Waterfront-Zuid Kop Stadswerven_Bijlagen Toelichting
Tekst van het document
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Bron Sector
Emissie NH3
Emissie NOx
-
49,93 kg/j
Bouwverkeer Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
3,59 kg/j
Bouwverkeer - stagnatie Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
< 1 kg/j
Bouwblok Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
Resultaten
Situatie 1
RqhgyGkGrA3T (27 februari 2020) pagina 3/6
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
Resultaten
NOx
Voertuig
Omschrijving
Brandstof verbruik (l/j)
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Heistelling
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Bouwblok 171020, 485207 49,93 kg/j
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
3.600
NOx
4,35 kg/j
Bouwkraan
14.400
NOx
17,42 kg/j
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Graafmachine
5.760
NOx
6,97 kg/j
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Hoogwerker
3.600
NOx
4,35 kg/j
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Shovel
3.840
NOx
4,64 kg/j
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Betonpomp
2.400
NOx
2,90 kg/j
STAGE IV, 130 – 560 kW, bouwjaar 2014/01, Cat. Q
Overige machines (worst-case)
7.680
NOx
9,29 kg/j
Situatie 1
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
RqhgyGkGrA3T (27 februari 2020) pagina 4/6
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
1.200,0 / jaar NOx NH3
3,17 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Licht verkeer
2.000,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Bouwverkeer 171310, 484980 3,59 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
Situatie 1
Bouwverkeer - stagnatie 171039, 485164 < 1 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
300,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
RqhgyGkGrA3T (27 februari 2020) pagina 5/6
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019A_20200211_3b24c29c22 Database versie 2019A_20200226_89548b118c Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A
Resultaten
Situatie 1
RqhgyGkGrA3T (27 februari 2020) pagina 6/6
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Oude situatie en Nieuwe situatie Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 1/12
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Gemeente Harderwijk
Postbus 149, 3840 AC Harderwijk
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Waterfront - gebruiksfase interne saldering - compleet
RWVtoiKgEhCE
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
27 januari 2020, 23:00
2022
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Situatie 1
Situatie 2
Verschil
NOx
327,88 kg/j
291,42 kg/j
-36,46 kg/j
NH3
19,86 kg/j
14,49 kg/j
-5,37 kg/j
Resultaten
Natuurgebied
Hectare met hoogste verschil (mol/ha/j)
Uw berekening heeft geen verschillen opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Toelichting
Waterfront
Resultaten
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 2/12
Resultaten
Locatie Oude situatie
Emissie Oude situatie
Resultaten
Bron Sector
Oude situatie Nieuwe situatie
Emissie NH3
Emissie NOx
Wegverkeer camping Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
< 1 kg/j
Wegverkeer - parkeerterrein Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
19,80 kg/j
326,94 kg/j
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 3/12
Resultaten
Locatie Nieuwe situatie
Emissie Nieuwe situatie
Resultaten
Bron Sector
Oude situatie Nieuwe situatie
Emissie NH3
Emissie NOx
Pleziervaartuigen Scheepvaart | Binnenvaart: Vaarroute
-
52,26 kg/j
Ontsluiting Kop Stadswerven Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
4,04 kg/j
66,74 kg/j
Ontsluiting Fase 3 - deel 1 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
2,74 kg/j
45,29 kg/j
Ontsluiting Fase 3 - deel 2 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
15,69 kg/j
Ontsluiting fase 3 - Deel 3 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
6,51 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 4 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
3,76 kg/j
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 4/12
Resultaten
Bron Sector
Resultaten
Oude situatie Nieuwe situatie
Emissie NH3
Emissie NOx
Ontsluiting fase 3 - deel 5 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
< 1 kg/j
8,57 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 6 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
3,47 kg/j
57,36 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 7 Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
2,13 kg/j
35,24 kg/j
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 5/12
Resultaten
Resultaten stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden
Natuurgebied
Veluwe
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
0,01
0,01
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
0,00
(mol/ha/j)
*
Resultaten
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 6/12
Resultaten
Resultaten per habitattype
Veluwe Habitattype
(mol/ha/j) voor de 10 stikstofgevoelige Natura 2000gebieden met het hoogste resultaat
ZGLg13 Bos van arme zandgronden
0,01
0,01
0,00
H2310 Stuifzandheiden met struikhei
0,01
0,01
0,00
H2330 Zandverstuivingen
0,01
0,01
0,00
Lg13 Bos van arme zandgronden
0,01
0,01
0,00
Lg09 Droog struisgrasland
0,01
0,01
0,00
L4030 Droge heiden
0,01
0,01
0,00
Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
0,01
0,01
0,00
ZGL4030 Droge heiden
0,01
0,01
0,00
ZGH4030 Droge heiden
0,01
0,01
0,00
ZGLg09 Droog struisgrasland
0,01
0,01
0,00
H4030 Droge heiden
0,01
0,01
0,00
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,01
0,00
0,00
H9190 Oude eikenbossen
0,01
0,00
0,00
ZGLg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
0,01
0,00
0,00
*
Resultaten
Hectare met hoogste verschil Situatie 1 Situatie 2 Verschil
Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 7/12
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Oude situatie
NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
16,0 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Wegverkeer camping 171302, 485049 < 1 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Standaard
Licht verkeer
Oude situatie Nieuwe situatie
Wegverkeer - parkeerterrein 171269, 484938 326,94 kg/j 19,80 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
4.800,0 / etmaal NOx NH3
326,94 kg/j 19,80 kg/j
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 8/12
Resultaten
Emissie (per bron)
Pleziervaartuigen 170878, 485292 CEMT_I 52,26 kg/j
Naam Locatie (X,Y)
Nieuwe situatie
Type vaarweg NOx
Scheepstype
Omschrijving
Vaarbeweging (A -> B)
Percentage geladen
Vaarbeweging (B -> A)
Percentage Stof geladen
Emissie
M0
pleziervaartuigen
1.600 / jaar
0%
1.600 / jaar
0% NOx
52,26 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
894,0 / etmaal NOx NH3
66,74 kg/j 4,04 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Ontsluiting Kop Stadswerven 171111, 485418 66,74 kg/j 4,04 kg/j
Ontsluiting Fase 3 - deel 1 171131, 485502 45,29 kg/j 2,74 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
966,0 / etmaal NOx NH3
45,29 kg/j 2,74 kg/j
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 9/12
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Standaard
Licht verkeer
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Aantal voertuigen Stof
Emissie
1.074,0 / etmaal NOx NH3
15,69 kg/j < 1 kg/j
Ontsluiting fase 3 - Deel 3 171276, 485386 6,51 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
762,0 / etmaal NOx NH3
6,51 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Ontsluiting Fase 3 - deel 2 171261, 485410 15,69 kg/j < 1 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 4 171355, 485310 3,76 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
762,0 / etmaal NOx NH3
3,76 kg/j < 1 kg/j
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 10/12
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
432,0 / etmaal NOx NH3
8,57 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Standaard
Licht verkeer
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Ontsluiting fase 3 - deel 5 171448, 485112 8,57 kg/j < 1 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 6 171298, 484974 57,36 kg/j 3,47 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
1.008,0 / etmaal NOx NH3
57,36 kg/j 3,47 kg/j
Ontsluiting fase 3 - deel 7 171345, 485021 35,24 kg/j 2,13 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
750,0 / etmaal NOx NH3
35,24 kg/j 2,13 kg/j
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 11/12
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019A_20200113_49aab7f583 Database versie 49aab7f583 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A
Resultaten
Oude situatie Nieuwe situatie
RWVtoiKgEhCE (27 januari 2020) pagina 12/12
bestemmingsplan Waterfront-Zuid Kop Stadswerven
Bijlage 2 Quickscan Soortbescherming
58
April 2021
Quickscan Wet natuurbescherming
Waterfront fase II Kop Stadswerven
In opdracht van: Gemeente Harderwijk Projectnummer: 2021-089
© 2021 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87 Btwnr NL 820598215B01 IBAN NL46 TRIO 0198 4486 00 Tekst: Veldonderzoek: Foto’s: Foto voorblad:
Plangebied Kop Stadswerven
Projectnummer: Wijze van citeren:
2021-089
In opdracht van: Contactpersoon:
Gemeente Harderwijk
Datum: Ondertekening: Paraaf:
22-04-2021
2021. Quickscan Wet natuurbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2021-089.
Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving.
Door de inzet van conform de wet ecologisch deskundigen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.
Inhoud
1.
2.
3.
4.
Aanleiding ..................................................... 3
4.2.
Algemene broedvogels ............................ 12
4.3.
Ontheffing 2013 ...................................... 13
1.1.
Situatie ....................................................... 3
1.2.
Beschrijving van het plangebied ................ 3
1.3.
Probleemstelling ........................................ 3
5.1.
Beantwoording onderzoeksvragen ......... 14
1.4.
Geldigheid onderzoek ................................ 3
5.2.
Conclusie ................................................. 14
Onderzoeksmethode ...................................... 6
5.3.
Kansen voor natuur ................................. 14
5.
2.1.
Literatuuronderzoek .................................. 6
2.2.
Veldonderzoek ........................................... 6
6.1.
Literatuur ................................................. 16
2.3.
Effectenanalyse .......................................... 6
6.2.
Websites .................................................. 16
Bijlage A.
Wettelijk kader ................................. 17
Soortbescherming .......................................... 7
6.
Conclusie en advies ...................................... 14
Literatuurlijst ............................................... 16
3.1.
Vaatplanten ............................................... 7
Wet Natuurbescherming...................................... 17
3.2.
Grondgebonden zoogdieren ...................... 7
Zorgplicht ............................................................. 17
3.3.
Vleermuizen ............................................... 8
Natura 2000-gebieden ......................................... 17
3.4.
Vogels......................................................... 9
Soortbescherming ................................................ 18
3.5.
Vissen ....................................................... 10
Beschermde houtopstanden ................................ 20
3.6.
Amfibieën................................................. 10
Ontheffing, vergunning of vrijstelling .................. 21
3.7.
Reptielen .................................................. 10
Natuurnetwerk Nederland (NNN) ........................ 21
3.8.
Ongewervelden........................................ 11
Bijlage B.
Overzicht algemene vrijstellingen ...... 25
Mitigatie soortbescherming .......................... 12
Bijlage C.
Nederlandse vleermuissoorten.......... 26
Bijlage D.
Ecologisch deskundige ...................... 27
4.1.
Zorgplicht ................................................. 12
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
1
Samenvatting
In Harderwijk wordt gewerkt aan de uitvoering van het Waterfront. Binnenkort wordt begonnen met fase II, Waterfront Kop Stadswerven. Er komt hier een stadspark met appartementengebouw aan het water. Tegenover het park komt een bovengrondse parkeergarage. De garage wordt omringd met gebouwen, zodat deze aan het zicht wordt onttrokken. De bebouwing bestaat grotendeels uit een verscheidenheid aan (middel)grote, individuele pakhuizen, stadshuizen en appartementen. Voor het plangebied is nog een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk en een onderdeel hiervan is een toetsing om de ecologische haalbaarheid van het plan aan te tonen. In dit kader heeft Gemeente Harderwijk aan Ecologisch Adviesbureau Viridis gevraagd om een Quickscan Soortbescherming uit te voeren Uit de Quickscan Soortbescherming blijkt dat algemene broedvogels tot broeden kunnen komen (tabel 1). Daarnaast kunnen er grondgebonden zoogdieren en amfibieën voorkomen die (provinciaal) vrijgesteld zijn van de Wet natuurbescherming. Andere beschermde soorten worden in het plangebied niet verwacht. Mogelijke effecten op beschermde soorten kunnen voorkomen worden door de werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart – 1 september) uit te voeren of door vooraf een broedvogelcontrole uit te voeren.
In het kader van de zorgplicht dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden om het doden grondgebonden zoogdieren, amfibieën en andere soorten zo veel als mogelijk te voorkomen. Als de mitigerende maatregelen in acht worden genomen is er geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het aanvragen van een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
Tabel 1 | Samenvatting soortbescherming met aanwezigheid, effecten en vervolgstappen per soortgroep Soortgroep
Effecten
Vervolgstappen
Vaatplanten
Nee
Geen
Grondgebonden zoogdieren
Nee Nee
Zorgplicht
Vleermuizen Vogels met jaarrond beschermd nest
Nee
Geen
Algemene vogels
Mogelijk overtreding artikel 3.1
Werken buiten broedseizoen
Vissen
Nee
Geen
Amfibieën
Nee
Zorgplicht
Reptielen
Nee
Geen
Ongewervelden
Nee
Geen
Geen
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
2
1. Aanleiding
1.1. Situatie In Harderwijk wordt gewerkt aan de uitvoering van het Waterfront. Binnenkort wordt begonnen met fase II, Waterfront Kop Stadswerven. Er komt hier een stadspark met appartementengebouw aan het water. Tegenover het park komt een bovengrondse parkeergarage. De garage wordt omringd met gebouwen, zodat deze aan het zicht wordt onttrokken. De bebouwing bestaat grotendeels uit een verscheidenheid aan (middel)grote, individuele pakhuizen, stadshuizen en appartementen.
Boulevard en het Dolfinarium. Op dit moment is het plangebied grotendeels gesaneerd en bouwrijp gemaakt voor de werkzaamheden van Waterfront. Een groot deel wordt gebruikt als bouwdepot en er wordt grond opgeslagen. In Figuur 1.1 is een overzicht gegeven van het project Waterfront met de verschillende deelgebieden. InAfbeelding 1.1 t/m 1.8 is een impressie van het plangebied en de directe omgeving te zien.
1.3. Probleemstelling In het verleden zijn voor Waterfront verschillende natuurtoetsen uitgevoerd (o.a. door Bureau Viridis) met betrekking tot de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet. Uit deze onderzoeken is gebleken dat beschermde soorten voorkomen in het plangebied, waaronder rivierdonderpad, kleine modderkruiper, verschillende soorten broedvogels en mogelijk vleermuizen. Voor fase II is in 2013 ontheffingen van de Flora- en faunawet (tegenwoordig Wet natuurbescherming) aangevraagd en verkregen (FF/75C/2013/0085A). Daarna is begonnen met de sloop van bebouwing, sanering van percelen, bouwrijp maken van gronden en aanpassen van de kades in het plangebied van fase II. Ondertussen zijn de natuurtoetsen verouderd en zijn de ontheffingen niet meer geldig. Voor het plangebied is nog een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk en een onderdeel hiervan is een toetsing om de ecologische haalbaarheid van het plan aan te tonen. In dit kader heeft Gemeente Harderwijk aan Ecologisch Adviesbureau Viridis (hierna: Bureau Viridis) gevraagd om een Quickscan Soortbescherming uit te voeren.
1.2. Beschrijving van het plangebied Het plangebied is gelegen in Harderwijk aan het Wolderwijd. Aan de zuidkant wordt het plangebied begrensd door een parkeerplaats (deelgebied Stadswerven). Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de nieuwbouwwijk De Eilanden en Watersportboulevard (fase II) en aan de oostkant door de
Om goed voorbereid te zijn op eventueel noodzakelijke maatregelen of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming geeft een Quickscan Soortbescherming antwoord op de volgende onderzoeksvragen: • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? • Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? • Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren. Uiteindelijk wordt daarmee de vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren?
1.4. Geldigheid onderzoek Deze Quickscan is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
3
gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn”. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in
paragraaf 1.1. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden.
Figuur 1.1 | Overzicht van het plangebied Waterfront Fase II met daarin de verdeling van de verschillende deelgebieden (Bron: Consortium Waterfront).
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
4
Afbeelding 1.1 | Noordzijde van het plangebied.
Afbeelding 1.2 | Noordoostzijde van het plangebied.
Afbeelding 1.3 | Oostzijde van het plangebied met opslag.
Afbeelding 1.4 | Oostzijde van het plangebied.
Afbeelding 1.5 | Midden op het terrein staat een speeltoestel. Afbeelding 1.6 |Aan de westzijde van het terrein is een grondepot aanwezig.
Afbeelding 1.7 | Grondepot vanaf de andere zijde.
Afbeelding 1.8 | Westzijde van het plangebied.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
5
2. Onderzoeksmethode
Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hiermee is de ecologische waarde van het plangebied onderzocht door middel van een literatuuronderzoek en een veldinventarisatie. Op deze manier wordt het voorkomen bepaald van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming en wordt gekeken of de voorgenomen ingrepen effecten hebben op beschermde natuurgebieden of beschermde houtopstanden. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.
2.1. Literatuuronderzoek Voor het literatuuronderzoek zijn verspreidingsgegevens uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen en vrij beschikbare verspreidingsgegevens van soortenorganisaties gebruikt. Daarnaast heeft Bureau Viridis in 2013 een natuurtoets uitgevoerd (van Delft & de Jong, 2013) en afgelopen jaar de ecologische begeleiding uitgevoerd voor het project Waterfront. Deze gegevens zijn ook gebruikt voor de Quickscan. De gebruikte bronnen staan vermeld in hoofdstuk 8. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten. Voor
literatuuronderzoek naar houtopstanden is gebruik gemaakt van bestaande digitale kaarten van de bebouwde kom voor de betreffende gemeente.
2.2. Veldonderzoek Bureau Viridis heeft op 8 april 2021 een veldbezoek uitgevoerd. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement beoordeeld of in en rond het plangebied beschermde natuurwaarden kunnen voorkomen of dat er voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is.
2.3. Effectenanalyse De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen gegevens van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de werkzaamheden mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Als blijkt dat er beschermde natuurwaarden zijn die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven in onderhavige rapportage. Wanneer mogelijk worden alternatieven of mitigerende maatregelen voorgesteld om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. Indien de aanwezigheid van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft wordt dit aangeven in de toetsing.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
6
3. Soortbescherming
Dier- en plantensoorten zijn verdeeld in drie categorieën en worden in meer of mindere mate beschermd: • Vogelrichtlijnsoorten, hieronder vallen alle inheemse vogelsoorten (artikel 3.1); • Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5); • Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10). Per wetsartikel gelden een aantal verbodsbepalingen die mogelijk overtreden worden bij de geplande ingreep. Bij ruimtelijke ingrepen houdt dit hoofdzakelijk verband met de bescherming van nesten, bescherming van verblijfplaatsen en voortplantingsbiotoop en verbod op het doden of verwonden van beschermde soorten. Op deze verbodsbepalingen gelden enkele uitzonderingen. Zo is provinciaal een vrijstellingslijst vastgesteld met daarop een aantal soorten waarvoor deze verbodsbepalingen niet gelden. Ook kan er in specifieke gevallen gewerkt worden volgens een ministerieel goedgekeurde gedragscode waarin voorschriften opgenomen zijn om de effecten te beperken. Naast de verbodsartikelen voor de soorten en gebieden geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.11) voor álle inheemse dier- en plantensoorten, inclusief de niet beschermde en vrijgestelde soorten. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Deze zorgverplichting geldt voor alle hieronder beschreven soortgroepen en zal daarom niet nog eens per soortgroep worden beschreven.
In het volgende hoofdstuk worden algemene mitigerende maatregelen beschreven om aan de zorgplicht te voldoen. Hieronder worden de resultaten van het literatuuronderzoek en veldonderzoek per soortgroep besproken. Per soortgroep is een effectenbeoordeling opgenomen waarin helder beschreven wordt of er negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen.
3.1. Vaatplanten In het plangebied zijn geen beschermde soorten vaatplanten aangetroffen. Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit braakliggende delen met recent aangebracht zand. Op sommige delen groeit hier inmiddels pioniervegetatie. Beschermde plantensoorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens (NDFF; van Delft & de Jong, 2013) en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Effectbeoordeling vaatplaten Ondanks dat het veldonderzoek is uitgevoerd in een minder geschikte periode voor het inventariseren van planten, is er op basis van het literatuur- en veldonderzoek niet te verwachten dat beschermde vaatplanten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Negatieve effecten op beschermde soorten vaatplanten zijn daarom uitgesloten. Een nader onderzoek naar beschermde vaatplanten is niet noodzakelijk. Conclusie vaatplanten Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied geen beschermde vaatplanten aanwezig zijn.
3.2. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van grondgebonden zoogdieren aangetroffen. Uit literatuuronderzoek naar zoogdierwaarnemingen in de laatste 10 jaar (NDFF) is gebleken dat in de omgeving egel en haas zijn waargenomen. Het plangebied is ongeschikt voor deze soorten. Vegetatie en geschikte schuilmogelijkheden ontbreken binnen het plangebied. Daarnaast wordt het plangebied intensief gebruikt door omwonenden om de hond uit te laten wat zorgt voor veel verstoring. Wel kunnen er enkele muizen voorkomen die provinciaal zijn vrijgesteld. Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde grondgebonden
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
7
zoogdieren in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde grondgebonden zoogdieren. Een nader onderzoek naar beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom niet noodzakelijk. Conclusie grondgebonden zoogdieren Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren aanwezig zijn.
3.3. Vleermuizen Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied vleermuizen verwacht kunnen worden. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Vaste verblijfplaatsen Vleermuizen zijn globaal te verdelen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrelllus pipistrellus) en boombewonende soorten zoals rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en watervleermuis (Myotis daubentoni). Daarnaast bestaan er soorten die van beide elementen gebruikmaken (Bijlage C). Daarbij is ook onderscheid te maken in zomeren winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, achter dakbeschot en in schoorstenen etc.). Andere soorten zoals de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten. Omdat zich binnen het plangebied geen gebouwen of bomen bevinden, kan aanwezigheid van verblijfplaatsen van deze vleermuissoorten worden uitgesloten.
Vliegroutes Om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld vaak bomenrijen om zich te oriënteren. Als een dergelijke route
verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route gebruiken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een significant negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Het verdwijnen van een essentiële vliegroute leidt zo tot het niet meer functioneren van een verblijfplaats. Dergelijke essentiële vliegroutes zijn strikt beschermd. Het gebied is open en er is in het plangebied geen sprake van doorlopende lijnvormige elementen. Essentiële vliegroutes zijn daarom in het plangebied uitgesloten. Foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats.
Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. In de wijdere omgeving van het onderzoeksgebied zijn waarnemingen van foeragerende gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen, rosse vleermuis, watervleermuis en meervleermuis bekend (NDFF, van Delft & de Jong, 2013). Het plangebied zelf is ontzettend kaal en bevat weinig structuren, waardoor het als foerageergebied ongeschikt is voor vleermuizen. Indien er gefoerageerd wordt in het plangebied zal dit vooral boven het water gebeuren. Effectbeoordeling vleermuizen Door de afwezigheid van gebouwen of bomen kan aantasting van verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten. Ook is er geen sprake van het aantasten van (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes. Het plangebied is grotendeels braakliggend en er is in de huidige situatie zeer weinig vegetatie aanwezig
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
8
in het plangebied. Het gehele gebied is hierdoor zeer arm aan insecten waardoor het als foerageergebied voor vleermuizen ongeschikt is. Een nader onderzoek naar vleermuizen is daarom niet noodzakelijk. Voor het project liggen kansen om de nieuwbouw geschikt te maken voor vleermuizen door natuurinclusief te bouwen. Hiervoor worden in paragraaf 5.3 aanbevelingen gedaan. Conclusie vleermuizen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → Het uitgesloten is dat in het plangebied verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn. → Er geen essentiële vliegroutes aanwezig zijn in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. → Het plangebied als foerageergebied door vleermuizen gebruikt kan worden, echter niet als essentieel foerageergebied.
witte kwikstaart roepend aangetroffen op een stapel stenen binnen het plangebied. Het is bekend dat deze soort broedt in dit soort elementen. Verder is het redelijkerwijs aan te nemen dat meerkoet of fuut langs de waterkant tot broeden kunnen komen in het plangebied. Daarnaast kunnen ook op de braakliggende delen vogels tot broeden komen zoals scholekster of kleine plevier. Aangezien het gebied als losloopgebied voor honden wordt gebruikt is deze kans klein. Op het bouwterreinen moet extra aandacht worden besteed aan steile zandtaluds. Deze zijn tijdens het bezoek aangetroffen. Dit zijn geschikte broedlocaties voor oeverzwaluwen. Oeverzwaluwen beginnen ongeveer half april met de nestbouw. De nesten van deze soorten zijn alleen in de broedperiode beschermd zolang deze in gebruik zijn.
3.4. Vogels Voor vogels wordt in de Wet natuurbescherming onderscheid gemaakt tussen soorten met een jaarrond beschermde nestplaats en algemene broedvogels waarvan de nesten uitsluitend beschermd zijn gedurende de periode waarin deze in gebruik zijn (zie Tabel A in Bijlage A). In het plangebied is bekeken of er jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels aanwezig (kunnen) zijn. Ook is gezocht naar nesten van en geschikte nestgelegenheid voor algemene broedvogels. Jaarrond beschermde nestplaatsen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voor. Het betreft gierzwaluw, huismus, buizerd en roek. Gierzwaluw en huismus broeden echter in gebouwen of nestkasten. Veel huismussen zijn aangetroffen net buiten het plangebied in de wijk Zeebuurt. Aangezien geschikte gebouwen zich niet in het plangebied bevinden, kan aanwezigheid van broedgevallen worden uitgesloten. Roeken en buizerds broeden in bomen; deze ontbreken ook in en nabij het plangebied. Algemene broedvogels Buiten deze vier soorten zijn er in de omgeving van het plangebied enkele algemene soorten broedvogels waargenomen (NDFF). Tijdens het veldbezoek is een
Afbeelding 3.1 | Steile zandtalud geschikt voor oeverzwaluw. Effectbeoordeling vogels In het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aanwezig. Het is uitgesloten dat er door het verwijderen van de bomen jaarrond beschermde nesten vernietigd zullen worden. Een nader onderzoek naar vogels met jaarrond beschermde nesten is daarom niet noodzakelijk. Mogelijk komen wel algemene vogelsoorten in het plangebied tot broeden. Bij werkzaamheden in het broedseizoen kunnen nesten van algemene broedvogels vernield worden of ernstige verstoring kan tot hetzelfde effect leiden. De nesten van deze soorten zijn beschermd zolang ze in gebruik zijn. Voor het project liggen kansen om de nieuwbouw geschikt te maken voor vogels door natuurinclusief te bouwen. Hiervoor worden in paragraaf 5.3 aanbevelingen gedaan. Conclusie vogels Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat:
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
9
→ → →
→ →
In het plangebied of in de directe omgeving geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten zijn uitgesloten. Er binnen het plangebied algemene broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten tot broeden kunnen komen, waarvan de nesten tijdens werkzaamheden in het broedseizoen vernield kunnen worden of ernstige verstoring tot hetzelfde effect leidt. Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1, lid 2. Mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk, de mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 6.
verspreid door Nederland voorkomen. Er is vanaf 2013 elk jaar onderzoek gedaan naar de rugstreeppad voor het project Waterfront, maar deze soort is nooit aangetroffen. Er wordt dan ook vanuit gegaan dat de rugstreeppad zich in fase II zich niet zal vestigen. Voor de gewone pad en bruine kikker geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, maar het is in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.
In de omgeving van het plangebied (noordwestelijk deel van fase II) is in 2013 de rivierdonderpad aangetroffen tussen de steenbestorting van de oevers (van Delft & de Jong, 2013). De soort is sterk afhankelijk van dit substraat. Oevers met steenbestorting komen in het plangebied niet voor en de rivierdonderpad wordt dan ook niet verwacht in het plangebied.
Effectbeoordeling amfibieën Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde amfibieën (met uitzondering van enkele vrijgestelde soorten) in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde amfibieën. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Een nader onderzoek naar beschermde amfibieën is niet noodzakelijk.
Andere beschermde vissoorten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens (NDFF; van Delft & de Jong, 2013) niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Conclusie amfibieën Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde amfibieën aanwezig.
3.5. Vissen
Effectbeoordeling vissen Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde vissen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde vissen is daarom niet noodzakelijk. Conclusie vissen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde vissen aanwezig.
3.6. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen, maar uit NDFF-gegevens is wel gebleken dat in de omgeving van het plangebied de gewone pad en de bruine kikker voorkomt. Er zijn geen recente waarnemingen van rugstreeppad bekend in het plangebied of in de naaste omgeving van het plangebied. Van deze soort is echter bekend dat ze in lage dichtheden
3.7. Reptielen In het plangebied en nabije omgeving zijn geen reptielen aangetroffen, noch zijn waarnemingen bekend uit het verleden. Aangezien geschikt habitat voor deze soortgroep ontbreekt is hun voorkomen uitgesloten. Effectbeoordeling reptielen Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde reptielen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde reptielen. Een nader onderzoek naar beschermde reptielen is daarom ook niet noodzakelijk. Conclusie reptielen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde reptielen aanwezig.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
10
3.8. Ongewervelden Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF en op basis van terreingesteldheid worden geen beschermde ongewervelden verwacht in het plangebied. Beschermde ongewervelde diersoorten, zoals dagvlinders en libellen, stellen namelijk zeer specifieke eisen aan hun biotoop. In het plangebied zijn geen geschikte biotopen voor deze soorten aanwezig. Zij worden daarom ook niet verwacht. Effectbeoordeling ongewervelden Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde ongewervelden in het
plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde ongewervelden. Een nader onderzoek naar beschermde ongewervelden is daarom ook niet noodzakelijk. Conclusie ongewervelden Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
11
4. Mitigatie soortbescherming
Onderstaand is per soort(groep) beschreven met welke mitigerende maatregelen er invulling wordt gegeven aan het voorkomen dan wel te verminderen van negatieve effecten op zowel soort- als populatieniveau.
4.1. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de algemene zorgverplichting opgenomen. In dit artikel is beschreven dat eenieder verplicht is om voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De algemene zorgplicht geldt te allen tijde bij het uitvoeren van werkzaamheden, ongeacht of deze te typeren zijn als ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud en ongeacht of er beschermde soorten aanwezig zijn. Dit laatste wil dus zeggen dat ook als er geen beschermde soorten voorkomen de algemene zorgverplichting toch in acht genomen dient te worden. Hiervoor dienen algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze algemene mitigerende maatregelen zijn onderstaand beschreven. • Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren uitgevoerd te worden. • Wees alert op dieren in het plangebied. Wacht tot dieren zelfstandig het gebied hebben verlaten. • Werk vanuit het midden van het plangebied naar de rand, of werk langzaam in één werkrichting zodat verstoorde dieren de mogelijkheid hebben om het plangebied te verlaten. Draag er tevens zorg voor dat de richting waarin de dieren moeten vluchten voldoende beschutting of leefgebied biedt. • Verlichting is alleen aan wanneer dat functioneel noodzakelijk is.
De verlichting wordt voldoende afgeschermd en alleen op het werk gericht. Gebruik alleen verlichting met een naar beneden gerichte lichtbundel. • Er dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande wegen en paden.
Voor de amfibieën en grondgebonden zoogdieren in het plangebied geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, maar het is in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het verwonden of doden van individuen te voorkomen. • Amfibieën en grondgebonden zoogdieren kunnen verscholen zitten onder objecten als stenen of stukken hout. Bij het verwijderen hiervan dient men voorzichtig te werk te gaan. • Indien nodig dienen aanwezige soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar een geschikte locatie buiten het werkgebied.
4.2. Algemene broedvogels Veel broedvogels zijn opportunisten die weinig eisen stellen aan hun omgeving. Alle vogelnesten zijn beschermd als ze in gebruik zijn. Algemene broedvogels zijn niet standvastig, ze kunnen ieder jaar op een andere plek broeden en zijn weinig kieskeurig. Soorten die tot broeden kunnen komen in of nabij het plangebied zijn o.a. witte kwikstaart, meerkoet, wilde eend en oeverzwaluw. Onderstaande maatregelen en aandachtspunten moeten in acht worden genomen ten aanzien van algemene broedvogels om een overtreding van artikel 3.1, lid 2 te voorkomen. • Er kunnen in het plangebied algemene vogels tot broeden komen. Deze vogelnesten zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode; • De broedperiode loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd; • Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van in gebruik zijnde nesten in de broed- en nestperiode. Voor verlaten nestplaatsen geldt dit niet; • Het is in dit kader aan te bevelen om de werkzaamheden voor zover dat mogelijk is buiten de broedperiode om uit te voeren;
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
12
•
•
•
Indien dit niet mogelijk is, dient het plangebied voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor vogels om tot broeden te komen; Indien het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken en/of het plangebied broedvrij te houden, dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige (Bijlage D) gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedende vogels; Wanneer er geen vogels nestelen kan er begonnen worden met de ingreep. Bij aantreffen van een broedgeval in het plangebied wordt een rustzone afgezet door een ecologisch deskundige en wordt de locatie met rust gelaten tot de jongen zijn uitgevlogen. Er mogen geen werkzaamheden in de directe zone rond een nest plaatsvinden. De omvang van deze zone wordt door de begeleidend ecoloog bepaald. Eventueel kan er met schermen gewerkt worden die visuele verstoring
•
en/of verstoring door geluid naar een broedgeval beperken. Steile taluds bij het water zijn geschikte broedlocaties voor oeverzwaluwen. Oeverzwaluwen beginnen ongeveer half april met de nestbouw. De taluds van grondwerkzaamheden dienen daarom flauwer dan 1:1 opgezet te worden of af te worden gedekt met bijvoorbeeld doek als er meer dan één dag niet aan gewerkt wordt. Dit om de kans op vestiging van oeverzwaluwen te verkleinen.
4.3. Ontheffing 2013 Vanuit de eerder verkregen ontheffing (FF/75C/2013/0085A) is het noodzakelijk om een aantal mitigerende maatregelen toe te passen in het plangebied. De volgende voorschrift staat in de ontheffingen m.b.t. de eindsituatie: Voorschrift 3 (FF/75C/2013/0085A): aanbrengen van groenvoorziening in het gebied fase II, circa 5% van het gebied. Hiervoor moeten inheemse bomen en struiken worden gebruikt.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
13
5. Conclusie en advies
5.1. Beantwoording onderzoeksvragen Om na te gaan of door de geplande ingrepen in het plangebied verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming al dan niet overtreden worden, worden de onderzoeksvragen onderstaand beantwoord. Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ja, het is niet uit te sluiten dat algemene broedvogels tot broeden komen in het plangebied. Andere beschermde soorten komen niet voor. •
Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? Ja, wanneer de werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen kunnen algemene broedvogels en in gebruik zijnde nesten verstoord en/of vernietigd worden door de geplande werkzaamheden. Dit is een overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. •
Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Voor broedvogels dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van 15 maart – 15 juli) plaats te vinden. Deze mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 6. •
Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Nee, aanvullend onderzoek is niet nodig.
5.2. Conclusie Uiteindelijk is hiermee de uiteindelijke vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren? Met inachtneming van de in hoofdstuk 4 beschreven mitigerende maatregelen zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingrepen op beschermde soorten
uitgesloten. Er is dan geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming en het aanvragen van een ontheffing is niet nodig.
5.3. Kansen voor natuur Er liggen kansen om de nieuwe inrichting geschikt te maken voor vleermuizen en broedvogels door natuurinclusief te bouwen. Ook kan er gedacht worden aan een natuurvriendelijke inrichting van de omgeving door gebruik te maken van inheemse planten en het aanleggen van een oeverzwaluwwand. Natuurinclusief bouwen klinkt misschien ingewikkeld, maar dat is het niet. Soms is wat ruimte achter het dakbeschot of onder de dakpannen al voldoende om verblijfplaatsen te creëren voor vogels en vleermuizen. Het gaat dus ook niet ten koste van het woongenot of de isolatie van het huis. Voor vleermuizen is het plaatsen van (duurzame) inbouwkasten, het openlaten van holle delen van muren (spouw) waartoe een invliegopening leidt, of het plaatsen van afwerking zoals boeiboorden waar ruimte achter openblijft voldoende. In de regel is alle bebouwing hoger dan 3 m geschikt. Voor gierzwaluwen is het plaatsen van nestkasten voldoende, omdat foerageerlocaties op grote afstand van nestplekken kunnen liggen. De nestkasten dienen op minimaal 3 meter hoogte te worden geplaatst en voldoende vrije ruimte te hebben om in- en uit te kunnen vliegen. Voor huismussen kunnen ook nestplekken worden gerealiseerd.
Daarnaast moet in de nabije omgeving wel worden gezorgd voor voldoende schuilplekken in hagen of andere dichte groene structuren, en idealiter zijn er (kleine) waterpartijen aanwezig die voor drinkwater zorgen. Meer informatie is te vinden op https://www.bouwnatuurinclusief.nl/ of https://www.checklistgroenbouwen.nl/. Oeverzwaluwen Er kan ook overwogen worden om een kunstmatige oeverzwaluwwand aan te leggen in het gebied. Afgelopen jaren hebben er verschillende kolonies
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
14
oeverzwaluwen gebroed op de bouwterreinen in de omgeving. In overleg met de lokale vogelwerkgroep kan deze wand worden aangelegd. Vegetatie Bij herinrichting van de openbare ruimte speelt de vegetatie een belangrijke rol. Bij voorkeur wordt gebruik gemaakt van inheemse soorten bomen en planten en worden oude bomen niet aangetast. Door variatie in
leeftijd, hoogte en soorten aan te brengen krijgen veel verschillende diersoorten de mogelijkheid om van de vegetatie gebruikt te maken als foerageer- of schuilmogelijkheid. Ook dood hout speelt hierin een rol. Jaarrond groene vegetatie biedt belangrijke schuilmogelijkheden voor vogels en insecten. Kruidenruigtes die op de juiste manier worden aangelegd en beheerd bieden voedsel en waardplanten voor o.a. vlinders en wilde bijen.
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
15
6. Literatuurlijst
6.1. Literatuur Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Delft, van M. & Th. de Jong, 2013. Natuurtoets Waterfront Fase II, Harderwijk. Activiteitenplan t.b.v. ontheffingsaanvraag FF-wet,. Ecologisch AdviesbureauViridis, Culemborg.
Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van Wingerden, 1997. De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2018. Vogelatlas van Nederland. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen.
6.2. Websites Nationale Databank Flora en Fauna Via www.ndff-ecogrid.nl/
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
16
Bijlage A. Wettelijk kader Wet Natuurbescherming
Natura 2000-gebieden
De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft als doel bescherming, herstel en ontwikkeling van natuur zonder stijging van de lasten voor bedrijven en burgers. Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de Provincies. Deze decentralisatie houdt in dat de provincies nu o.a. verantwoordelijk zijn voor het toetsen van ontheffingsaanvragen. RVO is het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstellingen voor activiteiten en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk.
De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden.
Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden als afzonderlijke hoofdstukken opgenomen, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen.
Zorgplicht Voor alle Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten (mét en zonder beschermstatus) is de zorgplicht van kracht (artikel 1.11). De zorgplichtbepaling houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt aan Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurmonumenten en in het wild levende planten en dieren, evenals voor hun directe leefomgeving dergelijke handelingen achterwege laat, mitigerende maatregelen neemt of compenserende maatregelen neemt.
Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er mogelijk sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en/of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Deze toetsing kan bestaan uit drie onderdelen; • Voortoets; • Passende Beoordeling; • ADC-toets. Voortoets Middels een Voortoets wordt onderzocht of de ingrepen (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden. De Voortoets bestaat uit een beschrijving van het plan of project, de te verwachten effecten binnen en buiten het Natura 2000-gebied, en een analyse of daarbij (mogelijkerwijs) sprake is van significante effecten. In deze analyse mogen mitigerende en compenserende maatregelen niet meegenomen worden (Zie Kader 1, Mitigerende en compenserende maatregelen). Indien niet kan worden uitgesloten dat er significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen optreden moet een Passende Beoordeling worden opgesteld.
Indien er zeker geen significant negatief effect is te verwachten dan is er geen vergunning nodig, bij het indienen van een aanvraag
Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Soortbescherming Waterfront fase II Kop Stadswerven.
17
wordt er een besluit tot afwijzing genomen door het bevoegd gezag. Kader 1 | Mitigerende en compenserende maatregelen
Mitigerende maatregelen zijn maatregelen die de schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit een plan of project voortvloeien, voorkomen of verminderen. Het doel van dergelijke maatregelen is het voorkomen van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied. Compenserende maatregelen zijn maatregelen die de aantasting (significante effecten) op de aangewezen habitats en -soorten in een natura 2000-gebied als gevolg van een project of plan compenseren. Passende beoordeling Indien uit de Voortoets blijkt dat er een kans is op een significant negatief effect, dient er een Passende Beoordeling uitgevoerd te worden. Tijdens het vaststellen van de mogelijk negatieve effecten mogen mitigerende maatregelen wél meegewogen worden in de beoordeling, compenserende maatregelen niet. Indien uit deze toetsing blijkt de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aangetast worden kan een vergunning worden verleend en kan het plan vastgesteld worden. Blijkt er echter dat er werkelijk sprake is van mogelijk significante effecten dan wordt een vergunning alleen afgegeven indien er geen Alternatieven zijn, er Dwingende redenen van groot openbaar belang zijn en er Compensatie plaatsvindt: de ADC-toets.
ADC-toets Indien negatieve effecten niet uit te sluiten zijn, kan het plan alleen vastgesteld en vergund worden indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden (artikel 2.8-4) a. Er zijn geen Alternatieve oplossingen b. Het project wordt uitgevoerd onder Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard c. Er worden Compenserende maatregelen getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Soortbescherming Het hoofdstuk 3 ‘Soortbescherming’ uit de Wet natuurbescherming bestaat uit drie aparte beschermingsregimes, ook wel de passieve soortbescherming genoemd: 1) de Vogelrichtlijn; 2) de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en; 3) nationaal beschermde soorten. Voor deze drie beschermingsregimes gelden verschillende verboden en wettelijke belangen voor een ontheffingsaanvraag. Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Voor van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen (Zie kader 2, Opzettelijkheid en Kader 3, Verstoring en vernietiging door verstoring): opzettelijk doden en vangen van vogels; opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren; eieren rapen en onder zich hebben; opzettelijk verstoren van vogels; het verbod onder 4 is niet van toepassing indien de verstoring niet van wezenlijk invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de populatie. Een ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 kan alleen verleend worden als voldaan wordt aan de criteria van de ontheffingsaanvraag (zie paragraaf 2.3) en één of meer van de onderstaande wettelijke belangen uit artikel 3.3, lid 4: 1.