Waterfront-Zuid - Waterfrontpark en Parkvilla_Toelichting_Bijlagen.pdf
Tekst van het document
Aanleg plaatsen
Binnen het project zijn 41 ligplaatsen voorzien voor pleziervaartuigen. Deze ligplaatsen worden verkocht met de woningen en hebben vanuit dat oogpunt geen extra verkeersaantrekkende werking. Uitgangspunt is dat de pleziervaartuigen 40 keer per jaar varen. De vaarlijn is gemodelleerd tot dat ze op het Veluwe Rand meer aangekomen zijn. 2.4.4
Stikstofuitstoot toekomstige situatie
Bovenstaande paragraaf geeft een overzicht van de toekomstige NOX uitstoot ter plaatste van het planvoornemen. Hieruit blijkt dat: • 239,1 kg NOx wordt uitgestoten door de verkeersaantrekkende werking; • 52,3 kg NOx wordt uitgestoten door de pleziervaartuigen; • 0 kg NOx wordt uitgestoten ten behoeve van de verwarming van de woningen en bedrijfspanden.
Rapportage Stikstofdepositie Waterfront fase 3 te Harderwijk | 194320 | 25 februari 2020
BK bouw- & milieuadvies pagina 8 van 10
3
Huidige gebruik
De huidige bestemming is in gebruik als camperterrein en een parkeerterrein van 960 parkeerplaatsen. Beide zullen door de realisatie van het planvoornemen verdwijnen. Onderstaand is de NOX uitstoot weergegeven van beide activiteiten. 3.1.1
Verkeersaantrekkende werking
Voor het bepalen van de rittenberekening is o.a. gebruikt gemaakt van de CROW ASVV 2012 publicatie, hierin zijn kentallen opgenomen voor de verkeersgeneratie per activiteit. Voor het parkeerterrein is uitgegaan dat de parkeerplaatsen 2,5 keer per dag gebruikt worden (2,5 x 960 x 2 bewegingen). Bovenstaand is vertaald naar daadwerkelijke ritten per dag. Type woningen of activiteit
Aantal
Verkeersaantrekkende werking conform CROW ASVV
Totaal
Camping Parkeerterrein TOTAAL
40 960
0,4 per standplaats 5 ritten per parkeerplek
16 4800 4816
Bovenstaande laat zien dat het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie 4816 bewegingen per dag bedraagt. Deze gegevens zijn ingevoerd in de Aerius calculator. De verkeersontsluiting is gemodelleerd tot de N382. Dit resulteert in een NOX uitstoot in de huidige situatie door het wegverkeer van 327,8 per jaar.
Rapportage Stikstofdepositie Waterfront fase 3 te Harderwijk | 194320 | 25 februari 2020
BK bouw- & milieuadvies pagina 9 van 10
4
Conclusie
In de vorige hoofdstukken is een analyse uitgevoerd naar de stikstofanalyse. Hieruit blijkt dat de NOX uitstoot in de toekomstige gebruiksfase 291,4 kg bedraagt en er 53,7 kg NOx wordt uitgestoten tijdens de bouwfase (per jaar). Als gekeken wordt naar de interne saldering door het huidige gebruik, blijkt dat er geen sprake is van rekenresultaten boven de 0,00 mol/h/j. Aanleg- gebruiksfase De Aerius calculator laat zien dat alleen in de gebruiksfase (zonder intern salderen) sprake is van stikstofdepositie op het Natura-2000 gebied de Veluwe. In de aanlegfase is er geen sprake van stikstofdepositie. Als de gebruiksfase wordt doorgerekend zonder saldering, bedraagt de stikstofdepositie maximaal 0,02 mol/ha/j. Concluderend is te stellen, dat voor dit project onder de geldende wet- en regelgeving interne saldering noodzakelijk is voor de gebruiksfase. Om deze reden is in het kader van de Wet natuurbescherming een vergunning noodzakelijk.
Rapportage Stikstofdepositie Waterfront fase 3 te Harderwijk | 194320 | 25 februari 2020
BK bouw- & milieuadvies pagina 10 van 10
Rapportage Stikstofdepositie Waterfront fase 3 te Harderwijk | 194320 | 25 februari 2020
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RqhgyGkGrA3T (27 februari 2020) pagina 1/6
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Gemeente Harderwijk
Postbus 149, 3840 AC Harderwijk
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Waterfront - bouwfase - STAGE IV
RqhgyGkGrA3T
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
27 februari 2020, 09:53
2020
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
53,71 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Waterfront
Situatie 1
RqhgyGkGrA3T (27 februari 2020) pagina 2/6
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Bron Sector
Emissie NH3
Emissie NOx
-
49,93 kg/j
Bouwverkeer Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
3,59 kg/j
Bouwverkeer - stagnatie Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
< 1 kg/j
Bouwblok Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
Resultaten
Situatie 1
RqhgyGkGrA3T (27 februari 2020) pagina 3/6
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
Resultaten
NOx
Voertuig
Omschrijving
Brandstof verbruik (l/j)
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Heistelling
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Bouwblok 171020, 485207 49,93 kg/j
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
3.600
NOx
4,35 kg/j
Bouwkraan
14.400
NOx
17,42 kg/j
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Graafmachine
5.760
NOx
6,97 kg/j
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Hoogwerker
3.600
NOx
4,35 kg/j
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Shovel
3.840
NOx
4,64 kg/j
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Betonpomp
2.400
NOx
2,90 kg/j
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Overige machines (worst-case)
7.680
NOx
9,29 kg/j
Situatie 1
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
RqhgyGkGrA3T (27 februari 2020) pagina 4/6
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
1.200,0 / jaar NOx NH3
3,17 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Licht verkeer
2.000,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Bouwverkeer 171310, 484980 3,59 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
Situatie 1
Bouwverkeer - stagnatie 171039, 485164 < 1 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
300,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
RqhgyGkGrA3T (27 februari 2020) pagina 5/6
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019A_20200211_3b24c29c22 Database versie 2019A_20200226_89548b118c Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A
Resultaten
Situatie 1
RqhgyGkGrA3T (27 februari 2020) pagina 6/6
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Oude situatie en Nieuwe situatie Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 1/12
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Gemeente Harderwijk
Postbus 149, 3840 AC Harderwijk
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Waterfront - gebruiksfase interne saldering - compleet
RWVtoiKgEhCE
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
27 januari 2020, 23:00
2022
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Situatie 1
Situatie 2
Verschil
NOx
327,88 kg/j
291,42 kg/j
-36,46 kg/j
NH3
19,86 kg/j
14,49 kg/j
-5,37 kg/j
Resultaten
Natuurgebied
Hectare met hoogste verschil (mol/ha/j)
Uw berekening heeft geen verschillen opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Toelichting
Waterfront
Resultaten
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 2/12
Resultaten
Locatie Oude situatie
Emissie Oude situatie
Resultaten
Bron Sector
Oude situatie Nieuwe situatie
Emissie NH3
Emissie NOx
Wegverkeer camping Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
< 1 kg/j
Wegverkeer - parkeerterrein Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
19,80 kg/j
326,94 kg/j
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 3/12
Resultaten
Locatie Nieuwe situatie
Emissie Nieuwe situatie
Resultaten
Bron Sector
Oude situatie Nieuwe situatie
Emissie NH3
Emissie NOx
Pleziervaartuigen Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute
-
52,26 kg/j
Ontsluiting Kop Stadswerven Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
4,04 kg/j
66,74 kg/j
Ontsluiting Fase 3 - deel 1 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
2,74 kg/j
45,29 kg/j
Ontsluiting Fase 3 - deel 2 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
15,69 kg/j
Ontsluiting fase 3 - Deel 3 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
6,51 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 4 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
3,76 kg/j
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 4/12
Resultaten
Bron Sector
Resultaten
Oude situatie Nieuwe situatie
Emissie NH3
Emissie NOx
Ontsluiting fase 3 - deel 5 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
8,57 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 6 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
3,47 kg/j
57,36 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 7 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
2,13 kg/j
35,24 kg/j
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 5/12
Resultaten
Resultaten stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden
Natuurgebied
Veluwe
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
0,01
0,01
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
0,00
(mol/ha/j)
*
Resultaten
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 6/12
Resultaten
Resultaten per habitattype
Veluwe Habitattype
(mol/ha/j) voor de 10 stikstofgevoelige Natura 2000gebieden met het hoogste resultaat
ZGLg13 Bos van arme zandgronden
0,01
0,01
0,00
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
0,01
0,01
0,00
H2330 Zandverstuivingen
0,01
0,01
0,00
Lg13 Bos van arme zandgronden
0,01
0,01
0,00
Lg09 Droog struisgrasland
0,01
0,01
0,00
L4030 Droge heiden
0,01
0,01
0,00
Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
0,01
0,01
0,00
ZGL4030 Droge heiden
0,01
0,01
0,00
ZGH4030 Droge heiden
0,01
0,01
0,00
ZGLg09 Droog struisgrasland
0,01
0,01
0,00
H4030 Droge heiden
0,01
0,01
0,00
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,01
0,00
0,00
H9190 Oude eikenbossen
0,01
0,00
0,00
ZGLg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
0,01
0,00
0,00
*
Resultaten
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 7/12
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Oude situatie
NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
16,0 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Wegverkeer camping 171302, 485049 < 1 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Standaard
Licht verkeer
Oude situatie Nieuwe situatie
Wegverkeer - parkeerterrein 171269, 484938 326,94 kg/j 19,80 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
4.800,0 / etmaal NOx NH3
326,94 kg/j 19,80 kg/j
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 8/12
Resultaten
Emissie (per bron)
Pleziervaartuigen 170878, 485292 CEMT_I 52,26 kg/j
Naam Locatie (X,Y)
Nieuwe situatie
Type vaarweg NOx
Scheepstype
Omschrijving
Vaarbeweging (A -> B)
Percentage geladen
Vaarbeweging (B -> A)
Percentage Stof geladen
Emissie
M0
pleziervaartuigen
1.600 / jaar
0%
1.600 / jaar
0% NOx
52,26 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
894,0 / etmaal NOx NH3
66,74 kg/j 4,04 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Ontsluiting Kop Stadswerven 171111, 485418 66,74 kg/j 4,04 kg/j
Ontsluiting Fase 3 - deel 1 171131, 485502 45,29 kg/j 2,74 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
966,0 / etmaal NOx NH3
45,29 kg/j 2,74 kg/j
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 9/12
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Standaard
Licht verkeer
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Aantal voertuigen Stof
Emissie
1.074,0 / etmaal NOx NH3
15,69 kg/j < 1 kg/j
Ontsluiting fase 3 - Deel 3 171276, 485386 6,51 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
762,0 / etmaal NOx NH3
6,51 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Ontsluiting Fase 3 - deel 2 171261, 485410 15,69 kg/j < 1 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 4 171355, 485310 3,76 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
762,0 / etmaal NOx NH3
3,76 kg/j < 1 kg/j
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 10/12
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
432,0 / etmaal NOx NH3
8,57 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Standaard
Licht verkeer
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Ontsluiting fase 3 - deel 5 171448, 485112 8,57 kg/j < 1 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 6 171298, 484974 57,36 kg/j 3,47 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
1.008,0 / etmaal NOx NH3
57,36 kg/j 3,47 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 7 171345, 485021 35,24 kg/j 2,13 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
750,0 / etmaal NOx NH3
35,24 kg/j 2,13 kg/j
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 11/12
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019A_20200113_49aab7f583 Database versie 49aab7f583 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A
Resultaten
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 12/12
MOLEN DE HOOP | HARDERWIJK BIOTOOPONDERZOEK
Rapportnummer: 521015 Datum: 13 SEPTEMBER 2021
Opdrachtgever: Gemeente Harderwijk
Contactpersoon opdrachtgever: H. Nienhuis | adviseur ruimte h.nienhuis@harderwijk.nl +31 (0) 341 411 429
Datum rapportage: 26 augustus 2021; herzien 13 september 2021
Auteur: E. van der Elst EAG Monuments 06 412 908 53
Status: Concept
Kaarten: Alle kaarten in dit rapport zijn getekend door EAG Monuments. Als onderlegger is OSM Standard gebruikt. Ruimtelijke referentie systeem: WGS 84 / UTM zone 31N. Alle kaarten zijn zuiver noord georiënteerd. Software: QGIS.
1
Bronnen Harderwijk, g. (28. 05 2020). Von Ruimtelijkeplannen.nl: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0243.BP002100003/vb_NL.IMRO.0243.BP00210-0003.pdf abgerufen J. P. Bitog, I.-B. L.-S.-H.-W.-H. (2011). Forest Science and Technology. Von Taylor & Francis Online: https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/21580103.2011.559939 abgerufen Oemraw, B. (1984). T.R. 52; Beschuttingscorrectie wind. De Bilt: KNMI. Pennsylvania State University. (8. September 2017). Windbreaks and Shade Trees. Von PennState Extension: https://extension.psu.edu/windbreaks-and-shade-trees abgerufen Praktijk normen. (kein Datum). Von Molenbiotoop: http://onderzoek.molenbiotoop.nl/praktijknormen.html abgerufen Wind gegevens. (2000-2019). Von KNMI: https://projects.knmi.nl/klimatologie/uurgegevens/ abgerufen
2
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding voor het onderzoek In de gemeente Harderwijk staat molen De Hoop, een rijksmonumentale achtkante stellingmolen in eigendom van de Harderwijker Molenstichting. De molen is in 1998 herbouwd op de huidige locatie. De molen is herbouwd met het achtkant van molen Het Anker te Weesp. In 1998 was het plangebied nog ingericht als industrieterrein. Er was destijds al sprake van bebouwing binnen de biotoopcirkel ten noordoosten van de molen. Het industrieterrein is kort na de bouw van de molen gesloopt en zijn er parkeerplaatsen voor in de plaats gekomen. Momenteel is de gemeente voornemens om ten noordwesten van de molen woningen te realiseren. De minimale afstand tussen het bouwvlak en de molen is ca. 220 meter, de maximale afstand is ca. 390 meter. Om de bouw te realiseren is er een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Het bouwplan bestaat uit meerdere bouwvlakken met variërende hoogtes.
Afbeelding 1: Het contour van het bestemmingsplan “Waterfront Kop Stadswerven Harderwijk” zoals getekend door architectenbureau Common Affairs te Amsterdam. 1 1
Tekeningnummer BS101; 19-04-2021; projectnummer 17028; Common Affairs
3
Het plaatsen of verhogen van objecten (gebouwen, bomen, dijken, etc.) binnen een straal van 400 meter van een windmolen kan nadelige gevolgen hebben voor de windvang van een molen. Het gehele plangebied bevindt zich binnen een straal van 400 meter. Om de potentiële gevolgen voor de windvang van de molen in kaart te brengen is dit windonderzoek uitgevoerd door EAG Monuments.
1.2 Aanpak Het behoud van de windvang heeft bij een oude molen een directe relatie met het behoud van cultuurhistorische waarde. Een molen is een machine en deze moet in werking blijven om te kunnen voortbestaan. Op basis van bestaande documentatie, windgegevens, tekeningen en berekeningen, kan hiervan een redelijk beeld verkregen worden. In dit rapport wordt de windvang van molen De Hoop in de werkelijke situatie en in de situatie na realisatie van het wijzigingsplan onderzocht. Allereerst wordt gekeken hoeveel dagen per jaar de molen in de ideale situatie kan malen – d.w.z. een situatie zonder bomen, bebouwing of andere obstakels binnen een straal van 800 meter rondom de molen (ruwheidslengte 0,03; polderlandschap). Vervolgens worden de volgende scenario’s doorgerekend: 1. De werkelijke situatie op 26 augustus 2021. Momenteel is het terrein ten noordwesten van de molen voor een groot deel in gebruik als parkeerlocatie voor het Dolfinarium. 2. De bestaande situatie volgens het onherroepelijke bestemmingsplan. Op 28 mei 2020 is het bestemmingsplan Waterfront-Zuid – Stadswerven en de Kades (WFZ) onherroepelijk vastgesteld. De locatie komt grotendeels overeen met het parkeerterrein van het dolfinarium. Er zijn nog geen gebouwen gerealiseerd. 3. De nieuwe situatie volgens het bestemmingsplan zoals getekend op tekening BS101.
Dit scenario wordt berekend op basis van de werkelijke situatie (scenario 1). 4. De nieuwe situatie volgens het bestemmingsplan zoals getekend op tekening BS101 (afbeelding 1). Dit scenario wordt berekend op basis van de maximaal toelaatbare hoogtes van de panden volgens bestemmingsplan Waterfront-Zuid – Stadswerven en de Kades (scenario 2).
4
Aangezien het bij dit onderzoek om een zeer specifiek object (molen De Hoop) in een zeer beperkt oppervlak gaat, zijn de windgegevens van het dichtstbijzijnde KNMIweerstation (Lelystad) gebruikt voor dit onderzoek. De verkregen resultaten hebben een indicatief karakter. Omdat er in dit geval meerdere situaties met elkaar vergeleken worden, zijn de verschillen belangrijker dan de absolute waarden. Het uitrekenen van de windreductie volstaat hierbij. Het plangebied bestrijkt niet de gehele windroos maar uitsluitend het gebied tussen 300°-360°; ca. 17% van de windroos. Er wordt daarom uitsluitend naar de windhoek gekeken tussen 300°-360° met de molen als middelpunt. Hiervoor zijn alle wind belemmerende objecten in deze hoek, binnen een straal van 400 meter, geïnventariseerd. Deze hoek vormt het rekengebied. Om een accuraat beeld te verkrijgen van de effecten op de windvang is het rekengebied verdeeld in 6 sectoren van 10°.
5
Kaart 01: Overzicht van de bestaande situatie rondom de molen.
6
Kaart 02: De locatie van de bouwvlakken.
7
Kaart 04: Sectorverdeling.
8
2. BEGRIPPEN Molenbiotoop Onder het begrip “Molenbiotoop” wordt meer verstaan dan alleen windvang. Het zijn alle omgevingsaspecten die van invloed zijn op het functioneren van een molen. Hieronder vallen niet alleen factoren die van directe invloed zijn voor de molen als maalwerktuig, zoals de bereikbaarheid, de windvang en het vrije zicht op de lucht om weersveranderingen aan te zien komen. Ook het functioneren van de molen als cultureel erfgoed, zoals de gaafheid van de historische setting, de toegankelijkheid voor bezoekers, de waterstaatkundige situatie en de landschappelijke waarde maken hier onderdeel van uit. In dit rapport wordt uitsluitend ingegaan op de windvang. Richtlijn Vereniging De Hollandsche Molen De Hollandsche Molen houdt in haar biotooprichtlijn voor gesloten gebied als een dorpsomgeving een obstakelvrije cirkel met een straal van honderd meter rond de molen, en daarbuiten een helling met een hoek van 1 op 50 aan. Daarboven dienen obstakels te worden vermeden. Omgevingsverordening provincie Gelderland In haar omgevingsverordening hanteert de provincie voor het begrip “Molenbiotoop” de volgende definitie: De molenbiotoop is de omgeving van een molen of molenrestant, voor zover die omgeving van belang is voor het (toekomstig) functioneren daarvan als maalwerktuig, voor de monumentale waarde van de molen of het molenrestant of voor beide.
De toetsing geschiedt op harde gronden als de toevoer van wind en watermolens en poldermolens de beschikbaarheid van water. In haar omgevingsverordening houdt de provincie Gelderland ook een obstakelvrije cirkel met een straal van 100 meter aan. Daarbuiten houdt de provincie eveneens een helling aan. De hellingshoek hiervan kan bepaald worden aan de hand van een formule waarin de factoren als askophoogte windreductiecoëficient en ruwheidsfactor van de omgeving een rol spelen.
9
Windvang Bij de windvang van een molen zijn twee zaken van belang: de windsnelheid en de turbulentie-intensiteit. De windsnelheid heeft een directe relatie met de hoeveelheid energie die een molen opwekt. Het verschil in snelheid voor en achter het wiekenkruis in het kwadraat maal de massa van de lucht en een rendementsfactor geeft immers het vermogen dat een molen produceert. Een oude molen met een verbeterd wiekenkruis (in dit geval fokwieken) en een koppel stenen, zoals molen De Hoop, kan bij een windsnelheid van ca 4,8 m/s ter hoogte van de askop beginnen met malen. Turbulentie wordt gevormd door draaiingen in de wind die het gevolg zijn van onderdruk achter obstakels. Het vermogen van een molen zal hierdoor niet noemenswaardig afnemen. Wel is het zo dat de molen onregelmatiger gaat draaien. Bij het draaien op bedrijfssnelheid kan de molen door een windvlaag tijdelijk te hard gaan draaien. Ook kan de snelheid inzakken door een zgn. zaam in de wind. Turbulentie kan stootbelasting op de wieken en de constructie van de molen veroorzaken.
10
3. MOLENBIOTOOP Ruimtelijke verordeningen Gelderland De Provincie Gelderland acht bescherming van de molenbiotoop belangrijk. Zij heeft hiertoe een Gelderse Molenverordening (1996, gewijzigd bij besluit GS d.d. 30 oktober 2007) vastgesteld. Ingevolge artikel 4, derde lid van de Gelderse Molenverordening is het verboden in de molenbiotoop zonder vergunning van Gedeputeerde Staten, of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden, bouwwerken op te richten, te wijzigen, werken aan te leggen of bomen, struiken of heesters aan te planten of te hebben van zodanige aard of omvang, dat daardoor het normale of toekomstig gebruik van een molen of molenrestant met wind- of waterkracht wordt verminderd, belemmerd of onmogelijk gemaakt of de monumentale waarde van de molen of het molenrestant wordt aangetast. Op grond van artikel 5, tweede lid van de Gelderse Molenverordening kunnen Gedeputeerde Staten criteria vaststellen ten behoeve van de beoordeling van aanvragen om een vergunning, als bedoeld in artikel 4, derde lid van de Gelderse Molenverordening. De Uitvoeringsregeling Gelderse Molenverordening (1996, gewijzigd met besluit d.d. 30 oktober 2007) strekt tot vaststelling van bedoelde criteria. Deze regeling is per 05 juli 2012 ingetrokken en vervangen door de Ruimtelijke Verordening Gelderland, eerste herziening.
Deze is later opgevolgd door de omgevingsverordening Gelderland. Onderstaand wordt artikel 2.64 Bescherming Windvang Molen uit de Omgevingsverordening Gelderland december 2018 geciteerd: Artikel 2.64 (bescherming windvang molen) 1. Een bestemmingsplan maakt voor gronden binnen een Molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de molens in het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem. Om een monumentale molen met een vrije windvang te laten functioneren, geldt dat binnen een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen, hoogtebeperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. Verder dient rekening te worden gehouden met de belevingswaarde en het historisch karakter van de omgeving van de molen. Door maatwerk/compensatie wordt de belevingswaarde en het functioneren van de molen door middel van windvang niet beperkt. 11
Met name in een bebouwde omgeving kunnen ook andere belangen in het geding zijn waarbij zekere beperkingen ten aanzien van de windvang of de belevingswaarde niet altijd zijn uit te sluiten. De omgevingsverandering geeft bij zwaarwegende redenen ruimte voor het afwijken van de verordening: Afdeling 2.8 Ontheffing wegens bijzondere omstandigheden Artikel 2.66 (ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a Wet ruimtelijke ordening) Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening verlenen van de in dit hoofdstuk gestelde instructieregels. In deze verordening houdt de provincie Gelderland een cirkel met een straal van 400 meter aan. Binnen deze straal houdt de provincie een schuin oplopende lijn, gerekend vanuit het hart van het molenerf aan. De hellingshoek van deze lijn wordt bepaald aan de hand van een formule waarin de factoren als askophoogte, windreductiecoëficient en ruwheidsfactor van de omgeving een rol spelen. Hiervoor wordt de molenbiotoop formule van De Hollandsche Molen gebruikt. Volgens deze formule mogen binnen een straal van 100 meter rond de molen geen gebouwen en bomen worden opgericht met een hoogte boven het onderste punt van de verticaal staande wiek.
(Afbeelding: http://onderzoek.molenbiotoop.nl/praktijknormen.html) Het uitgangspunt bij toetsing is dat de nieuwe situatie geen verslechtering ten opzichte van de huidige situatie mag zijn.
12
4. WINDREGIME HARDERWIJK EN IDEAAL BIOTOOP Als basis voor de berekeningen zijn de wind-technische gegevens van het dichtstbijzijnde KNMI-weerstation (Lelystad) gebruikt. Aan de hand van de metadata zijn de gemiddelde windsnelheden per dag over een periode van 10 jaar (1-1-2011 t/m 31-12-2020) gecalculeerd. Ten behoeve van dit onderzoek wordt de tijd tussen 08.00 en 18.00 aangehouden als periode waarin de molenaar(s) met de molen zullen draaien. Alleen de windsnelheden tussen de uren van 08.00 en 18.00 worden gebruikt voor het berekenen van een windregime omdat het afkoelen van de lucht in de avonduren de windsnelheid/richting kan veranderen – dit zou een vertekend beeld geven als deze snelheden worden meegerekend om het windregime voor een molen te berekenen.
Percentage wind > Vmin Percentage alle wind
Percentage wind > Vmin Percentage alle wind
Kaart 05: Windregime Harderwijk. In blauw het gebied 0°-300°. In rood het studiegebied 300°-360°. Alle wind = 365 dagen. Wind > Vmin = 209 dagen. Vmin = 4,8 m/s.
13
Het KNMI-weerstation meet de windsnelheid op een hoogte van 10 meter boven maaiveld. De hoogte van de askop van molen De Hoop is 22,26 meter boven maaiveld (straatniveau). Windsnelheden in de oppervlakte laag (de onderste 1/5 van de planetaire grenslaag) verschillen aanzienlijk op verschillende hoogtes. De windsnelheid op 10 meter hoogte is het dubbele van de windsnelheid op 3,3 meter hoogte. Omdat de askop 12,26 meter hoger is dan de meethoogte is er gebruik gemaakt van het logaritmische windprofiel om de juiste de windsnelheid te berekenen. Tevens is er gekeken naar de overheersende windrichting per dag. Hieruit wordt er een accuraat beeld verkregen van de gemiddelde windsnelheid en windrichting per dag over een periode van een jaar. In dit geval worden de windrichtingen uitgedrukt in 6 sectoren van 10°: Vervolgens wordt het aantal ‘maaldagen’ berekend. Een dag is een maaldag indien de gemiddelde windsnelheid tussen 08.00 en 18.00 hoger is dan, of gelijk is aan 4,8 m/s ter hoogte van de askop. De maaldagen worden vervolgens per windsector gecategoriseerd. Op basis van deze gegevens wordt het totaalaantal maaldagen, per windsector, in de ideale situatie berekend. De resultaten worden op kaart 06 weergegeven. Uit de bovenstaande resultaten kunnen de volgende relevante conclusies worden getrokken:
De molen kan in de ideale situatie 23 dagen per jaar malen vanuit het studiegebied.
De meest voorkomende windrichting in het studiegebied is sector 6 met 27% van het totaal.
Volgens de metadata van het KNMI kan molen De Hoop gemiddeld 209 dagen per jaar malen. Het rekengebied telt qua oppervlak voor 17% van de gehele windroos. Met gemiddeld 23 maaldagen, ofwel 11% van alle maaldagen, is de hoeveelheid maalwind niet in verhouding tot de grootte van het rekengebied. Welbekend is dat de voornaamste windrichting in Nederland het zuidwesten is. Dit komt overigens overeen met de windgegevens van het KNMI-weerstation te Lelystad.2 2
Volgens de metadata is de meest voorkomende windrichting 210 graden.
14
Dagen per sector
Percentage studiegebied
Dagen 0°-300°
Kaart 06: De molen kan in de ideale situatie 209 dagen per jaar malen. Gemiddeld kan er 23 dagen per jaar gemalen worden met wind uit het studiegebied. Op de kaart wordt dit verdeeld per sector. Maaldagen = 23 15
Percentage uit studiegebied
5. HET WINDONDERZOEK 5.1a Werkwijze en variabelen Om inzicht te krijgen op de invloed die een obstakel uitoefent in de lijwaartse richting, worden de afstanden van dit obstakel tot het te beschouwen object en de hoogte van het te beschouwen object uitgedrukt in obstakelhoogten. De hoogte van het obstakel wordt hierbij op 1 gesteld. De molenhoogte wordt hierbij aangeduid met de askophoogte. De askophoogte is gerekend als de helft van het wiekenkruis plus de vrije ruimte tussen onderste tip van de wiek plus een eventueel verschil in hoogte tussen het beschouwde terrein en het molenerf. De onderlinge afstand van obstakel en molen wordt ook uitgedrukt in obstakelhoogten. In het rekenmodel wordt rekening gehouden met de hoek in de windroos die de objecten bestrijken. Dit wordt uitgedrukt in graden. De uiterste punten van het object bepalen het begin en eindgraad van het object gezien vanuit het hart van de molen. Tevens wordt er rekening gehouden met de variërende maaiveldhoogtes. Vervolgens wordt er gekeken naar voor- en achterliggende (vanuit de molen gezien) objecten. Op basis hiervan wordt bepaald of het object een directe belemmering veroorzaakt. De gekozen methode is te onnauwkeurig om windreductie tot achter de komma uit te kunnen rekenen. De vermelde getallen zijn zuiver indicatief en uitsluitend bedoeld om de ene situatie met de andere te kunnen vergelijken.
Tabel 1 VARIABELEN Gevlucht Gevlucht / 2 Hoek bovenas t.o.v. horizon 90 graden – hoekΘ
Lengte 26,30 13,15 14,00 76,00
Eenheid m1 m1 graden graden
Onderste roetop tot stelling Verticale hoogte 1/2 gevlucht Askop tot stelling = B39 + B38 Bovenste roetop tot stelling Stelling boven straatniveau
0,40 12,76 13,16 25,92 9,10
m1 m1 m1 m1 m1
16
5.1b Hoogtes Om de hoogtes van het omliggende terrein, bomen en bebouwing te meten is er veldwerk uitgevoerd. Tevens zijn de meetgegevens van de Actuele Hoogtebestand Nederland gebruikt in het onderzoek. De relevante hoogtes van de molen: Tabel 2: HOOGTE Maaiveld Stelling n.v.t. Onderste roetop Askop Bovenste roetop
Boven NAP* 2,06 11,16
Relatief 0,00 9,10
11,56 24,32 37,08
9,50 22,26 35,02
Omgeving molen, weergave AHN4 DSM3:
Molen
3
https://www.ahn.nl/ahn-viewer
17
5.2 Bestaande situaties 5.2.a Ruwheidslengtes Na een obstakel kan de wind zich herstellen. De afstand die wind nodig heeft om na een obstakel weer op gelijke snelheid te waaien als voor het obstakel is ongeveer 400 meter. Om een accuraat beeld te verkrijgen van de windsnelheid binnen een straal van 400 meter tot de molen moet er gekeken worden naar de ruwheidslengte (effectieve maat voor de hoeveelheid en hoogte van obstakels op de grond) tussen 800 meter en 400 meter. Hoe hoger het getal, des te meer de wind aan de grond wordt afgeremd. Het gebied rondom molen De Hoop is aan te merken als stedelijk bebouwd gebied. Het gebied direct ten noorden van de molen momenteel in gebruik als parkeerterrein. Achter het parkeerterrein zijn er nog kale grondvlakken aanwezig.
Satellietfoto van de directe omgeving ten noorden van de molen (kruis). De rode cirkel duidt een straal van 400 meter aan.
18
5.2.b Scenario 1: Windreductie werkelijke situatie 26 augustus 2021
Maaldagen per sector Reductie t.o.v. ideale situatie per sector
Kaart 07: De molen kan in de huidige, werkelijke situatie 19 dagen jaar malen met wind uit het studiegebied. Een reductie van 4 maaldagen, ofwel 17% ten opzichte van de ideale situatie. Maaldagen (afgerond) = 19
19
5.2.c Scenario 2: Windreductie (bestaand) bestemmingsplan WFZ
Kaart 08: Overzicht van de bouwvlakken binnen het bestemmingsplan WFZ die zich binnen het studiegebied bevinden. Deze gebouwen zijn nog niet gerealiseerd. Het model gaat uit van de maximale bouwhoogte met de nok in de meest ongunstige richting.
20
Reductie t.o.v. ideale situatie
Reductie t.o.v. werkelijke situatie (scenario 1) Reductie op het onderste end met reductie bovenste end op 0% (turbulentie)
Kaart 09: Windreductie als gevolg van realisatie bestemmingsplan WFZ, onherroepelijk vastgesteld op 28 mei 2020. Maaldagen (afgerond) = 19
21
5.2.d Scenario 3: Windreductie nieuwe situatie t.o.v. scenario 1
Kaart 03: Situatie scenario 3. Dit scenario gaat uit van het realiseren van woningen conform BS101 met maximaal toelaatbare bouwhoogtes. In dit scenario is het terrein tussen bouwvlakken en de molen in gebruik als parkeerplaats.
22
Reductie t.o.v. ideale situatie
Reductie t.o.v. werkelijke situatie (scenario 1)
Reductie op het onderste end met reductie bovenste end op 0% (turbulentie)
Kaart 10: Windreductie nieuwe situatie t.o.v. van de werkelijke situatie (scenario 1). Maaldagen (afgerond) = 18 Maaiveld hoogtes: B t/m F = +1,78 NAP Maaiveld hoogte: A = +2,70 NAP
23
5.2.e Scenario 4: Windreductie nieuwe situatie t.o.v. scenario 2
Reductie t.o.v. ideale situatie
Reductie t.o.v. bestaande bestemmingsplan WFZ (scenario 2)
Reductie op het onderste end met reductie bovenste end op 0% (turbulentie)
Kaart 11: Windreductie nieuwe situatie t.o.v. de windreductie als gevolg van realisatie woningen conform bestemmingsplan WFZ (scenario 2). Maaldagen (afgerond) = 18
24
6. CONCLUSIE & AANBEVELINGEN Scenario 1, 2, 3 en 4 Voor dit onderzoek zijn er twee bestaande scenario’s berekend: 1. Scenario 1: De werkelijke situatie op 26 augustus 2021. Het terrein ten noordwesten van de molen wordt voor een grootdeel gebruikt als parkeerterrein voor het Dolfinarium. Het overige deel binnen het studiegebied is kale zandgrond of water. 2. Scenario 2: De situatie zoals toegelaten volgens het bestemmingsplan Waterfront-Zuid – Stadswerven en De Kades (WFZ). Onherroepelijk vastgesteld op 28 mei 2020. De maximaal toelaatbare hoogtes zijn gebruikt in de berekening, tevens is er uitgegaan van de meest ongunstige ligging van de gebouwen vanuit de molen gezien. De bouwvlakken volgens dit bestemmingsplan bevinden zich ter plaatste van het bestaande parkeerterrein. Vervolgens zijn er twee toekomstige scenario’s berekend: 3. Scenario 3:Het realiseren van de gebouwen volgens tekening BS101 – Waterfront Kop Stadswerven. De reductie wordt berekend op basis van de werkelijke situatie (scenario 1) – de situatie dat het terrein tussen het bouwvlak en de molen in gebruik blijft als parkeerterrein. 4. Scenario 4: Het realiseren van de gebouwen volgens tekening BS101 – Waterfront Kop Stadswerven. De reductie wordt berekend op basis van de maximaal toelaatbare bouwhoogtes op het terrein tussen het bouwvlak en de molen (scenario 2).
Reductie per scenario: In de ideale situatie kan de molen 209 dagen per jaar malen, waarvan 23 dagen uit de windhoek 300°-360°. In verband met de geringe hoeveelheid maaldagen uit de windhoek 300°-360° wordt de reductie in deze niet louter in maaldagen uitgedrukt maar ook procentueel. Maaldagen kunnen immers uitsluitend worden uitgedrukt als natuurlijk getal. Reductie bestaande situaties ten opzichte van de ideale situatie: 1. De werkelijke situatie heeft een reductie van ca. 4 maaldagen ten opzichte van de ideale situatie, ofwel 15%. o Maaldagen (afgerond) = 19
25
2. De bestaande situatie op basis van het bestemmingsplan WFZ heeft een reductie van ca. 4 maaldagen ten opzichte van de ideale situatie, ofwel 17%. Achter de komma is dit een reductie van een halve dag ten opzichte van scenario 1, ofwel 2%. o Maaldagen (afgerond) = 19 3. De toekomstige situatie na realisatie van de gebouwen volgens de nieuwe bestemmingsplannen voor Kop Stadswerven veroorzaken een reductie van 5 dagen ten opzichte van de ideale situatie, ofwel 19%, indien het terrein tussen het bouwvlak en de molen in gebruik blijft als parkeerterrein. Dit is een reductie van 4%, ofwel 1 dag minder, ten opzichte van scenario 1. o Maaldagen (afgerond) = 18 4. Indien de gebouwen volgens de nieuwe bestemmingsplannen voor Kop Stadswerven worden gerealiseerd wordt de relatieve reductie als gevolg van bestemmingsplan Waterfront Kop Stadswerven kleiner. In dit scenario is de reductie 5 dagen ten opzichte van de ideale situatie, ofwel 1 dag minder dan in de bestaande situatie. Wederom is dit een halve dag achter de komma. Echter is reductie veroorzaakt door de nieuwe bestemmingsplannen 3,5% ten opzichte van scenario 2. Het effect is 0,5% minder dan in scenario 3. o Maaldagen (afgerond) = 18 Bomen: Er is geen informatie beschikbaar over de bomen die geplant zullen worden op locatie. Er zijn geen bomen meegerekend in de berekeningen.
In de werkelijke situatie is er geen vegetatie die een directe belemmering veroorzaakt. Conclusie: Beide toekomstige scenario’s hebben volgens het theoretisch rekenmodel een negatief effect op de windvang van de molen, met name op de turbulentie-intensiteit op het gevlucht. De toename in turbulentie-intensiteit heeft nadelige effecten op de draaibeleving van de molenaar (UNESCO Immaterieel Erfgoed) en op de constructie van de molen als gevolg van stootbelasting op het gevlucht. De enden van het gevlucht worden variërend belast als gevolg van snelheidsverschillen in de wind gezien over de hoogte van het wiekenkruis. Zonder obstakels loopt deze snelheid geleidelijk op. Als er obstakels voor de molen komen te staan is er sprake van lage druk waardoor de stroming in de lucht wordt verstoord. Als een end van het gevlucht voorbij het lage druk gebied draait krijgt deze ineens een harde windstoot (stootbelasting). Dit is schadelijk voor de molenconstructie en storend voor de molenaar tijdens het malen. 26
Omdat de bouwvlakken van het bestemmingsplan in een hoek staan waaruit relatief weinig wind waait is de reductie in het aantal maaldagen beperkt als deze wordt uitgedrukt in maaldagen, namelijk 1 dag op 19 dagen. Procentueel gezien is dit ca. 4% ten opzichte van de bestaande situaties (scenario’s 1 en 2). De grootste reductie wordt veroorzaakt door bouwdelen A en C (zie kaart 03 op pagina 22).
Aanbevelingen Gebouwen: Het uitgangspunt van de omgevingsverordening is dat ontwikkelingen geen beperking opleveren voor de functionaliteit van de molen. Uit de beoordeling van het rekenmodel blijkt dat er in de toekomstige situatie vermindering is van 1 maaldag t.o.v. de bestaande situatie, namelijk 18 dagen in plaats van 19. Geadviseerd wordt om in overleg te treden met de provincie Gelderland om te bezien welke ruimte er is om de omgeving van de molen te ontwikkelen. Hierbij kan tevens nagedacht worden over mitigerende maatregelen, zoals het verbeteren van de windvang vanuit andere windhoeken. Denk hierbij vooral aan het kappen van hoge bomen.
Bomen: Er zijn geen gegevens bekend over de bomen die aangeplant worden in combinatie met de ontwikkeling van het gebied ten noordwesten van de molen. Het verdient aanbeveling om bomen te planten die van nature laag blijven (zoals fruitbomen) die niet hoger groeien dan de omliggende bebouwing.
27
April 2021
Quickscan Wet natuurbescherming
Waterfront fase II Kop Stadswerven
In opdracht van: Gemeente Harderwijk Projectnummer: 2021-089
© 2021 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87 Btwnr NL 820598215B01 IBAN NL46 TRIO 0198 4486 00 Tekst: Veldonderzoek: Foto’s:
W.A. (Wiegert) Steen W.A. (Wiegert) Steen W.A. (Wiegert) Steen
Foto voorblad:
Plangebied Kop Stadswerven
Projectnummer: Wijze van citeren:
2021-089 Steen, W.A., 2021. Quickscan Wet natuurbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2021-089.
In opdracht van: Contactpersoon:
Gemeente Harderwijk H. (Hans) Nienhuis
Datum: Ondertekening: Paraaf:
22-04-2021 V. (Vera) Praet
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving.
Door de inzet van conform de wet ecologisch deskundigen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.
Inhoud
1.
2.
3.
4.
Aanleiding ..................................................... 3
4.2.
Algemene broedvogels ............................ 12
4.3.
Ontheffing 2013 ...................................... 13
1.1.
Situatie ....................................................... 3
1.2.
Beschrijving van het plangebied ................ 3
1.3.
Probleemstelling ........................................ 3
5.1.
Beantwoording onderzoeksvragen ......... 14
1.4.
Geldigheid onderzoek ................................ 3
5.2.
Conclusie ................................................. 14
Onderzoeksmethode ...................................... 6
5.3.
Kansen voor natuur ................................. 14
5.
2.1.
Literatuuronderzoek .................................. 6
2.2.
Veldonderzoek ........................................... 6
6.1.
Literatuur ................................................. 16
2.3.
Effectenanalyse .......................................... 6
6.2.
Websites .................................................. 16
Bijlage A.
Wettelijk kader ................................. 17
Soortbescherming .......................................... 7
6.
Conclusie en advies ...................................... 14
Literatuurlijst ............................................... 16
3.1.
Vaatplanten ............................................... 7
Wet Natuurbescherming...................................... 17
3.2.
Grondgebonden zoogdieren ...................... 7
Zorgplicht ............................................................. 17
3.3.
Vleermuizen ............................................... 8
Natura 2000-gebieden ......................................... 17
3.4.
Vogels......................................................... 9
Soortbescherming ................................................ 18
3.5.
Vissen ....................................................... 10
Beschermde houtopstanden ................................ 20
3.6.
Amfibieën................................................. 10
Ontheffing, vergunning of vrijstelling .................. 21
3.7.
Reptielen .................................................. 10
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ........................ 21
3.8.
Ongewervelden........................................ 11
Bijlage B.
Overzicht algemene vrijstellingen ...... 25
Mitigatie soortbescherming .......................... 12
Bijlage C.
Nederlandse vleermuissoorten.......... 26
Bijlage D.
Ecologisch deskundige ...................... 27
4.1.
Zorgplicht ................................................. 12
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
1
Samenvatting
In Harderwijk wordt gewerkt aan de uitvoering van het Waterfront. Binnenkort wordt begonnen met fase II, Waterfront Kop Stadswerven. Er komt hier een stadspark met appartementengebouw aan het water. Tegenover het park komt een bovengrondse parkeergarage. De garage wordt omringd met gebouwen, zodat deze aan het zicht wordt onttrokken. De bebouwing bestaat grotendeels uit een verscheidenheid aan (middel)grote, individuele pakhuizen, stadshuizen en appartementen. Voor het plangebied is nog een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk en een onderdeel hiervan is een toetsing om de ecologische haalbaarheid van het plan aan te tonen. In dit kader heeft Gemeente Harderwijk aan Ecologisch Adviesbureau Viridis gevraagd om een Quickscan Soortbescherming uit te voeren Uit de Quickscan Soortbescherming blijkt dat algemene broedvogels tot broeden kunnen komen (tabel 1). Daarnaast kunnen er grondgebonden zoogdieren en amfibieën voorkomen die (provinciaal) vrijgesteld zijn van de Wet natuurbescherming. Andere beschermde soorten worden in het plangebied niet verwacht. Mogelijke effecten op beschermde soorten kunnen voorkomen worden door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart – 1 september) uit te voeren of door vooraf een broedvogelcontrole uit te voeren.
In het kader van de zorgplicht dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden om het doden grondgebonden zoogdieren, amfibieën en andere soorten zo veel als mogelijk te voorkomen. Als de mitigerende maatregelen in acht worden genomen is er geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
Tabel 1 | Samenvatting soortbescherming met aanwezigheid, effecten en vervolgstappen per soortgroep Soortgroep
Effecten
Vervolgstappen
Vaatplanten
Nee
Geen
Grondgebonden zoogdieren
Nee Nee
Zorgplicht
Vleermuizen Vogels met jaarrond beschermd nest
Nee
Geen
Algemene vogels
Mogelijk overtreding artikel 3.1
Werken buiten broedseizoen
Vissen
Nee
Geen
Amfibieën
Nee
Zorgplicht
Reptielen
Nee
Geen
Ongewervelden
Nee
Geen
Geen
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
2
1. Aanleiding
1.1. Situatie In Harderwijk wordt gewerkt aan de uitvoering van het Waterfront. Binnenkort wordt begonnen met fase II, Waterfront Kop Stadswerven. Er komt hier een stadspark met appartementengebouw aan het water. Tegenover het park komt een bovengrondse parkeergarage. De garage wordt omringd met gebouwen, zodat deze aan het zicht wordt onttrokken. De bebouwing bestaat grotendeels uit een verscheidenheid aan (middel)grote, individuele pakhuizen, stadshuizen en appartementen.
Boulevard en het Dolfinarium. Op dit moment is het plangebied grotendeels gesaneerd en bouwrijp gemaakt voor de werkzaamheden van Waterfront. Een groot deel wordt gebruikt als bouwdepot en er wordt grond opgeslagen. In Figuur 1.1 is een overzicht gegeven van het project Waterfront met de verschillende deelgebieden. InAfbeelding 1.1 t/m 1.8 is een impressie van het plangebied en de directe omgeving te zien.
1.3. Probleemstelling In het verleden zijn voor Waterfront verschillende natuurtoetsen uitgevoerd (o.a. door Bureau Viridis) met betrekking tot de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet. Uit deze onderzoeken is gebleken dat beschermde soorten voorkomen in het plangebied, waaronder rivierdonderpad, kleine modderkruiper, verschillende soorten broedvogels en mogelijk vleermuizen. Voor fase II is in 2013 ontheffingen van de Flora- en faunawet (tegenwoordig Wet natuurbescherming) aangevraagd en verkregen (FF/75C/2013/0085A). Daarna is begonnen met de sloop van bebouwing, sanering van percelen, bouwrijp maken van gronden en aanpassen van de kades in het plangebied van fase II. Ondertussen zijn de natuurtoetsen verouderd en zijn de ontheffingen niet meer geldig. Voor het plangebied is nog een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk en een onderdeel hiervan is een toetsing om de ecologische haalbaarheid van het plan aan te tonen. In dit kader heeft Gemeente Harderwijk aan Ecologisch Adviesbureau Viridis (hierna: Bureau Viridis) gevraagd om een Quickscan Soortbescherming uit te voeren.
1.2. Beschrijving van het plangebied Het plangebied is gelegen in Harderwijk aan het Wolderwijd. Aan de zuidkant wordt het plangebied begrensd door een parkeerplaats (deelgebied Stadswerven). Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de nieuwbouwwijk De Eilanden en Watersportboulevard (fase II) en aan de oostkant door de
Om goed voorbereid te zijn op eventueel noodzakelijke maatregelen of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming geeft een Quickscan Soortbescherming antwoord op de volgende onderzoeksvragen: • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? • Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? • Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren. Uiteindelijk wordt daarmee de vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren?
1.4. Geldigheid onderzoek Deze Quickscan is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
3
gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn”. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in
paragraaf 1.1. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden.
Figuur 1.1 | Overzicht van het plangebied Waterfront Fase II met daarin de verdeling van de verschillende deelgebieden (Bron: Consortium Waterfront).
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
4
Afbeelding 1.1 | Noordzijde van het plangebied.
Afbeelding 1.2 | Noordoostzijde van het plangebied.
Afbeelding 1.3 | Oostzijde van het plangebied met opslag.
Afbeelding 1.4 | Oostzijde van het plangebied.
Afbeelding 1.5 | Midden op het terrein staat een speeltoestel. Afbeelding 1.6 |Aan de westzijde van het terrein is een grondepot aanwezig.
Afbeelding 1.7 | Grondepot vanaf de andere zijde.
Afbeelding 1.8 | Westzijde van het plangebied.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
5
2. Onderzoeksmethode
Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hiermee is de ecologische waarde van het plangebied onderzocht door middel van een literatuuronderzoek en een veldinventarisatie. Op deze manier wordt het voorkomen bepaald van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming en wordt gekeken of de voorgenomen ingrepen effecten hebben op beschermde natuurgebieden of beschermde houtopstanden. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.
2.1. Literatuuronderzoek Voor het literatuuronderzoek zijn verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen en vrij beschikbare verspreidingsgegevens van soortenorganisaties gebruikt. Daarnaast heeft Bureau Viridis in 2013 een natuurtoets uitgevoerd (van Delft & de Jong, 2013) en afgelopen jaar de ecologische begeleiding uitgevoerd voor het project Waterfront. Deze gegevens zijn ook gebruikt voor de Quickscan. De gebruikte bronnen staan vermeld in hoofdstuk 8. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten. Voor
literatuuronderzoek naar houtopstanden is gebruik gemaakt van bestaande digitale kaarten van de bebouwde kom voor de betreffende gemeente.
2.2. Veldonderzoek Bureau Viridis heeft op 8 april 2021 een veldbezoek uitgevoerd. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement beoordeeld of in en rond het plangebied beschermde natuurwaarden kunnen voorkomen of dat er voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is.
2.3. Effectenanalyse De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen gegevens van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de werkzaamheden mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Als blijkt dat er beschermde natuurwaarden zijn die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven in onderhavige rapportage. Wanneer mogelijk worden alternatieven of mitigerende maatregelen voorgesteld om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. Indien de aanwezigheid van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft wordt dit aangeven in de toetsing.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
6
3. Soortbescherming
Dier- en plantensoorten zijn verdeeld in drie categorieën en worden in meer of mindere mate beschermd: • Vogelrichtlijnsoorten, hieronder vallen alle inheemse vogelsoorten (artikel 3.1); • Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5); • Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10). Per wetsartikel gelden een aantal verbodsbepalingen die mogelijk overtreden worden bij de geplande ingreep. Bij ruimtelijke ingrepen houdt dit hoofdzakelijk verband met de bescherming van nesten, bescherming van verblijfplaatsen en voortplantingsbiotoop en verbod op het doden of verwonden van beschermde soorten. Op deze verbodsbepalingen gelden enkele uitzonderingen. Zo is provinciaal een vrijstellingslijst vastgesteld met daarop een aantal soorten waarvoor deze verbodsbepalingen niet gelden. Ook kan er in specifieke gevallen gewerkt worden volgens een ministerieel goedgekeurde gedragscode waarin voorschriften opgenomen zijn om de effecten te beperken. Naast de verbodsartikelen voor de soorten en gebieden geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.11) voor álle inheemse dier- en plantensoorten, inclusief de niet beschermde en vrijgestelde soorten. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Deze zorgverplichting geldt voor alle hieronder beschreven soortgroepen en zal daarom niet nog eens per soortgroep worden beschreven.
In het volgende hoofdstuk worden algemene mitigerende maatregelen beschreven om aan de zorgplicht te voldoen. Hieronder worden de resultaten van het literatuuronderzoek en veldonderzoek per soortgroep besproken. Per soortgroep is een effectenbeoordeling opgenomen waarin helder beschreven wordt of er negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen.
3.1. Vaatplanten In het plangebied zijn geen beschermde soorten vaatplanten aangetroffen. Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit braakliggende delen met recent aangebracht zand. Op sommige delen groeit hier inmiddels pioniervegetatie. Beschermde plantensoorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens (NDFF; van Delft & de Jong, 2013) en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Effectbeoordeling vaatplaten Ondanks dat het veldonderzoek is uitgevoerd in een minder geschikte periode voor het inventariseren van planten, is er op basis van het literatuur- en veldonderzoek niet te verwachten dat beschermde vaatplanten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Negatieve effecten op beschermde soorten vaatplanten zijn daarom uitgesloten. Een nader onderzoek naar beschermde vaatplanten is niet noodzakelijk. Conclusie vaatplanten Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied geen beschermde vaatplanten aanwezig zijn.
3.2. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Uit literatuuronderzoek naar zoogdierwaarnemingen in de laatste 10 jaar (NDFF) is gebleken dat in de omgeving egel en haas zijn waargenomen. Het plangebied is ongeschikt voor deze soorten. Vegetatie en geschikte schuilmogelijkheden ontbreken binnen het plangebied. Daarnaast wordt het plangebied intensief gebruikt door omwonenden om de hond uit te laten wat zorgt voor veel verstoring. Wel kunnen er enkele muizen voorkomen die provinciaal zijn vrijgesteld. Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde grondgebonden
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.