CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitengebied - Hoge Varenweg 4_Toelichting.pdf

Raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Buitengebied - Hoge Varenweg 421.127 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze verantwoordelijkheid geldt alleen zolang degenen die zich wil ontdoen van hemelwater niet redelijkerwijs de mogelijkheid heeft om het hemelwater zelf in de bodem of op een oppervlaktewater te lozen. Mooi en nuttig oppervlaktewater Waterschap Vallei en Veluwe is waterbeheerder van het oppervlaktewater in de gemeente Harderwijk. Zij zijn bevoegd gezag voor alle handelingen in of nabij een waterstaatswerk. Deze worden in het kader van vergunningverlening, toezicht en handhaving getoetst aan de keur en legger. Veel handelingen op en nabij de waterstaatswerken zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht. Algemene regels van de keur zijn hierop van toepassing. Voor activiteiten die volgens de keur verboden zijn en niet vallen onder de algemene regels is het nodig een watervergunning aan te vragen. Bij deze activiteiten kun je bijvoorbeeld denken aan: * » * *

Aansluiten en afvoeren op bestaand water Herinrichting van een watersysteem Handelingen in of nabij water Dempen van water

28

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Voor het verkrijgen van een watervergunning zijn de keurbeleidsregels van toepassing. De website van het waterschap Vallei en Veluwe biedt inhoudelijke informatie over de Keur en de Legger. Via het OLO-loket kan een watervergunning worden aangevraagd.

3.8

Bodembeleid

De gemeente heeft samen met de omliggende gemeenten Elburg, Ermelo, Nunspeet, Elburg, Oldebroek en Putten een bodemkwaliteitskaart en bodembeheernota opgesteld. De Nota bodembeheer regio Noord Veluwe is vastgelegd in het document met kenmerk R002-1206995LNH-baw-V02-Nl d.d 21 januari 2014 (Tauw). In deze nota is omschreven welke keuzes de gemeenten hebben gemaakt ten aanzien van generiek en gebiedsspecifiek beleid, en onder welke voorwaarden grond en bagger mag worden toegepast binnen de regio. In paragraaf 5.5.5 wordt nader op dit onderwerp ingegaan.

3.9

Groenbeleid

In het Handboek Harderwijks Groen staat het Harderwijkse groenbeleid voor stad, landschap en bos in samenhang met elkaar beschreven. Dit beleidsplan is in december 2007 door de raad van de gemeente Harderwijk vastgesteld. Hoofddoelstelling van beleid is de hoofdstructuur van stedelijk groen (de Groene Mal) in stand te houden en te versterken. Hier zal niet worden gebouwd en worden ontbrekende schakels hersteld. Door met bomen de straatprofielen optisch te versmallen, werkt beplanting ook snelheidsverlagend en vormt het een alternatief voor verkeersdrempels en andere obstakels. Het voornemen vindt niet plaats op gronden die zijn aangewezen als groene mal. Initiatiefnemer heeft een erftransformatieplan opgesteld, zie Bijlage 6, waarin rekening is gehouden met voorgenoemde belangen.

3.10 Verkeers- en vervoersbeleid 3.10.1 Verkeersstructuurplan (VSP) Het verkeers- en vervoersbeleid van de gemeente Harderwijk is opgenomen in het Verkeersstructuurplan (VSP). Het VSP is in december 2010 vastgesteld door de gemeenteraad van Harderwijk en het plan bestaat uit een deel Mobiliteitsvisie (met een doorkijk naar 2030) en een deel Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (met een doorkijk tot 2015). Het VSP geeft aan dat de komende jaren prioriteit wordt gegeven aan het aanpakken van verkeersonveiligheid in algemene zin en verkeersonveilige locaties in het bijzonder en daarnaast het stimuleren van het fietsverkeer in de gemeente Harderwijk. Los van deze onderdelen zijn er voor het plangebied geen specifieke aspecten opgenomen in het VSP. 3.10.2 Parkeernormennota Op 23 mei 2013 is door de gemeenteraad een Parkeernormennota vastgesteld. Deze Parkeernormennota is een uitwerking van de vastgestelde visie op parkeren in Harderwijk (GVVP). De Parkeernormennota dient tevens als uitbreiding/toevoeging aan de parkeerfondsregeling. Omdat er geen wettelijke, door de rijksoverheid vastgestelde en voorgeschreven parkeernormen bestaan, heeft de gemeente Harderwijk besloten om de parkeernormen in één document vast te stellen met normen die specifiek toepasbaar zijn voor de situaties binnen de gemeente Harderwijk.

Deze parkeernormen worden gebruikt bij het berekenen van de parkeerbehoefte bij voorzieningen als woningen, scholen, winkels, kantoren en bedrijven. Voor woningen zijn gelet op de functie verschillende parkeernormen opgenomen.

29

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

3.11 Economisch beleid Het economische beleid is gericht op het optimaal benutten van de beschikbare ruimte en het bieden van meer uitgesproken, gedifferentieerde werkmilieus. Verder wordt er ruimte geboden aan kleinschalige werkgelegenheid in de woonomgeving waar dat kan (functiemenging). De milieuhinder van bestaande en nieuwe bedrijvigheid dient tot een zo laag mogelijk niveau te worden beperkt, terwijl milieuhinderlijke activiteiten dienen te worden geweerd uit de directe woonomgeving. Voorliggend initiatief betreft slechts twee nieuwe woningen en de transformatie van een bestaande mantelzorgwoning naar reguliere woning. Daarmee zal geen directe gevolgen geven in de vorm van milieuhinder. In hoofdstuk 6 wordt hierop nader ingegaan.

30

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Inleiding

Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel behorende bij de Hoge Varenweg 4 en naastgelegen grond in totaal drie reguliere woningen te realiseren. Hierbij gaat het om twee nieuwe woningen en de transformatie van de bestaande mantelzorgwoning naar een reguliere woning. Door het slopen van asbestschuren in het eendengebied met een omvang van circa 2.250 m2, op het perceel Parallelweg 9/10 te Hierden, diende zich de mogelijkheid aan om nieuwe woningen te realiseren aan de Hoge Varenweg in Hierden en tegelijk de landschappelijke kwaliteit van het gebied te verbeteren. Dit is mogelijk door gebruik te maken van de sloopregeling voor het Eendengebied. Agrarisch opstallen op locatie 1 worden gesloopt en op locatie 2 ingezet. Hierdoor is er op beide locaties sprake van kwaliteitsverbetering. Het Eendengebied was in eerste instantie uitgesloten van de rood-voor-rood regeling. In 2017 heeft het college ingestemd met een pilot sloopregeling voor het Eendengebied. De pilot zou moeten leiden tot beleidskeuzes voor een definitieve sloopregeling voor het Eendengebied. De locatie Parallelweg 9/10 maakt onderdeel uit van deze pilot. In navolgende paragraaf zal een korte toelichting op het voornemen worden gegeven. Deze toelichting is gebaseerd op de voor beide locaties opgestelde erftransformatieplannen, opgenomen in Bijlage 5 en Bijlage 6.

In Bijlage 7 is de beeldkwaliteitsparagraaf voor dit initiatief opgenomen. In hoofdstuk 6 zal vervolgens de wijze van bestemmen worden besproken.

4.2

Huidige situatie

Hoge Varenweg 4 De planlocatie Hoge Varenweg 4 bevindt zich in een relatief open gebied met verspreide groene postzegels. Daarnaast ligt aan de noordzijde van de Hoge Varenweg bebouwd woongebied. Het open gebied bestaat voornamelijk uit weilanden. Verder is de Hoge Varenweg een belangrijke verbinding tussen de Zuiderzeestraatweg en de Molenweg. Deze wegen bestaan al sinds 1800. In het deelgebied Stadslanderijen Oost is de stedelijke invloed van Harderwijk weinig aanwezig. Een kleinschalig landschap met volgroeide karakteristieke bomenlanen, houtsingels en open weides karakteriseren het gebied. Die beplantingsstructuur en een robuuste landschappelijke erfbeplanting komen het gebied ten goede. Het plangebied bevindt zich in het landgoederenlandschap. In een landgoederenlandschap hebben de erven een sterkte verbinding met landschappelijke structuren. Een landgoederenlandschap wordt gekenmerkt door bebouwing in een bomenrijke omgeving. Er wordt vaak gebruik gemaakt van de zichtlijnen waardoor de bebouwing waarneembaar is in het landschap. In de jaren zijn veel bospercelen en groenstructuren verdwenen, waardoor de erven in dit gebied minder verwantschap hebben met het landschap.

31

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

} o

#y* Huidige situatie Hoge Varenweg 4 De huidige situatie aan de Hoge Varenweg 4 bestaat uit een sober vormgegeven woonhuis met daarachter een aantal schuren. De erfbeplanting bestaat uit twee houtsingels met diverse soorten inheemse maar ook uitheemse beplanting. De bestaande houtstructuren langs de Hoge Varenweg bestaan uit lindes. De structuur van het landgoederenlandschap is niet aanwezig op de kavel. Het erf dient een rijke groene uitstraling te hebben met de juiste soorten. Gezien de houtsingels van (voornamelijk) uitheemse soorten is dit niet volgens de kenmerken van een landgoederenlandschap.

Parallelweg 9 en 10 Op de percelen aan de Parallelweg 9 en 10 bevinden zich twee bedrijfswoningen en daarachter twaalf eendenschuren. Een aantal van deze schuren zijn nog in gebruik door eenden. De planlocatie bevindt zich in (oorspronkelijk) heidelandschap, welke in de jaren '60 rechtlijnig verkaveld is ten behoeve van de agrarische sector. In het gebied zijn veel eendenstallen aanwezig. Aan de zuidzijde van het plangebied bevinden zich de A28 en de spoorlijn. Deze hebben ook een nadrukkelijke stempel op het landschap gedrukt. Het heidelandschap is alleen aan de zuidzijde van de snelweg in grote mate aanwezig. Verder zijn er in de loop der jaren weer bossen en houtsingels aangeplant. Dat neemt niet weg dat het nog steeds een intensief agrarisch gebied is. Verder richting het noorden vinden we het kampenlandschap. Het heidelandschap kenmerkt zich door de kronkelige wegen en paden. Deze zijn rondom het plangebied verdwenen.

32

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

[ļũ

t S DUO !'1 „„„DŨO

Huidige situatie Parallelweg 9 en 10

4.3

Gewenste nieuwe situatie

Visie en uitgangspunten Het plangebied Hoge Varenweg 4 dient een halfopen structuur te hebben, waarbij woningen goed ingepast worden door middel van erfbeplanting. De bestaande woning vormt de hoofdwoning. De overige nieuwe woningen dienen een ensemble te vormen met deze hoofdwoning. De overige woningen dienen qua maat en vormgeving ondergeschikt te zijn aan de hoofdwoning. De nieuw te bouwen woningen dienen achter het verlengde van de achtergevel van de hoofdwoning te staan en worden centraal ontsloten door één toegangsweg. De toegangsweg leidt naar een boerenerf met een houtopstand in het midden. Hierdoor wordt de ruimte gebroken en onnodig veel verharding voorkomen. Een groene inrichting van het erf is van groot belang. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van verschillende bouwstenen van het landgoederenlandschap: hagen, het gebruik van houtsingels, solitaire bomen, een eikengaard, bomengroepen en bomenrijen. Vanaf de Hoge Varenweg dient het als één erf te ogen. Verder dient het erf op diverse plaatsen ingepast te worden door opgaand groen, waarbij de zichtlijnen naar het landschap open dienen te blijven ten behoeve van de halfopen structuur.

33

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Visie en uitgangspunten Voor het inpassen van het nieuwe erf is gebruik gemaakt van de bouwstenen voor een landgoederenlandschap. Door rondom de erven gedeeltelijk houtsingels toe te passen ontstaat er een halfopen structuur. Bij de entree en aan de zijde van het landschap is een eikengaarde ingetekend, als belangrijk landschappelijk element. De houtsingel in het midden van het erf dient als aankleding, en daarmee wordt onnodig veel verharding voorkomen. De houtsingel in het middendeel van het erf dient elke 2-3 jaar (deels) kortgezet te worden, om te voorkomen dat de houtsingel een scheiding wordt. Door het 2-jaarlijks kortzetten van de beplanting blijft de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd. De overige houtsingels worden één keer in de vijf jaar (deels) kortgezet. Om te benadrukken dat het gaat om één erf, is er één ontsluiting op de Hoge Varenweg. Verder zorgen de hagen aan de voorzijde voor een eenduidige sfeer. Daarnaast is het helder wat de hoofdwoning is, doordat de haag verspringt en er voor de nieuw te bouwen woning een eikengaarde staat. Verder zijn de structuren op de erven halfopen, zodat er verbinding blijft met het landschap, maar de erven vanaf de buitenzijde er rijkelijk groen uitzien. Een solitaire boom op de noord-oost hoek van het terrein dient als markering van het terrein, waarbij er vrij zicht blijft naar het omliggende landschap.

34

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

1

rŗ.rp

’ĪJSJ.Ta 1 r' V«Uf.'

Legenda

[ Mīrīïïïïīl Bebouwing Verharding

Solitaire boom

Eikengaarde

(SM

Houtsingel met grasberm Houtsingel

Tuin 1 weiland

Schetsontwerp

35

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Bouwmassa en vorm Bij de uitwerking van het schetsontwerp ligt de focus op het gemeenschappelijke deel van het erf, waar alle woningen op aangesloten zijn. Het creëren van een groen middelpunt zorgt voor sfeer en structuur op het erf. Dit draagt bij aan het gewenste groene karakter van een landgoederenlandschap. Verder is de ruimte rondom het groene middelpunt verhard, en kan er geparkeerd worden. Daarnaast zijn alle woningen goed toegankelijk. Het doel is om een erf te maken waar onder andere geparkeerd kan worden maar waar ruimtelijk gezien niet de nadruk op ligt. Door het subtiel markeren van de parkeervakken worden deze wel gemarkeerd maar wanneer er geen auto’s staan blijft er geen lege parkeerplaats over maar erf wat ruimtelijk goed in elkaar steekt. De totale bebouwingsoppervlakte per kavel bedraagt 250 m2, waarvan maximaal 100 m2 aan bijbehorende bouwwerken. De maximale goot- en bouwhoogte van de nieuwe woningen bedraagt respectievelijk 3,5 en 9 meter. De maximale goot- en bouwhoogte voor bijbehorende bouwwerken bedraagt respectievelijk 3 en 4,5 meter.

Beeldkwaliteit Voor het bestemmingsplan zijn ook beeldkwaliteitscriteria opgesteld, zie bijlage 7. In dit document worden richtlijnen beschreven voor de vormgeving van de nieuwe bebouwing en de openbare ruimte in het plangebied. Het document geeft een ruimtelijk kader op basis waarvan architecten de woningen in het plan kunnen gaan ontwerpen. De beeldkwaliteitscriteria zijn toegevoegd aan het plan. De stedenbouwkundige opzet van het plan is door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als positief beoordeeld.

Parallelweg 9 en 10 Op het agrarisch perceel Parallelweg 9 en 10 is een intensieve veehouderij gevestigd. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in de sloop van een viertal schuren met een gezamenlijk oppervlakte van 2.250 m2 in het kader van de rood-voor-roodregeling. Een overzicht van de te slopen schuren is weergegeven in Bijlage 1 Sloop bebouwing. Op de langere termijn wordt de sloop van de resterende eendenschuren beoogd. Hierbij dient zich de mogelijkheid aan om nieuwe natuur te realiseren. Hiertoe is een erftransformatieplan voor deze locatie opgesteld, opgenomen in Bijlage 5.

36

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Zoals aan het begin van deze paragraaf ook benoemd maakt het de erftransformatie onderdeel uit van de polot sloopregeling voor het Eendengebied. Het inrichtingsplan zal pas definitief worden zodra de visie voor het Enkenlandschap Z Eendengebied beschikbaar is. In het transformatieplan vormt een houtopstand de verbinding met het bos aan de noord-westzijde. In de houtopstand, welke een uiteindelijke hoogte heeft van 6-8 meter, is een open plek met daarin een poel voor de in het plangebied fouragerende huismus. Vanuit de poel wordt een opbouw gemaakt richting de houtopstand door middel van relatief lage (wintergroene) beplanting van maximaal 2 meter hoog om de huismus schuilgelegenheden te bieden. Verder bestaat het gebied uit weiland voor de voedselvoorziening van de huismus en om de huismus schuilgelegenheden te bieden. Verder is het gebied relatief open en wordt het zand wat bij het uitgraven van de poel vrijgekomen is, verwerkt in heuvels op het terrein.De heuvels worden deels gecamoufleerd door struiken, dit zorgt voor beschutting en schuilmogelijkheden. Verder wordt de opbouw vanuit de westzijde gemaakt door achtereenvolgend weiland, bloemrijk grasmengsel, lage beplanting en uiteindelijk de houtopstand. Verder worden op het hele perceel een aantal bomen toegevoegd.

t o v NAP

Ui jJ*

Legenda Bestaand bos

Jfc*. AN*-

Bonnen I0»

yVV» V-**-

A» A/-*»

| Houtopstand (S-* meter)

EZ] Struiklaag (lot 2 meier) f -.

Bloemnjk k ruwen mengsel

ĵ Wetend Į

- . | Zandheuvel

\‘ Įtį Wcrfeipuöl -toogtei »if» ten opöcnip ven meerite tenzţ enden eengeg*.en.

Inrichtingsschets Parallelweg 9 en 10

37

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

38

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Hoofdstuk 5 5.1

Onderzoek

Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van het verrichtte onderzoek naar relevante feiten en af te wegen belangen (artikel 3.2. Algemene wet bestuursrecht). Per onderzoeksaspect wordt een beschrijving gegeven van de situatie ter plaatse. Voor wat betreft de sanering van de stallen op het perceel Parallelweg 9/10 geldt alleen het ecologisch aspect. Dit is als zodanig verwoord in paragraaf 5.3.

5.2

Cultuurhistorie en archeologie

5.2.1 Inleiding De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

5.2.2 Cultuurhistorie De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Gelderland laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het plangebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige (dorps)landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland zijn in het plangebied geen cultuurhistorische structuren opgenomen, met uitzondering van de de Hoge Varenweg, zie ook bijlage 12. De Hoge Varenweg is een smalle weg met hoge laanbomen aan de zuidkant van Hierden, tussen de Molenweg en de Zuiderzeestraatweg. Het is tevens één van de oorspronkelijke kavelgrenzen van de dertiende-eeuwse ontginning De Varen. De directe omgeving maakt verder geen deel uit van beschermd stads- of dorpsgezicht en er komt geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in voor. Er zijn in het plangebied ook geen karakteristieke bouwwerken of andere waardevolle cultuurhistorische elementen, zoals houtwallen of verkavelingspatronen aanwezig. Conclusie De beoogde ontwikkeling tast de waarde van de Hoge Varenweg niet aan. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

5.2.3 Archeologie In het plangebied is hoofdzakelijk een middelmatige archeologische verwachtingswaarde aanwezig. Conform het archeologiebeleid geldt in een gebied met een middelmatige archeologische verwachting de onderzoeksplicht vanaf bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 0,3 m.

39

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Voor het plangebied is een archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 8. Op basis van dit onderzoek wordt geadviseerd om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Er is hiervoor ook overleg gevoerd met de regioarcheoloog.

5.3

Ecologie

Algemeen Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. In opdracht van de initiatiefnemer is er een natuurtoets uitgevoerd voor de realisatie van twee nieuwe woningen met bijgebouw en de transformatie van de bestaande mantelzorgwoning naar reguliere woning, in het weiland ten noordoosten van de Hoge Varenweg 4 te Hierden. Zie Bijlage 9. Ten behoeve van de sanering van bebouwing op het perceel Parallelweg 9/10 te Hierden is eveneens een natuuronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 4. Daarnaast heeft er overleg plaatsgevonden met de provincie aangaande de uitkomsten van de ecologische inventarisatie die is uitgevoerd aan de Parallelweg 9 en 10. 5.3.1 Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: *

alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); * nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Inventarisatie en toetsing

Hoge Varenweg 4 Er zijn geen beschermde soorten gevonden of te verwachten, behoudens mogelijk broedende grondbroeders in het broedseizoen. Nesten, eieren of jonge vogels mogen tijdens de werkzaamheden niet worden vernietigd of gedood. De werkzaamheden bestaan uit het aanleggen van verharding, twee nieuwe woningen en de transformatie van de bestaande mantelzorgwoning naar reguliere woning, bijhorende bijgebouwen en tuinen. Vanaf de Hoge Varenweg gezien wordt een groenstrook aangelegd waarmee de woningen landschappelijk worden ingepast. Het gebruik zal bestaan uit wonen. De werkzaamheden vinden zoveel mogelijk plaats in de periode die voor eventueel aanwezige beschermde soorten de minste schade op zal leveren. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening onderdeel Wet natuurbescherming art. 3.7.2.3) en schadesoorten (art. 3.7.2.1). Bij het aantoonbaar uitvoeren van werkzaamheden volgens een door de Minister goedgekeurde en een nog geldige Gedragscode Floraen Faunawet of op basis van de Wnb hoeft dan geen ontheffing te worden aangevraagd.

40

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Overigens blijft ook de algemene zorgplicht altijd van kracht. Er vindt door realisatie van het plan/uitvoering van de activiteiten dan geen overtreding plaats van de verbodsbepalingen van art. 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming.

Parallelweg 9 en 10 Er zijn geen beschermde soorten of verblijfplaatsen aangetroffen, met uitzondering van de huismus. Specifiek is gezocht naar (potentiële) verblijfplaatsen van steenuil, kerkuil en vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen. In de late avond is het gebied geïnventariseerd op steenuilen (met geluid) en vleermuizen (batdetector). Er was geen reactie van steenuilen, waarmee een verblijfplaats is uit te sluiten. Hoewel verblijfplaatsen niet direct worden verwacht is een ronde gelopen met de batdetector, tussen 22.00-0.00 uur. Er zijn enkele overvliegende rosse vleermuizen gehoord en een paar keer een overvliegende of foeragerende gewone dwergvleermuis. De dieren kwamen van elders aanvliegen. Op basis hiervan zijn vaste verblijfplaatsen met voldoende zekerheid uit te sluiten. Het is niet onmogelijk dat diverse soorten vogels broeden in of direct rond het plangebied (bijv. merel, roodborst, witte kwikstaart, zwarte roodstaart). Alle broedende vogels zijn beschermd. De huismus is in grote getale aanwezig en komt af op het voer voor de eenden. In een aantal stallen lopen nog mesteenden. Tijdens het locatiebezoek medio juli 2019 is een aantal geschat van 30-50 huismussen, welke in verschillende groepen rondvliegen. Overigens vliegen de mussen ook regelmatig van en naar andere percelen buiten het plangebied.

Het staat vast dat de mussen niet broeden in de leegstaande stallen, zonder dakisolatie. Er zijn diverse verblijfplaatsen geconstateerd onder de dakpannen van de woningen Parallelweg 9 en 10, maar deze woningen blijven behouden. Het was niet duidelijk of de vogels ook verblijfplaatsen hebben achter de dakisolatie van de eendenstallen. Op basis van de waarnemingen lijken de mussen de stallen vooral te bezoeken vanwege het voer. Een aanvullend locatiebezoek op 3 oktober 2019 bevestigt dat. Die dag zijn alleen huismussen rond de beide woningen waargenomen. Er kwamen in de vroege ochtend geen huismussen uit de stallen. Het gebruik van de stallen voor het houden van eenden zal eind 2019 worden beeindigd. Daarmee zal het voedselaanbod verdwijnen en is de verwachting dat er veel minder mussen op het perceel af zullen komen. Omdat er geen nestplaatsen verdwijnen, maar wel veel mussen 'gebruik maken' van het voedselaanbod is de vraag of en zo ja welke maatregelen nodig zijn. In november is de locatie nogmaals bezocht en is ook een aantal rondes in het omliggende gebied uitgevoerd. Daaruit bleek dat de huismus vrijwel overal in de omgeving aanwezig is en dat er ook volop goede foerageermogelijkheden zijn. Dat komt doordat op veel plekken dieren aanwezig zijn, waardoor ook voer en nestmateriaal aanwezig is (paarden, eenden, schapen, kippen e.d.).

Conclusie uit de diverse bezoeken is dat de mussen broeden in de woningen langs de Parallelweg en de Tweede Parallelweg en zowel foerageren in het plangebied als daarbuiten. De eendenschuren zijn dus wel foerageergebied maar niet essentieel. Plan is de opstallen te slopen en het gebied als weiland/natuur in te richten. Hiervoor is separaat een inrichtingsplan opgesteld, afgestemd op o.a. de eisen van de huismus. Daarmee is in ieder geval voldoende dekking en water aanwezig en blijft het gebied een goed foerageergebied. Door de inrichting ontstaat er ook een brugfunctie met voldoende dekking naar nabijgelegen foerageergebied. De verwachting is dat andere soortgroepen ook zullen profiteren van de houtwallen. Bij aanvang van de werkzaamheden (cq de sloop van de opstallen) in het broedseizoen verdient het aanbeveling om vanuit de zorgplicht het gebied voorafgaand aan de werkzaamheden nogmaals te controleren op mogelijke verblijfplaatsen. Alle broedende vogelsoorten zijn beschermd. Als broedende vogels aanwezig zijn moet worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Omgevingsverordening onderdeel Wet natuurbescherming art. 3.7.2.3) en schadesoorten (art. 3.7.2.1).

Bij het aantoonbaar uitvoeren van werkzaamheden volgens een door de Minister goedgekeurde en een nog geldige Gedragscode Floraen Faunawet of op basis van de Wnb hoeft dan geen ontheffing te worden aangevraagd. Overigens blijft ook de algemene zorgplicht altijd van kracht. Er vindt door realisatie van het

41

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

plan/uitvoering van de activiteiten dan geen overtreding plaats van de verbodsbepalingen van art. 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming. 5.3.2 Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.

van

Wet natuurbescherming In de Wnb is de bescherming van Natura 2000-gebieden, geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland Het NNN (voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor de provincie Zuid-Holland vastgelegd in de Verordening Ruimte 2014. Inventarisatie en toetsing Er is een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd welke is opgenomen in Bijlage 3. Hieruit blijkt dat als gevolg van de realisatiefase er sprake is van een tijdelijke depositie van maximaal 0,05 mol/ha/j/. Hierbij is geen rekening gehouden met emissiereducerende maatregelen tijdens de bouw en sloop (het betreft een worstcasescenario).

Gezien de beëindiging van de eendenhouderij is ook in de tijdelijke realisatiefase sprake van een forse afname van de stikstofdepositie. In de (permantente) gebruiksfase is er geen sprake is van een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/j en is er derhalve geen sprake van een belemmering. Omdat er sprake is van een afname als gevolg van de beëindiging van de eendenhouderij heeft de ontwikkeling een forse afname tot gevolg van de stikstofdepositie en een aanzienlijke verbetering van de omstandigheden voor instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000-gebieden op zowel korte als lange termijn. Het plan ligt buiten de begrenzing van het GNN en GO. Op basis van de ligging van het plangebied ten opzichte van de begrenzing van het GNN mag worden aangenomen dat er geen effecten zijn te verwachten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN. Specifieke maatregelen of aanvullend onderzoek worden niet nodig geacht. Er zijn daarmee geen negatieve gevolgen te verwachten voor de instandhoudingsdoelstellingen en externe werking kan worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek of een vergunning Wet natuurbescherming zijn niet nodig. 5.3.3 Conclusie Ten aanzien van het aspect ecologie zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4

Watertoets

5.4.1 Inleiding Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota Waterbeleid 21e eeuw is een watertoets verplicht gesteld bij de ruimtelijke planvorming. Deze watertoets is een (proces)instrument om ruimtelijke plannen en besluiten te toetsen op de mate waarin rekening is gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als: *

voldoende ruimte voor water (berging, infiltratie, aan- en afvoer);

42

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

* voorkomen van wateroverlast en afwenteling van wateroverschotten op anderen; * voldoende aandacht voor effecten op de ecologische waterkwaliteit (biologisch gezond); * het garanderen van de veiligheid (overstroming); * het voorkomen van te lage of te hoge grondwaterstanden. De watertoets is niet alleen een toets, maar is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van ruimtelijke plannen en besluiten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn (dossiercode 20170224-10-14716, zie Bijlage 10). 5.4.2 Beoordeling In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of Awatergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven. 5.4.3 Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft Waterschap Vallei en Veluwe aan dat rekening moet worden gehouden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.

Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct wordt afgevoerd naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding moeten worden gedaan bij het waterschap.

Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen, is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Het waterschap vraagt de beslisboom voor het afkoppelen van verhard oppervlak van ons waterschap toe te passen.

Grondwaterneutraal bouwen en ontwateringsdiepte Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Volgens atlas van Provincie Gelderland is grondwatertrap VIIa van toepassing voor het plangebied. Kenmerken van deze grondwatertrap: * gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG): 80-140 cm onder maaiveld * gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG): 120-180 cm onder maaiveld Uit meetgegevens van het gemeentelijk grondwatermeetnet: GLG/GHG: 2,40+73,30 mNAP

Volgens bodemkaart Nederland is de bodem van type hoge zwarte enkeerdgrond. Deze gronden zijn ontstaan door akkers op zandruggen waarvan de grond werd bemest met dierlijke enigszins hoger gelegen uitloper van een dekzandrug (es). Het maaiveld van het plangebied ligt op 5,00+ mNAP.

43

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Hieruit volgt dat de ontwateringsdiepte (5,00-3,30=1,70 m-mv) ruim voldoende is (ontwateringsdiepte^,9 m ten opzichte van peil begane grond). Dit biedt ook voldoende marge als de grondwaterstanden in de toekomst nog wat zouden gaan stijgen.

Huishoudelijke afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de bestaande bebouwing wordt afgevoerd via een vuilwaterstelsel onder de Hoge Varenweg. Dit vuilwaterstelsel loost op een rioolgemaal. De capaciteit van dit gemaal is voldoende om ook het huishoudelijk afvalwater van de toe te voegen bebouwing te kunnen verwerken. Overtollig hemelwater en/of grondwater mag niet worden afgevoerd.

Hemelwaterberging in plangebied Er is geen bestaand oppervlaktewater in de nabijheid van het plangebied waarop overtollig hemelwater geloosd kan worden. Op de locatie Hoe Varenweg is sprake van een toename van verharding en bebouwing. Per woning (150m2 woning + 100m2 bijgebouwen + 150m2 verharding) betreft dit circa 400 m2. Hemelwater dat op het plangebied valt dient binnen dit gebied te worden verwerkt in de bodem. Om dat te bereiken wordt een hemelwatersysteem gecreëerd dat minimaal 36 mm per uur kan verwerken t.o.v. verharde oppervlakken (daken, erfverharding en wegen). Dat kan middels infiltratievelden, -kratten of -putten, groende daken, regentonnen etc. Een aandachtspunt hierbij is dat enkeergronden worden gekenmerkt door een vrij dikke humushoudend toplaag dient grondverbetering toegepast worden om de doorlatendheid voor hemelwaterinfiltratie te verbeteren.

5.4.4 Conclusie Het plan is, vanuit de waterhuishouding bezien, voor het waterschap beperkt van belang. De motivatie daarvoor is dat plannen met beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, nauwelijks tot geen effect hebben op de waterhuishouding. Dit betekent dat geen essentieel waterbelangen worden geraakt en het waterschap op basis daarvan een positief wateradvies geeft.

5.5

Milieu

5.5.1 Inleiding In dit hoofdstuk komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. Het betreffen hier de randvoorwaarden en beperkingen die voorkomen uit het beleid en wetgeving op het gebied van: geluid (Wet geluidhinder), luchtkwaliteit (Wet luchtkwaliteit), bodem (Wet bodembescherming), bedrijvigheid (Wet milieubeheer) en externe veiligheid (BRZO, REVI, Bevi, Wet milieubeheer). 5.5.2 Geluidhinder De mate waarin geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door een industrieterrein, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder zijn normen opgenomen voor de toelaatbare geluidbelasting als gevolg van de verschillende geluidbronnen. De Wet geluidhinder maakt een onderscheid tussen de voorkeursgrenswaarde en de hoogst toelaatbare geluidbelasting. Wanneer de geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde valt, worden de effecten van geluid zonder meer toelaatbaar geacht. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, maar de geluidbelasting de ten hoogste toelaatbare geluidwaarde niet te boven gaat, is de overschrijding na een afweging, toelaatbaar. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai is 48 dB voor woningen binnen de bebouwde kom en de ten hoogst toelaatbare waarde is 63 dB. Wegverkeerslawaai

44

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Verkeerswegen hebben volgens de Wet geluidhinder aan weerszijden zones. Een zone kan, afhankelijk van de situatie, een breedte hebben van 100 tot 600 m. Binnen deze wettelijke zones geldt het grenswaardensysteem van de Wet geluidhinder voor het toetsen van geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk, wanneer dergelijke bestemmingen nieuw in de wettelijke zones worden geprojecteerd. Op grond van de Wet geluidhinder heeft niet iedere weg van rechtswege een geluidzone, uitzonderingen zijn: 1. wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied; 2. wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van twee nieuwe woningen en de transformatie van de bestaande mantelzorgwoning naar een reguliere woning aan de Hoge Varenweg 4. Echter, binnen het plangebied is geen geluidzone van een omliggende weg gelegen. De Hoge Varenweg is een weg waar een 30 km--regime geldt. Bovendien betreft het een rustige weg waar weinig verkeer over rijdt. Derhalve is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Spoorweglawaai Het plangebied is niet gelegen in de zone van een spoorweg. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in de geluidszone van een gezoneerd bedrijventerrein. Conclusie Het plangebied is niet gelegen in een zone van een weg, spoorweg of een gezoneerd bedrijventerrein.

Er zijn in het kader van geluidhinder dan ook geen beperkingen voor voorliggend initiatief. 5.5.3 Luchtkwaliteit Tussen de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening is een koppeling gelegd. Zo dienen ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de in de Wet milieubeheer opgenomen richtwaarden en grenswaarden voor een aantal luchtvervuilende stoffen. Wetgevende kader Voor luchtkwaliteit is de Wet luchtkwaliteit van toepassing. Deze wet is onder meer verder uitgewerkt in het Besluit niet in betekenende mate en de Regeling niet in betekenende mate. In het Besluit niet in betekenende mate is vastgelegd dat wanneer een ontwikkeling niet meer bijdraagt dan 3% aan de grenswaarde, deze niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke grenswaarden. Doorvertaald betekent dat meer dan 1,2 mg per m3 wordt aangemerkt als in betekenende mate. In de Regeling niet in betekenende mate is dit doorvertaald naar 1.500 woningen, ofwel 7.500 verkeersbewegingen (uitgaande van vijf verkeersbewegingen per woning, conservatieve aanname conform de ASVV 2004). Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen.

Zo mogen binnen 300 m van rijkswegen en 50 m vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Plannen dienen te voldoen aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. De formele definitie van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is: "het coördineren van de verschillende belangen tot en harmonisch geheel dat een grotere waarde vertegenwoordigd dan het dienen van de belangen afzonderlijk". Een goede luchtkwaliteit is een van de belangen, ofwel de luchtkwaliteit dient geschikt te zijn voor de beoogde functie. Daarom is het wenselijk om inzicht te hebben in de luchtkwaliteitsituatie. Initiatief is nibm

45

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Per woning zal het aantal voertuigbewegingen als gevolg van voorliggend plan met maximaal 8,6 motorvoertuigen per etmaal toenemen. In totaal komt dit neer op 26 ritten. Om voor kleine projecten te kunnen bepalen of het project als 'niet in betekenende mate' mag worden beschouwd, heeft het toenmalige Ministerie van VROM de nibm-tool (en handleiding) gepubliceerd op de website van InfoMil (www.infomil.nl). De invoer van de maximaal te verwachten toename van verkeersbewegingen door het toevoegen van twee nieuwe woningen en de transformatie van de bestaande mantelzorgwoning naar een reguliere woning in de nibm-tool leidt tot onderstaande uitkomst. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2019

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

26

Aandeel vrachtverkeer

1,0*

NO2 in pg/m3

0,03

PM10 in pg/m3

0.00

Maximale bijdrage extra verkeer

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in pg/m3

1.2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

46

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Goede ruimtelijke ordening Om te toetsen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van de te realiseren woningen, zijn de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide en fijnstof op de planlocatie hieronder weergegeven. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de achtergrondconcentraties ter plekke.

® Stikstofdioxide 2017 (IM02) Transparantie: 4196

Legenda:

N02 íōik.

CMaZm3) 10 - 12 12 - 14 14 - 16 16 - 18 18 - 20

I 20-25 25 - 30 30 - 35 35 - 39

Achtergrondconcentratie NO2 (2017) ® Fijnstof 2017(pm10) Transparantie: 42*36

Legenda: Fijn stof conc.

(U9 pmio/nrê)

|

17-18

|

18-19

|

19-20

|

22-23

|

23-25

Achtergrondconcentratie PM10 (2017) ® Fijnstof 2017 (pm2,5) Transparantie: 4296

Legenda: Fijn stof conc. (Mg pm2,5Zm3)

Achtergrondconcentratie PM2,5 (2017) Ter plaatse van het plangebied is sprake van de volgende achtergrondconcentraties: | achtergrondconcentratie 2017

| grenswaarde

47

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

fijnstof PM10

15-17 pg/mS

40 pg/mS

fijnstof (zeer fijn) PM2,5

8-10 pg/mS

40 pg/mS

stikstofdioxide CO2

14-16 pg/mS

25 pg/mS

Hieruit komt naar voren dat de achtergrondconcentraties als relatief laag zijn aan te merken. Ook liggen de concentraties ruim onder de grenswaarden. Conclusie Het project kan worden beschouwd als een nibm-project. Ook is er vanuit een goede ruimtelijke ordening geen belemmering ten aanzien van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. 5.5.4 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering is het aanbrengen van voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: *

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; * het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar en is vooral bedoeld voor scheiding bij nieuwe ontwikkelingen. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Afweging In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich aan de Molenweg 15 een agrarisch bedrijf. Planologisch gezien is hier een intensieve veehouderij toegestaan. Momenteel heeft het bedrijf een vergunning voor melkrundvee.

Gezien de nabijheid van woningen, zal het niet mogelijk zijn om in te toekomst om te vormen naar een intensieve veehouderij. Voor een melkveehouderij geldt een standaard richtafstand van 100 meter binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. De woningen liggen op een afstand van meer dan 100 meter. Andersom vormt de realisatie geen beperking in de milieuruimte van het agrarische bedrijf. Op kortere afstand van het bedrijf zijn al woningen gelegen, die maatgevend zijn voor de milieuruimte. Conclusie Vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

48

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

5.5.5 Bodemkwaliteit Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. In januari 2017 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 11. Boven- en ondergrond Uit de toetsing van de analyseresultaten aan de Circulaire Bodemsanering 2013 blijkt dat de gemeten gehalten in de ondergrond vanaf het maaiveld tot 2,0 m. -mv. beneden de achtergrondwaarden liggen. Met betrekking tot de voorgenomen bouwactiviteiten op de onderzochte locatie, zijn milieutechnisch geen belemmeringen aan te geven. Grondwater Uit de toetsing van de analyseresultaten aan de Circulaire Bodemsanering 2013 blijkt dat het grondwater licht verontreinigd is met zink, cadmium en kwik. De concentraties zijn niet van een omvang waardoor de volksgezondheid of het milieu mogelijk schade zal worden toegebracht. Met betrekking tot de voorgenomen bouwactiviteiten op de onderzochte locatie, zijn milieutechnisch geen belemmeringen aan te geven.

Asbest Tijdens de terreininspectie en de monstername van de grond zijn geen asbestverdachte materialen op of in de bodem aangetroffen. Conclusie De aangetroffen concentraties zijn van lichte aard en geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. 5.5.6 Geur Geur in de leefomgeving is grotendeels afkomstig van bedrijvigheid. Elke geur kan boven een bepaalde concentratie hinder veroorzaken. Om hinder van agrarische bedrijven te voorkomen, is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) van toepassing. De wet regelt onderlinge afstanden tussen geurgevoelige functies, zoals woningen, recreatieobjecten en agrarische bedrijvigheid. Op meer dan 100 meter afstand van de nieuwe woningen is aan de Molenweg 15 een agrarisch bedrijf gelegen. Op basis van de milieuvergunning blijkt het om een melkveehouderij te gaan, waarvoor vaste afstanden gelden. Hiermee voldoet het plan aan de regels uit de Wet geurhinder en veehouderij. Gezien het feit dat tussen de planlocatie en het veehouderijbedrijf al woningen op kortere afstand liggen, zal dit bedrijf door de nieuwe woningen niet extra in zijn bedrijfsvoering worden belemmerd. Conclusie Het milieuaspect geurhinder vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. 5.5.

7 Externe veiligheid Inleiding Activiteiten met gevaarlijke stoffen brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om de productie, opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld ammoniak en LPG) en het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en door buisleidingen. Deze activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving omdat veiligheidsafstanden tussen risicovolle activiteiten en (beperkt) kwetsbare objecten nodig zijn.

49

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Externe veiligheid kent twee belangrijke toetsingscriteria waarmee het risico gekwantificeerd kan worden: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Beide risico's zijn gebaseerd op een kansbenadering en zijn niet effectgericht. Dat betekent dat de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen merkbaar zijn buiten de afstanden die gelden voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Situatie in en rondom plangebied In het kader van externe veiligheid is onderzocht of de planlocatie binnen de invloedssfeer ligt van bronnen met een extern veiligheidsrisico. Risicobedrijven Er zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontouren de plangrens overschrijden. Ondergrondse buisleidingen Er zijn geen ondergrondse buisleidingen aanwezig waarvan de risicocontouren in of aangrenzend aan het plangebied zijn gelegen. Hoogspanningslijnen en zendmasten De planlocatie ligt niet binnen een indicatieve zone langs een hoogspanningslijn, waarbinnen geen objecten voor permanent verblijf mogen worden opgericht. Er zijn in de omgeving geen zendmasten (GSM, UMTS, e.d.) waarvan de elektromagnetische straling de planlocatie kan beïnvloeden. Transportroutes In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen transportroutes waar gevaarlijke stoffen worden vervoerd, aanwezig. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt voor het voornemen geen belemmering. Wel zijn mogelijk bluswatervoorzieningen voor de beoogde ontwikkelingen nodig in de vorm van een bluswaterwinpunt (geboorde put). De ontsluiting dient te voldoen aan het Bouwbesluit. Dat wil zeggen een vrije doorgang van 4,20 meter breed en 4,50 meter hoog. De verharding hoeft niet over de volledige breedte, maar wel ten minste 3,50 meter breed.

5.6

Verkeer en parkeren

Met toevoeging van vrijstaande nieuwbouw woningen is te verwachten dat er meer voertuigbewegingen gegenereerd zullen worden in het gebied. Dit kan effect hebben op de omgeving. De toevoeging van een woning zorgt voor circa 8,6 autobewegingen per etmaal. Met 3 nieuwe woningen zal het daarom gaan om circa 26 autobewegingen per etmaal die door het plan toegevoegd worden. De Hoge Varenweg kan dit extra verkeer zonder verkeersveiligheids- en doorstromingsproblemen verwerken.

Parkeervoorzieningen Ten aanzien van parkeren kan worden gesteld dat voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op eigen terrein om te kunnen voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm (2,0 parkeerplaatsen per burgerwoning). Bezoekersparkeren kent een norm van 0,33 parkeerplaatsen per woning. Ook hier wordt ruim voldaan aan de norm.

50

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling wordt niet belemmerd vanuit het aspect verkeer en parkeren, nader onderzoek op het gebied van verkeer en parkeren is daarom ook niet nodig.

5.7

Milieueffectrapportage

5. 7.1 Algemeen Op 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging is onder andere: het meer in overeenstemming brengen van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Hierbij hebben onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter gekregen. Met deze wijziging is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit m.e.r. behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, áltijd aandacht aan m.e.r. dient te worden geschonken. Hierbij dient te worden bepaald of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. 5.7.2 Analyse Om te bepalen of sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtig plan, dient te worden bepaald of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C of D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Dit plan voorziet in een directe eindbestemming en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit plan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die worden genoemd in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r., er is derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Indien de volgende drempelwaarden m.e.r.-beoordelingsplichtig plan:

worden

overschreden

is

sprake

van

een

1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling is opgenomen in lijst D van het Besluit m.e.r. Voor projecten groter dan 100 hectare en meer dan 2.000 woningen dient altijd een m.e.r.- beoordeling plaats te vinden. Conclusie De omvang van de woningbouw is zodanig beperkt dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd hoeft te worden. Het plan maakt planologisch gezien het toevoegen van 3 woningen mogelijk. Woningen zijn een activiteit die is genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2 'Stedelijk vernieuwingsproject', relevante drempelwaarde: 2.000 woningen). Daarom moet worden beoordeeld of het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Gelet op de omvang van het plan, die zeer ruim onder de drempelwaarde blijft en de ligging van het plan, worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. De omvang van de voorgenomen ontwikkeling brengt geen zodanige productie van afvalstoffen, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen met zich mee op basis waarvan belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten.

Het milieubelang is verder in de navolgende paragrafen voldoende mate afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is daarom niet

51

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

noodzakelijk.

5.8

Kabels en leidingen

In het plangebied bevinden zich geen bovengrondse en/of ondergrondse leidingen die ruimtelijk relevant zijn.

52

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische aspecten

Inleiding

6.1.1 Informatie bestemmingsplan Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriele regelingen, dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd, gepresenteerd en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. De regeling is afgestemd op de Wro, Bro en daarbij behorende ministeriele regelingen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Een bestemmingsplan kan echter niet alles regelen. Via het Besluit omgevingsrecht is het bijvoorbeeld mogelijk om in bepaalde situaties vergunningvrij te bouwen ondanks dat het bestemmingsplan die bebouwing niet toestaat. In die gevallen gaat hetgeen bij wet vergunningvrij gebouwd kan worden voor op de bepalingen van het bestemmingsplan. Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen.

Dit houdt in dat: 1.

de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (voorheen: bouwvergunning) en regels voor het verrichten van 'werken' (voorheen: aanlegvergunning). Een bestemmingsplan regelt derhalve: * het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: * »

het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken (aanleggen).

6.1.2 Verbeelding, regels en toelichting Een bestemmingsplan moet worden opgezet volgens de eisen die de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) daaraan stelt en de wettelijk voorgeschreven opzet en vormgeving van de 'RO standaarden 2012'. Een bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, te weten een 'toelichting', de 'regels' en een 'verbeelding'. De verbeelding (voorheen bekend als 'plankaart') en de regels (voorheen bekend als 'voorschriften') vormen samen het juridische deel van het bestemmingsplan. Alleen deze twee zijn bindend voor de burger en de overheid. Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemming met een bestemmingsvlak en soms via aanduidingen. De planregels van het bestemmingsplan bevatten de juridische verklaring, middels maximale bouw- en gebruiksmogelijkheden, van de op de verbeelding weergegeven bestemmingen en aanduidingen. Die toegekende gebruiks- en bouwmogelijkheden aan gronden kunnen, naast de rechtstreekse bestemming, op de verbeelding op twee manieren nader worden ingevuld: 1.

Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden.

53

bestemmingsplan Buitengebied -Hoge Varenweg 4

Er geldt altijd één 'enkelbestemming' (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. 2. Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van een bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan, indien de regels en de verbeelding hier ruimte voor laten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=5c8fb4b3-0588-40b8-8f51-44aa270a8d94