Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla_Toelichting_Bijlagen.pdf
Tekst van het document
7
zoogdieren in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde grondgebonden zoogdieren. Een nader onderzoek naar beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom niet noodzakelijk. Conclusie grondgebonden zoogdieren Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren aanwezig zijn.
3.3. Vleermuizen Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied vleermuizen verwacht kunnen worden. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Vaste verblijfplaatsen Vleermuizen zijn globaal te verdelen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrelllus pipistrellus) en boombewonende soorten zoals rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en watervleermuis (Myotis daubentoni). Daarnaast bestaan er soorten die van beide elementen gebruikmaken (Bijlage C). Daarbij is ook onderscheid te maken in zomeren winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, achter dakbeschot en in schoorstenen etc.). Andere soorten zoals de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten. Omdat zich binnen het plangebied geen gebouwen of bomen bevinden, kan aanwezigheid van verblijfplaatsen van deze vleermuissoorten worden uitgesloten.
Vliegroutes Om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld vaak bomenrijen om zich te oriënteren. Als een dergelijke route
verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route gebruiken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een significant negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Het verdwijnen van een essentiële vliegroute leidt zo tot het niet meer functioneren van een verblijfplaats. Dergelijke essentiële vliegroutes zijn strikt beschermd. Het gebied is open en er is in het plangebied geen sprake van doorlopende lijnvormige elementen. Essentiële vliegroutes zijn daarom in het plangebied uitgesloten. Foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats.
Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. In de wijdere omgeving van het onderzoeksgebied zijn waarnemingen van foeragerende gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen, rosse vleermuis, watervleermuis en meervleermuis bekend (NDFF, van Delft & de Jong, 2013). Het plangebied zelf is ontzettend kaal en bevat weinig structuren, waardoor het als foerageergebied ongeschikt is voor vleermuizen. Indien er gefoerageerd wordt in het plangebied zal dit vooral boven het water gebeuren. Effectbeoordeling vleermuizen Door de afwezigheid van gebouwen of bomen kan aantasting van verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten. Ook is er geen sprake van het aantasten van (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes. Het plangebied is grotendeels braakliggend en er is in de huidige situatie zeer weinig vegetatie aanwezig
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
8
in het plangebied. Het gehele gebied is hierdoor zeer arm aan insecten waardoor het als foerageergebied voor vleermuizen ongeschikt is. Een nader onderzoek naar vleermuizen is daarom niet noodzakelijk. Voor het project liggen kansen om de nieuwbouw geschikt te maken voor vleermuizen door natuurinclusief te bouwen. Hiervoor worden in paragraaf 5.3 aanbevelingen gedaan. Conclusie vleermuizen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → Het uitgesloten is dat in het plangebied verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn. → Er geen essentiële vliegroutes aanwezig zijn in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. → Het plangebied als foerageergebied door vleermuizen gebruikt kan worden, echter niet als essentieel foerageergebied.
witte kwikstaart roepend aangetroffen op een stapel stenen binnen het plangebied. Het is bekend dat deze soort broedt in dit soort elementen. Verder is het redelijkerwijs aan te nemen dat meerkoet of fuut langs de waterkant tot broeden kunnen komen in het plangebied. Daarnaast kunnen ook op de braakliggende delen vogels tot broeden komen zoals scholekster of kleine plevier. Aangezien het gebied als losloopgebied voor honden wordt gebruikt is deze kans klein. Op het bouwterreinen moet extra aandacht worden besteed aan steile zandtaluds. Deze zijn tijdens het bezoek aangetroffen. Dit zijn geschikte broedlocaties voor oeverzwaluwen. Oeverzwaluwen beginnen ongeveer half april met de nestbouw. De nesten van deze soorten zijn alleen in de broedperiode beschermd zolang deze in gebruik zijn.
3.4. Vogels Voor vogels wordt in de Wet natuurbescherming onderscheid gemaakt tussen soorten met een jaarrond beschermde nestplaats en algemene broedvogels waarvan de nesten uitsluitend beschermd zijn gedurende de periode waarin deze in gebruik zijn (zie Tabel A in Bijlage A). In het plangebied is bekeken of er jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels aanwezig (kunnen) zijn. Ook is gezocht naar nesten van en geschikte nestgelegenheid voor algemene broedvogels. Jaarrond beschermde nestplaatsen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voor. Het betreft gierzwaluw, huismus, buizerd en roek. Gierzwaluw en huismus broeden echter in gebouwen of nestkasten. Veel huismussen zijn aangetroffen net buiten het plangebied in de wijk Zeebuurt. Aangezien geschikte gebouwen zich niet in het plangebied bevinden, kan aanwezigheid van broedgevallen worden uitgesloten. Roeken en buizerds broeden in bomen; deze ontbreken ook in en nabij het plangebied. Algemene broedvogels Buiten deze vier soorten zijn er in de omgeving van het plangebied enkele algemene soorten broedvogels waargenomen (NDFF). Tijdens het veldbezoek is een
Afbeelding 3.1 | Steile zandtalud geschikt voor oeverzwaluw. Effectbeoordeling vogels In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. Het is uitgesloten dat er door het verwijderen van de bomen jaarrond beschermde nesten vernietigd zullen worden. Een nader onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten is daarom niet noodzakelijk. Mogelijk komen wel algemene vogelsoorten in het plangebied tot broeden. Bij werkzaamheden in het broedseizoen kunnen nesten van algemene broedvogels vernield worden of ernstige verstoring kan tot hetzelfde effect leiden. De nesten van deze soorten zijn beschermd zolang ze in gebruik zijn. Voor het project liggen kansen om de nieuwbouw geschikt te maken voor vogels door natuurinclusief te bouwen. Hiervoor worden in paragraaf 5.3 aanbevelingen gedaan. Conclusie vogels Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat:
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
9
→ → →
→ →
In het plangebied of in de directe omgeving geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten zijn uitgesloten. Er binnen het plangebied algemene broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten tot broeden kunnen komen, waarvan de nesten tijdens werkzaamheden in het broedseizoen vernield kunnen worden of ernstige verstoring tot hetzelfde effect leidt. Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1, lid 2. Mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk, de mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 6.
verspreid door Nederland voorkomen. Er is vanaf 2013 elk jaar onderzoek gedaan naar de rugstreeppad voor het project Waterfront, maar deze soort is nooit aangetroffen. Er wordt dan ook vanuit gegaan dat de rugstreeppad zich in fase II zich niet zal vestigen. Voor de gewone pad en bruine kikker geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, maar het is in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.
In de omgeving van het plangebied (noordwestelijk deel van fase II) is in 2013 de rivierdonderpad aangetroffen tussen de steenbestorting van de oevers (van Delft & de Jong, 2013). De soort is sterk afhankelijk van dit substraat. Oevers met steenbestorting komen in het plangebied niet voor en de rivierdonderpad wordt dan ook niet verwacht in het plangebied.
Effectbeoordeling amfibieën Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde amfibieën (met uitzondering van enkele vrijgestelde soorten) in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde amfibieën. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Een nader onderzoek naar beschermde amfibieën is niet noodzakelijk.
Andere beschermde vissoorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens (NDFF; van Delft & de Jong, 2013) niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Conclusie amfibieën Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde amfibieën aanwezig.
3.5. Vissen
Effectbeoordeling vissen Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde vissen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde vissen is daarom niet noodzakelijk. Conclusie vissen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde vissen aanwezig.
3.6. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen, maar uit NDFF-gegevens is wel gebleken dat in de omgeving van het plangebied de gewone pad en de bruine kikker voorkomt. Er zijn geen recente waarnemingen van rugstreeppad bekend in het plangebied of in de naaste omgeving van het plangebied. Van deze soort is echter bekend dat ze in lage dichtheden
3.7. Reptielen In het plangebied en nabije omgeving zijn geen reptielen aangetroffen, noch zijn waarnemingen bekend uit het verleden. Aangezien geschikt habitat voor deze soortgroep ontbreekt is hun voorkomen uitgesloten. Effectbeoordeling reptielen Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde reptielen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde reptielen. Een nader onderzoek naar beschermde reptielen is daarom ook niet noodzakelijk. Conclusie reptielen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde reptielen aanwezig.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
10
3.8. Ongewervelden Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF en op basis van terreingesteldheid worden geen beschermde ongewervelden verwacht in het plangebied. Beschermde ongewervelde diersoorten, zoals dagvlinders en libellen, stellen namelijk zeer specifieke eisen aan hun biotoop. In het plangebied zijn geen geschikte biotopen voor deze soorten aanwezig. Zij worden daarom ook niet verwacht. Effectbeoordeling ongewervelden Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde ongewervelden in het
plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde ongewervelden. Een nader onderzoek naar beschermde ongewervelden is daarom ook niet noodzakelijk. Conclusie ongewervelden Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
11
4. Mitigatie soortbescherming
Onderstaand is per soort(groep) beschreven met welke mitigerende maatregelen er invulling wordt gegeven aan het voorkomen dan wel te verminderen van negatieve effecten op zowel soort- als populatieniveau.
4.1. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de algemene zorgverplichting opgenomen. In dit artikel is beschreven dat eenieder verplicht is om voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De algemene zorgplicht geldt te allen tijde bij het uitvoeren van werkzaamheden, ongeacht of deze te typeren zijn als ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud en ongeacht of er beschermde soorten aanwezig zijn. Dit laatste wil dus zeggen dat ook als er geen beschermde soorten voorkomen de algemene zorgverplichting toch in acht genomen dient te worden. Hiervoor dienen algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze algemene mitigerende maatregelen zijn onderstaand beschreven. • Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren uitgevoerd te worden. • Wees alert op dieren in het plangebied. Wacht tot dieren zelfstandig het gebied hebben verlaten. • Werk vanuit het midden van het plangebied naar de rand, of werk langzaam in één werkrichting zodat verstoorde dieren de mogelijkheid hebben om het plangebied te verlaten. Draag er tevens zorg voor dat de richting waarin de dieren moeten vluchten voldoende beschutting of leefgebied biedt. • Verlichting is alleen aan wanneer dat functioneel noodzakelijk is.
De verlichting wordt voldoende afgeschermd en alleen op het werk gericht. Gebruik alleen verlichting met een naar beneden gerichte lichtbundel. • Er dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande wegen en paden.
Voor de amfibieën en grondgebonden zoogdieren in het plangebied geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, maar het is in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het verwonden of doden van individuen te voorkomen. • Amfibieën en grondgebonden zoogdieren kunnen verscholen zitten onder objecten als stenen of stukken hout. Bij het verwijderen hiervan dient men voorzichtig te werk te gaan. • Indien nodig dienen aanwezige soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar een geschikte locatie buiten het werkgebied.
4.2. Algemene broedvogels Veel broedvogels zijn opportunisten die weinig eisen stellen aan hun omgeving. Alle vogelnesten zijn beschermd als ze in gebruik zijn. Algemene broedvogels zijn niet standvastig, ze kunnen ieder jaar op een andere plek broeden en zijn weinig kieskeurig. Soorten die tot broeden kunnen komen in of nabij het plangebied zijn o.a. witte kwikstaart, meerkoet, wilde eend en oeverzwaluw. Onderstaande maatregelen en aandachtspunten moeten in acht worden genomen ten aanzien van algemene broedvogels om een overtreding van artikel 3.1, lid 2 te voorkomen. • Er kunnen in het plangebied algemene vogels tot broeden komen. Deze vogelnesten zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode; • De broedperiode loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd; • Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van in gebruik zijnde nesten in de broed- en nestperiode. Voor verlaten nestplaatsen geldt dit niet; • Het is in dit kader aan te bevelen om de werkzaamheden voor zover dat mogelijk is buiten de broedperiode om uit te voeren;
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
12
•
•
•
Indien dit niet mogelijk is, dient het plangebied voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor vogels om tot broeden te komen; Indien het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken en/of het plangebied broedvrij te houden, dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige (Bijlage D) gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedende vogels; Wanneer er geen vogels nestelen kan er begonnen worden met de ingreep. Bij aantreffen van een broedgeval in het plangebied wordt een rustzone afgezet door een ecologisch deskundige en wordt de locatie met rust gelaten tot de jongen zijn uitgevlogen. Er mogen geen werkzaamheden in de directe zone rond een nest plaatsvinden. De omvang van deze zone wordt door de begeleidend ecoloog bepaald. Eventueel kan er met schermen gewerkt worden die visuele verstoring
•
en/of verstoring door geluid naar een broedgeval beperken. Steile taluds bij het water zijn geschikte broedlocaties voor oeverzwaluwen. Oeverzwaluwen beginnen ongeveer half april met de nestbouw. De taluds van grondwerkzaamheden dienen daarom flauwer dan 1:1 opgezet te worden of af te worden gedekt met bijvoorbeeld doek als er meer dan één dag niet aan gewerkt wordt. Dit om de kans op vestiging van oeverzwaluwen te verkleinen.
4.3. Ontheffing 2013 Vanuit de eerder verkregen ontheffing (FF/75C/2013/0085A) is het noodzakelijk om een aantal mitigerende maatregelen toe te passen in het plangebied. De volgende voorschrift staat in de ontheffingen m.b.t. de eindsituatie: Voorschrift 3 (FF/75C/2013/0085A): aanbrengen van groenvoorziening in het gebied fase II, circa 5% van het gebied. Hiervoor moeten inheemse bomen en struiken worden gebruikt.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
13