Buitengebied - Onderstation Leuvenumseweg_vastgesteld_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg Bestemmingsplan
Opdrachtgever
Liander N.V.
Gemeente Identificatienummer Versie Datum Opsteller Projectnummer
Harderwijk NL.IMRO.0243.BP00286-0003 vastgesteld 5 juli 2022 R. Nijdam 1108
DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding ......................................................................................................................... 1 Aanleiding ..................................................................................................................... 1 Vigerend bestemmingsplan .......................................................................................... 2 Leeswijzer ..................................................................................................................... 3 Begrippenlijst................................................................................................................. 3
2 2.1 2.2
Het plan ......................................................................................................................... 5 Bestaande situatie ........................................................................................................ 5 Toekomstige situatie ..................................................................................................... 7
3 3.1 3.2 3.3 3.4
Beleidskader ............................................................................................................... 13 Inleiding ....................................................................................................................... 13 Rijksbeleid ................................................................................................................... 13 Provinciaal beleid ........................................................................................................ 14 Gemeentelijk beleid .................................................................................................... 17
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Omgevingsaspecten ................................................................................................... 19 Inleiding ....................................................................................................................... 19 Archeologie ................................................................................................................. 19 Bodemkwaliteit ............................................................................................................ 20 Ontplofbare oorlogsresten .......................................................................................... 21 Water........................................................................................................................... 21 Natuur ......................................................................................................................... 24 Verkeer en parkeren ................................................................................................... 26 Bedrijven en Milieuzonering ........................................................................................ 26 Geluid .......................................................................................................................... 30 Magneetvelden ...........................................................................................................
33 Luchtkwaliteit............................................................................................................... 33 Externe veiligheid ........................................................................................................ 34 Besluit milieueffectrapportage..................................................................................... 35
5 5.1 5.2
Toelichting op de regels .............................................................................................. 37 Algemeen .................................................................................................................... 37 Nadere toelichting op de regels .................................................................................. 37
6 6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid..................................................................................... 40 Planschade ................................................................................................................. 40 Conclusie .................................................................................................................... 40
7 7.1 7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 41 Vooroverleg artikel 3.1.1. Bro ..................................................................................... 41 Zienswijzen ................................................................................................................. 41
Bijlagen bijlage 1 bijlage 2 bijlage 3 bijlage 4 bijlage 5 bijlage 6 bijlage 7 bijlage 8 bijlage 9 bijlage 10
Archeologisch bureauonderzoek Verkennend bodemonderzoek Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten Watertoets Quickscan Flora en fauna Akoestisch onderzoek Magneetveldonderzoek Beïnvloedingsberekening gasleiding Verslag vooroverleg Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Liander is verantwoordelijk voor het aanleggen, onderhouden en beheren van gas- en elektriciteitsnetten in (delen van) de provincies Gelderland, Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Friesland. Om te zorgen voor een betrouwbare, betaalbare en duurzame energievoorziening, is het belangrijk om de veiligheid, kwaliteit en capaciteit van de netten op orde te houden. De netinfrastructuur moet nu en in de toekomst aan de capaciteitsbehoefte van de klanten voldoen. De capaciteit van het transformatorstation aan de Leuvenumseweg 34 in Harderwijk is onvoldoende om de groeiende behoefte aan nieuwe aansluitingen aan te kunnen. Enerzijds komt dit voort uit een toenemende vraag naar elektriciteit en anderzijds uit toenemende teruglevering van elektriciteit op het net door de toename aan duurzame energieopwekking. De uitbreiding bestaat uit de realisatie van nieuwe bebouwing, nieuwe transformatoren, aanpassing van de bestaande 50kV-velden en nieuwe 150kV-velden (zie nadere toelichting in hoofdstuk 2). Een deel van de nieuwe bebouwing past niet in het huidige bestemmingsplan. Zodoende is een nieuw bestemmingsplan opgesteld voor het transformatorstation, zodat de gewenste capaciteitsuitbreiding mogelijk wordt.
plangebied
afbeelding 1: ligging plangebied (rode stippellijn) aan de Leuvenumseweg
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
1/41
Inleiding
1.2
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen in het bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’, dat is vastgesteld op 9 januari 2020. Het terrein van het transformatorstation heeft de bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’. Ook zijn de volgende dubbelbestemmingen opgenomen: • ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding: voor de verschillende hoogspanningsverbindingen die van en naar het station lopen. De dubbelbestemming regelt de bouwhoogte voor de hoogspanningsverbinding (40m). Ook is ter bescherming van het functioneren van de kabelverbinding een bouwhoogtebeperking opgelegd van maximaal 3m voor nieuwbouw binnen andere bestemmingen waar de dubbelbestemming overheen gaat. • Waarde – Archeologie 1 (klein deel aan noordzijde) en Waarde – Archeologie 2 (voor de randen rond het station). Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische waarden. • Waarde – Groene ontwikkelingszone (strook aan de noordwestzijde). Deze dubbelbestemming is opgenomen in overeenstemming met het provinciale beleid om de groene ontwikkelingszones te beschermen. • Waarde – Natuurnetwerk (deel van het plangebied aan de noordzijde en zuid-westzijde). De grens van de dubbelbestemming is gebaseerd op een oudere provinciale verordening, waarbij destijds een deel van het perceel van het transformatorstation was aangeduid als onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN).
Dit is inmiddels echter niet meer het geval (zie paragraaf 3.3.1). Gebouwen en bijbehorende bouwwerken moeten in het aanwezige bouwvlak worden gebouwd. Er is maximaal 1.120 m2 aan bebouwd oppervlakte toegestaan. De maximale goothoogte bedraagt 6 m en de maximale bouwhoogte 9 m. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt een maximale bouwhoogte van 3 m. De gewenste ontwikkelingen zijn in afbeelding 2 getoond op de verbeelding van het huidige bestemmingsplan. Deelontwikkelingen 1, 2 en 3 vallen buiten het bouwvlak. Ook zal het toekomstige bebouwd oppervlak de maximaal toegestane oppervlakte overschrijden. De maximale bouwhoogte van 9 m voor gebouwen en bijbehorende bouwwerken wordt niet overschreden. De maximale bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt wel overschreden. Een groot deel van de aanwezige installaties en bouwwerken (zoals de bestaande transformatorruimten), zijn nu al hoger dan 3m. Met het nieuwe bestemmingsplan worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden in overeenstemming gebracht met de bestaande situatie en wordt rekening gehouden met de geplande ontwikkelingen.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
2/41
Inleiding
afbeelding 2: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’ met daarop de uitbreidingen aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het plan beschreven, waarbij eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie en vervolgens op de toekomstige situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 gaat in op de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt toegelicht hoe de planuitgangspunten zijn vertaald naar de bestemmingsregels. De economische uitvoerbaarheid van het plan is beschreven in hoofdstuk 6 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7.
1.4
Begrippenlijst
In het bestemmingsplan worden verschillende begrippen gebruikt, welke vrij technisch en specialistisch van aard zijn. Daarom is hieronder een begrippenlijst opgenomen waarin de meest belangrijke termen zijn toegelicht. Transformatorstation / elektriciteitsdistributiebedrijf Op een transformatorstation, ook wel onderstation of elektriciteitsdistributiebedrijf genoemd, wordt de spanning van elektriciteit omgezet van de ene spanning naar een andere spanning (omhoog of omlaag). De elektriciteit wordt vanaf het station vervolgens getransporteerd naar de verschillende wijken of gebieden in een dorp of stad. Transformator Een transformator zet elektriciteit om van de ene spanning naar een andere spanning. Transformatorruimten De transformator komt in een bouwwerk te staan, bestaande uit drie dichte wanden. De bovenzijde is open.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
3/41
Inleiding
Transformatorvermogen Het vermogen ofwel capaciteit van de transformator, uitgedrukt in MVA. MVA Aanduiding van het vermogen ofwel capaciteit van de transformator om elektriciteit te kunnen transporteren en transformeren. De capaciteit wordt uitgedrukt in VoltAmpère (VA). 1 MVA (MegaVoltAmpère) is 1.000.000 VA. kV De hoogte van de spanning wordt uitgedrukt in Volt, 10kV is 10.000 Volt. Hoogspanning Hoogspanning is de verzamelnaam voor de hoogste spanningsniveaus in het elektriciteitsnet. Alle spanningsniveaus van hoger dan 25kV vallen hieronder. Middenspanning Middenspanning is de verzamelnaam voor de spanningen tussen de hoogste en laagste spanningsniveaus in het elektriciteitsnet. Alle spanningsniveaus van hoger dan 1kV en lager dan 25kV vallen hieronder. Laagspanning Laagspanning is de verzamelnaam voor de lage spanningen in het elektriciteitsnet en betekent spanning onder de 1kV (1.000 Volt). Middenspanningsinstallatie De middenspanningsinstallatie zorgt ervoor dat de elektriciteit gedistribueerd wordt over verschillende kabels naar de transformatorhuisjes in de wijk of naar bedrijven. De middenspanningsinstallatie is de “groepenkast” van een (onder)station.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
4/41
Het plan
2
Het plan
2.1
Bestaande situatie
Het bestaande transformatorstation is gelegen aan de Leuvenumseweg 34 ten zuidwesten van Harderwijk in het bosgebied (zie afbeelding 3). De toegang tot het station is gelegen naast de woning Leuvenumseweg 36. Ten zuidwesten liggen sportvelden en een atletiekbaan. Transformatorstation Harderwijk is onderdeel van de netstructuur van Liander. Het station wordt gevoed door 150kV-hoogspanningslijnen van TenneT. Deze 150kV wordt door middel van transformatoren op het transformatorstation omgezet in 50kV. Dit gaat vervolgens via bovengrondse hoogspanningsverbindingen naar Nunspeet en Nijkerk. Ook wordt een deel omgezet in 10kV ten behoeve van het nabije distributienet. Op het station staan enkele gebouwen en technische installaties zoals schakeltuinen, transformatoren en portalen. Het bestaande station heeft zes transformatoren en het totaal opgestelde vermogen is 408 MVA. Er komen zowel vanuit het noorden als het zuiden hoogspanningsverbindingen naar het station. Het terrein is grotendeels verhard met halfverharding. De delen met gras zijn kort gemaaid. Aan de randen van het terrein zijn rondom groenstroken met opgaande beplanting. Er is geen water op of rond het plangebied aanwezig.
entree
woningen
sportvelden
afbeelding 3: luchtfoto bestaande situatie (plangebied is met rode stippellijn aangeduid, de witte stippellijnen zijn hoogspanningsverbindingen)
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
5/41
Het plan
afbeelding 4: impressie van de bestaande situatie (bron: Qirion)
Huidig opgesteld transformatorvermogen Op het station staan zes transformatoren (T1 t/m T6), zie afbeelding 5. Het totaal opgestelde vermogen is in de huidige situatie 408 MVA. Het ingeschakeld vermogen (de transformatoren die tegelijk in gebruik zijn) is hoger dan 200 MVA. Dit betekent dat het huidige transformatorstation een type-C inrichting is volgens het Activiteitenbesluit. Ook valt het transformatorstation onder milieucategorie 4.2. Het bestaande station hoort in het huidige bestemmingsplan dan ook een geluidzone te hebben. Deze is echter niet aanwezig. Dit wordt met dit bestemmingsplan gecorrigeerd, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de uitbreiding van het transformatorvermogen. In paragraaf 4.9 is nader ingegaan op de geluidzone.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
6/41
Het plan
afbeelding 5: bestaande transformatoren T1 t/m T6 (bron: Qirion)
2.2
Toekomstige situatie
Transformatorstation Harderwijk is een belangrijk knooppunt in het transport van elektriciteit in de regio. De vraag naar transportcapaciteit van elektriciteit groeit in de regio Veluwe-Noord bijzonder snel. Het is noodzakelijk om uit te breiden op het 20kV net. Vanuit station Harderwijk zullen het nieuwe in ontwikkeling zijnde regelstation Lorentz en diverse grote klanten door middel van 20kV-kabelverbindingen worden aangesloten. Om dit mogelijk te maken zal het station op meerdere manieren worden aangepast: 1. nieuw 150/20kV-station met extra transformatorvermogen; 2. nieuw CDU-gebouw; 3. nieuwe 150kV-velden; 4. nieuw gebouw t.b.v. GIS-installatie; 5. aanpassing bestaande 50 kV-velden. 6. Aanpassingen transformatoren 7. Aanleg ondergrondse kabelverbindingen en wijziging bovengrondse hoogspanningsverbindingen (geen onderdeel van dit bestemmingsplan) Op onderstaande afbeelding zijn de ontwikkelingen aangeduid. Hierna is elk onderdeel beschreven.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
7/41
Het plan
afbeelding 6: plattegrond onderstation. De gele lijn is de grens van de inrichting. Met rood zijn de beoogde ontwikkelingen aangeduid (bron: Liander)
2.2.1 1. Het 150/20kV-gebouw met nieuwe transformatoren Aan de noordzijde van het terrein, komt een nieuw 150/20kV gebouw met nieuwe transformatoren. In eerste instantie zullen twee transformatoren van elk 80 MVA en een installatieruimte worden gebouwd. Op termijn wordt daar nog een derde transformator van 80 MVA met een installatieruimte aan toegevoegd. In het bestemmingsplan wordt uitgegaan van deze eindsituatie. In afbeelding 7 is een voorbeeld getoond van hoe een 150/20kV-station er uit ziet. Het toegevoegde 150/20kV-gebouw zal met drie transformatoren een opgesteld vermogen hebben van 240 MVA. Een van de bestaande transformatoren wordt verzwaard van 66 MVA naar 100 MVA en een andere bestaande transformator van 66 MVA wordt verwijderd. Dit betekent dat het opgesteld transformatorvermogen wordt vergroot van 408 MVA naar 616 MVA. Het transformatorstation valt zowel in de bestaande als in de toekomstige situatie onder milieucategorie 4.2 (100 – 1.000 MVA). Het ingeschakeld vermogen van het transformatorstation is zowel in de huidige als in de toekomstige situatie meer dan 200 MVA, wat betekent dat er een geluidzone rond het transformatorstation moet worden vastgelegd in het bestemmingsplan. In paragraaf 4.8 is nader ingegaan op de milieuzonering en de geluidzone. De nieuwe transformatoren komen in transformatorruimtes te staan.
De transformatorruimtes bestaan uit een fundatie en drie wanden rondom elke transformator met een opening aan een zijde. De transformatorruimten worden circa 6 tot 8 meter hoog. De installatieruimten hier omheen worden circa 5 meter hoog. Op de nieuwe bouwwerken komen voorzieningen voor bliksemafleiding, welke ca. 11 m hoog zijn, gemeten vanaf het maaiveld. Het bebouwd oppervlak van het nieuwe 150/20kv-station is circa 1.200 m2. Voordat het 150/20kV-station kan worden gebouwd zal de transformator die op dit moment op de beoogde locatie staat (T2), worden verplaatst naar de rij van vijf transformatorboxen aan de zuidwestzijde van het terrein. Daar komt een bestaande ruimte vrij (locatie van T3). In paragraaf 2.2.6 is nader ingegaan op de wijzigingen aan de transformatoren.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
8/41
Het plan
afbeelding 7: voorbeeld plattegrond en 3D impressie van een 150/20kV gebouw (bron: Liander)
2.2.2 2. Gebouw voor de Centrale Diensten Unit (CDU) Naast het nieuwe 150/20kV-gebouw komt direct ten zuidoosten hiervan een nieuw gebouw voor de Centrale Diensten Unit (CDU). Dit gebouw krijgt een oppervlakte van circa 200 m2 en een bouwhoogte van circa 4 m. Het CDU is een bedieningsgebouw voor de componenten van TenneT als netbeheerder van het hoogspanningsnet.
afbeelding 8: 3D impressie nieuw CDU gebouw (bron: Liander)
2.2.3 3. Nieuwe 150kV-velden Het elektriciteitsnet van Nunspeet en omgeving wordt gevoed vanuit het transformatorstation Harderwijk. Liander wil in Nunspeet, aan het eind van de bestaande hoogspanningslijn, een 150/20kV-station ontwikkelen. Ook zal het bestaande 50/10kV-onderstation in Nunspeet worden verbouwd tot een 20/10kV-regelstation en zal Liander de schakelstations in De Enk en ’t Harde verzwaren tot regelstations. Om deze verzwaring mogelijk te maken, dient de bestaande 50kV-hoogspanningslijn te worden verzwaard tot 150kV en is het nodig om op station Harderwijk nieuwe 150kV-velden bij te plaatsen voor TenneT. Deze twee nieuwe velden zijn geprojecteerd in de zuidoosthoek van het terrein. Het gaat om portalen met een bouwhoogte van maximaal 12 m en voorzieningen voor bliksemafleiding van maximaal 25 m hoog. Er komen hier geen gebouwen. Hieronder een foto van een van de bestaande velden ter illustratie. De hoge masten die te zien zijn, zijn voorzieningen voor bliksemafleiding, zogenoemde bliksemspitsen.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
9/41
Het plan
afbeelding 9: bestaande velden en bliksemspitsen (bron: Liander)
2.2.4 4. Gebouw ten behoeve van GIS-installatie Ook is het noodzakelijk om de huidige open 50kV-installatie binnen een tijdsbestek van 10 jaar aan te passen i.v.m. ouderdom en einde levensduur van de 50kV-componenten. De mogelijkheid bestaat uit het ombouwen tot een gesloten 50kV-installatie in een gebouw (GIS-installatie), maar het kan ook een open installatie blijven. In het bestemmingsplan wordt alvast rekening gehouden met een mogelijk gesloten installatie, wat wordt gezien als een gebouw. Het gebouw komt aan de westzijde, net ten zuiden van het bestaande 10kV-gebouw bij de entree. 2.2.5 5. Aanpassingen bestaande 50kV-velden Voor het goed aansluiten van de aangepaste transformatoren zijn aanpassingen nodig aan de 50kV-velden hier ten zuiden van. 2.2.6 6. Verzwaring en verplaatsing transformatoren Behalve de nieuwe bebouwing en nieuwe velden, vinden er ook wijzigingen plaats aan de bestaande transformatoren. Zoals in paragraaf 2.1 is beschreven, is het huidige opgestelde vermogen 408 MVA. Er gaan enkele wijzigingen plaatsvinden. Transformator T3 wordt verwijderd (-66 MVA) en transformator T2 wordt naar deze locatie toe verplaatst. Dit is om ruimte te maken voor het nieuwe 150/20kV-gebouw met in totaal drie nieuwe transformatoren van elk 80 MVA (T7 t/m T9, +240 MVA). Er komen in eerste instantie twee nieuwe transformatoren en later een derde.
Voor het bestemmingsplan en het akoestisch onderzoek is van drie transformatoren uitgegaan (maximale situatie). Vervolgens wordt T1 verzwaard van 66 MVA naar 100 MVA (+34MVA). In totaal zal sprake zijn van een opgesteld vermogen van 616 MVA (+208 MVA). De wijzigingen zijn hieronder visueel weergegeven. En in Tabel 1 is het vermogen per transformator in de toekomstige situatie vermeld. Het ingeschakeld vermogen zal, net als in de huidige situatie groter zijn dan 200 MVA. Dit betekent dat in het bestemmingsplan een geluidzone rond het transformatorstation moet worden opgenomen. Meer hierover is beschreven in paragraaf 4.9.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
10/41
Het plan
afbeelding 10: wijzigingen aan de transformatoren
Tabel 1: toekomstige situatie transformatoren
2.2.7
7. Aanleg ondergrondse kabelverbindingen en wijziging bovengrondse hoogspanningsverbindingen Naast het vergroten van de capaciteit van het transformatorstation, worden er ook extra ondergrondse kabelverbindingen aangelegd en wordt de capaciteit van een of meerdere hoogspanningsverbindingen van en naar het station Harderwijk vergroot. Deze werkzaamheden vormen een separaat project en maken geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. De kabelverbindingen die naar bedrijventerrein Lorentz gaan (zie afbeelding 11), lopen door Natura-2000 gebied. Vanuit het project dat zich bezig houdt met deze kabelverbindingen is zorgvuldige aandacht voor dit Natura2000-gebied en worden de benodigde onderzoeken en vervolgstappen genomen (zoals vergunningen/ontheffingen, etc.). De afgaande kabelverbindingen vanuit het nieuw te bouwen stationsgebouw worden aangelegd door een bosgebied buiten het hekwerk richting de Leuvenumseweg. Deze gronden bevinden zich buiten Natura-2000 gebied maar zijn wel aangewezen als Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone (zie rode contour op afbeelding 12). De aanleg van deze kabelverbindingen maakt geen onderdeel uit van het bestemmingsplan en de ecologische impact hiervan wordt separaat vastgesteld.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
11/41
Het plan
afbeelding 11: bestaande situatie hoogspanningsverbindingen rond het transformatorstation (bron: Netkaart RIVM)
afbeelding 12: gebied waar ondergrondse kabelverbindingen worden aangelegd richting de Leuvenumseweg (bron: Liander)
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
12/41
Beleidskader
3
Beleidskader
3.1
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleid vormt het kader waarbinnen de nieuwe ontwikkeling plaats dienen te vinden.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Vanaf 2022 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één rijksvisie op de leefomgeving. Het Rijk heeft op 11 september 2020 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie • duurzaam economisch groeipotentieel • sterke en gezonde steden en regio’s • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Een van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur (belang 11). Vitale functies in de maatschappij zijn afhankelijk van een betrouwbare toelevering en uitwisseling van energie. Voor iedereen moet deze energie betaalbaar zijn. Energie moet veilig worden opgewekt, gewonnen, getransporteerd, opgeslagen en gebruikt. Met betrekking tot ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ is in de NOVI aangegeven dat de transitie naar hernieuwbare energie meer ruimte vraagt voor transport, distributie, conversie en opslag van energie, zowel boven- als ondergronds.
In plaats van enkele relatief grote ‘puntbronnen’ (centrales) en transport van energie in één richting zal sprake zijn van meerdere, vaak decentrale en sterk in grootte verschillende bronnen (zon-, wind- en bodemenergie) en tweerichtingsverkeer (gebruik en productie) van energie. Betekenis voor het project De capaciteitsuitbreiding van transformatorstation Harderwijk sluit aan op het nationale belang ‘realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur’ uit de NOVI. De capaciteitsuitbreiding is nodig om te kunnen voorzien in de vraag naar elektrisch vermogen in de omgeving. Dit is van essentieel belang voor een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk. 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening Sinds 1 juli 2017 is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' aangepast in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 2 Bro). Het artikel luidt nu als volgt: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.’
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
13/41
Beleidskader
Het artikel heeft tot doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en overprogrammering te voorkomen. Eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd in artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro. Deze luidt: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Volgend uit jurisprudentie wordt een nieuw transformatorstation of de uitbreiding hiervan niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling beschouwd (zie uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123 (Hollands Kroon)). Betekenis voor het plan Gelet op de jurisprudentie is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing aan de ladder niet nodig. Daar komt bij dat de gewenste ontwikkeling nodig is om in de toekomst te kunnen voorzien in de vraag naar elektrisch vermogen in de omgeving. Dit is van belang voor een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk. De ontwikkeling is bij het bestaande transformatorstation voorzien om zo met een relatief eenvoudige aanpassing het elektriciteitsnetwerk toekomstbestendig te maken.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsverordening Gelderland De gemeente Harderwijk is gelegen in de provincie Gelderland. De provincie Gelderland heeft in de Omgevingsverordening Gelderland (geconsolideerd, maart 2021) regels staan waar rekening mee moet worden gehouden bij een nieuw bestemmingsplan. Betekenis voor het plan De plannenviewer is geraadpleegd. Er zijn meerdere regels uit de verordening relevant voor het bestemmingsplan. Het gaat om: • Groene ontwikkelingszone (art. 2.53 uitbreiding bestaande functies in Groene ontwikkelingszone) • Nationaal landschap buiten GNN, GO of NHW (art. 2.56) Groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt net buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN), wat betekent dat hier geen toetsing aan nodig is. Wel is een deel van het plangebied aangewezen als Groene ontwikkelingszone (zie afbeelding 13). Het gaat om een smalle strook aan de westzijde van het terrein wat nu deels bestaat uit opgaande beplanting en gras (zie afbeelding 14). De nieuwe ontwikkelingen die in het bestemmingsplan zijn voorzien, blijven buiten de Groene ontwikkelzone. Er is geen sprake van een wijziging van de bestemming of een toevoeging van bebouwing binnen de Groene ontwikkelzone. Op de verbeelding is de groene ontwikkelzone overgenomen met de dubbelbestemming Waarde – Groene ontwikkelingszone.
Hierbinnen geldt een aanlegvergunningenstelsel en is er sprake van zeer beperkte ontwikkelingsmogelijkheden in het gebruik van de gronden uit oogpunt van behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
14/41
Beleidskader
afbeelding 13: uitsnede Omgevingsverordening Gelderland, geconsolideerde versie februari 2022 (donkergroen is GNN, lichtgroen is Groene ontwikkelingszone)
afbeelding 14: foto van de westzijde van het terrein met de Groene ontwikkelingszone aangeduid
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
15/41
Beleidskader
Nationaal Landschap buiten Gelders Natuurnetwerk etc. Het plangebied ligt binnen gebied dat is aangeduid als Nationaal landschap. Het uitgangspunt van de provincie is dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in Nationale landschappen de kernkwaliteiten van dat specifieke deel van het Nationaal landschap (zoals omschreven in bijlage Kernkwaliteiten Nationale Landschappen bij de Omgevingsverordening) niet aantasten, dat wil zeggen daar geen afbreuk aan doen. Door een goed ontwerp en een goede landschappelijke inpassing is het zelfs mogelijk om soms een bijdrage aan die kernkwaliteiten te leveren. In dat geval spreken we van het versterken van de kernkwaliteiten. Bestemmingen die de kernkwaliteiten aantasten, zijn alleen mogelijk als er sprake is van redenen van groot openbaar belang, zoals de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid, werkgelegenheid, het ontstaan van voor het milieu wezenlijk gunstigere effecten of andere grote maatschappelijke opgaven. Daar staat tegenover dat voor de ontplooiing van die activiteiten een bijdrage moet worden geleverd aan de landschapskwaliteit. Het bestemmingsplan vergroot de bouwmogelijkheden ten opzichte van het bestaande bestemmingsplan. Op het terrein van het transformatorstation zijn de kernkwaliteiten van het nationaal landschap echter niet aanwezig. De gronden zijn functioneel ingericht met verharding en grind en gemaaide grasstroken.
De nieuwe ontwikkelingen zijn niet geprojecteerd buiten het bestaande terrein en leiden zodoende ook niet tot aantasting van het nationaal landschap. Daar komt bij dat de capaciteitsuitbreiding van het transformatorstation nodig is voor een goed functionerend elektriciteitsnetwerk en daarmee sprake is van een ontwikkeling met een groot openbaar belang.
afbeelding 15: uitsnede Omgevingsverordening Gelderland, geconsolideerde versie februari 2022 (de groene arcering is Nationaal landschap
3.3.2 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. Anders dan de Omgevingsvisie Gelderland 2014-2018, geeft de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland 2018 richting op de strategische hoofdlijnen van het beleid.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
16/41
Beleidskader
De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland integreert vijf wettelijk verplichte planfiguren voor het provinciaal beleid voor de leefomgeving; te weten ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer. Een van de ambities die de provincie heeft is een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten. Het doel is dat Gelderland in 2050 klimaatneutraal is, door grootschalige besparing en opwekking uit verschillende duurzame bronnen van energie, zoals wind, zon, waterkracht, biomassa en bodemenergie. Het tussendoel is om in 2030 55% broeikasgasreductie in Gelderland te verwezenlijken. Voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de regio en de verduurzaming van de energieopwekking, is een goed functionerend elektriciteitsnetwerk een vereiste. De uitbreiding van het transformatorstation is daar noodzakelijk voor.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Harderwijk 2031 De structuurvisie Harderwijk 2031 is op 20 december 2012 door de gemeenteraad vastgesteld. Deze integrale structuurvisie is een uitwerking van de in juni 2010 door de gemeenteraad vastgestelde stadsvisie. In de structuurvisie wordt aangegeven wat in de periode tot 2031 voor de gemeente Harderwijk de belangrijkste thema's zijn waar integraal aan gewerkt gaat worden door de gemeente, het bedrijfsleven, de maatschappelijke organisaties en door inwoners zelf. De visie is een document waar het economische, sociale en ruimtelijke beleid met elkaar in verband is gebracht. Het betreft een visie waarin kaders zijn gesteld met doelstellingen om de in de Stadsvisie verwoorde ambitie te verwezenlijken. Deze doelstellingen zijn ondergebracht in vier ontwikkelsporen: Zorgzame stad, Ondernemende stad, Aantrekkelijke stad en Verbindende stad. Betekenis voor het plan Bij de structuurvisie zijn drie visiekaarten opgenomen, de ‘Zorgzame stad’, de ‘Aantrekkelijke stad’ en de ‘Ondernemende stad’. Op die visiekaarten zijn voor de locatie van het transformatorstation geen relevante aanduidingen opgenomen waar in het bestemmingsplan rekening mee moet worden gehouden. De gemeente Harderwijk blijft groeien en wil dit op zo’n manier doen dat zorg wordt gedragen voor het milieu nu en in de toekomst en streeft naar een klimaatneutrale gemeente.
De gemeente wil een relatieve afname van de ecologische voetafdruk van Harderwijk bereiken (bijvoorbeeld stimuleren van regionale voedselproductie en consumptie, duurzame energieopwekking en energievriendelijk, duurzaam vervoer). Voor de duurzame ruimtelijk-economische ontwikkeling van de gemeente en de regio is een goed functionerend elektriciteitsnetwerk een vereiste. De ambities op het gebied van opwekking van duurzame energie vragen om een robuust elektriciteitsnetwerk. De benodigde uitbreiding van het transformatorstation is daar noodzakelijk voor. Het bestemmingsplan past daarmee in het beleid van de gemeente en faciliteert de ambities op het gebied van duurzaamheid. 3.4.2 Milieubeleidsplan Harderwijk De gemeente Harderwijk streeft naar samenhang in het bestaande veelomvattende milieubeleid. Het milieubeleidsplan Harderwijk maakt inzichtelijk waar Harderwijk voor staat, geeft richting aan het beleid voor de komende periode en vervult een aanjaagfunctie om verbeteringen te realiseren. Vanuit deze gedachte worden twee speerpunten benoemd, waarbij rekening is gehouden met de landelijke beleidsontwikkeling: klimaatbeleid en een gebiedsgericht milieubeleid. Het zorgdragen voor een duurzame leefomgeving is het hoofddoel van dit milieubeleid.
Onder een duurzame leefomgeving verstaan we het voorzien in onze behoeften, zonder de toekomstige generaties de mogelijkheden voor dezelfde behoeftes te ontnemen. Dit milieubeleidsplan geeft kaders voor beleid en laat de bevolking van Harderwijk en Hierden zien hoe de gemeente zich inzet om de lokale milieuproblemen op te lossen.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
17/41
Beleidskader
De gemeente Harderwijk heeft de ‘Energieke Stad - een routekaart naar een klimaatneutraal Harderwijk‘ vastgesteld. Met behulp van deze route wil de gemeente Harderwijk in 2031 de uitstoot van CO2 met 45% reduceren. De energietransitie, het overstappen op duurzame energiebronnen, is één van de drie belangrijke pijlers uit de routekaart. Volgens inschatting is 26% van het huidige energieverbruik in de gemeente te halen uit hernieuwbare energie. Van deze energie maakt windenergie voor 48% deel uit op basis van beschikbare ruimte en bewezen techniek. De gemeenteraad van Harderwijk heeft besloten dat zij bereid is haar (ruimtelijke) medewerking te verlenen aan drie locaties. Een van de zoekzones is gelegen langs de Leuvenumseweg. Deze of mogelijke andere locaties voor windturbines zijn nog niet concreet. Het bestemmingsplan bevat om deze reden ook geen regeling voor het plaatsen van windturbines. In dat geval dient er een afzonderlijk bestemmingsplan opgesteld te worden. Betekenis voor het plan Voor de duurzame ruimtelijk-economische ontwikkeling van de gemeente en de regio is een goed functionerend elektriciteitsnetwerk een vereiste. De ambities op het gebied van opwekking van duurzame energie vragen om een robuust elektriciteitsnetwerk. De benodigde uitbreiding van het transformatorstation is daar noodzakelijk voor.
Het bestemmingsplan past daarmee in het beleid van de gemeente en faciliteert de ambities op het gebied van duurzaamheid.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
18/41
Omgevingsaspecten
4
Omgevingsaspecten
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is de uitvoering van het project verantwoord aan de hand van de relevante omgevingsaspecten.
4.2
Archeologie
4.2.1 Algemeen Door ondertekening van het Verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet (2016) is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 4.2.2 Archeologie gemeente Harderwijk De gemeente Harderwijk heeft in april 2011 het Archeologiebeleid Harderwijk vastgesteld. In de beleidskaart Archeologie is aangegeven wanneer bij nieuwe planontwikkelingen archeologisch vooronderzoek plaats dient te vinden. De gebieden zijn in het bestemmingplan ‘Veegplan Buitengebied’ terug te zien aan de hand van vier verschillende dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie'. Per dubbelbestemming geldt een aanlegvergunningstelsel, met inachtneming van de volgende vrijstellingsgrenzen. Archeologische waarde beleidskaart
Dubbelbestemming
AMK-terrein
Waarde - Archeologie 1
Gebied met een hoge Waarde - Archeologie 2 archeologische verwachting Gebied met een middelmatige Waarde - Archeologie 3 archeologische verwachting Gebied met een lage Waarde - Archeologie 4 archeologische verwachting Tabel 2: vrijstellingsgrenzen per dubbelbestemming
vrijstellingsgrens 50 m² 100 m² 1.000 m² 5.000 m²
4.2.3 Onderzoek Voor het bestemmingsplan is archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Archeologisch bureauonderzoek Transformatorstation Harderwijk’, T&A Survey, 17 juni 2021). De rapportage is opgenomen als bijlage 1 bij de toelichting. Doel van het bureauonderzoek is het in kaart brengen van de bekende en verwachte archeologische waarden binnen het onderzoeksgebied om op basis daarvan te komen tot een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel. Op basis van de geraadpleegde bronnen is voor het plangebied een middelhoge verwachting gegeven voor de periode vanaf het Paleolithicum tot en met Bronstijd en een lage verwachting voor de IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen. Archeologische waarden uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe Tijd worden niet verwacht. Op basis hiervan wordt in het archeologisch onderzoek geadviseerd om vervolgonderzoek te doen
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
19/41
Omgevingsaspecten
middels verkennende boringen. Het bureauonderzoek is vervolgens voorgelegd aan de gemeente Harderwijk om een selectiebesluit te nemen. 4.2.4 Selectiebesluit gemeente Harderwijk Na overleg met de gemeente is er besloten om af te wijken van het advies van het archeologisch bureauonderzoek. Omdat archeologische waarden, indien aanwezig, zich direct onder het maaiveld bevinden, wordt gesteld dat alle bodemroerende ontwikkelingen die in het plangebied in de historie hebben plaatsgevonden (ontginning heide, aanplant bos, rooien bos, aanleg transformatorterrein, etc.) de bodem dusdanig verstoord hebben dat archeologische waarden in situ niet meer verwacht worden. Er geldt zodoende geen verplichting tot vervolgonderzoek. In het archeologisch bureauonderzoek was één deelontwikkeling niet beschreven, te weten de bouw van het CDU gebouw. Omdat het selectiebesluit voor het hele perceel van het transformatorstation geldt, is ook voor deze deelontwikkeling geen nader archeologisch onderzoek nodig. 4.2.5 Conclusie De bodem is in het verleden verstoord. Voor de geplande ontwikkelingen is geen archeologisch vervolgonderzoek nodig. Ook is het niet nodig om een archeologische dubbelbestemming in het bestemmingsplan op te nemen. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect archeologie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
4.3
Bodemkwaliteit
4.3.1 Inleiding In het kader van goede ruimtelijke ordening dient aandacht te worden besteed aan de bodemkwaliteit en de betekenis voor de haalbaarheid van het plan. Er is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de resultaten beschreven. 4.3.2 Bodemonderzoek Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied (Verkennend bodemonderzoek Leuvenumseweg 34 Harderwijk’, Stantec, 26 november 2021). Het rapport is opgenomen als bijlage 2 bij de toelichting. Hieronder zijn de bevindingen beschreven. De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot de maximale boordiepte van 6,0 m-mv globaal uit zand. Aan het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Visueel is in het opgeboorde materiaal geen asbest aangetoond. In het opgeboorde materiaal zijn zeer plaatselijk in zowel de boven- als ondergrond bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Deze bijmengingen bestaan uit baksteen. In de zandige boven- en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten gemeten. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de locatie in milieuhygiënisch opzicht geschikt geacht voor de huidige en toekomstige bestemming. Conform het besluit bodemkwaliteit hebben de boven- en ondergrond de kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. Op basis van de resultaten geldt conform de CROW 400 de veiligheidsklasse Basishygiëne. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Met onderhavig onderzoek is zowel de eindsituatie ter plaatse van de bestaande trafo als de nulsituatie ter plaatse van de toekomstige trafo’s vastgesteld. Vrijkomende grond komt voor hergebruik in aanmerking. 4.3.3 Conclusie Er is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De locatie wordt in milieuhygiënisch opzicht geschikt geacht voor de huidige en toekomstige bestemming. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
20/41
Omgevingsaspecten
4.4
Ontplofbare oorlogsresten
4.4.1 Inleiding Voor bepaalde gebieden kan een verwachtingswaarde voor het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten gelden, bijvoorbeeld voor locaties waar in de Tweede Wereldoorlog gevochten is. Voorafgaand aan graafwerkzaamheden is verstandig om onderzoek te doen naar de verwachtingen. Wanneer in een vroeg stadium onderzoek wordt verricht naar het al dan niet voorkomen van ontplofbare oorlogsresten kunnen passende maatregelen worden getroffen. 4.4.2 Resultaten onderzoek Er is voor het bestemmingsplan een historisch vooronderzoek uitgevoerd (‘Vooronderzoek Ontplofbare oorlogsresten Transformatorstation Harderwijk’, Bombs Away, 20 juli 2021). Het rapport is opgenomen als bijlage 3 bij de toelichting. Hieronder is ingegaan op de bevindingen. Het doel van het vooronderzoek OO is om middels het raadplegen van diverse bronnen vast te stellen of er indicaties zijn dat er vanwege oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog ontplofbare oorlogsresten in/op de (water)bodem in het onderzoeksgebied kunnen zijn achtergebleven. Tijdens het uitvoeren van het vooronderzoek zijn er geen feitelijkheden aangetroffen om het projectgebied verdacht op ontplofbare oorlogsresten te kunnen verklaren. Het onderzoeksgebied is wel aangemerkt als aandachtsgebied vanwege het feit dat het aangrenzende gebied een voormalige schietbaan en schietschijvenloods huisde.
Hoewel er geen feiten zijn aangetroffen waaruit blijkt dat het onderzoeksgebied gebruikt is als oefenterrein, kan ook niet worden uitgesloten dat er toch nog ontplofbare oorlogsresten in de bodem van het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Om deze reden is gekozen het gebied niet verdacht te verklaren maar om het als een aandachtsgebied te beschouwen. Het gebied is aangemerkt als aandachtsgebied. Tijdens de voorgenomen werkzaamheden dient gewerkt te worden volgens het OOO-protocol (zie uitleg in het historisch vooronderzoek). Dit houdt in dat op het moment dat er tijdens de uitvoering van bodemingrepen onverwachts een verdacht object wordt aangetroffen, de werkzaamheden gestaakt dienen te worden en de opdrachtgever de politie moet inlichten. Het is van belang om voorafgaand aan de uitvoering van bodemingrepen binnen het aandachtsgebied het personeel in te lichten over deze situatie en ze te instrueren over hoe te handelen bij het spontaan aantreffen van een verdacht object in de bodem. 4.4.3 Conclusie Het plangebied is aangemerkt als aandachtsgebied. Tijdens de voorgenomen werkzaamheden zal gewerkt worden volgens het OOO-protocol. Dit heeft echter geen gevolgen voor het bestemmingsplan. Er is geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan vanuit het aspect ontplofbare oorlogsresten.
4.5
Water
4.5.1 Beleid en regelgeving Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterprogramma (NWP) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is voor dit planvoornemen met name het beleid van het waterschap relevant. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het waterschap Vallei en Veluwe. 4.5.1.1 Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 Waterschap Vallei en Veluwe In het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) heeft het waterschap haar ambities en uitvoeringsprogramma vastgelegd voor de periode 2022 tot en met 2027. De plannen bepalen in grote lijnen de agenda's voor de komende zes jaar. Het plan is mede kaderstellend voor de wijze
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
21/41
Omgevingsaspecten
waarop omgegaan wordt met water in de plangebieden. Het BOP is op 22 november 2021 vastgesteld. Om de taak als waterbeheerder uit te kunnen oefenen en doelstellingen uit de Waterwet te bereiken maakt het waterschap gebruik van de Keur en de Legger. De Keur is een verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers. De Legger bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhouds- en beschermingszones. In de Legger wijst het waterschap tevens aan wie het onderhoud van een watergang, dijk of constructie moet uitvoeren. Ook wordt bepaald of er controle (schouw) wordt gedaan. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.
Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het uitgangspunt is om duurzame bouwmaterialen te gebruiken en geen uitlogende materialen toe te passen voor delen waar hemelwater op komt zoals daken, gevels en verharde terreinen. 4.5.2 Situatie plangebied Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een waterkering. Er is geen open water in het plangebied aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied.
Een heel klein stukje van het plangebied ligt binnen het intrekgebied (zie afbeelding 16). In het intrekgebied is het verboden om werkzaamheden te verrichten ten behoeve van de winning van fossiele brandstoffen, zoals aardgas, aardolie en steenkoolgas. Dit vindt niet plaats binnen het plangebied en wordt ook niet mogelijk gemaakt.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
22/41
Omgevingsaspecten
afbeelding 16: blauwe arcering is het intrekgebied (bron: Omgevingsverordening Gelderland, geconsolideerde versie, maart 2021)
Er worden op de dakoppervlakken en aan de gevels van de nieuwe bebouwing geen uitlogende bouwmaterialen toegepast. De bestaande en de nieuwe transformatorruimten zijn aan de bovenzijde open. Hemelwater dat in contact kan komen met transformatoren kan verontreinigd zijn met olie. Dit hemelwater mag niet op het oppervlaktewater worden afgevoerd of in de bodem komen. Het hemelwater dat valt ter plaatse van de transformatoren zal daarom mogelijk worden afgevoerd op de aanwezige riolering. Een andere mogelijkheid is dat een hemelwatersysteem met oliedetectie wordt toegepast, zodat er geen vervuild hemelwater wordt afgevoerd naar groenzones. Er wordt zorggedragen dat er geen vervuild hemelwater wordt geloosd. De verschillende ontwikkelingen leiden tot een toename van verharding ten opzichte van de bestaande situatie. Er komt ca. 1.570 m2 aan nieuwe bebouwing bij (van 1.120 m2 nu aan bebouwd oppervlak toegestaan naar 2.700 m2 als nieuw maximum bebouwd oppervlak). Ook worden delen van het terrein verhard die nu nog met gras zijn ingericht. Vanuit de regels uit de Keur geldt geen compensatieverplichting voor de toename aan verharding. Wel dient er op grond van het gemeentelijk rioleringsbeleid voor te worden gezorgd dat de ontwikkeling niet leidt tot extra hemelwaterafvoer op de riolering.
Aangezien de nieuwe schone verharde oppervlaktes (terrein en daken) niet worden aangesloten op het riool, zal hier ook geen sprake van zijn. Het hemelwater kan ter plekke de grond in trekken bij de halfverharding of afvloeien naar de in het plangebied aanwezige ruime groenstroken. De zanderige bodemsamenstelling biedt een goede infiltratiemogelijkheid. Er wordt voor gezorgd dat er geen water wordt afgevoerd op aangrenzende percelen.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
23/41
Omgevingsaspecten
afbeelding 17: waterbelangen rondom het plangebied (bron: www.dewatertoets.nl)
4.5.3 Resultaat watertoets Het waterschap maakt gebruikt van de digitale watertoets via www.dewatertoets.nl. De digitale watertoets is op 15 juli 2021 doorlopen. Het resultaat is opgenomen in een rapportage, welke als bijlage 4 bij de toelichting is opgenomen. Uit de digitale watertoets komt naar voren dat er geen waterbelang is. Dit betekent dat het plan de normale procedure zal volgen. Naar aanleiding van de digitale watertoets heeft het waterschap gereageerd op de conceptplannen. Het waterschap heeft aangegeven dat er geen aandachtspunten zijn (er is geen oppervlaktewater in de buurt en de riooltransportleiding ligt op ruime afstand). Verder overleg wordt niet nodig geacht, tenzij er wijzigingen optreden in de plannen. 4.5.4 Conclusie De digitale watertoets is doorlopen. Voor het waterschap zijn er geen aandachtspunten en is geen verder overleg nodig (geen oppervlaktewater aanwezig en geen compensatieverplichting). Hemelwater dat valt op de verharding en bebouwing kan ter plekke de grond intrekken. De ontwikkeling leidt niet tot een toename aan hemelwaterafvoer op de riolering. Vanuit het aspect water is geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.6
Natuur
4.6.1 Wettelijk kader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Dit betekent dat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet- en regelgeving de uitvoering van de ontwikkeling al dan niet in de weg staat. De gebiedsbescherming en de soortenbescherming zijn per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. 4.6.2 Onderzoek Voor het bestemmingsplan is een onderzoek uitgevoerd (‘Quickscan Wet natuurbescherming Leuvenumseweg 34’, Blom Ecologie, 8 juli 2021). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij de toelichting. In het onderzoek is ingegaan op effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten.
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
24/41
Omgevingsaspecten
4.6.2.1 Gebiedsbescherming Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd natuurgebied (Natura-2000 of Natuurnetwerk Nederland). Wel ligt het plangebied omringd door het Natura-2000 gebied ‘De Veluwe’ (op 5m afstand). In het ecologisch onderzoek is ingegaan op de effecten van de ontwikkelingen die onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan (zie paragraaf 2.2). De aanleg van kabelverbindingen (zie afbeelding 12) en capaciteitsvergroting van de hoogspanningsverbinding(en) is een apart project. Vanuit het project dat zich bezig houdt met deze kabelverbindingen is zorgvuldige aandacht voor dit Natura2000-gebied en worden de benodigde onderzoeken en vervolgstappen genomen (zoals vergunningen/ontheffingen, etc.). Ondanks dat de beoogde ontwikkelingen van het bestemmingsplan buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat er mogelijk effecten ontstaan tot het omliggende Natura 2000-gebied. De direct omliggende delen van de Veluwe worden met hoge mate gebruikt als recreatiegebied in de vorm van mountainbikeroutes, sportvelden en fietspaden. De planlocatie betreft een transformatorstation, hierdoor is er geen sprake van een verstoringsvrij gebied binnen de grenzen van de planlocatie.
Verder vinden er door de sportvelden ten zuiden en de recreatieroutes door de Veluwe constant verstoring plaats. De directe omgeving van de planlocatie (straal 200 m) staat omschreven als beschikbaar leefgebied van verschillende Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten (Provincie Gelderland, 2018). Echter betreft de directe omgeving van de planlocatie zoals hierboven genoemd recreatieterrein, woonpercelen en/of infrastructuur. De voor het gebied aangewezen Vogel- en Habitatsoorten zijn ieder verstoringsgevoelige soorten. Gezien de hoge mate van recreatieve en infrastructurele verstoring is uitgesloten dat er sprake is van essentieel leefgebied voor deze soorten. De hierboven genoemde redenen maken dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten veroorzaken voor instandhoudingsdoelstellingen of doelsoorten van de Veluwe. Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een 150/20kV-gebouw, te realiseren met middenspanningsruimten en bijbehorende transformatorruimten samen met een GIS-gebouw en een of meerdere 150kV-velden en aanpassingen aan de bestaande transformatoren en 50kV-velden. De te realiseren ruimten en velden stoten geen stikstof uit.
Ten opzichte van de huidige situatie blijft het aantal verkeersbewegingen in de gebruiksfase gelijk, waardoor de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase niet resulteert in een toename van stikstofemissie op het perceel. Hierdoor wordt op voorhand uitgesloten dat er in de gebruiksfase sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per d.d. 1 juli 2021 geldt onder de Stikstofwet een partiële vrijstelling voor de bouwfase, waarmee aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). Er kan worden geconcludeerd dat de gebiedsbescherming geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. 4.6.2.2 Soortenbescherming De planlocatie is volledig omheind waarbij een buffer van 2 meter strak gemaaid gras aanwezig is binnen de omheining. Er is veldonderzoek uitgevoerd en een bureaustudie. Hieruit is gebleken dat het plangebied geen essentiële betekenis heeft voor beschermde soorten.
Het plangebied is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën en insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. De struiken en jonge bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine
Bestemmingsplan Buitengebied – Onderstation Leuvenumseweg, vastgesteld
25/41
Omgevingsaspecten
zangvogels geschikte nestlocaties. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Hier dient in de uitvoering van de werkzaamheden rekening mee te worden gehouden (borging vindt plaats via de algemene zorgplicht). 4.6.2.3 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wet natuurbescherming betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Mogelijk is de kap van enkele bomen nodig (2 à 3) ten behoeve van de bouw van het nieuwe gebouw aan de noordzijde van het transformatorstation. Dit hangt af van de exacte positie van de nieuwbouw, wat pas in het kader van de vergunning definitief wordt bepaald. Aangezien het gaat om enkele bomen, valt dit niet onder een houtopstand volgens de Wet natuurbescherming. Wel is er een vergunningsplicht vanuit de gemeentelijke kapverordening. De locatie ligt buiten de bebouwde kom Boswet. Hier wordt mee rekening gehouden in het kader van de vergunningsaanvraag.