c.

d.

e.

Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen

Bij nieuwbouw of uitbreiding waarbij het gebruiksoppervlak toeneemt dient de inrichting van de gronden zodanig plaats te vinden, dat wordt voldaan aan de gemeentelijk parkeernormen zoals weergegeven in de op het tijdstip van de aanvraag van de omgevingsvergunning geldende parkeernormennota. Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen is de Parkeernormennota Harderwijk van toepassing. Daarbij dient overeenkomstig de aanbevelingen van het CROW tevens rekening te worden gehouden met parkeerplaatsen voor mindervaliden; De onder a. bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet afmetingen hebben zoals die zijn voorgeschreven in de ASVV (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom). Voor de onder a. bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's komen in ieder geval niet in aanmerking gronden die bedoeld en/of ingericht zijn als openbare groenvoorziening(en); Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort; Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde onder a. en c.: 1.

indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld bij een inbreidingslocatie, op overwegende bezwaren stuit; of 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien;

47

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Artikel 21 Algemene afwijkingsregels a.

b.

Het bevoegd gezag kan afwijken van de regels in deze planregels ten aanzien van de volgende onderwerpen: 1. de bouw van niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een oppervlakte van ten hoogste 25 m2, een inhoud van ten hoogste 70 m3 en een hoogte van maximaal 5 m, ten dienste van openbaar nut, zoals schakelhuisjes, transformatorhuisjes, wachthuisjes, straatmeubilair, telefooncellen en kabelverdeelkasten; 2. de bouw van balkons, luifels, bordessen, pergola's en dergelijke bouwwerken, met dien verstande dat balkons geen grotere diepte mogen hebben dan 1,50 m; 3. het bouwen van antennes waarvan de bouwhoogte ten hoogste 25 m mag bedragen; 4. het veranderen van de voorgeschreven maatvoering met ten hoogste 10oZo, met dien verstande dat deze regel niet wordt toegepast in samenloop met een bijzondere afwijkingsregel. Voorzover gelegen binnen de bestemming Leiding - Gas geldt dat bij de beslissing omtrent afwijken eerst schriftelijk advies ingewonnen wordt bij de leidingbeheerder waarbij geldt dat de afwijking geen belemmering vormt uit oogpunt van externe veiligheid.

48

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

Artikel 22 Overgangsrecht 22.1 a.

b.

c.

Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10 y. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

22.2 a. b.

c.

d.

Overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

22.3

Persoonsgebonden overgangsrecht

In afwijking van het bepaalde in artikel 22.1 mag de van het plan afwijkende bebouwing, inhoudende het aanwezige aantal vierkante meters aan bijbehorende bouwwerken, in stand worden gehouden, doch uitsluitend door de rechthebbenden/gebruikers ten tijde van het inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. Dit geldt voor de volgende adressen: 1. 2.

Weisteeg 7: 591 m2; Weisteeg 13: 972 m2.

49

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Artikel 23 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van................. voorzitter, griffier,

50

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Bijlagen

51

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

52

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Bijlage 1 Staat van horeca-activiteiten

53

Staat van horeca-activiteiten Categorie 1 'lichte horeca' Bedrijven die in beginsel alleen overdag en 's avonds behoeven te zijn geopend (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) en daardoor slechts beperkte hinder voor omwonenden veroorzaken. Binnen deze categorie worden de volgende subcategorieën onderscheiden: 1a aan de detailhandel verwante horeca: - automatiek; - broodjeszaak; - cafetaria; - croissanterie; - koffiebar; - lunchroom; - ijssalon; - snackbar; - tearoom; - traiteur; 1b overige lichte horeca: - bistro; - restaurant; 1c bedrijven met een relatief grote verkeersaantrekkende werking: - bedrijven in subcategorie 1a en 1b met een bedrijfsvloeroppervlakte van meer dan 250 m ; - restaurant met bezorg- en/of afhaalservice (onder andere chinees, pizzeria), uitgezonderd drive-in-fastfoodrestaurants (onder andere McDrive) en andere bezorg- en afhaalservices, die in hoofdzaak afhankelijk zijn van hun aanrijfunctie.

Categorie 2 'middelzware horeca' Bedrijven die normaal gesproken ook delen van de nacht zijn geopend en die daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken: - bar; - bierhuis; - biljartcentrum; - café; - hotel; - proeflokaal; - shoarma/grillroom; - zalenverhuur (zonder regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek/dansevenementen).

Categorie 3 'zware horeca' Bedrijven die voor een goed functioneren ook 's nachts geopend zijn en die tevens een groot aantal bezoekers aantrekken en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich mee kunnen brengen: - dancing; - discotheek; - nachtclub; -

partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-fàansevenementen)

bestemmingsplan Zuidelijke Stadsrand (vastgesteld) NL. IMRO. 0243. BP00163-0003

Bijlage 2 Beleidsregels schuilstallen en paardenbakken

55

,İė''í*

,\Av^

HH ŵ'*

Beteidsreģel schuiìstaìlen en paardenbakken (Vastgesteld)

*±*

gemeente harderwijk

1. Beleidsregel schuilstallen en paardenbakken (artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro, artikel 2.12 lid 1 sub a onder 10 en onder 30 Wabo). Vastgesteld door burgemeester en wethouders op 1 oktober 2019 Bekendgemaakt op 9 oktober 2019 Inwerkingtreding op 10 oktober 2019

2

2. Inleiding 2.1

Aanleiding

In de gemeente Harderwijk is sprake van een toename van schuilhutten en paardenbakken in het buitengebied. Aangezien de aanwezigheid van deze bouwwerken de ruimtelijke kwaliteit kan aantasten, is ervoor gekozen beleidsregels voor schuilhutten en paardenbakken op te stellen. Hiermee kan er zorg voor worden gedragen dat zowel de ruimtelijke belangen als de belangen van dierhouders en zijn/haar dieren gewaarborgd kunnen worden.

2.2

Schuilstallen

Het houden van dieren die vaak het gehele jaar buiten verblijven (zoals schapen, geiten, runderen, paarden en ezels) heeft in het buitengebied een enorme vlucht genomen. Bij goede weersomstandigheden is het geen probleem dat deze dieren buiten staan. Bij slechte weersomstandigheden (zoals veel regen, harde wind, veel zon en hoge temperaturen) kan het dierenwelzijn in het geding komen. Beschutting kan de gewenste bescherming bieden tegen extreme weersomstandigheden en voorkomen dat het gevaar van het dierenwelzijn in het geding komt. Naar aanleiding van de Nota dierenwelzijn van de gemeente Harderwijk is bij de totstandkoming van het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2014 veelvuldig gesproken over het toestaan van schuilstallen in het buitengebied. Het bereiken van een goed welzijn voor dieren was daarbij een randvoorwaarde, maar wel op een dusdanige manier dat dit niet ten koste zou gaan van de ruimtelijke kwaliteit. Dit heeft weliswaar geleid tot een bestemmingsplanregeling, maar die blijkt in de praktijk niet altijd geschikt. Zo is tijdens een handhavingsactie gebleken dat de al aanwezige schuilstallen in het buitengebied in slechts een enkel geval aan de voorwaarden uit het bestemmingsplan Buitengebied 2014 voldoen.

Er komen veel aanvragen binnen voor het oprichten van nieuwe of bestaande schuilstallen op een weiland of stuk grond in het buitengebied waarop door aanvragers dieren worden gehouden. Hierbij gaat het dan vaak om losse percelen, zonder bijbehorende woning of boerderij, wat een strijdigheid met het bestemmingsplan oplevert. Deze aanvragers wonen vaak niet in de buurt van het weiland of stuk grond, wat maakt dat zij een wens hebben voor solitaire schuilstallen op gronden waar de bouwmogelijkheden beperkt zijn. Een versoepeling van de regels voor het bouwen van een schuilstal in het buitengebied is om deze reden gewenst zodat hieraan tegemoet gekomen kan worden.

2.3

Paardenbakken

In het buitengebied is tevens een tendens zichtbaar dat met de opkomst van het hobbymatig houden van paarden, de behoefte aan paardenbakken is toegenomen. Visueel kan een paardenbak worden herkend aan een bewerkte of aangepaste bodem, dat is omgezet in een rechthoekige eenheid en voorzien van een bak met zand. Daarnaast is een paardenbak omheind door een constructie van enige omvang. Deze omheining wordt gezien als onderdeel van de paardenbak en voor beiden is omgevingsvergunning nodig voorde activiteit bouwen. In het geldende bestemmingsplan 2014 zijn regels opgesteld om de oprichting van paardenbakken te reguleren, maar deze blijken in de praktijk niet goed bruikbaar. Een aanpassing van de regels voor het bouwen van een paardenbak in het buitengebied is dan ook gewenst.

3

3. Bestaande beleidskaders Het huidige gemeentelijk beleid inzake schuilstallen en paardenbakken is neergelegd in het bestemmingsplan Buitengebied 2014 (hierna: bestemmingsplan) en erop gericht verrommeling in het buitengebied door bebouwing zoveel mogelijk te voorkomen. Dit wordt binnen het bestemmingsplan bewerkstelligd door gebouwen en bijbehorende bouwwerken alleen toe te staan binnen bouwvlakken en de bouwmogelijkheden buiten het bouwvlak te limiteren. De oprichting van schuilstallen en paardenbakken vindt in de praktijk echter vaak plaats op gronden waar dit op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. In het bestemmingsplan zijn ten behoeve van de oprichting van een schuilstal en een paardenbak regels opgenomen om met een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. In veel gevallen kunnen op te richten schuilstallen en paardenbakken niet aan deze voorwaarden voldoen.

4. Doel Om tegemoet te komen aan de toenemende vraag om schuilstallen en paardenbakken, is het van belang om beleidsregels op te stellen die meer mogelijkheden geven om deze bouwwerken in het buitengebied op te richten en te gebruiken. De gemeente wil daar waar mogelijk de vraag naar schuilstallen en paardenbakken faciliteren. Uitbreiding van de bouwmogelijkheden zal zich toespitsen op handzamere regels, zonder de inpassing in het landschap en de overlast richting derden uit het oog te verliezen. Het blijft zaak dat specifieke gebiedskenmerken beschermd blijven. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen worden nadere eisen gesteld. Het doel van deze beleidsregel is: « het opstellen van een toetsingskader ruimtelijke ordening voor schuilstallen en paardenbakken in het buitengebied; « het geven van randvoorwaarden waaronder het aanleggen en gebruiken van schuilstallen en paardenbakken in het buitengebied is toegestaan; « in het kader van dierenwelzijn de dieren adequate huisvesting te bieden. In deze beleidsregel wordt verder niet ingegaan op paardenbakken ten behoeve van het bedrijfsmatig houden van paarden. In verband met de invloed op de omgeving is bedrijfsmatig gebruik van een paardenbak niet wenselijk, met uitzondering van de gevallen die expliciet in het bestemmingsplan zijn geregeld.

5. Toepassingsbereik van deze beleidsregel Deze beleidsregel wordt gebruikt om individuele aanvragen om een omgevingsvergunning voor schuilstallen en paardenbakken te toetsen of om te gebruiken in een handhavingstraject.

4

6. Wettelijke bevoegdheid vaststellen beleidsregel Op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de gemeente een beleidsregel vaststellen. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. Een bestuursorgaan kan dus beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid. De basis voor het opstellen van deze beleidsregel is gelegen in artikel 3.1.2, tweede lid, sub a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en artikel 2.12, eerste lid , sub a onder 1" en onder 3" van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

In artikel 3.1.2, tweede lid, onder a van het Bro is opgenomen dat een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten waarvan de uitleg afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Indien in een bestemmingsplan van de gemeente Harderwijk wordt verwezen naar beleid rondom schuilstallen en paardenbakken, is deze beleidsregel van toepassing. In artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder ten eerste van de Wabo is geregeld dat het college van burgemeester en wethouders (B&W) bevoegd is een omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking (een zogenoemde binnenplanse afwijking). Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid. B&W heeft in beginsel de vrijheid planologische medewerking te verlenen, al naar gelang de strijdigheid met het bestemmingsplan aanvaardbaar wordt geacht of niet. In artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 30 van de Wabo is geregeld dat er een met het bestemmingsplan strijdige omgevingsvergunning verleend kan worden, mits de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Met het vaststellen van de beleidsregel Schuilstallen en Paardenbakken wordt geanticipeerd op een wijziging van het Veegplan Buitengebied waarbij dit beleid in het vast te stellen bestemmingsplan wordt opgenomen.

De nu geldende afwijkingsmogelijkheden voor schuilstallen en paardenbakken zal worden vervangen door een dynamische verwijzing naar de beleidsregel. Zodra het Veegplan Buitengebied rechtskracht heeft, kan gebruik worden gemaakt van het voorwaardenkader uit de beleidsregel Schuilstallen en Paardenbakken. Tot het moment dat het Veegplan Buitengebied rechtskracht krijgt, kan, in gevallen waarin het niet gewenst is om te wachten op de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, geanticipeerd worden op dit beleid. Voorde concrete gevallen waar wordt voldaan aan de beleidsregel Schuilstallen en Paardenbakken kan vooruitlopend op het Veegplan Buitengebied een omgevingsvergunning met afwijking worden verleend als bedoeld in artikel 2.12 lid 1 sub a onder 30 Wabo. In dit kader is artikel 2.12 lid 1 sub a onder 30 Wabo als aanvullende grondslag toegevoegd. Deze beleidsregels zijn van toepassing op bouw- en gebruiksplannen die niet in het geldende bestemmingsplan passen, niet vergunningsvrij zijn en in aanmerking komen voor een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan.

5

6

7. Beoordelingscriteria 7.1

Definities

In deze beleidsregel worden de volgende definities gehanteerd:

7.1.1 Bestemmingsplan Het bestemmingsplan Buitengebied 2014 van de gemeente Harderwijk en herzieningen van dit bestemmingsplan.

7.1.2 Goede landschappelijke inpassing Van een goede landschappelijke inpassing is in ieder geval sprake, indien sprake is van het aanbrengen van gebiedseigen beplanting, gebruik van gebiedseigen natuurlijke materialen en bij de situering zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaande landschapselementen, perceelsafscheidingen of aangrenzende bebouwing.

7.1.3 Paardenbak Een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen.

7.1.4 Schuilstal Een overdekte ruimte die met de grond verbonden is en die uitsluitend mag worden benut voor het laten schuilen van dieren tegen weersinvloeden, waarbij het dier vrij in en uit kan lopen zonder menseliik ingrijpen. Opslag is niet toegestaan, tenzij het gaat om de opslag van voer en stro. Een zeecontainer wordt niet aangemerkt als schuilstal.

7

7.2

Beleidsregels schuilstallen

Voor het oprichten van een schuilstal gelden de volgende voorwaarden:

7.2.1 Goede landschappelijke inpassing Een schuilstal mag enkel worden opgericht indien sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

7.2.2 Landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden a.

b.

c.

Realisering van een schuilstal is binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden Natuur- en landschapswaarden’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde - Natuurnetwerk’. Realisering van een schuilstal is binnen de bestemming ‘Agrarisch’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Groene ontwikkelingszone’ en Waarde - Openheid landschap’, tenzij: 1. sprake is van een goede landschappelijke inpassing; 2. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; 3. (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast. Realisering van een schuilstal is binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemmingen Waarde - Groene ontwikkelingszone’ en ‘Hierdense enk en Mheenlanden’ zoals weergeven in Bijlage 1 Landschapstypen van het bestemmingsplan Buitengebied 2014, tenzij: 1. sprake is van een goede landschappelijke inpassing; 2. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; 3.

(aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast.

7.2.3 Noodzaak en doelmatigheid Er dient sprake te zijn een aantoonbare noodzakelijkheid en doelmatigheid van een schuilstal in het kader van dierenwelzijn. De noodzaak en doelmatigheid van de schuilstal moet, in het kader van dierenwelzijn, worden aangetoond.

7.2.4 Afmetingen schuilstal a. b.

De oppervlakte van een schuilstal mag niet groter zijn dan 30 m2. De bouwhoogte van een schuilstal mag niet meer bedragen dan 3 meter.

8

7.3

Beleidsregels paardenbakken

Voor het oprichten van een paardenbak gelden de volgende voorwaarden:

7.3.1 Aantal paardenbakken Per bouwperceel is maximaal 1 paardenbak toegestaan.

7.3.2 Bakvulling De vulling van een paardenbak mag niet leiden tot nadelige gevolgen voor de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem.

7.3.3 Goede landschappelijke inpassing Een paardenbak mag enkel worden opgericht indien sprake is van een goede landschappelijke inpassing.

7.3.4 Hinder De oprichting van een paardenbak mag niet leiden tot onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden.

7.3.5 Hobbymatige activiteit Een paardenbak mag enkel worden gebruikt ten behoeve van paarden die hobbymatig worden gehouden.

7.3.6 Hoogte omheining Een paardenbak mag worden voorzien van een omheining met een maximale hoogte van 1.50 meter.

7.3.7 Landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden a.

b.

c.

Realisering van een paardenbak is binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden Natuur- en landschapswaarden’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde - Natuurnetwerk’. Realisering van een paardenbak is binnen de bestemming ‘Agrarisch’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Groene ontwikkelingszone’ en Waarde - Openheid landschap’, tenzij: 1. sprake is van een goede landschappelijke inpassing; 2. de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; 3. (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast. Realisering van een paardenbak is binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden’ van het bestemmingsplan niet toegestaan ter plaatse van de dubbelbestemmingen Waarde - Groene ontwikkelingszone’ en ‘Hierdense enk en Mheenlanden’ zoals weergeven in Bijlage 1 Landschapstypen van het bestemmingsplan, tenzij: 1. sprake is van een goede landschappelijke inpassing; 2. negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk worden beperkt; 3. (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast.

9

7.3.8 Lichtmasten Verlichting in de vorm van lichtmasten is niet toegestaan, tenzij wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De armaturen mogen uitsluitend de paardenbak zelf verlichten en dienen een naar beneden gerichte uitstraling te hebben. b. In een verlichtingsrapport van een ter zake deskundige dient te worden aangetoond dat de mastposities zodanig zijn gesitueerd dat lichthinder voor de omgeving wordt voorkomen dan wel beperkt. c. De lichtpunthoogte dient zo beperkt mogelijk te zijn, doch in ieder geval niet hoger dan 6 meter. d. Bij een paardenbak zijn maximaal 6 lichtmasten toegestaan. e. De verlichting van de paardenbak is tussen 22.00 en 07.00 uur niet toegestaan. f. De lichtmasten dienen landschappelijk te zijn ingepast als bedoeld in artikel 7.3.3 van deze beleidsregels. g. In een onderzoek van een ter zake deskundige dient te zijn aangetoond dat de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt voor de oprichting van lichtmasten. h. De oprichting van lichtmasten mag niet tot gevolg hebben dat (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden onevenredig worden aangetast.

7.3.9 Oppervlakte paardenbak De inwendige afmeting van een paardenbak mag maximaal 800 m2 bedragen, tenzij met een deskundigenrapport is aangetoond dat een grotere maatvoering in verband met het type paardensport en het daarmee samenhangende niveau noodzakelijk is. In dat geval mag de inwendige afmeting van een paardenbak verruimd worden tot maximaal 1200 m2.

7.3.10 Bakdrainage Bakdrainage is toegestaan, mits overleg heeft plaatsgevonden met het waterschap bij lozing op oppervlaktewater en/of de gemeente bij lozing op de riolering.

10

8. Toelichting 8.1 Toelichting beleidsregels schuilstallen en paardenbakken 8.1.1 Begrippen Ad. 7.1.1 Bestemmingsplan Daar waar in de beleidsregels wordt verwezen naar het bestemmingsplan, wordt bedoeld het bestemmingsplan Buitengebied 2014 dat op 30 april 2015 door de gemeenteraad is vastgesteld. Op herzieningen van dit bestemmingsplan zijn de beleidsregels ook van toepassing. Zo zijn de beleidsregels ook van toepassing op het nog vast te stellen bestemmingsplan Veegplan Buitengebied.

Ad. 7.1.2 Goede landschappelijke inpassing In de beleidsregel is opgenomen wanneer in ieder geval sprake is van een landschappelijke inpassing. Dit betekent dat er ook andere mogelijkheden kunnen zijn om een schuilstal of paardenbak goed landschappelijk in te passen.

Ad. 7.1.3 Paardenbak Het begrip paardenbak in deze beleidsregels is gelijk aan het begrip paardenbak zoals dat in het bestemmingsplan Buitengebied 2014 is gedefinieerd.

Ad. 7.1.4 Schuilstal Het begrip schuilstal is niet nader gedefinieerd in het bestemmingsplan Buitengebied 2014. Reden om een definitie op te nemen waaruit in ieder geval blijkt dat een schuilstal bedoeld is voor het laten schuilen van dieren tegen weersomstandigheden. Om duidelijk onderscheid te maken met een volwaardige stal voor hobbymatig gebruik, is opgenomen dat een dier zelfstandig in en uit moet

kunnen lopen zonder menselijk ingrijpen. Opslag van voer en stro is toegestaan, maar overig opslag niet. Doordat zeecontainers onwenselijk zijn in het buitengebied en aangemerkt worden als welstandsexces, is expliciet opgenomen dat zeecontainers niet gebruikt mogen worden als schuilstal.

11

8.1.2 Schuilstallen Ad. 7.2.1 Goede landschappelijke inpassing Een schuilstal kan een ongewenst effect hebben in het landschap, zoals verrommeling. Wat passend is in een landschap hangt af van de precieze locatie en omgeving. Met kleine maatregelen als het aanbrengen van gebiedseigen beplanting kan een bijdrage worden geleverd aan een aantrekkelijk landschap. Ook is materiaalkeuze bepalend en de volgende materialen mogen daarbij worden toegepast: gepotdekselde houten gevelbekleding in een bedekte kleur, schuine afdekking met een dakbedekking van singels, leitjes of donkere dakpannen. Met deze materialen wordt verstoring van het landschap tegengegaan. De volgende materialen zijn niet toegestaan: stalen (damwand) profielen en gemetselde (of anderszins) stenen muren. Indien deze materialisering wordt aangebracht, kan een goede landschappelijke inpassing niet worden bereikt. Daarnaast speelt de positionering van een schuilstal ook een rol bij het minimaliseren van verrommeling. Bij voorkeur dient een schuilstal aan de randen van een perceel te worden gepositioneerd, in de hoek van een perceel en aansluitend bij bestaande opstanden, zoals een bosrand, een houtwal of een andere beplantingsstrook. Daar waar dit niet mogelijk is, kan een schuilstal in een uitzonderlijk geval ook in open gebied plaatsvinden.

Het is daarbij wel essentieel dat de karakteristieke openheid van het gebied niet in het geding komt. Van een goede landschappelijke inpassing is in ieder geval sprake, indien er bij de situering zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaande landschapselementen, perceelsafscheidingen of aangrenzende bebouwing. Hieronder is een aantal referentiebeelden van schuilstallen opgenomen, met passende en ongewenste voorbeelden. Schuilstallen passende voorbeelden

1 Urn

12

Schuilstallen ongewenste voorbeelden

Iw«r

‘■Vŵ.

Ad. 7.2.2 Landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwetenschappelijke waarden Om specifieke gebiedskenmerken te beschermen is het niet wenselijk dat schuilstallen overal in het buitengebied mogen worden opgericht. De beleidsregel verruimt de mogelijkheid om schuilstallen op te richten in het buitengebied, maar verbindt hier wel strikte voorwaarden aan. Gelders Natuurnetwerk Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. De ontwikkeling van het GNN is in het bestemmingsplan verwerkt door de gronden te bestemmen met de dubbelbestemming ‘Waarde - Natuurnetwerk’. Schuilstallen zijn op de gronden die ook de dubbelbestemming ‘Waarde - Natuurnetwerk’ niet toegestaan. Groene ontwikkelingszone, Waarde Openheid landschap, Hierdense enk en Mheenlanden In de Groene ontwikkelingszone (GO) worden geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot significante aantasting van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied. Ter bescherming van de GO zijn deze gebieden in het bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming Waarde - Groene ontwikkelingszone’ met bijbehorende regels.

In het buitengebied bevinden zich landschappelijke waarden en historische karakteristieken van het landschap die bijzonder waardevol zijn, zoals houtopstanden, verkavelingspatronen en de enken. Om de openheid niet aan te tasten zijn deze gebieden in het bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming Waarde - Openheid landschap’ met bijbehorende regels. Daarnaast zijn in het bestemmingsplan regels opgenomen die zien op de instandhouding van natuur- en landschapswaarden ter bescherming van de Hierdense enk en Mheenlanden, zoals weergeven in Bijlage 1 Landschapstypen. De kwetsbaarheid van het landschap verschilt per locatie en daarom zal per geval beoordeeld moeten worden of ter plaatse van de dubbelbestemmingen Waarde - Groene ontwikkelingszone’, Waarde Openheid landschap’ en de Hierdense enk en Mheenlanden zoals weergeven in Bijlage 1 Landschapstypen van het bestemmingsplan een schuilstal mag worden opgericht.

13

Hier zijn strikte regels aan verbonden. Zo is de oprichting van een schuilstal enkel mogelijk indien sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Verder dienen de negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het gebied, de oppervlakte en de samenhang zoveel mogelijk beperkt te worden. Tenslotte mogen de (aangrenzende) landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden niet in onevenredige mate worden aangetast. Een en ander betekent dat een schuilstal op bijvoorbeeld de Hierdense enk nog steeds niet is toegestaan, indien geen goede landschappelijke inpassing van de schuilstal kan plaatsvinden in het open landschap. Het kan er evenwel ook toe leiden dat in een uitzonderlijk geval toch medewerking kan worden verleend aan de oprichting van een schuilstal op de Hierdense enk. Aan de hand van de opgenomen voorwaarden kan gestuurd worden op ruimtelijke kwaliteit.

Ad. 7.2.3 Noodzaak en doelmatigheid Het onverkort toestaan van schuilstallen in het buitengebied is niet wenselijk. Om (verdere) verrommeling van het landschap te voorkomen, is de eis opgenomen dat moet worden aangetoond dat met het oog op het dierenwelzijn ook daadwerkelijk de nood bestaat een schuilstal op te richten. Daarnaast dient deze schuilstal doelmatig te zijn en dus daadwerkelijk de benodigde bescherming te bieden. Hiermee wordt bereikt dat per geval goed wordt overwogen of een schuilstal ook daadwerkelijk nodig is. Zo kan een schuilstal door meerdere dieren tegelijk worden gebruikt en wordt voorkomen dat bijvoorbeeld in één weiland ieder dier een eigen schuilstal krijgt. Dit is onwenselijk en niet de bedoeling.

Ad. 7.2.4 Afmetingen schuilstal Om de ruimtelijke impact van schuilstallen zo gering mogelijk te laten zijn, is ervoor gekozen regels te verbinden aan de maximale oppervlakte en hoogte van een schuilstal. Met een schuilstal van maximaal 30 m2 groot en maximaal 3 meter hoog wordt de ruimtelijke impact in het buitengebied niet te groot.

14

8.1.3 Paardenbakken Ad 7.3.1 Aantal paardenbakken Omdat inwoners soms behoefte hebben aan het hebben van een paardenbak om zo hun hobby goed te kunnen uitoefenen, is het toegestaan om paardenbakken te realiseren. Het is echter niet wenselijk om meer dan 1 paardenbak per bouwperceel te hebben.

Ad. 7.3.2 Bakvulling Opgebracht materiaal (zoals bijvoorbeeld zand en houtsnippers) in een paardenbak mag niet leiden tot vervuiling van de bodem.

Ad. 7.3.3 Goede landschappelijke inpassing Een paardenbak kan een ongewenst effect hebben in het landschap, zoals verrommeling. Wat passend is in een landschap hangt af van de precieze locatie en omgeving. Op gevoelige locaties zijn paardenbakken vanwege zichtbaarheid of landschapsstructuur niet gewenst. Het dient te gaan om een paardenbak die passend is in het landschap. Met kleine maatregelen als het aanbrengen van gebiedseigen beplanting kan een bijdrage worden geleverd aan een aantrekkelijk landschap. Ook is materiaalkeuze bepalend en bij voorkeur is de omheinging van de paardenbak van hout in een bedekte donkere kleur. De vormgeving van de omheining is zo veel mogelijk open en transparant. Daarnaast speelt de positionering van een paardenbak ook een rol bij het minimaliseren van verrommeling. Bij voorkeur dient een paardenbak te worden opgericht binnen een agrarisch bouwvlak of een woonbestemming. Daar waar dit niet mogelijk is, kan een paardenbak in een uitzonderlijk geval ook in open gebied plaatsvinden. Het is daarbij wel essentieel dat de karakteristieke openheid van het gebied niet in het geding komt. Van een goede landschappelijke inpassing is in ieder geval sprake, indien er bij de situering zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij bestaande landschapselementen, perceelsafscheidingen of aangrenzende bebouwing.

15

Hieronder is een aantal referentiebeelden van paardenbakken opgenomen, met passende en ongewenste voorbeelden. Paardenbakken passende voorbeelden

r

fţļk \Jŗį 'drř"'-

k ’V

Paardenbakken ongewenste voorbeelden

W\

16

Ad. 7.3.4 Hinder Ter voorkoming van hinder naar derden (aantasting woongenot) is een regeling opgenomen waarin is geregeld dat de oprichting van een paardenbak niet mag leiden tot onevenredige nadelige gevolg voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. De richtafstanden in de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van de Nederlandse Gemeenten kunnen worden toegepast om te bepalen op welke afstand een paardenbak gesitueerd kan worden en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen van omwonenden gewaarborgd kan worden. Het uitgangspunt hierbij is dat bij het aanhouden van deze afstanden een aangenaam woon- en leefklimaat wordt verondersteld. In deze brochure wordt bijvoorbeeld een minimale afstand van 50 meter voor geur en 30 meter voor geluid en stof voor paarden aangehouden ten opzichte van woningen. Deze afstanden zijn indicatoren en bieden ruimte voor maatwerk. Elke situatie is namelijk anders en het is dan ook van belang dat gemotiveerd wordt dat de situering van een paardenbak in de buurt van een woning, geen onevenredig nadelig gevolg heeft voor het woon- en leefklimaat van omwonenden. Met betrekking tot geur kan dit bijvoorbeeld ertoe leiden dat naast de paardenbak zelf ook andere aanwezige geurbronnen, zoals een milieumeldingsplichtige mestplaat voor de opslag van paardenmest, in ogenschouw genomen moeten worden.

De locatie van de mestopslag en de frequentie van het ophalen van de mest bepalen vaak of een mestopslag al dan niet leidt tot overlast. Een ander voorbeeld betreft stofoverlast door een paardenbak. Deze overlast kan beperkt worden door de bodem bij droogte te besproeien, zodat stofontwikkeling wordt voorkomen. Ook kan gekozen worden voor een bodem die minder stof geeft, bijvoorbeeld door het toevoegen van houtsnippers of tapijtsnippers. Tenslotte kan de locatie van de paardenbak ook zodanig gekozen worden, dat alleen al daardoor geen onaanvaardbare stofoverlast optreedt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=696275c9-5377-4f73-9de1-69a77f30cc06