Klantreis statushouders Harderwijk.pdf
Tekst van het document
TWEEDE TUSSENRAPPORT
JULI 2020
De klantreis van statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde
De klantreis van statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde Tweede tussenrapport, juli 2020 Auteurs: Auke Witkamp en Wenda Doff, mmv Eva Möller Verwonderzoek, versie 14 juli 2020
Inhoud 1. Inleiding .................................................................................................................................................... 3 1.1 Achtergrond van het onderzoek ......................................................................................................... 3 1.2 Doel van het onderzoek...................................................................................................................... 4 1.3 Opzet van het onderzoek ................................................................................................................... 5 2. De populatie: statushouders van Meerinzicht ......................................................................................... 7 2.1 Achtergrondkenmerken ..................................................................................................................... 7 2.2 Problematiek en ondersteuning ......................................................................................................... 8 2.3 Opleiding, taal, inburgering ................................................................................................................ 8 2.4 Werk ...................................................................................................................................................
9 2.5 Profielen, doelen, adviezen ................................................................................................................ 9 2.2 Conclusies ......................................................................................................................................... 11 3. Kennismaking en diagnose .................................................................................................................... 13 3.1 Kennismaking en diagnose in theorie ............................................................................................... 13 3.2 Ervaringen en observaties ................................................................................................................ 13 3.4 Conclusies, verbeterpunten en overwegingen ................................................................................. 14 4. Ondersteuningsplannen ......................................................................................................................... 16 4.1 Doelen en ondersteuningsplannen in theorie .................................................................................. 16 4.2 Inhoud van de ondersteuningsplannen ............................................................................................
16 4.3 Ervaringen met het proces ............................................................................................................... 18 4.4 Conclusies, verbeterpunten en overwegingen ................................................................................. 18 5. Trajecten en regie ................................................................................................................................... 20 5.1 Trajecten en regie in theorie ............................................................................................................ 20 5.2 Ervaringen en observaties ................................................................................................................ 21 5.3 Conclusies, verbeterpunten en overwegingen ................................................................................. 24 6. Conclusies en vooruitblik ........................................................................................................................ 26 6.1 Conclusies aan de hand van de klantreis .......................................................................................... 26 6.2 Betekenis ..........................................................................................................................................
28 6.3 Een derde meting? ........................................................................................................................... 29 Bijlage 1 - Onderzoeksvragen ..................................................................................................................... 30 Bijlage 2 - Verantwoording dataonderzoek ................................................................................................ 32 Colofon ....................................................................................................................................................... 33
2
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
1. Inleiding Hier lichten we het onderzoek toe. We schetsen de context, formuleren het doel van het onderzoek en de onderzoeksvragen en bespreken kort hoe het onderzoek is uitgevoerd. 1.1 Achtergrond van het onderzoek 1 Beleidsinterventie In de jaren 2014-2016 is een groot aantal met name Syrische asielmigranten naar Nederland gekomen. Enkele honderden van hen hebben, na het verkrijgen van de verblijfsstatus, een woning toegewezen gekregen in de gemeenten Harderwijk, Ermelo en Zeewolde. Deze 'statushouders' kregen ook automatisch een uitkering op grond van de Participatiewet. Meerinzicht is, sinds de fusie en reoriganisatie begin 2018, verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet van de gemeenten Harderwijk, Ermelo en Zeewolde, en daarmee ook voor de doelgroep 'statushouders'. In de afgelopen jaren is de jaarlijkse instroom van statushouders in de gemeenten weer afgenomen. Dat neemt niet weg dat er jaarlijks enkele tientallen nieuwe statushouders bijkomen in de drie gemeenten. Meerinzicht heeft een beleidsinterventie ingezet om de groep statushouders die zich sinds 2014 in de drie gemeenten heeft gevestigd met verhoogde inzet te ondersteunen en activeren. 2 Nieuwe inburgeringsstelsel In 2021 zal een nieuw inburgeringsstelsel van kracht worden.
In dit nieuwe stelsel zal de regie van de inburgering weer meer bij gemeenten terechtkomen, waar dat in het huidige stelsel volledig bij de statushouders ligt. De huidige aanpak van Meerinzicht is er mede op gericht om de organisatie goed voor te bereiden op het nieuwe stelsel. Hoewel er nog veel onduidelijk is over het nieuwe stelsel tekenen enkele contouren zich al wel af.
Enkele hoofdpunten van het nieuwe inburgeringsstelsel 1 ● Het nieuwe stelsel zet in op een doorlopende lijn vanuit de opvang. Met taal vanaf dag één en het programma ‘’Voorbereiding op de inburgering’’ wordt hier in het AZC mee begonnen. ● De regierol van gemeenten in deze doorlopende lijn begint met een brede intake. Leren en participeren gaan hand in hand en beide aspecten worden in een persoonlijk plan opgenomen. ● Gemeenten krijgen de taak om alle (bijstandsgerechtigde) asielstatushouders verplicht te ontzorgen gedurende zes maanden. ● Er komen drie leerroutes in het nieuwe stelsel: o Onderwijsroute: gericht op het behalen van een Nederlands schooldiploma voor een goede startpositie op de arbeidsmarkt. o B1-route: om het mogelijk te maken dat de meeste inburgeraars zo snel mogelijk, maar maximaal binnen drie jaar, taalniveau B1 behalen en hun perspectief op de arbeidsmarkt vergroten, is het van belang dat het leren van de taal gecombineerd wordt met (vrijwilligers)werk. o Zelfredzaamheidsroute (Z-route): voor mensen voor wie de onderwijs- of B1-route buiten bereik ligt, komt er een leerroute waarbij iedereen leert zich in de maatschappij te redden.
● Gemeenten zijn verantwoordelijk om een sluitend inburgeringsaanbod te doen: dit aanbod omvat naast een van de drie leerroutes in ieder geval kennis van de Nederlandse maatschappij (KNM), Module Arbeidsmarkt & Participatie (voorheen Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt) en het participatieverklaringstraject (PVT).
1
3
TK 2018-2019, 32 824 nr. 223. Brief stand van zaken veranderopgave inburgering, 25 juni 2019.
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
3 De klantreis Meerinzicht heeft de methodiek die klantmanagers hanteren in hun dienstverlening aan statushouders beschreven in de vorm van een klantreis. De klantreis bestaat uit vijf stappen, hieronder afgebeeld. Figuur SEQ Figuur \* ARABIC 1 - Klantreis Meerinzicht
Voor de werkwijze met statushouders houdt deze klantreis onder andere een aantal concrete punten in: 1. Outreachend werken betekent dat wordt gepoogd om al contact te hebben met de statushouder wanneer deze in het AZC zit, om zo een 'warme overdracht' te realiseren en snel te kunnen beginnen met inburgering. 2. Een brede intake houdt in dat aan de hand van een diagnosetool mogelijkheden, wensen, en barrières in kaart worden gebracht op meerdere leefgebieden. Momenteel wordt hiervoor de diagnosetool van Competensys gebruikt, ook wel het Klantportaal genoemd. 3. Het formuleren van doelen en een plan uit zich in theorie in het opstellen van een ondersteuningsplan voor elke statushouder. In dit plan worden doelen benoemd en wordt expliciet gemaakt welke trajecten er worden gestart en wat de klantmanager en statushouder van elkaar mogen verwachten. Dit ondersteuningsplan is een voorloper van het Persoonlijk Inburgeringsplan (PIP) dat in het nieuwe stelsel verplicht wordt. 4. De inzet van trajecten en eigen netwerk houdt in dat de klantmanager trajecten kan inzetten om de statushouder op weg te helpen; daarnaast wordt verwacht dat de statushouder zich zelf ook inspant en zijn eigen hulpbronnen aanboort. 5. Regie door de klantmanager houdt in dat de klantmanager ten minste elke drie maanden contact heeft met de statushouder.
Op basis van dat contact kan worden besloten om de doelen uit het plan en/of de inzet van trajecten aan te passen aan de nieuwe situatie. Onder deze klantreis liggen vier basale uitgangspunten: 1. Een holistisch mensbeeld, waarmee wordt onderstreept dat men oog wil hebben voor alle facetten van de mens. 2. Een emancipatorische visie, waarmee wordt aangegeven dat de statushouder een 'agent' is die zelf richting kan geven aan het integratieproces. Klant en klantmanager zijn gelijkwaardig. 3. Oplossingsgericht werken, waarmee wordt aangehaakt op een breed geaccepteerde methodiek uit het gedachtegoed rondom social work. Oplossingsgericht werken verwijst naar een gestructureerde manier van vragen stellen waarbij het stellen van doelen, denken in oplossingen en regie door de klant belangrijke ingrediënten zijn. 4. Versterken van eigen regie, waarmee wordt bedoeld dat het bevorderen van zelfredzaamheid, het benadrukken van eigenaarschap door de statushouder belangrijke doelen zijn van het proces. Het is de bedoeling dat de klantreis en de onderliggende uitgangspunten breed zullen gaan gelden voor de uitvoering in het sociaal domein door Meerinzicht. Vanuit die optiek is de 'beleidsinterventie' voor statushouders momenteel een proeftuin waarvan kan worden geleerd om uiteindelijk de dienstverlening ook voor andere doelgroepen te verbeteren.
1.2 Doel van het onderzoek Dit onderzoek gaat in de kern om de vraag: welke onderdelen van deze aanpak werken onder welke omstandigheden voor welke statushouders, en waarom? We kijken in het onderzoek naar een aantal onderwerpen:
4
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
1. 2. 3. 4.
De populatie De doelen De trajecten Doelbereik
In deze onderwerpen liggen als het ware een inputvariabele, een outcomevariabele en drie tussenliggende variabelen besloten. De input bestaat uit de kenmerken van de statushouders. De outcome gaat om het doelbereik. De drie tussenliggende variabelen lichten we kort toe: Drie variabelen die van belang zijn voor die onderzoek Profielen Aan het eind van de diagnose deelt de klantmanager de statushouder in in één van zes beschikbare profielen. Deze profielen geven een samenvatting van de afstand die er momenteel is tot de arbeidsmarkt en van de benodigde inzet. Zo wordt de populatie dus ingedeeld in zes profielen: A1 A2 B1 B2 C D
Doelen
Trajecten
Werkfit regulier (direct naar regulier werk/bemiddeling) Werkfit banenafspraak (werk en bemiddeling banenafspraak) Op weg naar werk (kansrijk voor plaatsing) Op weg naar werk (inzet ondersteuningstraject gericht op werk) Activering en overig (momenteel geen kansen op werk) Geen mogelijkheden op lange termijn
We zoeken uit in welke profielen de statushouders worden ingedeeld, hoe de indeling tot stand komt en wat de ervaringen hiermee zijn. In het ondersteuningsplan worden doelen gesteld. Het uitgangspunt van de aanpak van Meerinzicht is dat deze doelen over alle aspecten van het leven kunnen gaan. Een andere aanname is dat de statushouders zelf regie voeren over de doelen. We zoeken uit welke doelen er worden gesteld, hoe ze tot stand komen en wat de ervaringen hiermee zijn. Onderdeel van de aanpak is dat er vijf voltijdstrajecten zijn opgezet waar statushouders aan deel kunnen nemen. De achterliggende gedachte hier is dat het belangrijk is dat het reguliere cursusaanbod (regulier = 3 dagdelen per week) niet intensief genoeg is en dat statushouders baat hebben bij een voltijdsaanbod. De trajecten zijn op verschillende niveaus. Behalve deze voltijdstrajecten kunnen klantmanagers ook andere trajecten voorschrijven of adviseren. De meeste statushouders gaan ook aan het werk bij het Participatiehuis van Intervens, en/of ze worden door Intervens bemiddeld naar de arbeidsmarkt. We zoeken uit welke trajecten worden ingezet, hoe deze keuze tot stand komt en wat de ervaringen zijn met de verschillende trajecten.
De vraag is uiteindelijk: kan een combinatie van deze tussenliggende variabelen het doelbereik verklaren? Deze vraag betekent ook dat de werkwijze van de klantmanagers geen onderwerp is van dit onderzoek. Dat komt in een separaat onderzoek aan de orde. 2
1.3 Opzet van het onderzoek Dit onderzoek bestaat uit ten minste twee metingen, en mogelijk drie. 3 Dit huidige rapport bevat de resultaten van de eerste meting en tweede meting. Er is nog geen zicht op het doelbereik van de aanpak van Meerinzicht. We hebben voor deze eerste twee metingen met name gekeken naar de uitvoering van de aanpak, de ervaringen van alle betrokkenen en naar de wijze waarop gegevens
2 3
5
Zie bijlage 1 voor een overzicht van de onderzoeksvragen zoals opgenomen in de offerte. Na de tweede meting wordt besloten of de derde meting doorgaat.
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
worden geregistreerd. Voor deze tweede meting hebben we extra aandacht besteed aan de samenwerking tussen klantmanagers en Intervens, en aan de regievoering door klantmanagers. Voor de eerste twee metingen is een aantal bronnen aangeboord. In de tabel hieronder benoemen we ze en lichten we onze werkwijze toe. Onderzoeksstappen Bestandsanalyse
We hebben ten eerste een bestand gekregen van Competensys waarin gegevens uit de diagnoses zijn opgenomen van 331 statushouders. Daarnaast hebben we 178 bruikbare ondersteuningsplannen gekregen van Meerinzicht. Uit deze ondersteuningsplannen hebben we zelf de benoemde doelen en trajecten gehaald, en deze in een Excel ingevoerd.
Interviews met klantmanagers
Interviews met aanbieders van voltijdstrajecten
Interviews met uitvoerders van Intervens
Interviews met statushouders
Deze Excel hebben we gekoppeld aan het bestand dat we van Competensys hebben gekregen. Op dit nieuwe bestand hebben we onze analyses gedraaid. In bijlage 2 kunt u meer lezen over het uiteindelijke bestand waarop de analyses zijn gedraaid. We hebben contactgegevens gekregen van in totaal negen klantmanagers van Meerinzicht. Met hen hebben we in totaal 13 interviews gehouden: 5 in de eerste meting en 8 in de tweede meting. Dat betekent dat we vier klantmanagers tweemaal hebben geïnterviewd. We hebben contactgegevens gekregen van vijf aanbieders van voltijdstrajecten. Er zijn (telefonische) gesprekken gevoerd met de coördinatoren van alle vijf aanbieders; vervolgens zijn er interviews afgenomen met docenten van drie van deze aanbieders. Met de andere twee aanbieders is afgesproken om in maart weer contact op te nemen, ze hadden nu geen docenten beschikbaar voor een interview. In totaal hebben we telefonische gesprekken gevoerd met vier respondenten en vier interviews afgenomen met in totaal acht respondenten. De interviews gingen over hun ervaringen met het voltijdtraject en met de samenwerking met Meerinzicht en Intervens. We hebben contactgegevens gekregen van de manager Inclusief van Intervens. In overleg met haar is afgesproken om twee interviews te houden met uitvoerders, één op de vestiging in Ermelo en één op de vestiging in Harderwijk.
In totaal hebben we in die twee interviews vijf uitvoerders gesproken. De interviews gingen over hun ervaringen met de dienstverlening, de voltijdtrajecten en de samenwerking met taalaanbieders en Meerinzicht. We hebben contactgegevens gekregen van negen statushouders. In totaal hebben we negen gesprekken met acht statushouders gevoerd. Dat betekent dat we één statushouder tweemaal hebben geïnterviewd, en één statushouder niet konden bereiken. De interviews gingen over hun ervaringen met de dienstverlening vanuit Meerinzicht, Intervens en de voltijdtrajecten.
De tweede meting vond grotendeels plaats in de Coronamaanden. Dat betekent dat de gesprekken voor deze tweede meting (8 interviews met klantmanagers en 4 met statushouders) telefonisch hebben plaatsgevonden. Op de kwaliteit van de interviews met de klantmanagers had dit geen impact: Voor de interviews met statushouders was dit wél een beperking: de taalbarrière is telefonisch nou eenmaal groter dan face-to-face. Eén gesprek hebben we in het frans gehouden, bij een ander gesprek deed de 14-jarige dochter van de statushouder dienst als vertaalster. Toch hadden de gesprekken voldoende kwaliteit om te benutten als bron voor dit onderzoek.
6
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
2. De populatie: statushouders van Meerinzicht Hier introduceren we de populatie: statushouders in Meerinzicht. We baseren ons daarbij op de gegevens uit Competensys. Dat betekent dat statushouders die het Klantportaal (nog) niet hebben ingevuld niet zijn meegenomen in dit hoofdstuk. Ook belangrijk om te onthouden: de gegevens zijn een momentopname ten tijde van de diagnose. Inmiddels kunnen er weer zaken veranderd zijn.
2.1 Achtergrondkenmerken De gemiddelde leeftijd is 38 jaar; de jongste is 19 en de oudste 66.4 Verreweg de meesten (81% in totaal) zitten in de categorie 26-55 jaar. Er zijn ongeveer evenveel mannen als vrouwen in het bestand.
Ruim tweederde (68%) komt uit Syrië, en 21% uit categorie 'anders'. Hier zitten veel mensen uit Eritrea en andere Afrikaanse landen tussen.5
60% van de statushouders is tussen de 2-5 jaar in Nederland. Gemiddeld is men vier jaar in Nederland, variërend van 3 maanden tot 18 jaar. 4 5
7
Voor alle grafieken in deze paragraaf geldt: N=331. De categorie overig omvat Afghanistan, Ethiopië, Irak, Jemen, Sudan en Somalië.
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
Het overgrote merendeel van de statushouders (83%) heeft een verblijfsvergunning Type III.
De huishoudsituatie in Nederland laat zien dat 60% zowel partner als kinderen heeft, nog eens 9% heeft geen partner maar wel kinderen. Een kwart is alleen in Nederland.
2.2 Problematiek en ondersteuning ●
●
●
Er volgen uit Competensys geen scores op de ZRM-gebieden. Hier waren we in het onderzoeksvoorstel wel vanuit gegaan. Wél wordt er bijgehouden of er sprake is van specifieke beperkingen of problematiek. Dan blijkt: 40% heeft een lichamelijke beperking, 22% een psychische beperking en 1% een verstandelijke beperking. Voorts is er bij 10% sprake van schuldenproblematiek en is er bij 2% sprake van verslavingsproblematiek. Ons is verder niets bekend over de ernst van deze beperkingen en problemen. Bij 10% is de gezinsproblematiek een belemmering, bij 22% kinderopvang. Ten tijde van de diagnose ontvangt 15% van de statushouders zorg of ondersteuning. De meesten krijgen dat van Vluchtelingenwerk en/of psychische hulpverleners. Anderen krijgen het van maatschappelijk werk of woonbegeleiding. 71% van de statushouders wordt ingeschat als 'maatschappelijk zelfredzaam'.
2.3 Opleiding, taal, inburgering 14% spreek geen Nederlands ten tijde van de diagnose, 5% spreekt het vloeiend. In totaal spreekt de helft het tenminste gemiddeld. 53% is ten tijde van de diagnose bezig met inburgering. Nog eens 39% heeft het al afgerond, waarvan ruim 70% met succes. Bijna iedereen
8
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
(92%) heeft in land van herkomst basisonderwijs genoten. 61% heeft voorts ook voortgezet onderwijs gevolgd.
2.4 Werk Een klein deel van de populatie heeft al in NL gewerkt (10%), of werkt momenteel (7%). 71% heeft in het land van herkomst gewerkt. 24% heeft al vrijwilligerswerk gedaan in Nederland. De overgrote meerderheid is gemotiveerd om te gaan werken.
23% heeft daartoe al actie ondernomen.
Eén op de vijf is ten tijde van de diagnose niet beschikbaar voor werk. Ruim de helft is parttime beschikbaar en ruim een kwart fulltime.
2.5 Profielen, doelen, adviezen Circa 10% is direct werkfit. In totaal is 63% 'op weg naar werk' (B1 of B2). Dat wil zeggen dat ze, eventueel na inzet van een traject, kansrijk zijn voor plaatsing. Voor een kwart geldt dat activering nodig is (momenteel geen kansen op werk). Export 2 bevat relatief veel statushouders met profiel C, namelijk 20 van de 46 nieuwe cases.
9
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
Het meest genoemde doel gaat over 'taal en inburgering' (26%) en het welzijn van familie/vrienden (25%). Werk (14%). 6
Voltijdroutes worden het meest geadviseerd als vervolgstap (31%). Veel van de andere trajecten worden in de praktijk waarschijnlijk verzorgd door Intervens (zie H5).
2.5.1 Wie krijgt welk profiel? We hebben gekeken of er een relatie bestaat tussen het profiel waarin een statushouder wordt ingedeeld en de problematiek die er speelt. Dan blijkt: ● Statushouders met lichamelijke beperkingen worden vaker dan gemiddeld ingedeeld in profiel C (activering). Statushouders zonder lichamelijke beperkingen worden vaker dan gemiddeld ingedeeld in profiel A (werkfit) of B (op weg naar werk). Overigens blijft ook voor statushouders met lichamelijke beperkingen gelden dat ze meestal worden ingedeeld in profiel B (op weg naar werk). Voor statushouders met psychische beperkingen geldt dezelfde observatie. ● Ook zien we voor statushouders met schulden en statushouders voor wie de gezinsproblematiek een belemmering is eenzelfde patroon, maar is door het lage aantal waarnemingen geen relatie vast te stellen. We hebben nog een aantal verbanden getoetst: ● Mannen krijgen vaker profiel A (werkfit) dan vrouwen. Vrouwen krijgen vaker profiel C (sociale activering) dan mannen. Dit terwijl het primaire doel (zoals genoteerd in Compentensys, onderscheiden tussen enerzijds doelen gericht op inburgering/werk/opleiding, en anderzijds doelen die zijn gericht op welzijn/gezondheid/beperkingen) niet anders is voor mannen en vrouwen.
Volgens klantmanagers heeft dit er onder andere mee te maken dat vrouwen vaker geen werkervaring hebben in land van herkomst, vaker voor de kinderen moeten zorgen, en 6
Voor iedereen wordt één doel benoemd. Het totaal telt dus op tot 100%.
10
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
● ● ●
●
●
●
dat het bij gezinssituaties regelmatig niet mogelijk is om in te zetten op beide ouders. Dan wordt een keuze gemaakt voor de meest kansrijke, en meestal is dit de man. Statushouders die profiel C (sociale activering) krijgen zijn gemiddeld iets ouder dan statushouders die andere profielen krijgen. Het maakt voor de indeling in profielen niet uit hoe lang men al in Nederland is. Statushouders die in land van herkomst voortgezet onderwijs hebben genoten krijgen vaker profiel B (op weg naar werk) en iets vaker profiel A (werkfit) dan statushouders die alleen basisonderwijs of geen onderwijs hebben genoten. Die krijgen juist vaker profiel C (sociale activering). Statushouders die de Nederlandse taal gemiddeld of vloeiend beheersen krijgen vaker profiel A (werkfit). Statushouders die de taal niet of beperkt beheersen krijgen vaker profiel C (sociale activering). Statushouders die een arbeidsverleden in het land van herkomst hebben krijgen vaker profiel A (werkfit) en B (op weg naar werk), en minder vaak profiel C (sociale activering) dan statushouder die hier nog geen arbeidsverleden hebben. Statushouders die worden ingeschat als maatschappelijk zelfredzaam krijgen vaker profiel A (werkfit) en B (op weg naar werk), en minder vaak profiel C (sociale activering), dan statushouders die worden ingeschat als niet zelfredzaam.
We hebben ook gekeken of er bij bepaalde profielen andere primaire doelen worden gesteld dan bij andere profielen. Daarvoor hebben we de doelen die we hierboven in deze paragraaf al noemden gegroepeerd in enerzijds doelen die zijn gericht op inburgering/werk/opleiding, en anderzijds doelen die zijn gericht op welzijn/gezondheid/beperkingen. Dan blijkt: ● Statushouders die worden ingedeeld in profiel A (werkfit) en profiel B (op weg naar werk) hebben vaker een doel gericht op inburgering/werk/opleiding. ● Statushouders die worden ingedeeld in profiel C (sociale activering) hebben vaker een doel gericht op welzijn/gezondheid/beperkingen. Andere verbanden naar doel: ● Statushouders die kort in Nederland zijn (korter dan 2 jaar) hebben vaker een doel gericht op inburgering/werk/opleiding dan degenen die er langer zijn (vaker doelen gericht op welzijn/gezondheid/beperkingen). ● Statushouders die doelen hebben gericht op inburgering/werk/opleiding zijn gemiddeld iets jonger dan statushouders die andere doelen hebben. ● Statushouders die alleen in Nederland zijn met kinderen hebben minder vaak doelen gericht op inburgering/werk/opleiding.
2.2 Conclusies Een aantal conclusies op basis van het bovenstaande: ● Er zijn 331 diagnoses afgenomen. Het totale bestand aan statushouders omvat ruim 535 mensen. Dat betekent dat er nog ruim 204 statushouders zijn zonder diagnose. ● De meeste statushouders hebben zo op het oog geen ongunstige uitgangspositie: 70% heeft werkervaring in land van herkomst, de helft spreekt al gemiddeld of vloeiend Nederlands, bij een minderheid is sprake van specifieke problematiek zoals lichamelijke of psychische beperkingen of schulden. Overigens: het feit dat die barrières ten tijde van intake niet aan het licht komen wil niet zeggen dat ze niet bestaan. Klantmanagers geven aan dat psychsiche klachten vaak pas later in het traject naar boven komen. ● De profielen lijken redelijk logisch samen te hangen met de achtergrondkenmerken. Al die verbanden liggen redelijk in de lijn der verwachting. Dat is enerzijds wellicht teleurstellend (want: je leert er niets nieuws van), anderzijds wellicht geruststellend (want: geen gekke dingen). De tabel hieronder vat de verbanden samen:
11
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
Kenmerken van statushouders in de verschillende profielen Profiel A (werkfit) Hebben minder vaak een beperking of specifieke problematiek Zijn vaker man Spreken vaker al goed Nederlands (gemiddeld of vloeiend) Hebber vaker al een arbeidsverleden in Nederland Worden vaker ingeschat als maatschappelijk zelfredzaam Profiel B (op weg Hebben minder vaak een beperking of specifieke problematiek naar werk) Hebben vaker voortgezet onderwijs genoten in land van herkomst Worden vaker ingeschat als maatschappelijk zelfredzaam Hebben vaker een primair doel gericht op inburgering/werk/opleiding Profiel C (sociale Hebben vaker een beperking of specifieke problematiek activering) Zijn vaker vrouw Zijn gemiddeld iets ouder Hebben vaker alleen basisonderwijs of geen onderwijs genoten in land van herkomst Spreken vaak minder goed Nederlands (niet of beperkt) Hebben minder vaak een arbeidsverleden in Nederland Worden vaker ingeschat als niet maatschappelijk zelfredzaam Hebben vaker een primair doel gericht op welzijn/gezondheid/beperkingen
Bij deze tabel moeten we wel blijven bedenken dat verreweg de meeste statushouders (63% in totaal) wordt ingedeeld in profiel B (B1 of B2). Dat geldt in vrijwel alle gevallen onafhankelijk van de factoren die we hierboven noemen. Dat betekent bijvoorbeeld dat ook al zijn de statushouders in profiel A vaker man en de statushouders in profiel C vaker vrouw, zowel mannen als vrouwen toch meestal in profiel B worden ingedeeld. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor statushouders die een primair doel hebben dat is gericht op inburgering/werk/opleiding of juist op welzijn/gezondheid/beperkingen: voor beide groepen geldt dat ze meestal worden ingedeeld in profiel B.
12
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
3. Kennismaking en diagnose Hier bespreken we het proces van kennismaking tussen statushouder en klantmanager en het proces van diagnosestelling. We schetsen eerst hoe dat proces er in theorie uitziet. Vervolgens delen we de ervaringen van betrokkenen en onze observaties. Tot slot trekken we enkele conclusies. 3.1 Kennismaking en diagnose in theorie Wanneer statushouders zich nieuw gaan vestigen in Harderwijk, Ermelo of Zeewolde is de insteek van de klantmanagers van Meerinzicht om snel en goed kennis te maken met de statushouder, de situatie in kaart te brengen en op basis daarvan samen vervolgstappen af te spreken. Dit proces van kennismaking en het stellen van de diagnose bestaat in theorie uit de volgende stappen 7: Stap 1: De statushouder wordt gekoppeld aan één van de drie gemeenten Stap 2: De klantmanager krijgt een seintje van afdeling huisvesting van de betreffende gemeente dat er een nieuwe statushouder gaat komen Stap 3: De klantmanager bezoekt de statushouder in het AZC voor een kennismakingsgesprek (of doet dat per skype als het een ander AZC betreft dat dat in Harderwijk), waarbij ook de contactpersoon van COA aanwezig is. Stap 4: De klantmanager vraagt een taaltoets aan bij TopTaal en vraagt het Klantportaal aan bij Intervens. Stap 5: De statushouder doet de taaltoets en vult het Klantportaal in.
Ergens in deze periode vindt ook de uitkeringsintake plaats met een inkomensconsulent van Meerinzicht. Stap 6: De klantmanager ontvangt de uitkomsten van de taaltoets en het Klantportaal en plant een diagnosegesprek in. Stap 7: Tijdens het diagnosegesprek worden de verschillende onderdelen van het Klantportaal langsgelopen, waarbij de klantmanager toetst of het goed is ingevuld en op onderdelen vraagt om meer informatie/toelichting. Het resultaat van deze fase is, in theorie, dat de klantmanager inzicht heeft in de wensen en mogelijkheden van de statushouder en eventuele barrières die deze in de weg staan, en dat dit inzicht is vertaald in een accurate situatieschets in Competensys inclusief een kort tekstueel 'advies' voor het vervolg van de ondersteuning. Onderdeel van de diagnose is ook dat de statushouder door de klantmanager wordt ingedeeld in één van de zes profielen. Specifiek voor de huidige beleidsinterventie geldt dat veel van de statushouders al langere tijd in Harderwijk, Ermelo of Zeewolde wonen. Het proces van kennismaking en diagnose begint dus niet bij stap 1 hierboven, maar bij stap 4 (het aanvragen van de taaltoets en Klantportaal; de uitkeringsintake is dan vanzelfsprekend niet meer van toepassing).
3.2 Ervaringen en observaties ●
7
De kennismaking in het AZC (stap 2 hierboven) wordt door klantmanagers als een nieuw en mooi element van de dienstverlening benoemd. Vooralsnog lukt het echter zelden om daadwerkelijk al met de statushouder af te spreken op het AZC. Klantmanagers zijn daarvoor
gebaseerd op het programmaplan en de gesprekken met de klantmanagers
13
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
●
●
●
●
●
●
●
●
● ●
afhankelijk van de afdeling huisvesting van de betreffende gemeente: die moet een signaal sturen naar de klantmanager. Dit wordt schijnbaar vaak vergeten. Het resultaat is dat de kennismaking pas later plaatsvindt, wanneer de statushouder al in de gemeente woont. Daarnaast blijkt het soms lastig om afspraken met het COA te maken. Ook het feit dat niet alle statushouders in Harderwijk in het AZC zitten wordt als belemmering genoemd. Het proces rondom de taaltoets verloopt zonder moeilijkheden. De klantmanagers ervaren dit als een prettig en relatief snel proces (aanvraag, afname, inzicht in resultaten). De leerbaarheidsscore die uit de taaltoets volgt is een belangrijke indicator voor de klantmanagers om te zien naar welk traject de statushouder zou kunnen (zie ook H5). Het Klantportaal dient te worden aangevraagd bij Intervens. De persoon bij Intervens die dit regelde werkt er niet meer, waardoor de afgelopen maanden (vanaf ca oktober 2019) geen klantportalen konden worden ingevuld. Dit is een belangrijke bottleneck. Ook zouden er regelmatig fouten worden gemaakt bij de afname van het Klantportaal, bijvoorbeeld door achternamen incorrect in te voeren waardoor data verloren gaan. Bij sommigen roept dit de vraag op of het niet handiger is om de Klantportaal intern, bij Meerinzicht, af te nemen in plaats van bij Intervens.
De inhoud van het Klantportaal wordt over het algemeen als adequaat beschouwd. Op een aantal punten is verbetering in de inhoud van de Klantportaal mogelijk, zoals: er wordt oppervlakkig gevraagd naar fysieke of psychische klachten, waardoor niet inzichtelijk wordt of en in welke mate deze klachten een belemmering vormen voor participatie. In de ervaring van de klantmanagers worden er in eerste instantie veel 'fouten' gemaakt bij het invullen, omdat de statushouder bepaalde vragen niet goed begrijpt. Dat kan aan de vertalingen liggen: de vertaling van het klantportaal in Tigrinya schiet bijvoorbeeld tekort. Er zou Ethiopisch Tigrinya zijn gebruikt, waardoor veel Eritreeërs bepaalde vragen niet goed begrijpen. Daarom vinden de klantmanagers het belangrijk om alle onderwerpen tijdens het intakegesprek goed langs te lopen. Sommige klantmanagers betwijfelen de toegevoegde waarde van het Klantportaal, omdat ze tijdens het intakegesprek toch alle onderwerpen moeten/willen bespreken met de statushouder. Dan kunnen ze het klantportaal in hun optiek net zo goed zelf invullen. De indeling in profielen wordt in de praktijk niet als een belangrijk onderdeel van de intake en diagnose gezien. Voor het vervolg van de ondersteuning betekent het ook niet veel: klantmanagers kijken over het algemeen niet terug in welk profiel ze iemand hebben ingedeeld.
Klantmanager passen het profiel ook niet aan indien er wijzigingen zijn in de situatie; het profiel is daarmee een momentopname ten tijde van de diagnose; het is geen actuele stand van zaken. Voor statushouders die al langer in de caseload van de klantmanagers zitten vinden klantmanagers het soms overbodig om het Klantportaal in te laten vullen. Dat wordt ervaren als een nodeloze onderbreking van het traject waar de statushouders al mee bezig zijn. Wanneer klantmanager en statushouder elkaar nog niet goed kennen, wordt het regelmatig wél als nuttig ervaren. De geïnterviewde statushouders hebben zelf geen belangrijke herinneringen aan het Klantportaal en het gesprek dat daarop volgde.
3.4 Conclusies, verbeterpunten en overwegingen ●
●
14
Het proces van kennismaking en diagnose verloopt deels conform plan. Daarbij is aangetekend dat het proces eigenlijk is ontworpen voor nieuwe statushouders terwijl het momenteel vooral wordt toegepast bij statushouders die hier al langer zijn. Er is een groot aantal diagnoses afgenomen; Competensys blijkt daarbij een bruikbaar hulpmiddel dat op onderdelen kan worden aangescherpt. Of het klantportaal invullen toegevoegde waarde heeft is onduidelijk; de ervaringen verschillen per klantmanager.
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
●
● ●
•
15
De kennismaking in het AZC - het wezenlijk nieuwe element in de aanpak en ook een element dat onderdeel zal worden van het nieuwe inburgeringsstelsel - komt nog niet goed van de grond door een bottleneck van logistieke aard. (Deze bottleneck is overigens niet uniek voor Meerinzicht; dit horen we ook in veel andere gemeenten). Dit moet weggenomen kunnen worden. Gedurende enkele maanden kon het Klantportaal niet worden ingevuld door een personeelswijziging bij Intervens. Verder zijn er enkele zaken die kunnen worden overwogen: o Is het makkelijker en efficiënter om het Klantportaal bij Meerinzicht in te laten vullen, of zelfs in het geheel niet? o Is het mogelijk om het Klantportaal nog enigszins aan te passen en genuanceerder uit te vragen op het onderdeel psychische en fysieke klachten? o Is de vertaling voor Tigrinya te verbeteren? Overkoepelend kan de vraag worden gesteld: wat is het doel van het invullen van de Klantportaal?
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
4. Ondersteuningsplannen Hier bespreken we de ondersteuningsplannen. We bespreken zowel de inhoud (wat staat er in de ondersteuningsplannen?) als het proces (hoe komen de ondersteuningsplannen tot stand, en wat zijn de ervaringen van betrokkenen?). We sluiten af met enkele conclusies. 4.1 Doelen en ondersteuningsplannen in theorie Het idee van het programmaplan is dat statushouder en klantmanager, na afronding van de diagnosefase (zie H3), klaar zijn om samen doelen te stellen en deze vast te leggen in een ondersteuningsplan. Over de beoogde werkwijze kunnen we een paar dingen zeggen: ● De gestelde doelen zouden betrekking moeten kunnen hebben op alle leefgebieden, met het holistisch mensbeeld als uitgangspunt; ● De doelen komen in samenspraak tot stand; in deze samenspraak zijn klantmanager en statushouder gelijkwaardig; ● De doelen worden vastgelegd in een ondersteuningsplan, dat wordt ondertekent door beide partijen en dat behalve doelen ook vervolgstappen benoemt die door beide partijen zullen worden gezet. ● De aanname is dat doelgericht werken bijdraagt aan succesvol begeleiden. ● De doelstelling is dat alle statushouders op deze wijze een ondersteuningsplan hebben.
4.2 Inhoud van de ondersteuningsplannen De ondersteuningsplannen bevatten een aantal elementen: 1. Datum wanneer het gesprek tussen klantmanager en statushouder heeft plaatsgevonden. 2. Eén of twee alinea's tekst met een korte samenvatting van de situatie van de statushouder 3. Een hoofddoel 4. Eén of enkele subdoelen (maximaal 6) 5. Per subdoel afspraken over inzet van klantmanager en statushouder (waaruit we konden afleiden welke trajecten er werden ingezet). 6. Ondertekening In onze analyse hebben we gebruik gemaakt van het hoofddoel, de subdoelen en de afspraken per subdoel. 4.2.1 Wie hebben er een ondersteuningsplan? Wij hebben 178 ondersteuningsplannen gekregen, waarvan we er 168 hebben kunnen koppelen aan het bestand van Competensys. Het valt op dat statushouders met profiel C (sociale activering) minder vaak een ondersteuningsplan hebben dan statushouders met profiel A of B.8 Ook zijn er andere kleine verschillen (niet significant): vrouwen, ouderen, alleenstaanden met kinderen en statushouders die al langer in Nederland zijn hebben relatief minder vaak een ondersteuningsplan gekregen. Het lijkt erop dat met name de relatief 'kansrijke' statushouders een ondersteuningsplan krijgen.
8
Dit verband is statistisch significant.
16
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
4.2.1 Hoofddoelen Bij het overgrote deel is het primaire doel 'uitstroom naar betaald werk'. In de categorie 'overig' (in totaal 15 personen) zit bijvoorbeeld 'eigen bedrijf', 'gesubsidieerd werk' en 'sociale activering'. Wat opvalt is dat de doelen uit het ondersteuningsplan anders zijn dan in Competensys: in de ondersteuningsplannen is het primaire doel eigenlijk altijd op werk of onderwijs gericht, terwijl het in Competensys ook vaak op welzijn/gezondheid is gericht.9 Waarschijnlijk moeten we het primaire doel uit het ondersteuningsplan lezen als een 'stip aan de horizon', en is het primaire doel uit Competensys misschien vaker geïnterpreteerd als het 'eerste doel waarop men zich moet richten'. 4.2.2 Subdoelen Sommige statushouders hebben één subdoel, andere zes. Er is een grote variëteit aan subdoelen. Dat bemoeilijkt de analyse. Wat in het ene geval bijvoorbeeld als subdoel wordt opgeschreven staat in het volgende geval als instrument/traject benoemd. Dit zijn, zo denken we, voornamelijk verschillen tussen klantmanagers en niet zozeer verschillen tussen statushouders. Ook formuleringen kunnen verschillen, waardoor het voor ons soms zoeken was wat er precies werd bedoeld. We benoemen enkele opvallende zaken: ● Bij het eerste subdoel ligt de nadruk op inburgering, opleiding en het leren van de taal (in 68% van de gevallen wordt één van deze doelen gesteld 10).
Slechts in 12% van de gevallen heeft het eerste subdoel iets met werk te maken.11 In 8% van de gevallen heeft het eerste subdoel met gezondheid en/of gezin te maken.12 ● Bij het tweede subdoel ligt de nadruk nog steeds enigszins op opleiding en het leren van de taal (39%13) maar komt er ook meer nadruk te liggen op werk (34%) 14. Ook komt meer nadruk voor participatie in brede zin (18%)15. Gezin/gezondheid wordt in 8% van de gevallen genoemd als tweede subdoel. ● Vanaf het derde subdoel hebben we dit niet meer geanalyseerd. In algemene zin worden er heel veel verschillende subdoelen benoemd.
9
Van de 108 die 'werk' als primair doel heeft in het ondersteuningsplan hebben er 95 een ander doel in Competensys (vooral taal/inburgering en gezondheid familie/vrienden). 10 Hieronder valt: taal, opleiding, inburgering 11 Hieronder valt: werk, arbeidsbemiddeling, stage, praktijkassessment, versterken werknemersvaardigheden. 12 Hieronder valt: gezin, gezondheid. 13 Hieronder valt: taal, voltijdroute, opleiding, diplomawaardering, inburgering 14 Hieronder valt: werk, arbeidsbemiddeling. 15 Hieronder valt: participatie, sociale activering, sociale contacten, vrijwilligerswerk.
17
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
4.2.3 Trajecten Bij elk subdoel staat een opsomming van te ondernemen stappen. Sommige klantmanagers vullen dit uitgebreid in, soms is het beknopter. In sommige gevallen volgt er uit deze tekst een duidelijk traject waar een statushouder aan deel gaat nemen. Wij hebben dit genoteerd en geanalyseerd. Enkele opvallende zaken: ● Bij het eerste instrument (bij subdoel 1) wordt het meest genoemd: taallessen exclusief voltijdroutes (25%) en voltijdroute (23%). Daarnaast wordt in 19% van de gevallen een traject van Intervens benoemd (meestal Participatiehuis, een enkeling voor VCA traject of taalcoach). ● Bij het tweede instrument (bij subdoel 2) verschuift de nadruk meer naar Intervens: 35% gaat dan naar Intervens (voor Participatiehuis, directe bemiddeling of een enkeling voor iets anders). ● Net als voor de subdoelen geldt dat er heel veel verschillende trajecten worden genoemd. ● Voor de tweede export hebben we ook genoteerd als de belangrijkste inzet voor het bereiken van een bepaald doel de eigen inzet van de statushouder is. In totaal gold voor 11% van de statushouders dat bij tenminste 1 van de subdoelen de eigen inzet het belangrijkste instrument was. Per subdoel ligt dit percentage op 4-6%. Bij diegenen die in profiel B zijn ingedeeld (op weg naar werk) wordt vaker de eigen inzet benoemd dan bij mensen die in andere profielen zijn ingedeeld.
Dat geldt ook voor relatief jonge statushouders (tot 35 wordt het vaker benoemd dan daarboven). Deze uitspraken zijn gebaseerd op een vrij klein aantal ondersteuningsplannen (55).
4.3 Ervaringen met het proces Een aantal observaties op basis van de interviews: ● Het formuleren van doelen wordt door klantmanagers niet als iets nieuws ervaren. Ze waren al gewend om dit te doen en om dit te bespreken met de statushouder. Wél dwingt het ondersteuningsplan om deze doelen gestructureerd op papier te zetten. ● In de meeste gevallen ligt het initiatief voor het formuleren van de doelen bij de klantmanager. Dat komt, volgens de klantmanagers, doordat het voor veel statushouders nog moeilijk is om concrete doelen te formuleren, zeker wanneer ze wat verder in de toekomst liggen. ● De mate waarin het ondersteuningsplan vervolgens door klantmanagers wordt gebruikt verschilt. De één gebruikt het bij elk gesprek, de ander gebruikt het niet meer. ● Waarom wordt er een ondersteuningsplan gemaakt en ondertekend? Hierop worden verschillende, uiteenlopende antwoorden gegeven, zoals: o Je moet afspraken op schrift zetten en ondertekenen, dat moet voor de P-Wet. o In het nieuwe inburgeringsregime zal dit ook moeten. o Het is goed om heldere afspraken te maken o Je wil de statushouder laten nadenken over zijn toekomst en wat hij daaraan kan doen o Het is meer voor onszelf, zodat we de afspraken op een rijtje hebben en bij het volgende gesprek makkelijk terug kunnen vinden.
● Klantmanagers worstelen nog een beetje met de manier waarop je ontwikkelingen kan meenemen in het ondersteuningsplan. Soms verandert de situatie binnen een kort tijdsbestek, en moet een plan worden aangepast. Wordt er dan een nieuw plan gemaakt en ondertekend, of wordt er in de kantlijn van het huidige plan een opmerking geplaatst, of gebeurt er helemaal niets met het ondersteuningsplan. Vaak worden zaken in een ander systeem bijgehouden. ● De statushouders die we hebben geïnterviewd wisten niet of ze een ondersteuningsplan hadden.
4.4 Conclusies, verbeterpunten en overwegingen
18
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
●
●
●
●
●
●
●
●
19
Er zit nog geen heldere beleidstheorie (theory of change) achter het ondersteuningsplan. Een van de mogelijke beleidstheorieën is dat het stellen van doelen bijdraagt aan inburgering en activering. Het gaat dan dus misschien niet zozeer om welke doelen er worden gesteld, maar dat er doelen worden gesteld, en dat deze op schrift worden gezet. Als dit de beleidstheorie is, dan zou het plan zelf dus een werkzaam mechanisme moeten zijn. We vinden op basis van de interviews die voor dit onderzoek zijn gehouden nog niet veel ondersteuning dat dit daadwerkelijk het geval is. Een andere mogelijkheid is dat het ondersteuningsplan meer randvoorwaardelijk is: het is nou eenmaal belangrijk om afspraken op schrift te hebben staan. Dit is sowieso een wettelijke vereiste (P-Wet), wordt straks onder het nieuwe inburgeringsregime ook gevraagd (PIP) en het is altijd nuttig om ergens op terug te kunnen vallen. Als dit de beleidstheorie is, dan is het plan niet zozeer een werkzaam mechanisme, maar meer een hygiënemaatregel. Dit lijkt een theoretische discussie, maar voor het draagvlak onder klantmanagers is het belangrijk om hier helderheid over te krijgen. De verwachting ten aanzien van het ondersteuningsplan (de beleidstheorie) zou namelijk ook invloed moeten hebben op hoe het wordt opgesteld en hoe het wordt gebruikt. Een aantal goede gesprekken hierover is een goed idee.
Een uitgangspunt bij de ondersteuningsplannen is dat de doelen in samenspraak tussen klantmanagers en statushouders tot stand komen. Een ander uitgangspunt is dat de doelen betrekking kunnen hebben op alle leefgebieden. In beide gevallen lijkt het erop alsof deze uitgangspunten slechts beperkt doorwerken in de praktijk: o De doelen komen vooral uit de pen van de klantmanager. Deze betrekt daarbij natuurlijk wel de statushouder, maar in de ervaring van de klantmanager is het vaak te snel en te veel gevraagd van de statushouder om verschillende doelen te expliciteren. Soms komen deze pas na verschillende gesprekken boven dwarrelen. o Het uiteindelijke doel is vaak: 'uitstroom naar betaald werk'. Enerzijds is dit goed te begrijpen - daar ligt natuurlijk een enorm belang voor de gemeenten en waarschijnlijk ook voor de meeste statushouders - maar de vraag is of dit te rijmen is met het holistische mensbeeld. Het wekt de suggestie dat de andere doelen ondergeschikt worden gemaakt aan dit ene doel. Wellicht is een ordening van doelen niet nodig of kan een andere ordening worden overwogen, zoals bijvoorbeeld doelen op de korte vs lange termijn. In de praktijk doen enkele klantmanagers die ook al. Klantmanagers lijken bewust of onbewust een selectie te maken van statushouders voor wie wel/niet een ondersteuningsplan wordt ingevuld.
Vooral de kansrijke statushouders hebben een ondersteuningsplan. Zo ja, op basis waarvan wordt die selectie gemaakt? Is dat wenselijk? Verschillende klantmanagers hebben verschillende werkwijzen bij het invullen van het ondersteuningsplan. Voor het valideren van het beleid is een meer uniforme notering en uitsplitsing van doelen en instrumenten belangrijk. Gaat ook samen met het volgende punt: Het ondersteuningsplan is in wezen een statisch document, terwijl de werkelijkheid dynamisch is. Hoe moet daarmee worden omgegaan? Moet het plan om de zoveel tijd worden geactualiseerd? Moet er dan ook steeds een nieuwe handtekening worden gezet? In de toekomst ligt het voor de hand om het ondersteuningsplan de integreren met een klantvolgsysteem waardoor dit automatisch gaat, en waardoor ook doelbereik kan worden bijgehouden. Deze laatste twee punten hebben ook weer te maken met de eerste twee punten uit dit lijstje: een heldere beleidstheorie helpt om richting te geven aan deze uitvoeringsvraagstukken.
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
5. Trajecten en regie Hier bespreken we de verschillende trajecten die worden ingezet. We bespreken daarbij zowel de voltijdtrajecten als de dienstverlening van Intervens. Eerst schetsen we de inzet van de trajecten in theorie, vervolgens presenteren we de ervaringen in de praktijk. Tot slot trekken we enkele conclusies. 5.1 Trajecten en regie in theorie Nadat de doelen zijn benoemd en het ondersteuningsplan is ondertekend kunnen trajecten worden ingezet om de statushouder te ondersteunen bij inburgering en participatie. 5.1.1 Voltijdtrajecten Meerinzicht heeft vijf taalaanbieders geselecteerd die elk een voltijdstraject hebben ontwikkeld gericht op een specifieke groep statushouders. Voor alle trajecten geldt dat de cursisten in principe vier dagen per week bezig zijn met het traject, van circa 9.00-15.00. Aanbieders en inhoud op hoofdlijn van de vijf voltijdstrajecten Vluchtelingenwerk VWN biedt een traject aan specifiek voor de doelgroep die langzaam leert. Het traject Nederland (VWN) beslaat 20 weken waarin cursisten niveau A1 bereiken. Taalschool Veluwe Taalschool Veluwe biedt een traject aan specifiek voor laaggeletterden (de nieuwe Z-route). Cursisten stromen in op niveau A0 en leren in 40 weken om zich zelfstandig te 'redden'. Zelfredzaamheid staat hier dus centraal, en niet zozeer het bereiken van een bepaald taalniveau.
Landstede Landstede biedt trajecten aan voor middelhoog opgeleiden. Statushouders stromen in op niveau A0 en gaan in 40 weken naar A2. Deze 40 weken bestaan uit twee blokken. In het eerste blok hebben de cursisten 's ochtends 'regulier' taalonderwijs met het oog op het behalen van de inburgeringsexamens; in de middag werken ze met een speciaal programma aan taalactivering: ze praten veel, oefenen situaties en gaan erop uit. In het tweede blok van 20 weken krijgen ze nog steeds vier dagdelen taalles, en gaan ze daarnaast in principe vier dagdelen naar het Participatiehuis van Intervens. Entree College ECN biedt trajecten aan specifiek voor hoger opgeleiden. Statushouders kunnen op Nederland (ECN) verschillende niveaus instromen en gaan in 16 weken van A0 naar A2, in 16 weken van A2 naar B1 en in 16 weken van B1 naar B2. In theorie gaan ze dus in ongeveer een jaar van A0 naar B2. Studenten kunnen vervolgens doorstromen richting studie of richting werk. Toptaal Toptaal biedt in samenwerking met een aantal andere aanbieders het traject ' Ga! Op weg' aan, specifiek voor statushouders met een forse afstand tot werk en meedoen. De nadruk tijdens het traject ligt op het verhogen van spreekvaardigheid en op activering in brede zin.
Behalve deze voltijdtrajecten kunnen ook andere trajecten worden ingezet. Onder het huidige inburgeringsstelsel ligt de regie voor de inburgering bij de statushouder; deze kan dus zelf kiezen op welke wijze, bij welke school hij wil inburgeren. Reguliere inburgeringscursussen beslaan drie dagdelen per week, en er zijn vele aanbieders. Ook kunnen trajecten worden ingezet die op andere facetten dan het leren van de taal zijn gericht, bijvoorbeeld op het financieel ontzorgen van de statushouder, op dagbesteding, welzijn, etc. In principe zijn de mogelijkheden eindeloos.
20
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
In het programmaplan staat als doelstelling benoemd dat minimaal 80% van de nieuwe statushouders een voltijdtraject gaat volgen, en dat 60% van het totaal aantal statushouders die een inburgertraject volgen dit doen door middel van een voltijdtraject. 5.1.2 Intervens Daarnaast is Intervens een belangrijke partij in de aanpak van Meerinzicht voor statushouders. De dienstverlening van Intervens bestaat in wezen uit drie sporen: 1. Bij het Participatiehuis kunnen statushouders werknemersvaardigheden trainen en wordt een 'praktijkassessment'16 gedaan om te kijken of de statushouder al geschikt is om te worden bemiddeld. 2. Tegelijkertijd loopt een programma van de taalcoach, die allerlei workshops aanbiedt waar de statushouders leren over de Nederlandse arbeidsmarkt en waarin werknemersvaardigheden worden besproken. Wanneer uit het assessment blijkt dat de statushouder kan worden bemiddeld dan wordt de statushouder intern 'overgedragen' aan een werkbemiddelaar, die een geschikte werkplek zoekt voor de statushouder. 3. In specifieke gevallen kan een statushouder direct, zonder praktijkassessment, worden bemiddeld. Dit kan bijvoorbeeld wanneer iemand al ander werk heeft gehad, of in uitzonderlijke gevallen op voorspraak van de klantmanager (zie hieronder: hierover verschilt men soms van mening).
Vanuit Intervens zijn er ten minste vier mensen die als begeleider van de statushouder optreden: een trajectconsulent (die een regiefunctie vervult), een werkbegeleider (die het werk in het Participatiehuis begeleidt), een jobtaalcoach (die de workshops verzorgt) en een werkbemiddelaar (die werkplekken zoekt). 5.1.3 Regie Klantmanagers voeren de regie over het traject. Dat betekent dat ze in ieder geval elke drie maanden contact hebben met de statushouder. Dit zou moeten gebeuren op basis van gelijkwaardigheid. Daarnaast zou er aandacht moeten zijn voor de 'hele mens' (holistisch mensbeeld).
5.2 Ervaringen en observaties 5.2.1 Voltijdtrajecten Voor wie zijn (welke) voltijdtrajecten geschikt? ● Uit de interviews met klantmanagers, statushouders en taalaanbieders komt een vrij duidelijk beeld naar voren dat voltijdtrajecten niet voor iedereen zijn weggelegd. Ze zouden met name geschikt zijn voor jonge statushouders die nog geen zorg voor een gezin dragen en zich full time kunnen richten op taalverwerving en inburgering. ● Wanneer er kinderen in het spel zijn kan doorgaans één van de ouders naar een voltijdtraject, mits er geen speciale problematiek/belemmeringen spelen binnen het gezin. Voltijdtrajecten zijn sowieso minder geschikt voor statushouders waar speciale belemmeringen zijn (bv gezondheid) of oudere statushouders. In alle gevallen geldt dat een individuele afweging wordt gemaakt. ● In de ervaring van de klantmanagers zijn de meeste statushouders voor wie zij een voltijdtraject geschikt achten ook gemotiveerd om dat te doen. ● In de ervaring van sommige betrokkenen is het handig om, als een statushouder zich nieuw vestigt, nog niet direct te starten met een voltijdtraject. Er zou eerste een fase moeten worden ingelast waarin de statushouder kan 'landen', zaken kan regelen, zich kan oriënteren, wellicht 16
Het praktijkassessment duurt 120 uur. Dat wil zeggen dat de statushouder ten minste 120 uur moet hebben gewerkt in het Participatiehuis. Bij een fulltime inzet kan dat dus in een maand plaatsvinden; maar wanneer het gaat om één dag per week duurt dat 15 weken.
21
De klantreis voor statushouders in Harderwijk, Ermelo en Zeewolde (tweede tussenrapport, juli 2020).
●
●
wél drie dagdelen per week in te burgeren, om vervolgens na enige tijd wél aan een voltijdtraject mee te doen. Hoe lang die 'landingsfase' zou moeten duren werd niet duidelijk, en ook niet of de verschillende klantmanagers hier verschillende ervaringen mee hebben. Wanneer klantmanagers denken dat een voltijdtraject mogelijk geschikt kan zijn speelt de taaltoets een belangrijke rol in het bepalen welk voltijdtraject het meest geschikt is. De taaltoets bevat een leerbaarheidsscore. Ook het onderwijsniveau in land van herkomst is een belangrijke indicator voor de klantmanagers. De klantmanagers hebben elk naar schatting zo'n 10-40% van hun caseload in een voltijdtraject (gehad).
Welke specifieke ervaringen hebben taalaanbieders met hun cursus? ● Voor de taalaanbieders is de toestroom van kandidaten moeilijk te voorspellen geweest, waardoor ze hun cursussen moeilijk konden plannen. In sommige gevallen hebben ze de startdatum (meermaals) moeten uitstellen omdat er geen kandidaten waren. In de bedrijfsvoering van de taalscholen is dit erg lastig, de instroom moet voorspelbaarder zijn. ● Deze 'planning' van de trajecten is op nog twee andere manieren lastig. Ten eerste, soms moet een statushouder lang wachten voordat de voor hem geschikte cursus start (die start bijvoorbeeld maar 2 keer per jaar). Ten tweede, statushouders die klaar zijn met hun voltijdtraject en vervolgens willen doorstromen naar een opleiding moeten als ze pech hebben ook een flinke tijd overbruggen voordat hun vervolgopleiding begint. In de tussentijd is er weinig aanbod voor ze. ● Het traject voor hogeropgeleiden (Entree College), om in één jaar van A0 naar B2 te komen, is zeer ambitieus en waarschijnlijk maar voor een uitzonderlijke enkeling weggelegd. ● Het traject voor laaggeletterden (Taalschool Veluwe) is op een andere manier ambitieus. De selectie van deelnemers luistert hier nauw. Een goed gesprek tussen klantmanagers en taalaanbieder is hier belangrijk om te zorgen voor een goede selectie van deelnemers.
● Het traject voor middelbaaropgeleiden (Landstede) is het meest beproefd: hier gaan de meeste kandidaten heen en hier zijn de meeste cursussen al gedraaid. Ze zijn blij met de 'luxe' die ze hebben om acht dagdelen in plaats van drie te wijden aan taalverwerving en inburgering. Hoe verloopt de samenwerking tussen taalaanbieders, klantmanagers en Intervens? ● Taalaanbieders krijgen kandidaten aangedragen door de klantmanagers, óf kandidaten melden zichzelf aan bij een taalaanbieder. Doorgaans wordt het traject vergoed vanuit de DUO-gelden van de statushouder; soms wordt (een onderdeel van) het traject vergoed door Meerinzicht. Daarvoor is afstemming tussen de klantmanager en de taalaanbieder nodig. Dat loopt goed. ● Er zijn de afgelopen maanden betere operationele afspraken gemaakt met de taalscholen. Toch horen klantmanagers soms nog te laat dat cursisten niet aanwezig waren bij de les. ● In het plan is opgenomen dat er regelmatige evaluatiemomenten zijn waarbij statushouder, taalaanbieder, klantmanager en Intervens betrokken zijn om de voortgang en vervolgstappen te bespreken. In de praktijk verloopt dit moeizaam. Drie concrete punten: (1) Het is niet duidelijk waar het initiatief voor het inplannen van deze afspraken moet liggen. (2) Het blijkt heel moeilijk om alle drukke agenda's verenigd te krijgen.