Buitengebied - Onderstation Leuvenumseweg_vastgesteld_Toelichting.pdf
Tekst van het document
4.6.3 Conclusie Er zijn geen effecten op beschermde natuurgebieden. Ook is uit het ecologisch onderzoek gebleken dat er geen negatieve effecten zijn op beschermde soorten. Ten behoeve van de ontwikkelingen die onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan zal een enkele boom gekapt worden, afhankelijk van de positie van de nieuwe bebouwing. In het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt dit definitief bepaald en wordt dit getoetst aan de gemeentelijke kapverordening. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.7
Verkeer en parkeren
De uitbreiding van het transformatorstation heeft geen gevolgen voor de verkeerssituatie. Een transformatorstation is niet permanent bemand en er vindt alleen af en toe controle en onderhoud plaats. Op het terrein is ruim voldoende ruimte voor het parkeren bij onderhoudswerkzaamheden. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande aansluiting op de Leuvenumseweg. Het plan leidt niet tot een wijziging in de verkeersaantrekkende werking of in de parkeerbehoefte. Er is geen onderzoek nodig. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.8
Bedrijven en Milieuzonering
4.8.1 Inleiding De ruimtelijke ordening stelt zich tot doel een goede kwaliteit van de leefomgeving te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende afstand tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Harderwijk de VNGuitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
26/41
Omgevingsaspecten
Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk en gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot een omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Milieucategorie 1 2
Richtafstand (rustige woonwijk 10 m 30 m
Richtafstand (gemengd gebied 0m 10 m
3.1 3.2
50 m 100 m
30 m 50 m
4.1 4.2
200 m 300 m
100 m 200 m
5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m Tabel 3: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)
In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering is een stappenplan omschreven voor de toetsing van het aspect geluid. Hieronder zijn de stappen beschreven. Stap 1 Indien de richtafstand voor de gewenste bedrijfscategorie voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven en is het plan inpasbaar geacht. Stap 2 Indien 'stap 1' niet toereikend is, is het nodig om de geluidbelasting te berekenen. Hiervoor gelden de volgende grenswaarden: • Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype 'rustige woonwijk' van maximaal: o 45 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde). o 65 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde). o 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). • Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype 'gemengd gebied' van maximaal: o 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde). o 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden, etmaalwaarde). o 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Stap 3 en 4 Indien 'stap 2' niet toereikend is, is in de VNG-uitgave nog een stap 3 en zelfs een stap 4 beschreven. In voorliggend rapport wordt hier vooralsnog niet verder op ingegaan.
4.8.2 Betekenis voor het plan Het plangebied ligt in het buitengebied en naast de drukke doorgaande Leuvenumseweg (provinciale N-weg). Ten zuidwesten van het plangebied, grenzend aan het plangebied, ligt een sportpark waar allerlei sportactiviteiten worden ontplooid. Vanwege het voorgaande kan niet worden gesteld dat er sprake is van een omgevingstype ‘rustige woonwijk’ en sluit omgevingstype ‘gemengd gebied’ beter aan bij de huidige situatie. De ligging van de woningen is in afbeelding 18 getoond. Het transformatorstation zal worden uitgebreid met nieuwe transformatoren, waardoor het totaal opgesteld vermogen in de toekomstige situatie maximaal 616 MVA zal zijn. Een station met een transformatorvermogen van 616 MVA valt in milieucategorie 4.2 (elektriciteitsdistributiebedrijven
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
27/41
Omgevingsaspecten
met een transformatorvermogen van 100 t/m 1.000 MVA) (zie Tabel 4). Voor milieucategorie 4.2 geldt een indicatieve afstand van 300 m ten opzichte van gevoelige bestemmingen (in het referentiegebied rustige woonwijk) en 200 m in het gebiedstype gemengd gebied. Binnen deze afstand zijn woningen gelegen. De aspecten geluidhinder en gevaar zijn bepalend voor de toetsing van de inpasbaarheid. In onderstaande paragrafen zijn de aspecten ‘geluid’ (par. 4.8.2.1) en ‘gevaar’ (par. 4.8.2.2) beoordeeld voor de woningen in de richtafstanden.
bestaande woningen
afbeelding 18: woningen (geel) rond het plangebied (rood)
Tabel 4: milieucategorie van een elektriciteitsdistributiebedrijf (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)
4.8.2.1 Beoordeling aspect geluid Voor de beoordeling van de inpasbaarheid van de ontwikkeling is gebruik gemaakt van de stapsgewijze benadering zoals beschreven in paragraaf 4.8.1. Er is door Peutz een akoestisch onderzoek uitgevoerd (‘Onderzoek naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van het transformatorstation van Liander aan de Leuvenumseweg te Harderwijk’, d.d.10 november 2021). Het rapport is opgenomen als bijlage 6. In dit onderzoek is de geluidbeoordeling uitgevoerd. In paragraaf 4.9.2 is nader ingegaan op de uitkomsten van het geluidonderzoek en geluidbelastingen op omliggende woningen.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
28/41
Omgevingsaspecten
Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen in de huidige situatie langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus kunnen optreden van ten hoogste 50 dB(A). Hierbij is rekening gehouden met de toepassing van een toeslag van 5 dB voor het tonale karakter van het geluid. Door de voorgenomen wijzigingen zullen de geluidniveaus bij de woningen afnemen. In de eindsituatie blijkt uit het onderzoek dat sprake zal zijn van een langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus bij de woningen van ten hoogste 42 dB(A) in de dag- en de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarden uit stap 2. 4.8.2.2 Beoordeling aspect gevaar In paragraaf 4.8.2 is aangegeven dat er ook een hinderafstand vanwege gevaar is bij een elektriciteitsdistributiebedrijf. Deze afstand bedraagt 50 m. In de huidige en in de toekomstige situatie zijn woningen aanwezig tegen de grens van de inrichting aan. Het gevaar dat op een transformatorstation eventueel kan optreden is bij een mogelijke storing. Storingen ontstaan wanneer er in een transformator kortsluiting ontstaat. Van de vijfhonderd transformatoren in het net van Liander is er per jaar ongeveer één waar een storing optreedt. Door de keten van opeenvolgende veiligheidsmechanismen schakelt de transformator meteen uit.
Eens per tien jaar komt het voor dat een transformator een dusdanige storing heeft dat hij zichtbaar kapot is. Zo’n destructieve storing is in de directe omgeving van de transformator te horen. De klap is het gevolg van de stalen behuizing die wordt ontzet. De behuizing is zo ontworpen dat hij gecontroleerd scheurt en niet uit elkaar barst. Het is niet mogelijk dat bij een destructieve storing stukken metaal of olie buiten de transformatorruimte terecht komen. De olie die in dat geval uit de gescheurde behuizing loopt, wordt veilig opgevangen in de lekbak onder de transformator. Deze storing is wel hoorbaar, maar er is geen gevaar voor de omgeving. Alleen de nieuwe transformatoren komen binnen een afstand van 50 m van de woningen te staan. Deze nieuwe transformatoren komen op circa 40 m afstand en worden afgeschermd door de wanden van de transformatorruimte. De open zijde van de transformatorruimte is van de woningen afgekeerd. Er is geen sprake van een gevaar voor de omgeving. De ontwikkeling is inpasbaar.
afbeelding 19: bestaande transformatorruimte in het plangebied
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
29/41
Omgevingsaspecten
4.8.3 Conclusie Vanuit milieuzonering is er geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
4.9
Geluid
4.9.1 Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid en bevat een stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. Het gelijktijdig in te schakelen vermogen op het transformatorstation is in de huidige situatie en in de toekomstige situatie meer dan 200 MVA. Hiermee is het transformatorstation vergunningplichtig in het kader van de Wet milieubeheer en geldt tevens een zoneringsplicht in het kader van de Wet geluidhinder. Rondom het terrein van het transformatorstation zal daarom in dit bestemmingsplan een geluidzone moeten worden vastgesteld. 4.9.2 Akoestisch onderzoek Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de omgeving. De resultaten zijn beschreven in het rapport ‘Onderzoek naar de geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van het transformatorstation van Liander aan de Leuvenumseweg te Harderwijk’, d.d.10 november 2021. Het rapport is opgenomen als bijlage 6. Hieronder is ingegaan op de bevindingen. Ook is in het onderzoek de op te nemen geluidzone bepaald. 4.9.2.1 Uitkomsten onderzoek Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen in de huidige situatie langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus kunnen optreden van ten hoogste 50 dB(A).
Hierbij is rekening gehouden met de toepassing van een toeslag van 5 dB voor het tonale karakter van het geluid. In afbeelding 20 zijn de globale geluidcontouren getoond in de huidige situatie.
afbeelding 20: geluidcontouren bestaande situatie (bron: Peutz)
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
30/41
Omgevingsaspecten
Door de voorgenomen vervanging van transformator (oude luide) T1 zullen de geluidniveaus afnemen met circa 2 dB tot ten hoogste 48 dB(A) bij de woningen. Hiermee is nog sprake van een overschrijding van de toepasselijke geluidgrenswaarden in zowel de avond- als de nachtperiode. Door het verwijderen van transformator T3 van het station en het verplaatsen van transformator T2 naar de locatie van de oude transformator T3 zullen de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus afnemen tot ten hoogste 43 dB(A) in de dag- en de avondperiode en 39 dB(A) in de nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de standaardgrenswaarden van het Activiteitenbesluit. Door vervolgens de nieuwe transformatoren bij te plaatsen (eerst twee en uiteindelijk drie nieuwe transformatoren), zullen de geluidniveaus bij de bestaande woningen enigszins toenemen. In de eindsituatie blijkt uit het onderzoek dat sprake zal zijn van een langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus bij de woningen van ten hoogste 42 dB(A) in de dag- en de avondperiode en 40 dB(A) in de nachtperiode. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de Wet geluidhinder (inclusief 5dB(A) toeslag vanwege het tonale karakter). De geluidcontouren in de eindsituatie zijn getoond in afbeelding 21.
afbeelding 21: geluidcontouren eindsituatie (bron: Peutz)
Door de voorgenomen wijzigingen zal de geluidsituatie bij de woningen in alle gevallen verbeteren. Ook de maximale geluidniveaus zijn beoordeeld. In alle gevallen is dit toelaatbaar geacht. De afname van geluidbelasting heeft voornamelijk te maken met de vervanging van de oude luidruchtige transformator T1 voor een stillere transformator. Bovendien helpt het in positieve zin voor de geluidsproductie dat er een nieuw gebouw komt dat een afschermde werking heeft richting de woningen. De nieuwe transformatoren zijn relatief geluidsarm en de open wand is aan de zuidzijde (van de woningen af). Tot slot wordt transformator T2 die in de huidige situatie niet binnen een transformatorruimte staat, verplaatst naar een andere locatie waarbij de transformator wel binnen een transformatorruimte wordt geplaatst. 4.9.2.2 Op te nemen geluidzone Het gelijktijdig in te schakelen vermogen op het transformatorstation is in de huidige situatie en in de toekomstige situatie meer dan 200 MVA. Hiermee is het transformatorstation vergunningplichtig in het kader van de Wet milieubeheer en geldt tevens een zoneringsplicht in het kader van de Wet geluidhinder. Rondom het terrein van het transformatorstation wordt een contour
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
31/41
Omgevingsaspecten
gelegd waarbuiten de geluidbelasting vanwege het transformatorstation niet meer mag bedragen dan 50 dB(A). Het terrein tussen de contour (de zonegrens) en het industrieterrein geldt als zone. Omdat de Wet geluidhinder geen rekening houdt met het karakter van het geluid en bij transformatorstations sprake is van tonaal geluid, is in het bepalen van de geluidzone een extra toeslag van 5dB(A) toegepast. De nieuwe geluidzone is zodoende inclusief toeslag voor tonaal karakter. In dit geval wordt de etmaalwaarde bepaald door de nachtperiode omdat sprake is van continu bedrijf gedurende het gehele etmaal. De 50 dB(A) etmaalwaardecontour is dan gelijk aan de 40 dB(A)-contour voor de nachtperiode. Binnen de geluidzone zijn geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen gelegen. Het vaststellen van de voorgestelde geluidzone ontmoet op grond hiervan geen overwegende bezwaren van geluidstechnische aard. In afbeelding 22 is de voorgestelde zonegrens getoond. De geluidzone is op de verbeelding opgenomen middels de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’.
afbeelding 22: voorstel zonegrens (bron: Peutz)
4.9.3 Conclusie Door de voorgenomen wijzigingen zullen de geluidniveaus bij de woningen afnemen. In de eindsituatie wordt voor de omliggende woningen voldaan aan de geldende grenswaarden. Er is een geluidzone bepaald op basis van het akoestisch onderzoek. Deze geluidzone is vastgelegd op de verbeelding van het bestemmingsplan. Daarmee is geregeld dat de geluidbelasting vanwege het transformatorstation niet meer dan 50 dB(A) mag bedragen op de grens van de zone. Binnen de nieuwe geluidzone zijn geen geluidgevoelige bestemmingen gelegen. Er wordt voldaan aan de regels uit de Wet geluidhinder en het Activiteitenbesluit. Vanuit het aspect geluidhinder is er geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
32/41
Omgevingsaspecten
4.10
Magneetvelden
4.10.1 Achtergrond Voor de blootstelling, kortdurend of langdurend, aan magnetische velden zijn in Nederland geen wettelijke grenswaarden vastgesteld. Voor onder andere transformatorstations heeft de Europese Unie (EU) een richtwaarde voor maximale blootstelling van 100 microtesla geadviseerd. Nederland heeft deze richtwaarde overgenomen. De richtwaarde houdt in dat burgers in de openbare ruimte niet blootgesteld mogen worden aan magneetvelden ten gevolge van de elektriciteitsvoorziening van meer dan 100 microtesla. 4.10.2 Onderzoek Er is een onderzoek uitgevoerd naar de magneetvelden op en rond het station. De resultaten zijn beschreven in het rapport ‘Magneetveldcontour station Harderwijk’, d.d. 17 februari 2022. Het rapport is opgenomen als bijlage 7. Hieronder is ingegaan op de bevindingen. Voor hoogspanningsstation Harderwijk is de 100 microtesla contour berekend voor de toekomstige situatie. Op basis van de resulterende contour kan worden vastgesteld dat de 100 microtesla contour niet de terreingrenzen van het station overschrijdt (alleen op het transformatorstation is voor een zeer klein gebied sprake van een zone met meer dan 100 microtesla, zie het rapport in de bijlagen). Hiermee wordt geconcludeerd dat de blootstellingslimiet van 100 microtesla op voor het publiek toegankelijke plaatsen niet wordt overschreden.
Daarmee wordt voldaan aan de Europese aanbeveling op het gebied van toegestane magneetveldsterktes voor het station in de toekomstige situatie. 4.10.3 Conclusie Liander zorgt dat alle installaties die het in beheer heeft hieraan voldoen en dat burgers niet worden blootgesteld aan magnetische velden van meer dan 100 microtesla. Uit het onderzoek blijkt dat ook na de uitbreiding het transformatorstation ruimschoots voldoet aan de grenswaarde van 100 microtesla voor blootstelling in de openbare ruimte.
4.11
Luchtkwaliteit
4.11.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Zo is bijvoorbeeld een kantoorlocatie met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg danwel niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen een van deze categorieën. 4.11.2 Conclusie Het bestemmingsplan leidt niet tot een toename aan verkeersbewegingen. Het project draagt zodoende “niet in betekenende mate” bij en er is geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
33/41
Omgevingsaspecten
4.12
Externe veiligheid
4.12.1 Kader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt.
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.12.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is de risicokaart geraadpleegd (www.risicokaart.nl). Zie afbeelding 23 voor de uitsnede van de risicokaart. De enige risicobron in de nabijheid van het plangebied is een buisleiding van Gasunie op ruim 300 m afstand. Verder zijn geen risicobronnen in de buurt. Het bestemmingsplan maakt de uitbreiding van het transformatorstation mogelijk (extra transformatorvermogen, extra schakel- en installatieruimtes). Een transformatorstation is geen kwetsbaar object. Er verblijven geen mensen voor langere duur. Er is geen sprake van een wijziging in het groepsrisico door het bestemmingsplan. Om te bepalen wat het effect is van de nieuw te leggen elektriciteitsinfra op de buisleiding van Gasunie is een beïnvloedingsberekening uitgevoerd (Qirion, d.d. 15 oktober 2021).
De rapportage is opgenomen als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan. Uit de berekening is gebleken dat wordt voldaan aan NEN 3654 en dat er geen aanvullende acties noodzakelijk zijn. De rapportage is afgestemd met Gasunie en akkoord bevonden.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
34/41
Omgevingsaspecten
afbeelding 23: uitsnede risicokaart met risicobronnen in de omgeving (bron: nederland.risicokaart.nl)
4.12.3 Advies Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland De Veiligheidsregio Noord- en Oost Gelderland (VNOG) heeft gereageerd op het bestemmingsplan. In het advies geeft de VNOG aan dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de normen van de wet- en regelgeving over externe veiligheid (Bevi, Bevt en Bevb). Daarnaast is er voor wat betreft deze ontwikkelingen geen sprake van een uitbreiding van (beperkt) kwetsbare objecten, zoals gedefinieerd in het Bevi. Vanwege de infrastructurele waarde van het transformatorstation heeft de VNOG ook advies gegeven over de veiligheid en mogelijkheden voor incidentbestrijding op het station zelf. De VNOG heeft de verantwoordelijkheid voor de brandweerzorg (voorkomen beperken en bestrijden van brand). In dit kader is in de reactiebrief ingegaan op aandachtspunten voor incidentbestrijding (bereikbaarheid, bluswatervoorziening, afscherming van de transformatoren). Liander en VNOG treden los van het bestemmingsplantraject met elkaar in overleg hierover. Dit heeft geen betekenis voor het bestemmingsplan. 4.12.4 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
4.13
Besluit milieueffectrapportage
Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 zijn er twee vormen van m.e.r.-beoordelingen: 1.) projecten die vallen onder bijlage D van het Besluit m.e.r. en 2.) de vormvrije m.e.r.-beoordeling ook wel vergewisplicht genoemd. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: • het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. • de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Het bestemmingsplan maakt de uitbreiding van het transformatorstation Harderwijk mogelijk. Het transformatorstation kent een gelijktijdig ingeschakeld vermogen van meer dan 200 MVA (type C inrichting). Daarom bevat het bestemmingsplan een geluidzone rondom de inrichting en vormt het transformatorstation een zogeheten ‘gezoneerd industrieterrein’ voor de vestiging van
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
35/41
Omgevingsaspecten
‘grote lawaaimakers’. Daarmee valt de situatie onder categorie D11.3 ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein’. Op de D-lijst onder categorie D 11.3 geldt een drempelwaarde van 75 hectare. Het transformatorstation is in haar totaliteit circa 6.500 m2 groot en de uitbreiding die het bestemmingsplan mogelijk maakt, bestaat uit ca. 1.570 m2 nieuwe bebouwing binnen de grenzen van het bestaande transformatorstation. Daarmee blijft het plan ruim onder de drempelwaarden. De voorgenomen ontwikkeling is niet direct m.e.r.-beoordelingsplichtig. Wel is een vormvrije m.e.r.-beoordeling voor het plan nodig. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd en opgenomen als bijlage 10 bij de toelichting van het bestemmingsplan. Op grond van de beoordeling is het niet te verwachten dat het vaststellen van het bestemmingsplan leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet aan de orde.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
36/41
Toelichting op de regels
5
Toelichting op de regels
5.1
Algemeen
De Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.
5.2
Nadere toelichting op de regels
De bij dit plan behorende planregels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 is de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Daarbij worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. In hoofdstuk 3 is een aantal algemene regels opgenomen. In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
37/41
Toelichting op de regels
Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden en gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Bedrijf – Nutsvoorziening (artikel 3) Het bestemmingsplan is op maat gemaakt voor het transformatorstation en bevat één enkelbestemming, namelijk ‘Bedrijf - Nutsvoorziening’. In de bestemming is geregeld dat hier uitsluitend een elektriciteitsdistributiebedrijf mogelijk is van maximaal milieucategorie 4.2. Hiermee is het gewenste opgesteld transformatorvermogen van 616 MVA mogelijk gemaakt. Binnen de bestemming is een grote lawaaimaker toegestaan (bedrijf zoals genoemd in onderdeel D, Bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht). Het bestemmingsplan heeft een flexibele opzet qua bouwmogelijkheden. Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen in het bouwvlak te worden gebouwd. Het bouwvlak is zo ingetekend dat de bestaande en nieuwe gebouwen hier binnen vallen. De maximum bouwhoogte voor gebouwen bedraagt 10 m. De nieuwe bebouwing en de bestaande bebouwing samen hebben een oppervlakte van ca. 2.700 m2. In het bestemmingsplan is dat als maximum oppervlakte vastgelegd. Voor de transformatorruimten is een maximale hoogte van 8 m opgenomen. Op de transformatorruimten komen voorzieningen voor bliksemafleiding (bliksemspitsen), welke 3 m hoger zijn dan de rand van de transformatorruimte.
Dit komt neer op 11 m gemeten vanaf maaiveld. Voor de portalen en andere technische installaties die op het terrein zijn en worden geplaatst geldt een maximum hoogte van 12 m. Ook komen er binnen het plangebied losstaande bouwwerken ten behoeve van bliksemafleiding, waarvoor een maximum hoogte van 25 m voor geldt. Erfafscheidingen mogen maximaal 3 m hoog zijn. Voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, is een maximale hoogte van 6,5 m opgenomen. Leiding – Hoogspanningsverbinding (artikel 4) Ter plaatse van de hoogspanningsverbindingen aan de noord- en zuidzijde van het transformatorstation is de dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ opgenomen ter bescherming hiervan. Hier is het in afwijking van de mogelijkheden uit de enkelbestemming niet toegestaan om hoger te bouwen dan 3 m. Wel zijn masten toegestaan met een maximale bouwhoogte van 45 m (bestaande hoogte). Het bestemmingsplan bevat bij een omgevingsvergunning de mogelijkheid af te wijken van het bouwverbod zodat bouwwerken, met uitzonderingen van woningen, uit onderliggende bestemmingen kunnen worden gerealiseerd. Voorwaarde bij deze afwijking bij een omgevingsvergunning is dat de netwerkbeheerder wordt gehoord. Waarde – Groene ontwikkelingszone(artikel 5) Zoals beschreven in paragraaf 3.3.1 is een strook aan de noordwestelijke zijde van het plangebied aangewezen als Groene ontwikkelingszone.
Op de verbeelding is de groene ontwikkelzone overgenomen met de dubbelbestemming ‘Waarde – Groene ontwikkelingszone’. Hierbinnen geldt een aanlegvergunningenstelsel en is er sprake van zeer beperkte ontwikkelingsmogelijkheden in het gebruik van de gronden uit oogpunt van behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden. 5.2.3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen de algemene bepalingen aan de orde. Het gaat om: Anti-dubbeltelregel (artikel 6) In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
38/41
Toelichting op de regels
Algemene bouwregels (artikel 7) In dit artikel zijn regels opgenomen ten aanzien van ondergronds bouwen. Ook is verplicht gesteld dat bij elke omgevingsvergunning voor bouwen en/of gebruiken er voldoende parkeergelegenheid dient te zijn. Er wordt getoetst aan de gemeentelijke parkeernormennota. Algemene gebruiksregels (artikel 8) In dit artikel is bepaald welke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn. Algemene aanduidingsregels (artikel 9) Gebiedsaanduiding ‘geluidzone’ Het transformatorstation is in de huidige en ook in de toekomstige situatie een ‘grote lawaaimaker’ volgens de Wet geluidhinder. Dit betekent dat de 50 dB(A) geluidzone rond het station dient te zijn vastgelegd in het bestemmingsplan. Dit is in de huidige situatie niet gedaan. Met het nieuwe bestemmingsplan wordt dit gecorrigeerd. Binnen de gebiedsaanduiding ‘geluidzone industrie’ zijn geen nieuwe geluidgevoelige functies toegestaan. Deze zijn ook niet aanwezig. Algemene afwijkingsregels (artikel 10) De algemene afwijkingsregels zijn hierin opgenomen. Het gaat om minimale afwijkingen van maatvoering, bouwvlakken, e.d. wanneer dit in de uitvoering nodig blijkt vanwege bijvoorbeeld een meetverschil. Algemene wijzigingsregels (artikel 11) Mocht een wijziging van de bestemmingsgrens nodig zijn, dan is met dit artikel de bevoegdheid voor het college van B&W opgenomen. Het dient te gaan om minimale wijzigingen.
Overige regels (artikel 12) In dit artikel is bepaald dat de regels ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ gelden in aanvulling op de regels van de bestaande bestemmingsplannen Veegplan Buitengebied en Partiële herziening parkeerregeling bestemmingsplannen. De hier geldende enkelbestemmingen en dubbelbestemmingen zijn daarom ook niet in dit bestemmingsplan opgenomen. De regels uit die onderliggende bestemmingsplannen blijven ongewijzigd voor zover niet in strijd met de regeling voor de gebiedsaanduiding ‘geluidzone - industrie’. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 13) Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht. Slotregel (artikel 14) Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
39/41
Economische uitvoerbaarheid
6
Economische uitvoerbaarheid
Bij een bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wro in de plantoelichting inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wro de verplichting ontstaan dat bepaalde plankosten op de initiatiefnemer kunnen worden verhaald. Het gaat hierbij om de plankosten en de kosten van ontwikkelingen die gemeente redelijkerwijs moet maken, zoals de aanleg van voorzieningen van openbaar nut. De Wro stelt verplicht dat de gemeenteraad tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vaststelt voor kostenverhaal in het geval het bestemmingsplan nieuwe, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplannen mogelijk maakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de bouw van één of meer woningen, de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen of de uitbreiding of verbouwing van gebouwen. In de wet is aangegeven welke kosten verhaald kunnen worden. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld door gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. Dit bestemmingsplan maakt geen bij algemene maatregel van bestuur (artikel 6.2.1 Bro) aangewezen bouwplannen mogelijk. Het opstellen van een exploitatieplan is dan ook niet noodzakelijk. De uitvoering van het plan komt voor rekening en risico van Liander.
Het garanderen van leveringszekerheid is een wettelijke taak van Liander op grond van de Elektriciteitswet. Nut en noodzaak van het plan is aangetoond met dit bestemmingsplan. Hierdoor kan Liander de investeringskosten doorberekenen in de tarieven voor transport van elektriciteit.
6.1
Planschade
Planschade wordt in beginsel toegekend door het besluitvormend orgaan aan degenen die waardevermindering van onroerend goed ondervinden ten gevolge van het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan. De grondslag voor deze planschaderegeling wordt gegeven in artikel 6.1 Wro. In artikel 6.4 onder a Wro is bepaald dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met de initiatiefnemer een overeenkomst te sluiten ten aanzien van planschade. In een tussen de gemeente en Liander gesloten overeenkomst wordt opgenomen dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Daarmee is het risico op planschade afgedekt voor de gemeente.
6.2
Conclusie
Gezien de tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten overeenkomst ten aanzien van planschade en het ontbreken van verhaalbare kosten voor de gemeente, wordt het project financieel uitvoerbaar geacht.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
40/41
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Vooroverleg artikel 3.1.1. Bro
Ten behoeve van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan toegezonden aan de vooroverlegpartners (o.a. de provincie). De ingekomen reacties zijn beschreven in bijlage 9. Met de reacties is rekening gehouden in het ontwerpbestemmingsplan.
7.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor zes weken ter inzage gelegen voor een ieder om te reageren. Er zijn geen zienswijzen ingediend op het plan.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
41/41
DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl