CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitengebied - Hoge Varenweg 4_Bijlagen toelichting.pdf

Raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Buitengebied - Hoge Varenweg 422.564 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Om te kunnen afwijken van de verbodsbepalingen gelden 3 voorwaarden (ar. 3.3 lid 4, 3.8 lid 5, 3.10 lid 2): Er is geen andere bevredigende oplossing Er moet een in de wet genoemd wettelijk belang zijn (verschillend per beschermingsregime) De ingreep mag geen afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort Als aan deze drie is vereisten voldaan, is het aanvragen van een ontheffing mogelijk. Daarnaast is het mogelijk dat er aanvullende vrijstellingen gelden voor bepaalde handelingen. Bijvoorbeeld door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode (met maatregelen voor de betreffende soort en handeling), of zoals omschreven in een provinciale verordening.

De genoemde belangen verschillen per type beschermingsregime. Dit kan van belang zijn voor het al dan niet verkrijgen van een ontheffing. Soorten Vogelrichtlijn: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - ter bescherming van flora of fauna; Dier- en plantensoorten Habitatrichtlijn/verdragen van Bern en Bonn: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of - in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen vanggroot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; Nationaal beschermde soorten planten en dieren: - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, wa­ terstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbe­ heer; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een be­ paald gebied; of - in het algemeen belang. Gedragscode (art. 3.31) Verboden en meldingen (art.

3.1, 3.2, 3.5, 3.6, 3.10 Wnb) zijn niet van toepassing als handelingen aan­ toonbaar worden uitgevoerd conform een door de Minister goedgekeurde gedragscode. De gedragscode moet ook feitelijk betrekking hebben op de betreffende soort, uit te voeren handelingen en plaatsvinden in het kader van één van de volgende doelen: - Bestendig gebruik, beheer en onderhoud - Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting Er moet gewaarborgd zijn dat er geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en er sprake is van zorg­ vuldig handelen. Bestaande gedragscodes van de Flora- en Faunawet blijven geldig (max. 5 jaar) tot een nieuwe gedrags­ code conform de Wnb is goedgekeurd. Vogels Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet per sé verboden als de gunstige staat van instand­ houding niet in gevaar is (zorgplicht geldt wel). Dit geldt alleen voor het verstoren. Het vernielen of be­ schadigen van nesten blijft verboden. Voor de jaarrond beschermde soorten mogen de nesten niet worden beschadigd of vernietigd. Wel kan verstoring er toe leiden dat beschermde vogels kiezen voor een alterna­ tieve nestlocatie. Ook hier geldt altijd de algemene zorgplicht.

Dat houdt onder meer in dat een initiatief­ nemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan, de moge­ lijke gevolgen van het plan voor de natuur en mogelijke maatregelen om negatieve gevolgen tegen te gaan. In onderstaande tabel zijn de verschillen tussen de oude regelgeving en de Wnb weergegeven: Verboden Flora- en Faunawet Doden, verwonden, vangen Opzettelijk verontrusten Beschadigen, vernielen, uithalen, verstoren nesten, holen, vaste rust- of verblijfplaatsen Rapen, uit nest nemen, beschadigen of vernietigen van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur

Verboden Wet natuurbescherming Opzettelijk doden of vangen Opzettelijk storen Opzettelijk vernielen, beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of wegnemen nesten Rapen en onder zich hebben van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur

De bescherming van een nest omvat ook de inhoud en functionele omgeving daarvan, voor zover het broedsucces daarvan afhankelijk is. Dit impliceert dat inheemse in gebruik zijnde nesten beschermd zijn

gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zijn nesten niet beschermd, behalve voor soorten met jaarrond beschermd nesten. Jaarrond beschermde nesten Vooralsnog is de verwachting dat de indeling van de jaarrond beschermde nesten niet zal wijzigen onder de Wet natuurbescherming. Het betreft dan de indeling waarbij nesten van vogelsoorten in categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. De nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alter­ natieven zijn. De Provincie kan per verordening hiervan afwijken. Verstoring In art. 3.1 lid 4 is opgenomen dat het opzettelijk verstoren van vogels verboden is. Lid 5 stelt dat dit niet van toepassing is als de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (doden en vernielen van nesten blijft dus wel verboden). Dit vraagt dan om na­ der en specifiek onderzoek, zoals om welke soort het gaat (algemeen/zeldzaam/bedreigd), de locatie, de periode van het jaar en de intensiteit, duur en frequentie van de verstorende activiteit en of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Verstoring in het broedseizoen ligt daarbij heel kritisch als dit invloed heeft op het broedsucces (art. 5d Vogelrichtlijn).

Zorgplicht (art. 1.11 Wnb) In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht omschreven. De zorgplicht geldt voor alle soorten en alle beschermde gebieden. Dus ook voor niet specifiek in de wetgeving benoemde soorten. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild le­ vende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan wor­ den gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoe­ ring moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan ge­ maakt. In art. 7.2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn tot handhaving (last onder bestuursdwang).

Gebiedsbescherming De bescherming van gebieden is geregeld via een aantal sporen. Dat zijn Natura 2000 gebieden, gebie­ den behorende bij het natuurnetwerk Nederland (NNN), provinciale natuurgebieden of provinciale land­ schappen. Deze laatste twee zijn nieuw t.o.v. de wetgeving voor 1 januari 2017. Natura 2000 gebieden De Natura 2000 gebieden zijn op basis van Europese regels aangewezen als beschermde gebieden, incl. de daarbij horende beschermde soorten en habitats. Omdat de Europese regels worden gevolgd is er ten aanzien van de gebiedsbescherming niet veel gewijzigd. Nederland kent een 164 Natura 2000 gebieden, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld. Per gebied is het ook de bedoeling beheerplannen vast te stellen. Daarin staat o.a. welke maatregelen nodig zijn om de natuurdoelen te halen en welk (bestaand en toekomstig) gebruik al dan niet vergunningplichtig is. Voor regulier onderhoud en beheer is dan in prin­ cipe geen vergunning nodig (Art. 2.9 Wnb). Overigens blijft de zorgplicht altijd gelden. Omdat de meeste onder de oude wetgeving beschermde natuurmonumenten in een Natura 2000 gebied liggen is de aparte bescherming van deze natuurmonumenten vervallen. Als handelingen kunnen leiden tot nadelige effecten voor instandhoudingsdoelen van een Natura 2000 gebied is een vergunning nodig. Zoals gezegd is de provincie meestal bevoegd gezag.

De vergunning­ aanvraag kan apart bij de provincie of via de Omgevingsvergunning bij de gemeente. Passende beoordeling (Art. 2.7-2.8 Wnb) Als een project of andere handeling gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogelijk schadelijke ge­ volgen heeft voor een Natura 2000-gebied is een natuurvergunning noodzakelijk, tenzij een wettelijke uit­ zondering geldt. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld het handelen conform een vastgesteld beheerplan of een programma (PAS, Art. 2.9 Wnb) of het weiden van vee (Art. 2.9 Regeling Wnb). Ook bestaand gebruik op referentiedatum 31 maart 2010 is een uitzondering. Het bevoegd gezag moet hier dan wel redelijkerwijs van op de hoogte (kunnen) zijn en de handelingen mogen niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd. Mogelijk leidt dit tot discussies vanwege oudere Europese data voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden, resp. 10 juni 1994 en 7 december 2004.

Er is overigens geen definitie van een project of een andere handeling. Alle activiteiten welke geen project zijn, zijn daarmee feitelijk ‘andere handelingen'. Onderzoek moet uitwijzen of deze gevolgen significant kunnen zijn. De gevolgen moeten worden beoor­ deeld in samenhang met die van andere plannen en projecten (‘cumulatieve effecten'). Als er geen effec­ ten zijn, is geen vergunning nodig. Als de effecten klein zijn, volgt een verslechterings- en verstoringstoets'. Bij mogelijke significante effecten volgt een ‘passende beoordeling'. Het positieve effect van maat­ regelen mag niet bij de afweging voor vergunningplicht worden betrokken. Dat mag wel bij het besluit op een vergunningaanvraag. In de verslechterings- en verstoringstoets worden de effecten gespecificeerd. Daarbij hoeft dan niet meer naar cumulatieve effecten te worden gekeken. Het bevoegd gezag beoordeelt of de effecten aanvaardbaar zijn of niet. Aan de vergunning kunnen beperkende voorwaarden worden verbonden (mitigatie en com­ pensatie). De passende beoordeling is veel uitgebreider. Op basis van de beste wetenschappelijke kennis dienen de effecten op de habitats en soorten te worden ingeschat, rekening houdende met cumulatieve effecten.

Als de passende beoordeling uitwijst dat er slechts beperkte effecten zijn, dan dient vergunning te worden aangevraagd, die wordt verleend indien de effecten aanvaardbaar worden geacht. Als er significante effec­ ten zijn, dan mag vergunning alleen worden verleend als er voldaan is aan alle drie onderstaande ADCcriteria: -

Er zijn geen geschikte Alternatieven. Er is sprake van Dwingende redenen van groot openbaar belang, waaronder redenen van sociale en economische aard. Er is voorzien in exacte en tijdige Compensatie.

Als er sprake is van aantasting van een gebied dat is aangewezen ter bescherming van prioritair natuurlijk habitat of een prioritaire soort, dient eerst door de minister van LNV aan de Europese Commissie advies te worden gevraagd. Bovendien is het aantal redenen van groot openbaar belang beperkt.

Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'exter­ ne werking' genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ont­ staat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloed gebied van een instandhoudingsdoelstelling (IHD) en een invloed gebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000gebied en waarvoor de IHD gevoelig is. Stikstof in Natura 2000-gebieden (Besluit natuurbescherming) Een voorbeeld van externe werking is de depositie van stikstof. Door allerlei bronnen komt stikstof in het milieu terecht, afkomstig van de landbouw, verkeer, industrie en huishoudens. De grote hoeveelheid stik­ stof heeft effecten op de groei van planten. Dit gaat in de regel ten koste van kwetsbare planten en biodi­ versiteit, waardoor gevoelige gebieden (zoals venen en heide) verruigen door de groei van bijv. grassen en soorten als braam. Hiervoor gold vanaf 1 juli 2015 het systeem van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Hiermee hoopte het Rijk de hoeveelheid stikstof in de Natura 2000 gebieden te kunnen verminderen, zonder alle ontwikkelingen te blokkeren. De PAS bracht daartoe alle bronnen in beeld.

Met behulp van een rekentool (Aerius Calculator) is de stikstofbijdrage van een (nieuw) plan op beschermde habitats te berekenen. De basisgedachte was dat economische ontwikkelingen verantwoord mogelijk blijven (ontwikkelruimte), mits de totale hoeveelheid stikstof in het gebied omlaag gaat. Voor de PAS is voor elk van de 118 Natura 2000 gebieden een samenhangend pakket herstelmaatregelen opgesteld op basis van een vastgestelde herstelstrategie per habitattype (69). Uiteindelijk krijgen deze af­ spraken over stikstof een plaats in de per gebied op te stellen beheerplannen. Op basis van de uitkomsten van de Aerius-calculator was een project vergunningsvrij ^0.05 mol/ha/jr), melding plichtig (tussen 0.05 mol/ha/jr. en de grenswaarde) of was het aanvragen van een Natuurvergunning noodzakelijk ^ grenswaarde). De systematiek is echter op basis van een uitspraak van het Europese hof en de Raad van State op on­ derdelen afgekeurd en mag niet meer op dezelfde wijze worden gebruikt.

Uitspraak Raad van State (PAS) De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer is te gebruiken als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten, die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Het Ministerie van BiZa heeft op 2 juli een factsheet gemaakt hoe hiermee vooralsnog moet worden omgegaan. Een aantal relevante aspecten staan hieronder. De beslissing van de Raad van State heeft vergaande consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, zo­ als woningbouw, de aanleg van infrastructuur (o.a. vaar-, spoor-, en autowegen), de bouw van nieuwe be­ drijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofge­ voelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Hierdoor is het een stuk ingewikkelder geworden om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en te realiseren die effecten hebben voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden. Stikstof is één van de aspecten waarop een project of plan (zoals een bestemmingsplan) moet worden ge­ toetst. Complicerende factor hierbij is dat stikstof tot op grote(re) afstand van de bron neerslaat.

Daarbij zijn er in Nederland momenteel 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten. Nu het ecologisch onderzoek (“de passende beoordeling”) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen, ook op grote afstand van Natu­ ra 2000-gebieden, nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat hun project of plan (zoals een bestemmingsplan) op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Pas daarna kan toestemming worden verleend. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds de uitspraak van 29 mei 2019 niet meer worden gebruikt. Voor projecten betekent dit dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist. Gedeputeer­ de staten (en in een aantal gevallen het ministerie van LNV) zijn het bevoegde gezag voor deze vergun­ ning. Zij dienen te beoordelen of voor een project een natuurvergunning is vereist. Voor bestemmings­ plannen geldt weliswaar geen natuurvergunningsplicht, maar ook zij moeten aan de eisen van de Wet na­ tuurbescherming voldoen. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan is een beoordeling nodig om te bepalen of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied.

Is dat het geval, dan is ook een passende beoor­ deling (en als gevolg daarvan ook een milieueffectrapport) noodzakelijk. Gevolgen woningbouw Wordt in de voortoets op basis van objectieve gegevens geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied, dan kan volgens de factsheet van het ministerie worden volstaan met een voortoets en kan de gemeenteraad (voor wat betreft de stikstoftoets) het bestemmingsplan vaststellen. Dit is het geval als bijvoorbeeld geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie. Wordt woningbouw gerealiseerd op gronden waar voorheen bijvoorbeeld (planologisch legaal en ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan feitelijk bestaande) agrarische activiteiten plaatsvon­ den en die activiteiten worden gestaakt (omdat bijvoorbeeld op die gronden woningen worden gebouwd en als gevolg daarvan de agrarische functie verdwijnt) dan mag in beginsel de daarmee samenhangende vermindering van de stikstof-depositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdeposi­ tie als gevolg van de woningbouw. Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwij­ nen van die agrarische functie).

Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd Overige beschermde natuurgebieden Naast de Natura 2000 gebieden dient de provincie conform art. 1.12 ook gebieden aan te wijzen en in stand te houden, welke onderdeel zijn van een samenhangend netwerk van natuurgebieden (Natuurnetwerk Nederland). Tot slot kunnen Gedeputeerde staten ook gebieden aanwijzen buiten het natuurnetwerk Nederland, welke van belang zijn vanwege hun natuur-, landschappelijke of cultuurhistorische waarden.

Houtopstanden Ook de Boswet is opgenomen in de Wet natuurbescherming (H4 Wnb). In de Boswet was er sprake van een meldplicht en een herplantplicht. Dat blijft ook zo. Opstanden binnen de bebouwde kom, fruitbomen, bos voor biomassa, wegbeplanting e.d. vallen hier buiten (zie art. 4.1 Wnb). Bij het vellen van (een deel van) een houtopstand, moet dit vooraf worden gemeld. Ook is er de verplichting tot het herbeplanten van minimaal hetzelfde areaal binnen drie jaar na het vellen. De herplantplicht geldt niet voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Provincies kunnen bij verordening aangeven, welke gegevens moeten worden aangeleverd en/of er een toeslag geldt op het te herbeplanten areaal. Bronnen: - www.wetten.nl - www.riiksoverheid.nl - www.natuurbeheer.nu - www.Natura2000.nl - www.infomil.nl - www.rvo.nl - http://mineleni.nederlandsesoorten.nl/

Vrijstellingen beschermde soorten Gelderland Landelijk (art. 3.1 Besluit natuurbescherming)

Als vogels en dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.15, eerste lid, van de wet worden aangewezen: Canadese gans (Branta Canadensis en Branta hutchinsii hutchinsii); houtduif (Columba palumbus); kauw (Corvus monedula); konijn (Oryctolagus cuniculus); vos (Vulpes vulpes), en zwarte kraai (Corvus corone corone). Concept Omgevingsverordening Wnb provincie Gelderland

Landelijke schadesoorten (art. 3.7.2.1) Ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud (art. 3.7.2.3): » 24 nationaal beschermde soorten zoogdieren en amfibieën (bijlage 28) » Vrijstelling (onder voorwaarden) van verbod op vangen, vernielen voorplantingsplaatsen of rustplaatsen gedurende hele jaar in hele provincie Veiligstellen tegen verkeer (art. 3.7.2.4) » Voor overzetten inheemse kikkers, padden en salamanders, maximaal 50m vanaf de vangplaats en na vangst en vervoer onmiddellijk vrijlaten. Vrijstelling voor onderzoek en onderwijs (art. 3.7.2.5) » Voor vervoer en hebben van eieren en kikkervisjes van groene kikker, bruine kikker en ge­ wone pad voor onderwijsdoeleinden. Schadebestrijding (Bijlage 27) - Provinciale schadesoorten: 4 soorten » Vrijstelling van verboden voor grondgebruikers (onder voorwaarden) » Opzettelijk verstoren: brandgans, spreeuw, roek » Opzettelijk doden: woelrat (aangewezen middelen). » Met geweer: spreeuw en roek > ongunstige staat van instandhouding & negatieve trend (landelijk en in provincie) Bijlage 28

Vrijstelling soorten ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud. Gebied: binnen de gehele provincie. Periode: gedurende het hele jaar. V&K = vangkooi en kastval.________________________ Soort

Aardmuis Bosmuis Bruine kikker Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Gewone pad Haas Hermelijn Huisspitsmuis

Toegestane middelen vangen

V&K V&K Schepnet V&K V&K V&K V&K V&K Schepnet V&K V&K V&K

Soort

Toegestane middelen vangen

Kleine watersalamander Konijn Meerkikker Middelste groene kikker Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige osspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat

Schepnet V&K, fred met buidel Schepnet Schepnet V&K V&K V&K V&K V&K V&K V&K V&K

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Categorieën jaarrond beschermde nesten 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, _______zich elders te vestigen.________________________________________________ Bescherming

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Categorie 1

steenuil

Athene noctua

Categorie 2

gierzwaluw

Apus apus

huismus

Passer domesticus

grote gele kwikstaart

Motacilla cinerea

ooievaar

Ciconia ciconia

kerkuil

Tyto alba

slechtvalk

Falco peregrinus

oehoe

Bubo bubo

boomvalk

Falco subbuteo

sperwer

Accipiter nisus

buizerd

Buteo buteo

wespendief

Pernis apivorus

havik

Accipiter gentilis

zwarte wouw

Milvus migrans

ransuil

Asio otus

blauwe reiger

Ardea cinerea

ijsvogel

Ardea cinerea

boerenzwaluw

Hirundo rustica

kleine bonte specht

Hirundo rustica

bonte vliegenvanger

Ficedula hypoleuca

kleine vliegenvanger

Ficedula hypoleuca

boomklever

Sitta europaea

koolmees

Sitta europaea

boomkruiper

Certhia brachydactyla

kortsnavelboomkruiper

Certhia brachydactyla

bosuil

Strix aluco

oeverzwaluw

Strix aluco

brilduiker

Bucephala clangula

pimpelmees

Bucephala clangula

draaihals

Jynx torquilla

raaf

Jynx torquilla

eidereend

Somateria mollissima

ruigpootuil

Somateria mollissima

ekster

Pica pica

spreeuw

Pica pica

gekraagde roodstaart

Phoenicurus phoenicurus

tapuit

Phoenicurus phoenicurus

glanskop

Parus palustris

torenvalk

Parus palustris

grauwe vliegenvanger

Muscicapa striata

zeearend

Muscicapa striata

groene specht

Picus viridis

zwarte kraai

Picus viridis

grote bonte specht

Dendrocopos major

zwarte mees

Dendrocopos major

hop

Upupa epops

zwarte roodstaart

Upupa epops

huiszwaluw

Delichon urbicum

zwarte specht

Delichon urbicum

Categorie 3

Categorie 4

Categorie 5

roek

Corvus frugilegus

Opmerkingen bescherming soorten vogelrichtlijn en conventie van Bern

Alle inheemse vogels vallen binnen het beschermingsregime van de vogelrichtlijn. Voor een aantal vogels is art 3.1 lid 5 niet van toepassing omdat deze vogels tevens onder het beschermingsregime van art. 3.5 vallen. Het betreft de vogels die zijn opgenomen in bijlage II van de conventie van Bern. Artikel 3.1 lid 5 bepaald dat het verbod op verstoren (art. 3.1 lid 4) niet van toepassing is indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. De soorten die zijn opgenomen in bijlage II van Bern zijn derhalve strikter beschermd dan de andere vogelsoorten. Een aantal van de vogels (niet uitErmelod) welke zijn opgenomen in bijlage II van de conventie van Bern en dus strikter zijn beschermd (vet = ook op lijst jaarrond beschermde nesten): Appelvink

Baardman

Blauwborst

Bergeend

Boerenzwaluw

Bonte vliegenvan­ ger Boomvalk Draaihals Glanskopmees Groene specht

Boomklever

Boomkruiper

Bosuil

Braamsluiper Fluiter Graspieper

Boompieper Buizerd

Geelgors Grauwe vliegenvan­ ger Grote gele kwikstaart Hop Kleine bonte specht

Kuifmees Nachtegaal Ooievaar

Grote karekiet Huiszwaluw

Kneu Lepelaar Nachtzwaluw Paapje

Putter Roerdomp

Ransuil

Slechtvalk Tapuit

Sperwer

Roodborst

Fitis Goudhaan Groenling Havik Kerkuil Koolmees

Matkopmees

Grote bonte specht

Heggenmus Klapekster Kruisbek Middelste specht

Nonnetje Pestvogel Rietgors Roodborsttapuit Spotvogel

Oeverzwaluw Pimpelmees

Torenvalk

bonte

Rietzanger Sijs Steenuil

Wespendief

Tjiftjaf Visarend Wielewaal

Visdief Wilde zwaan

Tuinfluiter Vuurgoudhaan Winterkoning

Witte kwikstaart

Zeearend

Zwarte mees

Zwarte roodstaart

Zwarte specht

Zwartkop

Velduil

Bijlage 4 Uitdraai NDFF

Bekende verspreiding van soorten ten opzichte van het plangebied - levering uit de NDFF.

disclaimer De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in een bepaald gebied. Het systeem is in opbouw, nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn gevalideerd. Nader (veld-)onderzoek kan noodzakelijk zijn om aanwezigheid van een soort te bevestigen of uit te sluiten.

Copyright vermelden bij verwijzen of citeren naar deze levering: '© NDFF - quickscanhulp.nl 11-07-2019 19:30:42'

Tweede Parallelweg

Tweede Parallelweg

Tweede Paralltrlweg

■MM*

.

-

‘ "

Parallelweg

■T*Tī !fiiy ©2019 . Aerodata International Surveys, DigitaJGIobe, GeoContent Op de volgende pagina's vindt u de lijst met soorten en afstanden ten opzichte van het plangebied dat deze soorten zijn waargenomen. Een toelichting op deze lijst is te vinden op: www.quickscanhulp.nl.

Mocht u vragen hebben dan kunt u contact opnemen met de Helpdesk van Het Natuurloket: e-mail: serviceteamndff@natuurloket.nl telefoon: 0800 2356333

© NDFF - quickscanhulp.nl 11-07-2019 19:30:42

Soort

Soortgroep

Bescherming

Afstand

Bruine kikker

AmfibieÃ/Ârrn

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Gewone pad

AmfibieÃ/Ârrn

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Vliegend hert

Insecten-Kevers

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Hazelworm

Reptielen

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Levendbarende hagedis

Reptielen

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Kluwenklokje

Vaatplanten

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Boommarter

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Bosmuis

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Bunzing

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Das

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Edelhert

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Eekhoorn

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Egel

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Haas

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Huisspitsmuis

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Konijn

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Ree

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Vos

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Wezel

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Wild zwijn

Zoogdieren

wnb-andere soorten

0 - 1 km

Zandhagedis

Reptielen

wnb-hrl

0 - 1 km

Gewone dwergvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

0 - 1 km

Gewone grootoorvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

0 - 1 km

Laatvlieger

Zoogdieren

wnb-hrl

0 - 1 km

Rosse vleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

0 - 1 km

Ruige dwergvleermuis

Zoogdieren

wnb-hrl

0 - 1 km

Boomvalk

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Buizerd

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Gierzwaluw

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Grote Gele Kwikstaart

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Havik

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Huismus

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Kerkuil

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Oehoe

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Ooievaar

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Ransuil

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Roek

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Slechtvalk

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Sperwer

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Steenuil

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Wespendief

Vogels

wnb-vrl

0 - 1 km

Alpenwatersalamander

AmfibieÃ/Ârrn

wnb-andere soorten

1 - 5 km

Bastaardkikker

AmfibieÃ/Ârrn

wnb-andere soorten

1 - 5 km

© NDFF - quickscanhulp.nl 11-07-2019 19:30:42

Bijlage 5 Uit Inrichtingsplan Buro Ruiter

INRICHTINGSSCHETS Op basis van het landschap en de genoemde wen­ sen en eisen van de huismus is het inrichtingsplan tot stand gekomen. De houtopstand in het ontwerp vormt de verbinding met het bos aan de noord-westzijde. In de houtop­ stand, welke een uiteindelijke hoogte heeft van 6-8 meter, is een open plek met daarin een poel voor de huismus om daaruit te drinken en zich daarin te wassen. Gezien de grondwaterstand, dient de poel op het diepste punt drie meter diep te zijn ten opzichte van NAP, zodat er jaarrond water beschik­ baar is. Vanuit de poel wordt een opbouw gemaakt richting de houtopstand door middel van relatief lage (wintergroene) beplanting van maximaal 2 meter hoog om de huismus schuilgelegenheden te bieden. Verder bestaat het gebied uit weiland voor de voedselvoorziening van de huismus. om de huismus schuilgelegenheden te bieden. Verder is het gebied relatief open en wordt het zand wat bij het uitgraven van de poel vrijgekomen is, verwerkt in heuvels op het terrein. De getoonde hoogtes zijn ten opzichte van het maaiveld. Hierin kunnen de huismussen een zandbad nemen en kleine steen­ tjes en grit vinden. De heuvels worden deels geca­ moufleerd door struiken, dit zorgt voor beschutting en schuilmogelijkheden.

Verder wordt de opbouw vanuit de westzijde gemaakt door achtereenvol­ gend weiland, bloemrijk grasmengsel, lage beplan­ ting en uiteindelijk de houtopstand. Verder worden op het hele perceel een aantal bomen toegevoegd. Naast de huismus profiteren ook andere diersoor­ ten van deze transformatie. Het ontwerp is op juiste schaal bijgevoegd.

W

Legenda: Bestaand bos

S3 Bomen ZE t ļ

'W /ÜV'

| Houtopstand (6-8 meter)

jĵ Struiklaag (tot 2 meter)

ļį' -. ġj Bloemrijk kruidenmengsel ļ .'

j Weiland

Y - į ļZandheuvel V

yļ Waterpoel Hooplas zijn (en opzichte van maaiveld tenzij anders aangegeven.

BURO RUITER, ONTWERP VAN TUIN EN LANDSCHAP

7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=2b9bae33-0bfd-4854-b238-23b93c309470