CConstaterende datHarderwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen Toelichting Harderweide deelplan 3

Raadsvergadering 21 maart 2024, gemeente HarderwijkBij agendapunt: Vaststelling BP Drielanden - Harderweide deelplan 319.790 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Drielanden Harderweide deelplan 3 Bijlagen bij de toelichting

BEELDKWALITEITPLAN DRIELANDEN - HARDERWEIDE DEELPLAN 3 25 JULI 2023 Doel In dit document worden de richtlijnen beschreven voor de vormgeving van de bebouwing in het stedenbouwkundig plan voor ‘Drielanden - Harderweide – deelplan 3’. Dit document geeft een ruimtelijk kader op basis waarvan architecten de woningen in het plan kunnen gaan ontwerpen. Daarnaast geeft het dit document criteria waaraan de commissie ruimtelijke kwaliteit deze bouwplannen kan toetsen. Sfeer algemeen In het stedenbouwkundig plan voor geheel Harderweide zal qua woningbouwtypologie uitgegaan worden van dorpse en landelijke stedenbouwkundige en landschappelijke karakteristieken van bebouwing op de Veluwe. Het stedenbouwkundig plan voor geheel Harderweide wordt gedragen door een drietal typisch ‘Veluws’ dorpse woonmilieus te weten ‘wonen aan de Brink’, ‘wonen op een erf / in een hof’ en ‘wonen in een dorpse buurt’. In de architectuur dient aansluiting te worden gezocht bij kenmerken van traditionele architectuur die vaak in een landelijke omgeving wordt aangetroffen. Het kleur- en materiaalgebruik dient eveneens aan te sluiten bij het landelijke karakter. Hierbij valt te denken aan het toepassen van hout in gevels en het gebruik van natuurlijke kleuren. De gevels zijn opgetrokken uit baksteen in gedekte aarden tinten en het dak is belegd met dakpannen (gesmoord of rood gebakken) of riet.

Ook kan incidenteel het keimen van gevels worden toegepast. Voor het bereiken van de gewenste landelijke sfeer is het niet noodzakelijk de woningen in historiserende stijl te ontwikkelen. De genoemde agrarische kenmerken kunnen prima in een moderne uitvoering verwerkt worden.

Huizen op straathoeken Veel aandacht moet worden gegeven aan de vormgeving van huizen op straathoeken. Zijgevels die grenzen aan een straat moeten worden vormgegeven als een aantrekkelijke straatgevel met tenminste een raamopening (bij voorkeur ook een voordeur of meerdere ramen). Zeker langs belangrijke dwarsstraten onderscheidt de vormgeving van de hoekhuizen zich van de andere huizen in dezelfde straat door vorm, maat, kleur en/of architectonisch accent.

Erfafscheidingen Om een landelijke sfeer te kunnen realiseren moet veel zorg worden besteed aan de erfafscheidingen tussen privé-tuinen en openbaar gebied. Waar zij- of achtertuinen grenzen aan het openbare gebied dient bij de ontwikkeling een robuuste passende erfafscheiding worden aangelegd. Hierbij kan gedacht worden aan het plaatsen van hagen (beuk of liguster) of een hekwerk / raster waarlangs hedera’s aangeplant worden.

Beeldbepalende locaties Op een enkele plaats in het plangebied is het gewenst een extra accent in de architectuur te verkrijgen. Deze locaties vormen de entree van de buurt of beëindigen een straat of zichtlijn.

Zonnepanelen Om te stimuleren dat duurzaamheidsinitiatieven zo goed mogelijk aansluiten bij het beoogde beeld van de buurt, zijn onderstaand enkele criteria omschreven voor de toepassing van zonnepanelen. Het doel is dat de panelen zo goed mogelijk passen bij het beeld van het gebouw en de buurt. • • • • • •

Zonnepanelen dienen bij voorkeur in de dakbedekking te worden opgenomen (niet op de dakpannen maar in plaats van de dakpannen); De helling van de zonnepanelen is gelijk aan die van de bestaande dakhelling; Het vlak met zonnepanelen is eenvoudig en compact van vorm; een rechthoekig vlak valt minder op dan verspreide panelen; Wees zorgvuldig in het bepalen van de verhouding tussen de panelen en het totale dakvlak: zorg dat de zonnepanelen worden opgenomen in het ontwerp van het gebouw; Materiaal en kleurtoon (bv. mat en glans) van de zonnepanelen passen bij het hoofdmateriaal van het dakvlak: maak contrasten niet te groot; De kleur van het paneelkader en het raster zijn gelijk als de kleur van het paneel.

Woonmilieus Harderweide deelplan 3 kent twee woonmilieus die onderling licht afwijken qua architectuur. Elk woonmilieu is herkenbaar door een eigen stijl. De straten en pleinen per woonmilieu vormen een sterk ruimtelijk geheel. Op de onderstaande kaart is de positie van de twee verschillende woonmilieus in het plangebied verbeeld.

Criteria woonmilieu – wonen op een erf / in een hof In het stedenbouwkundig plan is ruimte voor de ontwikkeling van een aantal boerenerven of landelijke hoven. Binnen de stedenbouwkundige kamers, die gevormd worden door de hoofd groen- en verkeersstructuur kan een naar binnen georiënteerd woonmilieu ontstaan. Geplaatst rondom een deels autoluwe openbare ruimte worden in een lage dichtheid een aantal volumes geplaatst die geïnspireerd zijn op agrarische bebouwing (boerderij plus bijbehorende schuren). De rijenwoningen in dit deelgebied dienen als één (agrarisch ogend) gebouw vorm gegeven te worden. De woningen onderscheiden zich door een prominente kap die bij voorkeur aan de zijkant van de woning doorloopt. Voor de hoofdmaterialen wordt uitgegaan van aardkleuren, in combinatie met donkere of rode gebakken dakpannen. Een deel van de gevel kan bestaan uit wit stucwerk of keimwerk.

Situering • Bebouwing is gegroepeerd rondom een erf / hof; • Door met de richting van de bouwblokken en met de ligging van de rooilijn te variëren ontstaat een afwisselend en speels straatbeeld; • Panden zijn gericht naar de openbare ruimte, zijgevels die duidelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare weg dragen bij aan de vorming van een aantrekkelijke straatwand; Massa en vorm • De sfeer van de woningen refereert naar traditionele agrarische bebouwing (boerderij plus bijbehorende schuren); • De rijenwoningen worden ontworpen met de verschijningsvorm van één (boerderij)woning waarbij extra aandacht wordt besteed aan de hoekwoningen; • Garages liggen bij voorkeur een aantal meter achter de voorgevelrooilijn, zodat er een ‘los’ gevelbeeld ontstaat; • De woningen krijgen een forse kap, die bij voorkeur aan de zijkant van de woning doorloopt; • Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de woning; Gevels • Bij voorkeur worden (incidenteel) lage goothoogtes toegepast; • Door te “spelen” met de goothoogte en de kapvorm ontstaat een afwisselend gevelbeeld; • De gevelindeling mag een eigentijds karakter krijgen. Materiaalgebruik • Het kleur- en materiaalgebruik dient eveneens aan te sluiten bij het landelijke karakter; • Er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke materialen of hieraan gelijkwaardige producten; • In hoofdzaak baksteen en (gebakken) dakpannen toepassen.

In de gevels kan veelvuldig hout, stalen elementen en stucwerk of keimwerk toegepast worden; • Het dak is belegd met dakpannen (gesmoord of rood gebakken) of riet. Het gebruik van (semi)geglazuurde dakpannen met een matte uitstraling is toegestaan; Kleurgebruik • Voor de hoofdmaterialen wordt uitgegaan van aardkleuren, in combinatie met antracietgrijze / rode dakpannen of riet; • Kleuren van dakpannen en het materiaal van de gevels zijn op elkaar afgestemd; Afwerking erven • Waar zij- of achtertuinen grenzen aan het openbare gebied dient bij de ontwikkeling een robuuste passende erfafscheiding worden aangelegd. Hierbij kan gedacht worden aan het plaatsen van hagen (beuk of liguster) of een hekwerk / raster waarlangs hedera’s aangeplant worden; • Incidenteel kunnen afschermingen in voortuinen ten behoeve van afscherming van afvalcontainers worden toegestaan (max. 1,5 meter hoog);

Referenties

Woningen rondom het erf vormen een duidelijke eenheid

Concept van boerderij plus bijbehorende schuren

Agrarische uitstraling woningen

Criteria woonmilieu – wonen in een dorpse buurt Het tweede te onderscheiden woonmilieu betreft de ontwikkeling van diverse dorpse woonbuurten. Deze woonbuurten sluiten onder meer aan bij de in de hoofdstructuur aanwezige landschappelijke karakteristieken zoals de houtwal, de laan, de beek en het ven. De woonbuurten worden landelijk ogend opgesteld, met een slingerende, informele wegenstructuur en waar ‘groene’ plekken aanwezig zijn. Binnen dit woonmilieu is veel ruimte om de stedenbouwkundige karakteristieken van bebouwing op de Veluwe toe te passen zoals het verspringen van de rooilijn, het toepassen van een lage goot, de afwisseling van dwars- en langskappen, het plaatsen van de gevel net niet parallel aan de weg en het incidenteel plaatsen van de woning met de punt tot aan de weg. Daarnaast kan het gevelbeeld divers zijn door afwisseling in materiaalgebruik en gevelopeningen. Het bebouwingsbeeld langs de hoofdinfrastructuur en de diverse woonstraten krijgt een erg afwisselend karakter.

Situering • Het wisselende bebouwingbeeld van herkenbare individuele panden wordt in stand gehouden (afwisseling van rijenwoningen, 2^1 kapwoningen en vrijstaande woningen); • Door met de richting van de bouwblokken en met de ligging van de rooilijn te variëren ontstaat een afwisselend en speels straatbeeld; • Panden zijn gericht naar de openbare ruimte, zijgevels die duidelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare weg dragen bij aan de vorming van een aantrekkelijke straatwand; Massa en vorm • Met de nieuw te bouwen woningen wordt aangesloten bij de karakteristieken en de kenmerken van bebouwing op de Veluwe; • Garages liggen bij voorkeur een aantal meter achter de voorgevelrooilijn, zodat er een ‘los’ gevelbeeld ontstaat; • Van belang is een evenwicht tussen enerzijds het inpassen in de omgeving, en anderzijds een individuele uitstraling; • Het straatbeeld is erg divers door het inspringen en verdraaiing van de rooilijn; • Bij panden die een stedenbouwkundig geheel vormen, blijven toevoegingen per pand ondergeschikt aan de hoofdstructuur en de ritmiek van het geheel; • Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de woning; Gevels • Er dient een afwisselend gevelbeeld te ontstaan, dit kan bereikt worden door te spelen met de goothoogte, rooilijn en de kapvorm. De basis is twee bouwlagen met een kap.

Af en toe zal een doorgeschoten kap (bv bij hoekwoningen) toegepast worden; • De gevelindeling mag een eigentijds karakter krijgen; Materiaalgebruik • Het kleur- en materiaalgebruik dient eveneens aan te sluiten bij het landelijke karakter; • Er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke materialen of hieraan gelijkwaardige producten; • In hoofdzaak baksteen en (gebakken) dakpannen toepassen. Op sommige plaatsen kunnen hout of stalen elementen en stucwerk of keimwerk toegepast worden; • Het dak is belegd met dakpannen (gesmoord of rood gebakken) of riet. Het gebruik van (semi)geglazuurde dakpannen met een matte uitstraling is toegestaan; Kleurgebruik • Voor de hoofdmaterialen wordt uitgegaan van aardkleuren, in combinatie met antracietgrijze / rode dakpannen of riet; • Kleuren van dakpannen en metselwerk zijn op elkaar afgestemd. Afwerking erven • Waar zij- of achtertuinen grenzen aan het openbare gebied dient bij de ontwikkeling een robuuste passende erfafscheiding worden aangelegd. Hierbij kan gedacht worden aan het plaatsen van hagen (beuk of liguster) of een hekwerk / raster waarlangs hedera’s aangeplant worden;

Referenties

Incidenteel afwisseling in kapvorm, eenheid in materiaalgebruik en architectuur van de rijwoningen

Incidenteel toepassen van lage goothoogte

Incidenteel toepassen van hout en riet in de woningen

Referenties appartementengebouw

RAAP RAAP-RAPPORT 459

RAAP-rapport 459.pdf

Drielanden-zuld en -west

|

Gemeente Harderwijk Een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAM)

I

•:: •. RAAP RAAP-RAPPORT 459

Drielanden-zuid en-west Gemeente Harderwijk Een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

Colofon

Opdrachtgever: gemeente Harderwijk Project: Harderwijk Drielanden-zuid en-west Titel: Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1) Status: eindversie Datum: juli 1999 Auteur: drs. H.B.O. Schölte Lubberink Bestandsnaam: L:\QXPress\HDRI\ra459-H3qxd Projectcode: HDRI

•...'-•; •

!•

V\'-''

w

Projectleider: drs. H.B.G. Schölte Lubberink Projectmedewerkers: ir. G.H. de Boer, B. Jansen & drs. S. Molenaar

Autorisatie:

{Mir

drs. CC. Hom

ISSN: 0925-6229

RAAP Archeologisch Adviesbureau

telefoon: 020-463 4848

Zecburgerdijk 54

telefax: 020-463 4949

1094 AE Amsterdam

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 1347 1000 BH Amsterdam

* RAAP Archeologisch Adviesbureau, 1999 Archeologisch adviesbureau RAAP aanvaardt geen aansprakelijicheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

Inhoud 4

I

1 Inleiding 1.1 Algemeen 1.2 Onderzoeksgebied 1.3 Leeswijzer

•

:

. ^ ,. -

"

2 Methoden 2.1 Bureauonderzoek 2.2 Veldonderzoek

II

3 Resultaten 3.1 Bureauonderzoek 3.2 De resultaten van de AAI-1

18

4 Conclusies en aanbevelingen 4.1 Conclusies 4.2 Aanbevelingen

•

' '•

"

,

• /

19

Literatuur

20

Gebruikte afkortingen

20

Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen

21

Verklarende woordenlijst

22

Bijlage 1: Overzicht van vindplaatsen en vondsten

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[3]

Drietanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

1 Inleiding 1.1 Algemeen

.•;.-;.,.-

Naar aanleiding van een inspraakreactie van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) op de startnotitie m.e.r. Drielanden-zuid en Drielanden-west (gemeente Harderwijk: briefnummer 6875 van 04-01-1999) heeft de gemeente Harderwijk besloten een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI) in het toekomstige stadsdeel Drielanden te laten uitvoeren. De gemeente heeft op 10 maart 1999 archeologisch adviesbureau RAAP 1999 opdracht hiertoe gegeven. De archeologische kartering (AAI-1) is in de maanden maart en april 1999 uitgevoerd. Doel van een AAI is het opsporen van eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen en het bepalen van de omvang, aard en kwaliteit van de archeologische resten. Een AAI kan derhalve gesplitst worden in twee fasen: -AAI-1: kartering, het opsporen van eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen; -AAI-2: waardering, het bepalen van de omvang, aard, gaafheid en kwaliteit van de aangetroffen archeologische vindplaatsen. Omdat op grond van de huidige stand van kennis de kans op het voorkomen van archeologische resten in het gebied Drielanden (het onderzoeksgebied) niet groot geacht werd, is gekozen voor een onderzoeksopzet die voorziet in een archeologische kartering (AAI-1) in twee fasen.

Fase 1 bestaat uit een extensieve kartering (booronderzoek en oppervlaktekartering) van het gehele gebied, met als doel het vaststellen van de aan- of afwezigheid van deelgebieden die voor een meer intensieve kartering in aanmerking komen. Hierbij kan het gaan om terreinen met archeologische resten die reeds in fase 1 zijn ontdekt en om locaties waar op basis van landschappelijke kenmerken (reliëf, bodemopbouw, etc.) archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Fase 2 wordt alleen uitgevoerd als de resultaten van fase 1 daartoe aanleiding geven. In Fase 2 worden de in fase 1 geselecteerde deelgebieden aan een meer intensief booronderzoek onderworpen. De kartering (AAI-1) richtte zich op de woningbouwlocaties Drielanden-zuid, Drielanden-west en op het meest zuidelijke deel van de woningbouwlocatie Drielanden-muziekland (figuur 1). Het gaat om een gebied met een oppervlakte van ongeveer 136 ha. Drielanden-muziekland is op dit moment in ontwikkeling. In de beide andere woningbouwlocaties, d.w.z. Drielanden-zuid en -west, zullen in de periode van 2000 tot 2015/2020 ongeveer 2600 woningen worden gebouwd. De begrenzing van deze locaties ligt vast. Voor de locatie Drielanden-zuid is

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[4]

Drie(anden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

Figuur 1: De ligging van het onderzoeksgebied (gearceerd); inzet: ligging in Nederland (ster).

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[5]

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

reeds een globaal bestemmingsplan vervaardigd (Bestemmingsplan Drielanden-zuid, december 1998). In dit bestemmingsplan is de ruimtelijke hoofdstructuur van de toekomstige wijk vastgelegd. Op dit moment doorlopen de woningbouwlocaties Drielanden-zuid en -west een m.e.r-procedure (o.a. Anonymus, 1998; Tielen, 1998). Omdat het archeologisch onderzoek feitelijk na de einddatum van de m.e.r. is uitgevoerd, is het niet meer mogelijk om de resultaten in het MER op te nemen. Wel zullen de archeologische gegevens, indien relevant, opgenomen worden in het bestemmingsplan dat op basis van gegevens uit de m.e.r.-procedure wordt opgesteld. Er bestaan hierdoor, indien noodzakelijk, nog mogelijkheden om binnen de planvorming inpassing van (nog) onbekende archeologische waarden te realiseren.

1.2 Onderzoeksgebied Het (toekomstige) stadsdeel Drielanden ligt ten zuiden van de bebouwde kom van Harderwijk (figuur 1). Het gebied heeft op dit moment nog een grotendeels agrarisch karakter. Met uitzondering van de reeds gerealiseerde en in ontwikkeling zijnde delen van de locatie Drielanden-muziekland behoort het toekomstige stadsdeel Drielanden in zijn geheel tot het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied wordt aan de westzijde begrensd door Rijksweg A28, aan de noordzijde door Drielanden-muziekland en aan de oostzijde door de spoorlijn Harderwijk-Amersfoort. De zuidgrens wordt gevormd door het tracé van de toekomstige Groene Zoomweg. Het onderzoeksgebied wordt van oost naar west doorsneden door de Waterplassteeg. Tevens is er sprake van enkele onverharde veldwegen. Twee smalle, gekanaliseerde beeklopen, de Tonselsche beek en de beek van de Hoge Geest, voeren hun water via het onderzoeksgebied af in (noord-)westelijke richting. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de toegepaste onderzoeksmethoden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van de AAI besproken. In een afsluitend hoofdstuk worden conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan ten aanzien van een eventueel vervolgtraject (hoofdstuk 4). Zie tabel 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemd archeologische perioden. Periode Nieuwe tijd Late Middeleeuwen Vroege Middeleeuwen Romeinse tijd

Uzértijd Bronstijd Neolithicum (nieuwe steentijd) Mesolithicum (midden steentijd) Paleolithicum (oude steentijd)

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

Datering 1500 1050 450 12 voor ""'800' '' 2000 5300 ^^ 8800 300.000

Tabel 1: Archeologische perioden.

1500 na Chr. 1050 na Chr. 450 na Chr. "'"" 12 '"""' '"'vbof ' Ch'rr 800 voor Chr. 2000 voor Chr. 4900 voor Chr. 8800 voor Chr. [6]

ROB Ingekomen nr.;,,

O 3 AU 6 1999 Deti.

Üil ÙIÀÛÂUU ;:fh. voor:

+ 1)^1

Gemeente Harderwijk, sector Stadsontwikkeling t.a.v. dhr. J.E. Mons Postbus 149 3840 AC Harderwijk uw brief van

uw kenmerk

10 maart 1999

ons kenmerk

^atum

"-1"0/MW

30-07-1999 bijlagen

30/7279

onderwerp archeologisch onderzoek wonjngbouwloaties Drielanden

Geachte heer Mons,

beschouwen hfeJee de ODdS TaferÄ 11•'"'•"^ '^^''W; aan te bieden. Wij medewerken hebben •t S'aa' de'zrSpL A gteT°°' '^ '""'' -•">'=**"S. On.e

bijgeschreven.

y

" te aragen aat dit bedrag binnen twee weken weken OD op on7P onze rpi.ar,^L rekening ,.J.M wordt

HoogSend'"•' •"""'" '^ ''''^'" 5•^•«'--

drs. M.H. Wispelwey algemeen projectmanager

bijlagen

RAAP-rapport 459 (3 ex.) eindfactuurvoor 10% van de projectkosten

cc

ROB, mevr. drs. M. Krauwer (1 ex.) Provincie Gelderland, mevr. drs. F. de Roode (1 ex.)

"AAP Amstordam

Telefoon .31(0120 463 48 48

Zeeburgerdijk 54

Fax..31[0J20 463 49 49

1094AEAnislertam

e-mail raap@raap.nl

Postbus 1347 1000 BH Amsterdam

KvK Amsterdam S41205235 Postbank 489S648 ABN AMRO 540269581

RAAP Noord-Nedartand GiekerKstraat 23 8922 JG Leeuwarden Telefoon 058 216 09 56 Fax 058 213 00 63

RAAP Midden-Nederland Dorpsstraat 57 S677 PJ Slijk-Ewljk

RAAP Zuid-Nederland Godsweeraersingel 54 6041 Gl^ Roermond

Telefoon C481 48 26 54

Telefoon 0475 33 63 90

Fax 0481 48 28 88

Fax 0475 31 95 89

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

2 Methoden 2.1 Bureauonderzoek Voorafgaand aan archeologisch veldonderzoek wordt in de regel bureauonderzoek of vooronderzoek uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek zijn diverse gegevens met betrekking tot het onderzoeksgebied geïnventariseerd en bestudeerd. Dit onderzoek is van belang omdat het inzicht verschaft in de landschappelijke en archeologische karakteristieken van een gebied (zie hoofdstuk 3). Dit inzicht vormt een belangrijke leidraad voor de planning en de uitvoering van het veldonderzoek. De volgende bronnen zijn geraadpleegd: - het Archeologisch Informatie Systeem ARCHIS van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort; -geologische en bodemkundige gegevens (Eilander e.a., 1982; Van Liere, 1948; Schout e.a., 1997); -Tableau d'Assemblage de la Carte du Veluwe contrée de la Gueldre. Calqué la Capt. Benedetti (1816; blad B4: Van der Wyck, 1988); -de Topografische en Militaire kaart van het Koningrijk der Nederlanden 1830-1855, schaal 1:50.000 (Wolters-Noordhoff Atlasproducties, 1990); -Chromotopografische kaart des Rijks schaal 1:25.000, blad no.

371 Horst: verkend 1871, herzien 1910, gedeeltelijk herzien tot 1916 (ROBAS Atlasprodukties, 1989); -Topografische kaart van Nederland, schaal 1:25.000: blad 26H Ermelo (uitgave 1961 en 1989/1991) en blad 26G Horst (uitgave 1962 en 1989/1991); -diverse literatuur met betrekking tot (de omgeving van) het onderzoeksgebied (zie literatuurlijst). 2.2 Veldonderzoek 2.2.1 Inleiding Tijdens het veldonderzoek is gebruik gemaakt van verscheidene onderzoeksmethoden. Afhankelijk van het grondgebruik en de bodemkundige situatie zijn oppervlaktekartering en verkennend en/of karterend booronderzoek toegepast (figuur 2). Hieronder worden de toegepaste onderzoeksmethoden kort toegelicht. 2.2.2 Oppervlaktekartering Oppervlaktekartering is een methode van archeologisch veldonderzoek waarmee in relatief korte tijd grote gebieden onderzocht kunnen worden. Tijdens een

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

_.

[7J

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

! 170000

Drielanden-zuid en -west Gemeente Harderwijk Grondgebruik en onderzoeksmethoden legenda grondgebruik i

;

grasland akkertand

HmH

boomkwekerij

onderzoeksmethoden W////À

oppervlaktekartering en verkennend booronderzoek

\ ?^^

karterend booronderzoek niet toegankelijk oveng 300

^—•— grens onderzoeksgebied

Figuur 2: Grondgebruik en onderzoeksmethoden.

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[8] i

400

500 R A A P

DrieUnden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

oppervlaktekartering worden gebieden onderzocht op de aanwezigheid van archeologische artefacten aan de oppervlakte. Deze vorm van karteren is alleen zinvol in gebieden waar archeologisch relevante lagen dicht of aan de oppervlakte liggen en daarbinnen alleen op plaatsen waar een dichte begroeiing ontbreekt. Op laatstgenoemde plaatsen is de vondstzichtbaarheid meestal goed. In de praktijk gaat het in het algemeen om braakliggende akkers. In begroeide gebieden zoals grasland en bos zijn de mogelijkheden voor een oppervlaktekartering beperkt omdat er doorgaans sprake is van een minder goede vondstzichtbaarheid. In deze gebieden is men voor het doen van archeologische waarnemingen en vondsten afhankelijk van lokale bodemontsluitingen, zoals bijvoorbeeld de kanten van geschoonde sloten, molshopen, perskuilen en boomvallen. Tijdens een oppervlaktekartering worden percelen systematisch in raaien belopen waarbij archeologische artefacten verzameld worden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om aardewerkscherven en voorwerpen van steen, metaal, etc. Kartering van akkers vindt in het algemeen plaats door in banen met een onderlinge afstand van bijvoorbeeld vijf tot tien meter over een akker te lopen. Afhankelijk van de situatie ter plaatse kan besloten worden de afstand tussen de banen te vergroten ofte verkleinen.

Op grasland worden geschoonde slootkanten, molshopen en andere ontsluitingen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologisch materiaal. Aangezien een groot deel van het onderzoeksgebied ten tijde van het onderzoek als akker in gebruik was, heeft op veel plaatsen een oppervlaktekartering plaats kunnen vinden. Omdat in grote delen van het gebied dekzand dagzoomt of slechts door een dunne laag klei is afgedekt, was er op de aldus onderzochte akkers in de regel sprake van goede tot zeer goede onderzoeksomstandigheden. In totaal is 81 hectare door middel van oppervlaktekartering onderzocht (figuur 2).

2.2.3 Booronderzoek In het gehele onderzoeksgebied heeft booronderzoek plaatsgevonden. In het geval van een archeologische kartering heeft booronderzoek een drieledige doelstelling. Ten eerste wordt door middel van booronderzoek de opbouw van de bodem vastgesteld. Dit is van belang voor de interpretatie van de gegevens verkregen bij de archeologische kartering. Ten tweede wordt booronderzoek gebruikt voor het opsporen van (afgedekte) archeologische resten in gebieden waar een oppervlaktekartering niet of weinig zinvol is. In dergelijke gebieden maakt booronderzoek het verder mogelijk de diepteligging, dikte en stratigrafische positie van de archeologische laag of lagen exact te bepalen. Tenslotte is booronderzoek een betrouwbare methode om de mate van antropogene verstoring en/of natuurlijke bodemerosie van het te onderzoeken gebied te kunnen bepalen. In beide gevallen kunnen archeologische sporen geheel of gedeeltelijk verdwenen zijn. In het onderzoeksgebied zijn in totaal 308 boringen verricht (figuur 3). Er zijn twee vormen van booronderzoek toegepast: verkennend booronderzoek en karterend booronderzoek.

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[9]

Drietanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

Verkennend booronderzoek Het verkennend booronderzoek is gelijktijdig met de oppervlaktekartering uitgevoerd en heeft uitsluitend op akkerpercelen plaatsgevonden (figuur 2). De boringen zijn verricht met een zandguts met een diameter van drie cm in gebieden met dagzomend dekzand en met een Edelmanboor met een diameter van zeven cm in gebieden met een kleidek minder dan 50 cm dik. Het doel van deze vorm van booronderzoek was primair het vaststellen van de bodemopbouw van de door middel van oppervlaktekartering onderzochte percelen en niet het opsporen van archeologische resten. De gegevens van dit booronderzoek dienen ter ondersteuning van de interpretatie van de gegevens verkregen bij van de oppervlaktekartering. Het verkennend booronderzoek zijn uitgevoerd in raaien met een onderlinge afstand van 100 meter. De afstand tussen de boringen bedroeg 50 meter. De maximale diepte tot waarop is geboord, bedroeg 1,20 m -Mv. De boorpunten zijn in het veld ingemeten en op een kaart ingetekend. De bodemopbouw is aan de hand van een standaardformulier beschreven. Genoteerd zijn o.a. de kleur, diepteligging en textuur van de verschillende bodemlagen. Daarnaast zijn gegevens over verstoring van het natuurlijke bodemprofiel geregistreerd.

Karterend booronderzoek Karterend of gebiedsgericht booronderzoek is vaak de enige methode om afgedekte archeologische resten te lokaliseren die op enige diepte onder het maaiveld liggen. Dergelijke resten kunnen afgedekt zijn door natuurlijke sedimenten zoals klei, veen en stuifzand, of door een relatief dikke cultuurlaag, zoals een esdek. Daarnaast wordt karterend booronderzoek toegepast op terreinen met een dichte begroeiing waardoor een oppervlaktekartering hier niet of nauwelijks zinvol is. In het onderzoeksgebied heeft karterend booronderzoek plaatsgevonden op grasland, in een boomkwekerij en in gebieden met een relatief dik kleidek. In totaal gaat het hierbij om ongeveer 46 ha. Daarnaast is karterend booronderzoek uitgevoerd op akkerpercelen waarop de vondstzichtbaarheid tijdens de oppervlaktekartering niet optimaal geacht werd. De onderlinge afstand tussen de boorraaien bedroeg 100 meter, de afstand tussen de boringen in de raaien bedroeg 50 meter. Vrijwel overal is karterend booronderzoek uitgevoerd volgens de zogenaamde megaboormethode. Bij deze methode worden grondmonsters genomen met een Edelmanboor met een diameter van 15 cm. Deze monsters zijn gezeefd op een zeef met een maaswijdte van 0,5 cm. Het zeefresidu is gecontroleerd op de aanwezigheid van archeologisch materiaal, zoals fragmenten aardewerk, vuursteen en verbrande leem (zgn. archeologische indicatoren).

Indien dit materiaal regelmatig wordt aangetroffen, is het een vrijwel zekere aanwijzing voor de aanwezigheid van archeologische sporen in de ondergrond. In gebieden met dagzomend dekzand is de bouwvoor en de top van het onderliggende, ongestoorde, natuurlijke sediment bemonsterd. In gebieden met een kleidek is de top van het onderliggende dekzand bemonsterd. In het uiterste noordwesten van het onderzoeksgebied maakten kleiige afzettingen het zeven onmogelijk. Hier is karterend booronderzoek uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van zeven cm. Van deze boringen is het opgehoorde materiaal visueel onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

' ' .

[10]

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

3 Resultaten 3.1 Bureauonderzoek 3.1.1 Landschap en bodem Het onderzoeksgebied ligt ingeklemd tussen de uitlopers van het stuwwallandschap van de Veluwe (Veluwemassief) en het voormalige Zuiderzeegebied. Het is een relatief vlak gebied dat grotendeels is opgebouwd uit natte en vochtige dekzanden uit de laatste fase van het Weichselien (120.000-10.000 jaar geleden). In het lage westelijke deel van het onderzoeksgebied dagzomen mariene afzettingen die bij overstromingen in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd vanuit de Zuiderzee op het dekzand zijn afgezet (Zuiderzee-afzettingen). Het gaat hierbij hoofdzakelijk om lichte klei en zavel; daarnaast komt plaatselijk mogelijk geresedimenteerd dekzand voor (zie § 3.2). Langs de voormalige kustlijn van de Zuiderzee (in het uiterste westen van het onderzoeksgebied) ligt plaatselijk een relatief dik zandpakket op mariene klei en zavel. Het gaat hierbij vermoedelijk om het restant van een strandwal die als gevolg van de branding vanaf de Late Middeleeuwen is opgeworpen (Schout e.a., 1997). In geomorfologisch opzicht is het oostelijke deel van onderzoeksgebied te classificeren als een zwak glooiende dekzandvlakte die in het westen overgaat in een vlakte van getijafzettingen. Het gebied vertoont een lichte helling in westelijke richting.

De hoogteligging varieert van ongeveer 5,5 m +NAP in het oosten tot ongeveer 1,0 m +NAP in het (noord-)westen. In het oosten wordt dit vlakke gebied begrensd door lage uitlopers van het stuwwallandschap. In het zuiden wordt het begrensd door een oostwest georiënteerde, reliëfrijke dekzandrug waarvan de hoogste delen tot boven 6,0 m +NAP reiken. Vanuit deze hoger gelegen gebieden wordt oppervlaktewater afgevoerd via o.a. enkele beken die door het onderzoeksgebied stromen in de richting van het Wolderwijd. Daarnaast is in het onderzoeksgebied sprake van kwel vanaf het Veluwemassief. Als gevolg hiervan kenmerkt het onderzoeksgebied zich door hoge grondwaterstanden. Het vlakke landschap en de hoge grondwaterstanden komen tevens tot uitdrukking in de in het gebied aanwezige bodemtypen. Op de bodemkaart van Nederland (schaal 1:50.000; Eilander e.a., 1982) staan in het onderzoeksgebied vrijwel uitsluitend goor- en beekeerdgronden (met een kleidek) aangegeven. Het betreft bodems waarin als gevolg van hoge grondwaterstanden niet of nauwelijks uitspoeling van humus en ijzer heeft plaatsgevonden en waarin als gevolg daarvan een duidelijke B-horizont ontbreekt. iM

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

.

[11]

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

3.1.2 Archeologie en historie Voor zover bekend zijn er in het verleden in het onderzoeksgebied nooit archeologische vondsten gedaan. In de archieven van de ROB zijn geen vindplaatsen in dit gebied geregistreerd. In de wijde(-re) omgeving van het onderzoeksgebied zijn echter wel verscheidene archeologische vindplaatsen bekend. Deze vindplaatsen bevinden zich voornamelijk op de flanken van het Veluwemassief en op dekzandruggen in de laaggelegen gebieden ten westen daarvan. De flanken van het Veluwemassief zijn zelfs uitzonderlijk rijk aan archeologische resten. Vondsten uit het Beekhuizerzand en omstreken maken duidelijk dat de desbetreffende gebieden zich kenmerken door een vrijwel onafgebroken bewoning vanaf het Laat Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen (o.a. Deeben, 1989; Modderman e.a., 1975; Visscher, 1993). Vanaf ongeveer de 12e eeuw na Chr. wordt dit gebied ten gevolge van droogte en zandverstuivingen verlaten en verplaatst de bewoning zich in de noordelijke richting naar lager gelegen gebieden. Archeologische vondsten zijn daarnaast bekend van de hoge dekzandrug die het onderzoeksgebied in het zuiden begrensd. In de jaren '70 is in Horst tijdens een grootschalige ontgronding een nederzetting uit de Late Middeleeuwen ontdekt en voor een belangrijk deel opgegraven (Heidinga, 1984).

Deze nederzetting, die als voorganger van de Ermelose buurtschap Horst beschouwd kan worden, heeft van de 11e tot en met het begin van de 13e eeuw bestaan. Hierna werd het nederzettingsterrein verlaten en als akker in gebruik genomen. Ook in Horst verplaatste de bewoning zich hierna naar lager gelegen gebieden, d.w.z. de randen van de dekzandrug(-gen). Uit historische bronnen is bekend dat vanaf die tijd tot en met de eerste helft van de 14e eeuw in het zuiden van Horst laaggelegen gebieden tot weidegrond ontgonnen werden. De aldus ontgonnen gebieden werden voor een belangrijk deel in langgerekte stroken, slagen genaamd, verkaveld (Kroes, 1986 & 1991). In het onderzoeksgebied, dat van oudsher tot het grondgebied van de buurtschap Horst behoorde, is sprake van een vergelijkbare slagenverkaveling. Hoewel er geen gericht onderzoek naar de ontginningsgeschiedenis van het onderzoeksgebied is verricht, is het waarschijnlijk dat ook deze verkaveling ten dele in de 13e en/of 14e eeuw is ontstaan en dat (een deel) ervan in die tijd vanaf de dekzandrug vanuit het zuiden naar het noorden is ontgonnen. Een uitzondering vormt mogelijk het zeer regelmatig verkavelde gebied ten noorden van de Waterplassteeg, waarvoor een nog latere ontginningsdatum mogelijk lijkt.

3.2 De resultaten van de AAI-1 3.2.1 Bodemopbouw Zoals in hoofdstuk 2 is vermeld, is de bodemopbouw van het gehele onderzoeksgebied op systematische wijze door middel van booronderzoek onderzocht (figuur 2 en 3). In deze paragraaf wordt de tijdens dit onderzoek vastgestelde bodemopbouw van het onderzoeksgebied besproken aan de hand van een aantal profieltypen die zijn gebaseerd op tijdens het booronderzoek geconstateerde verschillen in het profielverloop. Onder profielverloop wordt de verandering in

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[12]

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

Figuur 3: Boorpuntenkaart.

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[13]

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

de aard en samenstelling van het bodemmateriaal met de diepte verstaan. Op basis van de resultaten van het booronderzoek zijn vier profieltypen en twee toevoegingen onderscheiden, die hieronder kort beschreven worden. Profïeltype 1: dekzand In het grootste deel van het onderzoeksgebied bevindt zich laat-pleistoceen dekzand aan de oppervlakte (figuur 4). In de desbetreffende gebieden is in de regel sprake van een bouwvoor (Ap-horizont) met een dikte van 20 tot 40 cm op geel tot licht grijs moedermateriaal (C-horizont). Het gaat uitsluitend om bodems die onder natte tot zeer natte omstandigheden zijn gevormd: beekeerd- en gooreerdgronden. Podzolgronden, d.w.z. (relatief) droge bodems met een inspoelingslaag (B-horizont), zijn niet aangetroffen. Profieltype 2: moerig materiaal op of In dekzand Plaatselijk is er in het 'dekzandgebied' sprake van moerig, venig of sterk humeus materiaal op dekzand of van dekzand met een venige, moerige of sterk humeuze tussenlaag (figuur 4). De dikte van deze lagen bedraagt doorgaans niet meer dan vijf tot twintig cm. Bij de moerige gronden gaat het waarschijnlijk om van oudsher natte depressies. Mogelijk is er plaatselijk sprake van een relatie met een (voormalige) waterloop (bijv. boringen 82, 83, 84, 92 en 93). In veel gevallen bevindt zich onder de bouwvoor op de moerige laag een dun laagje verrommeld zand (bijv. boringen 240, 241 en 242).

Dit zand duidt in de meeste gevallen op egalisatie, waarbij de desbetreffende depressies zijn opgevuld. Profieltype 3: zavel of lichte klei op (dek-)zand Dit profielverloop is hoofdzakelijk aangetroffen in het (noord-)westelijke deel van het onderzoeksgebied. Het betreft laaggelegen dekzand waarop tijdens overstromingen in de Middeleeuwen vanuit de Zuiderzee een laag zandige klei of zavel (kleiig zand) is afgezet. Elders in het gebied is dit profielverloop slechts op enkele plaatsen aangetroffen. Hier is mogelijk sprake van een relatie met een voormalige waterloop (boringen 11 en 107). De desbetreffende lagen zijn bruingrijs tot donkerbruin van kleur en humeus tot sterk humeus. De dikte varieert van 20 cm tot in enkele gevallen meer dan 100 cm in het uiterste westen van het onderzoeksgebied (figuur 4). Vaak is het kleiige materiaal geheel in een bouwvoor opgenomen. Profieltype 4: zavel en/of lichte klei op moerig materiaal op dekzand Op veel plaatsen in het (noord-)westelijke deel van het onderzoeksgebied is onder het hierboven beschreven klei- of zaveldek op de overgang naar het onderliggende (dek-)zand sprake van een sterk humeuze tot venige laag (figuur 4). De dikte van deze laag varieert van enkele centimeters tot enkele tientallen centimeters.

Toevoeging a: zanddek Op veel plaatsen bevindt zich op profieltype 3 en 4 een gemengde/verrommelde zandlaag van in de regel enkele tientallen centimeters dikte. Bij boringen waar met zekerheid een dergelijke zandlaag is geconstateerd, is dit als toevoeging op

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[14]

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

Drielanden-zuid en -west Gemeente Harderwijk Resultaten booronderzoek legenda bodem I

dekzand moerig materiaal op/ir dekzand zavel of lichte klei op (dek-)zand zavel en/of lichte klei op moerig materiaal op (dek-)zand boring zanddek X

bodemprofiel dieper dan 50 cm -Mv verstoord

Hguur 4: Resultaten booronderzoek.

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[15]

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

figuur 4 opgenomen. Het zand is vaak licht kleiig en bevat plaatselijk kleibrokken. De herkomst of genese van het zand is niet geheel duidelijk. Volgens buurtbewoners is er rond of tijdens de Tweede Wereldoorlog sprake geweest van het opbrengen van zand op bepaalde percelen. Vermoedelijk is dit gedaan om de stevigheid van de bouwvoor te vergroten. Daarnaast is de kans groot dat het bij (een deel van) dit zand om verplaatst dekzand uit het Zuiderzeegebied gaat dat als overslagmateriaal tijdens overstromingen vanaf de Middeleeuwen in dit deel van het onderzoeksgebied is geresedimenteerd. In het uiterste westen van het onderzoeksgebied gaat het vermoedelijk ten dele om een restant van een strandwal uit de Nieuwe tijd die zich langs de Zuiderzeekust op de plaats van de huidige Rijksweg A28 bevond. Toevoeging b: bodemprofiel verstoord Verder is in figuur 4 verstoring van het natuurlijke bodemprofiel als toevoeging opgenomen als deze dieper dan 50 cm -Mv reikt. De desbetreffende verstoringen zijn hoofdzakelijk een gevolg van diepe bodembewerking (bijv. egalisatie en diepploegen), diepe graafwerkzaamheden (bijv. de aanleg van sloten en rabatten) en de aanwezigheid van voormalige bebouwing. 3.2.2 Archeologie De archeologische kartering bestond in hoofdzaak uit een oppervlaktekartering op akkers en een karterend booronderzoek op graslandpercelen (zie hoofdstuk 2).

Tijdens het karterende booronderzoek zijn geen eenduidige archeologische resten aangetroffen. Tijdens de oppervlaktekartering zijn op negen plaatsen archeologische vondsten gedaan. Acht keer zijn vondsten op akkers gedaan (figuur 5; RAAP-vindplaatsen 1 t/m 7 en 9) en één keer in enkele molshopen op een graslandperceel (figuur 5: RAAP-vindplaats 8). Het gaat hierbij zonder uitzondering om losse vondsten. Op twee plaatsen is een los vuurstenen artefact gevonden (bijlage 1: vindplaatsen 5 en 9). De overige vondsten bestaan uit scherven uit de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd (bijlage 1; vindplaatsen 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8). Een handgevormde scherf van vindplaats 6 dateert mogelijk uit de Prehistorie. Een latere datering is echter evenzeer mogelijk. Opvallend is dat de vondsten op twee vindplaatsen op een zeer kleine oppervlakte zijn gedaan. Het betreft vermoedelijk scherven van respectievelijk een kapot geploegde laat-middeleeuwse steengoedkan uit Siegburg (vindplaats 2) en een dito kom of schaal van grijsbakkend aardewerk. De datering van deze en andere vondsten (Late Middeleeuwen B) sluit goed aan bij de in § 3.1.2 geopperde ontginningstijd (13e/14e eeuw).

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[16]

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

Figuur 5: Resultaten verkennend archeologisch onderzoek.

« E =^ O U)

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

•S 1 =: <u "3«

Of ni

[17]

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

4 Conclusies en aanbevelingen 4.1 Conclusies Tijdens het archeologisch onderzoek in het gebied Drielanden-zuid en -west zijn alleen losse archeologische vondsten uit de Steentijd en de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd gedaan. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische resten in de ondergrond. Het tijdens de AAI-1 gevonden aardewerk dateert voor een belangrijk deel uit de tweede helft van de Late Middeleeuwen (1250-1500) of uit de 16e eeuw. De datering van het aardewerk komt in grote lijnen overeen met de in § 3.1.2 geopperde ontginningsperiode. Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische resten aangetroffen. Het ontbreken van archeologische resten kan voor het grootste deel verklaard worden uit de bodemgesteldheid van het onderzoeksgebied Orielanden (zie § 3.2.1). Tijdens het booronderzoek is vastgesteld dat het in het gebied uitsluitend bodems aanwezig zijn die onder zeer vochtige tot natte omstandigheden zijn gevormd. Bodems die op eertijds drogere omstandigheden wijzen, bijv. podzolbodems, zijn in het gehele gebied niet aanwezig. Het gebied was in het verleden waarschijnlijk altijd te nat en daardoor onaantrekkelijk voor bewoning. Het resultaat van de AAI-1 vormt derhalve een bevestiging van de lage archeologische verwachting voor het onderzoeksgebied Drielanden.

In dit verband kan ook gewezen worden op de hoge dekzandrug die het gebied in het zuiden flankeert en die ongetwijfeld een veel aantrekkelijker woonplaats voor de oude bewoners van het gebied vormde. 4.2 Aanbevelingen Op basis van de resultaten van de AAI-1 worden geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan. Het is derhalve niet noodzakelijk om onderzoeksfase 2 van het archeologisch onderzoek uit te voeren (zie § 1.1). Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten zijn er derhalve vanuit de archeologie geen bezwaren en/of beperkingen ten aanzien van de geplande woningbouw.

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[18]

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

Literatuur Anonymus, 1998a. Gemeente Harderwijk. Bestemmingsptar] Dhelanden-Zuid. Anonymus, 1998b. Gemeente Harderwijk. Richtlijnen voor de inhoud van het milieuejfectrapport woningbouwlocaties Drielanden-zuid en Drielanden-west. Deeben, J., 1989. C.O.T. Ermelose Heide. Een archeologische kartering, inventarisatie en waardering. RAAP-rapport 24. Stichting RAAP, Amsterdam. Heidinga, H.A., 1984. De Veluwe in de Vroege Middeleeuwen. Aspecten van de nederzettingsarcheologie van Kootwijk en zijn buren. Proefschrift Universiteit van Amsterdam. Kroes, J., 1986. Bewoningsdynamiek op de Noordwest-Veluwse zandgronden. Geïllustreerd aan de hand van de opkomst en neergang van de hof Ter Brake in Mierden (gem. Harderwijk). Historisch Geografisch Tijdschrift 1986(2): 42-47. Kroes, J., 1991. Onvolledige opstrek op de Nederlandse zandgronden. Een onderzoek naar de verspreiding en de achtergronden tussen opstrek en andere occupatievormen. Nederlandse Geografische Studies 122. Liere, van. W.3., 1948. De bodemgesteldheid van de gemeente Harderwijk. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Modderman, P.J.R., J.A. Bakker & H.A. Heidinga, 1976. Nederzettingssporen uit Midden-Neolithicum (TRB), Late Bronstijd en Middeleeuwen in het Beekhuizer Zand onder Harderwijk, prov. Gelderland. Analecta Praehistorica Leidensia IX: 39-73. Eilander, D.A., J.L. Kloosterhuis, F.H. de Jong & J. Koning, 1982.

Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000. Toelichting bij de kaartbladen 26 Oost Harderwijk en 27 West Heerde. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. ROBAS, 1989. Historische Atlas van Gelderland. Chromotopografische kaart des Rijks 1:25.000. ROBAS Atlasproducties, Den lip. Schout, J.J., M. Stoffer & G. Lenselink, 1997. Geologische en bodemkundige atlas van de Randmeren. Directoraat Generaal RWS/RIZA, Lelystad. Tielen, J.A.L.W., 1998. Startnotitie woningbouwlocaties Drielanden-zuid en Drielanden-west. Gemeente Harderwijk. TAUW bv, Deventer. Visscher, H.C.J., 1993. Herinrichtingsgebied Harderwijk-Elburg. I. Archeologische kartering en inventarisatie; II. Onderzoek t.b.v. een verwachtingskaart. RAAP-rapport 72A. Stichting RAAP, Amsterdam. Wolters-Noordhoff, 1990. Grote historische atlas van Nederland 1:50.000. Deel 3 Oost-Nederland 1830-1855. Wolters-Noordhoff Atlasproducties, Groningen. Wyck, van der, H.W.M., 1988. Atlas van de Gelderse buitenplaatsen. De Veluwe. Alphen aan de Rijn. RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

'

;.

C^^l

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

Gebruikte afkortingen AAI

Aanvullende Archeologische Inventarisatie

ARCHIS

ARCHeologisch Informatie Systeem

m.e.r.

milieu-effectrapportage

MER

Milieu Effect Rapport

Mv

maaiveld

NAP

Normaal Amsterdams Peil

RAAP

Regionaal Archeologisch Archiverings Project

ROB

Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek

Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen Figuur 1.

De ligging van het onderzoeksgebied (gearceerd); inzet: de ligging in Nederland (ster).

Figuur 2.

Grondgebruik en onderzoeksmethoden.

Figuur 3.

Boorpuntenkaart.

Figuur 4.

Resultaten booronderzoek.

Figuur 5.

Resultaten verkennend archeologische onderzoek.

Tabel 1.

Archeologische perioden.

Bijlage 1. Overzicht van vindplaatsen en vondsten.

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[20]

OrieUnden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

Verklarende woordenlijst antropogeen artefact dekzand

es

kwel podzol

Prehistorie Plelstoceen

rabat Steentijd strandwal stuwwal Weichselien

ten gevolge van menselijk handelen (door mensen gemaakt/ veroorzaakt) alle door de mens gemaakte of gebruikte voorwerpen fijnzandige afzettingen die onder periglaciale omstandigheden vnl. door windwerking ontstaan zijn; de dekzanden van het Weichselien vormen in grote delen van Nederland een 'dek' (Saalien: Formatie van Eindhoven; Weichselien: Formatie van Twente) oud verhoogd bouwland, ontstaan door ophoging ten behoeve van bemesting. Voor de bemesting werden plaggen of met zand vermengde potstalmest opgebracht. Hierdoor ontstond een dikke humeuze laag: het esdek. Om te kunnen spreken van een esdek moet de opgebrachte laag tenminste 50 cm dik zijn. De term es is gangbaar in Noord- en Oost-Nederland. In Midden-Nederland wordt gesproken van enk of eng en in Zuid-Nederland van akker of veld door hydrostatische druk aan het oppervlakte treden van grondwater bodem met een uitspoelingslaag (E-horizont) en een inspoelingslaag (B-horizont). Het proces van het uitlogen van de E-horizont en de vorming van een B-horizont door inspoeling van amorfe humus en ijzer wordt podzolering genoemd; een geleidelijke overgang van een B-horizont naar het moedermateriaal wordt B/C-horizont genoemd dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven geologisch tijdperk dat ca. 2,3 miljoen jaar geleden begon.

Gedurende deze periode waren er sterke klimaatswisselingen van gematigd warm tot zeer koud (de vier bekende Ijstijden). Na de laatste IJstijd begint het Holoceen (ca. 8800 voor Chr.) kunstmatig afwateringskanaal, recente ontginningsgreppel archeologische periode die zich kenmerkt door het gebruik van stenen werktuigen door branding en zeestromingen ontstane zandrug parallel aan de kustlijn welke uiteindelijk boven gemiddeld hoogwater uitkomt door de druk van het landijs in het Saalien opgedrukte rug van scheefgestelde preglaciale sedimenten geologische periode (laatste ijstijd, waarin het landijs Nederland niet bereikte), ca. 12.000-10.000 jaar geleden

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[21]

Drielanden-zuid en -west, gemeente Harderwijk; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI-1)

RAAP

Bijlage 1: Overzicht van vindplaatsen en vondsten HDRI 1

1 Paffrath (waarschijnlijk): Late Middeleeuwen A

HDRI 2

4 steengoed, Siegburg; Late Middeleeuwen B 1 steengoed, spinklos; Late Middeleeuwen B - Nieuwe tijd A

HDRI 3

1 steengoed, Siegburg; Late Middeleeuwen B

HDRI 4

1 steengoed, Siegburg; Late Middeleeuwen B

HDRI 5

1 vuursteen afslag; Steentijd onbepaald

HDRI 6

4 grijsbakkend aardewerk; Late Middeleeuwen B 1 aardewerk handgevormd; Prehistorie - Late Middeleeuwen

HDRI 7

1 protosteengoed; Late Middeleeuwen

HDRI 8

1 kogelpot (waarschijnlijk); Late Middeleeuwen 1 Pingsdorf; Vroege Middeleeuwen D - Late Middeleeuwen A

HDRI 9

1 brok vuursteen; Steentijd onbepaald

RAAP-rapport 459 / eindversie 19-07-1999

[22]

Ad vi e s n atu u r w aa rd en Dr ie l an d e n We s t f a se 2

Ad vi e s n atu u r w aa rd en Dr ie l an d e n We s t f a se 2

Inhoud

Rapport en bijlagen

12 januari 2018 Projectnummer 116.00.01.23.01

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

6

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Bestaand onderzoek

5

1.3

Doel van het advies

5

1.4

Informatie

5

1.5

Opzet van het rapport

5

Situatieschets en plannen

7

2.1

Ligging en huidige situatie

7

2.2

Voorgenomen ontwikkeling

8

Gebiedsbescherming

10

3.1

Wet natuurbescherming

10

3.2

Provinciaal ruimtelijk natuurbeleid

15

Soortenbescherming

17

4.1

Planten

18

4.2

Zoogdieren - vleermuizen

19

4.3

Zoogdieren – overige

19

4.4

Vogels

21

4.5

Amfibieën, reptielen en vissen

23

4.6

Ongewervelden

24

Conclusie en consequenties

25

5.1

Beschermde gebieden

25

5.2

Beschermde soorten

25

5.3

Uitvoerbaarheid

27

Bronnen

28

6.1

Veldbezoek

28

6.2

Bronnen

28

Bijlagen

12 januari 2018

1

Inleiding 1.1

Aanleiding

In het kader van woningbouwproject Drielanden-West te Harderwijk is in 2010 en 2015 ecologisch onderzoek uitgevoerd. De woonwijk Drielanden-West wordt in drie fases ontwikkeld, waarbij fase 1 op dit moment wordt gerealiseerd, terwijl fase 2 en fase 3 nog niet zijn gerealiseerd. Het onderzoek uit 2015 is verouderd door de invoering van de Wet natuurbescherming op 1 januari 2017. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998, waaraan in 2015 is getoetst. Daarom dient het natuurwaardenonderzoek uit 2015 in verband met de ontwikkeling van fase 2 te worden geactualiseerd. Het voorliggende rapport voorziet in deze actualisatie.

1.2

Bestaand onderzoek

Het plangebied van Drielanden-West ligt in een gebied waar de laatste jaren veel ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Er zijn in het kader van deze ontwikkelingen verschillende natuuronderzoeken uitgevoerd. De relevante onderzoeksrapporten zijn in de literatuurlijst in paragraaf 6.2 opgenomen. In 2010 is voor het plangebied Drielanden West de ‘Voortoets Drielanden-West te Harderwijk; Toetsing Flora- en faunawet en Natuurbeschermingswet 1998’ opgesteld (BügelHajema, 2010). In 2015 is het natuurwaardenonderzoek voor Drielanden-West geactualiseerd met het rapport ‘Advies Natuurwaarden Drielanden-West te Harderwijk’ (BügelHajema, 2015).

1.3

Doel van het advies

Voorliggend advies natuurwaarden behandelt de ecologische beoordeling van de genoemde plannen. De effecten op natuurwaarden worden beoordeeld in relatie tot de Wet natuurbescherming (Wnb) met de daaraan gekoppelde provinciale verordening en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid.

1.4

Informatie

De beschrijving van de relevante te beschermen natuurwaarden is gebaseerd op: -

bestaande bronnen, zoals databanken, verspreidingsatlassen, waarnemingsoverzichten, rapporten en websites;

-

verkennend veldbezoek waarbij vooral is gekeken naar kritische en/of beschermde soorten, zowel wat betreft aanwezigheid van als wat betreft potenties voor deze soorten.

1.5

Opzet van het rapport

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plangebied en de voorgenomen ontwikkelingen weergegeven. De mogelijke effecten van deze plannen op beschermde natuurgebieden worden in hoofdstuk 3 beoordeeld in het kader van de Wet natuurbescherming en het provinciale natuurbeleid. Op

Advies natuurwaarden Drielanden West fase 2 - 12 januari 2018

5

basis van bekende verspreidingsgegevens en het veldbezoek worden de mogelijke effecten van de toekomstige plannen op, in het kader van de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna bepaald (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 ‘Conclusie en consequenties’ wordt een samenvatting van de belangrijkste bevindingen van het onderzoek gegeven.

Advies natuurwaarden Drielanden West fase 2 - 12 januari 2018

6

2

Situatieschets en plannen 2.1

Ligging en huidige situatie

Het plangebied Drielanden-West ligt aan de zuidwestzijde van de stad Harderwijk, grotendeels in de 1

kilometerhokken 168-480 en 168-481. Figuur 1 geeft een topografisch overzicht van de ligging van het plangebied en de omgeving. Het gebied wordt aan de noordwestelijke zijde begrensd door de rijksweg A28 en de geluidswal daarlangs. Aan de oostzijde wordt de begrenzing gevormd door de al gerealiseerde of in ontwikkeling zijnde delen van de wijk Drielanden. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door de Groene Zoomweg met daarachter de Groene Zoom, een gebiedszone van Harderwijk en Ermelo dat deels wordt ontwikkeld tot recreatief uitloopgebied.

Figuur 1. Topografische kaart met ligging plangebied (rood) (bron: kaartbeeld: Jan-Willem van Aalst, www.imergis.nl, bron webservice: Esri Nederland, www.esri.nl)

1

Een kilometerhok is een vastgelegd gebied van 1 km bij 1 km. De Topografische Dienst heeft deze hokken ingevoerd als rasterverdeling voor het tekenen van de topografische kaarten van Nederland.

Advies natuurwaarden Drielanden West fase 2 - 12 januari 2018

7

Het plangebied betreft een landschappelijk open, agrarisch gebied dat in gebruik is als grasland en maïsakkers. Er is geen bebouwing in het plangebied aanwezig. De grenzen van de agrarische percelen worden veelal gevormd door smalle kavelslotensloten van minder dan 1 m breed. Daarnaast doorsnijdt de Beek van den Hooge Geest, het plangebied vanaf de oostzijde naar de noordzijde. Aan de zuidwestzijde van het plangebied ligt een gronddepot. Langs de Groene Zoomweg en de A28 is een geluidswal opgeworpen. Op de geluidswal en rond het gronddepot is wat opgaande beplanting aanwezig met jonge bomen en struiken.

Plangebied bezien vanaf de geluidswal langs de Groene Zoomweg richting de A28

2.2

Voorgenomen ontwikkeling

De voorgenomen ontwikkelingen bij fase 2 bestaat uit de realisatie van 368 woningen. De beoogde inrichting van het plangebied met zowel fase 2 als fase 3 wordt hierna weergegeven in figuur 2.

Advies natuurwaarden Drielanden West fase 2 - 12 januari 2018

8

Figuur 2. Beoogde inrichting van fase 2 van Drielanden-West te Harderwijk. Grijs: woningen, groen: opgaande beplanting, lichtgroen: oeverzone waterberging, blauw: water, geel: Drielanden West Fase 1 (bron: gemeente Harderwijk)

Bij

uitvoering

van

het

plan

wordt

grond

vergraven

en

worden

watergangen

vergraven, dan wel gedempt. Aan de noordzijde van het plangebied wordt een nieuwe waterberging gerealiseerd voor de wijk Drielanden-West. De bergingsvijver wordt gevoed door bestaande waterlopen en nieuwe singels waarin het kwelwater vanuit het Veluwe-massief stroomt. Het voornemen is de vijver een moerassig en ecologisch waardevol karakter te geven. De vijver krijgt deels een diepte van 1,30 m en een deel van 2 ha (langs de zuidoost rand van de vijver) krijgt een waterdiepte van 0,0 0,2 m (plas-dras-situatie). De oorspronkelijke beek in het gebied, Beek van den Hooge Geest, wordt geïntegreerd in het stedelijk watersysteem. Drielanden-West wordt vanaf de Groene Zoomweg ontsloten door twee toegangswegen, de ‘inprikkers’. Deze inprikkers ontsluiten elk een afzonderlijk gedeelte van Drielanden-West. De eerste toegangsweg ten oosten van het plangebied is al gerealiseerd bij aanleg van Drielanden-West fase 1. De tweede toegangsweg aan de westzijde van het plangebied moet nog worden gerealiseerd.

Advies natuurwaarden Drielanden West fase 2 - 12 januari 2018

9

3

Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wet natuurbescherming, de Provinciale Structuurvisie en Provinciale Ruimtelijke Verordening.

3.1

Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Voortoets De voorliggende rapportage is geschreven als voortoets in het kader van de Wnb. Het begrip 'voortoets' komt niet als zodanig voor in de Wnb. Het begrip wordt in de praktijk echter veel gebruikt als naam voor een globale toetsing waarmee een indicatie wordt verkregen van de mogelijke negatieve gevolgen van een activiteit op beschermde Natura 2000-gebieden in het kader van de Wnb. Door een voortoets uit te voeren, wordt de vraag beantwoord of er een kans bestaat dat de activiteit verslechtering en/of significante gevolgen met zich meebrengt. De provincie Gelderland is in voorliggende situatie in het kader van de Wnb het bevoegd gezag. Inventarisatie Het plangebied ligt niet in en grenst niet aan een beschermd gebied in het kader van de Wnb. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied betreft het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, dat is gelegen op ongeveer 175 m afstand ten noordwesten van het plangebied (zie figuur 3).

In het aanwijzingsbesluit zijn de begrenzing en de instandhoudingsdoelen opgenomen. Het gebied is op 23 december 2009 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Verder ligt het Natura 2000-gebied Veluwe op ongeveer 2,5 km ten oosten van het plangebied. De Veluwe is op 14 juni 2014 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied.

Advies natuurwaarden Drielanden West fase 2 - 12 januari 2018

10

Figuur 3. Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. (bron kaartbeeld: Jan-Willem van Aalst, www.imergis.nl; bron webservice: Esri Nederland, www.esri.nl)

Effectbeoordeling De effectbeoordeling die in 2015 is uitgevoerd, beschrijft de effecten op Natura 2000-gebieden in het plangebied. Bij deze beoordeling zijn de effecten verdroging door bemaling in het plangebied, optische verstoring door recreatie en verzuring en vermesting door stikstofdepositie in kaart gebracht (BügelHajema, 2015). Dezelfde effecten zijn met uitzondering van verzuring en vermesting ook in 2011 getoetst (Tauw). Andere effecten treden niet op door de afstand tot de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Veluwe en/of de inrichting van het gebied tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden. Bij dit laatste is met name de drukke A28 tussen het plangebied en de Veluwerandmeren en de bebouwing tussen het plangebied en de Veluwe relevant. Deze effectbeoordeling uit 2015 (BügelHajema) is nog grotendeels actueel aangezien de bescherming van Natura 2000-gebieden niet is gewijzigd met de invoering van de Wet natuurbescherming. Ook de plannen in het plangebied zijn niet gewijzigd ten opzichte van 2015. De effectbeoordeling voor de hydrologische effecten en verstoring door recreatie sluit dan ook aan bij het onderzoek uit 2015. De effecten van verzuring en vermesting zijn wel opnieuw in kaart gebracht door middel van een Aerius-berekening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Harderwijk&id=2106c29f-94c9-4a6d-a626-cc7ae59366a0