CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Vast te stellen BPL Hierden Dorp Ooster Mheenweg_ naast 9 v18082021.pdf

Raadsvergadering 16 september 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Hierden-Dorp - Ooster Mheenweg, naast 929.583 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De hoeveelheid te bouwen woningen is dan afhankelijk van de oppervlakte aan gesloopte gebouwen. Uiteraard worden alleen de gebouwen gesloopt zonder monumentale waarde en waarvan geen mogelijkheid bestaat ze om te vormen tot woningen. Monumentale schuren die niet bruikbaar zijn als woning vormen een waardevolle toevoeging aan het informele boerenerf en worden gebruikt als berging en om auto's in te parkeren. Omdat deze manier van ontwikkelen geen negatieve invloed op het landschappelijk beeld zal hebben, kan het toegepast worden op boerenerven in het gehele plangebied.

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

32

3.5.3 Pilot sloopregeling Eendengebied Op 30 maart 2017 is besloten een pilot te houden voor een sloopregeling in het Eendengebied. Vastgestelde uitgangspunten van deze sloopregeling zijn:

1.

2. 3.

Aansluiten bij de principes van de bestaande rood-voor-rood regeling in het buitengebied, waarbij: a. de sloop is gekoppeld aan de initiatiefnemer van een woningbouwontwikkeling; b. de initiatiefnemer contractpartner is voor de gemeente; c. de initiatiefnemer de afspraken maakt met de eigenaren van de slopen opstallen en de bodemsanering. Het streven is om zoveel mogelijk volledige bouwblokken te slopen en te saneren. De initiatiefnemer is aanspreekbaar op de daadwerkelijke sloop van voormalige bedrijfsgebouwen en stelt zich hiervoor garant. De afspraken omvatten ook afspraken over het moment van slopen en saneren; d. de bestemming van de locaties waar gesloopt wordt, dient te worden gewijzigd en een eventuele milieuvergunning/melding dient te worden ingetrokken; e. de afspraken worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Voor wat betreft de wenselijkheid van de woningbouwontwikkeling is de Visie op Hoofdlijnen Buitengebied Harderwijk leidend. Voor wat betreft het zoekgebied voor de te slopen opstallen deze uitbreiden met het Eendengebied, waarbij geldt dat: a. voor het bouwen van een woning er tenminste 750 m2 aan voormalige bedrijfsgebouwen in het Eendengebied gesloopt worden; b. de gronden waarop de opstallen hebben gestaan worden gesaneerd inclusief een zone van ten minste 5 meter rondom de opstallen (schone grond verklaring); c.

alle voormalige bedrijfsgebouwen (mits legaal gebouwd) in het Eendengebied komen in aanmerking, met uitzondering van monumenten e.d.; d. de initiatiefnemer dient aan te tonen op welke wijze (de nieuwe) gebouwen zorgvuldig in het landschap worden ingepast, aansluitend op de gebiedskarakteristieken; e. de bijdrage door initiatiefnemer voor de landschappelijke versterking is beperkt tot de noodzakelijke maatregelen op het perceel waarop de nieuwe woning wordt gerealiseerd en eventueel de aangrenzende percelen. Er vindt in principe geen verevening plaats en geen verrekening van de sloopkosten.

Op basis van een evaluatie van deze regels is besloten (29 november 2019) dat de volgende aanvullende regels worden toegevoegd aan de regeling pilot Sloopregeling Eendengebied. Het gaat hierbij om: - Toevoeging differentiatie van woningen:

1.

Voor een recht voor het bouwen van een woning met een oppervlakte van ten hoogste 150m1 2 (max goothoogte 3,50m, max bouwhoogte 9m), plus max 100 m2 bijbehorende bouwwerken, moet tenminste 750m2 schuren gesloopt en gesaneerd worden. Er wordt geen medewerking verleend aan

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

33

2.

3.

een algemene afwijkingsregel met betrekking tot het veranderen van de voorgeschreven maatvoering met niet meer dan 10'^; Voor een recht voor het bouwen van een woning met een oppervlakte van ten hoogste 90m2 (max goothoogte 3,50m, max bouwhoogte 7m) plus maximaal 60m2 bijbehorende bouwwerken, moet tenminste 450m2 schuren gesloopt en gesaneerd worden. Er wordt geen medewerking verleend aan een algemene afwijkingsregel met betrekking tot het veranderen van de voorgeschreven maatvoering met niet meer dan 10'^; Daarnaast wordt de mogelijkheid opgenomen om sociale huurwoningen (met een huur tot maximaal de liberalisatiegrens) te bouwen waarbij minimaal 250m2 gesloopt en gesaneerd moet worden. Na 10 jaar mag de eigenaar de woningen verkopen, danwel in de vrije sector verhuren.

De pilot is geëindigd per 31 december 2020, maar het voorliggend bestemmingsplan wordt volgens de principes van deze regeling afgerond. 3.5.4 Woonvisie Harderwijk De uitgangspunten van het woonbeleid staan geformuleerd in de Woonvisie 2017-2027. Deze is op 24 mei 2018 door de gemeenteraad vastgesteld. Met het woonbeleid werkt de gemeente Harderwijk aan de balans tussen vraag en aanbod op de woningmarkt. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de huidige bewoners, maar ook naar die van de toekomst. Uitgangspunt is dat iedereen in Harderwijk een woning kan vinden die past bij zijn of haar wensen en behoeften op het gebied van betaalbaarheid, toegankelijkheid en woonmilieu. Door natuurlijke aanwas en migratie zal Harderwijk de komende decennia blijven groeien. Het aantal inwoners nu is 47.000 en zal naar verwachting toenemen tot 53.000 in 2040. Om deze groei te faciliteren wil de gemeente voor die tijd nog ruim 4.000 woningen bijbouwen. Voor ongeveer 3.400 woningen is inmiddels plancapaciteit beschikbaar. Qua woningbouwtypes wordt ingezet op variatie en aanpasbaarheid. Tijdelijke woningen om pieken in de vraag op te vangen. Aanpasbare woningen om flexibel mee te bewegen met veranderende wensen en behoeften. En gevarieerde woonwijken voor een vitale mix van bewoners. Op deze manier blijft Harderwijk ook naar de toekomst betaalbaar en aantrekkelijk voor een breed publiek.

Op dit moment worden uitbreidingswijken Waterfront en Drielanden in hoog tempo volgebouwd. De toekomstige nieuwbouwopgave zal grotendeels in de bestaande stad worden gerealiseerd. Binnenstedelijk bouwen brengt nieuwe uitdagingen met zich mee. Denk aan hogere bouwkosten, veel direct belanghebbenden en een meer complexe ruimtelijke inpassing. Het wordt een uitdaging om voldoende woningen te bouwen in de lagere prijssegmenten, draagvlak te creëren onder omwonenden en de ruimtelijke kwaliteit hoog te houden. Naast nieuwbouw wordt ook gewerkt aan de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Samen met de partners in het woondomein staat de gemeente voor een aantal grote maatschappelijke opgaven. Op het gebied van duurzaamheid wordt onder andere gestreefd naar een forse reductie van het energieverbruik, duurzame energie opwekking en ruimte voor klimaatadaptatie. Betaalbaarheid is daarbij een belangrijk aandachtspunt. Een andere opgave is de voortschrijdende vergrijzing. Om de veiligheid en het comfort van oudere bewoners te borgen, is het noodzakelijk om de toegankelijkheid van bestaande woningen te verbeteren. Ook moeten woningen geschikt worden gemaakt voor zorg- en dienstverlening aan huis. Daarbij gaat het niet alleen om individuele woningen maar ook om de woonomgeving en infrastructuur van de wijk.

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

34

ra

Samenvattend zijn de belangrijkste opgaven in het woondomein: Nieuwbouw ^ ^ ^ ^ ^

Uitbreiding van het aanbod goedkope en middeldure woningen Terugdringen van de wachttijd in de sociale huursector Her- en deprogrammering in het dure segment Tijdelijke woonruimte om pieken in de vraag op te vangen Inbreiding en transformatie

Bestaande woningvoorraad ^ ^ ^

Bevorderen van doorstroming op de woningmarkt Verduurzaming van de bestaande woningvoorraad Bestaande woningvoorraad toekomst- en zorgbestendig maken

Wijken en buurten ^ ^

Ontwikkelen van woonzorgzones Gemixte en inclusieve wijken en buurten

3.5.5 Archeologie en monumentenbeleid

3.5.5.1 Nota Cultuurhistorie In 2008 heeft de gemeente de nota Cultuurhistorie vastgesteld. Uitgangspunt in de nota is om de fysieke cultuurhistorie te behouden en te beschermen. Cultuurhistorische waardevolle panden zijn aangewezen als rijks- of gemeentelijke monumenten. Deze worden sectoraal beschermd door de Erfgoedwet en de Erfgoedverordening Harderwijk 2017. Bijzonder Cultuurlandschap wordt beschermd bij het bestemmingsplan.

3.5.5.2 Archeologienota Op basis van de Monumentenwet 1988 en de Wet op de archeologische monumentenzorg 2007 moet de gemeente bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. Het gemeentelijk archeologisch beleid is verwoord in het in april 2011 vastgestelde archeologiebeleid 2011-1015. Hieraan is de beleidskaart archeologie gekoppeld. De Beleidskaart Archeologie is tot stand gekomen door onderzoek van archeologisch adviesbureau RAAP (RAAPrapport 2050 "Een actualisatie en herziening van de archeologische verwachting"). In de beleidskaart Archeologie is aangegeven wanneer bij nieuwe planontwikkelingen archeologisch vooronderzoek plaats dient te vinden. Doel van het archeologisch (voor)onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

35

essentie van het archeologisch (voor)onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Op grond van artikel 40 van de Monumentenwet 1988 kan bij bestemmingsplan worden bepaald, dat een aanvrager van een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit (bouwvergunning), of een aanlegactiviteit van werken geen bouwwerken zijnde (aanlegvergunning), een rapport over de archeologische waarden dient te overleggen. Aan de omgevingsvergunning kunnen indien nodig archeologische voorschriften worden verbonden. Op grond van artikel 41a van de Monumentenwet 1988 geldt deze verplichting niet bij projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2. De gemeenteraad kan hiervan een afwijkende oppervlakte (zowel naar boven als naar beneden) vaststellen. Op de beleidskaart archeologie zijn per waarde- of verwachtingsgebied de vrijstellingsgrenzen aangegeven. Het beleid is om in bestemmingplannen een dubbelbestemming "Waarde - archeologie" op te nemen met bijhorende bouwregels en aanlegvergunningstelsel met inachtneming van de vrijstellingsgrenzen. In paragraaf 4.2 wordt nader op dit onderwerp ingegaan. 3.5.6 Welstandsbeleid Een bestemmingsplan is erg belangrijk voor het bouwen op en gebruiken van gronden.

Vergunningsaanvragen worden immers getoetst aan de regels uit het bestemmingsplan. Naast de bestemmingsplanbepalingen en de bouwtechnische eisen waaraan een bouwwerk moet voldoen, is het uiterlijk ervan erg belangrijk. Hiervoor is een welstandsnota opgesteld. In de welstandsnota van Harderwijk wordt invulling gegeven aan de esthetische aspecten van het ruimtelijke kwaliteitsbeleid. De welstandsnota gaat daarbij vooral in op de architectonische aspecten van bouwwerken, zoals massa, vorm, positionering, kleur- en materiaalgebruik en detaillering. In stedenbouwkundige zin spreekt de welstandsnota zich uit over de uitstraling en ligging van de bebouwing in relatie tot de omgeving. In de welstandsnota zijn regels opgenomen voor: ^ ^ ^ ^

kleine bouwinitiatieven die welstandsvrij zijn; kleine bouwinitiatieven waarvoor de zogenaamde 'sneltoetscriteria' gelden (criteria voor meest voorkomende kleine bouwactiviteiten); grote bouwinitiatieven waarvoor lichte, gemiddelde en zware welstandstoets gelden; grote bouwinitiatieven voor ontwikkelingslocaties, die in aparte beeldkwaliteitsplannen zijn vervat.

In paragraaf 2.2 'toekomstige situatie' wordt nader op dit onderwerp ingegaan.

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

36

ra

3.5.7 Milieubeleid

3.5.7.1 Milieubeleidsplan Harderwijk 2009-2012 De gemeente Harderwijk streeft naar samenhang in het bestaande veelomvattende milieubeleid. Het milieubeleidsplan 2009-2012 maakt inzichtelijk waar Harderwijk voor staat, geeft richting aan het beleid voor de komende periode en vervult een aanjaagfunctie om verbeteringen te realiseren. Vanuit deze gedachte worden twee speerpunten benoemd waarbij rekening is gehouden met de landelijke beleidsontwikkeling: klimaatbeleid en een gebiedsgericht milieubeleid. Het zorgdragen voor een duurzame leefomgeving is het hoofddoel van dit milieubeleid. Onder een duurzame leefomgeving verstaan we het voorzien in onze behoeften, zonder de toekomstige generaties de mogelijkheden voor dezelfde behoeftes te ontnemen. Dit milieubeleidsplan geeft kaders voor beleid en laat de bevolking van Harderwijk en Hierden zien hoe de gemeente zich inzet om de lokale milieuproblemen op te lossen. Binnen onze gemeentegrenzen bestaat een grote diversiteit in gebieden, met elk hun eigen kenmerken en functies. Bij ruimtelijke ontwikkeling streven we naar een optimale leefomgevingskwaliteit. Door gebieden te onderscheiden wordt duidelijk welke milieukwaliteit gewenst is en of een ontwikkeling in het desbetreffende gebied past. Deze gebiedsgerichte benadering biedt ruimte om milieubeleid beter te laten aansluiten bij de dynamiek van ruimtelijke ontwikkelingen.

3.5.7.2 Gebiedsgericht milieubeleid In het Milieubeleidsplan is voor verschillende delen van Harderwijk gebiedsgericht milieubeleid opgesteld. Door het opstellen van gebiedsgericht milieubeleid komen de specifieke kwaliteiten, knelpunten, de milieubelasting en de milieuambities van het gebied in beeld. Welk milieubeleid voor het voorliggende plangebied geldt, is weergegeven op een interactieve kaart van de gemeente Harderwijk.

3.5.7.3 Routekaart naar een klimaatneutraal Harderwijk: De Energieke stad Harderwijk heeft vele kansen om zich te profileren op het gebied van duurzaamheid en in het bijzonder duurzame energie. Vanwege die kansen stelt de gemeente zich het volgende doel: in 2031 (Harderwijk 800 jaar) wordt binnen de gemeentegrenzen 45 % minder CO2 uitgestoten (referentiejaar 2010). Deze ambitie zal worden bereikt door in te zetten op: ^ ^ ^

Energie besparing; Opwekken van duurzame energie; Compenseren (bijvoorbeeld door inkoop groene energie).

Met het stellen van deze ambitie wil de gemeente in het bijzonder lokaal bijdragen aan de economische vitaliteit, leefbaarheid en identiteit van de gemeente. Het loont om te investeren in energiebesparende maatregelen vanwege lagere lasten en vanwege de toegevoegde waarde aan het investeringsobject. Maar het betekent ook dat het opwekken van energie geld oplevert, duurzame energie zal in de toekomst alleen maar waardevoller worden. Door nu te investeren in het opwekken van duurzame energie wordt de afhankelijkheid van stijgende energieprijzen en het opraken van fossiele brandstoffen in de toekomst beperkt. Het lokaal investeren van die opbrengsten of meedelen in revenuen draagt bij aan de vitaliteit en zelfvoorzienendheid van de gemeente. Daarnaast laat de gemeente met deze doelstelling zien dat zij haar principiële verantwoordelijkheid neemt ten aanzien van klimaatverandering. Let op! Duurzaamheid is nadrukkelijk meer dan alleen het besparen van energie of het treffen van milieumaatregelen (people-profit-planet).

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

37

3.5.7.4 Duurzaamheidsvisie De Duurzame Stad De Duurzaamheidsvisie De Duurzame Stad -Duurzaam Harderwijk is vastgesteld op 25 juni 2020 door de gemeenteraad van Harderwijk. De basis van de visie bestaat uit de mondiale Sustainable Development Goals (deze duurzame ontwikkelingsdoelen zijn in 2015 door de Verenigde Naties opgesteld) die vertaald zijn naar vier lokale pijlers; circulariteit, biodiversiteit, klimaatadaptatie en energietransitie. Iedere pijler heeft een eigen doelstelling: ^ ^ ^ ^

Circulariteit: Afvalstoffen worden grondstoffen en we sluiten kringlopen. Biodiversiteit: We behouden en verbeteren de natuur. Klimaatadaptatie: We beperken hittestress en droogte en voorkomen wateroverlast (de effecten van klimaatsverandering). Energietransitie: In 2031 is de CO2 uitstoot met 45% verminderd.

Samen vormen de pijlers de integrale visie op duurzaamheid voor de gemeente Harderwijk. De duurzaamheidvisie omvat verschillende beleidsvelden. Aan het ene beleidsveld zoals de energietransitie wordt al jarenlang gewerkt, terwijl het andere beleidsveld zoals circulariteit nog geheel aan het begin van ontwikkeling staat en er eerst een nulmeting moet worden uitgevoerd. De duurzame ontwikkelingsdoelstellingen zijn uitgewerkt in 17 doelen en hebben betrekking op zowel het sociale domein, het fysieke domein als het bestuurlijke domein. Ze hebben aandacht voor vrede en veiligheid, economische ontwikkeling en milieuthema's. Klimaatadaptatie In Hierden wordt het overtollig hemelwater (en grondwater) niet via de gemeentelijk riolering ingezameld en zorgen particulieren op eigen terrein voor voldoende berging en infiltratie van het hemelwater. Door klimaatverandering neemt de kans op extreme stortbuien, maar ook langdurige neerlag toe. Maar ook om de nadelige effecten van droogte te beperken is het lokaal vasthouden van regenwater gewenst. Om overlast op eigen terrein, maar ook afwenteling van hemelwater naar naastgelegen percelen te voorkomen wordt via de voorwaardelijke bouwregel een minimale waterbergingscapaciteit per vierkante meter bebouwd oppervlak opgelegd.

De benodigde waterbergingscapaciteit kan op verschillende manieren worden gerealiseerd, waarbij de voorkeur van de gemeente uitgaat naar natuurlijke, zichtbare oplossingen. Voorbeelden hiervan zijn het aanleggen van een verdiept gedeelte in de tuin of het aanleggen van een groen dak. Maar ook een bergingsvoorziening met een hemelwatergebruikssysteem (bijvoorbeeld een waterzak in dekruipruimte met opvoerpomp voor het doorspoelen van toiletten), een grindbed of het ingraven van infiltratiekratten zijn mogelijkheden. Voor het beperken van wateroverlast is het essentieel dat de hemelwaterberging binnen afzienbare tijd na een bui weer beschikbaar is voor het opvangen van de volgende bui. Daarom is bepaald dat de gevraagde hemelwaterberging binnen een termijn van 12 tot 24 uur weer beschikbaar moet zijn. Het is niet zo dat het bestemmingsplan bouwplannen die niet voldoen aan de waterbergingseis uit het eerste lid zonder meer verbiedt. Er zijn situaties denkbaar waarin het realiseren van de voorgeschreven hoeveelheid waterberging erg lastig is, of zelfs onmogelijk. Bijvoorbeeld als de doorlatendheid van de bodem slecht is of de

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

38

grondwaterstand erg hoog is op de (enige) plaats waar een initiatiefnemer waterberging kan realiseren en waterberging op | in het gebouw niet mogelijk is. Een initiatiefnemer kan, in dit soort gevallen, in overleg met de gemeente kijken of er een andere geschikte manier is om te zorgen dat wateroverlast niet toeneemt. De alternatieve maatregelen worden dan vastgelegd in een omgevingsvergunning . Er is geen oppervlaktewater in de buurt waar overtollig hemelwater op geloosd kan worden 3.5.8 Bodembeleid De gemeente heeft samen met de omliggende gemeenten Elburg, Ermelo, Nunspeet, Elburg, Oldebroek en Putten een bodemkwaliteitskaart en bodembeheernota opgesteld. De Nota bodembeheer regio Noord Veluwe is vastgelegd in het document met kenmerk R002-1206995LNH-baw-V02-Nl d.d 21 januari 2014 (Tauw). In deze nota is omschreven welke keuzes de gemeenten hebben gemaakt ten aanzien van generiek en gebiedsspecifiek beleid, en onder welke voorwaarden grond en bagger mag worden toegepast binnen de regio. In paragraaf 4.6.4 wordt nader op dit onderwerp ingegaan. 3.5.9 Groenbeleid In het Handboek Harderwijks Groen staat het Harderwijkse groenbeleid voor stad, landschap en bos in samenhang met elkaar beschreven. Dit beleidsplan is in december 2007 door de raad van de gemeente Harderwijk vastgesteld.

Hoofddoelstelling van beleid is de hoofdstructuur van stedelijk groen (de Groene Mal) in stand te houden en te versterken. Hier zal niet worden gebouwd en worden ontbrekende schakels hersteld. Het groen dient naast belevingswaarde een duidelijke gebruikswaarde te bezitten (sport/spel). Door met bomen de straatprofielen optisch te versmallen werkt beplanting ook snelheidsverlagend, en vormt het een alternatief voor verkeersdrempels en andere obstakels. 3.5.10 Verkeers- en vervoersbeleid

3.5.10.1 Verkeer Het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Harderwijk is opgenomen in het Verkeersstructuurplan (VSP). Het VSP is in december 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Harderwijk en het plan bestaat uit een deel Mobiliteitsvisie (met een doorkijk naar 2030) en een deel Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (met een doorkijk tot 2015). Het VSP geeft aan dat de komende jaren prioriteit wordt gegeven aan het aanpakken van verkeersonveiligheid in algemene zin en verkeersonveilige locaties in het bijzonder en daarnaast het stimuleren van het fietsverkeer in de gemeente Harderwijk. Voor de [naam wijk] zijn vanuit deze prioriteitstelling de wegen rondom de wijk aandachtspunt; er is vooral sprake van verkeersonveiligheid op de kruisingen (rotondes) op deze wegen. Hier vinden veel ongevallen plaats, vooral vanwege de hoge intensiteiten en de relatief hoge snelheden van het autoverkeer in combinatie met de vele overstekende fietsers en voetgangers. In paragraaf 4.8.1 wordt nader op dit onderwerp ingegaan.

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

39

3.5.10.2 Parkeren Op 23 mei 2013 is door de gemeenteraad een Parkeernormennota vastgesteld. Deze Parkeernormennota is een uitwerking van de vastgestelde visie op parkeren in Harderwijk (GVVP). De Parkeernormennota dient tevens als uitbreiding/toevoeging aan de parkeerfondsregeling. Omdat er geen wettelijke, door de rijksoverheid vastgestelde en voorgeschreven parkeernormen bestaan, heeft de gemeente Harderwijk besloten om de parkeernormen in één document vast te stellen met normen die specifiek toepasbaar zijn voor de situaties binnen de gemeente Harderwijk. Deze parkeernormen worden gebruikt bij het berekenen van de parkeerbehoefte bij voorzieningen als woningen, scholen, winkels, kantoren en bedrijven. Het vaststellen van deze parkeernormen is onder meer voor burgers, projectontwikkelaars en de gemeente Harderwijk zelf van belang. Door het vaststellen is het namelijk voor iedere belanghebbende duidelijk en inzichtelijk welke parkeernormen voor een bepaalde functie gehanteerd worden. Hierdoor ontstaat eenduidigheid in het parkeernormenbeleid. In paragraaf 5.8.2 wordt nader op dit onderwerp ingegaan. 3.5.11 Toetsing initiatief aan het gemeentelijk beleid Initiatiefnemer is eigenaar van perceel 4145 aan de Ooster Mheenweg in Hierden en is voornemens om 450 m2 aan schuren te slopen, waarvan 300 m2 op het eigen perceel en 150 m2 elders in de gemeente.

In plaats daarvoor wordt één kleine levensloopbestendige woning gerealiseerd op het betreffende perceel aan de Ooster Mheenweg. In het voorliggend bestemmingsplan wordt het kadastraal perceel 4145 aan de Ooster Mheenweg en het perceel Parallelweg 9/10 voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling. Deze regeling maakt de realisatie van een kleine levensloopbestendige woning mogelijk op het perceel aan de Ooster Mheenweg.

^

^

^

^

Onderhavig plan betreft de sloop van 450 m2 aan schuren en de realisatie van een kleine levensloopbestendige woning (maximaal 90 m2). Er is een afname van de bebouwingsoppervlakte, de ontwikkeling is voorzien van een landschappelijke inpassing. Daartoe wordt de groene inrichting zo ingericht dat deze aansluit bij de groenelementen en beplantingsstructuren die dit gebied typeren. De positionering van de nieuw te bouwen woning is afgestemd op de bestaande stedenbouwkundige structuur. Het is ingepast volgens de bouwstenen - omvormen van een boerenerf - uit de structuurvisie Dorpsomgevingsplan Hierden en de ontwerprichtlijnen uit de visie op hoofdlijnen buitengebied Harderwijk. De kernkwaliteiten van het landschap worden niet aangetast maar versterkt. De toevoeging van nieuwe woningen (rode ontwikkelingen) moet gepaard gaan met landschappelijke versterking (zie h6 dorpsomgevingsplan). Er wordt een bijdrage aan de ruimtelijke ontwikkeling ex artikel 6.24 lid 1, sub a Wro ten behoeve van een landschapsversterkingsfonds gedaan. Twee belangrijke onderdelen van de woonvisie zijn verduurzaming en doorstroom van senioren op de woningmarkt. De voorgenomen ontwikkeling past om die reden goed binnen de ambities van de gemeente Harderwijk. De doorstroming van senioren op de woningmarkt stagneert door de steeds krapper wordende woningmarkt. Deze ontwikkeling draagt bij aan die doorstroming.

De woonvisie laat verder zien dat er ruimte is gereserveerd voor woningen in kader van de sloopregeling. De woning zal gasloos worden gebouwd. Voor de energiebehoefte zal een all-electric oplossing worden toegepast. De verwarming van de woning en tapwater zal middels een warmtepomp

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

40

^

^

gebeuren. De vraag naar (hulp)energie zal door toepassing van overmatige PV-panelen op het zuidelijke dakvlak tot een minimum worden beperkt. Voor dit bestemmingsplan zijn ook beeldkwaliteitscriteria opgesteld, zie paragraaf 2.2 van deze toelichting. In deze paragraaf worden richtlijnen beschreven voor de vormgeving van de nieuwe bebouwing. Deze paragraaf geeft een ruimtelijk kader op basis waarvan architecten de woning in het plan kan gaan ontwerpen. De stedenbouwkundige opzet van het plan is door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als positief beoordeeld. In hoofdstuk 4 van deze toelichting wordt nader ingegaan op de omgevingsaspecten archeologie, cultuurhistorie, milieu, ecologie, water en verkeer. Deze omgevingsaspecten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals verwoord in het gemeentelijk beleid.

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

41

ra

3.6 Waterbeleid 3.6.1 Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. 3.6.2 Nationaal Waterplan De hoofddoelstelling voor waterbeheer in Nederland is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP): Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst. Het Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening en is opgesteld voor de planperiode 2016-2021. 3.6.3 Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water.

Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Daarbij zijn De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' en' schoonhouden, scheiden en zuiveren' belangrijke uitgangspunten. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms in een stroomgebied wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

3.6.4 Omgevingsverordening Gelderland Op 13 december 2017 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. In de Omgevingsverordening zijn regels (randvoorwaarden) opgenomen passend bij de provinciale aanpak van ambities en doelen in de Omgevingsvisie. Veel van deze regels waren eerder in diverse andere verordeningen van de provincie opgenomen. De provincie trekt deze oude verordeningen in en brengt de Omgevingsverordening ervoor in de plaats. De regels in de Omgevingsverordening zijn zodanig dat zij goed passen bij de accenten in de aanpak van de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

42

beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening heeft de status van: ^ ^ ^ ^

Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening Milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet Milieubeheer Waterverordening in de zin van de Waterwet Verkeersverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2 A van de Wegenverkeerswet

Ook de Omgevingsverordening is per 11 november 2015 geactualiseerd en geconsolideerd. In de verordening staan ook doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. Vanwege de Europese Kaderrichtlijn Water is voor bepaalde oppervlaktewateren vastgelegd of het een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewater is. Ook zijn voor die oppervlaktewateren ecologische doelen geformuleerd. Voor verbetering van de grondwaterkwaliteit zijn maatregelen opgenomen. In de omgevingsverordening van provincie Gelderland zijn specifieke watergerelateerde doelen/maatregelen opgenomen voor het betreffende plangebied. Grondwaterfluctuatiezone De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma's of in kaders in de verordening. De grondwaterfluctuatiezone, zoals die rondom de Veluwe wordt aangetroffen, is een gebied waar door klimaatswijzigingen hoge grondwaterstanden kunnen voorkomen. Hierdoor kunnen problemen ontstaan voor bepaalde gebruiksfuncties. Naar verwachting zijn ook maatregelen nodig. De provincie houdt rekening met een stijging van het grondwater met 80 cm in 2050. Richtlijnen hierbij zijn: ^ ^

Bij nieuwbouw het vloerpeil op tenminste 1 meter boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand aanleggen. Voor voldoende drooglegging minimaal 70 cq. 90 cm. ruimte houden tussen het bouwpeil cq vloerpeil en de gemiddelde hoogste grondwaterstand die in het gebied voorkomt (zie onderstaande afbeelding).

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

43

ra

^ ^ ^

^

^

Op basis van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) het bouwpeil bepalen en indien nodig het huidige maaiveld ophogen. Tussen het vloerpeil van het gebouw en het bouwpeil van de kavel en/of de openbare ruimte 20 cm. ruimte houden om te voorkomen dat regenwater vanuit de openbare ruimte naar binnen stroomt. Kelders zijn alleen aan te bevelen als het grondwater voldoende diep zit. Bovendien moet de constructie van de kelder(s) zodanig waterdicht worden uitgevoerd dat optrekkend vocht wordt voorkomen. Tijdelijke verlaging van de grondwaterstand voor de bouw van eventuele ondergrondse ruimten (bv. kelders) kan gedurende de uitvoeringsperiode aan de orde zijn. Voor de onttrekking en lozing van grondwater zijn regels uit de Keur van het waterschap van toepassing. Het structureel onttrekken/draineren en afvoeren van grondwater is geen duurzame oplossing en in principe ook niet toegestaan.

Gemeeite Ĥaìd Bescherming oppervlaktewater voor □nnkwaterbŵreid'ng

/y Beschermingszone natte landnatuur Gronŵva terbeschef nwigsgetoied Grond.vatemuctuat*ezone -J [

] Hoogst Ecologische Niveau

i naran Zy Intrekgetoieòen

Koude warmteopsiagvrije zone Natte landnatuur

Uitsnede waterkaart, plangebied is aangeduid met oranje cirkel (bron: provincie Gelderland)

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

44

Doorwerking plangebied Bij de realisatie van de kleinschalige levensloopbestendige woning in het plangebied wordt rekening gehouden met ondiepe ligging van grondwater en wordt er voldoende ruimte gecreëerd voor de afvoer en berging van regenwater. Risico's op wateroverlast blijven daarmee beperkt tot een acceptabel niveau. 3.6.5 Waterbeheer 21e eeuw (WB21) Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Het rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven, hebben besloten maatregelen voor een doelmatiger waterbeheer overeen te komen in dit Bestuursakkoord Water. Het waterschap gaat zich inzetten voor een mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van het watersysteem en de waterketen. Het doel is om de kwaliteit van het beheer te vergroten tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. De burger laten zien wat wordt bereikt en transparant zijn over de kosten. Dat doen de partijen vanuit eigen verantwoordelijkheden waarbij we de expertise en deskundigheid met elkaar delen.

3.6.6 Waterbeheerprogramma 2016-2021 Waterschap Vallei en Veluwe Waterschap Vallei en Veluwe is beheerder en bevoegd gezag voor zowel waterkwantiteit als -kwaliteit van de primaire watergangen (voor gemeente Harderwijk ook de watergangen in het stedelijk gebied). Voor werkzaamheden op, aan of in nabijheid van watergangen en waterkeringen geldt de Keur en heeft het waterschap algemene regels opgesteld. In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 heeft waterschap Vallei en Veluwe tactische doelen geformuleerd. Per jaarplan wordt concreet invulling gegeven aan de daadwerkelijke realisatie van deze doelen. 3.6.7 Keur Waterschap Vallei en Veluwe Op 1 januari 2014 is de nieuwe Keur met de Algemene - en Beleidsregels van Waterschap Vallei en Veluwe in werking getreden. Het waterschap stelt deze regels vast ter behartiging van de waterschapstaak en het bereiken van de doelstelling zoals genoemd in artikel 2.1 van de Waterwet. Alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk worden hieraan getoetst. Om zijn taak uit te kunnen oefenen, maakt het waterschap gebruik van de Keur en de Legger. De Keur is een door het waterschapsbestuur vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers.

De Legger bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhouds- en beschermingszones. In de Legger wijst het waterschap tevens aan wie het onderhoud van een watergang, dijk of constructie moet uitvoeren. Ook wordt bepaald of er controle (schouw) wordt gedaan. De legger bepaalt samen met de keur welke regels er voor inwoners en gebruikers gelden en wordt daarom door het bestuur van het waterschap gesteld. Het waterschap levert de gemeente deze gegevens aan, teneinde de hoofdwatergangen en waterkeringen, inclusief de onderhouds- en beschermingszone in het bestemmingsplan te regelen en de bouwmogelijkheden, voor zover noodzakelijk, te kunnen regelen. Algemene regels Veel handelingen op en nabij de waterstaatswerken zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht. Deze handelingen heeft het waterschap in algemene regels opgenomen.

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

45

ra

Verantwoordelijkheden Hemelwater: Een belangrijk principe is dat zoveel mogelijk van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwater: Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken Z draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Oppervlaktewater: Het waterschap is verantwoordelijk voor het peilbeheer in regionaal oppervlaktewater.

Daarbij heeft het waterschap de taak om het oppervlaktewatersysteem zo in te richten dat er geen inundatie plaatsvindt tot 1 maal per 100 jaar in stedelijk en 1 maal per 10 jaar in landelijk gebied. 3.6.8 Waterplan Harderwijk 2013-2018 Het Waterplan Harderwijk 2013-2018 is op 8 oktober 2013 vastgesteld en is een gezamenlijk plan van de gemeente Harderwijk en Waterschap Vallei en Veluwe. Met dit plan willen beide partijen, samen met burgers, verenigingen en andere betrokkenen, verder werken aan het verbeteren van het water in Harderwijk. De hoofddoelstelling van het Waterplan Harderwijk is: "In beeld te brengen en uitvoeren van de benodigde maatregelen voor het realiseren en behouden van een veilig, veerkrachtig en ecologisch gezond functionerend watersysteem met het oog op een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving". In dit Waterplan is onder meer een Kansen- en knelpuntenkaart opgenomen en een Visiekaart. Het plangebied staat op de Kansen en knelpuntenkaart als een gebied dat valt binnen de grondwaterfluctuatiezone. In de grondwaterfluctuatiezone is extra aandacht nodig gezien de in de toekomst te verwachten hogere grondwaterstanden. Voor alle wijken met een gemengd rioolstelsel geldt dat herstructureringsprojecten, daar waar mogelijk gecombineerd worden met het afkoppelen van hemelwater.

Bij nieuwbouw dient de ontwateringsdiepte ten opzichte van het bouwpeil minimaal 0,9 m te zijn. 3.6.9 Zuiveringskring Afvalwaterketen Plan WHEP 2016-2020 (ZAP) Het ZAP is een gezamenlijk plan van gemeenten Harderwijk, Ermelo en Putten alsmede Waterschap Vallei en Veluwe en heeft de status van het (wettelijk verplicht) verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP). In het plan zijn de volgende beleidsmatige uitgangspunten gedefinieerd voor de wettelijke gemeentelijk zorgplichten stedelijke afvalwater, hemelwater en grondwater:

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

46

ra

Stedelijk Afvalwater Uitgangspunt voor stedelijk afvalwater zijn de wettelijke verplichtingen Wet milieubeheer art. 10.33. Stedelijk afvalwater bestaat uit huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De zorgplicht voor stedelijk afvalwater kent in vergelijking met de andere zorgplichten weinig vrijheid: inzamelen, transporteren en zuiveren (door het waterschap) is verplicht. Hemelwater Op het gebied van hemelwater is de belangrijkste opgave de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen. We doen dit door aanpassingen van onze systemen en door meer gebruik te gaan maken van de openbare ruimte voor opvang en afvoer van hemelwater. Vanuit de Waterwet artikel 3.5 zijn gemeenten verantwoordelijk voor een doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater. Deze verantwoordelijkheid geldt alleen zolang degenen die zich wil ontdoen van hemelwater niet redelijkerwijs de mogelijkheid heeft om het hemelwater zelf in de bodem of op een oppervlaktewater te lozen. Uitgangspunten hierbij zijn: ^

^ ^ ^

Perceeleigenaar is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor inzameling en verwerking van hemelwater (infiltratie op eigen terrein). Indien dit redelijkerwijs niet van de perceeleigenaar kan worden verwacht, zal de gemeente de zorgplicht over moeten nemen. Perceeleigenaren van bestaande bebouwing worden gestimuleerd om hemelwater van de vuilwater riolering af te koppelen. Bij eventuele reconstructie: hemelwater van openbaar gebied afkoppelen van riolering, tenzij dit niet doelmatig blijkt te zijn. Bij eventuele nieuwe grootschalige ontwikkelingen (inbreiding en/of herinrichting): hemelwater in principe bij voorkeur lokaal inzamelen en verwerken (infiltratie of lozing op oppervlaktewater), tenzij dit ondoelmatig blijkt te zijn (bijvoorbeeld bij hoge grondwaterstand of bestaand dicht stedelijk gebied).

Om het afstromend hemelwater schoon te houden worden geen uitlogende materialen gebruikt bij de woningbouw en in de openbare ruimte (straatmeubilair en dergelijke). Op nieuwe bouwlocaties zal alleen het huishoudelijk afvalwater worden aangesloten op de gemeentelijke riolering. Voor het hemelwater moet een andere wijze van afvoeren worden gevonden. Hiervoor bestaan in principe twee mogelijkheden, namelijk infiltratie in de bodem en lozing op het oppervlaktewater. Grondwater De bewoner heeft de verplichting om grondwater op eigen terrein te verwerken (waterwet art. 3.6). De gemeente heeft een regierol wat inhoudt dat in overleg met degene die overlast ervaart er wordt gekeken naar een mogelijke oplossing. Uitgangspunten hierbij zijn: ^ ^

de perceeleigenaar: verwerkt grondwater op eigen terrein en zorgt voor een waterdicht pand. de gemeente: neemt meldingen in ontvangst en zoekt naar een oplossing.

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

47

ra

^

^

^

alleen als geen enkele andere partij een oplossing kan of hoeft te bieden, dan neemt de gemeente maatregelen. Er worden alleen maatregelen genomen als sprake is van structurele grondwateroverlast die de gemeente op een doelmatige manier kan oplossen. het waterschap; neemt peilbesluiten en beïnvloedt hiermee de grondwaterstand. Vooral buiten de bebouwde kom speelt het waterschap hiermee een belangrijke rol. Ook verleent het waterschap vergunning voor kleinere grondwateronttrekkingen. de provincie: verleent vergunningen voor grotere industriële grondwateronttrekkingen, onttrekkingen voor de drinkwatervoorziening en onttrekkingen voor een bodemenergiesysteem. Ook werkt de provincie aan natuurontwikkeling. Vooral als ergens sprake is van verdroging zal grondwater voor de provincie een belangrijk onderwerp zijn.

Grondwaterneutraal bouwen Voor de bouw van eventuele ondergrondse ruimten (kelders) moet de grondwaterstand gedurende de uitvoeringsperiode mogelijk worden verlaagd. De constructie van de kelder(s) moet zodanig waterdicht worden uitgevoerd dat na de bouw in de gebruiksfase geen (permanente) grondwaterstandverlaging nodig is. Tevens betekent dit ook, dat bij nieuwbouw het vloerpeil (bijvoorbeeld ophogen) of de bouwwijze (bijvoorbeeld kruipruimte loos) moet worden afgestemd op de grondwaterstand, zodat er geen permanente drainage nodig is. Om grondwateroverlast te voorkomen moet er een watertoets worden uitgevoerd. 3.6.10 Watertoets Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. In paragraaf 4.5 zijn de resultaten van de watertoets beschreven.

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

48

ra

4 Onderzoek 4.1 Algemeen In gevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichte onderzoek naar relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). Per onderzoeksaspect wordt een beschrijving gegeven van de situatie ter plaatse. 4.2 Cultuurhistorie en archeologie 4.2.1 Inleiding Op 1 januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening aangepast als uitwerking van het in 2009 door het rijk ingezette beleid Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Voor de ruimtelijke ordening betekent dit een omschakeling van een objectgerichte naar omgevingsgerichte benadering. Door deze modernisering moet bij het opstellen van een bestemmingsplan meer rekening worden gehouden met cultuurhistorische waarden. Dit betekent dat naast archeologie, ook een beschrijving moet worden gegeven van de historische (steden)bouwkunde en historische geografie en hoe in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. De gemeente Harderwijk hanteert het uitgangspunt dat bij ruimtelijke ingrepen in de bestaande ruimtelijke structuur cultuurhistorische waarden waar mogelijk worden ingepast.

Wanneer er geen sprake sprake is van ingrepen in de ruimtelijk structuur (actualisatieplannen), is het uitgangspunt dat cultuurhistorische waarden geen directe reden zijn om bestaande rechten in te perken. 4.2.2 Cultuurhistorie Initiatiefnemer is eigenaar van perceel 4145 aan de Ooster Mheenweg in Hierden en is voornemens om 450 m2 aan schuren te slopen, waarvan 300 m2 op het eigen perceel en 150 m2 elders in de gemeente. In plaats daarvoor wordt één kleine levensloopbestendige woning (90m2) gerealiseerd op het betreffende perceel aan de Ooster Mheenweg. In het voorliggend bestemmingsplan wordt het kadastraal perceel 4145 aan de Ooster Mheenweg en het perceel Parallelweg 9/10 voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling. Deze regeling maakt de realisatie van een kleine levensloopbestendige woning mogelijk op het perceel aan de Ooster Mheenweg. De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Gelderland laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het plangebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige (dorps)landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld.

Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland zijn in het plangebied geen cultuurhistorische structuren opgenomen. De directe omgeving maakt verder geen deel uit van beschermd stads- of dorpsgezicht en er komt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in voor. Er zijn in het plangebied ook geen karakteristieke bouwwerken of andere waardevolle cultuurhistorische elementen, zoals houtwallen of verkavelingspatronen aanwezig. Beschermde monumenten In het plangebied zijn geen beschermde rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig.

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

49

ra

4.2.3 Archeologie Initiatiefnemer is eigenaar van perceel 4145 aan de Ooster Mheenweg in Hierden en is voornemens om 450 m2 aan schuren te slopen, waarvan 300 m2 op het eigen perceel en 150 m2 elders in de gemeente. In plaats daarvoor wordt één kleine levensloopbestendige woning (90m2) gerealiseerd op het betreffende perceel aan de Ooster Mheenweg. In het voorliggend bestemmingsplan wordt het kadastraal perceel 4145 aan de Ooster Mheenweg en het perceel Parallelweg 9/10 voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling. Deze regeling maakt de realisatie van een kleine levensloopbestendige woning mogelijk op het perceel aan de Ooster Mheenweg. In het plangebied is een middelmatige archeologische verwachtingswaarde aanwezig. Conform het archeologiebeleid geldt in een gebied met een middelmatige archeologische verwachting de onderzoeksplicht vanaf bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 0,3 m. Voor de realisatie van de woning zal de bodemingreep minder zijn dan 1000 m2, archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Hoge verwachting Middelhoge verwachting lage verwachting

IS ^0 Geen verwachting

Uitsnede archeologische kaart, plangebied is aangeduid met oranje cirkel (bron: gem Harderwijk) Op 9 juni 2020 is er contact geweest met de regio-archeoloog. Deze heeft bevestigd dat de planlocatie in een zone met lage archeologische verwachting ligt. In deze zone geldt een vrijstellingsgrens voor bouwwerken met

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

50

oppervlakte tot 1000 m2. Andere ontwikkelingen geen bouwwerk zijnde, zijn vrij van archeologisch onderzoek. Archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Parallelweg Uit de beleidskaart archeologie blijkt dat de slooplocatie is aangewezen als een gebied met een hoge archeologische verwachting. In deze gebieden moet er bij nieuwe ontwikkelingen, waarbij sprake is van een aaneengesloten gebied groter dan 50 m2 en de grond dieper dan 30 cm geroerd wordt archeologische onderzoek worden uitgevoerd. Het betreft hier geen nieuwe ontwikkeling, maar de sloop van een schuur. Op de slooplocatie vinden geen bodemroerende werkzaamheden plaats die dieper gaan dan de bestaande vloer en fundering. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.

4.2.4 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

51

ra

4.3 Ecologie Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Het doel van de wet is het behouden en herstellen van de natuur. Het is belangrijk voor de natuur dat er veel verschillende planten- en diersoorten zijn. Sommige soorten zijn kwetsbaar. Een goede natuurbescherming is belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, is er ook meer ruimte voor economische en andere maatschappelijke activiteiten. De wet kent twee soorten bescherming: gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Natura 2000 Binnen de Wet natuurbescherming zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden en vormt daarmee de basis voor het Europees beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Natura 2000 is niet alleen ter bescherming van gebieden, maar draagt ook bij aan soortenbescherming. Natura 2000 omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd. Voor de Natura 2000gebieden geldt ook de zogenaamde externe werking.

Dit betekent dat ook gekeken moet worden of er negatieve effecten zijn van ontwikkelingen die plaatsvinden buiten de begrenzing van het Natura 2000gebieden maar die toch van invloed kunnen zijn op dit gebied. Voor Harderwijk zullen dit meestal de Natura-2000 gebieden Veluwe en Veluwerandmeren zijn. Soms ook Arkemheen (bij Nijkerk). In de toelichting de afstanden van plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en de effecten beschrijven. Denk daarbij ook aan externe werking. Voor de Veluwe zijn er al snel effecten vanwege stikstofdepositie. Als significant negatieve effecten op voorhand niet kunnen worden uitgesloten moet een passende beoordeling worden gemaakt en een MER worden opgesteld. Meer info: http://www.natura2000.nl/pages/kaartpagina.aspx ] Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone Om de biodiversiteit nu en voor toekomstige generaties Gelderlanders veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. De Groende Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan bos of natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven.

De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De provincie nodigt de Gelderse samenleving uit om in de GO initiatieven te ontwikkelen die bijdragen aan de realisatie van deze dubbele doelstelling. Vanwege de dubbele doelstelling is er in de GO ruimte voor nieuwe ontwikkelingen en voor een uitbreiding van bestaande bedrijven, woningen en bouwwerken en andere functies. Kernkwaliteiten mogen niet significant worden aangetast. Zie verder Omgevingsvisie en -verordening Gelderland.]

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

52

Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van dier- en plantensoorten. In grote lijnen blijft de bescherming gelijk aan de oude Flora- en Faunawet. Het doel van deze wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet hanteert het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten in principe verboden zijn. Alleen onder strikte voorwaarden zijn afwijkingen van de verbodsbepalingen mogelijk. Hiervoor moet een ontheffing worden aangevraagd bij de provincie. De aanvraag moet onderbouwd worden met een onderzoek naar het voorkomen van en de effecten op beschermde soorten. In de nieuwe wet is daarnaast een zogenaamde 'algemene zorgplicht' opgenomen. De zorgplicht is van toepassing op alle planten en dieren, ongeacht of ze wettelijk beschermd zijn. De zorgplicht houdt in dat er bij ingrepen, zoals bouwactiviteiten, altijd zorgvuldig moet worden omgegaan met aanwezige planten en dieren. Schadelijke activiteiten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. 4.3.1 Onderzoek Initiatiefnemer is eigenaar van perceel 4145 aan de Ooster Mheenweg in Hierden en is voornemens om 450 m2 aan schuren te slopen, waarvan 300 m2 op het eigen perceel en 150 m2 elders in de gemeente.

In plaats daarvoor wordt één kleine levensloopbestendige woning (90m2) gerealiseerd op het betreffende perceel aan de Ooster Mheenweg. In het voorliggend bestemmingsplan wordt het kadastraal perceel 4145 aan de Ooster Mheenweg en het perceel Parallelweg 9/10 voorzien van een nieuwe bestemmingsregeling. Deze regeling maakt de realisatie van een kleine levensloopbestendige woning mogelijk op het perceel aan de Ooster Mheenweg. In juli 2020 is er door een ecologisch bureau een quickscan Natuur uitgevoerd voor de ontwikkeling op het perceel aan de Ooster Mheenweg (zie bijlage 2 van deze toelichting). Beschermde soorten Er zijn geen beschermde soorten gevonden of te verwachten. Specifiek is gezocht naar aanwijzingen voor verblijfplaatsen van marters, steenuil, huismus en kerkuil. Deze zijn niet gevonden in de te slopen opstallen en op het perceel ook niet te verwachten. Ook is gekeken naar mogelijke vaste verblijfplaatsen van vleermuizen. De gebouwen zijn hiervoor niet geschikt (ongeïsoleerd, te laag, geen dekking in omgeving). Omdat in de stallen wel vogels als merel en roodborst kunnen broeden is de beste tijd voor de sloop in de periode tussen half september en februari. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening Gelderland). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht.

Stikstof In de Handreiking woningbouw en Aerius van het Ministerie zijn indicatieve deposities genoemd in relatie tot de afstand tussen woningen en Natura2000 gebied. Bij 50 woningen is er op 1 km in de gebruiksfase een depositie van 0.01 mol/ha/jaar en 0.09 mol in de aanlegfase. Op basis daarvan is al te concluderen dat het plan geen gevolgen zal hebben voor de stikstofdepositie. Om discussies te voorkomen is in de voorliggende situatie met behulp van het rekenprogramma Aerius een aantal berekeningen gemaakt van de te verwachten stikstofdepositie. Zowel de aanleg- als de gebruiksfase zijn doorgerekend. In de voorliggende situatie geldt voor de bestaande toestand twee stallen en grasland. De nieuwe situatie betreft een gasloos uitgevoerde woning

Huisman | Ruimte 81 Visualisatie De spil tussen particulier en overheid

53

met warmtepomp. Daardoor is alleen sprake emissie van voertuigbewegingen. Op basis de CROW publicatie 382 is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 8.2 bewegingen per etmaal. Op basis daarvan is geen depositie berekend hoger dan 0.00 mol/ha/jr. Ook de aanlegfase moet in beeld worden gebracht. Dat bestaat hier uit het slopen van de schuren en realisatie van een nieuwe woning. De uitgangspunten hiervoor zijn opgenomen in bijlage bij de Aeriusbrekening. Op basis daarvan is geen depositie berekend hoger dan 0.00 mol/ha/jr. Gebiedsbescherming Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze ingreep geen negatieve invloed heeft op de specifiek beschermde natuurwaarden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied zijn de Veluwerandmeren en de Veluwe op resp. 1.320 en 1.820m. De bestaande situatie bestaat uit twee oude schuren. De nieuwe woning wordt gasloos uitgevoerd. Op basis van 8.2 voertuigbewegingen per etmaal is geen bijdrage berekend hoger dan 0.00 mol/ha/jaar. Ook de sloop van de schuren en de bouw van de woning geeft geen bijdrage boven de 0.00 mol/ha/jaar. Een Wnb vergunning gebieden is niet nodig. Gelders natuurnetwerk f Groene Ontwikkelzone Het plan ligt buiten de begrenzing van het GNN en de GO.

Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van de begrenzing van het GNN mag worden aangenomen dat er geen effecten zijn te verwachten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN en de GO. Specifieke maatregelen of aanvullend onderzoek worden niet nodig geacht. Beoordeling Slooplocatie Parallelweg Als gevolg van het plan worden een deel van een eendenschuur gesloopt. Er kan niet worden uitgesloten dat (het leefgebied van) beschermde flora en fauna verloren gaat. Tevens kan niet worden uitgesloten of er als gevolg van het plan een overschrijding plaatsvindt van de depositie van stikstof op omliggende Natura-2000 gebieden. Het uitvoeren van een 'quickscan Wet natuurbescherming' en de stikstof berekening als aanvulling hierop is derhalve noodzakelijk. In kader van het bestemmingsplan 'Buitengebied - Omgeving Duinweg 8' is reeds een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan worden hieronder beschreven: Beschermde soorten Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen, met uitzondering van de huismus. De huismus is in grote getale aanwezig en komt af op het voer voor de eenden. Het gebruik van de stallen voor het houden van eenden is eind 2019 beëindigd. Daarmee zal het voedselaanbod verdwijnen en is de verwachting dat er veel minder mussen op het perceel af zullen komen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=d396425c-55e8-4823-949b-37ff258637e2